Ik heb met haar rondgewandeld langs paden, die sinds lang zijn verdwenen.
Ik heb haar vergezeld, droomend en peinzend bij het meer, waarvan niets meer bestaat dan een flauwe herinnering.
Ik heb hare stem gehoord, melodisch en zoet klinkend, als het gezang des leeuwriks, wanneer het opklimt tot den hoogen, en—schrikwekkend als zij klonk op den oogenblik, voor zij voor eeuwig gesmoord wierd in de diepte van een drabbigen poel.
En nu zeg ik haar vaarwel!
Vaarwel, Cecilia! arme, te midden van uw schoonsten bloei, deerlijk vertreden bloem!
Uw rein en edel hart is sinds lange, lange jaren tot stof vergaan, maar wat nood, wanneer we gelooven:
Ob das arme Herz in Staub zerfällt,Liebend lebt es fort in höhern Welt.
Ob das arme Herz in Staub zerfällt,Liebend lebt es fort in höhern Welt.
Dan zijn de wonden, u hier geslagen, geheeld en vergeten, en in plaats van in raadselen, als hier op deze, voor velen, en vooral voor u zoo droevige aarde, wandelt gij daarboven om, in eeuwige vrede, in een eeuwig licht!
EINDE.
a.Woningen onder 't veen.
Het vinden van overblijfselen van voorhistorische woonplaatsen onder het veen is, hoewel zeldzaam, niet ongewoon.
In de „Tegenwoordige Staat van Drenthe”, stuk I, blz. 174 en 175, leest men daaromtrent het volgende:
„De zandgronden, waarop deze wijd uitgestrekte Veenen ontstaan zijn, schijnen in vroeger eeuwen, vóór de Veenwording zeer Boschrijk en door Vee en menschen bewoond te zijn geweest. Want, van waar zoo veele Overblijfselen? als bij voorbeeld: lederen Kolders, ruyge Mutsen, Schoenen, Potten, geplaveide Vuursteden, Heggen, Sloten, Wegen, hoorns van Ossen en Herten, Tanden van Dieren en andere Saacken, welke men onder de Veengronden vindt.”
Ook te Hoogeveen is de vondst, in het verhaal vermeld, niet de eenigste van dien aard.
Nog in 't begin dezer eeuw werd er in tegenwoordigheid van den heer Warner de Jonge, in leven vrederechter, eene oude haardstede opgedolven, waarin nog asch en half verbrande houtskool was te onderkennen. Deze haardstede lag in het midden van eene erve, die met zwaar geboomte was omringd geweest, blijkens de nog aanwezige wortelen en boomstronken.
b.Stokleggingsbrief.
De gerechtelijke overdracht van vaste goederen, geschiedde in die dagen, met in tegenwoordigheid van Schout en Keurgenooten (getuigen) een stok op den grond te doen leggen door den verkooper, die dan door den kooper werd opgenomen. De acte, van deze handeling door den Schout opgemaakt, heette „Stokleggingsbrief”. (Zie hierover het Lantrecht van Drenthe 2de Boek, Art. 52).
c.Een wonderschoon, maar ook een wondervreemd meisje.
Maijo 10 1696. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Wat sijne Dogter aangaat, dat nu een Meysken sal wesen van 10 of 11 jaaren, men kan sigh beswaarlijck yct lieffelijkers voorstellen en denken.
Noijt sagh ik sulke groote donkere ooghen, sulck luisterlijck krullend Haar, sulcke fijn besneden en in allen dele schoon gevormde Aengesightstrekken, sulck een tengere en dog veelbeloovende vrouwengestalte.
Dit kind heeft bij haare schoonheijt ook wonderbaare talenten en die haar als aangeboren schenen te sijn, want hoewel hij, die hem haar Vader noempt, een Man schijnt te wesen, die niet sonder kennisse is, en haar gewisselijk den aard der kruyden, en 't koocken van dranken en Tisanen heeft konnen leeren, wie heeft haar onderwesen in 't snijderen van haar eijgen kleedije, dat sij seer uijtnement doet?
En van wie leerde sij de konste van speelen op diverse Instrumenten en daarbij te singen als sij 't verstaat?
Maijo 12 1702.
Mijne vrouwe bewonderde ook de fijne gestalte van dit vremde Kint; hare wonder losse bewegingen, haare nobele trekken, maar vooral haare Oogen, die—soals sij seijde, wel straelen schenen te schieten, en die alleen wel aanleydinge konden gegeven hebben tot de tooverkragt die men haar toeschreef, want sij ijder betooverde die zij er mede aansagh.
