Chapter 12

Pinksterblome,fûle sûge (Sau)!harstu êr uppestaun,harr et di kîn leid edaun.Van daar ook de benamingenPfingstlümmel, Pfingstschläfer, Wasservogel(dewijl men hem in het water werpt) enz.Zeer nauw hiermee verwant is het Drentschenustekook-gebruik. “Nustkoek” hangt met “nusselen”, d.i. talmen, samen.Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling vanDr. Bergsmain den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor dag en dauw met de koeien naar de weiden.Die ʼt laatst met zijn koeien “op den diek” verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die naar de verschillende weiden voert, heetnustekook. Zijn terugkomst wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het gebruik afgeschaft.—Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt denustekookgeslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, wordt alsPinksterbroedhet middelpunt van den optocht. Waar eenPinksterbroedis, is ook eenbroedsleider. Te Gees heet hij broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de weide binnentreedt. Die koe is dan ʼt voorwerp van het feest der kinderen, ʼs Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich de stad binnen, al zingende:Pinksterbloed (of Pinksterbroed)Oranjezoet,Hoe zit je zoo diep in de veeren?Had jewat eerder opgestaan,Dan had je geen nood gekregen.In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en bekroond wordt:Pingstkaue, Pingstosse. Vandaar het spreekwoord: “opgedirkt als een pingstos.” Men vergelijke met bovenstaand rijmpje het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van dennustkoekof langslaper:Nustkoek, nustkoek,Zits dou zoo diep in de vaerren,Kanst het geroup niet heurren,Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heetvroegrijp, het tweededauwworm, het derdemidden-in-de-ton.En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn overeenkomst.Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school komt,Sinksenbruidnoemt en dat haar wordt toegezongen:Sinksenbruid,De loegaard uit!Hadt jeeerder opgestaan,Gij hadt ook eerder naar school gegaan!Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem zingende. Ik sprak reedsbl. 194over de overeenkomst met de gebruiken op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint Thomasdag papieren kronen op te zetten.—Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, leest men: “Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis brengen. De hoogstgeschatte zijn de ““Cinxebruids”” (beuterblomme,butterflower, jaunet). ʼs Avonds, met moedershulpe, maken de kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe “Cinxenbruids.” Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd hierbij gezongen:Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.Alles geld is alles goed;Kies, wie gij wilt,En de schoonste, die gij vindt; enz.Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, II: Liefde en Huwelijk.Tweede Pinksterdagis ten deele reeds besproken. Te Anderlecht (Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men vergelijke dit gebruik metSunte Steffenjagen(bl. 134). In Duitschland spreekt men van den meirit,das Maireiten,hetwelkMannhardtbehandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, d.i. dePfingstlmet zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij hetKönigsreitenin Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden ter afwering van onweêr en hagelslag.Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, een aloud gebruik, dat den naam vanPinxtergildenvoor sommige schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reedsbl. 192gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen,evenals de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woordgilde(vgl.geld), Middelnederl.ghilde,met het Oudnoorschegildisamen, dat de beteekenissen van “inleg” en “gelag” in zich vereenigt; zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIeeeuw de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en België.Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen zieTer Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; Volkskunde XVII, bl. 121; over de PinkstervieringJ. H. Maronier, Het Pinksterfeest (Arnhem 1894),passim;De Cock, Volkskunde, bl. 247;Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld,Das Festliche Jahr, bl. 191;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.Sint Jan de Dooper(24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen waarnemen. Zoo schrijft de H.Augustinus(Sermo289): “Opdatde mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien.” Zoo werd dan ook b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl.bl. 192), aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van ʼs Heeren doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote tooverkracht. Maar vooral deSint Janstakpleit voor de overeenkomst tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid (sedum purpureum), ookJaag den duivelgenoemd, heeft het vermogen, booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- en rozentwijgen versierd.Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.—Vóor Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.—Regent het na Sint Jan, dankort(korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren,survivalsvan het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen (O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:Hout, hout, timmerhout,Wij komen om Sint Janshout;Geeft een beetjen en houdt een beetjen,Tot op Sint Peetersavond.Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: “op Sint Jans manieren”,bl. 111.De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:Petrus en Paulusdag(29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:Sinte Peeter, komt alhier,In ons ronde van plezier.Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, bl. 10.Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:Sinte Pieter mee zijn bloote armen,Die zou hem gêren komen warmen.Men vergelijke het Sint Maartenslied,bl. 109.In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik van denrozenhoed. Het is een meigebruik, dat wijbl. 200te Zutfen en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat gespannen koord op. ʼs Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; zoo b.v. te Lokeren:Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen (bis)Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:St. Pieter is onze Patroon!Wij zullen hem gaan vieren;Wij maken hem een kroon,Te midden van onzʼ plezieren!Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la, troe la la!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la sa sa.Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren geworpen; vgl.bl. 202en de steeds fundamentale behandeling van het Sint Jansvuur bijGrimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:Stokvier, maakt stokvier!Sinte Pieter is alhier,Om zijn bloote armenNog wat te warmen; enz.Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe (W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met depauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie te Rumpst.Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),ook de “Warme Marten” genoemd, draagt in West-Vlaanderen den naam vanSchuddekorfdag, ofschoon van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.Maria Hemelvaart (15 Aug.), ook genoemdMaria-Kruidwisch,ofO.L. Vrouw Kruidwijn(=wijding), wordt vooral in Limburg gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde bloemen dienen—ongeveer als de palm—als behoedmiddel tegen onweßr, ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van denhuiszegenverbrand.Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch verband met “donder”?) bij zonsopgang met de hand geplukt worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk karakter.—De zomermaanden zijn ook het tijdperk derbedevaartenof processies naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel (kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie te Hasselt (Virga Jesse) te worden vermeld.De straten der plaats, waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert “het zwart” uit de tarwe.Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te Venloo, dat de bramen rijpen, “als de processie naar Kevelaer gaat”, en dat “als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje aan het spinnewiel blijft”. Zijn de straten doodsch en verlaten, dan “lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is”; enz.Te Blitterswijk zingt men:Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,Wen er mar gene grune wolf zaat,Joa, joa, do zit er ene,Nie der zit er gene.Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap onder feestelijk beiaardspel. ZieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.;De Cock, Volkskunde, bl. 253;V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.Maria-Geboorte(8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest op 15 Aug. de “Kleine Lieve Vrouw” genoemd. In sommige streken van Vlaanderen was het bekend onder den naam vanzwaluwen-afscheidsdag.In den avond van den 7denSeptember liet men in zekere Westvlaamsche dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in een arme vrouw verkleed, eens een voermante drinken en reikte hem, om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte “tikken” en drinken uit zulke bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:Aan Ons Lieve Vrouwen geboortGaan de lieve zwaluwen voort.Michielsdag(29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamschevollerte, een bijzonder soort wittebrood, dat men ʼs nachts ter sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag deMichaëls-minne,zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend is ook deSint Michielszomer, waarop wel betrekking heeft het Vlaamsche paailiedje:Draaie, draaie, wielke,tʼ Avond komt Machielke,Komt Machielke tʼ avond niet,Hij en komt van gʼheel de weke niet.En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:Sinte-MichielDraait zijn wielMee zijnen blooten erremen.De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook nog uit de DrentscheSint Michielsjacht.Allerheiligen(1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,ook wel door het volk “Oudewijven-zomer” genoemd.—Reeds in den namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, immers het is de vooravond vanAllerzielen(2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het geloof aan de “gemeenschap der heiligen”, terwijl ook de min of meer animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt men thans nog van denzielewagen, en rond Scherpenheuvel heet het: “dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden”. Op meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de “geloovige zielen” gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd de 2deNovember aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het eerst doorOdilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschopNotkerhet in het begin der XIeeeuw invoerde. ZieH. Kellner, Heortologie³ (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt menzielebroodjesofzieltjeskoeken, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men ʼs nachts “voor de arme zielen” staan; hieruit spreekt duidelijk de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: “hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost.” Ik herinnerhier aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden der spijzen “voor de arme zielen”, iets in het vuur wordt geworpen, terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat staan met de woorden: “Das gehört den armen Seelen.” Vgl.De Cock, Volkskunde XIV, bl. 140; H.Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, opSint Hubertusdag(3 Nov.) zoogenaamdeHubertusbroodjeste laten wijden, zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was de H.Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,Zonder stok of zonder staf;Kwaden hond, sta stille:Het is Sint-Huibrechts wille.

