LAND EN STADNiet in paleizen wil het geluk troonen,’t Vlucht gewoonlijk voor praal en voor stand,Niet bij de grootheid der wereld wil ’t wonen,Liever in ’t schamele kluisje op ’t land.Daar waar klimoprank de gevel omstrengelt,Met twee vensterkes in zijne muur,Waar tegen Stokroos haar kleurenschat mengelt,Met Vingerhoed, diens bloeiende buur.Zou men het over zich wel kunnen krijgen,Neder te dalen, van zijnen stand,Om van zijn hoogte ter neer komen zijgen,Naar ’t kleine goedje op ’t eenzame land?Weinig is misschien er voor u te kijken,Dat ge uwe aandacht wellicht waardig keurt.„’t Is zoo armoedig er”, zegt gij niet „Rijken?”Zoodra gij ’t kleine Landhuis bespeurt.Op kleine schaal, alles in alle deelen,Buiten en binnen, zoo aangelegd,Alles, om zich niet één dag te vervelen,Waarlijk, dat is te veel niet gezegd.Soberheid! Eenvoud! hier zou ik me afvragen?Viert ge uw Triomf? tot de uiterste grensVan ’t strikt noodige toch woudt gij het wagen:Wel tot de allerbescheidenste wensch?Ja in de stad zou een Wigwam men ’t noemen,In de Prairie van de Indiaan!Die door kimduiking ’s bedriegelijk opdoemen,Rijzend eensklaps, men voor zich ziet staan!Waar’ ’t niet dat men reeds van verre zijn muren,Glinsteren zag van ’t schreeuwende wit;En zijne ramen door ’t houtgewas gluren,Dat als mantel om hare nek zit.Ook heeft het veel van de tent der Nomaden,Waarvan een troep de Putzta doorkruist,Welker aanwezigheid zich komt verraden,Als juist het volkje een dagje daar huist.Ja ik begrijp het: gij stelt andere eischen.Zeker dat is waar; dat is uwe zaak.Ik ken wel het trotsche van uw paleizen,Alles grootscheeps, precies naar den smaak.Bijna bewond’rend zie ’k op bij uw muren,Waardoor ’t spiegelglas, gij staroogt heen,Bijna eerbiedig, blijft opwaarts men turen,Volgt meê de blikken van menigeen!’k Zie hoe ’t verklikkertje u waarschuwt, wat ginder,Heel in ’t verschiet, daar toch wel moog zijn:’t Kostlijk gordijn zakt wat, dat gij geen hinder,Hebbe van ’s middags grel zonneschijn.Zoo leeft gij binnen steeds, tusschen uw wanden,Ver van Natuur en verre van ’t land;Bloemen en lofwerk van kant overspanden,Uwe plafonds door stucadoor ’s hand.Immers voor ’t Schoone zegt gij te gevoelen!„Zegt gij dat ik niet dweep met Natuur!’t Stadsleven zou er de lust voor verkoelen?’k Smaak binnen „’t Buiten”, echter wat duur!”„En ik verbeeld mij: richt ik mijne schreden,Naar „mijn Landleven,” naar mijn salon,Als ik op ’t zwellend tapeet kom te treden:Meen ’k dat mos niet veerkracht’ger zijn kon.”En dan geniet ik, geheel zonder zorgen:Wouwerman naast mijne Rosa Bonheur,Met Verschuur’s paarden; daarnaast Apols morgen,Bij winterdag: van alles de keur!”„’k Dweep met uwe koeien, met uwe weiden:Daarom houd ’k ook mijn Potter zoo hoog!Ik heb zoo lief onze kudde en heiden,Waar Mauve leidt mij beiden voor ’t oog.”„De Poëzie ook van boomgroep en rotsen,Grillige wolkgroep ’s weifelend licht;Vallend waar beekjes langs sparrengroen klotsen:Een idylle, een zoetvloeiend gedicht.”„Ik ken ’t Hollandsch schoon ook, zou ik wel meenen,Zoo goed als een, die daag’lijks het ziet:Ik wijs naar Hobbema’s landschappen henen,Wat hij in zijne „Molens” mij biedt.”„Bilders toont U nog hiereven bij deze:Wat bosschenschoon en ruim vergezicht,Karakteristiek bij ’t stille Wolfheze,In ’t groen zijner pijnwouden wel ligt.”„Hier bij Lorraine, dus de liefelijkheid malend,Van zonsondergang, bij stille lucht;Achenbach’s broeiende zonlichten, stralend,Achter de bui weg, heerlijk, geducht.”„Uw nagemaakte natuurtafereelen,Uwe figuren, trouw naar natuur,Moog steeds uw kunstzin bevredigen, streelen,Breng in bewondring, zette u in ’t vuur.