Chapter 29

Sa hitsig! vult de hompen,Soo lang het vat nog houdt.Gesellen, laat ons pompen,Dees nectar, geel als goudIs voor gansen niet gebrouwd.Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigenhoefsmid zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, het hazenpad zal kiezen.Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIeeeuw het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam—intusschen wordt deze sage ook wel elders verteld—; en eindelijk van den Kozakkenberg bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden onder het zadel.In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid tusschen vorst en volk.Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch eenigen laakten het in krasse bewoordingen.Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende te worden afgekeurd.“Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen lasteren?”En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.Karel kwam te Brussel.ʼs Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis ontbieden.Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.Tot zijn voorstanders sprak hij:“U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet”.En tot de bedillers:“En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar weest in ʼt vervolg voorzichtiger”.—De naam vanJan Primus, hertog van Brabant, is waarschijnlijk vervormd totGambrinus.In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening vanDr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot 1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavondte Brussel (I, bl. 149); andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.ZieWolf, Niederländische Sagen,passim;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I,passim;Hofdijk, Kennemerland;De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1—160, 197, 280;Welters, Limb. Legenden I,passim, II, bl. 93;Poelhekke, Woordkunst, bl. 87;Dr. J. F. D. Blöte,Das Aufkommen der Sage von Brabon Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en Letteren XII, bl. 1 vlg.;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168;Karl Wehrhan, Die Sage (Leipzig 1908).“Delegenden”, schrijftDr. Gisb. Brom, “zijn ons onder menig opzicht dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen.”Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. “Neen, voor wie over de gave der onderscheids beschikt”, meent PaterKronenburg, “voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?” En hij vervolgt: “Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij.”Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de krachtdadige voorbede der heiligen.Doel der legende—ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden van de andere sagen—was en is stichting, en het is bewezen, dat zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke overlevering; immers oorspronkelijk waren delegendade “te lezen stukken” van de levens der heiligen op hun feestdag.Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik noem hier slechts de namen vanDe Vooysallereerst, en verder vanAlberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord.De Vooysverhaalt in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een ridder, die in een klooster ging en daar slechts hetAve Mariakon leeren. Uit zijn graf “wies een scoen lelye...ende op elke blat van der lelyen stond ghescreven “Ave Maria” in gulden letteren.” Welnu, in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht wilde vereeren,een slank en bevallig boompje met verrukkelijken bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.—De allervoornaamste zijn deMarialegenden, en wel in de eerste plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. “In Folge solcher Entstehung”, schrijftStephan BeisselS. J., “richtet sich die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen zu denen Engelsgesang hinzutritt”: Wallfahrten zu unserer Lieben Frau in Legende und Geschichte(Freiburg i/B1913), bl. 8.Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden (O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot (O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, en eenbuitengewoon teeken kwam Mariaʼs instemming met dien arbeid verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water nimmermeer ontbrak.Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIeeeuw overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep men Maria aan, en ziet—daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar een kapel.Zoo kwam ook in de XVeeeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, een Mariabeeldje bleek te zijn.Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een heiligdom wenschte.Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor Nederland naarJ. A. F. Kronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam) VI, Mariaʼs Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en voor België naarA. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of Echt Christelijke Sagen, enFr. St. Schoutens, Mariaʼs Vlaanderen (Oost-Vlaanderen), Mariaʼs Vlaanderen (West-Vlaanderen), Mariaʼs Brabant, Mariaʼs Antwerpen (Aalst 1903—1905).—Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, Sint Amandus, wordt op Mariaʼs bestel door den Engel Gabriël bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, en door Maria, “gekleed in hemelsblauw”, wordt beschut. Te Roosendaal verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en waseen roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek voor het heiligdom.—Dichterlijker is de stichting van het klooster Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag hij schitterende lichten boven een plek zweven, ʼt Werd voor hertog Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen zij “aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren”, en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens ontvlamt zij opnieuw.Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn wapenmakker Walewijn: “Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, gaat gij met mij mede?” En Walewijn antwoordde: “Ik wil Christus dienen, ja ik ga met umede”. Zoo onderwierpen zich beiden aan den kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders in het devoot bidden en dienen.In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament bevestigd met de woorden: “Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek”.Elders keert door Mariaʼs voorspraak een doode jongeling tot het leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, bij Leuven.Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder—zoo luidt de traditie—bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren lang den vromenkluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.Een dezer is een zoogenaamdehippokreneof paardenbron, éen der drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning Pepijnʼs gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, dat ook een hoefslag van Wôdanʼs ros een frissche bron doet opborrelen.Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, “Die voor zijn volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou doen opborrelen”. En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door eene zoetwaterbron.Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij Antwerpen. Zulke bronnen noemt menkerstputtenofkerstpoelen, en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen deelachtig worden.Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat “die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen”, te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, SintBavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.ZieKronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2(Amsterdam 1908),passim;Schoutens, Mariaʼs Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen,passim;A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64–345;Wolf, Niederländische Sagen,passim;J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.;Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168);H. Welters, Limburgsche Legenden,passim.

