Figuur 19.Woest ijlde Bles den berg afWoest ijlde Bles den berg af
Woest ijlde Bles den berg af
Woest ijlde Bles den berg af
De witte wive was zóó dicht bij Herbert, dat hij haar adem gevoelde. O! als haar scherpe klauwen hem grepen.
Hij zette 't paard tot meerder drift aan.
“Hahaha,” gierde de witte wive, “Herbert—je kunt me niet ontkomen. Voor 't huis van den Scholte zullen mijn klauwen je hebben. Ik zal me wreken, zooals ik me nog nooit op een menschenziel gewroken heb. Sta maar stil met je paard—dat is te oud voor zulk een wedloop. Albrecht, die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs niet gewaagd met mij te wedijveren. Halverwege is hij omgekeerd.”
Als de witte wive geloofde, dat zij hem met deze woorden zou tegenhouden, vergiste zij zich. Neen, integendeel … dat Herbert hoorde, hoe Albrecht had gefaald, gaf hem reeds de macht van den overwinnaar. Was zijn paard oud? In den meester was moed, in het dier angst. Vooruit ….
Hij voelde al even haar klauwen langs den nek—schrammend—toen hij 't erf van Lodink's hoeve op-reed. Een hard voorwerp suisde hem na. De witte wive holde naar den kuil terug.
“Hoezee!” riep de Scholte. Moeder Christine zeide niets—haar voorhoofd bestond alleen maar uit rimpels. Johanna viel den kranigen ruiter om den hals.
“En 't zal over een paar dagen bruiloft zijn,” schreeuwde de gelukkige vader, “en ik zal een horlepiep dansen, zooals alleen een soldaat het kan.”
“Heeft ze je niet geraakt?” vroeg Johanna bezorgd.
“Een lichte schram—en dan—heeft ze me nog wat nagegooid.”
“Nagegooid?” zeide Scholte. “Laat eens kijken.”
Ze gingen naar 't erf—
Herbert lachte.
Bladzijde 207“De witte wive wil ook niets houden …. Een stuk van den aarden schotel, dien wij haar gegeven hebben.”
“Vreemd, dat die heel is gebleven,” peinsde de Scholte, en hij nam de scherf op, en hield ze in de hand. “Wat is die zwaar.”
Johanna trok hem aan de mouw.
“Kom … vader … laten we weer in huis gaan … het is koud buiten.”
De lamp brandde. De Scholte had de scherf in zijn hand. Eensklaps stiet hij een juichkreet uit.
“Die aarden schotel … die aarden schotel … is van goud. Dat is 't huwelijksgeschenk van de witte wive. Ze heeft je eerst nog wat vrees willen aanjagen, maar dat was haar wraak—Jongen … Herbert … je bent rijker dan de Scholte Lodink … en rijker dan Albrecht.”
Dit zeide de oude man, en hierbij keek hij schalksch zijn vrouw aan. Toen ook glimlachte juffer Christine, en ze breidde haar armen uit.
Maar Johanna—ja, Johanna—rustte al tegen den schouder van een ander, van een jongen man—en de armen van haar moeder had ze niet meer noodig.Bladzijde 208
In oude tijden—'t is algemeen bekend—werden Holland en Friesland door reuzen bewoond. Onder dezen had er een, Lem genaamd, te Leiden zijne woonplaats. Deze kreeg van eene reuzin eenen zoon, dien hij mede Lem noemde, en die daarom gewoonlijk Lem de Tweede heet. Toen de knaap volwassen en ridder geworden was, stichtte hij in de nabijheid van Leiden eene stad en noemde deze naar zichzelven Haarlem (Heer Lem).
In dien tijd was het tegenwoordige Haarlemmerhout aan Bacchus gewijd, die daar een' schoonen tempel had. Hiernaar heet nog heden eene gracht in de nabijheid van Haarlem Bakenessergracht en eene kerk Bakenesserkerk,
De Chatten of Hessen hadden voor vele jaren hun vaderland verlaten, en waren onder hun hoofd en leidsman Bato in de Betuwe aangeland, waar zij hun woonstede hebben gevonden. Een ander deel van dien stam trok echter Noordwaarts en kwamop avontuuraan in een plaats, gunstig aan een rivier gelegen.
“Hoe zullen wij de stad noemen?” vroeg de eene Hes den anderen Hes.
Goede raad was niet goedkoop.
Eindelijk vond een der wijsten hunner bij ingeving den knapsten raad.
“Dat is te zeggen ….” zoo sprak hij met verstandig beleid, “we hebben dit bij avontuur gevonden. Laten wij de stad dus D'avontuer noemen.”
Zijn voorstel vond bijval. Hij werd op een schild geheven.
Sinds dien heet de vermaarde koekstad Davontur of Deventer!
Met Zandeweer vallen we in de moderne historie.
Een paar inwoners van 't Zandt waren aan 't kuieren op een kronkelweg, en bij iedere kronkeling zagen zij eenBladzijde 209toren, precies gelijkend op zijn collega in hun geboortedorp. Telkens, wanneer ze den toren weder bemerkten, riepen zij beiden in koor:
“Daar heb je 't Zandt-al-weer. Daar heb je 't Zandtal-weer.”
Sinds dien heet Zandeweer: Zandeweer.
Met Domburg draagt het zich heel anders toe.
Terwijl eenige timmerlieden bezig waren een balk in de kerk aan te brengen, gelukte het hun niet, dezen op haar plaats te schuiven. Toen kwam een vogel binnengevlogen, die de juiste richting aangaf.
Toen zeiden de timmerlieden tot elkander:
“Wat zijn wij tochdomme burgers?”
Dat is de oorsprong van den naam: Domburg.
Figuur 20.Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: DomburgHet ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg
Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg
Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg
Op de Hulpe of Helpe in Overijsel stond een Mariabeeld, dat allerlei wonderen verrichtte. Daarom heet de plaats mirakel-loo, waarvan later Markeloo is afgeleid.Bladzijde 210
Eens, dat een vrouw uit Tubbergen uit den put water schiep, voelde ze plotseling, dat zich een kille hand op haar schouder legde. Ze wendde zich om, en ze zag tot haar schrik, dat haar wel twintig witte wiven hadden omringd. Groot stonden ze bij haar: nevelen, dreigend van vorm en gebaar. Ze kwamen dichter- en dichterbij, zoodat er geen enkele uitweg voor de vrouw bleef Alles was donker, behalve de witte wiven.
Angstig riep de vrouw haar man, doch deze hoorde haar niet.
De witte wive, die haar de hand op den schouder had gelegd, sprak:
“Waarom ben je zoo bang—ga met ons op de bergen dansen.”
“Ik wil niet meegaan,” riep de vrouw uit. “Jullie zijn slecht, dat weet iedereen.”
“Als je bij ons bent, verlang je nooit weer naar de wereld terug.”
“En mijn kind dan? O! witte wiven, laat mij gaan.”
Alle witte wiven, in den kring om haar zwegen. Deze starheid was haar vonnis. Zonder genade waren ze. Als met geboeide handen ging de vrouw mede.
Des avond vermiste men haar op de boerderij. Overal zocht men, doch men vond niets van haar terug. Zelfs niet 't geringste spoor van haar voetstappen was te vinden: een paar stoere knapen daalden in den put, zonder ook maar één vermoeden te brengen, waar zij kon wezen.
Men dacht eerst niet aan de witte wiven, hoewel er bij Tubbergen vele zijn. Het is een kwaadaardig soort in die buurt, met scherpe nagelen, en ze houden van de jacht, die de witte wiven van Lochem haar hebben geleerd. Zij loopen nooit hard … haar passen zijn lang-glijdend en gelijkmatig … echter kan zelfs de vlugste boerenjongen het op den duur niet tegen haar volhouden. Bovendien trekken zij altijd in dichte drommen uit, en, net als koeien,Bladzijde 211die een hond omsingelen, sluiten zij zich in een kring, tot de benarde mensch zich niet meer weet te verweren. Geen gevaarlijker witte wiven dan die uit Tubbergen! Ze weten, wanneer ze een menschenziel kunnen vangen.
't Was een groot verdriet voor den boer, dat hij zijn vrouw had verloren.
Want het zijn menschen der eenzaamheid uit deze streek, trotsche droomers. In geheel Nederland vindt men niet gemakkelijk lieden, die zoo hun gedachten weten te verbergen, en, wat ze eens lief hebben gehad, vergeten ze nooit, daar zij moeilijk de poort van hun hart ontsluiten. Zij toonen geen vreugde en geen smart. Altijd is hun wezen stug. Wie ze veel ontmoet heeft, denkt aan hen met schreiend heimwee terug—en waar hij woont, de menschen van Overijsel kan hij nooit vergeten.
Niemand sprak woorden van troost tot den boer, die zijn vrouw verloren had. Des avonds kwamen zijn buren bij hem, 't lampje brandde, en zij tuurden met hem in 't licht. Iederen avond weder namen zij in stijve houding afscheid—moeilijk de zinnen vindend, welke bij het afscheid worden gezegd—dan blies de boer 't licht uit, en gesterkt door hun gezwegen troost, kroop hij in zijn bedstede. Den volgenden dag was hij klaar voor zijn werk, want hij had te zorgen, dat zijn kind door 't leven kwam.
De buurvrouwen wilden wel voor 't kind zorgen, dat het gewasschen en gekleed werd. De boer verbaasde zich niet, dat het steeds zoo goed voor den dag kwam, even zoo, of de moeder het hielp. Nooit vroeg hij, wie het oppaste. Hij zou hetzelfde voor zijn buren hebben gedaan, wat ze nu voor hem deden, en des avonds in de stilte vroegen ze hem niets.
Het is echter bekend, dat vrouwen onder elkander meer praten dan mannen, en eens, toen de boerinnen uit de streek tezamen waren, bespraken zij, hoe flink het kind groeide, en hoe er een waarlijk-moederlijke hand voor waakte.
Ze meenden, dat nu degene, die zoo deugdzaam wasBladzijde 212om het kind te helpen, wel te voorschijn zou komen, maar de vrouwen zwegen, en zagen elkander aan.
Toen werd er gevorscht naar den naam der bescheiden helpster—: wie zou het wezen, die het kind zoo goed verzorgde? Niemand antwoordde.
De buurvrouwen letten nu voortaan op; wie er des morgens de hoeve binnenging—tot haar verwondering ontdekten ze geen mensch. Alles was stil om de boerderij. En toch was steeds 't kind goed verzorgd.
Men sprak er met den boer over. Wie zou 't wezen, die zóó, zonder iets in ruil te vragen, op den jongen paste?
Inplaats van naar 't werk te gaan, bleef de boer een ochtend voor de deur van zijn hoeve wachten. Geen mensch naderde het huis. Hij wilde al weer naar 't werk gaan … daar hoorde hij eensklaps in de kamer zacht praten.
“Heb je goed geslapen, mijn kindje? D'r is nog zand in de oogjes—ik zal 't d'r uitvegen. En heeft 't kindje gisteren de pap lekker opgegeten? Is 't kindje zoet geweest?”
't Was de stem van zijn vrouw, die daar klonk, met een droevigen klank. Zachtjes opende hij de deur. 't Kind lag in de bedstede, de kleine handjes uitgestrekt, en lachend over heel zijn gezicht. Er was echter niemand anders in 't vertrek.
Op dat oogenblik begreep de man, dat zijn vrouw in der witte wiven macht moest zijn, en hij besloot des avonds met de buren erover te beraadslagen, hoe ze haar moesten bevrijden. Ze verlangde naar haar huis terug, en daarom moesten allen hem raden.
Tot laat in den nacht bleef men bij elkander.
Er werd besloten, dat men heel in de vroegte met een kar naar de belt zou rijden, waar de witte wiven woonden, en de vrouw met geweld mede zou rukken. Men zou zich met geweren wapenen, en deze tegelijkertijd afschieten, opdat de witte wiven op een afstand zouden blijven. Men doorwaakte dezen nacht en eerst, nadat een vage, troebele schemering zich uit den duister had geheven, spande menBladzijde 213twee vurige paarden voor een wagen, en men reed weg, de bergen tegemoet.
De boeren spraken geen woord, opdat de witte wiven niet zouden weten, hoeveel zij in aantal waren, en dus niet met de vrouw zouden vluchten. Het geleek wel een doodgewoon boerenkarretje, dat op den weg reed, om naar de markt te gaan. De witte wiven kwamen te voorschijn, en ze wachtten bij den weg—
“Op zij,” riep de boer, die 't paard mende, en hij knalde met de zweep.
De wiven lachten.
Ineens sprongen allen uit de kar en schoten de geweren af. De wiven vluchtten, de nevelen weken tot aan den horizon. De boeren volgden haar, en in een heidegroef vonden zij de vrouw, die smeekte:
“Neem mij mee. Ik heb zóó naar mijn kind verlangd.”
Figuur 21.“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd”“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd”
“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd”
“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd”
“We zijn gekomen, om je los te maken,” sprak de boer ernstig. “Stap nu maar dadelijk op, want anders komen de witte wiven weerom.”
“Nee—nee,” huiverde ze, smeekte ze, “nooit meer de witte wiven.”
“Dat zal ook niet meer gebeuren.”
Ze namen haar bij de hand, en leidden haar naar den wachtenden wagen. Dreigend omdrongen de nevelen haar, de monden wijd geopend (zoodat de witte, slierende tongen te zien waren), de klauwen uitgezet. Wild reden de vurige paarden naar de hoeve terug—met wijde passen liepen de onvermoeide wiven mede, en ze schreeuwden vreeselijke woorden.
“Je komt weerom—dansen op de bergen—gevangen in den sluier—voor eeuwig—Vrouw! we wachten jede tooverwoorden worden gesproken, al zijn ze vreemd—'t Leven gaat zijn gang—wie houdt het tegen? Ga dadelijk mede terug—dan zul je geen angst kennen. Later mag je niet meer uit vrijen wil komen, als de woorden niet gezegd worden.”
