III.

Eene audiëntie bij een volksvertegenwoordiger.

Dinsdagmorgen, kwart na twaalven. De edel-achtbare heer Simon Distelboom, afgevaardigde ter tweede kamer der Staten-Generaal, gebruikt een kop koffie. Eene ontzagwekkende menigte papieren en stukken houdt de aandacht van het „geachte” lid bezig. Hij voert een zilveren potlood in de hand, en maakt aanteekeningen. Hij behoort op dit oogenblik tot de regeeringspartij, en verzamelt stof voor eene zijner zeldzame redevoeringen in de kamer.

Een bescheiden kloppen op de deur stoort zijne aandacht. Daar was een heer beneden, die meneer wou gesproken hebben, verklaart de dienstbode van den apotheker, wiens bovenkamers Distelboom had gehuurd, en zij reikte dezen een kaartje over.

„Krelissen! wat moet die vervelende kerel? Laat maar boven komen, Trijn!”

Het „geachte” lid wierp de stukken op eene schrijftafel, en geeuwde zoo luid mogelijk. Andermaal werd er bescheiden op de deur getikt. Weldra trad Krelissen, de vader van Sofie en Betsy, de hoofdcommiesin spe, het vertrek binnen.

„Ha, bonjour Krelissen! hoe maak je 't, man? Ik heb je in lang niet gesproken! Ga zitten! ga zitten!”

„'t Is maar voor een paar minuten, meneer Distelboom! Ik kan eigenlijk niet wegloopen van 't ministerie, maar ik had u iets zeer noodzakelijks te zeggen, dat geen uitstel lijden mag....”

„Wel, man! je maakt me nieuwsgierig! Wil je een kop koffie? Eene sigaar?”

„Dank u!.... De zaak is eigenlijk.... ik wilde u zeggen.... u herinnert zich nog wel, dat ik voor een paar maanden een boek uitgaf over de oudste adellijke geslachten in Noord- en Zuid-Nederland?”

„Neen!.... dat is te zeggen, ik lees die dingen nooit!”

En Distelboom geeuwde.

De arme Krelissen kon het niet verhinderen, dat een vluchtig rood naar zijne gerimpelde wangen steeg. Hij had een exemplaar, wel niet met gulden stempels, maar toch fraai gebonden, aan den „geachten” volksvertegenwoordiger gezonden. Alleen de talrijke fraai gekleurde wapenkaarten en facsimile's waren reeds de moeite van eene nadere kennismaking waardig. Met haperende stem vervolgde hij:

„Ik meende toch, dat ik u een exemplaar had toegezonden!”

„O ja! Nu herinner ik 't mij. Ik had vergeten je mijn compliment te maken!”

„Volstrekt niet. Dat is niemendal, meneer Distelboom! Maar wat ik u vertellen wou, ik had ook een exemplaar aan den koning van België gezonden, en gisteren kreeg ik een zeer vereerenden brief uit Brussel met mijne benoeming tot lid van de Belgische Academie van Wetenschappen!”

„Wel zoo! wel zoo! 't geeft niets, hè! Maar ik feliciteer je, man! 't Is altijd eene heele aardigheid! Jij schijnt nogal veel aan die oude diplomatieke historie van België en Holland te doen?”

„Ik vraag verschooning. Mijn werk is uitsluitend over genealogie en heraldiek. Die vakken kunnen zeker bij eene geschiedenis der diplomatie dienst doen. Herinner u maar eens, toen verleden jaar dat tractaat met Halmhausen-Schallenburg in de Tweede kamer kwam, waarover ik u een nota, houdende de vroegere historie van dat vorstendom, heb gemaakt!”

„Juist! Ei zoo, dus ben je lid geworden van een Belgisch genootschap....”

„Van de koninklijke Academie van België! En nu had ik u nog iets te zeggen, dat me eigenlijk zwaar op het hart ligt.... ik weet niet....”

