Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat, moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.
Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven: òf Ellert wist het òf Brammert, doch één van de beiden altijd.
's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij niet. Want ze roofden en moordden geenszins dáárom. Ze roofden en moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden …. Ze waren ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt, en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden, wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar's schaduw, als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.
Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde—daar Ellert niet dadelijk wakker was geworden—eenigen tijd voor ook de zoon het lijk ontdekte.
Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche bron met water. Maar Ellert—met zijnBladzijde 90domme verstand (had hij niet drie duim minder aan hersenen?)—dacht dadelijk, dat Brammert den sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:
“Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal, ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.
Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert Brammert met luide stem toe:
“Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje.”
“Wat meen je daarmee, zoonlief?” vroeg Brammert.
“Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt.”
“Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders had de man niet bij zich en dat is niet veel.”
“Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen woord meer over.”
“Haha,” dacht Brammert, die de slimste was, “nu verklap je jezelf, zoonlief.—Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel in mijn bezit heb.” Dit dacht hij, hij sprak echter:
“Meen je, dat ik jou 't nu zal vertellen, als ik den sleutel heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak.”
Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was, die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.
“Waarom,” peinsde hij, “is Brammert altijd de eerste? Dat is gemakkelijk te begrijpen … hij wil den sleutel hebben, en mij die niet geven.” Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest bewegen. Eindelijk,Bladzijde 91de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar hem toe, en zeide:
“Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?”
“Hoe zou ik dat weten, zoonlief?” vroeg Brammert, die had geleerd, dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.
“Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt.”
“Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?”
“Bij den koopman!”
“Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door zorgen gekweld.”
“Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd.”
In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:
“De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter ben dan hij.” Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd over hèm dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning hebben gevoeld.
“Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan hij …. Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?”
Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwadeBladzijde 92menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen, Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den geur van 't bloed zouden behouden.
Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld: hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen, aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.
Hij wist 't, en 't gonsde in zijn hersenen:
“Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is, overwint hij me niet.”
Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen de klokken te luiden.
Brammert en Ellert schoten toe.
Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg—een vervolgd mensch: de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.
“Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op 't veld. Nu hebben wij iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen, als ze gewond zijn,” schertste hij.
“Laat mij gaan” smeekte het meisje.
“Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je ook niet dood maken.
Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van vrees en verdoemenis,Bladzijde 93doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken: “Zoo'n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En 't mooiste is, dat ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot 't geluk niet bij zich kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat er nog nooit een vrouw op 't veld geweest is, zullen wij haar houden.”
Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein en ongelukkig schepsel ontmoet …. Een stille glimlach, en een trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk, dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot het geluk … Een doffe pijn was er om zijn hart … dat het jonge meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het eind zijner dagen.
Eenzaam liep hij over 't veld, en hij steunde luid als de stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart, als 't jonge meisje had gedaan.
“Brammert heeft den sleutel tot 't geluk,” schokte het op in zijn brein, “en ik mag toekijken …. Hoe moet ik me er van meester maken? Ik wil zoo graag …. Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem dooden, zoodra ik kan.”
Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.
“Vannacht nog,” fluisterde een booze stem, “als hij nederligt, 't hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzerenBladzijde 94pin door de hersenen, en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven, zoodra hij dood ternederligt.”
Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld verlaten, verre zijn van zijn verleden.
Het was de laatste nacht, dat hij nog op 't land doorbracht.
Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen, toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert's gelaat. Een glimlach bewaakte zijn slaap.
“Hij heeft den sleutel tot 't geluk” dacht Ellert.
Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert's voorhoofd, ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in zijn bloed:
Figuur 8.Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weendeEr was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende
“Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ….”
Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt, en stiet het zich in 't hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.
Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het was een land van vloek en verdoemenis.Bladzijde 95
Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in wijden kring was geschaard.
Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij meer dan zij vermocht.
Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok, om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar innerlijk wezen, bestond?
Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede, besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.
“Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker,” zeide ze iederen dag, wanneer zij—vertrok.
Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den kring liet.
Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.
“Moord,” zoo fluisterde men.