Bladzijde 214Op deze wijze dreigden de witte wiven, tot zij de hoeve waren genaderd. De vrouw liep met gebogen hoofd 't huis binnen—gelijk iemand, die door berouw wordt gekweld.
Buiten dansten de witte wiven, en ze zongen, wachtende, daarbij een lied op een vreemde, eentonige wijs, maar de vrouw kwam niet naar haar toe. Ze hield de handen tot gebed gevouwen.
“God in den Hemel,” zoo bad zij, “Vader der schepselen—verlos mij van den nood—red mij uit de scherpe tanden en klauwen. Leid mij, want de nacht is gekomen, en de morgen nog verre. Ben ik niet als een blinde, daar mijn oogen niet door de duisternis kunnen zien? Ben ik niet als een kreupele, daar er vele steenen liggen op den weg? Wanneer ik mijn armen uitstrek, voel ik, hoe zonder kracht ze zijn, doch met Uw hulp, o Heer, zijn zij sterk en geen zwakheid blijft in mij.”
Haar kind legde men in haar schoot, en toen zeide zij vroom:
“Zoo ik alleen om mijnentwil smeekte, zou ik niet meer wagen, tot Uwen troon te komen. Doch Gij, o Heer, die ook ziet in mijn lichtzinnig hart, en Gij, die alleen weet, welk een moeielijken strijd ik voer tusschen de lokkende zonde en de plichten des levens, zult om der wille van mijn kind ….”
Ze snikte luid.
“Als 't om mijn kind is—dat ik niet in dit huis bleef geef dan Uwen wil te kennen. Want hoe weten wij, arme menschen, wat goed voor ons is?”
Aldus bad en weende zij, terwijl buiten de witte wiven dansten en haar lokten.
De volgende dagen sprak men weinig tot de vrouw. Men liet haar binnen haar gedachten leven, want wie zou kunnen helpen? Stil sloop ze door 't huis en de schuur, en langzamerhand leerde ze weder ieder hoekje kennen.
't Deed haar vreemd aan, dat alles zoo onveranderd was. De roodbonte koe kende haar weder—het dierBladzijde 215hief den droomerigen kop, en liet zich vol vertrouwen streelen. De geit blaatte, toen ze naderkwam, vol tevredenheid. De hond voor 't hok bleef rustig op zijn plaats staan, turend in de verte. Zelfs de kippen en de haan wisten, dat de vrouw terug was, en als ze over 't erf kwam, liepen ze haar tegemoet, want zeker had ze een restje van aardappelen of kruimels brood. Was ze ooit weg-geweest?
En de dingen—hoe waren zij haar vertrouwd!
De haard, waarboven de ketel hing. De bleek-houten tafel, en de gekleurde, gekramde kopjes. De schotels op den schoorsteen. De klok met zijn vroolijken koekoek. De klompen van haar man. De steenen van den vloer. Buiten 't jaartal met de ijzeren cijfers. 't Riet van het dak met 't groene mos.
Het was goed, om weder tehuis te zijn.
Wanneer de woorden nu maar nooit gesproken werden, die haar weder in de macht der witte wiven zouden brengen! 'Zij gevoelde het, dat zij—hoe vreemd ook—gezegd zouden worden. De witte wiven hadden haar gewaarschuwd:
“'t Leven gaat zijn gang—wie houdt het tegen?”
Soms geleek 't haar, dat haar hart stil-stond, daar zij de woorden des verderfs in haar ooren hoorde. Ze zweeg zóó lang, tot eindelijk de man weder met haar sprak, en vroeg, of ze nu nooit, nooit weder naar de witte wiven zou terug-gaan.
“Als 't van mij afhing—,” sprak ze, “nee! nooit meer, want ik weet, dat het slecht was, u allen te verlaten, en met de witte wiven van Tubbergen te dansen. Je weet 't, dat 't niet van mij afhangt ….”
Ze zweeg, en in haar oogen was al het leed harer ziel. Niets van haar smart bleef voor hem verborgen.
“Wat is er dan?” vroeg hij weder.
“Er zijn woorden, die nooit gezegd mogen worden.”
Even wachtte hij. Toen hernam hij zachtjes.
“Welke zijn die woorden dan?”
“Weg, jou varken ….” heeten ze. Als die woorden gezegdBladzijde 216worden, kom ik in de macht der wiven. Zorg, dat ze niet gezegd worden, die woorden.”
Hij lachte luid.
“Ze zullen nooit gezegd worden.”
Zij stond op, en zag hem aan, vol stille boosheid en angst.
“Hoe kun je lachen? Als die woorden gezegd worden, ben ik voor altijd verloren. Wie zal er dan op 't kind passen, en wie boerin zijn op de boerderij? Bid liever voor mij, dat de woorden nooit gezegd zullen worden. Ga naar de meiden en de knechts, ga naar de buren, zeg 't hun, dat ze op hun woorden passen.”
Hij lachte niet meer. Er waren diepe groeven in zijn voorhoofd, nadat hij de meiden, de knechts en de buren had gewaarschuwd. Ze hadden hem allen beloofd, dat ze op zouden passen. En toch … terwijl hij langs het weiland ging, bemerkte hij de witte wiven, en hij hoorde haar zegevierenden lach.
Wat kwam het er voor haar op aan, hoevele jaren het zou duren, dat de vrouw weder met haar op de bergen zou dansen? Zij wisten, dat de woorden moesten worden gesproken, omdat er geen strenger wet is dan het leven.
Het waren vreemde dagen, die volgden. Wanneer de boer van het land in zijn hoeve trad, verwachtte hij telkens, dat de vrouw reeds was vertrokken—dan was hij blijverwonderd, dat ze er nog zat.
“Is er niets gebeurd?” vorschte hij. “Niets? Was er niemand aan de deur?”
Ze antwoordde, zonder op te zien, met doffen klank.
“Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken.”
In haar stem bleef de zekerheid, dat ze eens gezegd moesten worden, al deze dagen. Dikwerf stond ze aan de deur, en staarde in de schemerige verte. Ze had haar kind en haar huis lief—en toch … Behoorde ze niet aan de witte wiven?
Ze boog haar hoofd voorover, om beter alles te kunnenBladzijde 217onderscheiden. De witte wiven dansten iederen avond, en ze zongen een melodie van zondige bekoring.
Wat ze had volbracht in de dagen, dat ze bij de witte wiven was geweest … deed zij thans niet meer: nooit zorgde ze voor het kind, en ze liet het aan haar buurvrouwen over. In haar geest was de donkere schaduw … angst en verlangen, om weder op de bergen te mogen zijn, overheerschten haar nu.
Soms gleed zachtjes een witte wive langs de boerderij—als ze zoo op den drempel stond—even wachtende. Dan strekte de vrouw de armen naar haar uit, en de woorden, die verlossing en vloek zouden brengen, drongen zich naar lippen. Waarom zij ze niet zeide? Misschien dacht ze wel aan den eersten dag, dat ze weer tehuis was gekomen, of misschien was het toch wel vrees, om haar kind alleen te laten.
De witte wive gleed verder—gleed langs het hek—over de sloot—gleed in de nevelen van den avond—werd één met de onwezenlijkheid.
