Onder een andere voorstelling, die eenUilals pendant heeft, leest men:O uil, gij doet mij onregt;Het muisje was mij toegelegd.Onder den uil:Ja kat, dat heb ik wel geweten,Het ongegunde brood wordt meest gegeten.Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de “mooie mannen”: dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:Wij snijden het haar en scheren den baard,In onze hand is een ieder vervaard.Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):De drijftol loopt nooit zonder slagen,Gehoorzaamheid moet u behagen.Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk vanLafontaineuitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowskiʼs afscheid:Poniotowski zeer gezwindNeemt afscheid van zijn vrouw en kind;of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:Ziet Jan hier met een popje spelen;Mij dunkt het moet hem ras vervelen.Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!Gaat gij met meisjes touwtje springen!Neen, dat staat zeker nimmer goed,Een jongen met een meisjeshoed.Zoo Griet, klimt gij zonder schromenNet als een jongen in de boomen!Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.Nu kan het toch niet erger zijn,Zij speelt de rol van kapitein.Griet vangt met Jan het vrijen aan;Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.Jan laat zich door den priester trouwen,Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.Hier is de orde al te zoek,Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.Griet wil van geen huiswerk weten,Daarom kookt nu Jan het eten.Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,Mag hij niet zitten, maar moet staan.Ziet Jan eens in het water plassen,Om toch de vaten schoon te wasschen.Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,En breekt bijna al de ruiten.Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;En toch moet gij de stoep nog dweilen.Het wasschen is geen mannentaak,Maar wel het is der vrouwen zaak.Terwijl dat Jan het huiswerk doet,Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?Want Jan is vrouw en Griet is man.Jan wil het kind voor honger hoeden,Zal ʼt met een lekker papje voeden.Als zijn kindje huilen wil,Houdt hij ʼt met een popje stilNu het kindje loopen leert,Wordt de vreugd van Jan vermeerd.Daar het kind ondeugend is,Slaat hij met de roê niet mis.Omdat Jan het heeft verbruid,Jaagt hem Griet den huize uit.Jan en Griet bespreken beiden,Waartoe hun kind op te leiden.Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,—tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt,somsniet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimkenʼs lotgevallen?—De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.Klein Duimpje, uit een kool gekomen,Wordt door de moeder aangenomen.Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,In eenen holleblok gewiegd.Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,Ik schrijf met eene musschenpen.De meester jaagt de school hem uit,Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.De moeder zegt: wel dat is fraai,En vindt hem in de eetschapraai.Gaat, om zijn moeder meer te tergen,Zich achter eenen bessem bergen.Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,Doch laat hij zijne perten niet.Wil in den kelder melk gauw drinken,Doch moet schier in de teil verdrinken.Droogt aan een vuur zijn natten kop,Een koe, die slokt hem levend op.Dees vette koe wordt door den pachterTerstond verkocht aan eenen slachter.Zoo haast de man het beest legt open,Komt Duimken uit haar lijf gekropen.Hij vaart in eene nootschelp hierVoor zijn vermaak op een rivier.Kleinduimpje. Petit Pouget.Kleinduimpje. Petit Pouget.Men gaat hem, door de koorts geslagenIn eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.Genezen zijnde, leert de fiel,Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,Zijns meesters kempewagen voort.Dwaalt in een bosch en ziet met schroomEen wolf ... hij kruipt op eenen boom.Hij vindt een bedelaar slapen; strakSteelt hij zijn eten uit den zak.De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,Kruipt Duimken langs een ander uit.Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vurenDer knapen, die om turf en brandhout bij de burenZijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blijMet hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter,Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:Vier eeuwen is het reeds geleden,Dat men in ʼt magtig AmsterdamHem tot Patroon of Schutsheer nam,En als een heilige heeft gebeden.Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden:Gloria in excelsis Deo.De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):De Koning.Ik ben koning van de vrienden,Mannen! spaart mijn tafel niet.ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,Dus intusschen geen verdriet.De Voorproever.Om scherp in mijn ambt te treden,Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,Dat verzacht en hitst de redenEn men lekt zijn vingers af.De Zot.Wil op ʼt woord des konings drinken,Want, die mist op zijn gebod,Zal ik wel zoo zwart doen blinkenAls het gat van dezen pot.Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn “van ouds vermaard” en telkens weer “nieuw vermakelijk” ganzenspel.Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op debrugkwam, moest tol betalen; die in deherbergkwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in deputkwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in dendoolhofkwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in degevangeniskwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die—o schrik!—op dendoodkwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.—Zie nogEmile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.De bekende centsprent, die de komische volksfiguur vanHarlekijnvoorstelt (met hetHarlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over hetvolkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen vanDriesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onzeJan Klaassen, metzijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.Hij is ook de held van het Noordnederlandschepoppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIeeeuw deed de DuitscheHanswurstzijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst doorHans Pekelharing, later doorJan Klaassen.Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:Elk pastop zijnzakke.Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,—en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het “Poesje” waarvanAry Delenin zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in ElsevierʼsGeïll. Maandschrift schrijft: “Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel” (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen vande Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, ValentijnenOerson, de Prinses van Spanjeenvan Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd:De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaarsenz.Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. Deabelespelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudigekluchtheeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door eenTeniers, Van Ostade, Jan Steene.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.—ZieJ. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVetot de XVIIIeeeuw (Haarlem 1854);J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).