Pinksterblome,fûle sûge (Sau)!harstu êr uppestaun,harr et di kîn leid edaun.Van daar ook de benamingenPfingstlümmel, Pfingstschläfer, Wasservogel(dewijl men hem in het water werpt) enz.Zeer nauw hiermee verwant is het Drentschenustekook-gebruik. “Nustkoek” hangt met “nusselen”, d.i. talmen, samen.Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling vanDr. Bergsmain den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor dag en dauw met de koeien naar de weiden.Die ʼt laatst met zijn koeien “op den diek” verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die naar de verschillende weiden voert, heetnustekook. Zijn terugkomst wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het gebruik afgeschaft.—Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt denustekookgeslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, wordt alsPinksterbroedhet middelpunt van den optocht. Waar eenPinksterbroedis, is ook eenbroedsleider. Te Gees heet hij broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de weide binnentreedt. Die koe is dan ʼt voorwerp van het feest der kinderen, ʼs Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich de stad binnen, al zingende:Pinksterbloed (of Pinksterbroed)Oranjezoet,Hoe zit je zoo diep in de veeren?Had jewat eerder opgestaan,Dan had je geen nood gekregen.In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en bekroond wordt:Pingstkaue, Pingstosse. Vandaar het spreekwoord: “opgedirkt als een pingstos.” Men vergelijke met bovenstaand rijmpje het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van dennustkoekof langslaper:Nustkoek, nustkoek,Zits dou zoo diep in de vaerren,Kanst het geroup niet heurren,Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heetvroegrijp, het tweededauwworm, het derdemidden-in-de-ton.En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn overeenkomst.Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school komt,Sinksenbruidnoemt en dat haar wordt toegezongen:Sinksenbruid,De loegaard uit!Hadt jeeerder opgestaan,Gij hadt ook eerder naar school gegaan!Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem zingende. Ik sprak reedsbl. 194over de overeenkomst met de gebruiken op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint Thomasdag papieren kronen op te zetten.—Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, leest men: “Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis brengen. De hoogstgeschatte zijn de ““Cinxebruids”” (beuterblomme,butterflower, jaunet). ʼs Avonds, met moedershulpe, maken de kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe “Cinxenbruids.” Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd hierbij gezongen:Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.Alles geld is alles goed;Kies, wie gij wilt,En de schoonste, die gij vindt; enz.Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, II: Liefde en Huwelijk.Tweede Pinksterdagis ten deele reeds besproken. Te Anderlecht (Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men vergelijke dit gebruik metSunte Steffenjagen(bl. 134). In Duitschland spreekt men van den meirit,das Maireiten,hetwelkMannhardtbehandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, d.i. dePfingstlmet zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij hetKönigsreitenin Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden ter afwering van onweêr en hagelslag.Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, een aloud gebruik, dat den naam vanPinxtergildenvoor sommige schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reedsbl. 192gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen,evenals de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woordgilde(vgl.geld), Middelnederl.ghilde,met het Oudnoorschegildisamen, dat de beteekenissen van “inleg” en “gelag” in zich vereenigt; zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIeeeuw de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en België.Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen zieTer Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; Volkskunde XVII, bl. 121; over de PinkstervieringJ. H. Maronier, Het Pinksterfeest (Arnhem 1894),passim;De Cock, Volkskunde, bl. 247;Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld,Das Festliche Jahr, bl. 191;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.Sint Jan de Dooper(24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen waarnemen. Zoo schrijft de H.Augustinus(Sermo289): “Opdatde mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien.” Zoo werd dan ook b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl.bl. 192), aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van ʼs Heeren doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote tooverkracht. Maar vooral deSint Janstakpleit voor de overeenkomst tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid (sedum purpureum), ookJaag den duivelgenoemd, heeft het vermogen, booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- en rozentwijgen versierd.Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.—Vóor Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.—Regent het na Sint Jan, dankort(korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren,survivalsvan het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen (O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:Hout, hout, timmerhout,Wij komen om Sint Janshout;Geeft een beetjen en houdt een beetjen,Tot op Sint Peetersavond.Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: “op Sint Jans manieren”,bl. 111.De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:Petrus en Paulusdag(29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:Sinte Peeter, komt alhier,In ons ronde van plezier.Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, bl. 10.Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:Sinte Pieter mee zijn bloote armen,Die zou hem gêren komen warmen.Men vergelijke het Sint Maartenslied,bl. 109.In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik van denrozenhoed. Het is een meigebruik, dat wijbl. 200te Zutfen en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat gespannen koord op. ʼs Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; zoo b.v. te Lokeren:Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen (bis)Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:St. Pieter is onze Patroon!Wij zullen hem gaan vieren;Wij maken hem een kroon,Te midden van onzʼ plezieren!Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la, troe la la!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la sa sa.Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren geworpen; vgl.bl. 202en de steeds fundamentale behandeling van het Sint Jansvuur bijGrimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:Stokvier, maakt stokvier!Sinte Pieter is alhier,Om zijn bloote armenNog wat te warmen; enz.Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe (W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met depauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie te Rumpst.Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),ook de “Warme Marten” genoemd, draagt in West-Vlaanderen den naam vanSchuddekorfdag, ofschoon van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.Maria Hemelvaart (15 Aug.), ook genoemdMaria-Kruidwisch,ofO.L. Vrouw Kruidwijn(=wijding), wordt vooral in Limburg gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde bloemen dienen—ongeveer als de palm—als behoedmiddel tegen onweßr, ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van denhuiszegenverbrand.Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch verband met “donder”?) bij zonsopgang met de hand geplukt worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk karakter.—De zomermaanden zijn ook het tijdperk derbedevaartenof processies naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel (kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie te Hasselt (Virga Jesse) te worden vermeld.De straten der plaats, waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert “het zwart” uit de tarwe.Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te Venloo, dat de bramen rijpen, “als de processie naar Kevelaer gaat”, en dat “als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje aan het spinnewiel blijft”. Zijn de straten doodsch en verlaten, dan “lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is”; enz.Te Blitterswijk zingt men:Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,Wen er mar gene grune wolf zaat,Joa, joa, do zit er ene,Nie der zit er gene.Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap onder feestelijk beiaardspel. ZieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.;De Cock, Volkskunde, bl. 253;V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.Maria-Geboorte(8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest op 15 Aug. de “Kleine Lieve Vrouw” genoemd. In sommige streken van Vlaanderen was het bekend onder den naam vanzwaluwen-afscheidsdag.In den avond van den 7denSeptember liet men in zekere Westvlaamsche dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in een arme vrouw verkleed, eens een voermante drinken en reikte hem, om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte “tikken” en drinken uit zulke bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:Aan Ons Lieve Vrouwen geboortGaan de lieve zwaluwen voort.Michielsdag(29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamschevollerte, een bijzonder soort wittebrood, dat men ʼs nachts ter sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag deMichaëls-minne,zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend is ook deSint Michielszomer, waarop wel betrekking heeft het Vlaamsche paailiedje:Draaie, draaie, wielke,tʼ Avond komt Machielke,Komt Machielke tʼ avond niet,Hij en komt van gʼheel de weke niet.En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:Sinte-MichielDraait zijn wielMee zijnen blooten erremen.De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook nog uit de DrentscheSint Michielsjacht.Allerheiligen(1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,ook wel door het volk “Oudewijven-zomer” genoemd.—Reeds in den namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, immers het is de vooravond vanAllerzielen(2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het geloof aan de “gemeenschap der heiligen”, terwijl ook de min of meer animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt men thans nog van denzielewagen, en rond Scherpenheuvel heet het: “dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden”. Op meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de “geloovige zielen” gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd de 2deNovember aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het eerst doorOdilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschopNotkerhet in het begin der XIeeeuw invoerde. ZieH. Kellner, Heortologie³ (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt menzielebroodjesofzieltjeskoeken, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men ʼs nachts “voor de arme zielen” staan; hieruit spreekt duidelijk de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: “hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost.” Ik herinnerhier aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden der spijzen “voor de arme zielen”, iets in het vuur wordt geworpen, terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat staan met de woorden: “Das gehört den armen Seelen.” Vgl.De Cock, Volkskunde XIV, bl. 140; H.Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, opSint Hubertusdag(3 Nov.) zoogenaamdeHubertusbroodjeste laten wijden, zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was de H.Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,Zonder stok of zonder staf;Kwaden hond, sta stille:Het is Sint-Huibrechts wille.