Als de man een uur later in de hoeve kwam, zag hij zijn vrouw als steeds bij 't haardvuur zitten. Wanneer hij haar vroeg, of er iets was gebeurd, dien dag, of iemand bij de deur was geweest, klonk haar stem dof en moedeloos:
“Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken.”
Er kwam een dag, dat de man 't vergat, om de vraag te stellen. Hij had hard gewerkt, en was vermoeid. Daarom ging hij dadelijk slapen.
De vrouw herinnerde hem er niet aan, en voortaan bleef ze met haar gedachten alleen. Zij-zelf zeide het noch de meiden noch de buren noch de knechts, dat zij voorzichtig moesten zijn. Telkens weder streken de witte wiven 'thuis voorbij, toléén harer de vrouw toefluisterde:
“Spoedig wachten we je op de heuvelen.”
Klankloos antwoordde ze, 't hoofd gebogen, de handen naar den grond gestrekt:
Bladzijde 218“Ik weet het, witte wive. Laat het gauw zijn.”
Eenige dagen later was een van de knechten aan het werk, bezig met garven te vleien. Hij bemerkte niet, dat het varken kwam aanwaggelen, tot het dichtbij was, en aan het koren rook. Hij schopte het … even later was 't dier terug.
“Weg jou varken!” riep de knecht ongeduldig.
Toen schoten hem de woorden weder in zijn geest, en hij liet 't koren in den steek. Hij liep, wat hij loopen kon naar den boer toe. Op den akker stond de man, maar die wist reeds, dat er iets vreeselijks was gebeurd.
“Je hebt de woorden gezegd,” riep hij hem van verre toe.
“Ja baas.”
Tezamen gingen ze naar de hoeve. Ze vonden de vrouw niet meer. Er was geen spoor van haar overgebleven. Nooit meer kwam ze terug, en de vloek had zich voltrokken.
Ze danst met de witte wiven op de belten, en ze behoort niet meer bij dit menschengeslacht. Velen hebben haar gezien—ze draagt lichte, grijze kleeren. In haar ooren heeft ze prachtige bellen, schitterend van goud. Om haar hals zijn paarlen. Doch men zegt, dat ze veel heeft geschreid, en dat men haar soms hoort weenen om de zonde, die het einde was van haar leven.Bladzijde 219
In het oude koninkrijk Lilefoort heerschte de vorst Pyrion, wier vrouw Matabrune was geheeten. Zij was slecht van hart, hoe slecht, zult gij uit deze schoone historie en miraculeuse geschiedenis van den ridder met den zwaan hooren.
Koning Pyrion en koningin Matabrune hadden een zoon, met name Oriant, een jongeling, die de jacht liefhad. Eens, dat hij een hert achtervolgde,—het was na zijn vader's dood en hij was koning van Lilefoort—moest hij 't lijdelijk aanzien, dat 't dier zich, vluchtend, in een stroom wierp, en zwemmende den anderen oever bereikte. Toen keerde Oriant terug, en ging rusten onder eenen boom, bij eene bron. Terwijl hij daar nu zat, kwam er een jonkvrouw met vier dienstmaagden, eenen ridder en twee knechten, en ze zeide tot Oriant:
“Wat doet ge in mijne heerlijkheid te jagen? Wie heeft u daartoe verlof gegeven. Of meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe ge een hert hebt achtervolgd? Voorwaar, ik zeg u, het had u niet behoord, zoo ge het had gedood! Doch ook thans zult gij uw misdrijf boeten.”
Oriant had voortdurend haar aangezien, terwijl ze deze woorden sprak, en de stem, waarmede hij antwoordde, kende alreeds de ontroering der liefde.
“Schoone jonkvrouw—” zoo zeide hij, “ik zou niet gaarne tegen uwen wil handelen. Wat ik nam, nam ik als uw leenheer. Weet, wie ik ben! Mijn naam is Oriant, en ik ben de zoon van koning Pyrion en koningin Matabrune: koning van Lilefoort ben ik.”
De ridder—Savari was zijn naam—sprong, na deze woorden te hebben gehoord, van zijn paard, en knielde neder. Groetend den edelen vorst, smeekte hij als volgt:
“Heer! vergeef Beatrijs, mijne gebiedster, wat ze u heeft misdaan. Zij kende u niet, en dit is de reden van hare misdaad.”
Bladzijde 220Mild sprak de edele heer, Oriant, de zoon van koning Pyrion en koningin Matabrune:
“Wat zij boeten zal, zal met haren wil zijn. Ik ben ontroerd door hare schoonheid.”
En hij keerde zich tot de jonkvrouwe en sprak:
“Welschoone maagd! wilt ge mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u.”
Toen voerde hij de reine Beatrijs naar Lilefoort, en al zijnen ridders zeide hij, dat hij met haar zou trouwen. En men vertelde het Matabrune, dat Oriant Beatrijs tot koninginne zou kronen.
Nauwelijks had Matabrune het gehoord, of ze trad haren zoon Oriant tegemoet. Oriant lachte, daar hij meende, dat zijn moeder wel mèt hem verblijd zou zijn, en hij riep haar uit de verte toe:
“Wees blijde, wees blijde, want ik heb de schoonste vrouw der wereld gevonden.”
Matabrune antwoordde toornig:
“Niet ben ik blijde, neen! niet ben ik blijde, gij hebt maar een eenvoudig meisje genomen, gij, een machtige koning.”
Oriant lachte niet meer. Hij vervulde echter zijn belofte, Beatrijs gedaan, in tegenwoordigheid van den ridder Savari, en hij kroonde haar als de koninginne van Lilefoort. De booze Matabrune moest wel doen, alsof zij tevreden was, al haatte ze Beatrijs, de schoone koningin.
Matabrune verzoende zich niet met Beatrijs, en ze was niet gelukkig met allen, die Oriant liefhadden. Toen koningin Beatrijs moeder van een tweeling was geworden, fluisterde Matabrune, nadat de kinderen ten doop gebracht waren, tot Oriant den koning:
“Zien mijn oogen het goed, dat er twee kinderen zijn, die Beatrijs u heeft geschonken? Weet gij wel, dat deze twee kinderen niet beiden van u kunnen zijn? Ik vrees, dat Beatrijs ook eenen anderen man liefheeft.”
Bladzijde 221Oriant wachtte niet lang met zijn antwoord.
“Waarom kunnen er niet twee kinderen tegelijkertijd geboren worden? Dat kan zeer wel geschieden, moeder, want God's goedheid kan ééne vrouw wel zeven kinderen geven, waarom dan niet twee?”
De booze Matabrune bemerkte hieruit, dat de koning te verblijd was, en haar niet geloofde. Daarom wachtte zij op een lateren tijd.
Nu geviel het, dat er eenige maanden daarna oorlog uitbrak, en de edele koning Oriant met zijne ridders ten strijde toog. Voor dien liet hij zijne moeder Matabrune bij zich komen, en hij zeide haar:
“Zult gij—wanneer ik weg ben—voor mijne vrouw Beatrijs zorgen, of zij uw dochter ware? Zie! ik vertrouw haar u toe.”