Sa hitsig! vult de hompen,Soo lang het vat nog houdt.Gesellen, laat ons pompen,Dees nectar, geel als goudIs voor gansen niet gebrouwd.Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigenhoefsmid zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, het hazenpad zal kiezen.Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIeeeuw het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam—intusschen wordt deze sage ook wel elders verteld—; en eindelijk van den Kozakkenberg bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden onder het zadel.In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid tusschen vorst en volk.Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch eenigen laakten het in krasse bewoordingen.Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende te worden afgekeurd.“Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen lasteren?”En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.Karel kwam te Brussel.ʼs Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis ontbieden.Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.Tot zijn voorstanders sprak hij:“U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet”.En tot de bedillers:“En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar weest in ʼt vervolg voorzichtiger”.—De naam vanJan Primus, hertog van Brabant, is waarschijnlijk vervormd totGambrinus.In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening vanDr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot 1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavondte Brussel (I, bl. 149); andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.ZieWolf, Niederländische Sagen,passim;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I,passim;Hofdijk, Kennemerland;De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1—160, 197, 280;Welters, Limb. Legenden I,passim, II, bl. 93;Poelhekke, Woordkunst, bl. 87;Dr. J. F. D. Blöte,Das Aufkommen der Sage von Brabon Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en Letteren XII, bl. 1 vlg.;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168;Karl Wehrhan, Die Sage (Leipzig 1908).“Delegenden”, schrijftDr. Gisb. Brom, “zijn ons onder menig opzicht dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen.”Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. “Neen, voor wie over de gave der onderscheids beschikt”, meent PaterKronenburg, “voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?” En hij vervolgt: “Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij.”Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de krachtdadige voorbede der heiligen.Doel der legende—ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden van de andere sagen—was en is stichting, en het is bewezen, dat zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke overlevering; immers oorspronkelijk waren delegendade “te lezen stukken” van de levens der heiligen op hun feestdag.Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik noem hier slechts de namen vanDe Vooysallereerst, en verder vanAlberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord.De Vooysverhaalt in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een ridder, die in een klooster ging en daar slechts hetAve Mariakon leeren. Uit zijn graf “wies een scoen lelye...ende op elke blat van der lelyen stond ghescreven “Ave Maria” in gulden letteren.” Welnu, in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht wilde vereeren,een slank en bevallig boompje met verrukkelijken bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.—De allervoornaamste zijn deMarialegenden, en wel in de eerste plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. “In Folge solcher Entstehung”, schrijftStephan BeisselS. J., “richtet sich die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen zu denen Engelsgesang hinzutritt”: Wallfahrten zu unserer Lieben Frau in Legende und Geschichte(Freiburg i/B1913), bl. 8.Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden (O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot (O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, en eenbuitengewoon teeken kwam Mariaʼs instemming met dien arbeid verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water nimmermeer ontbrak.Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIeeeuw overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep men Maria aan, en ziet—daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar een kapel.Zoo kwam ook in de XVeeeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, een Mariabeeldje bleek te zijn.Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een heiligdom wenschte.Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor Nederland naarJ. A. F. Kronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam) VI, Mariaʼs Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en voor België naarA. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of Echt Christelijke Sagen, enFr. St. Schoutens, Mariaʼs Vlaanderen (Oost-Vlaanderen), Mariaʼs Vlaanderen (West-Vlaanderen), Mariaʼs Brabant, Mariaʼs Antwerpen (Aalst 1903—1905).—Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, Sint Amandus, wordt op Mariaʼs bestel door den Engel Gabriël bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, en door Maria, “gekleed in hemelsblauw”, wordt beschut. Te Roosendaal verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en waseen roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek voor het heiligdom.—Dichterlijker is de stichting van het klooster Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag hij schitterende lichten boven een plek zweven, ʼt Werd voor hertog Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen zij “aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren”, en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens ontvlamt zij opnieuw.Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn wapenmakker Walewijn: “Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, gaat gij met mij mede?” En Walewijn antwoordde: “Ik wil Christus dienen, ja ik ga met umede”. Zoo onderwierpen zich beiden aan den kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders in het devoot bidden en dienen.In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament bevestigd met de woorden: “Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek”.Elders keert door Mariaʼs voorspraak een doode jongeling tot het leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, bij Leuven.Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder—zoo luidt de traditie—bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren lang den vromenkluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.Een dezer is een zoogenaamdehippokreneof paardenbron, éen der drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning Pepijnʼs gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, dat ook een hoefslag van Wôdanʼs ros een frissche bron doet opborrelen.Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, “Die voor zijn volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou doen opborrelen”. En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door eene zoetwaterbron.Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij Antwerpen. Zulke bronnen noemt menkerstputtenofkerstpoelen, en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen deelachtig worden.Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat “die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen”, te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, SintBavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.ZieKronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2(Amsterdam 1908),passim;Schoutens, Mariaʼs Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen,passim;A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64–345;Wolf, Niederländische Sagen,passim;J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.;Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168);H. Welters, Limburgsche Legenden,passim.

Sa hitsig! vult de hompen,Soo lang het vat nog houdt.Gesellen, laat ons pompen,Dees nectar, geel als goudIs voor gansen niet gebrouwd.Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigenhoefsmid zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, het hazenpad zal kiezen.Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIeeeuw het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam—intusschen wordt deze sage ook wel elders verteld—; en eindelijk van den Kozakkenberg bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden onder het zadel.In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid tusschen vorst en volk.Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch eenigen laakten het in krasse bewoordingen.Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende te worden afgekeurd.“Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen lasteren?”En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.Karel kwam te Brussel.ʼs Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis ontbieden.Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.Tot zijn voorstanders sprak hij:“U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet”.En tot de bedillers:“En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar weest in ʼt vervolg voorzichtiger”.—De naam vanJan Primus, hertog van Brabant, is waarschijnlijk vervormd totGambrinus.In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening vanDr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot 1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavondte Brussel (I, bl. 149); andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.ZieWolf, Niederländische Sagen,passim;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I,passim;Hofdijk, Kennemerland;De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1—160, 197, 280;Welters, Limb. Legenden I,passim, II, bl. 93;Poelhekke, Woordkunst, bl. 87;Dr. J. F. D. Blöte,Das Aufkommen der Sage von Brabon Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en Letteren XII, bl. 1 vlg.;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168;Karl Wehrhan, Die Sage (Leipzig 1908).“Delegenden”, schrijftDr. Gisb. Brom, “zijn ons onder menig opzicht dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen.”Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. “Neen, voor wie over de gave der onderscheids beschikt”, meent PaterKronenburg, “voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?” En hij vervolgt: “Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij.”Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de krachtdadige voorbede der heiligen.Doel der legende—ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden van de andere sagen—was en is stichting, en het is bewezen, dat zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke overlevering; immers oorspronkelijk waren delegendade “te lezen stukken” van de levens der heiligen op hun feestdag.Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik noem hier slechts de namen vanDe Vooysallereerst, en verder vanAlberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord.De Vooysverhaalt in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een ridder, die in een klooster ging en daar slechts hetAve Mariakon leeren. Uit zijn graf “wies een scoen lelye...ende op elke blat van der lelyen stond ghescreven “Ave Maria” in gulden letteren.” Welnu, in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht wilde vereeren,een slank en bevallig boompje met verrukkelijken bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.—De allervoornaamste zijn deMarialegenden, en wel in de eerste plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. “In Folge solcher Entstehung”, schrijftStephan BeisselS. J., “richtet sich die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen zu denen Engelsgesang hinzutritt”: Wallfahrten zu unserer Lieben Frau in Legende und Geschichte(Freiburg i/B1913), bl. 8.Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden (O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot (O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, en eenbuitengewoon teeken kwam Mariaʼs instemming met dien arbeid verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water nimmermeer ontbrak.Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIeeeuw overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep men Maria aan, en ziet—daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar een kapel.Zoo kwam ook in de XVeeeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, een Mariabeeldje bleek te zijn.Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een heiligdom wenschte.Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor Nederland naarJ. A. F. Kronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam) VI, Mariaʼs Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en voor België naarA. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of Echt Christelijke Sagen, enFr. St. Schoutens, Mariaʼs Vlaanderen (Oost-Vlaanderen), Mariaʼs Vlaanderen (West-Vlaanderen), Mariaʼs Brabant, Mariaʼs Antwerpen (Aalst 1903—1905).—Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, Sint Amandus, wordt op Mariaʼs bestel door den Engel Gabriël bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, en door Maria, “gekleed in hemelsblauw”, wordt beschut. Te Roosendaal verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en waseen roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek voor het heiligdom.—Dichterlijker is de stichting van het klooster Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag hij schitterende lichten boven een plek zweven, ʼt Werd voor hertog Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen zij “aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren”, en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens ontvlamt zij opnieuw.Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn wapenmakker Walewijn: “Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, gaat gij met mij mede?” En Walewijn antwoordde: “Ik wil Christus dienen, ja ik ga met umede”. Zoo onderwierpen zich beiden aan den kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders in het devoot bidden en dienen.In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament bevestigd met de woorden: “Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek”.Elders keert door Mariaʼs voorspraak een doode jongeling tot het leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, bij Leuven.Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder—zoo luidt de traditie—bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren lang den vromenkluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.Een dezer is een zoogenaamdehippokreneof paardenbron, éen der drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning Pepijnʼs gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, dat ook een hoefslag van Wôdanʼs ros een frissche bron doet opborrelen.Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, “Die voor zijn volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou doen opborrelen”. En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door eene zoetwaterbron.Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij Antwerpen. Zulke bronnen noemt menkerstputtenofkerstpoelen, en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen deelachtig worden.Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat “die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen”, te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, SintBavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.ZieKronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2(Amsterdam 1908),passim;Schoutens, Mariaʼs Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen,passim;A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64–345;Wolf, Niederländische Sagen,passim;J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.;Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168);H. Welters, Limburgsche Legenden,passim.