Pinksterblome,fûle sûge (Sau)!harstu êr uppestaun,harr et di kîn leid edaun.Van daar ook de benamingenPfingstlümmel, Pfingstschläfer, Wasservogel(dewijl men hem in het water werpt) enz.Zeer nauw hiermee verwant is het Drentschenustekook-gebruik. “Nustkoek” hangt met “nusselen”, d.i. talmen, samen.Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling vanDr. Bergsmain den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor dag en dauw met de koeien naar de weiden.Die ʼt laatst met zijn koeien “op den diek” verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die naar de verschillende weiden voert, heetnustekook. Zijn terugkomst wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het gebruik afgeschaft.—Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt denustekookgeslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, wordt alsPinksterbroedhet middelpunt van den optocht. Waar eenPinksterbroedis, is ook eenbroedsleider. Te Gees heet hij broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de weide binnentreedt. Die koe is dan ʼt voorwerp van het feest der kinderen, ʼs Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich de stad binnen, al zingende:Pinksterbloed (of Pinksterbroed)Oranjezoet,Hoe zit je zoo diep in de veeren?Had jewat eerder opgestaan,Dan had je geen nood gekregen.In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en bekroond wordt:Pingstkaue, Pingstosse. Vandaar het spreekwoord: “opgedirkt als een pingstos.” Men vergelijke met bovenstaand rijmpje het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van dennustkoekof langslaper:Nustkoek, nustkoek,Zits dou zoo diep in de vaerren,Kanst het geroup niet heurren,Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heetvroegrijp, het tweededauwworm, het derdemidden-in-de-ton.En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn overeenkomst.Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school komt,Sinksenbruidnoemt en dat haar wordt toegezongen:Sinksenbruid,De loegaard uit!Hadt jeeerder opgestaan,Gij hadt ook eerder naar school gegaan!Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem zingende. Ik sprak reedsbl. 194over de overeenkomst met de gebruiken op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint Thomasdag papieren kronen op te zetten.—Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, leest men: “Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis brengen. De hoogstgeschatte zijn de ““Cinxebruids”” (beuterblomme,butterflower, jaunet). ʼs Avonds, met moedershulpe, maken de kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe “Cinxenbruids.” Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd hierbij gezongen:Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.Alles geld is alles goed;Kies, wie gij wilt,En de schoonste, die gij vindt; enz.Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, II: Liefde en Huwelijk.Tweede Pinksterdagis ten deele reeds besproken. Te Anderlecht (Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men vergelijke dit gebruik metSunte Steffenjagen(bl. 134). In Duitschland spreekt men van den meirit,das Maireiten,hetwelkMannhardtbehandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, d.i. dePfingstlmet zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij hetKönigsreitenin Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden ter afwering van onweêr en hagelslag.Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, een aloud gebruik, dat den naam vanPinxtergildenvoor sommige schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reedsbl. 192gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen,evenals de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woordgilde(vgl.geld), Middelnederl.ghilde,met het Oudnoorschegildisamen, dat de beteekenissen van “inleg” en “gelag” in zich vereenigt; zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIeeeuw de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en België.Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen zieTer Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; Volkskunde XVII, bl. 121; over de PinkstervieringJ. H. Maronier, Het Pinksterfeest (Arnhem 1894),passim;De Cock, Volkskunde, bl. 247;Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld,Das Festliche Jahr, bl. 191;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.Sint Jan de Dooper(24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen waarnemen. Zoo schrijft de H.Augustinus(Sermo289): “Opdatde mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien.” Zoo werd dan ook b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl.bl. 192), aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van ʼs Heeren doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote tooverkracht. Maar vooral deSint Janstakpleit voor de overeenkomst tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid (sedum purpureum), ookJaag den duivelgenoemd, heeft het vermogen, booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- en rozentwijgen versierd.Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.—Vóor Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.—Regent het na Sint Jan, dankort(korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren,survivalsvan het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen (O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:Hout, hout, timmerhout,Wij komen om Sint Janshout;Geeft een beetjen en houdt een beetjen,Tot op Sint Peetersavond.Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: “op Sint Jans manieren”,bl. 111.De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:Petrus en Paulusdag(29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:Sinte Peeter, komt alhier,In ons ronde van plezier.Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, bl. 10.Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:Sinte Pieter mee zijn bloote armen,Die zou hem gêren komen warmen.Men vergelijke het Sint Maartenslied,bl. 109.In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik van denrozenhoed. Het is een meigebruik, dat wijbl. 