LATER

LATERAls ik er niet meer ben.Groent als nu de weide.Even heerlijk, in smaragdkleur;Even schoon bloeit dan de heide;Kijkt uit elzengroen in Juni,Even lieflijk, even wit,Vlierstruiks bloemenschat. Dan rustig,Weer in ’t nest het vinkje zit.Als ik er niet meer ben.Welft zich van einde,Tot einde, ’s hemels hoog gewelf,Even blauw, verre en heinde;Door goud, purper en rozenglans,Even betoovrend als thans,Prijken dan in regenboogkleuren,Wolken van af ’s Hemels trans!Als ik er niet meer ben.Gaat steeds de winde,Voort, zich vertrouw’lijk te streng’len,Om ’t appelboompje dat ’k minde,Welks pit ik plantte in ’t voorjaar;Dat ik zag, als teêre plant,Welks kroon, vol vrucht, een omtrek thans,Van menige ellen omspant.Als ik er niet meer ben,Zal ’t voorjaars bloeien,Terzelfder tijd, iedere Lente;En altijd door blijven groeien;Ook dan nog, als kort na dezen,Groen reeds woekert op mijn graf,En ’k vergeten ben van de aarde;Mijn stof verstrooid is als kaf.Als ik er niet meer ben,Komt er gebloemte,Allengskens door ’t groene tapeet,Dat ik daarvoren juist noemde;Bloeit leven weer op, uit mijn stof.Wisselt de vorm, maar toch niet de kern,(Slechts de vorm, maar toch niet de kern,)In gestaâge kent’ring baart.Misschien komt een naneef.Uit neev’lig verschiet der jaren,In het diepste van ’t geheugen,Iets schijnend te bewaren:Opraak’lend ’t stof, een er halve eeuw,Waaruit de herinneringIn flauwen omtrek te voorschijn treedt.Wie hier eenmaal ter ruste ging.

Als ik er niet meer ben.Groent als nu de weide.Even heerlijk, in smaragdkleur;Even schoon bloeit dan de heide;Kijkt uit elzengroen in Juni,Even lieflijk, even wit,Vlierstruiks bloemenschat. Dan rustig,Weer in ’t nest het vinkje zit.

Als ik er niet meer ben.Welft zich van einde,Tot einde, ’s hemels hoog gewelf,Even blauw, verre en heinde;Door goud, purper en rozenglans,Even betoovrend als thans,Prijken dan in regenboogkleuren,Wolken van af ’s Hemels trans!

Als ik er niet meer ben.Gaat steeds de winde,Voort, zich vertrouw’lijk te streng’len,Om ’t appelboompje dat ’k minde,Welks pit ik plantte in ’t voorjaar;Dat ik zag, als teêre plant,Welks kroon, vol vrucht, een omtrek thans,Van menige ellen omspant.

Als ik er niet meer ben,Zal ’t voorjaars bloeien,Terzelfder tijd, iedere Lente;En altijd door blijven groeien;Ook dan nog, als kort na dezen,Groen reeds woekert op mijn graf,En ’k vergeten ben van de aarde;Mijn stof verstrooid is als kaf.

Als ik er niet meer ben,Komt er gebloemte,Allengskens door ’t groene tapeet,Dat ik daarvoren juist noemde;Bloeit leven weer op, uit mijn stof.Wisselt de vorm, maar toch niet de kern,(Slechts de vorm, maar toch niet de kern,)In gestaâge kent’ring baart.

Misschien komt een naneef.Uit neev’lig verschiet der jaren,In het diepste van ’t geheugen,Iets schijnend te bewaren:Opraak’lend ’t stof, een er halve eeuw,Waaruit de herinneringIn flauwen omtrek te voorschijn treedt.Wie hier eenmaal ter ruste ging.


Back to IndexNext