De goede Krelissen spande zich tevergeefs in, om het juiste woord te vinden; Distelboom zag hem schuins aan, en geeuwde voortdurend.

„Ik zal maar kort zijn!”—ging hij eensklaps met vertrouwen voort.—„Meneer Distelboom! ik dien nu reeds vijf en dertig jaren aan het Ministerie van ***. Zestien jaren was ik er commies. Ik heb mijn plicht gedaan, voor zoover ik weet. U hoorde zeker wel, dat meneer Schmidt, de hoofdcommies aan mijne afdeeling, is bevorderd. Ik meen, dat ik aanspraak heb op promotie....”

„Voor dat je verder gaat, Krelissen! Ik merk, dat je een verkeerden weg inslaat! Ik stel heel veel belang in je, maar wat je me daar zegt, moest je aan den Minister zeggen. De Minister heeft het recht van voordracht tot benoemingen. Wij, leden van de kamer, hebben er ons niet in 't minst mee te bemoeien!”

„Maar omdat u mij vroeger eens gezegd heeft, dat u zoo wèl met den Minister was, dat u zoo veel gedaan kon krijgen aan 't Ministerie.... dacht ik....”

„Ja maar, me lieve man! dan heb je me totaal verkeerd begrepen! Ik ben zeer wel met den Minister als particulier en vriend, verder niet! Waar zou het heen, als wij vertegenwoordigers des volks ons tegenover de regeering zoover compromitteerden, dat wij diensten en gunsten vroegen aan de leden van het kabinet! Wij hebben de wetgevende macht voor een deel in handen; wij moeten zoo onafhankelijk mogelijk zijn!”

Krelissen was gedurende die rede reeds opgestaan. Hij moest in allerijl naar het Ministerie terug. Zijne hoop op de voorspraak van Distelboom was vervlogen. Deze putte zich nu uit in beleefdheden. Hij twijfelde geen oogenblik of Krelissen zou benoemd worden; iemand van zooveel jaren dienst en daarenboven een man van studie.... Maar de commies had niet veel tijd meer te verliezen. Met een verlegen flauwen groet haastte hij zich weg.

Juist was het „geachte” lid bezig, zich achterover in zijn fauteuil te werpen, en luider dan ooit te geeuwen, terwijl hij daarna zich vermaakte met al glimlachend een wijsje te fluiten,toen luide voetstappen op de trap gehoord werden, en een forsche slag op de deur door de kamer klonk. Binnenstormde aanstonds Jonkheer Charles de Rijk van Varenhorst, die zich met een luid klinkend „bonjour” op Distelboom's sofa wierp.

„Bij al de goden! wat heb je 't hier warm, kerel! Gooi die vensters toch open!”

En meteen vloog hij zelf op, om de ramen open te schuiven.

„'t Komt misschien, omdat ik hier juist een collega van je had!”—antwoordde het „geacht” lid.—„Diezelfde Krelissen, wiens blonde dochter jij Zondagavond zoo hebt nageloopen!”

„Wat heb jij met dien vent van noode?”

„Och, hij maakt soms uit liefhebberij kleine opstelletjes voor me over 't een of ander van buitenlandsche zaken! En nu vroeg hij me om protectie bij den Minister. Hij wil hoofdcommies worden in plaats van Schmidt!”

„Duivels ja, daar kwam ik je juist over spreken! Wat heb je voor me gedaan?”

„Tot nog toe niets! Maar morgen zal ik den Minister spreken.”

„Jongens, kerel! dat valt me niet mee! Je hadt het me zoo beloofd! In de eerste plaats zijn we verre neven, en dan weet je, dat mijn oom Varenhorst al de boeren van jou kiesdistrict....”

„Spreek dan toch zachter, wil je me compromitteeren!”

„Neen, maar Distelboom! Houd dan nu je woord ook! Anders loopt de zaak waarachtig niet!”

Het „geachte” lid stond op, kreeg een karaf met madera en glazen, vulde ze, en bood ze zijn gast aan.

„Weet je wat—het essentiëele van de zaak is”—fluisterde hij vertrouwelijk, terwijl hij met den Jonker aanstiet—„dat ik zeker ben van herkozen te worden, en dat jij de betrekking krijgt. De rest kan mij geen jota schelen!”

Het advies van den klerk aan 't ministerie.

't Liep naar vieren. Moeder Krelissen stond bij het venster, en keek oplettend naar buiten. Haar zoon Willem stond bij 't andere raam, hij sprak vroolijk en verheugd. De beide meisjes ruimden de tafel op, en plaatsten er een blaadje met glaasjes op, waarbij nog een half fleschje madera gevoegd werd.

Vierde iemand zijn geboortedag in dien kleinen kring?

Zou het verheugde gezicht dier trouwe moeder en vrouw misschien iets gelukkigs spellen voor de toekomst?

„Daar is vader!”—riep de heldere stem van den jonkman.

Ieder vestigde nu zijne aandacht op het verschijnen van den grijzen ambtenaar, maar ging zich toch met iets bezighouden, alsof men geheel ongedwongen en zonder eenig bijzonder plan bijeen was. Krelissen kwam met eene uitdrukking van vermoeidheid en zorg de kamer binnen. Zoodra hij echter de opgeruimde blikken van vrouw en kinderen gewaarwerd, kwam de oude welwillende lach te voorschijn, en terwijl hij voorzichtig zijn hoed in de kast borg, zag hij met zekere nieuwsgierigheid om zich heen. Eensklaps bedekte een vuurrood zijn gelaat. Hij had de glazen en de madera ontdekt.

„Wat beteekent dit?”—vroeg hij met haperende stem.—„Moederlief! is er bericht gekomen....?”

De stem van den grijsaard was geheel weg. Een traan schitterde in zijn oog. Met bevende hand wees hij naar de tafel.

„Tijding van de benoeming? Neen, vader!”—sprak de vlugge Betsy gauw, terwijl hare moeder, door aandoening overmand, slechts glimlachend het hoofd had geschud.—„Maar Willem brengt mooi nieuws, heerlijk nieuws!”

Aanstonds zette Krelissen met de grootste verbazing zich in zijn gewonen armstoel op zijne gewone plaats aan de tafel.Zijne echtgenoote schoof haar zetel aan zijne zijde, en drukte hem bemoedigend de hand. Zijn zoon Willem bleef voor hem staan.

„Vader!”—sprak hij.—„Ik weet, dat u altijd aan die benoeming denkt, en ik verwonder er mij niet over. Maar dat is hier de zaak niet. Ik heb iets heel anders aan u te zeggen. Heeft u er iets tegen, dat ik over drie maanden naar Batavia ga?”

„Naar Batavia, jongen? Maar waarom....”

„Luister, Vader! Welke belooning er hier in Holland voor een man van studie en loffelijke plichtsvervulling is weggelegd, zie ik het best aan uw voorbeeld. Uit België gewordt u alleen onderscheiding....”

„Willem! Laat ik je toch waarschuwen voor die ontevredene stemming, jongen! Ik beklaag mij niet, ik weet maar al te goed, hoe gering mijne aanspraken zijn....”

„Juist, en ik geloof, dat u wel teleurgesteld, maar niet misnoegd, noch beleedigd zou zijn, als men u passeerde! U zoude commies willen blijven....”

Krelissens vingeren begonnen opnieuw te beven, hij boog het hoofd, een trek van diepe smart vertoonde zich op zijn gelaat. Zijne echtgenoote zag haar zoon met een smeekenden blik aan.

„Maar”—ging deze voort—„dat denkbeeld kon ik niet dulden. De zaak was om op alles voorbereid te zijn, als men u mocht passeeren. Welnu, ik kan u zonder aarzelen raden, laat dat akelige bureau-werk varen, neem uw pensioen en wijd u alleen aan uwe studiën! Geen zorg voor geld zal u noch moeder meer kwellen. Ik zal uit Batavia u ruime ondersteuning zenden, want daar zal ik binnen een jaar tijds boekhouder zijn op het kantoor der firma Ruytenburg en Co.!”

„Maar hoe is 't mogelijk, jongen?”

„Hij heeft met onze vrienden in Batavia al langer dan een jaar gecorrespondeerd!”—viel Sofie in.

„En Mina heeft voor hem gesproken met een paar rijke heeren!”—completeerde Betsy.

„Tweehonderd vijftig gulden in de maand!”—fluisterde moeder.

Krelissen had in een oogenblik zijn eigen zorg en vrees vergeten. Met fonkelende oogen schudde hij beide handen van zijn oudsten zoon.

„'k Wist wel, dat je een ferme kerel waart, Willem! Maar zoo had ik niet gedacht, dat je ons verrassen zoudt!”

En de oude man liet langzaam een traan langs zijn kaak wegbiggelen, want moeder fluisterde:

„Wat zullen wij hem missen!”

Maar Betsy schonk een glas madera in, en er werd vroolijk geklonken, en Willem vertelde, dat hij al een halfjaar met meneer Ruytenburgs compagnon, den heerBurdett, correspondeerde, om hem te bewijzen, dat hij in 't Fransch, in 't Duitsch en Engelsch, ervaren was, en dat hij het boekhouden grondig verstond. Dat alles had hij zich zelven in zijne vrije uren geleerd. De heerBurdett, een Engelschman, had Mina dikwerf ontmoet in Batavia, en wilde uit hoffelijkheid voor haar gaarne eene briefwisseling met haar broeder aanvangen. Het gevolg was geweest, dat men thans Willem Krelissen uit naam der firma, onder de voordeeligste voorwaarden, had uitgenoodigd eene plaats op het kantoor der heeren Ruytenburg &Burdettte komen vervullen.

Het goede nieuws stemde het gezin tot onvermengde vroolijkheid. Er werden door moeder en Willem nog gissingen gemaakt omtrent zekere uitdrukkingen in Mina's laatsten brief over de voorkomendheid en beleefdheid van den heerBurdett, maar daar men niets zekers wist, wilde men niet vooruitloopen, vooral daar men opmerkte, dat Sofie eenigszins kregel die veronderstelling wegwierp.

Juist op dit oogenblik werd er luide gebeld. Betsy wipte naar het venster en riep:

„Meneer Distelboom!”

Sofie greep aanstonds de glaasjes en den wijn, om die spoedig weg te bergen. Terwijl ieder nieuwsgierig opzag, tradhet „geachte”lid met een zeer gemaakt ernstig gelaat de kamer binnen. Deftig groetend, nam hij stilzwijgend plaats tegenover Krelissen en diens echtgenoote, terwijl Willem, tegen het vensterkozijn leunend, hem scherp in 't oog hield.

„Omdat ik juist passeerde, wilde ik niet verzuimen even bij je aan te loopen, Krelissen! want ik kan je iets berichten, waar je belang in stelt!”

De grijze ambtenaar verbleekte. Aan den gedwongen deftigen toon van Distelboom kon hij duidelijk bemerken, dat deze hem geene goede tijding kwam brengen.

Maar voor dat hij spreken kon, viel Willem in:

„Ik geloof, dat u te laat komt, meneer Distelboom! Wij weten het al, vader is gepasseerd! Men heeft iemand anders benoemd!”

„Hoe is 't mogelijk, dat je 't weet, man? De benoeming is nog niet eens officiëel bekend!”

„Hoe ik 't weten kan? Doodeenvoudig, ik wist 't van den beginne af reeds!”