„Ik uit mijn Kluisje zie ’t veld liever over,Tuur wat nieuwsgierig door het raam heenHalf overwoekerd door ’t hangende loover,Dat van mijn wijnstok daalt naar beneên.”„’k Monster de lucht eens of onder in ’t Zuiden,Ergens een wolkbank aan de kim schuiltWaarop in ’t Westen die laagwolken duiden,Of gauw ’t „Mooi weer” met bar weder ruilt.”„’k Breng van mijn „Weerglas” ’t bestendige dalen,Dat op „Goed weer”, nog gisteren stond;Sedert toen „zakte” maar steeds zonder dralen,Meê in ’t verband, nu ’t West ik zoo vond.”„Ik heb er mij erg al over verwonderd,Dat al nabij „Veranderlijk” ’t was;’k Wil er op wedden, dat spoedig het dondert,Of wind met vocht, voorspelt mij het glas.”„’t Is een genot zulks te wikken of wegen,Wikken de kans vanneenof vanja!Ge zegt licht: wat is daaraan toch gelegen,Waarom gaat gij dat alles zoo na?”„Gij houdt van menschen: hun drijven, hun woelen,Is uwe wereld, de mijne is ’t niet;Gij hebt geen hart, voor wat ik kan gevoelen,Waar ’t buitenleven, vreugd slechts mij biedt.”„Ik denk mij weg en wereld en menschen,’k Zoek mij mijn stulp, dat ik de eenzaamheidWijdde, die ’k bouwde aan mijn eigendom’s grenzen,Lijkende iets op de „Kleihut” van Feith.”„Dat trekt mijne aandacht als ik van den heuvel,Goed eens de kimmen wil gadeslaan;Of ’k wandel verder bij ’t rustloos gekeuvel,Van beekjes nat, of ’k zie ’t roggeveld aan.”„Wel kan ’k mij hier aan aard ’s eindpaal toch meenen;Steed’ling, met al wat „leven” gij heet,Ging met mijn „Landleven” voor goed wel henen.Maar ik heb vrede en rust daarvoor beet!”„Wil ’t in navolging van mij eens beproeven;’t Heeft zijn reden dat ik er van houd;’k Wed: gij verklaart nog: „beproeven, behoeven”,Echtheid ruilt gij voor bont klatergoud.”
Niet in paleizen wil het geluk troonen,’t Vlucht gewoonlijk voor praal en voor stand,Niet bij de grootheid der wereld wil ’t wonen,Liever in ’t schamele kluisje op ’t land.
Daar waar klimoprank de gevel omstrengelt,Met twee vensterkes in zijne muur,Waar tegen Stokroos haar kleurenschat mengelt,Met Vingerhoed, diens bloeiende buur.
Zou men het over zich wel kunnen krijgen,Neder te dalen, van zijnen stand,Om van zijn hoogte ter neer komen zijgen,Naar ’t kleine goedje op ’t eenzame land?
Weinig is misschien er voor u te kijken,Dat ge uwe aandacht wellicht waardig keurt.„’t Is zoo armoedig er”, zegt gij niet „Rijken?”Zoodra gij ’t kleine Landhuis bespeurt.
Op kleine schaal, alles in alle deelen,Buiten en binnen, zoo aangelegd,Alles, om zich niet één dag te vervelen,Waarlijk, dat is te veel niet gezegd.
Soberheid! Eenvoud! hier zou ik me afvragen?Viert ge uw Triomf? tot de uiterste grensVan ’t strikt noodige toch woudt gij het wagen:Wel tot de allerbescheidenste wensch?
Ja in de stad zou een Wigwam men ’t noemen,In de Prairie van de Indiaan!Die door kimduiking ’s bedriegelijk opdoemen,Rijzend eensklaps, men voor zich ziet staan!
Waar’ ’t niet dat men reeds van verre zijn muren,Glinsteren zag van ’t schreeuwende wit;En zijne ramen door ’t houtgewas gluren,Dat als mantel om hare nek zit.
Ook heeft het veel van de tent der Nomaden,Waarvan een troep de Putzta doorkruist,Welker aanwezigheid zich komt verraden,Als juist het volkje een dagje daar huist.
Ja ik begrijp het: gij stelt andere eischen.Zeker dat is waar; dat is uwe zaak.Ik ken wel het trotsche van uw paleizen,Alles grootscheeps, precies naar den smaak.
Bijna bewond’rend zie ’k op bij uw muren,Waardoor ’t spiegelglas, gij staroogt heen,Bijna eerbiedig, blijft opwaarts men turen,Volgt meê de blikken van menigeen!