Ik was geheel van deselfde Opinie, en dagt bij mijn selve: komt dit Kint tot de Jaaren van Jonckvrouwe—die sij nu nog niet gantselijck bereikt heeft—sij sal gelijcken op de Armida van den Italiaansen Poeet Tasso, en daar sal geen Man haar konnen naaderen, sonder door hare blicken te worden geboeit.
(Notulen Mijner Daghen ofte Tijtsgetuijghenissen-Clapper van Arent Calkoen, j. u. d., en PetrusCalkoen, j. u. d., 1661–1709.)
Cilies geloof.
Daar hare tante,Made. Desirée Louise de Cosse, bij haar huwelijk met een Spaansch inwoner der colonie Suriname, tot het Catholicisme terugkeerde, is het zeer natuurlijk dat de gebeden en gedachten van het meisje een Roomsch tintje hadden verkregen.
d.Bloedregen.
Ziehier wat Houttuin, in zijne bekende „Natuurlijk Historie, of Uitvoerige Beschrijving der Dieren, Planten en Mineraalen enz.” verder over deze zaak schrijft.
Na gezegd te hebben, dat de vlinders, die zeer weinig voedsel gebruiken, ook weinig uitwerpselen hebben, voegt hij er bij: „uitgenomen wanneer zij zoo eerst uit de poppen gekomen zijn, of liever, zoodra zij in staat zijn om te vliegen; wantdan spuiten sommigen een groote veelheid van een dik vocht uit, hetwelk aanmerkelijke Vlakken maakt op de Boomschors en Bladen, inzonderheid op Hout en Papier zeer zigtbaar en bestendig. Het Vogt, dat zij dus uitwerpen, is in velen bruin of witachtig, doch hoogrood in eenige Dagkapellen, gelijk die van gedoornde Rupsen komen, als de Aurelia, Nommervlinder, 't Pauwoog enz. De Bloedregen, die men somtijds zig wijs maakt, dat hier of daar gevallen zou zijn, wort niet ten onregte aan de Uitwerpselen van zoodanige Kapellen toegeschreven.(32)
e.Het geloof aan, en de afschuw van heksen was in die dagen algemeen, en dat niet alleen, als thans nog, onder de geringe klasse, maar ook onder de zeer beschaafde en ontwikkelde menschen. En geen wonder ook! want de geestelijkheid, destijds voor 't meerendeel behoorende tot de steil orthodoxe richting, stond vooraan bij de verspreiding van dit onzalig wanbegrip.
Het was nog niet zoo heel lang geleden, dat een geleerd Professor in de Theologie, de vermaarde Gijsbertus Voetius, de verklaring had afgelegd: „dat iemand, die aan den duivel geloofde—als hij van ganscher harte deed—noodwendig moest gelooven aan tooverije!”
Hij noemde dan ook het verschrikkelijk boek van Sprenger „de Heksenhamer” een voortreffelijk boek, en geloofde niet alleen aan de mogelijkheid van het vliegen der heksen door de lucht, maar ook aan het formeel sluiten van verbonden met den Booze. Schreef ook twee verhandelingen om deze gevoelens te verdedigen, en die zijn opgenomen in het 3de deel zijner „Disputationes Theologicae Selecta.”
f.Uit eene korte aanteekening van den Clapper van de Heeren Calkoen blijkt, dat hij zich in de gevangenis van het leven beroofde.
(32)ZieJournal das Scavans, Febr. 1767, Art. 8.
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 1CARRECARRÉBlz. 6voorbeldigenvoorbeeldigenBlz. 6,.Blz. 9SwaabSwaapBlz. 14’[Verwijderd.]Blz. 15-Blz. 16benminnenbeminnenBlz. 17[Niet in Bron.]”Blz. 18.,Blz. 18[Niet in Bron.].Blz. 18StroeveStroeveBlz. 19.,Blz. 19lichaaamlichaamBlz. 21vroegevroegBlz. 21bewarënbewarenBlz. 21wenkbrouwenwenkbrauwenBlz. 21heettëheetteBlz. 21 (voetnoot),.Blz. 24StroeveStroeveBlz. 24donderedonkereBlz. 24 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 25.,Blz. 27vôchtvochtBlz. 29tëteBlz. 30aangebo enaangeborenBlz. 31be/slootbeslootBlz. 32[Niet in Bron.].Blz. 33”[Verwijderd.]Blz. 33CatkoenCalkoen
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: