LANDELIJK GELUKO! Hoe vreedzaam is het leven,Dat het lot u heeft gegeven,Landman, op uw eigen erf,Op uw stille groene werf!Waar der Eiken hooge kruinen,Ruischend uwen vrede omtuinen,Schuttend met hun stam en tak,Uw van Huislook groenend dak.Waar de wilde bloemen kleuren,Zoet voor uwe voeten geuren,Windend zich uit ruigte en mos,Op verloren hoekjes los,Onder bloeiende Seringen,Die uw boomgaard dicht omringen;Waar Narcis en Duizendschoon,Spreiden hunne pracht ten toon.Waar zich de Eiber tot de nokken,Van uw schuur voelde aangetrokken;Bouwde aan scheef gewaaid verband,Vast zijn nest op schuurdaks rand;Alsof ’t was er voor bedongen,Bracht hij U uw eersten jongen,Toen hij voor den tweeden keer,Kwam van ’t verre Zuiden weer.’t Moet daar wel gelukkig wonen,Bij de nachtegaal, wiens tonen,Vooraan uit de zangersrijAls de schoonste in de Mei,Uit uw hazelaarsstruweelen,Om uw hoeve komen kweelen;En ze luide klinken doen,Door uw Paradijs van groen!’k Prijs uw lot o Landbewoner!Want ik ken toch maar niets schooner,Landman, die ’t zoo heeft als gij;Ginder aan de middagzij,Uwe witte klaverweide,Verderop de fulpen heide,Zoo ver ’t oog reikt, uitgebreid.Alles kleurverscheidenheid!’t Honigzoet dier beide kruiden!Als de milde wind van ’t Zuiden,Van dien kant u tegenwaait!Als naar ’t Oost gij ’t hooiland maait,Welk een schat van lekk’re geuren,Dringt door vensteren en deuren,Die, eer gij u legt te bed,Tot verkoeling openzet.Rijker waart gij dan een koning!Toen men onlangs uit uw woning,Zag door eene vensterruit,Noordwaarts naar uw boomgaard uit:Wat een bloesem! wat een kleuren!Daar op de allereêlste keuren,Van het fijnste en lekkerste ooft,Dat u veel, zeer veel belooft!O! Hoewel dat voor de IJsheilgen,Om uw schatten te beveilgen,Ongeveer zoowat twaalf Mei’t Zuid voor ’t zwerk een wolkbank lei.Brandet ge al uw rijs en turven,—’k Had u niet verzeek’ren durven;Dat die strenge nachten door,Uwe vrucht niet ging te loor.En als straks uw Bellefleuren,U roodwangig tegengeuren,En Duchesses en Beurrées,U doen lachen om uw vrees,Perziken en Abrikozen,U glimlachend tegenblozen,Landman, had ik geen gelijk?Toen ’k zei: „Gij zijt meer dan rijk!”En nu blijft er nog te resten,Om een blik te slaan naar ’t Westen,Waar het onafzienbaar bosch,Waait in frisschen lentedos;Plooiend zich in duizend vormen,Schuttende u voor felle stormen;Waar van Eik, Beuk en Abeel,Gij u bouwt een woudprieel.O! Hoe zwaar getopt die aren!Die ’t Noord-Oosten als de baren,Wieg’len doen, op ’t briesje meê,Als een zacht bewogen zee,Bloemen, waar geen vruchten groeien,Die in rood, blauw, purper bloeien,Naast het weligst veldgewas,’t Heerlijk groen van ’t dichte gras.Waarin, bont gevlekte koeien,Langs de gansche weide stoeien,En een blanke lammrenschaar,In een groep, men wordt gewaar,Zich als in het groen verliezend.Wijl een Ros, ver hoorbaar brieschend,In galop van end tot end,Door de groene weide rent.Boven al dat vreedzaam leven,Is een Leeuwrikje opgedreven.Zingt, juist boven dit tooneel,Door, uit onvermoeide keel.Ver in ’t ronde er, eer de lijnenVan den horizon verschijnen;Welk een landschapsschilderij,’t Uitzicht onbeperkt en vrij.Landman! ’t hart kunt op ge er halen,Waar gij ook uw oog laat dwalen,Aan wat, gij het liefste ziet:Naderbij en in ’t verschiet!Waar het oog ook slechts blijft toeven,Ginds: in groen gedoken Hoeven,Waar men zich ook keert in ’t rond,Op den voor- en