Sa hitsig! vult de hompen,Soo lang het vat nog houdt.Gesellen, laat ons pompen,Dees nectar, geel als goudIs voor gansen niet gebrouwd.

Sa hitsig! vult de hompen,Soo lang het vat nog houdt.Gesellen, laat ons pompen,Dees nectar, geel als goudIs voor gansen niet gebrouwd.

Sa hitsig! vult de hompen,

Soo lang het vat nog houdt.

Gesellen, laat ons pompen,

Dees nectar, geel als goud

Is voor gansen niet gebrouwd.

Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigenhoefsmid zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, het hazenpad zal kiezen.

Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIeeeuw het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam—intusschen wordt deze sage ook wel elders verteld—; en eindelijk van den Kozakkenberg bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden onder het zadel.

In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid tusschen vorst en volk.

Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:

Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch eenigen laakten het in krasse bewoordingen.

Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende te worden afgekeurd.

“Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen lasteren?”

En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.

Karel kwam te Brussel.

ʼs Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis ontbieden.Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.

Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.

Tot zijn voorstanders sprak hij:

“U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet”.

En tot de bedillers:

“En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar weest in ʼt vervolg voorzichtiger”.—

De naam vanJan Primus, hertog van Brabant, is waarschijnlijk vervormd totGambrinus.

In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening vanDr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot 1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.

Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavondte Brussel (I, bl. 149); andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.