Bladzijde 96De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel daarin terneer als een steen in bodemloos water.
Figuur 9.De moeder was naast haar jongen neergevallenDe moeder was naast haar jongen neergevallen
De moeder was naast haar jongen neergevallen
De moeder was naast haar jongen neergevallen
De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de roerlooze groep, moeder en kind.
“Wat is hier geschied?” zoo vroeg hij.
Er was een stem uit de menigte:
“De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet ver vandaan.”
't Volk morde:
“De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen.”
Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.
Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps stiet ze een snerpenden gil uit.
“Jean—mijn kind.”
Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.
“Hebben ze jou van me weggenomen?”
Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige steenen van den wand. Ze richtte zich iets op—het was alles steen—dat zij vond—klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht, begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.
“'t Kot!” riep ze in angst. “O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn kind dood … en ik in 't gevang!”
Bladzijde 97Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of een zegen?
De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij den schouder.
“Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten,” zoo bevalen zij.
Met moeite stond ze op. Strompelend ging ze naast haar geleiders. Toen ze in de verte den lindeboom zag, boog ze haar hoofd. Nu eerst kwam zij tot bewustzijn en wist, van welke misdaad zij werd beschuldigd.
Met stompen dreef men haar voor haar rechters, en ze weende.
Eens zaten daar de schepen, alle zeven,'t Is lang geleden, dat ik 't geschreven vondOm recht te spreken over dood en leven,Terwijl rondom vol vrees het volk stond.
“De schande,” weende ze.
“En niemand sprak voor haar, ze lag in tranen,Die arme ziel, verlaten en veracht.Maar toch … ze hoort haar innerlijk vermanenEen stem, die heimelijk vertrouwen bracht.
Ze wist het … God was met haar.
Het was een zomerdag, waarin de lucht gloeiend-blauw is, en de sterke kleuren scherp tegen elkander botsten (nergens in elkaar vervagende, gelijk in het vroege voorjaar of in den herfst) blauw en groen en rood, in hun diepste, felste nuanceering. Als een oneindige golving van paarsgeel, hier hoog, daar laag, lag het koren tegen de heuvelen, en zoo vol was de lucht van leeuwerikken-jubel en vinkenslag als slechts in den zomer.
De schout stond op, en zeide het verzwarende getuigenis. Voor het eerst hoorde ze den naam van haar geheimen vijand. Ze hief de handen in vertwijfeling. Hij wasBladzijde 98de voornaamste man van het dorp, en wie zou haar, een arme weduwe, gelooven?
Hij trad zelve naar voren, en herhaalde zijn verklaring. Hij had dan ook gezien—zoo zeide hij—hoe zij in den vroegen morgen met haar knaapje was gaan wandelen. Hij volgde hen beiden, want hij wist, dat zij gebrek leed, en bij een zoo slechte vrouw kon het plan bestaan, zich van haar kind te ontdoen. Bij den Jeker had de weduwe omgezien, en hij moest zich haastig achter een boom verbergen. Vervolgens had hij het snoode misdrijf aanschouwd, dat de vrouw het jongetje vastgreep, zijn keel omknelde, hem worgde en hem in de beek wierp.
Met ontzetting hoorde men deze aanklacht, en stil wachtten zij, de aanklager, de schout, de schepenen, het volk, op het antwoord der arme vrouw. Zij moest zeker bekennen, nu de voorname man haar misdrijf had gezien. Het was duidelijk—zij had den moord gepleegd; het waren de indrukken van haar vingers, welke om den hals lagen van den dooden knaap. Men droeg het lijkje op een baar naderbij. Ze zou alles bekennen—ze deinsde terug met een schrik, dien alleen moordenaars kennen. Niemand was haar welgezind. Zij zweeg—dat was 't grootste bewijs harer schuld. Dat ze op haar knieën zonk, dat ze haar handen legde op 't verstarde gelaat, was haar berouw. Ieder gevoelde echter, dat de dood den dood riep, en dat slechts één straf voor haar kon bestaan.
De oudste der schepenen wendde zijn gelaat naar haar toe.