achtergrond.Hier een groep, die zaaien, eggen,Of er de eerste vruchten leggen,Wijl menafenaan, vol vlijt,Mest en zaaizaad henenrijdt.Boven al dat druk gewemel,Staat de zon klaar aan den hemel,Droogt steeds de opgeworpen voor,Altijd aan, de dagen door.’t Koolzaad gaat reeds aan het bloeien,En zijn bloesems pronken, gloeien,Als om ’t zeerste in gouden gloed,’t Starende oog, hel tegemoet.’t Blauwend meer ligt ginds te kabb’len,Aan zijn groenende oevers knabb’len,Jongvee’s tongen, ’t malsch gewas,Van het smaak’lijk oevergras.Forsche molenwieken zweven,Met de zeilen half gereven,Rond door de ijle blauwe lucht,Met hun honderd voeten vlucht,Altijd zich maar voorwaarts reppend,Rustloos watermassa’s scheppend,Uit te hoogen waterstandVan het kostlijk polderland.Landman! Schoons brengt u de morgen,Als in neev’len, half verborgen,Pas drie in den uchtendstond.Gij reeds stapt uw Rijk in ’t rond.Staat eens naar het weer te kijken,Hoe ’t vandaag er meê zal lijken,Of uw weêrhaan wind van ’t Zuid,Of Oost, Noord of West aanduidt.En in uwe hooge Linden,Lispelen reeds de eerste winden,Waar als in een groene huif,Zacht roekoert uw wilde Duif.Wijl gij Zwaluws werk aanschouwend,Tegen uwen muurlijst bouwend;En door Schelvinks heldre slag,Hij bezingt den jongen dag.’t Rood en wit van uw Kastanje,Fonklen in het teêr Oranje,Dat van de Oosterkimmen welt,Over ’t zilverkleurig veld;En terwijl ge uw Hof doorkuiert,Wordt allengskens ’t al ontsluierd,Straks nog onbestemd en grauw,Door den dichten morgendauw.Om als ’t ware u te verrassen,Gaan eensklaps uw vogels plassen,In ’t met lisch doorgroeide nat,Altijd weer aan, nimmer zat,Steeds met onvermoeiden ijver,Langs den heldren eendenvijver;Op ’t eilandje, er verst van daan,Groet van ’t nest uw blanke zwaan.Thans reeds blijft ge uw melkers wachten,Die met hunne zilvren vrachten,Wederkeeren uit de wei;Terwijl ’t klingelt door de hei,Van zijn woll’ge Kudde schapen:Scheper heeft zich niet verslapen;Ook hij weet: „de morgenstond,Heeft steeds rozen in den mond”.Alles staat verjongd, vol leven.Alle neev’len zijn verdreven,En uw gansche heerlijkheid,Ligt nu voor u uitgespreid!Uwe KamperfoeliestruikenDie van zoeten honing ruiken,Staan als waar’ het overspand,Door een krans van diamant.En nu is al ’t leven wakker;En uw zorgen eischt uwe akker,Waar gij werkt, bij ’t bloeiend kruid,Dat zijn bloesem straks ontsluit,Achter akkers boomenranden,Als het ware lustwaranden,Van geboomte en bloeiend hout,Eene voortzetting van ’t woud.Waaruit Lijsterbloesems gluren,Die er met hunne onderburen,Sleedoorns en meer woekerkruid,Kijken door ’t gebladerte uit.Wijl gij naar dien wierook ruikend,Komt Patrijsje, steeds maar duikend,Om te vinden, ongemerkt,’t Nestje, waar gij er naast werkt.Wel! met wien zoudt ge wel ruilen?Als gij onder bloementuilen,U in ’t gras ter neer straks zet,Een natuurlijk bloemenbed,Vol Viooltjes, Boterbloemen,(Veel te veel om op te noemen).Die zich zachtjes opendoen,In de grondkleur: ’t prachtig groen.Waar een Vlinder vrij doorhuppelt,Wijl het paarlen op u druppelt,Van de stammen, blad en steel:Noem mij schooner tafereel!Als al ’t leven om u wakker,Gij den morgen, op uw akkerIn gestaâge bezigheid,’t Voor de zaaing toebereidt.Want uw werk geeft u genoegen;Gij moogt eggen, mesten, ploegen,Zaaien, snoeien, wieden gaan,Voor uw wagen ’t Blesje slaan,Om met mest of zaad te rijden:’t Werk wenkt u van alle