De Volkswetenschap.De behandeling der volkswetenschap zal uiteraard heel wat beknopter zijn dan die van de volkskunst. Want het volksleven is veel meer gevoels- dan geestesleven. Zelfs op het veld der wetenschap doet dit gevoelsleven zijn rechten gelden en verkiest het de bekoorlijke, dichterlijke, fantastische verklaring boven den soberen, logischen redeneertrant. Een sprookje is het volk liever dan een betoog. Zoo vertroebelt het gevoel de volkswetenschap en maakt ze in zekeren zin tot een kunstvorm.Wetenschap is systematische oorzakelijke kennis; zij vereischt een bewust en methodisch streven naar het ware, onder eenheid van gezichtspunt. Ook de volkswetenschap streeft naar oorzakelijke kennis, naar verklaring van taalvorm, bloem, mineraal, rotsgedaante, ziekte, kracht der geneesmiddelen, weêrverschijnselen enz. En zoo komen wij weer tot een overeenkomstig resultaat als bij de overige faktoren der volkskultuur, dit namelijk: dat de volkswetenschapin wezenniet van de kultuurwetenschap verschilt. Maar afgezien nog van het feit, dat het volk zich niet bewust is, wetenschappelijk werkzaam te zijn, is het oordeel zoo min gescheiden van de fantasie, dat van een zuiver-methodisch waarheidsstreven geen sprake kan zijn.De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt gehouden. Wanneer het volk zegt: “Groene Kerstmis, witte Paschen”, dan brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr, maar mocht het tot een verklaring komen,dan zou deze meer op een natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering.Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te louteren,—en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte zijner natuurbeschouwing.I. Volksetymologie.De term “volksetymologie” heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in deZeitschrift für vergleichende SprachforschungXXIII doorW. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen vanMax Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie,MoltzerenVerdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht doorSteinthal, PaulenWundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den ZweedKjederquistin Paul und Brauneʼs Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie vanC. de Vooysin de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: “onbewusteklank- en begripsassociatiesmet of zonder wijziging van den woordvorm”. Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbarezondvloed, uit het Oudhoogduitschesin-vluot“groote vloed”, door het volk met “zonde” in verband gebracht, en het kinderlijkelepeltraanvoorlevertraan. Men zal mij wellicht tegenwerpen, datonbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar gewordensinvervangen door of liever vervormd tot het bekendezond(e) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnschequiritare“luid schreeuwen” eertijds wel eens metQuirites“Romeinsche staatsburgers” in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v.Sint Reinuut: schoon op, “rein aus”, voorSint Reinout;kattegezanikvoorkatechesatie;zemelachtigvoorzenuwachtig; hij lijdt aan degriep, eigenlijk “verkoudheid”, maar met “grijpen” in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: “SintAndriesbrengt devries, SintMathijsbreekt hetijs.3. Zuivere klankassociaties, alskrantuitcourant, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. Indeze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgevenoorlam, uit het Maleischeorang lama; wellicht scheurbuik, uitschorbût; maar stellig niet het Vlaamschescheurbek, en evenminsuikerijenzenuwbladen (Folia sennae), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.Scheurbek,suikerijenzenuwbladenbehooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v.Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf;—de bast vanRhamnus frangula: ramenasbast;—Oleum ricini: rosijnenolie;—nieswortel:Limb.anieswortel;—Unguentum hydrargyritegen ruit:ruiterszalfofruitertjeszalf. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming vanAloë socotrinatot Limb.sȯkertrienschen aloë, d.i.suikertrijnsche aloë. Zie hierover het artikel vanDenis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl.Aloëwordt ook welalewien.De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woordkatapultbegrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woordkatbrengt menigeen er toe,katapultongewild te vervormen totkattepul, of nog meer teekenend totkattepiel(=pijl), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden:drieangel(triangel), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel;sukerla(chokola);lekkeris(lacarissa= drop);prulleet(proleet);honinggraat(honigraat).Hagedoornwordt volksetymologisch tothageldoorn;hazelnoottothazenoot;nieuwsgierig Aagjetotnieuwsgierigaardje;meikevertotmeikegel(kleuriger is het HoogduitscheMeikleber);NijmegentotNimwegen;madeliefje, Middelnederl.matelieve, is vervormd totmaagdeliefjeen totmeizoe(n)tje, en dit weer dialektisch totmêlzeûdje(zaadje). De appelen, die wijzijden-hempjesnoemen, stammen uit de Engelsche stadSydenham. Men denke ook aan de uitdrukking “straten voor stegen kennen”, die in Limburg, waar men geenstegenkent, wordt: “straten voor steenen kennen”; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.Van plantnamen noem ik nog debijvoet(Artemisia). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vormbijbootin verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft.Zonnedauw, onze benaming van deDrosera, heeft zich volksetymologisch uitsinnau“immerdurende dauw” ontwikkeld.Rosmarijn, uit het Latijnscheros marinus“zeedauw”, wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werdrozemarijnonder den invloed vanroos.Herba Mandragoraewerdmandragerskruid. Het peperboompje (Daphne Mezereum) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengelmiserieboomke. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal:botram-marcheertrommel(botaniseertrommel);manheer(meneer); het reeds genoemdelepeltraanenz.; zie vooralDe Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v.geeuwhongerennachtmerrie. De verouderde vormengee:gaenmarezijn hier metgeeuwenenmerrie(men denke aan het nachtspook, dat iemand “berijdt”) in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheelverdrongen wordt. Zoo beduiddepootigoorspronkelijk “koppig” en hadophemelende beteekenis van “schoonmaken”.Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. Inlintwormbeteekendelintoorspronkelijk insgelijks “worm”, terwijl men het thans met onslintin verband brengt.Ongeliktwordt tegenwoordig met het gewone werkwoordlikkenverbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoordlikken, dat de beteekenis van “polijsten” had. InDonderstraatis geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet metProf. Donders, maar metdonderin verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht isrijn(rein) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.Van deze klank- en begripsassociatie verschilt deetymologische natuurverklaring, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming vanArumtotAronzal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra vanAronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf. DeValerianella olitoriaheet ookSanctae Clarae herba; het volk gaat verder, en spreekt vankleer-ooge. Van dentreurwilgweet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden,zuchtte Christus: “treure wilg, treure”. Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hijtreurwilg. Hetnieskruidwordt plaatselijk totAgneeskruid; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde deboekweit. Zie vooralIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij “het is toch maar eenmond vol land”: Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.DeAsperula odorata, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIeeeuw, alsO.L. Vrouwen-bedstroovermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:Onzer-Vrouwen-bedstroo.Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.Op zekeren dag peinsde de H. Anna:Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.“Nu ik heb het gevonden”, riep zij uit. “Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen”. Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:“Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!” zeggen zij eenvoudig.(Uit Vlaanderen).Eindelijk de volksetymologie vanplaatsnamen.Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: “Grijp! Grijp!” Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: “Sa mar! sa mar!” (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: “Berg hem! Berg hem!” Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem).Waling Dijkstraverhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijlDe Cockin zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaatsKalevoetgeheeten, d.i.Karel-te-voet.II. Volksgeneeskunde.Bij gezette overweging blijkt het, “dat naast de officieele therapie een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Ditis de eigenlijke volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie beweegt en haar adepten bij duizenden telt”. AldusM. A. van Andelin zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht 1909), bl 5.Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, bl.64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, zooalsO. V. HovorkaenA. Kronfeldin hun standaardwerk over deVergleichende Volksmedizin(Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merktVan Andelop, dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van gisteren zijn.Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer eigenaardige, van de kultuurgeneeskundeafwijkende, strikt-populaire in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaamhuist. Zoo spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, zegtGaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den lepel en zijn duidelijk te zien.Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische geneesmiddelen.Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele volksgeneeskunde wordt beheerscht door desympathie, die de geneeskracht van designatuur, d.i. de teekenen der dingen afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode stoffen bijbloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer der signaturen niet altijd alsleiddraadbij het opsporen van geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts alsverklaringeener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent het artikel vanProf. Van Leersumover de Waardeering van Oude en Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII (1914), bl. 1952.1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand luidt de inleiding: “De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult zwellen of verzweren”.—Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde bespreking tegen brandwonden mee te deelen:Onsʼ Heere Jezus kwam aldaar gegaan,Hij vond er een kindeke in brande staan.Hij nam het in Zijne gebenedijde handEnbluschte den gebenedijdenbrand.En ʼt enzwoernoch ʼt enzwol,En ʼk hoop in Jezusʼ naam, dat ʼt ook nietdoenenzol.In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere formules worden ons medegedeeld doorDr. Boekenoogenin Onze Rijmen, bl. 67; zoo b.v.:Moeder Maria ging over den berg,Ze nam een tak van den heiligen boom,Ze wierp ʼem over haar hoofd in den stroom.Kwik door dit, kwik door dat,Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.Den korteren vorm vertoont:Dit arm of pootIsverruktofverstoot.ʼt Zal nietverrottenofverzwerenIn den naam des Heeren, C.A.B.Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. Destriekerlegt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:Ik verbinde deze wonde,Ik stille dat bloed in deze stonde,Als Christus de Heer opgevaren is.Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:Deze man enz. is over een berg geloopen,Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,Het moet in de Roode Zee verdwijnen,Gelijk de Wijzen uit het Oosten,En God genas het met der stond,O Heer, help mij! Amen.2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel op een persoon of zaakovergedragen. In de Friesche Wouden wordt de bilzucht hetkoude vuurgenoemd; maar men meent, dat zij licht kan worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagelin het levenen maakt dan den bast van een boom ook los totin het leven(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vingerhet vochtdaaruit tegen en tusschenhet vochtvan den boom: dan heeft de boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland—en verre buiten de grenzen—bekend. Men noemt dit “de koorts afbinden.” Ook kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:Olde MaroldeIk hebbe de kolde,Ik hebbe ze noe,Ik geve ze oe,Ik bind ze hier neer,Ik krijg ze niet weer.De koorts—of een ander ziektewezen—wordt ook met spijkers in een boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, in ʼt water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven,ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te schrijven: “Koorts, ik ben niet thuis” (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:Koorts, koorts, ik ben niet thuis,Ga maar naar een ander huis.Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:Deventer:ʼk Heb de hikʼk Heb ze prikʼk Heb ze nouwʼk Geef ze aan jou.Venloo:Ik heb den hikIk heb de pikIk gêf um aan ʼn noaberman,Dê ʼt good verdrage kan.Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, dan groeit het hart, meent het volk.3. Bij desympathetische geneesmiddelenwordt het verband tusschen kwaal en geneesmiddel gezochtin de oorzaak: zoo legt men haar van den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen met brandewijn in;—in de kleur: een geelsappig kruid, als de stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen huiduitslag (Maas en Waal);—in den vorm: zoo dient het longkruid met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (Euphrasia) vertoonen een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;—in den aard: pieren, in een zakje op de borst gedragen,zijn van baat tegen de wormen;—in den naam: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een merkwaardig voorbeeld geeftDenis Schrijnenin het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beidenKrebsheeten.4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival van eenofferte erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage slechts zeer onvoldoende bekend zijn.5. Met name ontgaat ons de beteekenis van velegeneeskrachtige kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordthij gebezigd tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (Juniperus communis) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het duizendblad (Achillea Millefolium) heet een deugdelijk middel te zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de naam Achillea hier wellicht de verklaring?Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (Arnica montana), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de Oostfriesche benamingWulfsblömeen onswolverleiblijkt. De schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep (Cannabis sativa) heeft groote magische kracht en wordt vooral als verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (Humulus Lupulus) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de zelf (Salvia officinalis) staat bij het volk hoog aangeschreven: zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven, wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en, zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap, dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen de zoogenaamde konstitutioneeleziekten aanwendt. “Dit staat vast”, schrijftProf. Van Leersumt. a. p., bl. 1959, “dat wij een groot aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china, coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben”.Zie verder:Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900—1901, bl. 1 vlg.;A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.;Denis Schrijnen, Volksgeloof omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad 1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41;F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912);Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 163;L. Sloet, in De Gids 1881, 2, bl. 221, 413, 439;V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.III. Natuurverklaring en weerkunde.1. Uiteraard is ook denatuurverklaringvan het volk hoogst gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil zich overdag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, de hazenlip gespleten is?Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij spreken dan vannatuurverklarende sprookjesenz.; en deze vindt men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal vindt men bijO. Dähnhardt,Natursagen, zie boven;Naturgeschichtliche Volksmärchen(Leipzig 1898).Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te plagen. Vanwaar hetHulbij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of houtdief, die ʼs Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, toen Christusgekruisigd werd; zieWelters, Limburgsche Legenden II, bl. 61;Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De ooievaar, de vorst der Geldersche vogels—te Groningen zegt men de gansarend—verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog veel hooger het luchtruim in.Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.—Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik bedroog en nu bang voor hem is.Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen verspreid, zooalsDe MontenDe Cock, Joos, CornelissenenVerlietons mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van “koninksken” en “koninksvogelken”, terwijl de Geldersche lezing het geroep van het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep het beestje: “Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!” Maar de katuil roept nog altijd klagend: “Er-oêt,er-oêt!” Een Fransch sprookje zegt, dat de uil “hu-hu-hu-hu” roept van de kou.Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. VolgensDähnhardtmoet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.—2. De schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg op te stellen, die op de vraag: “Schildpad, waar ben je?” moeten antwoorden: “Hier!”—3. Een klein dier, dat zich aan den staart van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te Maasland kent men ook het verhaal van het wedvliegen, maar vervangt er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, Finland en Zweden verhaalt men van het wedzwemmenvan visschen, en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, meende de schol te barstenvan nijd. Zij beproefde een list en begon te roepen: “Panharing! panharing!” en zoo lang schreeuwde zij, tot haar muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. ZieDe Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.;Boekenoogen, in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.;CornelissenenVervliet, Vlaamsche Volksvertelsels, bl. 224.Waarom roept de duif: “Rookoe, rookoe?”De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En daarom roept de duif voortdurend: “Rookoe, rookoe”: Driem. Bladen I, bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.Waarom is de schol plat?Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook altijd plat gebleven:Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 137.Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds zichtbaar.Waarom lijkt de mier half doorgebroken?Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier met het zwaard midden door.—Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds bekende motieven een plaats vinden.Waarom heeft de kwakkel geen staart?De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, “verdronken” moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: “Ik wil ʼt geld van mijn bier!” Waarop de kwakkel antwoordt: “Ge hebt het gehad, ge hebt het gehad!”Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens enz. verdeelde.—Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken teklagen en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld laten.Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, om het kind in ʼt oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! DeRosa rubiginosaheeft roode puntjes op de twijgen: die komen van ʼs Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide de stukken over de bergen.—Maar de weetgierigheid van het volk vroeg ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.Waarom heeft het viooltje geen geur?Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: “Heilige Drievuldigheid, ontneem mij mijn geur!” De H. Drievuldigheid antwoordde: “Het geschiede naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn naam1dragen.”Waarom draagt de Haagwinde (Convolvulus sepium) den naam van O.L. Vrouweglazeken?2In Vlaanderen verhaalt men:Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:“Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los”.“Zeer geern, Lieve Vrouw”, antwoordde de voerman, “maar ʼk en hebbe geen glas om er den wijn in te doen”.Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:“Schenk mij uwen wijn daarin.”De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met eerbied aan O.L. Vrouwe.“God zegene u”, zeide hij, “lieve Vrouwe”.En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.ʼt Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.—Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der sleutelbloem (Primula Veris), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit van lijnen.Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en ʼt klopte er aan de deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, zijn broertjes.Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en deed ze met gerreken open3; ja maar, met dat hij zag, met wien hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat ʼt klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst opʼt kerkhofvan een buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen ʼt gers en de blomkes van ʼt kerkhof te glinsteren, of daar schoot een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.Nu ʼt gebeurde, dat er daar ʼs anderdaags met den vroegen ochtend een weezeken kwam naar ʼt kerkhof, op ʼt graf van haar onlangs gestorvene moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra had het weezeken die nieuwe blomme in ʼt oog, die zoo fier en zoo mooi te pronken stond; en ʼt was heel verwonderd van zulk een schoone blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. ʼt Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord “Hemel” gesneden stond.De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, en het volk heette zedʼ Hemelssleutelblomme, zoo ze nog heet.ZieIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 115–124;De Cock, Natuurverklarende Sprookjes (Gerit 1912);Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg.,Boekenoogen, Volkskunde XV, bl. 115, 116.2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook devolksweerkunde. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieperinzicht voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met “den schat”, al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het populaire in deze “volkswijsheid” na te gaan, is de taak van den volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men raadplege hierover de studie vanDr. H. Ekamain het Album der Natuur, 15 Nov. 1907.Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Hetdichterlijkeligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of 30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal—zonder mythologischen bijsmaak!—voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of veranderen: “Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen kiel”;—“Sint Petrus vischt graag”;—“Sint Mathijs gooit een gloeienden steen op het ijs”;—“Sint Leendert voert de vliegen weg” (Limburg) enz.—Wil men te Venloo zeggen: “wanneer de wind uit het Westen waait”, dan luidt dit in den volksmond: “wanneer men de klokken van Blerik hoort”. Boven de formuleering: “als het met Lichtmis helder weer is”, verkiest men: “als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt”. Enzoo verder: “als ʼt Kind Jezus geboren is”;—“als een balk voor de zon ligt”;—“als de zon in een nest ligt”;—“als de lucht nog geen warmte kan verdragen”. Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat dan de dagen “een hanengeschrei lengen”; en van Apriltje, dat zich het epitethon “zoet” ter wille van het rijm moet laten welgevallen, zegt men teekenend, dat het “nog wel een vilten hoed geeft”. Het volk spreekt ook graag van “schaapjeswolken”:Schaapjes aan de hemelbaanDuiden wind en regen aan.Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige “op een schimmel komt gereden”.Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het bekende: Sint Andriesbrengt devries, “Sint Mathijsbreekt hetijs”. Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol gespeeld door den faktor dersympathie, een feit, dat naar ik meen, vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan spreken van een sympathetische geneeskunde (bl.304), bestaat er een sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener < vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een “sleêjager”, omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, om er op te rijden met paard en slede.—Ruischt de wind ʼs avonds in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind waaien.—Alsgrijzekraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt dit een strengen winter.—Als de zon op Nieuwjaarsdagschittert, dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het “beweeglijke” van zonnelicht en water).—De begrippen “helder” en “vuil”, in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan volgt schoon weer.— Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, spelt zij droog weer. Maar het begrip “wasschen” kan ook de gedachte aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het haar in, dan komt er onweer.—Als de zon in den kreeft staat, mag men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan de tweevoudige beteekenis van het DuitscheKrebs(bl. 309). Rogge moet gezaaid metwassendemaan, en daarenboven dient men het zaadhoogop te werpen (I, bl.278,279).—Is het borstbeen van de gans doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op hetvoorstegedeelte voorspellen vorst in denvoorwinter, op hetachterdeel in dennawinter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van denbodem. Met padden worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde passeert, zegt men: “de schildpadden kruipen”: Driem. Bladen IX, bl. 50.Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis vanplantenendierenin de volksweerkunde.Bloeiende boomen tweemaal op een rij,Zal de winter zich rekken tot Mei,immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode van rust.—Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en dor weer.—Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.— Harde vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: als de kat door ʼt huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:Als de kwartel rustloos slaat,Weet: het spoedig reegnen gaat.Als de kikvorsch kwaakt,Vast regen naakt.Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:Krassen kraai en raaf verbolgen,Weldra zal er regen volgen.Maar de ooievaar, de geluksvogel, deheil-över, brengt een zachten winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder weer.—Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel derperiodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:Donder in het dorre houtMaakt zes weken guur en koud.De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, het befaamde tijdperk derTwaalf Nachten(I, bl.128), dat zelfs het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude Germanen begon immers op 25 December; vandaar:Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: “zooals de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren”. Ja zelfs: “zooals het zomert, zal het ook winteren”.Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt vroegtijdigezachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor derkritische dagen, Friesch:merkeldagen, beslissend voor het verder verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24enof 25ender maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed was, en nog meer wellicht de 25steApril, Sint Marcusdag, wanneer de voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. VrouweLichtmis, was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik in het Eerste Deel, bl.151, betoogde,—òf het moest zijn, dat de term “bekeering” mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men luistere naar het Duitsche rijmpje:Wenn Paulus sich bekehrtMit einem Sonnenschein,So hoffen wir ein JahrSehr reich an Korn und Wein.Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die volgens de legende, werdomgekeerdop den gloeienden rooster. De 10eAugustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: “Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer”, dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: “als het dan regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk”. Regent het op Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; zou hetweenenvan deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?—Volge nu een kort overzicht van denvolks-weerkalender,tevens landbouw-kalender. Ik begin weer metSint Maar-tensdag(n Nov.):Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,Dan zal ʼt een harde winter zijn.Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;Maar is dien dag het weder helder,De vorst dringt door in meenʼgen kelder.Nevels in Sint MaartensnachtBrengen winters kort en zacht.Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele jaar uitoefent.Sint Caecilia(22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen als maatgevend.Sint Katharina(25 Nov.). Als dan de zon schijnt—men denke aan de volksetymologie—houden de lange herfstregens op.In Zuid-Limburg zegt men: “Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de Rien”; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.Sint Andries(30 Nov.) brengt de vries.Kerstmis(25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.Kerstmis aan den waPaschen aan den brand.Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.Nieuwjaarsdag(1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, weerregels:Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;Westenwind brengt sterfte onder de koningen;Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.Geeft Januari muggenzwerm,Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.Knapt Januari niet van kou,Men zit in oogstmaand in den rouw.Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het motief is dus: “alles heeft zijn gerechtigheid”: wat in Januari te veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief wordt herhaald in allerlei toonaarden.Driekoningendag(6 Jan.)Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,Komt de vorst in ʼt vaderland.Sint Antonius(17 Jan.) brengt ijs of dooi: “Sint Teunis is iês-mêker of iêsbrêker”, zegt men in Zuid-Limburg.Sint Sebastianus(20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:Maakt Sint Theunis de brök (brug),Sint Sebastiaan sjleit ze stök.Sint Vincentius(22 Jan.):Vincentius met zonneschijnGeeft veel koren en veel wijn.Pauli Bekeering(25 Jan.), zie I, bl.151.Maria Lichtmis(2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.Lichtmis donker,Wordt de boer een jonker.Lichtmis helder,De boer in den kelder,of:Lichtmis helder en klaarGeeft een goed ijmenjaar.Geeft Lichtmis klaverblad,Paschen dekt met sneeuw het pad.Sint Pieter-in-den-Winter(22 Febr.). Vriest het dien dag, dan vriest het nog 14 (of 40) dagen.Sint Mathias(24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden steen op het ijs.—Februari mist,Hooi in de kist.Sint Geertrui(17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:Sint MathiesWörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;Sint Gêëtruuj mit de moes4Hoalt um weer droes.Maart moet 7 mooie dagen geven.Stof in MaartIs goud waard.MaartSpeelt met zijn staart.Wat Maart niet wil,Haalt zich April.April kent geen kritische dagen; immers:AprilDoet wat hij wil.of:Heeft zijn gril.Een droge Maart en een natte April,Dan doet de landman wat hij wil.Maart droog en April natGeeft veel koren in het vat.Danst het lammetje in Maart,April vat hem bij den staart.April is aan Mei de korenaar schuldig.IJsheiligen: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een opstel vanB. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde daling der temperatuur wordt ook dehaagdoornkoudegenoemd, omdat dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie is van korten duur, want: “Strenge heeren regeeren niet lang”. Over de groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl.192. Een Vlaamsche weerregel zegt:Als de Mei is koel en wak,Brengt zij veel koren in den zak.Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:Mei oreSint Joacop kore.Sint Medardus(8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog 40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als “regen-heilige” bekend. Maar men rekent ook met de “Zwertzusters”, 14 dagen na Paschen.Sint Jan(24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen Sint Jacob de rogge rijp.—Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, na Sint Jan komt hij van zelf. “Deze meening staat inverband met de werkelijkheid”, schrijftVan Hage; “zooals wij weten zijn de maanden Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland.”Na Sint JanNeemt de zee het onweer niet meer ʼan.(Spijkenisse op Putten).Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.Sint Pieter(29 Juni).Sint Pieter helder en klaarIs een goed ijmenjaar.Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.Marie-Siêp(Visitatio.2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, waarsiêpen“druipen, druppelen” beteekent. Regent het op dezen dag, dan regent het nog 40 dagen.Sint Margriet(20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: “Sint Margriet houdt haar water niet”.Maria Magdalena(20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische dag.Sint Jacob(25 Juli).Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).Sint Dominicus(4 Aug.).Als Sint Dominicus gloeit,Een strenge winter bloeit.Sint Laurentius(10 Aug.).Sint Laurensʼ windMaakt de boekweit blind.Wie knollen wil eten,Moet Sint Laurens niet vergetenMaria Hemelvaart(15 Aug.).Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.Sint Bartholomaeus(24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.—Maar in September en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei- en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, en zoo luidt het dan b.v.: “Vorst in September, een zachte December”, overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.De eenige kritische dag isSint Michielsdag(29 Sept.), dien men als het begin van den voorwinter beschouwt. “Sint Gilis verbuut den ȯngere en den achterȯngere”, zegt de Zuid-Limburger: dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door het nakende winterweer geboeid.Oktober met groene blaârDuidt een strengen winter aan.Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den “kranenzomer”, daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk opAllerheiligen(1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een “Allerheiligen”- of “Oudewijven-zomer.”Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; enAls het met Allerheiligen sneeuwtLeg uw pels gereedMet al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid in Gods beschikking; immers:De mensch maakt den kalender, maar God het weer.en:Alle weer is Gods weer.Zie:EkamaenVan Hage, t.a.p.;N. L. Van Hall, Spreekwoorden enz. betreffende landbouw en weerkennis;Welters, Feesten enz., bl. 116 vlg.; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.;Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 244.