Onder een andere voorstelling, die eenUilals pendant heeft, leest men:O uil, gij doet mij onregt;Het muisje was mij toegelegd.Onder den uil:Ja kat, dat heb ik wel geweten,Het ongegunde brood wordt meest gegeten.Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de “mooie mannen”: dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:Wij snijden het haar en scheren den baard,In onze hand is een ieder vervaard.Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):De drijftol loopt nooit zonder slagen,Gehoorzaamheid moet u behagen.Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk vanLafontaineuitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowskiʼs afscheid:Poniotowski zeer gezwindNeemt afscheid van zijn vrouw en kind;of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:Ziet Jan hier met een popje spelen;Mij dunkt het moet hem ras vervelen.Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!Gaat gij met meisjes touwtje springen!Neen, dat staat zeker nimmer goed,Een jongen met een meisjeshoed.Zoo Griet, klimt gij zonder schromenNet als een jongen in de boomen!Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.Nu kan het toch niet erger zijn,Zij speelt de rol van kapitein.Griet vangt met Jan het vrijen aan;Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.Jan laat zich door den priester trouwen,Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.Hier is de orde al te zoek,Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.Griet wil van geen huiswerk weten,Daarom kookt nu Jan het eten.Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,Mag hij niet zitten, maar moet staan.Ziet Jan eens in het water plassen,Om toch de vaten schoon te wasschen.Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,En breekt bijna al de ruiten.Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;En toch moet gij de stoep nog dweilen.Het wasschen is geen mannentaak,Maar wel het is der vrouwen zaak.Terwijl dat Jan het huiswerk doet,Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?Want Jan is vrouw en Griet is man.Jan wil het kind voor honger hoeden,Zal ʼt met een lekker papje voeden.Als zijn kindje huilen wil,Houdt hij ʼt met een popje stilNu het kindje loopen leert,Wordt de vreugd van Jan vermeerd.Daar het kind ondeugend is,Slaat hij met de roê niet mis.Omdat Jan het heeft verbruid,Jaagt hem Griet den huize uit.Jan en Griet bespreken beiden,Waartoe hun kind op te leiden.Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,—tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt,somsniet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimkenʼs lotgevallen?—De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.Klein Duimpje, uit een kool gekomen,Wordt door de moeder aangenomen.Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,In eenen holleblok gewiegd.Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,Ik schrijf met eene musschenpen.De meester jaagt de school hem uit,Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.De moeder zegt: wel dat is fraai,En vindt hem in de eetschapraai.Gaat, om zijn moeder meer te tergen,Zich achter eenen bessem bergen.Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,Doch laat hij zijne perten niet.Wil in den kelder melk gauw drinken,Doch moet schier in de teil verdrinken.Droogt aan een vuur zijn natten kop,Een koe, die slokt hem levend op.Dees vette koe wordt door den pachterTerstond verkocht aan eenen slachter.Zoo haast de man het beest legt open,Komt Duimken uit haar lijf gekropen.Hij vaart in eene nootschelp hierVoor zijn vermaak op een rivier.Kleinduimpje. Petit Pouget.Kleinduimpje. Petit Pouget.Men gaat hem, door de koorts geslagenIn eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.Genezen zijnde, leert de fiel,Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,Zijns meesters kempewagen voort.Dwaalt in een bosch en ziet met schroomEen wolf ... hij kruipt op eenen boom.Hij vindt een bedelaar slapen; strakSteelt hij zijn eten uit den zak.De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,Kruipt Duimken langs een ander uit.Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vurenDer knapen, die om turf en brandhout bij de burenZijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blijMet hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter,Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:Vier eeuwen is het reeds geleden,Dat men in ʼt magtig AmsterdamHem tot Patroon of Schutsheer nam,En als een heilige heeft gebeden.Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden:Gloria in excelsis Deo.De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):De Koning.Ik ben koning van de vrienden,Mannen! spaart mijn tafel niet.ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,Dus intusschen geen verdriet.De Voorproever.Om scherp in mijn ambt te treden,Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,Dat verzacht en hitst de redenEn men lekt zijn vingers af.De Zot.Wil op ʼt woord des konings drinken,Want, die mist op zijn gebod,Zal ik wel zoo zwart doen blinkenAls het gat van dezen pot.Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn “van ouds vermaard” en telkens weer “nieuw vermakelijk” ganzenspel.Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op debrugkwam, moest tol betalen; die in deherbergkwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in deputkwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in dendoolhofkwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in degevangeniskwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die—o schrik!