zijden;Daarom gaat tot de avondrust,’t Alles voort met blijden lust.En dan, na ’t gedane werken,Wandelt gij eens, om te merken,Hoe het in uw schaapskooi staat,Waar eene ooi u tegenblaat,Die gij aan uw komst deed wennen,En uw stappen juist deed kennen,Dat zij in de laatsten nacht,U drie lammren heeft gebracht.En gij wandelt zoetjes verder;Groet den weêrkeerenden herder,Ziet eens hoe het is gesteld,Met uw arend roggeveld;Of gij met uw akker tarwe,Hopen kunt op zware garwe;Of gij gaat naar ’t allerverst,Van uw grondstuk, met de gerst.En in de eerste Juliweken,Komt gij dikwijls eens gekeken,Of na eenen onweêrsdag,Door den sterken hagelslag,Ook uw Boekweit heeft geleden,Van de zware bui van heden,Of die vrucht reeds sterk gewin,Bracht uw bijenstal u in!En het is zoo’n beeld van vrede,Als uwe Ega dan eens mede,Van uw Caro vergezeld,Wandelt door het bloeiend veld;En welsprekend ge u beijvert,Te vertellen, wijl gij ’t cijfert,Alles in getallen uit,Hoeveel gelds uw vrucht beduidt.Of gij gaat bij zomeravond,Waar uw Jachtje ligt gehavend,En bij ’t avondwindje ’t meer,Ge overspelevaart een keer.Of gij laat uw snoer eens zinken,Tot een baarsje er aan komt blinken.Of gij schudt van visch het puik,Uit uw goed voorziene fuik.Of na werktijd komt uw Jongen,Vrolijk op u toegesprongen;Die een vroegrijpe appel zag,En met zulk een rooden lach!Of gij die hem niet wilt krijgen,Van de slingerende twijgen!En gij denkt: wel looze guit,Hoe vindt gij die mooiste er uit!En gij weet uit vroeg’re jaren,Hoe gij en uw broertjes waren,Als het uwen appelhof,Met zijn zoeten vrucht betrof,Hunne soort en eigenschappen,’t Was een lust er in te happen;Dan een appel, pruim of peer,Heel den zomer, duizend keer!En hebt gij in de avondstonden,Winters u bijeengevondenBuur en lieve bloedverwant:De verveling is verband.Dubbel zoet met vriend en magen,Is zoo’n huislijk welbehagen,Hoe ’t ook sneeuwen moog of vriest,Waarbij gij dan niets verliest.Laat dan ’t Oost door de eiken loeien,’t Is of de innigheid wil bloeien,’t Liefste in den beperkten kring,Bij den gullen veldeling;Waar ’t lot van gelijkgezinden,Hen vol eenvoud samenbinden;Waar de zomer aan den haard,Geur’ge Immergroenen baart.Waar voorvaderlijke zeden,Stand steeds hielden tot op ’t heden,Even rein nog als weleer.Zich verjongend telkens weer;Zich in ’t nakroost zien herboren;Zoodat er niets ging verloren,Wat hen kenmerkt, waar en schoon,En hun sieraad is en kroon.Niet de Druif, uit verre landen,Doet dan hoofd en hart ontbrandenMaar de nectar van het vee,Laaft dan zoet en zacht in steê;En dan blijft bij uwe koeien,In de stal uw Lente bloeien,Die zich mogen laten zien,Net, voordeelig bovendien.Doet zich ook de sneeuwjacht hooren,Warm dekt zij uw kiemend koren,Voor een maand pas uitgespreid,Op uw veld, wel toebereid.Met uw bede en hoop op zegen;Dat na dag en maand u tegen,Als in goud gedoopte baar,Wuift met neergebogen aar.Laat de schuursgebindten kraken;’t Eibersnest zelfs scheef geraken,Waarvan heden de eigenaar,Met zijn heele broed’renschaar,Ver van ’t koude en grillig Noorden,Wandelt aan de Nijlstrooms boorden:’t Hindert Landman niet uw vreê,Straks op uwe legersteê!Over wind en weer gesproken,Is ’t afscheid dra aangebroken;Waar de rust na ’t werk u beidt.Zoo leeft daar gezelligheid;Vlieten zacht daar ’s levens baren.Kalm mocht Landman ze bevaren,Tot hij hoeve en have saamLaat zijn’ zoon, zijn Erfgenaam.
O! Hoe vreedzaam is het leven,Dat het lot u heeft gegeven,Landman, op uw eigen erf,Op uw stille groene werf!Waar der Eiken hooge kruinen,Ruischend uwen vrede omtuinen,Schuttend met hun stam en tak,Uw van Huislook groenend dak.
Waar de wilde bloemen kleuren,Zoet voor uwe voeten geuren,Windend zich uit ruigte en mos,Op verloren hoekjes los,Onder bloeiende Seringen,Die uw boomgaard dicht omringen;Waar Narcis en Duizendschoon,Spreiden hunne pracht ten toon.
Waar zich de Eiber tot de nokken,Van uw schuur voelde aangetrokken;Bouwde aan scheef gewaaid verband,Vast zijn nest op schuurdaks rand;Alsof ’t was er voor bedongen,Bracht hij U uw eersten jongen,Toen hij voor den tweeden keer,Kwam van ’t verre Zuiden weer.
’t Moet daar wel gelukkig wonen,Bij de nachtegaal, wiens tonen,Vooraan uit de zangersrijAls de schoonste in de Mei,Uit uw hazelaarsstruweelen,Om uw hoeve komen kweelen;En ze luide klinken doen,Door uw Paradijs van groen!
’k Prijs uw lot o Landbewoner!Want ik ken toch maar niets schooner,Landman, die ’t zoo heeft als gij;Ginder aan de middagzij,Uwe witte klaverweide,Verderop de fulpen heide,Zoo ver ’t oog reikt, uitgebreid.Alles kleurverscheidenheid!
’t Honigzoet dier beide kruiden!Als de milde wind van ’t Zuiden,Van dien kant u tegenwaait!Als naar ’t Oost gij ’t hooiland maait,Welk een schat van lekk’re geuren,Dringt door vensteren en deuren,Die, eer gij u legt te bed,Tot verkoeling openzet.
Rijker waart gij dan een koning!Toen men onlangs uit uw woning,Zag door eene vensterruit,Noordwaarts naar uw boomgaard uit:Wat een bloesem! wat een kleuren!Daar op de allereêlste keuren,Van het fijnste en lekkerste ooft,Dat u veel, zeer veel belooft!
O! Hoewel dat voor de IJsheilgen,Om uw schatten te beveilgen,Ongeveer zoowat twaalf Mei’t Zuid voor ’t zwerk een wolkbank lei.Brandet ge al uw rijs en turven,—’k Had u niet verzeek’ren durven;Dat die strenge nachten door,Uwe vrucht niet ging te loor.
En als straks uw Bellefleuren,U roodwangig tegengeuren,En Duchesses en Beurrées,U doen lachen om uw vrees,Perziken en Abrikozen,U glimlachend tegenblozen,Landman, had ik geen gelijk?Toen ’k zei: „Gij zijt meer dan rijk!”
En nu blijft er nog te resten,Om een blik te slaan naar ’t Westen,Waar het onafzienbaar bosch,Waait in frisschen lentedos;Plooiend zich in duizend vormen,Schuttende u voor felle stormen;Waar van Eik, Beuk en Abeel,Gij u bouwt een woudprieel.
O! Hoe zwaar getopt die aren!Die ’t Noord-Oosten als de baren,Wieg’len doen, op ’t briesje meê,Als een zacht bewogen zee,Bloemen, waar geen vruchten groeien,Die in rood, blauw, purper bloeien,Naast het weligst veldgewas,’t Heerlijk groen van ’t dichte gras.
Waarin, bont gevlekte koeien,Langs de gansche weide stoeien,En een blanke lammrenschaar,In een groep, men wordt gewaar,Zich als in het groen verliezend.Wijl een Ros, ver hoorbaar brieschend,In galop van end tot end,Door de groene weide rent.
Boven al dat vreedzaam leven,Is een Leeuwrikje opgedreven.Zingt, juist boven dit tooneel,Door, uit onvermoeide keel.Ver in ’t ronde er, eer de lijnenVan den horizon verschijnen;Welk een landschapsschilderij,’t Uitzicht onbeperkt en vrij.
Landman! ’t hart kunt op ge er halen,Waar gij ook uw oog laat dwalen,Aan wat, gij het liefste ziet:Naderbij en in ’t verschiet!Waar het oog ook slechts blijft toeven,Ginds: in groen gedoken Hoeven,Waar men zich ook keert in ’t rond,Op den voor- en achtergrond.
Hier een groep, die zaaien, eggen,Of er de eerste vruchten leggen,Wijl menafenaan, vol vlijt,Mest en zaaizaad henenrijdt.Boven al dat druk gewemel,Staat de zon klaar aan den hemel,Droogt steeds de opgeworpen voor,Altijd aan, de dagen door.
’t Koolzaad gaat reeds aan het bloeien,En zijn bloesems pronken, gloeien,Als om ’t zeerste in gouden gloed,’t Starende oog, hel tegemoet.’t Blauwend meer ligt ginds te kabb’len,Aan zijn groenende oevers knabb’len,Jongvee’s tongen, ’t malsch gewas,Van het smaak’lijk oevergras.
Forsche molenwieken zweven,Met de zeilen half gereven,Rond door de ijle blauwe lucht,Met hun honderd voeten vlucht,Altijd zich maar voorwaarts reppend,Rustloos watermassa’s scheppend,Uit te hoogen waterstandVan het kostlijk polderland.
Landman! Schoons brengt u de morgen,Als in neev’len, half verborgen,Pas drie in den uchtendstond.Gij reeds stapt uw Rijk in ’t rond.Staat eens naar het weer te kijken,Hoe ’t vandaag er meê zal lijken,Of uw weêrhaan wind van ’t Zuid,Of Oost, Noord of West aanduidt.
En in uwe hooge Linden,Lispelen reeds de eerste winden,Waar als in een groene huif,Zacht roekoert uw wilde Duif.Wijl gij Zwaluws werk aanschouwend,Tegen uwen muurlijst bouwend;En door Schelvinks heldre slag,Hij bezingt den jongen dag.
’t Rood en wit van uw Kastanje,Fonklen in het teêr Oranje,Dat van de Oosterkimmen welt,Over ’t zilverkleurig veld;En terwijl ge uw Hof doorkuiert,Wordt allengskens ’t al ontsluierd,Straks nog onbestemd en grauw,Door den dichten morgendauw.
Om als ’t ware u te verrassen,Gaan eensklaps uw vogels plassen,In ’t met lisch doorgroeide nat,Altijd weer aan, nimmer zat,Steeds met onvermoeiden ijver,Langs den heldren eendenvijver;Op ’t eilandje, er verst van daan,Groet van ’t nest uw blanke zwaan.
Thans reeds blijft ge uw melkers wachten,Die met hunne zilvren vrachten,Wederkeeren uit de wei;Terwijl ’t klingelt door de hei,Van zijn woll’ge Kudde schapen:Scheper heeft zich niet verslapen;Ook hij weet: „de morgenstond,Heeft steeds rozen in den mond”.
Alles staat verjongd, vol leven.Alle neev’len zijn verdreven,En uw gansche heerlijkheid,Ligt nu voor u uitgespreid!Uwe KamperfoeliestruikenDie van zoeten honing ruiken,Staan als waar’ het overspand,Door een krans van diamant.
En nu is al ’t leven wakker;En uw zorgen eischt uwe akker,Waar gij werkt, bij ’t bloeiend kruid,Dat zijn bloesem straks ontsluit,Achter akkers boomenranden,Als het ware lustwaranden,Van geboomte en bloeiend hout,Eene voortzetting van ’t woud.
Waaruit Lijsterbloesems gluren,Die er met hunne onderburen,Sleedoorns en meer woekerkruid,Kijken door ’t gebladerte uit.Wijl gij naar dien wierook ruikend,Komt Patrijsje, steeds maar duikend,Om te vinden, ongemerkt,’t Nestje, waar gij er naast werkt.
Wel! met wien zoudt ge wel ruilen?Als gij onder bloementuilen,U in ’t gras ter neer straks zet,Een natuurlijk bloemenbed,Vol Viooltjes, Boterbloemen,(Veel te veel om op te noemen).Die zich zachtjes opendoen,In de grondkleur: ’t prachtig groen.
Waar een Vlinder vrij doorhuppelt,Wijl het paarlen op u druppelt,Van de stammen, blad en steel:Noem mij schooner tafereel!Als al ’t leven om u wakker,Gij den morgen, op uw akkerIn gestaâge bezigheid,’t Voor de zaaing toebereidt.
Want uw werk geeft u genoegen;Gij moogt eggen, mesten, ploegen,Zaaien, snoeien, wieden gaan,Voor uw wagen ’t Blesje slaan,Om met mest of zaad te rijden:’t Werk wenkt u van alle zijden;Daarom gaat tot de avondrust,’t Alles voort met blijden lust.
En dan, na ’t gedane werken,Wandelt gij eens, om te merken,Hoe het in uw schaapskooi staat,Waar eene ooi u tegenblaat,Die gij aan uw komst deed wennen,En uw stappen juist deed kennen,Dat zij in de laatsten nacht,U drie lammren heeft gebracht.
En gij wandelt zoetjes verder;Groet den weêrkeerenden herder,Ziet eens hoe het is gesteld,Met uw arend roggeveld;Of gij met uw akker tarwe,Hopen kunt op zware garwe;Of gij gaat naar ’t allerverst,Van uw grondstuk, met de gerst.
En in de eerste Juliweken,Komt gij dikwijls eens gekeken,Of na eenen onweêrsdag,Door den sterken hagelslag,Ook uw Boekweit heeft geleden,Van de zware bui van heden,Of die vrucht reeds sterk gewin,Bracht uw bijenstal u in!
En het is zoo’n beeld van vrede,Als uwe Ega dan eens mede,Van uw Caro vergezeld,Wandelt door het bloeiend veld;En welsprekend ge u beijvert,Te vertellen, wijl gij ’t cijfert,Alles in getallen uit,Hoeveel gelds uw vrucht beduidt.
Of gij gaat bij zomeravond,Waar uw Jachtje ligt gehavend,En bij ’t avondwindje ’t meer,Ge overspelevaart een keer.Of gij laat uw snoer eens zinken,Tot een baarsje er aan komt blinken.Of gij schudt van visch het puik,Uit uw goed voorziene fuik.
Of na werktijd komt uw Jongen,Vrolijk op u toegesprongen;Die een vroegrijpe appel zag,En met zulk een rooden lach!Of gij die hem niet wilt krijgen,Van de slingerende twijgen!En gij denkt: wel looze guit,Hoe vindt gij die mooiste er uit!
En gij weet uit vroeg’re jaren,Hoe gij en uw broertjes waren,Als het uwen appelhof,Met zijn zoeten vrucht betrof,Hunne soort en eigenschappen,’t Was een lust er in te happen;Dan een appel, pruim of peer,Heel den zomer, duizend keer!
En hebt gij in de avondstonden,Winters u bijeengevondenBuur en lieve bloedverwant:De verveling is verband.Dubbel zoet met vriend en magen,Is zoo’n huislijk welbehagen,Hoe ’t ook sneeuwen moog of vriest,Waarbij gij dan niets verliest.
Laat dan ’t Oost door de eiken loeien,’t Is of de innigheid wil bloeien,’t Liefste in den beperkten kring,Bij den gullen veldeling;Waar ’t lot van gelijkgezinden,Hen vol eenvoud samenbinden;Waar de zomer aan den haard,Geur’ge Immergroenen baart.
Waar voorvaderlijke zeden,Stand steeds hielden tot op ’t heden,Even rein nog als weleer.Zich verjongend telkens weer;Zich in ’t nakroost zien herboren;Zoodat er niets ging verloren,Wat hen kenmerkt, waar en schoon,En hun sieraad is en kroon.
Niet de Druif, uit verre landen,Doet dan hoofd en hart ontbrandenMaar de nectar van het vee,Laaft dan zoet en zacht in steê;En dan blijft bij uwe koeien,In de stal uw Lente bloeien,Die zich mogen laten zien,Net, voordeelig bovendien.
Doet zich ook de sneeuwjacht hooren,Warm dekt zij uw kiemend koren,Voor een maand pas uitgespreid,Op uw veld, wel toebereid.Met uw bede en hoop op zegen;Dat na dag en maand u tegen,Als in goud gedoopte baar,Wuift met neergebogen aar.
Laat de schuursgebindten kraken;’t Eibersnest zelfs scheef geraken,Waarvan heden de eigenaar,Met zijn heele broed’renschaar,Ver van ’t koude en grillig Noorden,Wandelt aan de Nijlstrooms boorden:’t Hindert Landman niet uw vreê,Straks op uwe legersteê!
Over wind en weer gesproken,Is ’t afscheid dra aangebroken;Waar de rust na ’t werk u beidt.Zoo leeft daar gezelligheid;Vlieten zacht daar ’s levens baren.Kalm mocht Landman ze bevaren,Tot hij hoeve en have saamLaat zijn’ zoon, zijn Erfgenaam.