De Volkswetenschap.De behandeling der volkswetenschap zal uiteraard heel wat beknopter zijn dan die van de volkskunst. Want het volksleven is veel meer gevoels- dan geestesleven. Zelfs op het veld der wetenschap doet dit gevoelsleven zijn rechten gelden en verkiest het de bekoorlijke, dichterlijke, fantastische verklaring boven den soberen, logischen redeneertrant. Een sprookje is het volk liever dan een betoog. Zoo vertroebelt het gevoel de volkswetenschap en maakt ze in zekeren zin tot een kunstvorm.Wetenschap is systematische oorzakelijke kennis; zij vereischt een bewust en methodisch streven naar het ware, onder eenheid van gezichtspunt. Ook de volkswetenschap streeft naar oorzakelijke kennis, naar verklaring van taalvorm, bloem, mineraal, rotsgedaante, ziekte, kracht der geneesmiddelen, weêrverschijnselen enz. En zoo komen wij weer tot een overeenkomstig resultaat als bij de overige faktoren der volkskultuur, dit namelijk: dat de volkswetenschapin wezenniet van de kultuurwetenschap verschilt. Maar afgezien nog van het feit, dat het volk zich niet bewust is, wetenschappelijk werkzaam te zijn, is het oordeel zoo min gescheiden van de fantasie, dat van een zuiver-methodisch waarheidsstreven geen sprake kan zijn.De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt gehouden. Wanneer het volk zegt: “Groene Kerstmis, witte Paschen”, dan brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr, maar mocht het tot een verklaring komen,dan zou deze meer op een natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering.Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te louteren,—en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte zijner natuurbeschouwing.I. Volksetymologie.De term “volksetymologie” heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in deZeitschrift für vergleichende SprachforschungXXIII doorW. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen vanMax Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie,MoltzerenVerdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht doorSteinthal, PaulenWundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den ZweedKjederquistin Paul und Brauneʼs Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie vanC. de Vooysin de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: “onbewusteklank- en begripsassociatiesmet of zonder wijziging van den woordvorm”. Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbarezondvloed, uit het Oudhoogduitschesin-vluot“groote vloed”, door het volk met “zonde” in verband gebracht, en het kinderlijkelepeltraanvoorlevertraan. Men zal mij wellicht tegenwerpen, datonbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar gewordensinvervangen door of liever vervormd tot het bekendezond(e) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnschequiritare“luid schreeuwen” eertijds wel eens metQuirites“Romeinsche staatsburgers” in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v.Sint Reinuut: schoon op, “rein aus”, voorSint Reinout;kattegezanikvoorkatechesatie;zemelachtigvoorzenuwachtig; hij lijdt aan degriep, eigenlijk “verkoudheid”, maar met “grijpen” in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: “SintAndriesbrengt devries, SintMathijsbreekt hetijs.3. Zuivere klankassociaties, alskrantuitcourant, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. Indeze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgevenoorlam, uit het Maleischeorang lama; wellicht scheurbuik, uitschorbût; maar stellig niet het Vlaamschescheurbek, en evenminsuikerijenzenuwbladen (Folia sennae), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.Scheurbek,suikerijenzenuwbladenbehooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v.Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf;—de bast vanRhamnus frangula: ramenasbast;—Oleum ricini: rosijnenolie;—nieswortel:Limb.anieswortel;—Unguentum hydrargyritegen ruit:ruiterszalfofruitertjeszalf. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming vanAloë socotrinatot Limb.sȯkertrienschen aloë, d.i.suikertrijnsche aloë. Zie hierover het artikel vanDenis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl.Aloëwordt ook welalewien.De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woordkatapultbegrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woordkatbrengt menigeen er toe,katapultongewild te vervormen totkattepul, of nog meer teekenend totkattepiel(=pijl), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden:drieangel(triangel), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel;sukerla(chokola);lekkeris(lacarissa= drop);prulleet(proleet);honinggraat(honigraat).Hagedoornwordt volksetymologisch tothageldoorn;hazelnoottothazenoot;nieuwsgierig Aagjetotnieuwsgierigaardje;meikevertotmeikegel(kleuriger is het HoogduitscheMeikleber);NijmegentotNimwegen;madeliefje, Middelnederl.matelieve, is vervormd totmaagdeliefjeen totmeizoe(n)tje, en dit weer dialektisch totmêlzeûdje(zaadje). De appelen, die wijzijden-hempjesnoemen, stammen uit de Engelsche stadSydenham. Men denke ook aan de uitdrukking “straten voor stegen kennen”, die in Limburg, waar men geenstegenkent, wordt: “straten voor steenen kennen”; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.Van plantnamen noem ik nog debijvoet(Artemisia). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vormbijbootin verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft.Zonnedauw, onze benaming van deDrosera, heeft zich volksetymologisch uitsinnau“immerdurende dauw” ontwikkeld.Rosmarijn, uit het Latijnscheros marinus“zeedauw”, wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werdrozemarijnonder den invloed vanroos.Herba Mandragoraewerdmandragerskruid. Het peperboompje (Daphne Mezereum) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengelmiserieboomke. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal:botram-marcheertrommel(botaniseertrommel);manheer(meneer); het reeds genoemdelepeltraanenz.; zie vooralDe Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v.geeuwhongerennachtmerrie. De verouderde vormengee:gaenmarezijn hier metgeeuwenenmerrie(men denke aan het nachtspook, dat iemand “berijdt”) in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheelverdrongen wordt. Zoo beduiddepootigoorspronkelijk “koppig” en hadophemelende beteekenis van “schoonmaken”.Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. Inlintwormbeteekendelintoorspronkelijk insgelijks “worm”, terwijl men het thans met onslintin verband brengt.Ongeliktwordt tegenwoordig met het gewone werkwoordlikkenverbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoordlikken, dat de beteekenis van “polijsten” had. InDonderstraatis geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet metProf. Donders, maar metdonderin verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht isrijn(rein) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.Van deze klank- en begripsassociatie verschilt deetymologische natuurverklaring, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming vanArumtotAronzal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra vanAronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf. DeValerianella olitoriaheet ookSanctae Clarae herba; het volk gaat verder, en spreekt vankleer-ooge. Van dentreurwilgweet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden,zuchtte Christus: “treure wilg, treure”. Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hijtreurwilg. Hetnieskruidwordt plaatselijk totAgneeskruid; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde deboekweit. Zie vooralIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij “het is toch maar eenmond vol land”: Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.DeAsperula odorata, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIeeeuw, alsO.L. Vrouwen-bedstroovermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:Onzer-Vrouwen-bedstroo.Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.Op zekeren dag peinsde de H. Anna:Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.“Nu ik heb het gevonden”, riep zij uit. “Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen”. Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:“Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!” zeggen zij eenvoudig.(Uit Vlaanderen).Eindelijk de volksetymologie vanplaatsnamen.Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: “Grijp! Grijp!” Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: “Sa mar! sa mar!” (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: “Berg hem! Berg hem!” Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem).Waling Dijkstraverhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijlDe Cockin zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaatsKalevoetgeheeten, d.i.Karel-te-voet.II. Volksgeneeskunde.Bij gezette overweging blijkt het, “dat naast de officieele therapie een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Ditis de eigenlijke volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie beweegt en haar adepten bij duizenden telt”. AldusM. A. van Andelin zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht 1909), bl 5.Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, bl.64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, zooalsO. V. HovorkaenA. Kronfeldin hun standaardwerk over deVergleichende Volksmedizin(Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merktVan Andelop, dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van gisteren zijn.Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer eigenaardige, van de kultuurgeneeskundeafwijkende, strikt-populaire in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaamhuist. Zoo spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, zegtGaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den lepel en zijn duidelijk te zien.Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische geneesmiddelen.Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele volksgeneeskunde wordt beheerscht door desympathie, die de geneeskracht van designatuur, d.i. de teekenen der dingen afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode stoffen bijbloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer der signaturen niet altijd alsleiddraadbij het opsporen van geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts alsverklaringeener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent het artikel vanProf. Van Leersumover de Waardeering van Oude en Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII (1914), bl. 1952.1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand luidt de inleiding: “De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult zwellen of verzweren”.—Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde bespreking tegen brandwonden mee te deelen:Onsʼ Heere Jezus kwam aldaar gegaan,Hij vond er een kindeke in brande staan.Hij nam het in Zijne gebenedijde handEnbluschte den gebenedijdenbrand.En ʼt enzwoernoch ʼt enzwol,En ʼk hoop in Jezusʼ naam, dat ʼt ook nietdoenenzol.In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere formules worden ons medegedeeld doorDr. Boekenoogenin Onze Rijmen, bl. 67; zoo b.v.:Moeder Maria ging over den berg,Ze nam een tak van den heiligen boom,Ze wierp ʼem over haar hoofd in den stroom.Kwik door dit, kwik door dat,Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.Den korteren vorm vertoont:Dit arm of pootIsverruktofverstoot.ʼt Zal nietverrottenofverzwerenIn den naam des Heeren, C.A.B.Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. Destriekerlegt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:Ik verbinde deze wonde,Ik stille dat bloed in deze stonde,Als Christus de Heer opgevaren is.Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:Deze man enz. is over een berg geloopen,Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,Het moet in de Roode Zee verdwijnen,Gelijk de Wijzen uit het Oosten,En God genas het met der stond,O Heer, help mij! Amen.2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel op een persoon of zaakovergedragen. In de Friesche Wouden wordt de bilzucht hetkoude vuurgenoemd; maar men meent, dat zij licht kan worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagelin het levenen maakt dan den bast van een boom ook los totin het leven(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vingerhet vochtdaaruit tegen en tusschenhet vochtvan den boom: dan heeft de boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland—en verre buiten de grenzen—bekend. Men noemt dit “de koorts afbinden.” Ook kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:Olde MaroldeIk hebbe de kolde,Ik hebbe ze noe,Ik geve ze oe,Ik bind ze hier neer,Ik krijg ze niet weer.De koorts—of een ander ziektewezen—wordt ook met spijkers in een boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, in ʼt water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven,ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te schrijven: “Koorts, ik ben niet thuis” (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:Koorts, koorts, ik ben niet thuis,Ga maar naar een ander huis.Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:Deventer:ʼk Heb de hikʼk Heb ze prikʼk Heb ze nouwʼk Geef ze aan jou.Venloo:Ik heb den hikIk heb de pikIk gêf um aan ʼn noaberman,Dê ʼt good verdrage kan.Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, dan groeit het hart, meent het volk.3. Bij desympathetische geneesmiddelenwordt het verband tusschen kwaal en geneesmiddel gezochtin de oorzaak: zoo legt men haar van den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen met brandewijn in;—in de kleur: een geelsappig kruid, als de stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen huiduitslag (Maas en Waal);—in den vorm: zoo dient het longkruid met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (Euphrasia) vertoonen een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;—in den aard: pieren, in een zakje op de borst gedragen,zijn van baat tegen de wormen;—in den naam: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een merkwaardig voorbeeld geeftDenis Schrijnenin het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beidenKrebsheeten.4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival van eenofferte erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage slechts zeer onvoldoende bekend zijn.5. Met name ontgaat ons de beteekenis van velegeneeskrachtige kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordthij gebezigd tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (Juniperus communis) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het duizendblad (Achillea Millefolium) heet een deugdelijk middel te zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de naam Achillea hier wellicht de verklaring?Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (Arnica montana), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de Oostfriesche benamingWulfsblömeen onswolverleiblijkt. De schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep (Cannabis sativa) heeft groote magische kracht en wordt vooral als verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (Humulus Lupulus) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de zelf (Salvia officinalis) staat bij het volk hoog aangeschreven: zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven, wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en, zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap, dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen de zoogenaamde konstitutioneeleziekten aanwendt. “Dit staat vast”, schrijftProf. Van Leersumt. a. p., bl. 1959, “dat wij een groot aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china, coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben”.Zie verder:Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900—1901, bl. 1 vlg.;A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.;Denis Schrijnen, Volksgeloof omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad 1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41;F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912);Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 163;L. Sloet, in De Gids 1881, 2, bl. 221, 413, 439;V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.III. Natuurverklaring en weerkunde.1. Uiteraard is ook denatuurverklaringvan het volk hoogst gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil zich overdag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, de hazenlip gespleten is?Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij spreken dan vannatuurverklarende sprookjesenz.; en deze vindt men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal vindt men bijO. Dähnhardt,Natursagen, zie boven;Naturgeschichtliche Volksmärchen(Leipzig 1898).Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te plagen. Vanwaar hetHulbij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of houtdief, die ʼs Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, toen Christusgekruisigd werd; zieWelters, Limburgsche Legenden II, bl. 61;Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De ooievaar, de vorst der Geldersche vogels—te Groningen zegt men de gansarend—verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog veel hooger het luchtruim in.Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.—Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik bedroog en nu bang voor hem is.Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen verspreid, zooalsDe MontenDe Cock, Joos, CornelissenenVerlietons mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van “koninksken” en “koninksvogelken”, terwijl de Geldersche lezing het geroep van het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep het beestje: “Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!” Maar de katuil roept nog altijd klagend: “Er-oêt,er-oêt!” Een Fransch sprookje zegt, dat de uil “hu-hu-hu-hu” roept van de kou.Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. VolgensDähnhardtmoet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.—2. De schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg op te stellen, die op de vraag: “Schildpad, waar ben je?” moeten antwoorden: “Hier!”—3. Een klein dier, dat zich aan den staart van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te Maasland kent men ook het verhaal van het wedvliegen, maar vervangt er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, Finland en Zweden verhaalt men van het wedzwemmenvan visschen, en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, meende de schol te barstenvan nijd. Zij beproefde een list en begon te roepen: “Panharing! panharing!” en zoo lang schreeuwde zij, tot haar muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. ZieDe Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.;Boekenoogen, in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.;CornelissenenVervliet, Vlaamsche Volksvertelsels, bl. 224.Waarom roept de duif: “Rookoe, rookoe?”De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En daarom roept de duif voortdurend: “Rookoe, rookoe”: Driem. Bladen I, bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.Waarom is de schol plat?Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook altijd plat gebleven:Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 137.Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds zichtbaar.Waarom lijkt de mier half doorgebroken?Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier met het zwaard midden door.—Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds bekende motieven een plaats vinden.Waarom heeft de kwakkel geen staart?De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, “verdronken” moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: “Ik wil ʼt geld van mijn bier!” Waarop de kwakkel antwoordt: “Ge hebt het gehad, ge hebt het gehad!”Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens enz. verdeelde.—Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken teklagen en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld laten.Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, om het kind in ʼt oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! DeRosa rubiginosaheeft roode puntjes op de twijgen: die komen van ʼs Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide de stukken over de bergen.—Maar de weetgierigheid van het volk vroeg ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.Waarom heeft het viooltje geen geur?Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: “Heilige Drievuldigheid, ontneem mij mijn geur!” De H. Drievuldigheid antwoordde: “Het geschiede naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn naam1dragen.”Waarom draagt de Haagwinde (Convolvulus sepium) den naam van O.L. Vrouweglazeken?2In Vlaanderen verhaalt men:Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:“Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los”.“Zeer geern, Lieve Vrouw”, antwoordde de voerman, “maar ʼk en hebbe geen glas om er den wijn in te doen”.Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:“Schenk mij uwen wijn daarin.”De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met eerbied aan O.L. Vrouwe.“God zegene u”, zeide hij, “lieve Vrouwe”.En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.ʼt Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.—Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der sleutelbloem (Primula Veris), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit van lijnen.Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en ʼt klopte er aan de deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, zijn broertjes.Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en deed ze met gerreken open3; ja maar, met dat hij zag, met wien hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat ʼt klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst opʼt kerkhofvan een buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen ʼt gers en de blomkes van ʼt kerkhof te glinsteren, of daar schoot een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.Nu ʼt gebeurde, dat er daar ʼs anderdaags met den vroegen ochtend een weezeken kwam naar ʼt kerkhof, op ʼt graf van haar onlangs gestorvene moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra had het weezeken die nieuwe blomme in ʼt oog, die zoo fier en zoo mooi te pronken stond; en ʼt was heel verwonderd van zulk een schoone blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. ʼt Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord “Hemel” gesneden stond.De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, en het volk heette zedʼ Hemelssleutelblomme, zoo ze nog heet.ZieIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 115–124;De Cock, Natuurverklarende Sprookjes (Gerit 1912);Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg.,Boekenoogen, Volkskunde XV, bl. 115, 116.2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook devolksweerkunde. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieperinzicht voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met “den schat”, al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het populaire in deze “volkswijsheid” na te gaan, is de taak van den volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men raadplege hierover de studie vanDr. H. Ekamain het Album der Natuur, 15 Nov. 1907.Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Hetdichterlijkeligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of 30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal—zonder mythologischen bijsmaak!—voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of veranderen: “Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen kiel”;—“Sint Petrus vischt graag”;—“Sint Mathijs gooit een gloeienden steen op het ijs”;—“Sint Leendert voert de vliegen weg” (Limburg) enz.—Wil men te Venloo zeggen: “wanneer de wind uit het Westen waait”, dan luidt dit in den volksmond: “wanneer men de klokken van Blerik hoort”. Boven de formuleering: “als het met Lichtmis helder weer is”, verkiest men: “als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt”. Enzoo verder: “als ʼt Kind Jezus geboren is”;—“als een balk voor de zon ligt”;—“als de zon in een nest ligt”;—“als de lucht nog geen warmte kan verdragen”. Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat dan de dagen “een hanengeschrei lengen”; en van Apriltje, dat zich het epitethon “zoet” ter wille van het rijm moet laten welgevallen, zegt men teekenend, dat het “nog wel een vilten hoed geeft”. Het volk spreekt ook graag van “schaapjeswolken”:Schaapjes aan de hemelbaanDuiden wind en regen aan.Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige “op een schimmel komt gereden”.Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het bekende: Sint Andriesbrengt devries, “Sint Mathijsbreekt hetijs”. Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol gespeeld door den faktor dersympathie, een feit, dat naar ik meen, vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan spreken van een sympathetische geneeskunde (bl.304), bestaat er een sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener < vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een “sleêjager”, omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, om er op te rijden met paard en slede.—Ruischt de wind ʼs avonds in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind waaien.—Alsgrijzekraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt dit een strengen winter.—Als de zon op Nieuwjaarsdagschittert, dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het “beweeglijke” van zonnelicht en water).—De begrippen “helder” en “vuil”, in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan volgt schoon weer.— Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, spelt zij droog weer. Maar het begrip “wasschen” kan ook de gedachte aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het haar in, dan komt er onweer.—Als de zon in den kreeft staat, mag men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan de tweevoudige beteekenis van het DuitscheKrebs(bl. 309). Rogge moet gezaaid metwassendemaan, en daarenboven dient men het zaadhoogop te werpen (I, bl.278,279).—Is het borstbeen van de gans doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op hetvoorstegedeelte voorspellen vorst in denvoorwinter, op hetachterdeel in dennawinter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van denbodem. Met padden worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde passeert, zegt men: “de schildpadden kruipen”: Driem. Bladen IX, bl. 50.Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis vanplantenendierenin de volksweerkunde.Bloeiende boomen tweemaal op een rij,Zal de winter zich rekken tot Mei,immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode van rust.—Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en dor weer.—Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.— Harde vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: als de kat door ʼt huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:Als de kwartel rustloos slaat,Weet: het spoedig reegnen gaat.Als de kikvorsch kwaakt,Vast regen naakt.Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:Krassen kraai en raaf verbolgen,Weldra zal er regen volgen.Maar de ooievaar, de geluksvogel, deheil-över, brengt een zachten winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder weer.—Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel derperiodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:Donder in het dorre houtMaakt zes weken guur en koud.De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, het befaamde tijdperk derTwaalf Nachten(I, bl.128), dat zelfs het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude Germanen begon immers op 25 December; vandaar:Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: “zooals de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren”. Ja zelfs: “zooals het zomert, zal het ook winteren”.Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt vroegtijdigezachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor derkritische dagen, Friesch:merkeldagen, beslissend voor het verder verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24enof 25ender maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed was, en nog meer wellicht de 25steApril, Sint Marcusdag, wanneer de voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. VrouweLichtmis, was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik in het Eerste Deel, bl.151, betoogde,—òf het moest zijn, dat de term “bekeering” mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men luistere naar het Duitsche rijmpje:Wenn Paulus sich bekehrtMit einem Sonnenschein,So hoffen wir ein JahrSehr reich an Korn und Wein.Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die volgens de legende, werdomgekeerdop den gloeienden rooster. De 10eAugustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: “Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer”, dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: “als het dan regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk”. Regent het op Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; zou hetweenenvan deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?—Volge nu een kort overzicht van denvolks-weerkalender,tevens landbouw-kalender. Ik begin weer metSint Maar-tensdag(n Nov.):Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,Dan zal ʼt een harde winter zijn.Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;Maar is dien dag het weder helder,De vorst dringt door in meenʼgen kelder.Nevels in Sint MaartensnachtBrengen winters kort en zacht.Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele jaar uitoefent.Sint Caecilia(22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen als maatgevend.Sint Katharina(25 Nov.). Als dan de zon schijnt—men denke aan de volksetymologie—houden de lange herfstregens op.In Zuid-Limburg zegt men: “Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de Rien”; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.Sint Andries(30 Nov.) brengt de vries.Kerstmis(25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.Kerstmis aan den waPaschen aan den brand.Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.Nieuwjaarsdag(1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, weerregels:Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;Westenwind brengt sterfte onder de koningen;Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.Geeft Januari muggenzwerm,Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.Knapt Januari niet van kou,Men zit in oogstmaand in den rouw.Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het motief is dus: “alles heeft zijn gerechtigheid”: wat in Januari te veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief wordt herhaald in allerlei toonaarden.Driekoningendag(6 Jan.)Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,Komt de vorst in ʼt vaderland.Sint Antonius(17 Jan.) brengt ijs of dooi: “Sint Teunis is iês-mêker of iêsbrêker”, zegt men in Zuid-Limburg.Sint Sebastianus(20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:Maakt Sint Theunis de brök (brug),Sint Sebastiaan sjleit ze stök.Sint Vincentius(22 Jan.):Vincentius met zonneschijnGeeft veel koren en veel wijn.Pauli Bekeering(25 Jan.), zie I, bl.151.Maria Lichtmis(2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.Lichtmis donker,Wordt de boer een jonker.Lichtmis helder,De boer in den kelder,of:Lichtmis helder en klaarGeeft een goed ijmenjaar.Geeft Lichtmis klaverblad,Paschen dekt met sneeuw het pad.Sint Pieter-in-den-Winter(22 Febr.). Vriest het dien dag, dan vriest het nog 14 (of 40) dagen.Sint Mathias(24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden steen op het ijs.—Februari mist,Hooi in de kist.Sint Geertrui(17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:Sint MathiesWörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;Sint Gêëtruuj mit de moes4Hoalt um weer droes.Maart moet 7 mooie dagen geven.Stof in MaartIs goud waard.MaartSpeelt met zijn staart.Wat Maart niet wil,Haalt zich April.April kent geen kritische dagen; immers:AprilDoet wat hij wil.of:Heeft zijn gril.Een droge Maart en een natte April,Dan doet de landman wat hij wil.Maart droog en April natGeeft veel koren in het vat.Danst het lammetje in Maart,April vat hem bij den staart.April is aan Mei de korenaar schuldig.IJsheiligen: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een opstel vanB. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde daling der temperatuur wordt ook dehaagdoornkoudegenoemd, omdat dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie is van korten duur, want: “Strenge heeren regeeren niet lang”. Over de groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl.192. Een Vlaamsche weerregel zegt:Als de Mei is koel en wak,Brengt zij veel koren in den zak.Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:Mei oreSint Joacop kore.Sint Medardus(8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog 40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als “regen-heilige” bekend. Maar men rekent ook met de “Zwertzusters”, 14 dagen na Paschen.Sint Jan(24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen Sint Jacob de rogge rijp.—Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, na Sint Jan komt hij van zelf. “Deze meening staat inverband met de werkelijkheid”, schrijftVan Hage; “zooals wij weten zijn de maanden Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland.”Na Sint JanNeemt de zee het onweer niet meer ʼan.(Spijkenisse op Putten).Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.Sint Pieter(29 Juni).Sint Pieter helder en klaarIs een goed ijmenjaar.Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.Marie-Siêp(Visitatio.2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, waarsiêpen“druipen, druppelen” beteekent. Regent het op dezen dag, dan regent het nog 40 dagen.Sint Margriet(20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: “Sint Margriet houdt haar water niet”.Maria Magdalena(20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische dag.Sint Jacob(25 Juli).Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).Sint Dominicus(4 Aug.).Als Sint Dominicus gloeit,Een strenge winter bloeit.Sint Laurentius(10 Aug.).Sint Laurensʼ windMaakt de boekweit blind.Wie knollen wil eten,Moet Sint Laurens niet vergetenMaria Hemelvaart(15 Aug.).Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.Sint Bartholomaeus(24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.—Maar in September en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei- en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, en zoo luidt het dan b.v.: “Vorst in September, een zachte December”, overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.De eenige kritische dag isSint Michielsdag(29 Sept.), dien men als het begin van den voorwinter beschouwt. “Sint Gilis verbuut den ȯngere en den achterȯngere”, zegt de Zuid-Limburger: dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door het nakende winterweer geboeid.Oktober met groene blaârDuidt een strengen winter aan.Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den “kranenzomer”, daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk opAllerheiligen(1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een “Allerheiligen”- of “Oudewijven-zomer.”Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; enAls het met Allerheiligen sneeuwtLeg uw pels gereedMet al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid in Gods beschikking; immers:De mensch maakt den kalender, maar God het weer.en:Alle weer is Gods weer.Zie:EkamaenVan Hage, t.a.p.;N. L. Van Hall, Spreekwoorden enz. betreffende landbouw en weerkennis;Welters, Feesten enz., bl. 116 vlg.; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.;Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 244.
De behandeling der volkswetenschap zal uiteraard heel wat beknopter zijn dan die van de volkskunst. Want het volksleven is veel meer gevoels- dan geestesleven. Zelfs op het veld der wetenschap doet dit gevoelsleven zijn rechten gelden en verkiest het de bekoorlijke, dichterlijke, fantastische verklaring boven den soberen, logischen redeneertrant. Een sprookje is het volk liever dan een betoog. Zoo vertroebelt het gevoel de volkswetenschap en maakt ze in zekeren zin tot een kunstvorm.
Wetenschap is systematische oorzakelijke kennis; zij vereischt een bewust en methodisch streven naar het ware, onder eenheid van gezichtspunt. Ook de volkswetenschap streeft naar oorzakelijke kennis, naar verklaring van taalvorm, bloem, mineraal, rotsgedaante, ziekte, kracht der geneesmiddelen, weêrverschijnselen enz. En zoo komen wij weer tot een overeenkomstig resultaat als bij de overige faktoren der volkskultuur, dit namelijk: dat de volkswetenschapin wezenniet van de kultuurwetenschap verschilt. Maar afgezien nog van het feit, dat het volk zich niet bewust is, wetenschappelijk werkzaam te zijn, is het oordeel zoo min gescheiden van de fantasie, dat van een zuiver-methodisch waarheidsstreven geen sprake kan zijn.
De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt gehouden. Wanneer het volk zegt: “Groene Kerstmis, witte Paschen”, dan brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr, maar mocht het tot een verklaring komen,dan zou deze meer op een natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering.
Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te louteren,—en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte zijner natuurbeschouwing.
I. Volksetymologie.De term “volksetymologie” heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in deZeitschrift für vergleichende SprachforschungXXIII doorW. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen vanMax Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie,MoltzerenVerdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht doorSteinthal, PaulenWundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den ZweedKjederquistin Paul und Brauneʼs Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie vanC. de Vooysin de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: “onbewusteklank- en begripsassociatiesmet of zonder wijziging van den woordvorm”. Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbarezondvloed, uit het Oudhoogduitschesin-vluot“groote vloed”, door het volk met “zonde” in verband gebracht, en het kinderlijkelepeltraanvoorlevertraan. Men zal mij wellicht tegenwerpen, datonbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar gewordensinvervangen door of liever vervormd tot het bekendezond(e) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnschequiritare“luid schreeuwen” eertijds wel eens metQuirites“Romeinsche staatsburgers” in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v.Sint Reinuut: schoon op, “rein aus”, voorSint Reinout;kattegezanikvoorkatechesatie;zemelachtigvoorzenuwachtig; hij lijdt aan degriep, eigenlijk “verkoudheid”, maar met “grijpen” in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: “SintAndriesbrengt devries, SintMathijsbreekt hetijs.3. Zuivere klankassociaties, alskrantuitcourant, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. Indeze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgevenoorlam, uit het Maleischeorang lama; wellicht scheurbuik, uitschorbût; maar stellig niet het Vlaamschescheurbek, en evenminsuikerijenzenuwbladen (Folia sennae), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.Scheurbek,suikerijenzenuwbladenbehooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v.Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf;—de bast vanRhamnus frangula: ramenasbast;—Oleum ricini: rosijnenolie;—nieswortel:Limb.anieswortel;—Unguentum hydrargyritegen ruit:ruiterszalfofruitertjeszalf. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming vanAloë socotrinatot Limb.sȯkertrienschen aloë, d.i.suikertrijnsche aloë. Zie hierover het artikel vanDenis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl.Aloëwordt ook welalewien.De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woordkatapultbegrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woordkatbrengt menigeen er toe,katapultongewild te vervormen totkattepul, of nog meer teekenend totkattepiel(=pijl), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden:drieangel(triangel), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel;sukerla(chokola);lekkeris(lacarissa= drop);prulleet(proleet);honinggraat(honigraat).Hagedoornwordt volksetymologisch tothageldoorn;hazelnoottothazenoot;nieuwsgierig Aagjetotnieuwsgierigaardje;meikevertotmeikegel(kleuriger is het HoogduitscheMeikleber);NijmegentotNimwegen;madeliefje, Middelnederl.matelieve, is vervormd totmaagdeliefjeen totmeizoe(n)tje, en dit weer dialektisch totmêlzeûdje(zaadje). De appelen, die wijzijden-hempjesnoemen, stammen uit de Engelsche stadSydenham. Men denke ook aan de uitdrukking “straten voor stegen kennen”, die in Limburg, waar men geenstegenkent, wordt: “straten voor steenen kennen”; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.Van plantnamen noem ik nog debijvoet(Artemisia). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vormbijbootin verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft.Zonnedauw, onze benaming van deDrosera, heeft zich volksetymologisch uitsinnau“immerdurende dauw” ontwikkeld.Rosmarijn, uit het Latijnscheros marinus“zeedauw”, wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werdrozemarijnonder den invloed vanroos.Herba Mandragoraewerdmandragerskruid. Het peperboompje (Daphne Mezereum) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengelmiserieboomke. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal:botram-marcheertrommel(botaniseertrommel);manheer(meneer); het reeds genoemdelepeltraanenz.; zie vooralDe Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v.geeuwhongerennachtmerrie. De verouderde vormengee:gaenmarezijn hier metgeeuwenenmerrie(men denke aan het nachtspook, dat iemand “berijdt”) in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheelverdrongen wordt. Zoo beduiddepootigoorspronkelijk “koppig” en hadophemelende beteekenis van “schoonmaken”.Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. Inlintwormbeteekendelintoorspronkelijk insgelijks “worm”, terwijl men het thans met onslintin verband brengt.Ongeliktwordt tegenwoordig met het gewone werkwoordlikkenverbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoordlikken, dat de beteekenis van “polijsten” had. InDonderstraatis geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet metProf. Donders, maar metdonderin verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht isrijn(rein) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.Van deze klank- en begripsassociatie verschilt deetymologische natuurverklaring, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming vanArumtotAronzal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra vanAronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf. DeValerianella olitoriaheet ookSanctae Clarae herba; het volk gaat verder, en spreekt vankleer-ooge. Van dentreurwilgweet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden,zuchtte Christus: “treure wilg, treure”. Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hijtreurwilg. Hetnieskruidwordt plaatselijk totAgneeskruid; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde deboekweit. Zie vooralIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij “het is toch maar eenmond vol land”: Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.DeAsperula odorata, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIeeeuw, alsO.L. Vrouwen-bedstroovermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:Onzer-Vrouwen-bedstroo.Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.Op zekeren dag peinsde de H. Anna:Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.“Nu ik heb het gevonden”, riep zij uit. “Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen”. Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:“Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!” zeggen zij eenvoudig.(Uit Vlaanderen).Eindelijk de volksetymologie vanplaatsnamen.Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: “Grijp! Grijp!” Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: “Sa mar! sa mar!” (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: “Berg hem! Berg hem!” Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem).Waling Dijkstraverhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijlDe Cockin zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaatsKalevoetgeheeten, d.i.Karel-te-voet.
De term “volksetymologie” heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in deZeitschrift für vergleichende SprachforschungXXIII doorW. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen vanMax Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie,MoltzerenVerdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht doorSteinthal, PaulenWundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den ZweedKjederquistin Paul und Brauneʼs Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie vanC. de Vooysin de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.
Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: “onbewusteklank- en begripsassociatiesmet of zonder wijziging van den woordvorm”. Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbarezondvloed, uit het Oudhoogduitschesin-vluot“groote vloed”, door het volk met “zonde” in verband gebracht, en het kinderlijkelepeltraanvoorlevertraan. Men zal mij wellicht tegenwerpen, datonbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar gewordensinvervangen door of liever vervormd tot het bekendezond(e) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.
Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnschequiritare“luid schreeuwen” eertijds wel eens metQuirites“Romeinsche staatsburgers” in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).
2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v.Sint Reinuut: schoon op, “rein aus”, voorSint Reinout;kattegezanikvoorkatechesatie;zemelachtigvoorzenuwachtig; hij lijdt aan degriep, eigenlijk “verkoudheid”, maar met “grijpen” in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: “SintAndriesbrengt devries, SintMathijsbreekt hetijs.
3. Zuivere klankassociaties, alskrantuitcourant, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. Indeze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgevenoorlam, uit het Maleischeorang lama; wellicht scheurbuik, uitschorbût; maar stellig niet het Vlaamschescheurbek, en evenminsuikerijenzenuwbladen (Folia sennae), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.
Scheurbek,suikerijenzenuwbladenbehooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v.Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf;—de bast vanRhamnus frangula: ramenasbast;—Oleum ricini: rosijnenolie;—nieswortel:Limb.anieswortel;—Unguentum hydrargyritegen ruit:ruiterszalfofruitertjeszalf. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming vanAloë socotrinatot Limb.sȯkertrienschen aloë, d.i.suikertrijnsche aloë. Zie hierover het artikel vanDenis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl.Aloëwordt ook welalewien.
De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woordkatapultbegrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woordkatbrengt menigeen er toe,katapultongewild te vervormen totkattepul, of nog meer teekenend totkattepiel(=pijl), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden:drieangel(triangel), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel;sukerla(chokola);lekkeris(lacarissa= drop);prulleet(proleet);honinggraat(honigraat).Hagedoornwordt volksetymologisch tothageldoorn;hazelnoottothazenoot;nieuwsgierig Aagjetotnieuwsgierigaardje;meikevertotmeikegel(kleuriger is het HoogduitscheMeikleber);NijmegentotNimwegen;madeliefje, Middelnederl.matelieve, is vervormd totmaagdeliefjeen totmeizoe(n)tje, en dit weer dialektisch totmêlzeûdje(zaadje). De appelen, die wijzijden-hempjesnoemen, stammen uit de Engelsche stadSydenham. Men denke ook aan de uitdrukking “straten voor stegen kennen”, die in Limburg, waar men geenstegenkent, wordt: “straten voor steenen kennen”; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.
Van plantnamen noem ik nog debijvoet(Artemisia). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vormbijbootin verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft.Zonnedauw, onze benaming van deDrosera, heeft zich volksetymologisch uitsinnau“immerdurende dauw” ontwikkeld.Rosmarijn, uit het Latijnscheros marinus“zeedauw”, wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werdrozemarijnonder den invloed vanroos.Herba Mandragoraewerdmandragerskruid. Het peperboompje (Daphne Mezereum) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengelmiserieboomke. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal:botram-marcheertrommel(botaniseertrommel);manheer(meneer); het reeds genoemdelepeltraanenz.; zie vooralDe Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.
Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v.geeuwhongerennachtmerrie. De verouderde vormengee:gaenmarezijn hier metgeeuwenenmerrie(men denke aan het nachtspook, dat iemand “berijdt”) in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.
Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheelverdrongen wordt. Zoo beduiddepootigoorspronkelijk “koppig” en hadophemelende beteekenis van “schoonmaken”.
Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. Inlintwormbeteekendelintoorspronkelijk insgelijks “worm”, terwijl men het thans met onslintin verband brengt.Ongeliktwordt tegenwoordig met het gewone werkwoordlikkenverbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoordlikken, dat de beteekenis van “polijsten” had. InDonderstraatis geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet metProf. Donders, maar metdonderin verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht isrijn(rein) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.
Van deze klank- en begripsassociatie verschilt deetymologische natuurverklaring, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming vanArumtotAronzal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra vanAronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf. DeValerianella olitoriaheet ookSanctae Clarae herba; het volk gaat verder, en spreekt vankleer-ooge. Van dentreurwilgweet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden,zuchtte Christus: “treure wilg, treure”. Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hijtreurwilg. Hetnieskruidwordt plaatselijk totAgneeskruid; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde deboekweit. Zie vooralIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).
Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij “het is toch maar eenmond vol land”: Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.
DeAsperula odorata, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIeeeuw, alsO.L. Vrouwen-bedstroovermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:
Onzer-Vrouwen-bedstroo.
Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.
Op zekeren dag peinsde de H. Anna:
Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?
Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.
“Nu ik heb het gevonden”, riep zij uit. “Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen”. Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.
Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:
“Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!” zeggen zij eenvoudig.
(Uit Vlaanderen).
Eindelijk de volksetymologie vanplaatsnamen.
Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: “Grijp! Grijp!” Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: “Sa mar! sa mar!” (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: “Berg hem! Berg hem!” Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem).Waling Dijkstraverhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijlDe Cockin zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaatsKalevoetgeheeten, d.i.Karel-te-voet.
II. Volksgeneeskunde.Bij gezette overweging blijkt het, “dat naast de officieele therapie een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Ditis de eigenlijke volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie beweegt en haar adepten bij duizenden telt”. AldusM. A. van Andelin zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht 1909), bl 5.Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, bl.64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, zooalsO. V. HovorkaenA. Kronfeldin hun standaardwerk over deVergleichende Volksmedizin(Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merktVan Andelop, dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van gisteren zijn.Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer eigenaardige, van de kultuurgeneeskundeafwijkende, strikt-populaire in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaamhuist. Zoo spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, zegtGaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den lepel en zijn duidelijk te zien.Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische geneesmiddelen.Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele volksgeneeskunde wordt beheerscht door desympathie, die de geneeskracht van designatuur, d.i. de teekenen der dingen afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode stoffen bijbloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer der signaturen niet altijd alsleiddraadbij het opsporen van geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts alsverklaringeener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent het artikel vanProf. Van Leersumover de Waardeering van Oude en Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII (1914), bl. 1952.1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand luidt de inleiding: “De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult zwellen of verzweren”.—Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde bespreking tegen brandwonden mee te deelen:Onsʼ Heere Jezus kwam aldaar gegaan,Hij vond er een kindeke in brande staan.Hij nam het in Zijne gebenedijde handEnbluschte den gebenedijdenbrand.En ʼt enzwoernoch ʼt enzwol,En ʼk hoop in Jezusʼ naam, dat ʼt ook nietdoenenzol.In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere formules worden ons medegedeeld doorDr. Boekenoogenin Onze Rijmen, bl. 67; zoo b.v.:Moeder Maria ging over den berg,Ze nam een tak van den heiligen boom,Ze wierp ʼem over haar hoofd in den stroom.Kwik door dit, kwik door dat,Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.Den korteren vorm vertoont:Dit arm of pootIsverruktofverstoot.ʼt Zal nietverrottenofverzwerenIn den naam des Heeren, C.A.B.Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. Destriekerlegt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:Ik verbinde deze wonde,Ik stille dat bloed in deze stonde,Als Christus de Heer opgevaren is.Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:Deze man enz. is over een berg geloopen,Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,Het moet in de Roode Zee verdwijnen,Gelijk de Wijzen uit het Oosten,En God genas het met der stond,O Heer, help mij! Amen.2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel op een persoon of zaakovergedragen. In de Friesche Wouden wordt de bilzucht hetkoude vuurgenoemd; maar men meent, dat zij licht kan worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagelin het levenen maakt dan den bast van een boom ook los totin het leven(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vingerhet vochtdaaruit tegen en tusschenhet vochtvan den boom: dan heeft de boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland—en verre buiten de grenzen—bekend. Men noemt dit “de koorts afbinden.” Ook kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:Olde MaroldeIk hebbe de kolde,Ik hebbe ze noe,Ik geve ze oe,Ik bind ze hier neer,Ik krijg ze niet weer.De koorts—of een ander ziektewezen—wordt ook met spijkers in een boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, in ʼt water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven,ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te schrijven: “Koorts, ik ben niet thuis” (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:Koorts, koorts, ik ben niet thuis,Ga maar naar een ander huis.Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:Deventer:ʼk Heb de hikʼk Heb ze prikʼk Heb ze nouwʼk Geef ze aan jou.Venloo:Ik heb den hikIk heb de pikIk gêf um aan ʼn noaberman,Dê ʼt good verdrage kan.Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, dan groeit het hart, meent het volk.3. Bij desympathetische geneesmiddelenwordt het verband tusschen kwaal en geneesmiddel gezochtin de oorzaak: zoo legt men haar van den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen met brandewijn in;—in de kleur: een geelsappig kruid, als de stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen huiduitslag (Maas en Waal);—in den vorm: zoo dient het longkruid met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (Euphrasia) vertoonen een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;—in den aard: pieren, in een zakje op de borst gedragen,zijn van baat tegen de wormen;—in den naam: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een merkwaardig voorbeeld geeftDenis Schrijnenin het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beidenKrebsheeten.4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival van eenofferte erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage slechts zeer onvoldoende bekend zijn.5. Met name ontgaat ons de beteekenis van velegeneeskrachtige kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordthij gebezigd tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (Juniperus communis) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het duizendblad (Achillea Millefolium) heet een deugdelijk middel te zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de naam Achillea hier wellicht de verklaring?Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (Arnica montana), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de Oostfriesche benamingWulfsblömeen onswolverleiblijkt. De schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep (Cannabis sativa) heeft groote magische kracht en wordt vooral als verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (Humulus Lupulus) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de zelf (Salvia officinalis) staat bij het volk hoog aangeschreven: zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven, wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en, zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap, dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen de zoogenaamde konstitutioneeleziekten aanwendt. “Dit staat vast”, schrijftProf. Van Leersumt. a. p., bl. 1959, “dat wij een groot aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china, coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben”.Zie verder:Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900—1901, bl. 1 vlg.;A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.;Denis Schrijnen, Volksgeloof omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad 1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41;F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912);Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 163;L. Sloet, in De Gids 1881, 2, bl. 221, 413, 439;V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.
Bij gezette overweging blijkt het, “dat naast de officieele therapie een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Ditis de eigenlijke volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie beweegt en haar adepten bij duizenden telt”. AldusM. A. van Andelin zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht 1909), bl 5.
Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, bl.64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, zooalsO. V. HovorkaenA. Kronfeldin hun standaardwerk over deVergleichende Volksmedizin(Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merktVan Andelop, dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van gisteren zijn.
Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer eigenaardige, van de kultuurgeneeskundeafwijkende, strikt-populaire in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.
Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaamhuist. Zoo spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, zegtGaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den lepel en zijn duidelijk te zien.
Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische geneesmiddelen.
Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele volksgeneeskunde wordt beheerscht door desympathie, die de geneeskracht van designatuur, d.i. de teekenen der dingen afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode stoffen bijbloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.
Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer der signaturen niet altijd alsleiddraadbij het opsporen van geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts alsverklaringeener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent het artikel vanProf. Van Leersumover de Waardeering van Oude en Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII (1914), bl. 1952.
1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand luidt de inleiding: “De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult zwellen of verzweren”.—Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde bespreking tegen brandwonden mee te deelen:
Onsʼ Heere Jezus kwam aldaar gegaan,Hij vond er een kindeke in brande staan.Hij nam het in Zijne gebenedijde handEnbluschte den gebenedijdenbrand.En ʼt enzwoernoch ʼt enzwol,En ʼk hoop in Jezusʼ naam, dat ʼt ook nietdoenenzol.
Onsʼ Heere Jezus kwam aldaar gegaan,Hij vond er een kindeke in brande staan.Hij nam het in Zijne gebenedijde handEnbluschte den gebenedijdenbrand.En ʼt enzwoernoch ʼt enzwol,En ʼk hoop in Jezusʼ naam, dat ʼt ook nietdoenenzol.
Onsʼ Heere Jezus kwam aldaar gegaan,
Hij vond er een kindeke in brande staan.
Hij nam het in Zijne gebenedijde hand
Enbluschte den gebenedijdenbrand.
En ʼt enzwoernoch ʼt enzwol,
En ʼk hoop in Jezusʼ naam, dat ʼt ook nietdoenenzol.
In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere formules worden ons medegedeeld doorDr. Boekenoogenin Onze Rijmen, bl. 67; zoo b.v.:
Moeder Maria ging over den berg,Ze nam een tak van den heiligen boom,Ze wierp ʼem over haar hoofd in den stroom.Kwik door dit, kwik door dat,Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.
Moeder Maria ging over den berg,Ze nam een tak van den heiligen boom,Ze wierp ʼem over haar hoofd in den stroom.Kwik door dit, kwik door dat,Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.
Moeder Maria ging over den berg,
Ze nam een tak van den heiligen boom,
Ze wierp ʼem over haar hoofd in den stroom.
Kwik door dit, kwik door dat,
Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,
Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.
Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.
Den korteren vorm vertoont:
Dit arm of pootIsverruktofverstoot.ʼt Zal nietverrottenofverzwerenIn den naam des Heeren, C.A.B.
Dit arm of pootIsverruktofverstoot.ʼt Zal nietverrottenofverzwerenIn den naam des Heeren, C.A.B.
Dit arm of poot
Isverruktofverstoot.
ʼt Zal nietverrottenofverzweren
In den naam des Heeren, C.A.B.
Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. Destriekerlegt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:
Ik verbinde deze wonde,Ik stille dat bloed in deze stonde,Als Christus de Heer opgevaren is.
Ik verbinde deze wonde,Ik stille dat bloed in deze stonde,Als Christus de Heer opgevaren is.
Ik verbinde deze wonde,
Ik stille dat bloed in deze stonde,
Als Christus de Heer opgevaren is.
Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:
Deze man enz. is over een berg geloopen,Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,Het moet in de Roode Zee verdwijnen,Gelijk de Wijzen uit het Oosten,En God genas het met der stond,O Heer, help mij! Amen.
Deze man enz. is over een berg geloopen,Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,Het moet in de Roode Zee verdwijnen,Gelijk de Wijzen uit het Oosten,En God genas het met der stond,O Heer, help mij! Amen.
Deze man enz. is over een berg geloopen,
Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,
Het moet in de Roode Zee verdwijnen,
Gelijk de Wijzen uit het Oosten,
En God genas het met der stond,
O Heer, help mij! Amen.
2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel op een persoon of zaakovergedragen. In de Friesche Wouden wordt de bilzucht hetkoude vuurgenoemd; maar men meent, dat zij licht kan worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagelin het levenen maakt dan den bast van een boom ook los totin het leven(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vingerhet vochtdaaruit tegen en tusschenhet vochtvan den boom: dan heeft de boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland—en verre buiten de grenzen—bekend. Men noemt dit “de koorts afbinden.” Ook kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:
Olde MaroldeIk hebbe de kolde,Ik hebbe ze noe,Ik geve ze oe,Ik bind ze hier neer,Ik krijg ze niet weer.
Olde MaroldeIk hebbe de kolde,Ik hebbe ze noe,Ik geve ze oe,Ik bind ze hier neer,Ik krijg ze niet weer.
Olde Marolde
Ik hebbe de kolde,
Ik hebbe ze noe,
Ik geve ze oe,
Ik bind ze hier neer,
Ik krijg ze niet weer.
De koorts—of een ander ziektewezen—wordt ook met spijkers in een boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, in ʼt water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven,ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te schrijven: “Koorts, ik ben niet thuis” (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:
Koorts, koorts, ik ben niet thuis,Ga maar naar een ander huis.
Koorts, koorts, ik ben niet thuis,Ga maar naar een ander huis.
Koorts, koorts, ik ben niet thuis,
Ga maar naar een ander huis.
Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:
Deventer:
ʼk Heb de hikʼk Heb ze prikʼk Heb ze nouwʼk Geef ze aan jou.
ʼk Heb de hikʼk Heb ze prikʼk Heb ze nouwʼk Geef ze aan jou.
ʼk Heb de hik
ʼk Heb ze prik
ʼk Heb ze nouw
ʼk Geef ze aan jou.
Venloo:
Ik heb den hikIk heb de pikIk gêf um aan ʼn noaberman,Dê ʼt good verdrage kan.
Ik heb den hikIk heb de pikIk gêf um aan ʼn noaberman,Dê ʼt good verdrage kan.
Ik heb den hik
Ik heb de pik
Ik gêf um aan ʼn noaberman,
Dê ʼt good verdrage kan.
Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, dan groeit het hart, meent het volk.
3. Bij desympathetische geneesmiddelenwordt het verband tusschen kwaal en geneesmiddel gezochtin de oorzaak: zoo legt men haar van den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen met brandewijn in;—in de kleur: een geelsappig kruid, als de stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen huiduitslag (Maas en Waal);—in den vorm: zoo dient het longkruid met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (Euphrasia) vertoonen een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;—in den aard: pieren, in een zakje op de borst gedragen,zijn van baat tegen de wormen;—in den naam: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een merkwaardig voorbeeld geeftDenis Schrijnenin het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beidenKrebsheeten.
4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival van eenofferte erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage slechts zeer onvoldoende bekend zijn.
5. Met name ontgaat ons de beteekenis van velegeneeskrachtige kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.
De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordthij gebezigd tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (Juniperus communis) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het duizendblad (Achillea Millefolium) heet een deugdelijk middel te zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de naam Achillea hier wellicht de verklaring?
Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (Arnica montana), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de Oostfriesche benamingWulfsblömeen onswolverleiblijkt. De schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep (Cannabis sativa) heeft groote magische kracht en wordt vooral als verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (Humulus Lupulus) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de zelf (Salvia officinalis) staat bij het volk hoog aangeschreven: zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.
Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven, wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en, zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap, dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen de zoogenaamde konstitutioneeleziekten aanwendt. “Dit staat vast”, schrijftProf. Van Leersumt. a. p., bl. 1959, “dat wij een groot aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china, coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben”.
Zie verder:Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900—1901, bl. 1 vlg.;A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.;Denis Schrijnen, Volksgeloof omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad 1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41;F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912);Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 163;L. Sloet, in De Gids 1881, 2, bl. 221, 413, 439;V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.
III. Natuurverklaring en weerkunde.1. Uiteraard is ook denatuurverklaringvan het volk hoogst gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil zich overdag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, de hazenlip gespleten is?Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij spreken dan vannatuurverklarende sprookjesenz.; en deze vindt men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal vindt men bijO. Dähnhardt,Natursagen, zie boven;Naturgeschichtliche Volksmärchen(Leipzig 1898).Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te plagen. Vanwaar hetHulbij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of houtdief, die ʼs Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, toen Christusgekruisigd werd; zieWelters, Limburgsche Legenden II, bl. 61;Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De ooievaar, de vorst der Geldersche vogels—te Groningen zegt men de gansarend—verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog veel hooger het luchtruim in.Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.—Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik bedroog en nu bang voor hem is.Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen verspreid, zooalsDe MontenDe Cock, Joos, CornelissenenVerlietons mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van “koninksken” en “koninksvogelken”, terwijl de Geldersche lezing het geroep van het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep het beestje: “Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!” Maar de katuil roept nog altijd klagend: “Er-oêt,er-oêt!” Een Fransch sprookje zegt, dat de uil “hu-hu-hu-hu” roept van de kou.Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. VolgensDähnhardtmoet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.—2. De schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg op te stellen, die op de vraag: “Schildpad, waar ben je?” moeten antwoorden: “Hier!”—3. Een klein dier, dat zich aan den staart van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te Maasland kent men ook het verhaal van het wedvliegen, maar vervangt er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, Finland en Zweden verhaalt men van het wedzwemmenvan visschen, en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, meende de schol te barstenvan nijd. Zij beproefde een list en begon te roepen: “Panharing! panharing!” en zoo lang schreeuwde zij, tot haar muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. ZieDe Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.;Boekenoogen, in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.;CornelissenenVervliet, Vlaamsche Volksvertelsels, bl. 224.Waarom roept de duif: “Rookoe, rookoe?”De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En daarom roept de duif voortdurend: “Rookoe, rookoe”: Driem. Bladen I, bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.Waarom is de schol plat?Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook altijd plat gebleven:Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 137.Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds zichtbaar.Waarom lijkt de mier half doorgebroken?Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier met het zwaard midden door.—Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds bekende motieven een plaats vinden.Waarom heeft de kwakkel geen staart?De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, “verdronken” moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: “Ik wil ʼt geld van mijn bier!” Waarop de kwakkel antwoordt: “Ge hebt het gehad, ge hebt het gehad!”Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens enz. verdeelde.—Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken teklagen en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld laten.Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, om het kind in ʼt oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! DeRosa rubiginosaheeft roode puntjes op de twijgen: die komen van ʼs Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide de stukken over de bergen.—Maar de weetgierigheid van het volk vroeg ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.Waarom heeft het viooltje geen geur?Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: “Heilige Drievuldigheid, ontneem mij mijn geur!” De H. Drievuldigheid antwoordde: “Het geschiede naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn naam1dragen.”Waarom draagt de Haagwinde (Convolvulus sepium) den naam van O.L. Vrouweglazeken?2In Vlaanderen verhaalt men:Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:“Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los”.“Zeer geern, Lieve Vrouw”, antwoordde de voerman, “maar ʼk en hebbe geen glas om er den wijn in te doen”.Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:“Schenk mij uwen wijn daarin.”De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met eerbied aan O.L. Vrouwe.“God zegene u”, zeide hij, “lieve Vrouwe”.En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.ʼt Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.—Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der sleutelbloem (Primula Veris), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit van lijnen.Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en ʼt klopte er aan de deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, zijn broertjes.Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en deed ze met gerreken open3; ja maar, met dat hij zag, met wien hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat ʼt klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst opʼt kerkhofvan een buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen ʼt gers en de blomkes van ʼt kerkhof te glinsteren, of daar schoot een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.Nu ʼt gebeurde, dat er daar ʼs anderdaags met den vroegen ochtend een weezeken kwam naar ʼt kerkhof, op ʼt graf van haar onlangs gestorvene moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra had het weezeken die nieuwe blomme in ʼt oog, die zoo fier en zoo mooi te pronken stond; en ʼt was heel verwonderd van zulk een schoone blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. ʼt Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord “Hemel” gesneden stond.De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, en het volk heette zedʼ Hemelssleutelblomme, zoo ze nog heet.ZieIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 115–124;De Cock, Natuurverklarende Sprookjes (Gerit 1912);Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg.,Boekenoogen, Volkskunde XV, bl. 115, 116.2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook devolksweerkunde. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieperinzicht voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met “den schat”, al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het populaire in deze “volkswijsheid” na te gaan, is de taak van den volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men raadplege hierover de studie vanDr. H. Ekamain het Album der Natuur, 15 Nov. 1907.Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Hetdichterlijkeligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of 30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal—zonder mythologischen bijsmaak!—voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of veranderen: “Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen kiel”;—“Sint Petrus vischt graag”;—“Sint Mathijs gooit een gloeienden steen op het ijs”;—“Sint Leendert voert de vliegen weg” (Limburg) enz.—Wil men te Venloo zeggen: “wanneer de wind uit het Westen waait”, dan luidt dit in den volksmond: “wanneer men de klokken van Blerik hoort”. Boven de formuleering: “als het met Lichtmis helder weer is”, verkiest men: “als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt”. Enzoo verder: “als ʼt Kind Jezus geboren is”;—“als een balk voor de zon ligt”;—“als de zon in een nest ligt”;—“als de lucht nog geen warmte kan verdragen”. Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat dan de dagen “een hanengeschrei lengen”; en van Apriltje, dat zich het epitethon “zoet” ter wille van het rijm moet laten welgevallen, zegt men teekenend, dat het “nog wel een vilten hoed geeft”. Het volk spreekt ook graag van “schaapjeswolken”:Schaapjes aan de hemelbaanDuiden wind en regen aan.Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige “op een schimmel komt gereden”.Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het bekende: Sint Andriesbrengt devries, “Sint Mathijsbreekt hetijs”. Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol gespeeld door den faktor dersympathie, een feit, dat naar ik meen, vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan spreken van een sympathetische geneeskunde (bl.304), bestaat er een sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener < vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een “sleêjager”, omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, om er op te rijden met paard en slede.—Ruischt de wind ʼs avonds in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind waaien.—Alsgrijzekraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt dit een strengen winter.—Als de zon op Nieuwjaarsdagschittert, dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het “beweeglijke” van zonnelicht en water).—De begrippen “helder” en “vuil”, in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan volgt schoon weer.— Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, spelt zij droog weer. Maar het begrip “wasschen” kan ook de gedachte aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het haar in, dan komt er onweer.—Als de zon in den kreeft staat, mag men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan de tweevoudige beteekenis van het DuitscheKrebs(bl. 309). Rogge moet gezaaid metwassendemaan, en daarenboven dient men het zaadhoogop te werpen (I, bl.278,279).—Is het borstbeen van de gans doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op hetvoorstegedeelte voorspellen vorst in denvoorwinter, op hetachterdeel in dennawinter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van denbodem. Met padden worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde passeert, zegt men: “de schildpadden kruipen”: Driem. Bladen IX, bl. 50.Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis vanplantenendierenin de volksweerkunde.Bloeiende boomen tweemaal op een rij,Zal de winter zich rekken tot Mei,immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode van rust.—Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en dor weer.—Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.— Harde vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: als de kat door ʼt huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:Als de kwartel rustloos slaat,Weet: het spoedig reegnen gaat.Als de kikvorsch kwaakt,Vast regen naakt.Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:Krassen kraai en raaf verbolgen,Weldra zal er regen volgen.Maar de ooievaar, de geluksvogel, deheil-över, brengt een zachten winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder weer.—Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel derperiodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:Donder in het dorre houtMaakt zes weken guur en koud.De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, het befaamde tijdperk derTwaalf Nachten(I, bl.128), dat zelfs het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude Germanen begon immers op 25 December; vandaar:Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: “zooals de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren”. Ja zelfs: “zooals het zomert, zal het ook winteren”.Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt vroegtijdigezachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor derkritische dagen, Friesch:merkeldagen, beslissend voor het verder verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24enof 25ender maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed was, en nog meer wellicht de 25steApril, Sint Marcusdag, wanneer de voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. VrouweLichtmis, was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik in het Eerste Deel, bl.151, betoogde,—òf het moest zijn, dat de term “bekeering” mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men luistere naar het Duitsche rijmpje:Wenn Paulus sich bekehrtMit einem Sonnenschein,So hoffen wir ein JahrSehr reich an Korn und Wein.Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die volgens de legende, werdomgekeerdop den gloeienden rooster. De 10eAugustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: “Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer”, dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: “als het dan regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk”. Regent het op Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; zou hetweenenvan deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?—Volge nu een kort overzicht van denvolks-weerkalender,tevens landbouw-kalender. Ik begin weer metSint Maar-tensdag(n Nov.):Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,Dan zal ʼt een harde winter zijn.Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;Maar is dien dag het weder helder,De vorst dringt door in meenʼgen kelder.Nevels in Sint MaartensnachtBrengen winters kort en zacht.Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele jaar uitoefent.Sint Caecilia(22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen als maatgevend.Sint Katharina(25 Nov.). Als dan de zon schijnt—men denke aan de volksetymologie—houden de lange herfstregens op.In Zuid-Limburg zegt men: “Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de Rien”; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.Sint Andries(30 Nov.) brengt de vries.Kerstmis(25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.Kerstmis aan den waPaschen aan den brand.Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.Nieuwjaarsdag(1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, weerregels:Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;Westenwind brengt sterfte onder de koningen;Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.Geeft Januari muggenzwerm,Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.Knapt Januari niet van kou,Men zit in oogstmaand in den rouw.Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het motief is dus: “alles heeft zijn gerechtigheid”: wat in Januari te veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief wordt herhaald in allerlei toonaarden.Driekoningendag(6 Jan.)Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,Komt de vorst in ʼt vaderland.Sint Antonius(17 Jan.) brengt ijs of dooi: “Sint Teunis is iês-mêker of iêsbrêker”, zegt men in Zuid-Limburg.Sint Sebastianus(20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:Maakt Sint Theunis de brök (brug),Sint Sebastiaan sjleit ze stök.Sint Vincentius(22 Jan.):Vincentius met zonneschijnGeeft veel koren en veel wijn.Pauli Bekeering(25 Jan.), zie I, bl.151.Maria Lichtmis(2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.Lichtmis donker,Wordt de boer een jonker.Lichtmis helder,De boer in den kelder,of:Lichtmis helder en klaarGeeft een goed ijmenjaar.Geeft Lichtmis klaverblad,Paschen dekt met sneeuw het pad.Sint Pieter-in-den-Winter(22 Febr.). Vriest het dien dag, dan vriest het nog 14 (of 40) dagen.Sint Mathias(24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden steen op het ijs.—Februari mist,Hooi in de kist.Sint Geertrui(17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:Sint MathiesWörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;Sint Gêëtruuj mit de moes4Hoalt um weer droes.Maart moet 7 mooie dagen geven.Stof in MaartIs goud waard.MaartSpeelt met zijn staart.Wat Maart niet wil,Haalt zich April.April kent geen kritische dagen; immers:AprilDoet wat hij wil.of:Heeft zijn gril.Een droge Maart en een natte April,Dan doet de landman wat hij wil.Maart droog en April natGeeft veel koren in het vat.Danst het lammetje in Maart,April vat hem bij den staart.April is aan Mei de korenaar schuldig.IJsheiligen: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een opstel vanB. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde daling der temperatuur wordt ook dehaagdoornkoudegenoemd, omdat dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie is van korten duur, want: “Strenge heeren regeeren niet lang”. Over de groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl.192. Een Vlaamsche weerregel zegt:Als de Mei is koel en wak,Brengt zij veel koren in den zak.Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:Mei oreSint Joacop kore.Sint Medardus(8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog 40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als “regen-heilige” bekend. Maar men rekent ook met de “Zwertzusters”, 14 dagen na Paschen.Sint Jan(24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen Sint Jacob de rogge rijp.—Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, na Sint Jan komt hij van zelf. “Deze meening staat inverband met de werkelijkheid”, schrijftVan Hage; “zooals wij weten zijn de maanden Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland.”Na Sint JanNeemt de zee het onweer niet meer ʼan.(Spijkenisse op Putten).Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.Sint Pieter(29 Juni).Sint Pieter helder en klaarIs een goed ijmenjaar.Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.Marie-Siêp(Visitatio.2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, waarsiêpen“druipen, druppelen” beteekent. Regent het op dezen dag, dan regent het nog 40 dagen.Sint Margriet(20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: “Sint Margriet houdt haar water niet”.Maria Magdalena(20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische dag.Sint Jacob(25 Juli).Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).Sint Dominicus(4 Aug.).Als Sint Dominicus gloeit,Een strenge winter bloeit.Sint Laurentius(10 Aug.).Sint Laurensʼ windMaakt de boekweit blind.Wie knollen wil eten,Moet Sint Laurens niet vergetenMaria Hemelvaart(15 Aug.).Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.Sint Bartholomaeus(24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.—Maar in September en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei- en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, en zoo luidt het dan b.v.: “Vorst in September, een zachte December”, overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.De eenige kritische dag isSint Michielsdag(29 Sept.), dien men als het begin van den voorwinter beschouwt. “Sint Gilis verbuut den ȯngere en den achterȯngere”, zegt de Zuid-Limburger: dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door het nakende winterweer geboeid.Oktober met groene blaârDuidt een strengen winter aan.Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den “kranenzomer”, daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk opAllerheiligen(1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een “Allerheiligen”- of “Oudewijven-zomer.”Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; enAls het met Allerheiligen sneeuwtLeg uw pels gereedMet al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid in Gods beschikking; immers:De mensch maakt den kalender, maar God het weer.en:Alle weer is Gods weer.Zie:EkamaenVan Hage, t.a.p.;N. L. Van Hall, Spreekwoorden enz. betreffende landbouw en weerkennis;Welters, Feesten enz., bl. 116 vlg.; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.;Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 244.
1. Uiteraard is ook denatuurverklaringvan het volk hoogst gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil zich overdag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, de hazenlip gespleten is?
Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij spreken dan vannatuurverklarende sprookjesenz.; en deze vindt men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal vindt men bijO. Dähnhardt,Natursagen, zie boven;Naturgeschichtliche Volksmärchen(Leipzig 1898).
Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te plagen. Vanwaar hetHulbij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of houtdief, die ʼs Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, toen Christusgekruisigd werd; zieWelters, Limburgsche Legenden II, bl. 61;Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.
Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De ooievaar, de vorst der Geldersche vogels—te Groningen zegt men de gansarend—verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog veel hooger het luchtruim in.
Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.
Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.—
Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik bedroog en nu bang voor hem is.
Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen verspreid, zooalsDe MontenDe Cock, Joos, CornelissenenVerlietons mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van “koninksken” en “koninksvogelken”, terwijl de Geldersche lezing het geroep van het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep het beestje: “Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!” Maar de katuil roept nog altijd klagend: “Er-oêt,er-oêt!” Een Fransch sprookje zegt, dat de uil “hu-hu-hu-hu” roept van de kou.
Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. VolgensDähnhardtmoet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.—2. De schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg op te stellen, die op de vraag: “Schildpad, waar ben je?” moeten antwoorden: “Hier!”—3. Een klein dier, dat zich aan den staart van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te Maasland kent men ook het verhaal van het wedvliegen, maar vervangt er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, Finland en Zweden verhaalt men van het wedzwemmenvan visschen, en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, meende de schol te barstenvan nijd. Zij beproefde een list en begon te roepen: “Panharing! panharing!” en zoo lang schreeuwde zij, tot haar muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. ZieDe Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.;Boekenoogen, in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.;CornelissenenVervliet, Vlaamsche Volksvertelsels, bl. 224.
Waarom roept de duif: “Rookoe, rookoe?”
De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En daarom roept de duif voortdurend: “Rookoe, rookoe”: Driem. Bladen I, bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.
Waarom is de schol plat?
Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook altijd plat gebleven:Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 137.
Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?
Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds zichtbaar.
Waarom lijkt de mier half doorgebroken?
Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier met het zwaard midden door.—
Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds bekende motieven een plaats vinden.
Waarom heeft de kwakkel geen staart?
De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, “verdronken” moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.
Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: “Ik wil ʼt geld van mijn bier!” Waarop de kwakkel antwoordt: “Ge hebt het gehad, ge hebt het gehad!”
Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens enz. verdeelde.—Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken teklagen en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.
Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld laten.
Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.
Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, om het kind in ʼt oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.
En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.
Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! DeRosa rubiginosaheeft roode puntjes op de twijgen: die komen van ʼs Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.
Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.
De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.
Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide de stukken over de bergen.—Maar de weetgierigheid van het volk vroeg ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.
Waarom heeft het viooltje geen geur?
Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: “Heilige Drievuldigheid, ontneem mij mijn geur!” De H. Drievuldigheid antwoordde: “Het geschiede naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn naam1dragen.”
Waarom draagt de Haagwinde (Convolvulus sepium) den naam van O.L. Vrouweglazeken?2In Vlaanderen verhaalt men:
Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:
“Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los”.
“Zeer geern, Lieve Vrouw”, antwoordde de voerman, “maar ʼk en hebbe geen glas om er den wijn in te doen”.
Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:
“Schenk mij uwen wijn daarin.”
De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met eerbied aan O.L. Vrouwe.
“God zegene u”, zeide hij, “lieve Vrouwe”.
En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.
ʼt Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.—
Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der sleutelbloem (Primula Veris), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit van lijnen.
Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en ʼt klopte er aan de deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, zijn broertjes.
Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en deed ze met gerreken open3; ja maar, met dat hij zag, met wien hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat ʼt klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst opʼt kerkhofvan een buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen ʼt gers en de blomkes van ʼt kerkhof te glinsteren, of daar schoot een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.
Nu ʼt gebeurde, dat er daar ʼs anderdaags met den vroegen ochtend een weezeken kwam naar ʼt kerkhof, op ʼt graf van haar onlangs gestorvene moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra had het weezeken die nieuwe blomme in ʼt oog, die zoo fier en zoo mooi te pronken stond; en ʼt was heel verwonderd van zulk een schoone blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. ʼt Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord “Hemel” gesneden stond.
De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, en het volk heette zedʼ Hemelssleutelblomme, zoo ze nog heet.
ZieIs. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 115–124;De Cock, Natuurverklarende Sprookjes (Gerit 1912);Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg.,Boekenoogen, Volkskunde XV, bl. 115, 116.
2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook devolksweerkunde. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieperinzicht voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met “den schat”, al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het populaire in deze “volkswijsheid” na te gaan, is de taak van den volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men raadplege hierover de studie vanDr. H. Ekamain het Album der Natuur, 15 Nov. 1907.
Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Hetdichterlijkeligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of 30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal—zonder mythologischen bijsmaak!—voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of veranderen: “Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen kiel”;—“Sint Petrus vischt graag”;—“Sint Mathijs gooit een gloeienden steen op het ijs”;—“Sint Leendert voert de vliegen weg” (Limburg) enz.—Wil men te Venloo zeggen: “wanneer de wind uit het Westen waait”, dan luidt dit in den volksmond: “wanneer men de klokken van Blerik hoort”. Boven de formuleering: “als het met Lichtmis helder weer is”, verkiest men: “als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt”. Enzoo verder: “als ʼt Kind Jezus geboren is”;—“als een balk voor de zon ligt”;—“als de zon in een nest ligt”;—“als de lucht nog geen warmte kan verdragen”. Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat dan de dagen “een hanengeschrei lengen”; en van Apriltje, dat zich het epitethon “zoet” ter wille van het rijm moet laten welgevallen, zegt men teekenend, dat het “nog wel een vilten hoed geeft”. Het volk spreekt ook graag van “schaapjeswolken”:
Schaapjes aan de hemelbaanDuiden wind en regen aan.
