MET ZICH ZELVE

MET ZICH ZELVEIn ’t rieten hutje, een kleine stulp,Met nauwelijks manshooge wanden,Een nestje in groen, een slakjes schulp,Geknutseld door mijne eigen handen;Een plekje waar ik ’t liefste ben.Waar ik mij zelf het beste ken;Mijn stil ontwijk in rustige uren.Waar tusschen mijne rieten muren,Ik mij een Kluiz’naars leven droom,Ver van bedrijf en van hanteering,’t Rumoer van ambacht, drokke nering,Geen snijdend fluiten van den stoom,Geen wielgekras van kar of wagen;Geen twistgetier uit slop of kroeg;Om meer, om nimmer nog genoeg,Geen haast en geen onzinnig jagen—Maar in het hart een vrome beê,Om zacht geluk en stille vreê,Tevredenheid door heel het leven,Word’ van de Algoede mij gegeven,Bij kalmte en vreugde en levenslust—Als beeld van eenvoud en van rust,Waarvan het kleine stulpje spreekt,Welks dak grijs door ’t geboomte breekt!

In ’t rieten hutje, een kleine stulp,Met nauwelijks manshooge wanden,Een nestje in groen, een slakjes schulp,Geknutseld door mijne eigen handen;Een plekje waar ik ’t liefste ben.Waar ik mij zelf het beste ken;Mijn stil ontwijk in rustige uren.Waar tusschen mijne rieten muren,Ik mij een Kluiz’naars leven droom,Ver van bedrijf en van hanteering,’t Rumoer van ambacht, drokke nering,Geen snijdend fluiten van den stoom,Geen wielgekras van kar of wagen;Geen twistgetier uit slop of kroeg;Om meer, om nimmer nog genoeg,Geen haast en geen onzinnig jagen—Maar in het hart een vrome beê,Om zacht geluk en stille vreê,Tevredenheid door heel het leven,Word’ van de Algoede mij gegeven,Bij kalmte en vreugde en levenslust—Als beeld van eenvoud en van rust,Waarvan het kleine stulpje spreekt,Welks dak grijs door ’t geboomte breekt!


Back to IndexNext