’k Zie hoe ’t verklikkertje u waarschuwt, wat ginder,Heel in ’t verschiet, daar toch wel moog zijn:’t Kostlijk gordijn zakt wat, dat gij geen hinder,Hebbe van ’s middags grel zonneschijn.
Zoo leeft gij binnen steeds, tusschen uw wanden,Ver van Natuur en verre van ’t land;Bloemen en lofwerk van kant overspanden,Uwe plafonds door stucadoor ’s hand.
Immers voor ’t Schoone zegt gij te gevoelen!„Zegt gij dat ik niet dweep met Natuur!’t Stadsleven zou er de lust voor verkoelen?’k Smaak binnen „’t Buiten”, echter wat duur!”
„En ik verbeeld mij: richt ik mijne schreden,Naar „mijn Landleven,” naar mijn salon,Als ik op ’t zwellend tapeet kom te treden:Meen ’k dat mos niet veerkracht’ger zijn kon.”
En dan geniet ik, geheel zonder zorgen:Wouwerman naast mijne Rosa Bonheur,Met Verschuur’s paarden; daarnaast Apols morgen,Bij winterdag: van alles de keur!”
„’k Dweep met uwe koeien, met uwe weiden:Daarom houd ’k ook mijn Potter zoo hoog!Ik heb zoo lief onze kudde en heiden,Waar Mauve leidt mij beiden voor ’t oog.”
„De Poëzie ook van boomgroep en rotsen,Grillige wolkgroep ’s weifelend licht;Vallend waar beekjes langs sparrengroen klotsen:Een idylle, een zoetvloeiend gedicht.”
„Ik ken ’t Hollandsch schoon ook, zou ik wel meenen,Zoo goed als een, die daag’lijks het ziet:Ik wijs naar Hobbema’s landschappen henen,Wat hij in zijne „Molens” mij biedt.”
„Bilders toont U nog hiereven bij deze:Wat bosschenschoon en ruim vergezicht,Karakteristiek bij ’t stille Wolfheze,In ’t groen zijner pijnwouden wel ligt.”
„Hier bij Lorraine, dus de liefelijkheid malend,Van zonsondergang, bij stille lucht;Achenbach’s broeiende zonlichten, stralend,Achter de bui weg, heerlijk, geducht.”
„Uw nagemaakte natuurtafereelen,Uwe figuren, trouw naar natuur,Moog steeds uw kunstzin bevredigen, streelen,Breng in bewondring, zette u in ’t vuur.
„Ik uit mijn Kluisje zie ’t veld liever over,Tuur wat nieuwsgierig door het raam heenHalf overwoekerd door ’t hangende loover,Dat van mijn wijnstok daalt naar beneên.”
„’k Monster de lucht eens of onder in ’t Zuiden,Ergens een wolkbank aan de kim schuiltWaarop in ’t Westen die laagwolken duiden,Of gauw ’t „Mooi weer” met bar weder ruilt.”
„’k Breng van mijn „Weerglas” ’t bestendige dalen,Dat op „Goed weer”, nog gisteren stond;Sedert toen „zakte” maar steeds zonder dralen,Meê in ’t verband, nu ’t West ik zoo vond.”
„Ik heb er mij erg al over verwonderd,Dat al nabij „Veranderlijk” ’t was;’k Wil er op wedden, dat spoedig het dondert,Of wind met vocht, voorspelt mij het glas.”
„’t Is een genot zulks te wikken of wegen,Wikken de kans vanneenof vanja!Ge zegt licht: wat is daaraan toch gelegen,Waarom gaat gij dat alles zoo na?”
„Gij houdt van menschen: hun drijven, hun woelen,Is uwe wereld, de mijne is ’t niet;Gij hebt geen hart, voor wat ik kan gevoelen,Waar ’t buitenleven, vreugd slechts mij biedt.”
„Ik denk mij weg en wereld en menschen,’k Zoek mij mijn stulp, dat ik de eenzaamheidWijdde, die ’k bouwde aan mijn eigendom’s grenzen,Lijkende iets op de „Kleihut” van Feith.”
„Dat trekt mijne aandacht als ik van den heuvel,Goed eens de kimmen wil gadeslaan;Of ’k wandel verder bij ’t rustloos gekeuvel,Van beekjes nat, of ’k zie ’t roggeveld aan.”
„Wel kan ’k mij hier aan aard ’s eindpaal toch meenen;Steed’ling, met al wat „leven” gij heet,Ging met mijn „Landleven” voor goed wel henen.Maar ik heb vrede en rust daarvoor beet!”
„Wil ’t in navolging van mij eens beproeven;’t Heeft zijn reden dat ik er van houd;’k Wed: gij verklaart nog: „beproeven, behoeven”,Echtheid ruilt gij voor bont klatergoud.”