Matabrune sprak hierop plechtig:
“Ik belove 't u.”
Oriant nam van, zijn reine vrouw Beatrijs afscheid. Zij weenden beiden, en hun tranen vloeiden ineen. Hij kuste haar 't voorhoofd en den mond, en hij streelde hare armen, zonder woorden te zeggen. Hij besteeg zijn paard, en toen vertrok de vorst, de voorste der ridderen, gelijk 't behoort.
Zoodra hij was heengegaan, bedacht Matabrune, hoe zij zich op Beatrijs kon wreken. Ze liet de vrouw bij zich komen, die voor Beatrijs in hare krankheid had gezorgd, en ze sprak tot haar als volgt:
“Ge weet wel, dat mijn zoon Oriant tegen mijnen wil Beatrijs heeft getrouwd, die maar een arm meisje was, en hij was een machtig koning. Hoor nu, wat ik heb besloten, want ik wil, dat hij van haar afkeerig wordt.”
“Ge weet—” zoo antwoordde de vrouw, “dat Beatrijs, de koningin, weder een kind verwacht. Wat meent ge, als we zouden zeggen, dat zij dit kind heeft gedood? Zeker zou de koning, Oriant, haar haten, wanneer hij dit zou hooren:”
“Dit is mij niet genoeg—” hernam Matabrune. “ZooveleBladzijde 222kinderen als Beatrijs ter wereld zal brengen, zoovele jonge honden leggen wij ervoor in de plaats. Wij zullen dan zeggen, dat deze jonge honden hare kinderen zijn, en ik zal iemand bevelen, om haar werkelijke kinderen weg te dragen en te dooden. Dan voorwaar zal Oriant, de koning, wel van Beatrijs afkeerig zijn.”
De vrouw beloofde, dat zij gehoorzaam zou zijn aan Matabrune's bevelen.
Beatrijs bracht zes zonen ter wereld en eene dochter. Ze hadden allen bij hun geboorte een zilveren keten om den hals, zoo edel was de moeder. Nauwelijks had Matabrune dit alles vernomen, of ze voerde de kinderen weg, en in de plaats daarvan legde ze zeven jonge honden naast Beatrijs, de zieke koningin.
Dit nu riep de vrouw, die Matabrune bij zich had laten komen. Ze riep met luide stem tot Beatrijs:
“Wee koningin Beatrijs! Wee over u! Gij hebt zeven jonge honden ter wereld gebracht! Wee! Wee!”
De slechte Matabrune zeide:
“Doe weg dat schandelijk stuk, en begraaf de honden op het veld. Houd het geheim, vrouw, opdat des konings eere niet gekrenkt worde.”
Beatrijs dan was zeer zwak. Zij had het niet bemerkt, welk verraad er was geschied. Het duurde wel een tijd, voor ze bij haar zinnen kwam. Op dat oogenblik keerde Matabrune haar gansche haat tegen Beatrijs, de ongelukkige koningin uit, haar scheldend met booze woorden, dat zij jonge honden het leven had geschonken en geene kinderen. Met moede stem zeide Beatrijs:
“Toon ze me dan, want ik kan u niet gelooven.”
Men liet haar de jonge honden zien, en toen schreide Beatrijs, omdat ze voor altijd de liefde van haren man, Oriant, had verloren.
De vrouw, die haar in haar ziekte had verzorgd, zeide met valsche stem:
“Ge behoeft niet te weenen, edele koningin, want geBladzijde 223hebt uw schoonheid behouden, en Oriant zal u niet minder liefhebben, wees er zeker van.”
Beatrijs schreide door, en naar dezen troost luisterde ze niet.
Matabrune was verblijd, daar haar de schandelijke daad tot dusver was gelukt. Zij riep haren dienaar—Marcus was zijn naam.
“Vriend, ge moet mij eenen dienst bewijzen, maar ge moet geheim houden, wat ge voor mij doet. De koningin, de sluwe Beatrijs, is moeder geworden van zeven kinderen, zes zonen en eene dochter, die droegen bij hunne geboorte ieder een zilveren keten om den hals. Dit is een teeken, dat zij later dieven en moordenaars zullen worden, en daarom moeten ze sterven, vóór zij Oriant, den koning, in schande brengen. Voer de zeven kinderen met u in een bosch, en doe ze daar sterven.”
Marcus boog voor de slechte koningin, Matabrune, en hij beloofde, dat hij naar haren wil zou handelen. Hij nam de zeven kinderen, verborg ze onder zijnen mantel, en reed naar 't woud, waar hij, van het paard stappend, ze nederlegde. Hij beschouwde ze, en toen zag hij, dat ze schoon waren. Hun zilveren kettingen blonken in de zon, en Marcus, de dienaar, bepeinsde, dat deze ketenen wezen op groote dingen in de toekomst. De kinderen lachten hem toe, en hij kreeg medelijden.
Hij beval de kinderen in Godes barmhartigheid aan, en hij keerde naar Lilefoort terug, om naar het paleis van Matabrune te gaan. De booze Matabrune beidde hem reeds, en ze vroeg hem ongeduldig, of hij haar bevel had gehoorzaamd, en of hij de kinderen had gedood. Haar dienaar, Marcus, antwoordde met een enkel “ja,” en wendde zich van haar af. Matabrune was zeer blijde, en nu besloot zij, om Beatrijs ook te doen dooden, zoo het kon, door Oriant's hand.
Haar ongeduld behoefde niet lang te duren, want Oriant reed spoedig daarna de stad Lilefoort binnen, trotsch teBladzijde 224paard gezeten, als overwinnaar der vijanden. Matabrune ging hem tegemoet. Hem groetende, weende zij, en zij weende:
“Lieve zoon! blijde ben ik, dat gij weder hier zijt, en dat gij als overwinnaar zijt teruggekeerd, maar ik ben vol droefheid om wat er met uwe vrouw, met Beatrijs, is geschied!”
De koning schrok, en hij boog zich voorover, zijn stem angstig voor de eerste maal zijns levens.
“Zeg mij dan, moeder, is Beatrijs gestorven?”
“'t Is de dood niet, het is een schandelijk stuk van uwe vrouw, waarom ik zoo droeve ben. Ik durf het u niet te openbaren, laat een ander het u zeggen.”
“Neen, moeder, zoo het een schandelijk stuk van mijne vrouw is, vraag ik van u voorwaar, het mij te bekennen. Want uit uwen mond kan ik het 't beste hooren.”
“O! heer, mijn zoon, o koning Oriant, verneem dan, dat niet Beatrijs moeder is geworden van menschenkinderen, doch dat zij zeven jonge honden ter wereld heeft gebracht.”
Toen ging de koning, de edele Oriant, met eenen ridder in eene kamer, en hij weende langen tijd, tot uit zijn oogen geene tranen meer konden vloeien. In eene andere kamer was de koningin, de edele Beatrijs, en ook zij weende hare smart. Een schildknaap, die haar had gediend, was haar komen zeggen, wat Matabrune, de moeder des konings, haren zoon had bekend.