Er volgde een oogenblik stilzwijgen. Krelissen had zich doodbedaard gehouden, hij keek ieder tevreden aan, als om hen te overtuigen, dat hij thans in 't geheel niet meer om de benoeming gaf. Eindelijk zei hij met zijne gewone vaste stem:

„Ik zal morgen mijn eervol ontslag en mijn pensioen vragen, meneer Distelboom!”

„Ja, beste vriend!”—ging het „geachte”lid voort—„ik begrijp, dat het voor jou onaangenaam is. Maar we moeten ons schikken in de omstandigheden. 't Is een vast principe bij deze regeering, heb ik opgemerkt, om den dienst aan de Ministeriën te vereenvoudigen, oude ambtenaren door jongeren te vervangen—in één woord: economie, goed werk voor goed loon!”

„Juist, meneer Distelboom!”—viel Willem in—„zoo moest het zijn, maar hoe is het? IJverige en brave ambtenaren als mijn vader laat men in de schaduw. Men exploiteert ze soms nog, als men te traag is om zelf een moeielijk wetenschappelijk onderzoek in 't werk te stellen. Maar wie worden benoemd? Onbeduidende sujetten met uitgebreide familie-relatiën, metvoorspraak en een ijdel gerucht van bekwaamheid, 't welk gedienstige vrienden en nieuwtjeskramers zoo goed zijn aan alle hoeken der stad uit te roepen.”

Het „geachte” lid keek vreemd op. Aan de uitdrukking van zijn gezicht kon men zien, dat hij het bijna der moeite waard achtte zich boos te maken.

„Maar wie is benoemd?”—vroeg Krelissen kalm.

„Een commies aan jou Ministerie, Krelissen! Jonkheer de Rijk van Varenhorst.”

„Die zal in de eerste dagen niet in staat zijn dat ambt waar te nemen!”—merkte Willem op.

„En dat waarom niet?”—vroeg Distelboom, die op het punt was in drift uit te barsten.

„Omdat deze zeer achtenswaardige, aanstaande hoofdcommies gisteravond heeft goedgevonden, ons te na te komen. Ik stond met mijne zuster Betsy naar een winkel in de Hoogstraat te kijken, toen deze voortreffelijke heer onverwacht zijn arm om de leest mijner zuster sloeg met het halfgelukte plan haar te omhelzen, waarop ik Z.Ed. bij de borst greep en zoo onzacht op de straat wierp, dat Z.E's mond en neus er nog eenige dagen de herinnering aan zullen bewaren.”

Het „geachte” lid stond woedend op, en zweeg een oogenblik, om zijne drift meester te blijven. Eindelijk sprak hij, zijne keel schrapend, half schor:

„Wel zoo, mannetje, ben jij zoo bij de hand! Pas maar op, daar zijn hier nog commissarissen van politie en officieren van justitie in Den Haag. Die weten wel raad met brutale jongens....”

„Ik vraag wel om verschooning!”—viel Willem snel in, en trad een paar schreden op Distelboom toe—„als er hier van brutale lui sprake moet zijn, dan zal ik de eer hebben ze aan te wijzen. Weet u wel, meneer Distelboom! wat brutaal is? 't Is brutaal, met een effen gezicht bij eene fatsoenlijke familie binnen te dringen, om ze uit louter „Schadenfreude” eene onaangename tijding te brengen. 't Is brutaal, zich met groote woorden op de onafhankelijkheid van zijn karakter alsvolksvertegenwoordiger te beroepen, en in 't geheim voor gunstbetoon en protectie van verre neven zijne stem aan een Minister te verkoopen! 't Is brutaal, van commissarissen van politie en officieren van justitie te spreken, als de heiligste eeden en duurste verplichtingen met voeten getreden worden....”

Maar moeder had hare hand op Willems schouder gelegd. Hij zweeg eensklaps. Het „geachte” lid had met een spottenden glimlach geluisterd naar den „brutalen jongen”—doch de bleekheid van zijn gelaat staafde, hoe uitmuntend de kastijding haar doel trof.