“Wat hebt gij te zeggen?” zoo vroeg hij.
Nog antwoordde ze niet.
Dringender werd zijn verhoor.
“Wat hebt gij te zeggen! Of kunt gij niets antwoorden, daar gij schuldig zijt.”
Zij richtte zich iets uit haar gebogen houding en antwoordde dof:
“Ik ben onschuldig.”
Er was een klank in haar gepijnigde stem—de echo vanBladzijde 99haar eerlijk geweten—die even, even een teerder gevoel wekte bij de luisterenden. Toen echter de klank verklonken was, snerpte de stem van den schout door de stilte.
“Wilt gij dan zeggen, dat uw aanklager liegt? Wat zou hij voor redenen hebben? Hij een rijk man—gij een arme vrouw?”
“Ik ben onschuldig.”
Toornig riep de schout:
“Gij hebt mannen voor u, geen kinderen.”
De oudste der schepenen vroeg:
“Hebt ge anders niets te zeggen, dan dat ge onschuldig zijt?”
Zij zag hem glimlachende aan, want een stem had haar zacht toegefluisterd:
“Wees vertroost, moeder. Zoowaar de ziel van uw kind in den hemel is, zoo waar zal uw onschuld blijken.”
Daar niemand wist, wat haar glimlach beteekende, meende men, dat zij spotte. De oudste der schepenen noodigde den schout met een gebaar uit tot spreken. De aanklager ging achteruit en voegde zich bij het luisterende volk.
De schout sprak:
Schuldig was deze vrouw, des te schuldiger, daar zij haar misdrijf ontkende. Reeds van vroeger waren er kwade geruchten over haar, en thans, nu zij bij het lijk van haar kind stond, bleek het, hoe gegrond ze waren. Er kon slechts één meening zijn, dat zij haar kind had vermoord, en in den Jeker had geworpen.
Zou zij het uit armoede hebben gedaan?
Wie was er in Canne, die een noodlijdende hulp zou weigeren? Iedere deur zou voor haar geopend zijn, als ze voor haar en haar kind werk vroeg.
Twijfelde er iemand aan haar schuld?
Wat zou een mensch ter wereld eraan kunnen hebben, om een weduwe valsch te betichten? Er kon noch bij de schepenen noch bij het volk vermoeden zijn, dat een ander dan zij den moord had gepleegd.Bladzijde 100
Zoo min men in den zomer door de sneeuw kan wadenEn 't nacht kan wezen in den dageschijn …,Zoo min moogt gij gebruik en wet versmadenEn mag deez' vrouw thans vrijgesproken zijn.
Als 't sneeuwde in dezen heerlijken zonne-zomerdag—als de nacht onmiddellijk mocht volgen op dit verblindend licht—zou hij in de onschuld der vrouw gelooven.
Hij had uitgesproken.
Ineens drongen de wolken tezamen aan den blauwen hemel, en verduisterden alle licht.
't Was nacht in den dag. 't Was winter in den zomer.
De vogelen hielden op met zingen. Er was noch de geur van bloemen, noch van koren. Niemand zag zijn buurman. De hemel was duisternis, zoo dicht en dik, als hing er het zwaar gewicht van den nacht aan.
Doch eensklaps hervatte het licht zijn luister.
Het donker sloeg terug, zonder een valen sluier als in den morgen achter te laten. Gelijk een bliksemflits snijdt door den duister, doch dan dieper en breeder en hooger van ruimte, en langer van tijd, zóó hieuw ineens de glans van den dag den nacht uiteen. De vogelen zongen weder. De bloemen geurden weder. In gloeiend paarsgeel golfde het graan tegen de heuvelen.
Alleen de linde was veranderd. Op haar takken, op haar bladeren was sneeuw, en de groene stam was wit van sneeuw. Op den grond echter onder haar gloeide de zomer … insecten kropen af en aan, een rups gleed, een kever warmde zich in het zonnelicht. Grooter mirakel dan dit alles geschiedde nog. De sneeuw smolt niet. Temidden der uitbundige, woeste weelde van louter zomerkleuren was de linde wit, en de takken bogen onder hun zwaren last.