200te Zutfen en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat gespannen koord op. ʼs Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; zoo b.v. te Lokeren:Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen (bis)Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:St. Pieter is onze Patroon!Wij zullen hem gaan vieren;Wij maken hem een kroon,Te midden van onzʼ plezieren!Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la, troe la la!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la sa sa.Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren geworpen; vgl.bl. 202en de steeds fundamentale behandeling van het Sint Jansvuur bijGrimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:Stokvier, maakt stokvier!Sinte Pieter is alhier,Om zijn bloote armenNog wat te warmen; enz.Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe (W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met depauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie te Rumpst.Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),ook de “Warme Marten” genoemd, draagt in West-Vlaanderen den naam vanSchuddekorfdag, ofschoon van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.Maria Hemelvaart (15 Aug.), ook genoemdMaria-Kruidwisch,ofO.L. Vrouw Kruidwijn(=wijding), wordt vooral in Limburg gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde bloemen dienen—ongeveer als de palm—als behoedmiddel tegen onweßr, ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van denhuiszegenverbrand.Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch verband met “donder”?) bij zonsopgang met de hand geplukt worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk karakter.—De zomermaanden zijn ook het tijdperk derbedevaartenof processies naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel (kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie te Hasselt (Virga Jesse) te worden vermeld.De straten der plaats, waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert “het zwart” uit de tarwe.Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te Venloo, dat de bramen rijpen, “als de processie naar Kevelaer gaat”, en dat “als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje aan het spinnewiel blijft”. Zijn de straten doodsch en verlaten, dan “lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is”; enz.Te Blitterswijk zingt men:Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,Wen er mar gene grune wolf zaat,Joa, joa, do zit er ene,Nie der zit er gene.Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap onder feestelijk beiaardspel. ZieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.;De Cock, Volkskunde, bl. 253;V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.Maria-Geboorte(8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest op 15 Aug. de “Kleine Lieve Vrouw” genoemd. In sommige streken van Vlaanderen was het bekend onder den naam vanzwaluwen-afscheidsdag.In den avond van den 7denSeptember liet men in zekere Westvlaamsche dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in een arme vrouw verkleed, eens een voermante drinken en reikte hem, om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte “tikken” en drinken uit zulke bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:Aan Ons Lieve Vrouwen geboortGaan de lieve zwaluwen voort.Michielsdag(29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamschevollerte, een bijzonder soort wittebrood, dat men ʼs nachts ter sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag deMichaëls-minne,zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend is ook deSint Michielszomer, waarop wel betrekking heeft het Vlaamsche paailiedje:Draaie, draaie, wielke,tʼ Avond komt Machielke,Komt Machielke tʼ avond niet,Hij en komt van gʼheel de weke niet.En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:Sinte-MichielDraait zijn wielMee zijnen blooten erremen.De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook nog uit de DrentscheSint Michielsjacht.Allerheiligen(1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,ook wel door het volk “Oudewijven-zomer” genoemd.—Reeds in den namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, immers het is de vooravond vanAllerzielen(2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het geloof aan de “gemeenschap der heiligen”, terwijl ook de min of meer animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt men thans nog van denzielewagen, en rond Scherpenheuvel heet het: “dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden”. Op meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de “geloovige zielen” gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd de 2deNovember aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het eerst doorOdilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschopNotkerhet in het begin der XIeeeuw invoerde. ZieH. Kellner, Heortologie³ (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt menzielebroodjesofzieltjeskoeken, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men ʼs nachts “voor de arme zielen” staan; hieruit spreekt duidelijk de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: “hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost.” Ik herinnerhier aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden der spijzen “voor de arme zielen”, iets in het vuur wordt geworpen, terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat staan met de woorden: “Das gehört den armen Seelen.” Vgl.De Cock, Volkskunde XIV, bl. 140; H.Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, opSint Hubertusdag(3 Nov.) zoogenaamdeHubertusbroodjeste laten wijden, zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was de H.Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,Zonder stok of zonder staf;Kwaden hond, sta stille:Het is Sint-Huibrechts wille.

Pinksterblome,fûle sûge (Sau)!harstu êr uppestaun,harr et di kîn leid edaun.

Pinksterblome,fûle sûge (Sau)!harstu êr uppestaun,harr et di kîn leid edaun.

Pinksterblome,

fûle sûge (Sau)!

harstu êr uppestaun,

harr et di kîn leid edaun.

Van daar ook de benamingenPfingstlümmel, Pfingstschläfer, Wasservogel(dewijl men hem in het water werpt) enz.

Zeer nauw hiermee verwant is het Drentschenustekook-gebruik. “Nustkoek” hangt met “nusselen”, d.i. talmen, samen.

Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling vanDr. Bergsmain den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor dag en dauw met de koeien naar de weiden.Die ʼt laatst met zijn koeien “op den diek” verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die naar de verschillende weiden voert, heetnustekook. Zijn terugkomst wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het gebruik afgeschaft.—Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt denustekookgeslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, wordt alsPinksterbroedhet middelpunt van den optocht. Waar eenPinksterbroedis, is ook eenbroedsleider. Te Gees heet hij broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.

De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de weide binnentreedt. Die koe is dan ʼt voorwerp van het feest der kinderen, ʼs Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich de stad binnen, al zingende:

Pinksterbloed (of Pinksterbroed)Oranjezoet,Hoe zit je zoo diep in de veeren?Had jewat eerder opgestaan,Dan had je geen nood gekregen.

Pinksterbloed (of Pinksterbroed)Oranjezoet,Hoe zit je zoo diep in de veeren?Had jewat eerder opgestaan,Dan had je geen nood gekregen.

Pinksterbloed (of Pinksterbroed)

Oranjezoet,

Hoe zit je zoo diep in de veeren?

Had jewat eerder opgestaan,

Dan had je geen nood gekregen.

In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en bekroond wordt:Pingstkaue, Pingstosse. Vandaar het spreekwoord: “opgedirkt als een pingstos.” Men vergelijke met bovenstaand rijmpje het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van dennustkoekof langslaper:

Nustkoek, nustkoek,Zits dou zoo diep in de vaerren,Kanst het geroup niet heurren,Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.

Nustkoek, nustkoek,Zits dou zoo diep in de vaerren,Kanst het geroup niet heurren,Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.

Nustkoek, nustkoek,

Zits dou zoo diep in de vaerren,

Kanst het geroup niet heurren,

Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,

Komst ja te laat met de koeʼn op den diek.

Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heetvroegrijp, het tweededauwworm, het derdemidden-in-de-ton.

En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn overeenkomst.Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school komt,Sinksenbruidnoemt en dat haar wordt toegezongen:

Sinksenbruid,De loegaard uit!Hadt jeeerder opgestaan,Gij hadt ook eerder naar school gegaan!

Sinksenbruid,De loegaard uit!Hadt jeeerder opgestaan,Gij hadt ook eerder naar school gegaan!

Sinksenbruid,

De loegaard uit!

Hadt jeeerder opgestaan,

Gij hadt ook eerder naar school gegaan!

Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem zingende. Ik sprak reedsbl. 194over de overeenkomst met de gebruiken op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint Thomasdag papieren kronen op te zetten.—

Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, leest men: “Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis brengen. De hoogstgeschatte zijn de ““Cinxebruids”” (beuterblomme,butterflower, jaunet). ʼs Avonds, met moedershulpe, maken de kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe “Cinxenbruids.” Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd hierbij gezongen:

Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.Alles geld is alles goed;Kies, wie gij wilt,En de schoonste, die gij vindt; enz.

Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.Alles geld is alles goed;Kies, wie gij wilt,En de schoonste, die gij vindt; enz.

Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.

Alles geld is alles goed;

Kies, wie gij wilt,

En de schoonste, die gij vindt; enz.

Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, II: Liefde en Huwelijk.

Tweede Pinksterdagis ten deele reeds besproken. Te Anderlecht (Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men vergelijke dit gebruik metSunte Steffenjagen(bl. 134). In Duitschland spreekt men van den meirit,das Maireiten,hetwelkMannhardtbehandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, d.i. dePfingstlmet zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij hetKönigsreitenin Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden ter afwering van onweêr en hagelslag.

Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, een aloud gebruik, dat den naam vanPinxtergildenvoor sommige schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reedsbl. 192gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen,evenals de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woordgilde(vgl.geld), Middelnederl.ghilde,met het Oudnoorschegildisamen, dat de beteekenissen van “inleg” en “gelag” in zich vereenigt; zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.

De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIeeeuw de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en België.

Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen zieTer Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; Volkskunde XVII, bl. 121; over de PinkstervieringJ. H. Maronier, Het Pinksterfeest (Arnhem 1894),passim;De Cock, Volkskunde, bl. 247;Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld,Das Festliche Jahr, bl. 191;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.

Sint Jan de Dooper(24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen waarnemen. Zoo schrijft de H.Augustinus(Sermo289): “Opdatde mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien.” Zoo werd dan ook b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl.bl. 192), aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van ʼs Heeren doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote tooverkracht. Maar vooral deSint Janstakpleit voor de overeenkomst tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid (sedum purpureum), ookJaag den duivelgenoemd, heeft het vermogen, booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- en rozentwijgen versierd.

Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.—Vóor Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.—Regent het na Sint Jan, dankort(korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.

Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren,survivalsvan het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen (O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:

Hout, hout, timmerhout,Wij komen om Sint Janshout;Geeft een beetjen en houdt een beetjen,Tot op Sint Peetersavond.

Hout, hout, timmerhout,Wij komen om Sint Janshout;Geeft een beetjen en houdt een beetjen,Tot op Sint Peetersavond.

Hout, hout, timmerhout,

Wij komen om Sint Janshout;

Geeft een beetjen en houdt een beetjen,

Tot op Sint Peetersavond.

Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: “op Sint Jans manieren”,bl. 111.

De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:

Petrus en Paulusdag(29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:

Sinte Peeter, komt alhier,In ons ronde van plezier.

Sinte Peeter, komt alhier,In ons ronde van plezier.

Sinte Peeter, komt alhier,

In ons ronde van plezier.

Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, bl. 10.

Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:

Sinte Pieter mee zijn bloote armen,Die zou hem gêren komen warmen.

Sinte Pieter mee zijn bloote armen,Die zou hem gêren komen warmen.

Sinte Pieter mee zijn bloote armen,

Die zou hem gêren komen warmen.

Men vergelijke het Sint Maartenslied,bl. 109.

In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik van denrozenhoed. Het is een meigebruik, dat wijbl. 200te Zutfen en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat gespannen koord op. ʼs Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; zoo b.v. te Lokeren:

Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen (bis)Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.

Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen (bis)Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.

Sinte Pieter, die is goed

Al voor onzen (bis)

Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.

Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.

Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.

Sinte Pieter, die is goedAl voor onzen rozenhoed.

Sinte Pieter, die is goed

Al voor onzen rozenhoed.

Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:

St. Pieter is onze Patroon!Wij zullen hem gaan vieren;Wij maken hem een kroon,Te midden van onzʼ plezieren!Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la, troe la la!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la sa sa.

St. Pieter is onze Patroon!Wij zullen hem gaan vieren;Wij maken hem een kroon,Te midden van onzʼ plezieren!Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la, troe la la!En daar heeft niemand iets aan,Troe la la sa sa.

St. Pieter is onze Patroon!

Wij zullen hem gaan vieren;

Wij maken hem een kroon,

Te midden van onzʼ plezieren!

Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!

En daar heeft niemand iets aan,

Troe la la, troe la la!

En daar heeft niemand iets aan,

Troe la la sa sa.

Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren geworpen; vgl.bl. 202en de steeds fundamentale behandeling van het Sint Jansvuur bijGrimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:

Stokvier, maakt stokvier!Sinte Pieter is alhier,Om zijn bloote armenNog wat te warmen; enz.

Stokvier, maakt stokvier!Sinte Pieter is alhier,Om zijn bloote armenNog wat te warmen; enz.

Stokvier, maakt stokvier!