—op dendoodkwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.—Zie nogEmile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.De bekende centsprent, die de komische volksfiguur vanHarlekijnvoorstelt (met hetHarlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over hetvolkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen vanDriesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onzeJan Klaassen, metzijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.Hij is ook de held van het Noordnederlandschepoppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIeeeuw deed de DuitscheHanswurstzijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst doorHans Pekelharing, later doorJan Klaassen.Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:Elk pastop zijnzakke.Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,—en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het “Poesje” waarvanAry Delenin zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in ElsevierʼsGeïll. Maandschrift schrijft: “Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel” (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen vande Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, ValentijnenOerson, de Prinses van Spanjeenvan Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd:De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaarsenz.Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. Deabelespelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudigekluchtheeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door eenTeniers, Van Ostade, Jan Steene.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.—ZieJ. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVetot de XVIIIeeeuw (Haarlem 1854);J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).
Onder een andere voorstelling, die eenUilals pendant heeft, leest men:O uil, gij doet mij onregt;Het muisje was mij toegelegd.Onder den uil:Ja kat, dat heb ik wel geweten,Het ongegunde brood wordt meest gegeten.Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de “mooie mannen”: dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:Wij snijden het haar en scheren den baard,In onze hand is een ieder vervaard.Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):De drijftol loopt nooit zonder slagen,Gehoorzaamheid moet u behagen.Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk vanLafontaineuitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowskiʼs afscheid:Poniotowski zeer gezwindNeemt afscheid van zijn vrouw en kind;of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:Ziet Jan hier met een popje spelen;Mij dunkt het moet hem ras vervelen.Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!Gaat gij met meisjes touwtje springen!Neen, dat staat zeker nimmer goed,Een jongen met een meisjeshoed.Zoo Griet, klimt gij zonder schromenNet als een jongen in de boomen!Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.Nu kan het toch niet erger zijn,Zij speelt de rol van kapitein.Griet vangt met Jan het vrijen aan;Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.Jan laat zich door den priester trouwen,Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.Hier is de orde al te zoek,Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.Griet wil van geen huiswerk weten,Daarom kookt nu Jan het eten.Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,Mag hij niet zitten, maar moet staan.Ziet Jan eens in het water plassen,Om toch de vaten schoon te wasschen.Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,En breekt bijna al de ruiten.Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;En toch moet gij de stoep nog dweilen.Het wasschen is geen mannentaak,Maar wel het is der vrouwen zaak.Terwijl dat Jan het huiswerk doet,Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?Want Jan is vrouw en Griet is man.Jan wil het kind voor honger hoeden,Zal ʼt met een lekker papje voeden.Als zijn kindje huilen wil,Houdt hij ʼt met een popje stilNu het kindje loopen leert,Wordt de vreugd van Jan vermeerd.Daar het kind ondeugend is,Slaat hij met de roê niet mis.Omdat Jan het heeft verbruid,Jaagt hem Griet den huize uit.Jan en Griet bespreken beiden,Waartoe hun kind op te leiden.Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,—tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt,somsniet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimkenʼs lotgevallen?—De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.Klein Duimpje, uit een kool gekomen,Wordt door de moeder aangenomen.Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,In eenen holleblok gewiegd.Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,Ik schrijf met eene musschenpen.De meester jaagt de school hem uit,Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.De moeder zegt: wel dat is fraai,En vindt hem in de eetschapraai.Gaat, om zijn moeder meer te tergen,Zich achter eenen bessem bergen.Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,Doch laat hij zijne perten niet.Wil in den kelder melk gauw drinken,Doch moet schier in de teil verdrinken.Droogt aan een vuur zijn natten kop,Een koe, die slokt hem levend op.Dees vette koe wordt door den pachterTerstond verkocht aan eenen slachter.Zoo haast de man het beest legt open,Komt Duimken uit haar lijf gekropen.Hij vaart in eene nootschelp hierVoor zijn vermaak op een rivier.Kleinduimpje. Petit Pouget.Kleinduimpje. Petit Pouget.Men gaat hem, door de koorts geslagenIn eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.Genezen zijnde, leert de fiel,Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,Zijns meesters kempewagen voort.Dwaalt in een bosch en ziet met schroomEen wolf ... hij kruipt op eenen boom.Hij vindt een bedelaar slapen; strakSteelt hij zijn eten uit den zak.De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,Kruipt Duimken langs een ander uit.Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vurenDer knapen, die om turf en brandhout bij de burenZijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blijMet hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter,Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:Vier eeuwen is het reeds geleden,Dat men in ʼt magtig AmsterdamHem tot Patroon of Schutsheer nam,En als een heilige heeft gebeden.Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden:Gloria in excelsis Deo.De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):De Koning.Ik ben koning van de vrienden,Mannen! spaart mijn tafel niet.ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,Dus intusschen geen verdriet.De Voorproever.Om scherp in mijn ambt te treden,Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,Dat verzacht en hitst de redenEn men lekt zijn vingers af.De Zot.Wil op ʼt woord des konings drinken,Want, die mist op zijn gebod,Zal ik wel zoo zwart doen blinkenAls het gat van dezen pot.Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn “van ouds vermaard” en telkens weer “nieuw vermakelijk” ganzenspel.Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op debrugkwam, moest tol betalen; die in deherbergkwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in deputkwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in dendoolhofkwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in degevangeniskwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die—o schrik!—op dendoodkwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.—Zie nogEmile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.De bekende centsprent, die de komische volksfiguur vanHarlekijnvoorstelt (met hetHarlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over hetvolkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen vanDriesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onzeJan Klaassen, metzijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.Hij is ook de held van het Noordnederlandschepoppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIeeeuw deed de DuitscheHanswurstzijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst doorHans Pekelharing, later doorJan Klaassen.Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:Elk pastop zijnzakke.Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,—en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het “Poesje” waarvanAry Delenin zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in ElsevierʼsGeïll. Maandschrift schrijft: “Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel” (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen vande Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, ValentijnenOerson, de Prinses van Spanjeenvan Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd:De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaarsenz.Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. Deabelespelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudigekluchtheeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door eenTeniers, Van Ostade, Jan Steene.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.—ZieJ. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVetot de XVIIIeeeuw (Haarlem 1854);J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).
Onder een andere voorstelling, die eenUilals pendant heeft, leest men:
O uil, gij doet mij onregt;Het muisje was mij toegelegd.
O uil, gij doet mij onregt;Het muisje was mij toegelegd.
O uil, gij doet mij onregt;
Het muisje was mij toegelegd.
Onder den uil:
Ja kat, dat heb ik wel geweten,Het ongegunde brood wordt meest gegeten.
Ja kat, dat heb ik wel geweten,Het ongegunde brood wordt meest gegeten.
Ja kat, dat heb ik wel geweten,
Het ongegunde brood wordt meest gegeten.
Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:
Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.
Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.
Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;
En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.
Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de “mooie mannen”: dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:
Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.
Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.
Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,
Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;
Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,
Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.
En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!
Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.
Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:
Wij snijden het haar en scheren den baard,In onze hand is een ieder vervaard.
Wij snijden het haar en scheren den baard,In onze hand is een ieder vervaard.
Wij snijden het haar en scheren den baard,
In onze hand is een ieder vervaard.
Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):
De drijftol loopt nooit zonder slagen,Gehoorzaamheid moet u behagen.
De drijftol loopt nooit zonder slagen,Gehoorzaamheid moet u behagen.
De drijftol loopt nooit zonder slagen,
Gehoorzaamheid moet u behagen.
Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk vanLafontaineuitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowskiʼs afscheid:
Poniotowski zeer gezwindNeemt afscheid van zijn vrouw en kind;
Poniotowski zeer gezwindNeemt afscheid van zijn vrouw en kind;
Poniotowski zeer gezwind
Neemt afscheid van zijn vrouw en kind;
of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.
Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:
Ziet Jan hier met een popje spelen;Mij dunkt het moet hem ras vervelen.
Ziet Jan hier met een popje spelen;Mij dunkt het moet hem ras vervelen.
Ziet Jan hier met een popje spelen;
Mij dunkt het moet hem ras vervelen.
Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!Gaat gij met meisjes touwtje springen!
Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!Gaat gij met meisjes touwtje springen!
Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!
Gaat gij met meisjes touwtje springen!
Neen, dat staat zeker nimmer goed,Een jongen met een meisjeshoed.
Neen, dat staat zeker nimmer goed,Een jongen met een meisjeshoed.
Neen, dat staat zeker nimmer goed,
Een jongen met een meisjeshoed.
Zoo Griet, klimt gij zonder schromenNet als een jongen in de boomen!
Zoo Griet, klimt gij zonder schromenNet als een jongen in de boomen!
Zoo Griet, klimt gij zonder schromen
Net als een jongen in de boomen!
Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.
Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.
Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,
Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.
Nu kan het toch niet erger zijn,Zij speelt de rol van kapitein.
Nu kan het toch niet erger zijn,Zij speelt de rol van kapitein.
Nu kan het toch niet erger zijn,
Zij speelt de rol van kapitein.
Griet vangt met Jan het vrijen aan;Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.
Griet vangt met Jan het vrijen aan;Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.
Griet vangt met Jan het vrijen aan;
Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.
Jan laat zich door den priester trouwen,Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.
Jan laat zich door den priester trouwen,Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.
Jan laat zich door den priester trouwen,
Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.
Hier is de orde al te zoek,Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.
Hier is de orde al te zoek,Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.
Hier is de orde al te zoek,
Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.
Griet wil van geen huiswerk weten,Daarom kookt nu Jan het eten.
Griet wil van geen huiswerk weten,Daarom kookt nu Jan het eten.
Griet wil van geen huiswerk weten,
Daarom kookt nu Jan het eten.
Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,Mag hij niet zitten, maar moet staan.
Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,Mag hij niet zitten, maar moet staan.
Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,
Mag hij niet zitten, maar moet staan.
Ziet Jan eens in het water plassen,Om toch de vaten schoon te wasschen.
Ziet Jan eens in het water plassen,Om toch de vaten schoon te wasschen.
Ziet Jan eens in het water plassen,
Om toch de vaten schoon te wasschen.
Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,En breekt bijna al de ruiten.
Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,En breekt bijna al de ruiten.
Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,
En breekt bijna al de ruiten.
Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;En toch moet gij de stoep nog dweilen.
Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;En toch moet gij de stoep nog dweilen.
Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;
En toch moet gij de stoep nog dweilen.
Het wasschen is geen mannentaak,Maar wel het is der vrouwen zaak.
Het wasschen is geen mannentaak,Maar wel het is der vrouwen zaak.
Het wasschen is geen mannentaak,
Maar wel het is der vrouwen zaak.
Terwijl dat Jan het huiswerk doet,Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.
Terwijl dat Jan het huiswerk doet,Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.
Terwijl dat Jan het huiswerk doet,
Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.
Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.
Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.
Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,
Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.
Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?Want Jan is vrouw en Griet is man.
Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?Want Jan is vrouw en Griet is man.
Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?
Want Jan is vrouw en Griet is man.
Jan wil het kind voor honger hoeden,Zal ʼt met een lekker papje voeden.
Jan wil het kind voor honger hoeden,Zal ʼt met een lekker papje voeden.
Jan wil het kind voor honger hoeden,
Zal ʼt met een lekker papje voeden.
Als zijn kindje huilen wil,Houdt hij ʼt met een popje stil
Als zijn kindje huilen wil,Houdt hij ʼt met een popje stil
Als zijn kindje huilen wil,
Houdt hij ʼt met een popje stil
Nu het kindje loopen leert,Wordt de vreugd van Jan vermeerd.
Nu het kindje loopen leert,Wordt de vreugd van Jan vermeerd.
Nu het kindje loopen leert,
Wordt de vreugd van Jan vermeerd.
Daar het kind ondeugend is,Slaat hij met de roê niet mis.
Daar het kind ondeugend is,Slaat hij met de roê niet mis.
Daar het kind ondeugend is,
Slaat hij met de roê niet mis.
Omdat Jan het heeft verbruid,Jaagt hem Griet den huize uit.
Omdat Jan het heeft verbruid,Jaagt hem Griet den huize uit.
Omdat Jan het heeft verbruid,
Jaagt hem Griet den huize uit.
Jan en Griet bespreken beiden,Waartoe hun kind op te leiden.
Jan en Griet bespreken beiden,Waartoe hun kind op te leiden.
Jan en Griet bespreken beiden,
Waartoe hun kind op te leiden.
Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.
Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,—tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.
Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt,somsniet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimkenʼs lotgevallen?—De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.
Klein Duimpje, uit een kool gekomen,Wordt door de moeder aangenomen.
Klein Duimpje, uit een kool gekomen,Wordt door de moeder aangenomen.
Klein Duimpje, uit een kool gekomen,
Wordt door de moeder aangenomen.
Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,In eenen holleblok gewiegd.
Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,In eenen holleblok gewiegd.
Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,
In eenen holleblok gewiegd.
Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,Ik schrijf met eene musschenpen.
Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,Ik schrijf met eene musschenpen.
Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,
Ik schrijf met eene musschenpen.
De meester jaagt de school hem uit,Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.
De meester jaagt de school hem uit,Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.
De meester jaagt de school hem uit,
Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.
De moeder zegt: wel dat is fraai,En vindt hem in de eetschapraai.
De moeder zegt: wel dat is fraai,En vindt hem in de eetschapraai.
De moeder zegt: wel dat is fraai,
En vindt hem in de eetschapraai.
Gaat, om zijn moeder meer te tergen,Zich achter eenen bessem bergen.
Gaat, om zijn moeder meer te tergen,Zich achter eenen bessem bergen.
Gaat, om zijn moeder meer te tergen,
Zich achter eenen bessem bergen.
Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,Doch laat hij zijne perten niet.
Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,Doch laat hij zijne perten niet.
Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,
Doch laat hij zijne perten niet.
Wil in den kelder melk gauw drinken,Doch moet schier in de teil verdrinken.
Wil in den kelder melk gauw drinken,Doch moet schier in de teil verdrinken.
Wil in den kelder melk gauw drinken,
Doch moet schier in de teil verdrinken.
Droogt aan een vuur zijn natten kop,Een koe, die slokt hem levend op.
Droogt aan een vuur zijn natten kop,Een koe, die slokt hem levend op.
Droogt aan een vuur zijn natten kop,
Een koe, die slokt hem levend op.
Dees vette koe wordt door den pachterTerstond verkocht aan eenen slachter.
Dees vette koe wordt door den pachterTerstond verkocht aan eenen slachter.
Dees vette koe wordt door den pachter
Terstond verkocht aan eenen slachter.
Zoo haast de man het beest legt open,Komt Duimken uit haar lijf gekropen.
Zoo haast de man het beest legt open,Komt Duimken uit haar lijf gekropen.
Zoo haast de man het beest legt open,
Komt Duimken uit haar lijf gekropen.
Hij vaart in eene nootschelp hierVoor zijn vermaak op een rivier.
Hij vaart in eene nootschelp hierVoor zijn vermaak op een rivier.
Hij vaart in eene nootschelp hier
Voor zijn vermaak op een rivier.
Kleinduimpje. Petit Pouget.Kleinduimpje. Petit Pouget.
Kleinduimpje. Petit Pouget.
Men gaat hem, door de koorts geslagenIn eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.
Men gaat hem, door de koorts geslagenIn eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.
Men gaat hem, door de koorts geslagen
In eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.
Genezen zijnde, leert de fiel,Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.
Genezen zijnde, leert de fiel,Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.
Genezen zijnde, leert de fiel,
Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.
Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,Zijns meesters kempewagen voort.
Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,Zijns meesters kempewagen voort.
Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,
Zijns meesters kempewagen voort.
Dwaalt in een bosch en ziet met schroomEen wolf ... hij kruipt op eenen boom.
Dwaalt in een bosch en ziet met schroomEen wolf ... hij kruipt op eenen boom.
Dwaalt in een bosch en ziet met schroom
Een wolf ... hij kruipt op eenen boom.
Hij vindt een bedelaar slapen; strakSteelt hij zijn eten uit den zak.
Hij vindt een bedelaar slapen; strakSteelt hij zijn eten uit den zak.
Hij vindt een bedelaar slapen; strak
Steelt hij zijn eten uit den zak.
De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.
De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.
De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,
Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.
Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,Kruipt Duimken langs een ander uit.
Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,Kruipt Duimken langs een ander uit.
Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,
Kruipt Duimken langs een ander uit.
Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.
Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.
Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,
Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.
Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:
Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vurenDer knapen, die om turf en brandhout bij de burenZijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blijMet hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.
Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vurenDer knapen, die om turf en brandhout bij de burenZijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blijMet hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.
Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vuren
Der knapen, die om turf en brandhout bij de buren
Zijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blij
Met hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.
Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter,Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:
Vier eeuwen is het reeds geleden,Dat men in ʼt magtig AmsterdamHem tot Patroon of Schutsheer nam,En als een heilige heeft gebeden.
Vier eeuwen is het reeds geleden,Dat men in ʼt magtig AmsterdamHem tot Patroon of Schutsheer nam,En als een heilige heeft gebeden.
Vier eeuwen is het reeds geleden,
Dat men in ʼt magtig Amsterdam
Hem tot Patroon of Schutsheer nam,
En als een heilige heeft gebeden.
Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden:Gloria in excelsis Deo.
De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):
De Koning.
Ik ben koning van de vrienden,Mannen! spaart mijn tafel niet.ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,Dus intusschen geen verdriet.
Ik ben koning van de vrienden,Mannen! spaart mijn tafel niet.ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,Dus intusschen geen verdriet.
Ik ben koning van de vrienden,
Mannen! spaart mijn tafel niet.
ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,
Dus intusschen geen verdriet.
De Voorproever.
Om scherp in mijn ambt te treden,Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,Dat verzacht en hitst de redenEn men lekt zijn vingers af.
Om scherp in mijn ambt te treden,Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,Dat verzacht en hitst de redenEn men lekt zijn vingers af.
Om scherp in mijn ambt te treden,
Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,
Dat verzacht en hitst de reden
En men lekt zijn vingers af.
De Zot.
Wil op ʼt woord des konings drinken,Want, die mist op zijn gebod,Zal ik wel zoo zwart doen blinkenAls het gat van dezen pot.
Wil op ʼt woord des konings drinken,Want, die mist op zijn gebod,Zal ik wel zoo zwart doen blinkenAls het gat van dezen pot.
Wil op ʼt woord des konings drinken,
Want, die mist op zijn gebod,
Zal ik wel zoo zwart doen blinken
Als het gat van dezen pot.
Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn “van ouds vermaard” en telkens weer “nieuw vermakelijk” ganzenspel.
Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op debrugkwam, moest tol betalen; die in deherbergkwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in deputkwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in dendoolhofkwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in degevangeniskwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die—o schrik!—op dendoodkwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.—Zie nogEmile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.
De bekende centsprent, die de komische volksfiguur vanHarlekijnvoorstelt (met hetHarlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over hetvolkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen vanDriesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onzeJan Klaassen, metzijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.
Hij is ook de held van het Noordnederlandschepoppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIeeeuw deed de DuitscheHanswurstzijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst doorHans Pekelharing, later doorJan Klaassen.
Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:
Elk pastop zijnzakke.
Elk pastop zijnzakke.
Elk past
op zijn
zakke.
Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,—en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.
In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het “Poesje” waarvanAry Delenin zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in ElsevierʼsGeïll. Maandschrift schrijft: “Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel” (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen vande Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, ValentijnenOerson, de Prinses van Spanjeenvan Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd:De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaarsenz.
Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. Deabelespelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudigekluchtheeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door eenTeniers, Van Ostade, Jan Steene.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.—ZieJ. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVetot de XVIIIeeeuw (Haarlem 1854);J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).