En ieder schrikte over wat gebeurde,Maar wacht! daar zag men nog een wonder meer,Toen kort daarop de zon weer alles kleurdeToen was de boom in sneeuw, gelijk bij winterweer.
Ontroerd las de oudste der schepenen het vrijsprekend vonnis. Doch men zocht den aanklager en vond hem niet.
Moge hij zijn loon hebben ontvangen!Bladzijde 101
Het was in den jare veertien honderd negen en dertig, dat er Groote Sterfte over de menschheid kwam, en de taak van den Dood niet wilde eindigen. Zwart waren Zijn knokels. Op een zwart paard reed Hij, zwart waren de toomen, zwart het zadel, zwart 't ijzer van de zeis, waarmede Hij sloeg. Men noemde Hem den Zwarten Dood.
Waar was Hij niet geweest?
Uit het Oosten was Hij gekomen, over de Hongaarsche landen tot Weenen, waar Hij langen tijd had vertoefd. Verder was Hij gegaan, als een onverwinbaar held. Weeklachten waren er aan alle kanten. Hij reed stapvoets langs de wereld, maaiende, alwaar het leven had gezaaid. Lees de oude kronieken over Hem. Bij honderdtallen verzamelden zich de menschen, mannen en vrouwen, om Hem te vermurwen: gezamenlijk vereenden ze zich ten gebed, ze geeselden zich en elkander. Doch de Zwarte Dood zag en hoorde niet naar hen, want Hij was gekomen, om te verderven, en het Noodlot bestuurde Zijn onstuitbaren tocht.
Ook in het dorpje Ruurloo was Hij binnengereden, en sinds dien week Hij niet meer. Eenige dagen voor zijn komst hadden pelgrims uit het Heilige Land bij de bron overnacht, ze waren bij het eerste zonnelicht weder verdwenen. De meisjes uit 't gehucht waren den uchtend naar de bron getrokken, en hadden de kruiken vol met water geschept, gelijk 't hare gewoonte was. En daarna werd ieder, die van het water had gedronken, ziek: de Zwarte Dood boog zich over het krommend lijf, onbewogen sloeg Hij toe. De pijn bleef in houding en gelaat van den geslagene.
Figuur 10.… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen
… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen
… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen
Niet alleen, dat hij, die water dronk uit deze bron, werd gedood, doch alle bronnen, behalve die van het kasteel, waren door den vloek getroffen. Toen zeide men, dat de Joden het water hadden vergiftigd. En de Joden vluchtten uit Ruurloo, met achterlating van have en goed, ze liepenBladzijde 102tot waar de Zwarte Dood nog niet genaderd was. Alleen de oude Abraham en zijn schoone dochter Mirjam bleven in het dorp. Want Abraham was te oud, om te gaan en Mirjam was te schoon, om niet door den ridder van Ruurloo te worden beschermd.
De Zwarte Dood reed op Zijn zwart paard. Bijna geen huis, op eenigen afstand van het slot, of Hij was er de gast, die roofde en moordde.
Toen kwamen zij, die gespaard waren tezamen, en ze riepen dat men Abraham en Mirjam zou dooden. Want de joden hadden de bronnen vergiftigd, en vergelding vroegen ze om het vreeselijk misdrijf, waaraan zich de beiden hadden schuldig gemaakt.
De jonge ridder in het zwaar-beschut kasteel lachte achter zijn muren. Des avonds, als Mirjam bij hem kwam, stelde zijn lach haar gerust. Den dag daarna echter, wanneer de dorpelingen haar dreigend voorbijgingen, vloeken en scheldwoorden verborgen in hun ziel, was 't haar, of geen macht ter wereld haar zou kunnen redden. En ze smeekte den ridder van Ruurloo haar en haar vader onderdak te geven achter de poorten van het slot. Want van haar vader wilde ze niet scheiden.
“Mirjam!” lachte de jonge ridder lichtzinnig, “kom met je vader, den ouden Jood, bij me wonen. Zijn gezicht alleen is wel in staat, om de bron te vergiftigen, maar zoolang jij bij me bent, vrees ik dit gevaar niet.”