Sinte Pieter is alhier,

Om zijn bloote armen

Nog wat te warmen; enz.

Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe (W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.

Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met depauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie te Rumpst.

Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),ook de “Warme Marten” genoemd, draagt in West-Vlaanderen den naam vanSchuddekorfdag, ofschoon van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.

Maria Hemelvaart (15 Aug.), ook genoemdMaria-Kruidwisch,ofO.L. Vrouw Kruidwijn(=wijding), wordt vooral in Limburg gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde bloemen dienen—ongeveer als de palm—als behoedmiddel tegen onweßr, ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van denhuiszegenverbrand.

Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch verband met “donder”?) bij zonsopgang met de hand geplukt worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk karakter.—

De zomermaanden zijn ook het tijdperk derbedevaartenof processies naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel (kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie te Hasselt (Virga Jesse) te worden vermeld.De straten der plaats, waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert “het zwart” uit de tarwe.

Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te Venloo, dat de bramen rijpen, “als de processie naar Kevelaer gaat”, en dat “als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje aan het spinnewiel blijft”. Zijn de straten doodsch en verlaten, dan “lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is”; enz.

Te Blitterswijk zingt men:

Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,Wen er mar gene grune wolf zaat,Joa, joa, do zit er ene,Nie der zit er gene.

Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,Wen er mar gene grune wolf zaat,Joa, joa, do zit er ene,Nie der zit er gene.

Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,

Wen er mar gene grune wolf zaat,

Joa, joa, do zit er ene,

Nie der zit er gene.

Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap onder feestelijk beiaardspel. ZieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.;De Cock, Volkskunde, bl. 253;V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.

Maria-Geboorte(8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest op 15 Aug. de “Kleine Lieve Vrouw” genoemd. In sommige streken van Vlaanderen was het bekend onder den naam vanzwaluwen-afscheidsdag.In den avond van den 7denSeptember liet men in zekere Westvlaamsche dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in een arme vrouw verkleed, eens een voermante drinken en reikte hem, om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte “tikken” en drinken uit zulke bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:

Aan Ons Lieve Vrouwen geboortGaan de lieve zwaluwen voort.

Aan Ons Lieve Vrouwen geboortGaan de lieve zwaluwen voort.

Aan Ons Lieve Vrouwen geboort

Gaan de lieve zwaluwen voort.

Michielsdag(29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamschevollerte, een bijzonder soort wittebrood, dat men ʼs nachts ter sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag deMichaëls-minne,zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.

Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend is ook deSint Michielszomer, waarop wel betrekking heeft het Vlaamsche paailiedje:

Draaie, draaie, wielke,tʼ Avond komt Machielke,Komt Machielke tʼ avond niet,Hij en komt van gʼheel de weke niet.

Draaie, draaie, wielke,tʼ Avond komt Machielke,Komt Machielke tʼ avond niet,Hij en komt van gʼheel de weke niet.

Draaie, draaie, wielke,

tʼ Avond komt Machielke,

Komt Machielke tʼ avond niet,

Hij en komt van gʼheel de weke niet.

En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:

Sinte-MichielDraait zijn wielMee zijnen blooten erremen.

Sinte-MichielDraait zijn wielMee zijnen blooten erremen.

Sinte-Michiel

Draait zijn wiel

Mee zijnen blooten erremen.

De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook nog uit de DrentscheSint Michielsjacht.

Allerheiligen(1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,ook wel door het volk “Oudewijven-zomer” genoemd.—Reeds in den namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, immers het is de vooravond van

Allerzielen(2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het geloof aan de “gemeenschap der heiligen”, terwijl ook de min of meer animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt men thans nog van denzielewagen, en rond Scherpenheuvel heet het: “dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden”. Op meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de “geloovige zielen” gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd de 2deNovember aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het eerst doorOdilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschopNotkerhet in het begin der XIeeeuw invoerde. ZieH. Kellner, Heortologie³ (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.

Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt menzielebroodjesofzieltjeskoeken, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men ʼs nachts “voor de arme zielen” staan; hieruit spreekt duidelijk de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: “hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost.” Ik herinnerhier aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden der spijzen “voor de arme zielen”, iets in het vuur wordt geworpen, terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat staan met de woorden: “Das gehört den armen Seelen.” Vgl.De Cock, Volkskunde XIV, bl. 140; H.Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.

Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, opSint Hubertusdag(3 Nov.) zoogenaamdeHubertusbroodjeste laten wijden, zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was de H.Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:

Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,Zonder stok of zonder staf;Kwaden hond, sta stille:Het is Sint-Huibrechts wille.

Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,Zonder stok of zonder staf;Kwaden hond, sta stille:Het is Sint-Huibrechts wille.

Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,

Zonder stok of zonder staf;

Kwaden hond, sta stille:

Het is Sint-Huibrechts wille.


Back to IndexNext