VERLANGENWanneer in groene dreven,De koeltjes zachtkens zweven,De takjes wieg’lend beven,—En als de zangerskoren,Dan hunnen zang doen hooren,En hart en zin bekoren:Dan zal ik naderen,In luwte van de bladeren,En toon bij toon vergaderen.De bloesem, half ontloken,In blad’rengroen gedoken,Heeft wierookgeur ontstoken:En door dien geur bevangen,Is ’t of der zangren zangen.Een schoon’re toon erlangen:Met U wil ik dan fluisteren,Me aan uwe stilte kluisteren,Natuur en met u luisteren.Zing dan o nachtegalen,Bij ’s maanlichts zachte stralen,Als lentekleuren malen;Ik zal bij u vertoeven,In smart en bij bedroeven,En uw gezang behoeven.—Naar U is het verlangen;Tot dat aan uwe zangen,Geheel het hart blijft hangen.
Wanneer in groene dreven,De koeltjes zachtkens zweven,De takjes wieg’lend beven,—En als de zangerskoren,Dan hunnen zang doen hooren,En hart en zin bekoren:Dan zal ik naderen,In luwte van de bladeren,En toon bij toon vergaderen.
De bloesem, half ontloken,In blad’rengroen gedoken,Heeft wierookgeur ontstoken:En door dien geur bevangen,Is ’t of der zangren zangen.Een schoon’re toon erlangen:Met U wil ik dan fluisteren,Me aan uwe stilte kluisteren,Natuur en met u luisteren.
Zing dan o nachtegalen,Bij ’s maanlichts zachte stralen,Als lentekleuren malen;Ik zal bij u vertoeven,In smart en bij bedroeven,En uw gezang behoeven.—Naar U is het verlangen;Tot dat aan uwe zangen,Geheel het hart blijft hangen.