ZieWolf, Niederländische Sagen,passim;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I,passim;Hofdijk, Kennemerland;De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1—160, 197, 280;Welters, Limb. Legenden I,passim, II, bl. 93;Poelhekke, Woordkunst, bl. 87;Dr. J. F. D. Blöte,Das Aufkommen der Sage von Brabon Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en Letteren XII, bl. 1 vlg.;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168;Karl Wehrhan, Die Sage (Leipzig 1908).

“Delegenden”, schrijftDr. Gisb. Brom, “zijn ons onder menig opzicht dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen.”

Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. “Neen, voor wie over de gave der onderscheids beschikt”, meent PaterKronenburg, “voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?” En hij vervolgt: “Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij.”

Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de krachtdadige voorbede der heiligen.

Doel der legende—ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden van de andere sagen—was en is stichting, en het is bewezen, dat zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke overlevering; immers oorspronkelijk waren delegendade “te lezen stukken” van de levens der heiligen op hun feestdag.

Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik noem hier slechts de namen vanDe Vooysallereerst, en verder vanAlberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord.De Vooysverhaalt in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een ridder, die in een klooster ging en daar slechts hetAve Mariakon leeren. Uit zijn graf “wies een scoen lelye...ende op elke blat van der lelyen stond ghescreven “Ave Maria” in gulden letteren.” Welnu, in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht wilde vereeren,een slank en bevallig boompje met verrukkelijken bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.—

De allervoornaamste zijn deMarialegenden, en wel in de eerste plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. “In Folge solcher Entstehung”, schrijftStephan BeisselS. J., “richtet sich die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen zu denen Engelsgesang hinzutritt”: Wallfahrten zu unserer Lieben Frau in Legende und Geschichte(Freiburg i/B1913), bl. 8.

Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden (O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot (O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, en eenbuitengewoon teeken kwam Mariaʼs instemming met dien arbeid verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water nimmermeer ontbrak.

Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.

Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.

Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).

De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIeeeuw overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep men Maria aan, en ziet—daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar een kapel.

Zoo kwam ook in de XVeeeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, een Mariabeeldje bleek te zijn.

Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een heiligdom wenschte.

Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor Nederland naarJ. A. F. Kronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam) VI, Mariaʼs Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en voor België naarA. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of Echt Christelijke Sagen, enFr. St. Schoutens, Mariaʼs Vlaanderen (Oost-Vlaanderen), Mariaʼs Vlaanderen (West-Vlaanderen), Mariaʼs Brabant, Mariaʼs Antwerpen (Aalst 1903—1905).—

Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, Sint Amandus, wordt op Mariaʼs bestel door den Engel Gabriël bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, en door Maria, “gekleed in hemelsblauw”, wordt beschut. Te Roosendaal verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en waseen roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek voor het heiligdom.—Dichterlijker is de stichting van het klooster Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.

Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag hij schitterende lichten boven een plek zweven, ʼt Werd voor hertog Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.

Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen zij “aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren”, en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.

In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens ontvlamt zij opnieuw.

Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn wapenmakker Walewijn: “Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, gaat gij met mij mede?” En Walewijn antwoordde: “Ik wil Christus dienen, ja ik ga met umede”. Zoo onderwierpen zich beiden aan den kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders in het devoot bidden en dienen.

In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament bevestigd met de woorden: “Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek”.

Elders keert door Mariaʼs voorspraak een doode jongeling tot het leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, bij Leuven.

Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder—zoo luidt de traditie—bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren lang den vromenkluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).

Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.

Een dezer is een zoogenaamdehippokreneof paardenbron, éen der drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning Pepijnʼs gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, dat ook een hoefslag van Wôdanʼs ros een frissche bron doet opborrelen.

Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, “Die voor zijn volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou doen opborrelen”. En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door eene zoetwaterbron.

Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij Antwerpen. Zulke bronnen noemt menkerstputtenofkerstpoelen, en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen deelachtig worden.

Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.

Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat “die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen”, te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, SintBavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.

ZieKronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2(Amsterdam 1908),passim;Schoutens, Mariaʼs Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen,passim;A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64–345;Wolf, Niederländische Sagen,passim;J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.;Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168);H. Welters, Limburgsche Legenden,passim.


Back to IndexNext