Schaapjes aan de hemelbaanDuiden wind en regen aan.
Schaapjes aan de hemelbaan
Duiden wind en regen aan.
Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige “op een schimmel komt gereden”.
Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het bekende: Sint Andriesbrengt devries, “Sint Mathijsbreekt hetijs”. Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol gespeeld door den faktor dersympathie, een feit, dat naar ik meen, vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan spreken van een sympathetische geneeskunde (bl.304), bestaat er een sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener < vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een “sleêjager”, omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, om er op te rijden met paard en slede.—Ruischt de wind ʼs avonds in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind waaien.—Alsgrijzekraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt dit een strengen winter.—Als de zon op Nieuwjaarsdagschittert, dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het “beweeglijke” van zonnelicht en water).—De begrippen “helder” en “vuil”, in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan volgt schoon weer.— Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, spelt zij droog weer. Maar het begrip “wasschen” kan ook de gedachte aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het haar in, dan komt er onweer.—Als de zon in den kreeft staat, mag men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan de tweevoudige beteekenis van het DuitscheKrebs(bl. 309). Rogge moet gezaaid metwassendemaan, en daarenboven dient men het zaadhoogop te werpen (I, bl.278,279).—Is het borstbeen van de gans doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op hetvoorstegedeelte voorspellen vorst in denvoorwinter, op hetachterdeel in dennawinter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.
Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van denbodem. Met padden worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde passeert, zegt men: “de schildpadden kruipen”: Driem. Bladen IX, bl. 50.
Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis vanplantenendierenin de volksweerkunde.
Bloeiende boomen tweemaal op een rij,Zal de winter zich rekken tot Mei,
Bloeiende boomen tweemaal op een rij,Zal de winter zich rekken tot Mei,
Bloeiende boomen tweemaal op een rij,
Zal de winter zich rekken tot Mei,
immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode van rust.—Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en dor weer.—Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.— Harde vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.
Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: als de kat door ʼt huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:
Als de kwartel rustloos slaat,Weet: het spoedig reegnen gaat.
Als de kwartel rustloos slaat,Weet: het spoedig reegnen gaat.
Als de kwartel rustloos slaat,
Weet: het spoedig reegnen gaat.
Als de kikvorsch kwaakt,Vast regen naakt.
Als de kikvorsch kwaakt,Vast regen naakt.
Als de kikvorsch kwaakt,
Vast regen naakt.
Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:
Krassen kraai en raaf verbolgen,Weldra zal er regen volgen.
Krassen kraai en raaf verbolgen,Weldra zal er regen volgen.
Krassen kraai en raaf verbolgen,
Weldra zal er regen volgen.
Maar de ooievaar, de geluksvogel, deheil-över, brengt een zachten winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder weer.—Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).
Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel derperiodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:
Donder in het dorre houtMaakt zes weken guur en koud.
Donder in het dorre houtMaakt zes weken guur en koud.
Donder in het dorre hout
Maakt zes weken guur en koud.
De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, het befaamde tijdperk derTwaalf Nachten(I, bl.128), dat zelfs het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude Germanen begon immers op 25 December; vandaar:
Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
Is op Kerstmis de hemel klaar,
Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: “zooals de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren”. Ja zelfs: “zooals het zomert, zal het ook winteren”.
Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt vroegtijdigezachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor derkritische dagen, Friesch:merkeldagen, beslissend voor het verder verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24enof 25ender maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed was, en nog meer wellicht de 25steApril, Sint Marcusdag, wanneer de voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. VrouweLichtmis, was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik in het Eerste Deel, bl.151, betoogde,—òf het moest zijn, dat de term “bekeering” mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men luistere naar het Duitsche rijmpje:
Wenn Paulus sich bekehrtMit einem Sonnenschein,So hoffen wir ein JahrSehr reich an Korn und Wein.
Wenn Paulus sich bekehrtMit einem Sonnenschein,So hoffen wir ein JahrSehr reich an Korn und Wein.
Wenn Paulus sich bekehrt
Mit einem Sonnenschein,
So hoffen wir ein Jahr
Sehr reich an Korn und Wein.
Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die volgens de legende, werdomgekeerdop den gloeienden rooster. De 10eAugustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: “Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer”, dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: “als het dan regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk”. Regent het op Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; zou hetweenenvan deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?—
Volge nu een kort overzicht van denvolks-weerkalender,tevens landbouw-kalender. Ik begin weer metSint Maar-tensdag(n Nov.):
Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,Dan zal ʼt een harde winter zijn.
Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,Dan zal ʼt een harde winter zijn.
Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,
Dan zal ʼt een harde winter zijn.
Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;Maar is dien dag het weder helder,De vorst dringt door in meenʼgen kelder.
Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;Maar is dien dag het weder helder,De vorst dringt door in meenʼgen kelder.
Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,
Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;
Maar is dien dag het weder helder,
De vorst dringt door in meenʼgen kelder.
Nevels in Sint MaartensnachtBrengen winters kort en zacht.
Nevels in Sint MaartensnachtBrengen winters kort en zacht.
Nevels in Sint Maartensnacht
Brengen winters kort en zacht.
Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele jaar uitoefent.
Sint Caecilia(22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen als maatgevend.
Sint Katharina(25 Nov.). Als dan de zon schijnt—men denke aan de volksetymologie—houden de lange herfstregens op.
In Zuid-Limburg zegt men: “Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de Rien”; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.
Sint Andries(30 Nov.) brengt de vries.
Kerstmis(25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.
Kerstmis aan den waPaschen aan den brand.
Kerstmis aan den waPaschen aan den brand.
Kerstmis aan den wa
Paschen aan den brand.
Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.
Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.
Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,
Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.
Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
Is op Kerstmis de hemel klaar,Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
Is op Kerstmis de hemel klaar,
Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
Nieuwjaarsdag(1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, weerregels:
Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;Westenwind brengt sterfte onder de koningen;Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;Westenwind brengt sterfte onder de koningen;Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;
Westenwind brengt sterfte onder de koningen;
Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;
Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
Geeft Januari muggenzwerm,Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
Geeft Januari muggenzwerm,Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
Geeft Januari muggenzwerm,
Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
Knapt Januari niet van kou,Men zit in oogstmaand in den rouw.
Knapt Januari niet van kou,Men zit in oogstmaand in den rouw.
Knapt Januari niet van kou,
Men zit in oogstmaand in den rouw.
Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het motief is dus: “alles heeft zijn gerechtigheid”: wat in Januari te veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief wordt herhaald in allerlei toonaarden.
Driekoningendag(6 Jan.)
Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,Komt de vorst in ʼt vaderland.
Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,Komt de vorst in ʼt vaderland.
Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,
Komt de vorst in ʼt vaderland.
Sint Antonius(17 Jan.) brengt ijs of dooi: “Sint Teunis is iês-mêker of iêsbrêker”, zegt men in Zuid-Limburg.
Sint Sebastianus(20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:
Maakt Sint Theunis de brök (brug),Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
Maakt Sint Theunis de brök (brug),Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
Maakt Sint Theunis de brök (brug),
Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
Sint Vincentius(22 Jan.):
Vincentius met zonneschijnGeeft veel koren en veel wijn.
Vincentius met zonneschijnGeeft veel koren en veel wijn.
Vincentius met zonneschijn
Geeft veel koren en veel wijn.
Pauli Bekeering(25 Jan.), zie I, bl.151.
Maria Lichtmis(2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.
Lichtmis donker,Wordt de boer een jonker.
Lichtmis donker,Wordt de boer een jonker.
Lichtmis donker,
Wordt de boer een jonker.
Lichtmis helder,De boer in den kelder,
Lichtmis helder,De boer in den kelder,
Lichtmis helder,
De boer in den kelder,
of:
Lichtmis helder en klaarGeeft een goed ijmenjaar.
Lichtmis helder en klaarGeeft een goed ijmenjaar.
Lichtmis helder en klaar
Geeft een goed ijmenjaar.
Geeft Lichtmis klaverblad,Paschen dekt met sneeuw het pad.
Geeft Lichtmis klaverblad,Paschen dekt met sneeuw het pad.
Geeft Lichtmis klaverblad,
Paschen dekt met sneeuw het pad.
Sint Pieter-in-den-Winter(22 Febr.). Vriest het dien dag, dan vriest het nog 14 (of 40) dagen.
Sint Mathias(24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden steen op het ijs.—
Februari mist,Hooi in de kist.
Februari mist,Hooi in de kist.
Februari mist,
Hooi in de kist.
Sint Geertrui(17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:
Sint MathiesWörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;Sint Gêëtruuj mit de moes4Hoalt um weer droes.
Sint MathiesWörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;Sint Gêëtruuj mit de moes4Hoalt um weer droes.
Sint Mathies
Wörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;
Sint Gêëtruuj mit de moes4
Hoalt um weer droes.
Maart moet 7 mooie dagen geven.
Stof in MaartIs goud waard.
Stof in MaartIs goud waard.
Stof in Maart
Is goud waard.
MaartSpeelt met zijn staart.
MaartSpeelt met zijn staart.
Maart
Speelt met zijn staart.
Wat Maart niet wil,Haalt zich April.
Wat Maart niet wil,Haalt zich April.
Wat Maart niet wil,
Haalt zich April.
April kent geen kritische dagen; immers:
AprilDoet wat hij wil.
AprilDoet wat hij wil.
April
Doet wat hij wil.
of:
Heeft zijn gril.
Heeft zijn gril.
Heeft zijn gril.
Een droge Maart en een natte April,Dan doet de landman wat hij wil.
Een droge Maart en een natte April,Dan doet de landman wat hij wil.
Een droge Maart en een natte April,
Dan doet de landman wat hij wil.
Maart droog en April natGeeft veel koren in het vat.
Maart droog en April natGeeft veel koren in het vat.
Maart droog en April nat
Geeft veel koren in het vat.
Danst het lammetje in Maart,April vat hem bij den staart.
Danst het lammetje in Maart,April vat hem bij den staart.
Danst het lammetje in Maart,
April vat hem bij den staart.
April is aan Mei de korenaar schuldig.
April is aan Mei de korenaar schuldig.
April is aan Mei de korenaar schuldig.
IJsheiligen: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een opstel vanB. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde daling der temperatuur wordt ook dehaagdoornkoudegenoemd, omdat dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie is van korten duur, want: “Strenge heeren regeeren niet lang”. Over de groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl.192. Een Vlaamsche weerregel zegt:
Als de Mei is koel en wak,Brengt zij veel koren in den zak.
Als de Mei is koel en wak,Brengt zij veel koren in den zak.
Als de Mei is koel en wak,
Brengt zij veel koren in den zak.
Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:
Mei oreSint Joacop kore.
Mei oreSint Joacop kore.
Mei ore
Sint Joacop kore.
Sint Medardus(8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog 40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als “regen-heilige” bekend. Maar men rekent ook met de “Zwertzusters”, 14 dagen na Paschen.
Sint Jan(24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen Sint Jacob de rogge rijp.—Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, na Sint Jan komt hij van zelf. “Deze meening staat inverband met de werkelijkheid”, schrijftVan Hage; “zooals wij weten zijn de maanden Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland.”
Na Sint JanNeemt de zee het onweer niet meer ʼan.
Na Sint JanNeemt de zee het onweer niet meer ʼan.
Na Sint Jan
Neemt de zee het onweer niet meer ʼan.
(Spijkenisse op Putten).
Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.
Sint Pieter(29 Juni).
Sint Pieter helder en klaarIs een goed ijmenjaar.
Sint Pieter helder en klaarIs een goed ijmenjaar.
Sint Pieter helder en klaar
Is een goed ijmenjaar.
Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
Marie-Siêp(Visitatio.2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, waarsiêpen“druipen, druppelen” beteekent. Regent het op dezen dag, dan regent het nog 40 dagen.
Sint Margriet(20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: “Sint Margriet houdt haar water niet”.
Maria Magdalena(20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische dag.
Sint Jacob(25 Juli).
Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).
Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).
Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)
Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).
Sint Dominicus(4 Aug.).
Als Sint Dominicus gloeit,Een strenge winter bloeit.
Als Sint Dominicus gloeit,Een strenge winter bloeit.
Als Sint Dominicus gloeit,
Een strenge winter bloeit.
Sint Laurentius(10 Aug.).
Sint Laurensʼ windMaakt de boekweit blind.
Sint Laurensʼ windMaakt de boekweit blind.
Sint Laurensʼ wind
Maakt de boekweit blind.
Wie knollen wil eten,Moet Sint Laurens niet vergeten
Wie knollen wil eten,Moet Sint Laurens niet vergeten
Wie knollen wil eten,
Moet Sint Laurens niet vergeten
Maria Hemelvaart(15 Aug.).
Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.
Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.
Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,
Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.
Sint Bartholomaeus(24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.
Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.—Maar in September en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei- en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, en zoo luidt het dan b.v.: “Vorst in September, een zachte December”, overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.
De eenige kritische dag isSint Michielsdag(29 Sept.), dien men als het begin van den voorwinter beschouwt. “Sint Gilis verbuut den ȯngere en den achterȯngere”, zegt de Zuid-Limburger: dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.
Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door het nakende winterweer geboeid.
Oktober met groene blaârDuidt een strengen winter aan.
Oktober met groene blaârDuidt een strengen winter aan.
Oktober met groene blaâr
Duidt een strengen winter aan.
Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den “kranenzomer”, daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk opAllerheiligen(1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een “Allerheiligen”- of “Oudewijven-zomer.”
Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; en
Als het met Allerheiligen sneeuwtLeg uw pels gereed
Als het met Allerheiligen sneeuwtLeg uw pels gereed
Als het met Allerheiligen sneeuwt
Leg uw pels gereed
Met al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid in Gods beschikking; immers:
De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
en:
Alle weer is Gods weer.
Alle weer is Gods weer.
Alle weer is Gods weer.
Zie:EkamaenVan Hage, t.a.p.;N. L. Van Hall, Spreekwoorden enz. betreffende landbouw en weerkennis;Welters, Feesten enz., bl. 116 vlg.; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.;Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91;Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 244.