„Adieu, dames! Bonjour, Krelissen!”—riep hij haastig, terwijl hij driftig een paar stoelen uit den weg schopte.—„Veel geluk met je knappen zoon!”

Allen zwegen, tot het geluid zijner voetstappen was uitgestorven. Toen stak de oude Krelissen zijne beide handen uit, en drukte die zijns zoons met warmte en dankbaarheid.

„Willem! je bent een door en door flinke jongen! Voor een paar dagen nog dacht ik, dat ik mij dood zou ergeren, als de benoeming mij ontging—en zie, ik ben rustig en kalm. Wat je daar gezegd hebt, heeft mij veerkracht en zedelijken moed teruggegeven. De knoeierij is gewroken, ze zullen er geen zegen op hebben.”

Maar moeder had in stilte 't hoofd geschud. Zachtjes viel ze in:

„Ik had niet vermoed, lieve man! dat je Willem sterken zoudt in zijne heftigheid. Wij mogen niet oordeelen, ons niet wreken! De zachtheid des gemoeds is onzen Heiland oneindig welgevalliger, dan de toorn des wraakzuchtigen! En dan, hoe zal het afloopen?”

„Wees niet bang, moedertje!”—viel Willem in.—„Ze zullen zich wel rustig houden, want anders kwamen hunne schandalen uit. Maar, omdat ik nu wil, dat we allen vandaag gelukkig zullen zijn, zoo vraag ik u met deze kus verschooning, want u heeft in zeker opzicht wel zeer stellig gelijk.”

INHOUD.Bladz.Eene begrafenis in den Zuid-Atlantischen Oceaan1Ter koperen Bruiloft van den WelEd. Geboren Heer Caspar Janssen Van der Comme15N'est pas peintre, qui veut76Mijnheer Apollo en de menschen in Beötië113Eene opvoeding in deStalles149Wat thans niet meer gebeuren kan184

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 11,.Blz. 15verledenenverleden enBlz. 18?!Blz. 23.,Blz. 25,[Verwijderd.]Blz. 29fijnbeschaafdeufijnbeschaafdenBlz. 37[Niet in Bron.]„Blz. 37[Niet in Bron.]”Blz. 42[Niet in Bron.].Blz. 45WilhelmineWilhelminaBlz. 48[Niet in Bron.].Blz. 63ZiiverlinkZilverlinkBlz. 68PaulinaPaulineBlz. 80[Niet in Bron.].Blz. 87[Niet in Bron.].Blz. 89[Niet in Bron.].Blz. 90fieschfleschBlz. 90beidenbeideBlz. 91[Niet in Bron.].Blz. 93SchilverenSchilferenBlz. 108[Niet in Bron.]„Blz. 118[Niet in Bron.].Blz. 126[Niet in Bron.]„Blz. 130onbeschrijfeijkeonbeschrijfelijkeBlz. 132biljartebiljartteBlz. 140,[Verwijderd.]Blz. 141[Niet in Bron.]VonBlz. 141[Niet in Bron.].Blz. 142.,Blz. 144[Niet in Bron.].Blz. 146iievelieveBlz. 148gevoedgevoeldBlz. 148[Niet in Bron.].Blz. 150[Niet in Bron.]”Blz. 151[Niet in Bron.]„Blz. 164MlleMlleBlz. 165bedektenbedekkenBlz. 166MlleMlleBlz. 167MlleMlleBlz. 167PasquitaPaquitaBlz. 167[Niet in Bron.].Blz. 168MlleMlleBlz. 168MlleMlleBlz. 181[Niet in Bron.].Blz. 184[Niet in Bron.]„Blz. 185joujouwBlz. 189[Niet in Bron.],Blz. 190glacè-handschoenenglacé-handschoenenBlz. 203[Niet in Bron.].Blz. 207[Niet in Bron.]”Blz. 207[Niet in Bron.]”

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext