IN MEIO! wat is het schoon daar buiten;O! wat is het schoon in Mei.Alles staat in vollen luister!Bosch en veld en hof en wei!’t Is een vreugd, een blij genieten;In de polsslag van natuur,Is het de uiting der bezieling,Van een krachtig levensvuur.Sneller jaagt thans door al de ad’ren,Van de Schepping levenskracht,Die de kiem tot volle ontwikk’ling,Van een heerlijk aanzijn bracht.En nu pronkt in al de luister,Van een schoonen Meischen dag,Heel Natuur, zoo schoon, dat nimmer,’s Menschen oog het schooner zag.Ziet! de Meidoorn is één bloemtuil,En wat zijn de geuren zoet,Die het zoele zuidewindje,Ons bij poozen ruiken doet.Heel de weide is bont van bloemen,Paarsche veldviooltjes doen,Tusschen schucht’re madeliefjes,Meê, verscholen haast in ’t groen.En het windeke gaat stoeiend,Tusschen bloem en knoppen door;Streelt hier blaadjes, kust daar kelkjesVan de bloemen op zijn spoor.Als hun antwoord neigen, fluist’ren,Lispelen zij, allen zacht,Nu van hunne verre zust’ren,Zefier hun een groete bracht.Tusschen al dat jonge levenVan die Lenteaanminnigheid,Heeft een echtpaar lieve zangers,Zich een aardig thuis bereid.Gloed straalt van den blauwen HemelAlles zwijgt: alleen Natuur,Lispelt in zich zelv’ als ’t ware,Van dit god’lijk lenteuur!Neen, dat is die rust niet storen!Nu van verre in ’t zwijgend woud,Luid de koninklijke zanger.Weder zijnen intocht houdt.Ja de koninklijke zanger,Koning van de zangersrijMet zijn zangersschat vol toonen,Voert door ’t lied hier heerschappij.Onder ’t zoet van die akkoorden,Zacht en breed en teer en lang,Is ’t Natuur, den Schepper prijzend,In gewijden avondzang.
O! wat is het schoon daar buiten;O! wat is het schoon in Mei.Alles staat in vollen luister!Bosch en veld en hof en wei!
’t Is een vreugd, een blij genieten;In de polsslag van natuur,Is het de uiting der bezieling,Van een krachtig levensvuur.
Sneller jaagt thans door al de ad’ren,Van de Schepping levenskracht,Die de kiem tot volle ontwikk’ling,Van een heerlijk aanzijn bracht.
En nu pronkt in al de luister,Van een schoonen Meischen dag,Heel Natuur, zoo schoon, dat nimmer,’s Menschen oog het schooner zag.
Ziet! de Meidoorn is één bloemtuil,En wat zijn de geuren zoet,Die het zoele zuidewindje,Ons bij poozen ruiken doet.
Heel de weide is bont van bloemen,Paarsche veldviooltjes doen,Tusschen schucht’re madeliefjes,Meê, verscholen haast in ’t groen.
En het windeke gaat stoeiend,Tusschen bloem en knoppen door;Streelt hier blaadjes, kust daar kelkjesVan de bloemen op zijn spoor.
Als hun antwoord neigen, fluist’ren,Lispelen zij, allen zacht,Nu van hunne verre zust’ren,Zefier hun een groete bracht.
Tusschen al dat jonge levenVan die Lenteaanminnigheid,Heeft een echtpaar lieve zangers,Zich een aardig thuis bereid.
Gloed straalt van den blauwen HemelAlles zwijgt: alleen Natuur,Lispelt in zich zelv’ als ’t ware,Van dit god’lijk lenteuur!
Neen, dat is die rust niet storen!Nu van verre in ’t zwijgend woud,Luid de koninklijke zanger.Weder zijnen intocht houdt.
Ja de koninklijke zanger,Koning van de zangersrijMet zijn zangersschat vol toonen,Voert door ’t lied hier heerschappij.
Onder ’t zoet van die akkoorden,Zacht en breed en teer en lang,Is ’t Natuur, den Schepper prijzend,In gewijden avondzang.