Vervolgens riep de koning zijnen raad tot zich, geestelijken en edellieden, en hij sprak tot hen:
“Ik heb u hier bijeen doen komen, om mij van raad te dienen in de zaak tegen Beatrijs, de koningin. Hoort, wat Matabrune, mijne moeder, mij heeft gezegd. Niet heeft Beatrijs mij kinderen geschonken, zonen en dochteren, menschen als menschen geschapen, doch jonge honden waren haar deel.”
Na deze vreeselijke woorden zweeg de raad eenenBladzijde 225langen tijd. Eindelijk stond een oud en wijs man op. Dit was de raad, welke hij den edelen Oriant gaf:
“Heer koning! zoo Beatrijs aan eenige misdaad schuldig is, kan deze wel buiten haar weten zijn geschied. Daarom is zij niet met den dood te straffen. Beter is het, dat ge wacht, tot God, die een rechtvaardig rechter is, de waarheid zal openbaren.”
De koning was zeer getroost door deze woorden, doch weder rimpelde zich zijn voorhoofd, toen een ander ridder met booze stem uitriep:
“Heer koning! zult gij de vrouw laten leven, die een zoo groote schande over uwen naam heeft gebracht? Weet gij dan niet, dat gij, als zij gevangen blijft, nooit met eene andere vrouw zult trouwen? Beter is het, zoo ge haar doet verbranden, dan kunt ge een ander kronen tot koninginne van Lilefoort, en ge kunt uw droefheid vergeten.”
Niet lang liet koning Oriant op antwoord wachten. Hij zeide:
“Zoo ook de koningin des doods schuldig is, nimmer zal ik den eed vergeten, dien ik de jonkvrouw Beatrijs heb gezworen in tegenwoordigheid van ridder Savari, aldus luidende:
“Welschoone maagd! wilt gij mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u.”
“Zelfs als Beatrijs zou zijn gestorven, dezen eed zou ik altijd gedenken, want mijn liefde voor haar is mij liever dan het zonlicht. Daarom ook heb ik geweend, tot ik niet meer weenen kon, en mijn tranen niet meer wilden vloeien.”
Men besloot hierop, om Beatrijs in eene schoone kamer gevangen te zetten, en haar door twee ridderen te doen dienen, tot het zou zijn uitgemaakt, of zij waarlijk zeven jonge honden ter wereld had gebracht.
Haar kinderen onderwijl waren door eenen kluizenaar in het bosch gevonden, en ze schreide jammerlijk vanBladzijde 226koude en honger. Hij wond ze in zijnen mantel, en voerde ze in een kluis. Niet lang daarna zond God hun een geit, die ze voedde. De kluizenaar—Helias was zijn naam kleedde hen in kleederen van bladeren, en deed voor hen, wat hij met zijn eenvoudige krachten kon. Een der jongens kreeg hij boven allen lief, en daarom gaf hij hem zijnen naam: Helias.
Eenige jaren later kwam de jager van Matabrune—Savari heette hij—in 't bosch, en hij vond daar zeven kinderen spelen onder eenen boom. Hij groette hen vriendelijk, doch de kinderen, die behalve den kluizenaar, nooit een mensch hadden gezien, liepen angstig weg. De jager Savari was nieuwsgierig, waar wel de kinderen tehuis behoorden, hij volgde hen, en trad in de woning van Helias, den kluizenaar.
“Wat zoekt gij bij mij?”
“Wees gerust—” zoo sprak de jager, “ik zal den kinderen geen leed berokkenen. Alleen was ik verwonderd, daar zij zoo slecht zijn gekleed, en toch zulke kostbare zilveren ketenen om den hals droegen.”
De kluizenaar verhaalde hem, hoe hij de kinderen had gevonden en opgevoed, en daarna namen de beide mannen van elkander afscheid, omdat Savari weder naar Lilefoort wilde vertrekken. Daar vertelde hij de booze Matabrune, wat hij in 't bosch had gezien: zeven armoedige kinderen ieder met eenen zilveren keten om den hals.
Matabrune kreet:
“Ga weder heen en dood de kinderen, anders zal ik ze zelf ombrengen.”
De jager Savari beloofde, dat haar wil zou geschieden.
Matabrune ging naar haren dienaar Marcus, en dolzinnig van woede, beval ze, dat hem de beide oogen zouden worden uitgestoken, tot straf, dat hij de kinderen niet onmiddellijk na hun geboorte had gedood.
De jager Savari nam zeven mannen mede, om de zes jongens en het eene meisje te vermoorden. Op hun wegBladzijde 227kwamen ze door een dorp, waar een groote menigte volks was verzameld. Her en der vroegen ze, waarom zoo velen tegelijk tezamen gestroomd waren, en het antwoord luidde:
“Men zal eene vrouw verbranden, die haar kind heeft vermoord.”
Dit stemde Savari tot nadenken.
“Om één kind verbrandt men deze vrouw al? Hoe zal ons vonnis luiden, wanneer men weet, dat wij zeven kinderen hebben omgebracht?”
En de anderen zeiden:
“Neen! we zullen de kinderen niet dooden. Wat zullen wij doen? Wij zullen de zilveren ketenen medenemen, en deze Matabrune toonen, ten bewijze, dat wij haar bevel hebben gehoorzaamd.”
Ze traden in het bosch, en Savari voerde hen naar de hut. Ze vonden hier echter niet zeven kinderen, maar slechts zes, daar de kluizenaar met het kind, dat hij 't meest liefhad, met Helias, in 't naast-bij gelegen dorp was gaan bidden. De zes kinderen kreten bij het zien der woeste mannen.
“Wees niet bang, lieve kinderen,” zeide de jager Savari, “we zijn niet hier gekomen, om u kwaad te doen. Ge behoeft niet te schreien.”
Terwijl Savari, de jager, dit zeide, namen zijn mannen de ketens weg. Zoodra dit geschied was, werden de kinderen in witte zwanen veranderd, die opvlogen, en met een schreeuw zich hoog in de lucht verhieven. Savari en zij, die met hem waren, schrokken over dit wonder zoodanig, dat zij in onmacht ter aarde vielen. Nadat zij weder tot bewustzijn waren gekomen, beefden ze nog van vrees, en Savari riep uit:
“Laat ons trekken van deze plaats, waar wij te lang geweest zijn. Zes kinderen hebben wij gevonden, instee van zeven. Laten wij zeggen, dat wij zeven kinderen hebben gedood, en dat wij één der ketenen onderweg hebben verloren.”
Bladzijde 228De mannen volgden Savari's raad, en ze spraken de woorden, die hij had gezegd, tot de booze Matabrune; deze werd uitermate vertoornd en schreeuwde:
“Zoo gij een zevende keten hebt verloren, moet gij mij de waarde hiervan vergoeden. Eerder zal ik niet tevreden zijn.”
Ze liet eenen goudsmid bij zich komen, die één der ketens in het vuur legde, om te zien, of het edel metaal was.
Wonder! toen de keten heet werd, woog hij meer dan de anderen tezamen, en er was zilver genoeg, om twee bekers te maken van de ééne keten. De goudsmid bracht éénen beker naar de slechte Matabrune en behield den anderen voor zichzelven, en toch verwonderde zich Matabrune nog, dat ze zulk eenen grooten beker had ontvangen. Ze was verheugd om de schoone gave, die er haar aan herinnerde, dat nu de zeven kinderen van Beatrijs waren gestorven.
Ze kon toch niet vermoeden, dat er zes van in zwanen waren veranderd, en dat de zevende, Helias, nog in leven was?
De kluizenaar en Helias waren in het bosch teruggekeerd en ze verbaasden zich, dat zij de zes jonge kinderen niet vonden. Ze zochten den geheelen dag, en 's nachts sliep Helias niet; den volgenden morgen begon hij dadelijk weder te zoeken, weenende van wanhoop. Hij ging al schreiende voort. Eindelijk bereikte hij een water, waar hij zes schoone zwanen zag. Hij naderde den vijver, en riep de trotsche vogels tot zich. Ze zwommen naar hem toe, hij streelde ze, ze aten van het brood, dat hij hun gaf. Hij was getroost, en hij bezocht hen voortaan dagelijks.
Hij groeide op tot een krachtig jongeling, tot ridderlijke daden wel in staat. Hij wist het niet, dat hij zijn behendigheid spoedig zou moeten toonen. Want Matabrune was haar haat jegens Beatrijs nog niet vergeten, en steeds zon zij op middelen, om haar te doen dooden. Aan haar hof was een ridder, Macharis was zijn naam, en hij had een hart, even valsch als van Matabrune. Daarom liet hijBladzijde 229zich overhalen, om weder tegen Beatrijs te getuigen, dat zij jonge honden ter wereld kon brengen, en dat zij den koning, den edelen Oriant, en zijne moeder, de goede Matabrune, had willen vergiftigen. En dit zeide Macharis onder den invloed van Matabrune:
“Ik verklaar te willen kampen tegen ieder, die het opneemt voor Beatrijs.”
De koning beval, dat men Beatrijs uit de gevangenis voor hem zou brengen, opdat zij zich tegen de beschuldiging zou kunnen verweren. Ze trad voor den vorst, groette hem met teederen groet, en viel op haar knieën voor hem neder. Matabrune bemerkte, dat zij allen, de koning, de edele Oriant niet 't minst, medelijden hadden met de schoone koninginne Beatrijs, en ze riep haastig Macharis, opdat deze zijn aanklacht zou zeggen, hetgeen hij deed. Oriant, de koning, zeide toen tot Beatrijs:
“Ge wordt van een groot misdrijf beschuldigd, vrouwe, en ik zeg u, dat ge de waarheid zult belijden. Weet, als gij geen leugen uitspreekt, dat ge niet zult sterven, doch als gij de onwaarheid verkiest, zal een schandelijke dood u wachten, tenzij iemand uw recht verdedigt. Spreek de waarheid, Beatrijs.”
De koninginne, de schoone Beatrijs, verhief zich, en zag hem in de oogen.
“Heer! ik weet, dat er niemand wordt gevonden, die mij gelooft, en die mij recht zal verschaffen; en toch ik zweer u allen, dat ik onschuldig ben. Bij God zoo betuig ik, dat ik nimmer het schandelijk kwaad heb bedreven.” Zij vouwde haar handen. “Gode alleen zij de wrake over mijne vijanden, die mij zoo valschelijk betichten.”
God in den Hemel hoorde hare spreuk, en hij zond een Zijner engelen naar den kluizenaar, om hem te zeggen, dat de zeven kinderen waren van koning Oriant en van koningin Beatrijs, dat er zes hunner in zwanen waren veranderd, en dat de edele jongeling Helias den valschen ridder Macharis moest bevechten.
Bladzijde 230Hierna riep de kluizenaar den jongeling tot zich, en hij zeide tot hem:
“Gij, Helias, zijt de zoon van koning Oriant en van koningin Beatrijs, en ge zijt met uw broederen en uw zuster te vondeling gelegd op bevel van Matabrune, de moeder des konings Oriant. Thans heeft dezelfde Matabrune één harer ridderen, genaamd Macharis, bevolen de koninginne Beatrijs te beschuldigen, als zou zij niet een mensch liefhebben, doch eenen hond, en als zou zij den koning Oriant en zijne moeder Matabrune hebben willen vergeven. Dit nu zegt God: ‘gaat henen, en kampt voor de koninginne Beatrijs tegen den valschen ridder Macharis. Uw broeders en uwe zuster zijn veranderd in de zwanen, die gij dagelijks hebt gevoed.’”
De edele jongeling vroeg:
“Zult gij dan, als ik weg ben, voor de zwanen zorgen?”
“Ja,” antwoordde de kluizenaar, “ik zal ze met brood voederen, gelijk gij hebt gedaan.”
Vervolgens nam Helias afscheid. Hij was in bladeren gekleed, blootshoofds, barrevoets, en op eenen stok steunde hij. Aldus ging hij naar Lilefoort, naar 't hof van koning Oriant, waar men de koningin, de schoone en reine Beatrijs, ter dood zou brengen, daar niemand voor haar wilde kampen.
Juist op het goede oogenblik kwam Helias aan, en hij stond bij de poort, om binnen gelaten te worden. De wachter vroeg hem:
“Wat zoekt gij?”
“Den valschen ridder Macharis,” was het antwoord.
De wachter wilde met hem spotten, en dus zeide hij:
“Ik ben het, dien gij zoekt. Ik ben de ridder Macharis.”
Helias sloeg hem met zijn stok, en een andere dienaar wilde hem grijpen, daar hij meende, dat de jongeling in zijn vreemde kleeding waanzinnig was. Helias werd boos, en hij riep uit:
“Ik zeg u, laat mij gaan. Ik wil mij wreken op den valschen ridder Macharis, die mijne onschuldige moeder beticht.”
Bladzijde 231“Macharis—” antwoordde een der wachters, “is in de zaal en klaagt Beatrijs aan. Ons echter schijnt het toe, dat het valschelijk is, want de koningin Beatrijs is goed.”
Helias omhelsde hem uit dankbaarheid voor deze woorden, en de knecht leidde hem in de zaal, tot voor 's konings troon.
Oriant vroeg hem:
“Wien zoekt gij hier?”
“Ik zoek Macharis, heer.”
Men wees hem den ridder, en Helias ging tot hem, en sloeg hem met de vuist recht in het gelaat.
“Gij, valsche verrader, ik daag u uit, om met mij te strijden.”
De koning, Oriant, stond op van zijn troon, en riep tot Helias, den jongeling:
“Hoe durft gij, vermetele, Macharis in mijne tegenwoordigheid te slaan?”
“Heer,” antwoordde Helias bescheiden, “ik ben gekomen om de waarheid te spreken.”
En hij wendde zich tot Beatrijs, de koningin, met deze woorden:
“Lieve moeder, wees niet bedroefd, want met Godes hulp zal ik u in uw eer herstellen.”
“Wat wilt gij dan zeggen?” zoo vroeg de koning.
“Zeggen wil ik de waarheid alleen en deze is, dat ik uw zoon ben, o heer, en de zoon van uwe vrouw, van Beatrijs, die naast mij staat. Ik verklaar, dat ik met Macharis wil gevangen blijven, tot het blijken zal, dat ik de waarheid spreek.”
De koning zag toen Beatrijs aan, en mild was zijne stem en vol goedheid zijne oogen:
“Wat dunkt u, Beatrijs, van de woorden, die deze jongeling spreekt?”
Beatrijs boog haar hoofd.
“Heer! ik weet hiervan niets; want ik was krank, toen mijne kinderen werden geboren. Maar ik geef de zaak inBladzijde 232God's handen en in die van dezen jongeling, en ik bid u hem te behandelen als uwen zoon.”
De koningin, Beatrijs, werd naar eene schoone kamer gevoerd, en Oriant, de koning, begaf zich tot Matabrune, en vertelde haar van Helias, den jongeling. Matabrune verbleekte, en ze trachtte nu goede en zoete woorden te vinden, doch zij kon niet beletten, dat de koning beval, om Macharis gevangen te zetten. De koning reed naar 't woud, en hoorde daar van den kluizenaar 't verhaal, dat hem Helias voor waarheid had verteld. Daarom liet de koning voor den jongeling een harnas maken, en hij stelde de koningin, de edele Beatrijs, in vrijheid. Macharis werd door vier dienaren bewaakt, en moest tegen Helias kampen.
Macharis was angstig, toen hij 't strijdperk binnen-reed, ziende den edelen jongeling Helias, krachtig in zijn harnas. Hij wilde het niet laten blijken, hoe bevreesd hij was, en daarom riep hij spottend:
“Meent gij tegen mij te kunnen strijden, jongetje? Ik zal u laten zien, hoe sterk ik ben.”
Helias nu antwoordde:
“Verrader, ik ben blijde u hier te zien, ik zal op u de eer mijner moeder wreken.”
Ze reden op elkander in. Door het geweld van den stoot, stortte Macharis ter aarde.
Hij stond weder op.
“Ik zal u laten gevoelen, hoe krachtig mijn arm is.”
Helias riep:
“Welaan! rijd maar wakker toe.”
Ze lieten beiden hun lansen zinken, en, spiedend, ontdekte Macharis een plek in des jongelings harnas, die het vleesch niet bedekte. Daar stiet hij en Helias' bloed vloeide. Nu meenden Beatrijs en allen, die met haar waren, dat Helias was getroffen, en een ieder was hierover zeer bedroefd. Helias echter werd nog moediger, en hij kreet met een stem, fel-flitsend als de bliksem:
“Verrader, is het u niet genoeg, dat gij mijne moederBladzijde 233hebt verraden? Wilt gij ook nog haren zoon dooden? Thans zal ik u met Gods hulp toonen, wat gij van mij hebt te verwachten.”
Hij sloeg hem den helm af, en hieuw hem zoo met 't zwaard, dat hij zich niet meer kon verweren, en daarna kloofde hij hem den arm. Toen gaf de valsche ridder Macharis zichzelf gewonnen.
“Jongeling! ik heb den slag verloren—zeg mij uwen naam.
“Ik ben Helias—de zoon van den edelen koning Oriant en de in haar leven zoo getrouwe koningin Beatrijs en ik wil zien, hoe gij zult sterven, vóór ik deze plaats verlate. Wacht uwen dood, verrader.”
Het antwoord van den valschen ridder Macharis luidde als volgt:
“Laat mij leven, tot ik de waarheid heb bekend. Laat mij den goudsmid aanwijzen, die de ketens heeft van uwe zuster en uwe broeders.”
De kamprechters kwamen, en ze wezen Helias de overwinning toe. Deze echter zeide slechts:
“Dat de koning hier kome met de koningin en al hunne heeren.”
De edele Oriant en de reine Beatrijs, verzeld van hunne drommen ridders, traden in het strijdperk, om te hooren, wat de jongeling, Helias, hun wilde zeggen.
“Luister naar de belijdenis van dezen ridder hier, van Macharis, den valschaard.”
Macharis trad naar voren, groetende den koning, Oriant, en de koningin, Beatrijs, met eerbiedige reverence. En hij bekende allen, die om hem heen stonden, de talrijke misdrijven van Matabrune, die hiervoren zijn verhaald, opdat zij geene navolging zullen vinden in der Kerstenen landen. Amen.
Men hing Macharis aan eene hooge galg, den valschen ridder, die Beatrijs valschelijk had beticht. De koning omhelsde Beatrijs om al het leed, dat zij onschuldig hadBladzijde 234geleden. Er waren vele vreugdefeesten, en daarna werd de goudsmid ontboden, dien men vroeg, wat er van de zilveren ketens was geworden.
De goudsmid nu bracht vijf zilveren ketens terug, en een beker, dien hij met den beker der slechte Matabrune uit ééne keten had gesmeed, en hij bad om vergiffenis, en de koning zeide:
“U zij vergiffenis geschonken.”
Oriant en Beatrijs namen de ketenen, en ze kusten deze, klagende om hunne arme kinderen, die in zwanen waren veranderd.
Vervolgens werd Marcus geroepen, wien de booze Matabrune de oogen had uitgestoken, en Oriant, de koning, vroeg hem, hoe hij in blindheid was geraakt.
Op deze vraag zeide Marcus, al wat hem was overkomen.
Oriant gevoelde medelijden met den blinde, en hij bad innig tot God, dat Marcus weder zou genezen. Hij teekende over de oogen van den ongelukkige een kruisje, en daardoor herkreeg Marcus zijn gezicht. Allen waren verbaasd over het wonder, dat aan den dienaar was geschied.
Nadat Matabrune had vernomen, welk lot de valsche ridder Macharis had ondergaan, werd zij bevreesd, en zij gaf daarom den knechten, die haar bewaakten, veel wijn te drinken, opdat zij dronken zouden worden. Haar toeleg gelukte. De knechten sliepen zwaar in hun roes, en Matabrune kon ontvluchten. Helias echter, die door zijnen vader als koning was gekroond in Lilefoort, zette haar na, belegerde het kasteel, waarin Matabrune was gevlucht, veroverde het, nam de slechte vrouw gevangen, en deed haar verbranden.
Hij had gezworen, dat hij niet zou rusten, voor hij zijne zuster en zijne broeders terug had gevonden, en nauwelijks had hij zijn eed uitgesproken, of zes zwanen vlogen uit de hooge lucht, en daalden in de slotgracht. Helias riep Oriant, zijn vader, en Beatrijs, zijne moeder, en tezamen gingen ze naar het water. De zwanen zwommen op HeliasBladzijde 235toe, en lieten zich door hem streelen. Hij toonde hun de ketens, en de trotsche vogelen schaarden zich in een rij, om elk zijne keten te ontvangen. Helias hing ze een keten om, voor den laatsten zwaan echter bleef er geene meer over. Oriant en Beatrijs liepen hunne vijf kinderen tegemoet, vier zonen en eene dochter, en waren met hen blijde. De arme zesde zwaan was zeer bedroefd, en van smart wilde hij zichzelven de veeren uittrekken.