De Zwarte Dood reed langs 't zonnig riviertje de Berkel, en de Groote Sterfte hield aan. Hij kwam in 't stedeke Borkuloo, Zijn paard zag men in Lochem en Zutphen, en het spoor van den hoef langs de wegen van den IJsel. T'elken avond was hij weder in Ruurloo, en men ontdekte Hem, den stillen, eenzamen ruiter, bij de brug van het kasteel, zijn handen tot vuisten ballend, om de grens, die Hem werd gesteld. De ridder lachte, sloot Mirjam in zijn armen en kuste haar den rooden mond.
Bladzijde 103Toen geviel het, dat de moeder des ridders hem berispte om de Jodendeerne, die hij in zijn slot woonplaats verstrekt had. Ze zeide hem, dat hij moest huwen met een eerbaar en adellijk meisje; ze zeide hem, dat hij Abraham en Mirjam moest dooden.
Daar Mirjam hare woorden had gehoord, dreigde zij hem, toen ze weder tezamen waren:
“Ridder van Ruurloo! ik weet het lot der vrouwen, zooals ik er een ben, gelijk ik het lot der bloesemen weet. Daarom zal ik me niet wreken, als gij mij verstoot. Doch bij den eeuwigen God! als ge mijn ouden vader met uwe hand aanvat, zijn uwe dagen geteld.”
Hij lachte, en antwoordde niet.
Vijf dagen hadden hun taak volbracht, en de zesde was gekomen. Over Mirjam's woorden had de ridder niet nagedacht; de andere woorden, die zijn moeder had gesproken, drongen ze gemakkelijk weg. In zijn geweten was noch een goede, noch een kwade stem, gelijk alle stemmen zwijgen binnen het geweten van den lichtzinnige. Hij dacht niet na over de toekomst. Zooals het lot kwam, geschiedde het voor hem.
Hij zag Machteld, en zijn moeder vroeg hem, of hij niet wist, dat zij de rijkste en schoonste was van Brabants jonkvrouwen. En ziet! haar rijkdom bekoorde hem. Te mogen rossen en brassen, iederen dag weder, uit de eeuwige schat. Hij stelde het zich al voor, zonder gedachte, met zinnelijken blik, hoe hij de fraaist-gekleede ridder zijn zou ver in den contrije, en hoe hij Mirjam zou blijven bekoren.
Zijn moeder echter waakte meer over zijn zieleheil dan hij-zelf. Hier was 't de klank van haar stem, daar was het een gebaar—hier was het een zwijgen, daar was het een woord, zooals vrouwen het slechts weten te zeggen.
Stug wachtte Machteld een dag den jongen, lichtzinnigen minnaar.
“Waarom leven de Jood en de Jodin op het kasteel?”Bladzijde 104waren haar booze woorden. “Vang ze en doe ze levend verbranden. Ik zal uw vrouw niet worden, als ge aan dit bevel niet gehoorzaamt.”
Hij bezag haar even, en haalde zijn schouders op.
“Het zal gebeuren,” zeide hij onverschillig.
Maar toen zijn mannen kwamen, om de beiden te grijpen, vonden ze er slechts één: den ouden Abraham. Ze sleepten hem over den hof, en wierpen hem in het kot. Dienzelfden avond bracht men hem reeds ter dood.
En de Zwarte Dood had Ruurloo verlaten. Niet meer werd Hij bij het kasteel gezien, tot den nacht voor de bruiloft. Hoog zat Hij op Zijn roerloos ros, en zwarter waren Hij en Zijn dier dan de nacht om hen. Hij balde Zijn handen niet tot vuisten. Zijn sikkel hing over Zijn schouder.
Toen de wachter den hoorn stiet, deed Hij zijn paard langzaam wenden. Men kon zeggen, dat Hij een droom geweest was, want er waren nu geen sporen op den weg, en in den luisterrijken morgen ontdekte men niets meer van Hem.
Onbekommerd waren de bruid en de bruidegom. Waarom zouden ze vreezen? Jong en rijk en schoon waren ze beiden. 't Leven was een gloed voor hen, en terwijl ze in de zaal stonden, scheen het, of ze gewarmd werden door het zonnelicht. Ze glimlachten van gedachteloos geluk. Zou de dag van morgen niet even wonderlijk zijn als deze dag?
Een dienaar naderde den jongen, blonden ridder, en fluisterde.
Buiten wachtte een heidin, die kon waarzeggen.
Waarom zou ze niet binnen treden, en hun het geluk voorspellen? Was de groote wereld niet van hen? Als ze de waarheid zeide, zou ze goud verdienen. Ook de moeder glimlachte, de gasten glimlachten.
Duister trad een gesluierde vrouw binnen het zonnelicht van hun aller verwachting.
Bladzijde 105“Wie eerst?” vroeg ze heesch.
“De bruid,” riep de bruidegom.
Ze naderde, en zag haar hand. Zonder ze aan te raken.
“Maagd en vrouw. Gehuwd en weduwe. Het klooster en het graf,” zeide ze zachtjes.
“Ge liegt,” schreeuwde de bruidegom.
Het zonnelicht was uit de zaal geweken. Alles was in valen schemer verborgen. Onbewegelijk stonden de gasten, wachtend op meer.
De heidinne richtte zich recht uit haar gebogenheid. Terug den sluier.
“Mirjam.”
“Mirjam,” echode haar stem. Ze naderde den ridder, en zag hem aan. Ze sloeg haar armen om hem heen, zóó sterk, dat zijn krachtige arm weerloos werd. En allen om hem heen stonden stil, wachtten.
“Mijn vader is dood,” klaagde ze.
“Haal haar van me af,” wilde hij roepen. Doch reeds was haar mond den zijnen genaderd. Ze kuste hem wild.
De schemer week uit de zaal. Het was duisternis. De Zwarte Dood stond aan de deur, en Zijn schaduw strekte zich uit over de dingen en levens. Toen hoorde men Mirjam's stem, in jubeling:
“Ik heb mijn vader gewroken. Ridder van Ruurloo! mijn kussen waren vergiftig. Ik ben aangetast door den Zwarten Dood—en ook gij—zult sterven—als ik—”
Ze zonk voor hem neer, zijn knieën omklemmend. Met haar laatste leven hield ze hem vast—Even nog snikte ze ….
Toen was het stil.
En allen vloden ze van den ridder van Ruurloo, niemand riep hem een vaarwel toe, noch de gasten, noch zijn moeder, noch zijn jonge, schoone bruid.
In eenzaamheid is hij gestorven.Bladzijde 106
Niet rijdend op een zwart ros verscheen de Dood in de streek van den Enscheder Esch, maar sluipend als een klein wolkje, dat in een huis bleef, tot allen waren gestorven, de ouden en de jongen. Genadeloozer dan een krijgsman was deze damp, zoo smal en ijl.
“'n Blauw dämpken vleug der van duur tot duur,En woar dat blauwe dämpken kwam,Doar störf an den heerd de heldre vlam,Doar störf de boer, de vrouw, het keendEt hoes verwöj duur weer en weend.”
Het koren stond in den zomer op het veld. Waar was de hand, die het maaien kon? Het vee wachtte droomend op de weide bij de beek, gelijk alle dagen. Het sappige gras was gegeten, en het werd melktijd. De koeien snoven in de lucht, één bromde zacht, één loeide. Waar bleven de vroolijke meiden? Met langzame passen volgden de beesten elkander, telkens stilstaand, telkens snuivend, klaar blij te groeten, als de melksters naderden. De koeien waren het zoo gewoon geweest, en ze wisten zeker, dat de meiden moesten komen. Maar niemand kwam, op dezen dag. De arme dieren brulden van smart; ze riepen vele malen om barmhartigheid, maar meedoogenloos schoof de schemer over de weiden, en het duister stond aan den horizon al gereed, een hooge, zwarte ridder, wiens lange schaduw over de aarde kroop, den schemer achterna. Geen licht bleef voor den nacht gespaard.
Stil! daar kwamen de wolven naar het Aamsveen geslopen, wolf na wolf. Hadden ze het kleine witte wolkje gezien, dat langs vele hoeven ging, en dat de menschen doodde?
Dit was een tijd voor de wolven, nu de menschen leden. De nacht omsloot hun gedaanten, en dus naderden ze het land, om er heer en meester te worden voor langen tijd.
In den zomer en in den herfst bleven ze nog een eind verwijderd van de huizen, waar hun machtigste vijandenBladzijde 107woonden, die hen uit de verte konden treffen met tandenscherpe, zonne-blinkende wapenen. Maar iets in hun bloed zeide hun, dat ze geduld moesten oefenen, en geduld kenden ze. Ze lieten zich verjagen, doch iederen dag drongen ze enkele Meters verder op dan ze vier en twintig uur geleden hadden gedurfd.
Wat de mensch was voor den wolf, was 't kleine wolkje voor den mensch, een vijand, die den dood in zijn aderen droeg.
De winter kwam, grimmig van koude. Waarom hadden de menschen geen hout gesprokkeld, om den haard te doen vlammen? Goed is het te zitten dichtbij de warmte-streefende vlam, als buiten de stormen rossen en rijden in joelende jacht. De hitte dringt tot diep in 't gebeente, en er is rossig, vertroostend licht over vloer en zolder. Zwijgen en spreken bij den brandenden haard heeft elk zijn bijzonder geluk: wie zwijgt, leert dan vele geheimen des levens, en wie spreekt, gevoelt een blij vertrouwen in de goedheid zijner vrienden.
Het verhaal zegt, dat er in dien winter nog slechts drie haarden brandden in alle de hoeven der streek. Toen naderden de wolven, niet meer stap voor stap. Ze drongen binnen in de dorpen der menschen, en in de stallen en huizen zochten ze hun woning.
“Et was in de tied van de zwatte dood,Op den Enscheder Esch was bittere nood,Op dree hofsteên alleen an den heerd glom vuur.”
En zij, die nog aan den brandenden haard zaten, waren bang voor het witte wolkje, dat zoovelen reeds had vernietigd. Ze durfden niet uit te gaan, want als ze de deur openden, kon het witte wolkje wel eens binnen glijden. Ze luisterden naar 't gehuil der wolven, en alleen de Lappe was onvervaard. De Lappe ging langs de wegen, als was er niets te koop en hij speurde naar 't witte wolkje, want hij wilde het vangen. Zoo het gevangen was, zou wederBladzijde 108het geluk kunnen keeren in den Enscheder Esch en de heerschappij der wolven ware uit.
Doch het witte wolkje was vlugger dan de Lappe. Het was niet zoo gemakkelijk te grijpen, al loerde de boer erop, gelijk een koddebeier op een strooper. De Lappe wist echter, dat zijn dag zou komen, en dat hij het witte wolkje zou bemachtigen.
Wat moest de lente voor bruiloftsfeest houden, na zulk een winter?
“Met al wat leven har, was et edaon.”
Welk een tijd! Het gras op de velden woekerde verder, het groeide op het erf der hoeven, tot voor de deuren, die uit haar hengsels hingen, en het mos bedekte dicht vloer en dak. Waren dit ooit menschenwoningen geweest? Uit de stal eener boerderij sprong een wolf, en, o schrik! in de bedstede van Hölterhof jankten de wolvenwelpen. De wolvin stond aan de deur, ze was de wachteres der rijke hoeve.
De Lappe mocht niet slapen in deze vreeselijke dagen. Luister:
Een menschenkind kwam er na jaar en dag,Nieuwsgierig, hoe de Hof er zoo lagZoo stil en verlaten 't huis en de stal,Hij gaat eens naar binnen. Hij staat eral,Daar! Schrik slaat hem om 't hart, ontroerd;In de bedstee iets zachtkens roert.Leeft hier nog iets, al is 't niet veel?Daar springt hem voorbij en loopt naar de deel,De wolvin, de wolvin in wilde drafIn de bedstee wierp ze de welpen af.
In dezen hoogen nood zal de Lappe wel niet veel geslapen hebben, minder dan anders, en dat wil wat zeggen, want zij die op de Lappe wonen, gebruiken in gewone tijden hun oogen terdege, des daags en des nachts.1De Lappe moest op het witte wolkje letten, en wie weet, ofBladzijde 109het niet angstig was, om den Lappe te ontmoeten: die zat al genoeg vol streken, en duizend zwarte Dooden had hij kunnen bewaren, zonder dat ze ooit konden ontsnappen.
“Hoe krijg ik hem?” dacht de Lappe.
“Hoe kom ik bij hem, zonder dat hij 't merkt?” dacht 't kleine, witte wolkje. Want, let wel, het wilde niet in gevangenschap komen, ja, het wilde nog lang in vrijheid sluipen, heel behoedzaam, om te dooden. Daarvoor was het witte wolkje geschapen.
Eens ging het te middernacht uit, en men kon het niet onderscheiden van den nevel, die over het veld was. Het wachtte geduldig in het starre maanlicht, en het vloeide nu eens laag, dan weer hoog langzaam op zijn eene doel af: 't huis van den Lappe. Het was eerst in den morgen, dat het stil in een greppel wachtte. De morgenschemering dekte het even, maar toen dacht 't kleine witte wolkje:
“Nog is het licht schuw en schemerend overal. Dit is 't uur voor mij.”
Doch de Lappe had het wel gezien, zooals iedereen wel begrijpt. Al te middernacht was hij naar buiten getreden, en in de duisternis had hij het witte wolkje wel bespeurd en al de gangen van het witte wolkje had hij gevolgd, peinzend:
“Dat komt op den Lappe af, voor den wis en drie en waarachtig! Regelrecht op mij, maar 't zal je misloopen, mijn jong.
En nadat in den morgen 't wolkje zich had verheven, om zijn hoeve binnen te gluipen, bleek het, dat niet alleen de Lappe, maar ook 't vee 't dreigend gevaar had gezien of gevoeld. Want de stomme dieren loeiden en blaatten en knorden en snoven, omdat ze wel wisten, wat het witte wolkje te bedieden had. De Lappe echter stond roerloos, of hem de heele zaak niet aanging, zijn tijd beidend.
Nu was het witte wolkje al dicht bij de hoeve, en let thans eens op. In de benedendeur der boerderijen in deze streek is een rechte paal, welke de “stipel” wordt genaamd.Bladzijde 110't Witte wolkje wist wel, dat 't voorzichtig moest zijn, en 't kroop gauw in een gat van den stipel.
Met enkele sprongen was de Lappe er al bij. Hij nam een pin, en met een forschen houw sloeg hij deze in het gat van den stipel. Het witte wolkje was gevangen, het kon niet meer naar buiten komen, en het zou me niet verwonderen, wanneer 't er nog zat. De Lappe immers was in alle ambachten thuis, en waar die een pin in den stipel slaat, daar is 't raak ook.
Dus zijn de wolven uit deze streek weder geweken, gelijk ze zijn gekomen. Uit Schouwink vluchtten ze het vrije veld in, een geheel nest van wolven, uit Groot Huntveld, uit het Lutje Holzik, uit den wijd-vermaarden Hölterhof, waarvan niets is overgebleven dan een droom en een sage. De menschen keerden weder, en menige krachtige handdruk had de slimme Lappe in dezen tijd te verduren.
Zoo ge nu gaat naar het Aamsveen, zal men u nog de plek wijzen, waar de Hölterhof heeft gestaan, en een kuil in den grond, dien men nog altijd de “wolfkuil” noemt, ter herinnering aan de dagen, dat door een klein, wit wolkje de menschen werden verslagen en de wolven gelokt.
“Maar zie, in den stipel, daar was een gatIn den stipel, die in de benedendeur zat,Daar kroop 't wolkje zachtjes in,De Lappe zag 't en met een houten pinSloeg hij 't wolkje in het kleine gat,Tot de Zwarte Dood gevangen zat.”