X.De groote vlinder.De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond had gehoord.Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was ’t zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig, maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn gezicht. ’t Was alsof dat lichaam en dat gezicht in ’t geheel niet bij elkaar pasten.Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, alsof hij dacht: “Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te laten praten.â€â€œNu zal ik je eens wat vertellen, Erik,†zei de oude herder. “Ik heb bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooterwaren, dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon te trekken.Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. ’t Duurde niet lang, of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als steen. Je weet wel, dat we steenen aan ’t strand gevonden hebben, die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof, dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee lag. Geloof je dat ook niet?â€Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei: “Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt.â€â€œLet nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen, is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt, merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar ’t zuiden zie je ’t achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in een scherpe punt eindigt.â€Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,—wat gespannen, om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde door te gaan.“Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel op schieten, maar ’t was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret1,dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien, omdat de aardlaag zoo dun is.Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt, vandaan gekomen is.â€â€œJa dat is het juist,†zei de andere, die rustig door bleef eten, “dat zou ik wel willen weten.â€â€œJe moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft: wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren, en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar armoedige schuren, waar wij—herders—inkruipen. Maar daar beneden op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën, en groepen visschershutten en een heele stad.â€Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte zijn broodzakje dicht.“Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles,†zei hij.“Ja, dà t is ’t maar, wat ik weten wou,†zei de herder, en hij sprak zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken naar alles, wat er niet is. “Ik zou alleen dit willen weten: of de boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen, of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de reizigers, die rond wandelen in de ruïne van ’t kasteel op Borgholm, of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten, of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens zitten schilderen,—ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt, dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen met groote, glanzende vleugels.â€â€œO ja,†zei de jonge herder plotseling, “dat moet wel iemand van hen begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden, en die heeft uitgezien over ’t KalmarSond. Hij heeft wel gemerkt, dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere.â€â€œIk zou hun willen vragen,†ging de oude voort, “of niet een van hen heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen, als een vlinder, onder de vlinders.â€â€œâ€™t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt,†zei de jonge man, “want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het uit de zee wou opkomen en wegvliegen.â€Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had gebracht, luisterde hij niet lang naar hem.“Ik zou willen weten,†zei hij nog zachter, “of iemand kan verklaren, waarom er zoo’n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt, dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt.â€1Een groote zandvlakte op Öland.XI.Het kleine Karelseiland.De storm.De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke zuidenwind over ’t Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, en slingerde ze voort naar den kant van de zee.’t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met den wind meê draaien.Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, alsof ze wedijverden, wie ’t hoogste kon komen en het woedendste schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze spandenzich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven—hoog op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal—en hadden evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen afgunstig: “Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen.â€Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka riep telkens: “Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!â€Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep de een na de ander in, en zelfs Akka was op ’t punt in te slapen, toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop van een golf.“Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!†riep Akka met luide, schelle stem, en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. ’t Was op het laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen was, waren de zeehonden zóódichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze zagen geen land—enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste verwoestingen aan onder de massa’s vogels, die in dien tijd van het jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, dat ze in zee zonken en verdronken.Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi van de zeehonden.Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan bonsden, en ze vreesde daartusschenverpletterd te worden. Een paar maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.’t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou ’t toch gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. ’t Roepen van trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu men niet meer kon zien wie ’t waren, die zoo riepen, klonk het akelig en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. ’t Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.Het gevaar.De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan, en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd moesten worden.Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen de ganzen in, en ’t volgend oogenblik waren zij in veiligheid.Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, wat er van haar was geworden.Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksivan den troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo’n prachtig nachtverblijf hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten in ’t oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.“Dat zijn oogen!†riep Akka. “Er zijn groote dieren hier binnen!â€Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in ’t donker kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: “Daar hoef jelui niet voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den wand van de grot liggen!â€Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te gemoet. “Wees welkom in deze wildernis!†zeiden ze.Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij in hun grot waren gekomen.“’t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,†zei Akka. “Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht mochten blijven.â€Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapenmet woorden antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen en wonderlijk waren, maar deze schenen er in ’t geheel geen begrip van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende stem:“Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen zooals vroeger.â€â€œU behoeft u daarover niet te bekommeren,†zei Akka. “Als u wist, wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen.â€Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. “Ik geloof, dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben.â€Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te goed te doen. “Wij hebben van ’t jaar veel sneeuw gehad hier op het eiland,†zeide ze. “De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven.â€De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.“Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te zeggen, dat het hier onveilig is,†zei hij. “Wij kunnen hier in dezen tijd geen gasten voor den nacht ontvangen.â€Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. “Wij zullen heengaan, wanneer u dat verlangt,†zeide zij. “Maar wilt u ons niet eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, waar wij zijn.â€â€œDit is het kleine Karelseiland,†zei de hamel. “Dat ligt voorbij Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels.â€â€œHoort u misschien tot de wilde schapen?†vroeg Akka.“Dat scheelt niet veel,†antwoordde de hamel. “We hebben niets met menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, als het ’s winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren en sloten, maar houden ons in grotten als deze op.â€â€œBlijft u hier ook ’s winters?†vroeg Akka verwonderd.“Ja, dat doen we,†antwoordde de hamel. “We hebben genoeg te grazen hier op den berg het heele jaar.â€â€œMij dunkt, het schijnt, dat u ’t beter hebben moest dan andere schapen,†zeide Akka. “Maar wat is er u dan voor een ongeluk overkomen?â€â€œâ€™t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland.â€â€œO zoo! durven de vossen dan ook u aan?â€â€œO neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,†zei de hamel, en schudde zijn horens. “Maar ze sluipen op ons toe in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren kudden, even groot als de mijne.â€â€œâ€™t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn,†zei nu de oude schapemoeder. “We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer we tamme schapen waren.â€â€œDenkt u, dat ze hier van nacht komen,†vroeg Akka.“We kunnen niet anders verwachten,†antwoordde de oude. “Ze waren hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere plaatsen gedaan.â€â€œMaar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,†zei Akka.“Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op ’t kleine Karelseiland,†zei de schapemoeder.Akka stond daar heel besluiteloos. ’t Was niet prettig er nu weer op uit te gaan in den storm. En ’t was ook niet goed in een huis te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.“Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo dikwijls hebt gedaan,†zei ze.“Ja,†zei de jongen; dat wilde hij wel.“’t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen,†zei de wilde gans, “maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?â€De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te zullen blijven.Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven te spelen. De jongen ging naar den ingang om uitte kijken. De grot lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in ’t eerst heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar groote reuzen, of andere steenen monsters,—of misschien waren het wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, en andere in ’t geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets wonderlijks gezien.De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij weer kalm, en was in ’t geheel niet bang meer. Toen viel ’t hem in, dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.“Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te maken!†zei de jongen.Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.“Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen,†zei de een.“Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren.â€â€œGa jij er maar gerust op af,†zei de ander. “Ons kunnen ze ten minste niets doen.â€Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in ’t rond.“Wien zullen wevanavondnemen?†fluisterde de vos, die vooraan liep.“Vanavondzullen we den grooten hamel nemen,†zei de laatste. “Dan gaat het later gemakkelijk met de andere.â€De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze voortslopen.“Stoot nu recht vooruit,†fluisterde hij. De hamel stootte toe,en de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van de grot.“Stoot nu links,†zei de jongen, en wendde den grooten kop van den hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had al gemaakt, dat hij wegkwam.“Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht,†zei de jongen.“Ja, dat denk ik ook,†zei de groote hamel. “Ga nu op mijn rug liggen, en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je ’t goed en warm krijgt na al dien wind, waarin je geloopen hebt.â€Het helsche hol.Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige rots. ’t Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende gewassen, waar schapen veel van houden.Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de heele zee, die nu blauwend in ’t zonlicht haar glanzende golven voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in schuim. Vlak in ’t oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, en in ’t zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie als ’t kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.“’t Lijkt hier wel het beloofde land,†zei de jongen. “Jelui schapen woont hier maar mooi.â€â€œJa, wel is ’t hier mooi,†zei de groote hamel. Het was, alsof hij er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.“Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die spleten hier in den berg,†ging hij een poos later voort. Endie waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette “’t helsche holâ€. Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.“Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan,†zei de groote hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling had, met wat hij zei.Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij vandichtbijdie reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.Hoewel ’t heel mooi was aan ’t strand, wou de jongen toch liever boven op den berg wezen. ’t Was akelig daar beneden, omdat er overal doode schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. ’t Was hartverscheurend te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid te kijken.Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij daar gekomen was, bleef hij staan.“Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,†zei hij, “dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende straf hadden gekregen.â€â€œDe vossen moeten toch ook leven,†zei de jongen.“Ja,†zei de groote hamel, “zij, die niet meer dieren verscheuren, dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die vossen hier zijn misdadigers.â€â€œDe boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,†meende de jongen.“Zij zijn hier al dikwijls geweest,†antwoordde de hamel, “maar dan verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet konden schieten.â€â€œJe meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen krijgen,†zei de jongen.“Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken,†antwoordde de groote hamel.Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij dewilde ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, en had ze zoo graag willen helpen.“Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over die zaak,†dacht hij. “Misschien kunnen ze mij bijstaan met een goeden raad.â€Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep over de bergvlakte naar het helsche hol.Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, alsof hij gebroken was.Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik niets van hen merkte.Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een vos moeite heeft ze in te halen.De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en schreeuwde tegen de vossen: “Jelui hebt je te dik gegeten aan schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!â€Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei: “Nu kun je wel stilstaan, ganzerik.â€Op ’t zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was niets meer te zien.Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van ’t groote Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: “De vossen op het kleine Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien.â€En dat deed de wachter ook.XII.Twee steden.De stad op den bodem der zee.Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de ganzen gaan liggen.’t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, dat het de avond vóór Paschen was.“Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots,†dacht hij, en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch wel gezien hebben. ’t Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, dat ook maar ’t kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog niet voorbij de maan, maar ’t scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de maanschijf geteekend was. ’t Lichaam was klein, de hals lang en smal, de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, dat het een ooievaar moest wezen.Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.“Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik,†zei hij. “Hoe komt het, dat u midden in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt u Moeder Akka spreken?â€â€œHet is van nacht te licht om te slapen,†antwoordde Mijnheer Ermerik. “Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar ’t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar ’t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren.â€De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, en wat rond te rijden in den mooien nacht.Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den jongen toch iets van het binnenland te zien.Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.“Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen,†zei hij tegen Duimelot, “terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je me niet weer terug kunt vinden.â€De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, dat hij ’t niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar het wegschopte.Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkeremuur met een groote poort, waar een hooge toren op stond.Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de groote poort in den muur open.De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, wat daar achter lag.“Ik moet toch zien, wat dat wezen kan,†dacht hij, en ging de poort door.Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op den jongen, die hen snel voorbij liep.Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen liepen lange smalle straten.Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou kunnen vertoonen.Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas, en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel van vreeselijke haast.“Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer zien!†zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo gauw hij kon, straat in, straat uit.De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders was een lange touwbaan.Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal heerschte drukte en leven.Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie gevels met de meest verschillende versieringen.De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste gezien te hebben, en begon daarom langzamer teloopen. De straat, die hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank uitspreidde.Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, en begon hem te wenken.De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk zijden damast uit, als om hem te lokken.De jongen schudde het hoofd.“Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan koopen,†dacht hij.Maar nu hadden ze hem in ’t oog gekregen in alle winkels in de heele straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, en dat ze hem met rust moesten laten.Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen stapel prachtige waren naar hem toe.“Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil verkoopen?†dacht de jongen verwonderd.De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde met een paar groote, zware zilveren bekers.Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen de handen vol gouden en zilveren sieraden,en boden hem die aan. En allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één enkele kleine penning was.Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, dat hij zoo pas aan het strand had gezien.Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken, dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in ’t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel aanstooten om zich te doen opmerken.“Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik,†zei Mijnheer Ermerik.“Ach, Mijnheer Ermerik!†zei de jongen. “Wat was dat voor een stad, die hier zoo pas stond?â€â€œHeb je een stad gezien?†zei de ooievaar. “Je hebt geslapen en gedroomd, zooals ik zei.â€â€œNeen, ik heb niet gedroomd,†zei Duimelot, en hij vertelde den ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: “Ik voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op ’t strand in slaap gevallen bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde één uur lang.â€â€œJa, dat moet het wezen,†zei Duimelot, “want dat heb ik gezien.â€â€œMaar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en sterven als alle andere menschen.â€â€œOch, mijnheerErmerik,†zei de jongen, “nu begrijp ik, waarom u mij is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!â€Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te zeggen, wie er ’t meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.De levende stad.Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. ’t Veld was geruit, precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van Duimelot. Hij was nu al twee dagen langzichzelfniet geweest, en had geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad dacht, die zich op zoo’n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie gebouwen en statige menschen.Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.Juist toen de jongen ’t ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij den troep teruggekeerd. Ze was van den kant vanGothland teruggekomen, en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:“Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen.â€Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar ’t land beneden zich te kijken, waar hij heen vloog.Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold, alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk geworden was als brooddeeg—dat was het niet. Toen ze langs de kust vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig uit in zee.Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. ’t Was zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.’t Waren niet alleen de kinderen, die speelden,maar ook de volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna bereikten. ’t Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen wapperden. En zezongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze kon hooren.De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te denken aan spel en zang.Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, maar een stad, die aan ’t strand lag.De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in den Paaschnacht had gezien.Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere uit de zee, en er toch ook niet op leek. ’t Was ’t zelfde verschil, alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor ’t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt, en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zicheens hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, vol van allerlei werk.Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij niets goeds in het tegenwoordige kon zien.De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door te brengen.Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had kunnen redden.Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was ’t maar beter, dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.“’t Was ’t beste, dat ’t ging zooals het ging,†dacht hij. “Al had ik de macht de stad te redden,—ik geloof niet, dat ik het doen zou.â€Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te zijn—dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een prachtig Vineta op den bodem der zee.
X.De groote vlinder.De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond had gehoord.Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was ’t zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig, maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn gezicht. ’t Was alsof dat lichaam en dat gezicht in ’t geheel niet bij elkaar pasten.Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, alsof hij dacht: “Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te laten praten.â€â€œNu zal ik je eens wat vertellen, Erik,†zei de oude herder. “Ik heb bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooterwaren, dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon te trekken.Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. ’t Duurde niet lang, of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als steen. Je weet wel, dat we steenen aan ’t strand gevonden hebben, die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof, dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee lag. Geloof je dat ook niet?â€Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei: “Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt.â€â€œLet nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen, is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt, merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar ’t zuiden zie je ’t achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in een scherpe punt eindigt.â€Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,—wat gespannen, om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde door te gaan.“Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel op schieten, maar ’t was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret1,dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien, omdat de aardlaag zoo dun is.Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt, vandaan gekomen is.â€â€œJa dat is het juist,†zei de andere, die rustig door bleef eten, “dat zou ik wel willen weten.â€â€œJe moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft: wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren, en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar armoedige schuren, waar wij—herders—inkruipen. Maar daar beneden op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën, en groepen visschershutten en een heele stad.â€Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte zijn broodzakje dicht.“Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles,†zei hij.“Ja, dà t is ’t maar, wat ik weten wou,†zei de herder, en hij sprak zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken naar alles, wat er niet is. “Ik zou alleen dit willen weten: of de boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen, of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de reizigers, die rond wandelen in de ruïne van ’t kasteel op Borgholm, of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten, of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens zitten schilderen,—ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt, dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen met groote, glanzende vleugels.â€â€œO ja,†zei de jonge herder plotseling, “dat moet wel iemand van hen begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden, en die heeft uitgezien over ’t KalmarSond. Hij heeft wel gemerkt, dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere.â€â€œIk zou hun willen vragen,†ging de oude voort, “of niet een van hen heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen, als een vlinder, onder de vlinders.â€â€œâ€™t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt,†zei de jonge man, “want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het uit de zee wou opkomen en wegvliegen.â€Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had gebracht, luisterde hij niet lang naar hem.“Ik zou willen weten,†zei hij nog zachter, “of iemand kan verklaren, waarom er zoo’n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt, dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt.â€1Een groote zandvlakte op Öland.
De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.
Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond had gehoord.
Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was ’t zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.
De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig, maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn gezicht. ’t Was alsof dat lichaam en dat gezicht in ’t geheel niet bij elkaar pasten.
Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, alsof hij dacht: “Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te laten praten.â€
“Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik,†zei de oude herder. “Ik heb bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooterwaren, dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon te trekken.
Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. ’t Duurde niet lang, of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.
Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als steen. Je weet wel, dat we steenen aan ’t strand gevonden hebben, die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof, dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee lag. Geloof je dat ook niet?â€
Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei: “Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt.â€
“Let nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen, is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt, merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar ’t zuiden zie je ’t achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in een scherpe punt eindigt.â€
Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,—wat gespannen, om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde door te gaan.
“Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel op schieten, maar ’t was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.
Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret1,dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien, omdat de aardlaag zoo dun is.
Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt, vandaan gekomen is.â€
“Ja dat is het juist,†zei de andere, die rustig door bleef eten, “dat zou ik wel willen weten.â€
“Je moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft: wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.
Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren, en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar armoedige schuren, waar wij—herders—inkruipen. Maar daar beneden op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën, en groepen visschershutten en een heele stad.â€
Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte zijn broodzakje dicht.
“Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles,†zei hij.
“Ja, dà t is ’t maar, wat ik weten wou,†zei de herder, en hij sprak zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken naar alles, wat er niet is. “Ik zou alleen dit willen weten: of de boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen, of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de reizigers, die rond wandelen in de ruïne van ’t kasteel op Borgholm, of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten, of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens zitten schilderen,—ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt, dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen met groote, glanzende vleugels.â€
“O ja,†zei de jonge herder plotseling, “dat moet wel iemand van hen begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden, en die heeft uitgezien over ’t KalmarSond. Hij heeft wel gemerkt, dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere.â€
“Ik zou hun willen vragen,†ging de oude voort, “of niet een van hen heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen, als een vlinder, onder de vlinders.â€
“’t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt,†zei de jonge man, “want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het uit de zee wou opkomen en wegvliegen.â€
Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had gebracht, luisterde hij niet lang naar hem.
“Ik zou willen weten,†zei hij nog zachter, “of iemand kan verklaren, waarom er zoo’n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt, dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt.â€
1Een groote zandvlakte op Öland.
1Een groote zandvlakte op Öland.
XI.Het kleine Karelseiland.De storm.De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke zuidenwind over ’t Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, en slingerde ze voort naar den kant van de zee.’t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met den wind meê draaien.Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, alsof ze wedijverden, wie ’t hoogste kon komen en het woedendste schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze spandenzich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven—hoog op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal—en hadden evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen afgunstig: “Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen.â€Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka riep telkens: “Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!â€Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep de een na de ander in, en zelfs Akka was op ’t punt in te slapen, toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop van een golf.“Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!†riep Akka met luide, schelle stem, en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. ’t Was op het laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen was, waren de zeehonden zóódichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze zagen geen land—enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste verwoestingen aan onder de massa’s vogels, die in dien tijd van het jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, dat ze in zee zonken en verdronken.Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi van de zeehonden.Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan bonsden, en ze vreesde daartusschenverpletterd te worden. Een paar maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.’t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou ’t toch gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. ’t Roepen van trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu men niet meer kon zien wie ’t waren, die zoo riepen, klonk het akelig en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. ’t Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.Het gevaar.De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan, en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd moesten worden.Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen de ganzen in, en ’t volgend oogenblik waren zij in veiligheid.Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, wat er van haar was geworden.Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksivan den troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo’n prachtig nachtverblijf hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten in ’t oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.“Dat zijn oogen!†riep Akka. “Er zijn groote dieren hier binnen!â€Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in ’t donker kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: “Daar hoef jelui niet voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den wand van de grot liggen!â€Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te gemoet. “Wees welkom in deze wildernis!†zeiden ze.Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij in hun grot waren gekomen.“’t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,†zei Akka. “Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht mochten blijven.â€Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapenmet woorden antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen en wonderlijk waren, maar deze schenen er in ’t geheel geen begrip van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende stem:“Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen zooals vroeger.â€â€œU behoeft u daarover niet te bekommeren,†zei Akka. “Als u wist, wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen.â€Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. “Ik geloof, dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben.â€Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te goed te doen. “Wij hebben van ’t jaar veel sneeuw gehad hier op het eiland,†zeide ze. “De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven.â€De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.“Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te zeggen, dat het hier onveilig is,†zei hij. “Wij kunnen hier in dezen tijd geen gasten voor den nacht ontvangen.â€Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. “Wij zullen heengaan, wanneer u dat verlangt,†zeide zij. “Maar wilt u ons niet eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, waar wij zijn.â€â€œDit is het kleine Karelseiland,†zei de hamel. “Dat ligt voorbij Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels.â€â€œHoort u misschien tot de wilde schapen?†vroeg Akka.“Dat scheelt niet veel,†antwoordde de hamel. “We hebben niets met menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, als het ’s winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren en sloten, maar houden ons in grotten als deze op.â€â€œBlijft u hier ook ’s winters?†vroeg Akka verwonderd.“Ja, dat doen we,†antwoordde de hamel. “We hebben genoeg te grazen hier op den berg het heele jaar.â€â€œMij dunkt, het schijnt, dat u ’t beter hebben moest dan andere schapen,†zeide Akka. “Maar wat is er u dan voor een ongeluk overkomen?â€â€œâ€™t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland.â€â€œO zoo! durven de vossen dan ook u aan?â€â€œO neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,†zei de hamel, en schudde zijn horens. “Maar ze sluipen op ons toe in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren kudden, even groot als de mijne.â€â€œâ€™t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn,†zei nu de oude schapemoeder. “We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer we tamme schapen waren.â€â€œDenkt u, dat ze hier van nacht komen,†vroeg Akka.“We kunnen niet anders verwachten,†antwoordde de oude. “Ze waren hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere plaatsen gedaan.â€â€œMaar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,†zei Akka.“Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op ’t kleine Karelseiland,†zei de schapemoeder.Akka stond daar heel besluiteloos. ’t Was niet prettig er nu weer op uit te gaan in den storm. En ’t was ook niet goed in een huis te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.“Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo dikwijls hebt gedaan,†zei ze.“Ja,†zei de jongen; dat wilde hij wel.“’t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen,†zei de wilde gans, “maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?â€De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te zullen blijven.Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven te spelen. De jongen ging naar den ingang om uitte kijken. De grot lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in ’t eerst heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar groote reuzen, of andere steenen monsters,—of misschien waren het wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, en andere in ’t geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets wonderlijks gezien.De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij weer kalm, en was in ’t geheel niet bang meer. Toen viel ’t hem in, dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.“Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te maken!†zei de jongen.Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.“Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen,†zei de een.“Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren.â€â€œGa jij er maar gerust op af,†zei de ander. “Ons kunnen ze ten minste niets doen.â€Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in ’t rond.“Wien zullen wevanavondnemen?†fluisterde de vos, die vooraan liep.“Vanavondzullen we den grooten hamel nemen,†zei de laatste. “Dan gaat het later gemakkelijk met de andere.â€De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze voortslopen.“Stoot nu recht vooruit,†fluisterde hij. De hamel stootte toe,en de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van de grot.“Stoot nu links,†zei de jongen, en wendde den grooten kop van den hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had al gemaakt, dat hij wegkwam.“Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht,†zei de jongen.“Ja, dat denk ik ook,†zei de groote hamel. “Ga nu op mijn rug liggen, en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je ’t goed en warm krijgt na al dien wind, waarin je geloopen hebt.â€Het helsche hol.Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige rots. ’t Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende gewassen, waar schapen veel van houden.Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de heele zee, die nu blauwend in ’t zonlicht haar glanzende golven voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in schuim. Vlak in ’t oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, en in ’t zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie als ’t kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.“’t Lijkt hier wel het beloofde land,†zei de jongen. “Jelui schapen woont hier maar mooi.â€â€œJa, wel is ’t hier mooi,†zei de groote hamel. Het was, alsof hij er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.“Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die spleten hier in den berg,†ging hij een poos later voort. Endie waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette “’t helsche holâ€. Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.“Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan,†zei de groote hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling had, met wat hij zei.Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij vandichtbijdie reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.Hoewel ’t heel mooi was aan ’t strand, wou de jongen toch liever boven op den berg wezen. ’t Was akelig daar beneden, omdat er overal doode schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. ’t Was hartverscheurend te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid te kijken.Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij daar gekomen was, bleef hij staan.“Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,†zei hij, “dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende straf hadden gekregen.â€â€œDe vossen moeten toch ook leven,†zei de jongen.“Ja,†zei de groote hamel, “zij, die niet meer dieren verscheuren, dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die vossen hier zijn misdadigers.â€â€œDe boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,†meende de jongen.“Zij zijn hier al dikwijls geweest,†antwoordde de hamel, “maar dan verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet konden schieten.â€â€œJe meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen krijgen,†zei de jongen.“Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken,†antwoordde de groote hamel.Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij dewilde ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, en had ze zoo graag willen helpen.“Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over die zaak,†dacht hij. “Misschien kunnen ze mij bijstaan met een goeden raad.â€Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep over de bergvlakte naar het helsche hol.Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, alsof hij gebroken was.Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik niets van hen merkte.Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een vos moeite heeft ze in te halen.De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en schreeuwde tegen de vossen: “Jelui hebt je te dik gegeten aan schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!â€Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei: “Nu kun je wel stilstaan, ganzerik.â€Op ’t zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was niets meer te zien.Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van ’t groote Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: “De vossen op het kleine Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien.â€En dat deed de wachter ook.
De storm.De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke zuidenwind over ’t Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, en slingerde ze voort naar den kant van de zee.’t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met den wind meê draaien.Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, alsof ze wedijverden, wie ’t hoogste kon komen en het woedendste schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze spandenzich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven—hoog op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal—en hadden evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen afgunstig: “Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen.â€Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka riep telkens: “Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!â€Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep de een na de ander in, en zelfs Akka was op ’t punt in te slapen, toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop van een golf.“Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!†riep Akka met luide, schelle stem, en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. ’t Was op het laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen was, waren de zeehonden zóódichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze zagen geen land—enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste verwoestingen aan onder de massa’s vogels, die in dien tijd van het jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, dat ze in zee zonken en verdronken.Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi van de zeehonden.Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan bonsden, en ze vreesde daartusschenverpletterd te worden. Een paar maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.’t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou ’t toch gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. ’t Roepen van trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu men niet meer kon zien wie ’t waren, die zoo riepen, klonk het akelig en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. ’t Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.
De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke zuidenwind over ’t Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, en slingerde ze voort naar den kant van de zee.
’t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met den wind meê draaien.
Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, alsof ze wedijverden, wie ’t hoogste kon komen en het woedendste schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze spandenzich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven—hoog op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal—en hadden evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen afgunstig: “Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen.â€
Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka riep telkens: “Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!â€
Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep de een na de ander in, en zelfs Akka was op ’t punt in te slapen, toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop van een golf.
“Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!†riep Akka met luide, schelle stem, en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. ’t Was op het laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen was, waren de zeehonden zóódichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.
Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze zagen geen land—enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.
Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste verwoestingen aan onder de massa’s vogels, die in dien tijd van het jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, dat ze in zee zonken en verdronken.
Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi van de zeehonden.
Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan bonsden, en ze vreesde daartusschenverpletterd te worden. Een paar maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.
Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.
’t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou ’t toch gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.
De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. ’t Roepen van trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu men niet meer kon zien wie ’t waren, die zoo riepen, klonk het akelig en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. ’t Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.
Het gevaar.De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan, en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd moesten worden.Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen de ganzen in, en ’t volgend oogenblik waren zij in veiligheid.Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, wat er van haar was geworden.Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksivan den troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo’n prachtig nachtverblijf hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten in ’t oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.“Dat zijn oogen!†riep Akka. “Er zijn groote dieren hier binnen!â€Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in ’t donker kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: “Daar hoef jelui niet voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den wand van de grot liggen!â€Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te gemoet. “Wees welkom in deze wildernis!†zeiden ze.Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij in hun grot waren gekomen.“’t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,†zei Akka. “Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht mochten blijven.â€Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapenmet woorden antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen en wonderlijk waren, maar deze schenen er in ’t geheel geen begrip van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende stem:“Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen zooals vroeger.â€â€œU behoeft u daarover niet te bekommeren,†zei Akka. “Als u wist, wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen.â€Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. “Ik geloof, dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben.â€Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te goed te doen. “Wij hebben van ’t jaar veel sneeuw gehad hier op het eiland,†zeide ze. “De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven.â€De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.“Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te zeggen, dat het hier onveilig is,†zei hij. “Wij kunnen hier in dezen tijd geen gasten voor den nacht ontvangen.â€Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. “Wij zullen heengaan, wanneer u dat verlangt,†zeide zij. “Maar wilt u ons niet eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, waar wij zijn.â€â€œDit is het kleine Karelseiland,†zei de hamel. “Dat ligt voorbij Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels.â€â€œHoort u misschien tot de wilde schapen?†vroeg Akka.“Dat scheelt niet veel,†antwoordde de hamel. “We hebben niets met menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, als het ’s winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren en sloten, maar houden ons in grotten als deze op.â€â€œBlijft u hier ook ’s winters?†vroeg Akka verwonderd.“Ja, dat doen we,†antwoordde de hamel. “We hebben genoeg te grazen hier op den berg het heele jaar.â€â€œMij dunkt, het schijnt, dat u ’t beter hebben moest dan andere schapen,†zeide Akka. “Maar wat is er u dan voor een ongeluk overkomen?â€â€œâ€™t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland.â€â€œO zoo! durven de vossen dan ook u aan?â€â€œO neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,†zei de hamel, en schudde zijn horens. “Maar ze sluipen op ons toe in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren kudden, even groot als de mijne.â€â€œâ€™t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn,†zei nu de oude schapemoeder. “We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer we tamme schapen waren.â€â€œDenkt u, dat ze hier van nacht komen,†vroeg Akka.“We kunnen niet anders verwachten,†antwoordde de oude. “Ze waren hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere plaatsen gedaan.â€â€œMaar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,†zei Akka.“Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op ’t kleine Karelseiland,†zei de schapemoeder.Akka stond daar heel besluiteloos. ’t Was niet prettig er nu weer op uit te gaan in den storm. En ’t was ook niet goed in een huis te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.“Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo dikwijls hebt gedaan,†zei ze.“Ja,†zei de jongen; dat wilde hij wel.“’t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen,†zei de wilde gans, “maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?â€De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te zullen blijven.Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven te spelen. De jongen ging naar den ingang om uitte kijken. De grot lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in ’t eerst heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar groote reuzen, of andere steenen monsters,—of misschien waren het wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, en andere in ’t geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets wonderlijks gezien.De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij weer kalm, en was in ’t geheel niet bang meer. Toen viel ’t hem in, dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.“Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te maken!†zei de jongen.Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.“Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen,†zei de een.“Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren.â€â€œGa jij er maar gerust op af,†zei de ander. “Ons kunnen ze ten minste niets doen.â€Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in ’t rond.“Wien zullen wevanavondnemen?†fluisterde de vos, die vooraan liep.“Vanavondzullen we den grooten hamel nemen,†zei de laatste. “Dan gaat het later gemakkelijk met de andere.â€De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze voortslopen.“Stoot nu recht vooruit,†fluisterde hij. De hamel stootte toe,en de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van de grot.“Stoot nu links,†zei de jongen, en wendde den grooten kop van den hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had al gemaakt, dat hij wegkwam.“Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht,†zei de jongen.“Ja, dat denk ik ook,†zei de groote hamel. “Ga nu op mijn rug liggen, en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je ’t goed en warm krijgt na al dien wind, waarin je geloopen hebt.â€
De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan, en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd moesten worden.
Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen de ganzen in, en ’t volgend oogenblik waren zij in veiligheid.
Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, wat er van haar was geworden.
Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksivan den troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.
Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo’n prachtig nachtverblijf hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten in ’t oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.
“Dat zijn oogen!†riep Akka. “Er zijn groote dieren hier binnen!â€
Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in ’t donker kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: “Daar hoef jelui niet voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den wand van de grot liggen!â€
Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te gemoet. “Wees welkom in deze wildernis!†zeiden ze.
Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.
Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij in hun grot waren gekomen.
“’t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,†zei Akka. “Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht mochten blijven.â€
Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapenmet woorden antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen en wonderlijk waren, maar deze schenen er in ’t geheel geen begrip van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende stem:
“Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen zooals vroeger.â€
“U behoeft u daarover niet te bekommeren,†zei Akka. “Als u wist, wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen.â€
Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. “Ik geloof, dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben.â€
Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te goed te doen. “Wij hebben van ’t jaar veel sneeuw gehad hier op het eiland,†zeide ze. “De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven.â€
De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.
“Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te zeggen, dat het hier onveilig is,†zei hij. “Wij kunnen hier in dezen tijd geen gasten voor den nacht ontvangen.â€
Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. “Wij zullen heengaan, wanneer u dat verlangt,†zeide zij. “Maar wilt u ons niet eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, waar wij zijn.â€
“Dit is het kleine Karelseiland,†zei de hamel. “Dat ligt voorbij Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels.â€
“Hoort u misschien tot de wilde schapen?†vroeg Akka.
“Dat scheelt niet veel,†antwoordde de hamel. “We hebben niets met menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, als het ’s winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren en sloten, maar houden ons in grotten als deze op.â€
“Blijft u hier ook ’s winters?†vroeg Akka verwonderd.
“Ja, dat doen we,†antwoordde de hamel. “We hebben genoeg te grazen hier op den berg het heele jaar.â€
“Mij dunkt, het schijnt, dat u ’t beter hebben moest dan andere schapen,†zeide Akka. “Maar wat is er u dan voor een ongeluk overkomen?â€
“’t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland.â€
“O zoo! durven de vossen dan ook u aan?â€
“O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,†zei de hamel, en schudde zijn horens. “Maar ze sluipen op ons toe in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren kudden, even groot als de mijne.â€
“’t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn,†zei nu de oude schapemoeder. “We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer we tamme schapen waren.â€
“Denkt u, dat ze hier van nacht komen,†vroeg Akka.
“We kunnen niet anders verwachten,†antwoordde de oude. “Ze waren hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere plaatsen gedaan.â€
“Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,†zei Akka.
“Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op ’t kleine Karelseiland,†zei de schapemoeder.
Akka stond daar heel besluiteloos. ’t Was niet prettig er nu weer op uit te gaan in den storm. En ’t was ook niet goed in een huis te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.
“Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo dikwijls hebt gedaan,†zei ze.
“Ja,†zei de jongen; dat wilde hij wel.
“’t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen,†zei de wilde gans, “maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?â€
De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te zullen blijven.
Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.
Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven te spelen. De jongen ging naar den ingang om uitte kijken. De grot lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.
Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in ’t eerst heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar groote reuzen, of andere steenen monsters,—of misschien waren het wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, en andere in ’t geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets wonderlijks gezien.
De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij weer kalm, en was in ’t geheel niet bang meer. Toen viel ’t hem in, dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.
“Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te maken!†zei de jongen.
Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.
“Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen,†zei de een.
“Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren.â€
“Ga jij er maar gerust op af,†zei de ander. “Ons kunnen ze ten minste niets doen.â€
Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in ’t rond.
“Wien zullen wevanavondnemen?†fluisterde de vos, die vooraan liep.
“Vanavondzullen we den grooten hamel nemen,†zei de laatste. “Dan gaat het later gemakkelijk met de andere.â€
De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze voortslopen.
“Stoot nu recht vooruit,†fluisterde hij. De hamel stootte toe,en de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van de grot.
“Stoot nu links,†zei de jongen, en wendde den grooten kop van den hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had al gemaakt, dat hij wegkwam.
“Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht,†zei de jongen.
“Ja, dat denk ik ook,†zei de groote hamel. “Ga nu op mijn rug liggen, en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je ’t goed en warm krijgt na al dien wind, waarin je geloopen hebt.â€
Het helsche hol.Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige rots. ’t Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende gewassen, waar schapen veel van houden.Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de heele zee, die nu blauwend in ’t zonlicht haar glanzende golven voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in schuim. Vlak in ’t oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, en in ’t zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie als ’t kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.“’t Lijkt hier wel het beloofde land,†zei de jongen. “Jelui schapen woont hier maar mooi.â€â€œJa, wel is ’t hier mooi,†zei de groote hamel. Het was, alsof hij er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.“Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die spleten hier in den berg,†ging hij een poos later voort. Endie waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette “’t helsche holâ€. Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.“Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan,†zei de groote hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling had, met wat hij zei.Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij vandichtbijdie reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.Hoewel ’t heel mooi was aan ’t strand, wou de jongen toch liever boven op den berg wezen. ’t Was akelig daar beneden, omdat er overal doode schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. ’t Was hartverscheurend te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid te kijken.Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij daar gekomen was, bleef hij staan.“Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,†zei hij, “dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende straf hadden gekregen.â€â€œDe vossen moeten toch ook leven,†zei de jongen.“Ja,†zei de groote hamel, “zij, die niet meer dieren verscheuren, dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die vossen hier zijn misdadigers.â€â€œDe boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,†meende de jongen.“Zij zijn hier al dikwijls geweest,†antwoordde de hamel, “maar dan verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet konden schieten.â€â€œJe meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen krijgen,†zei de jongen.“Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken,†antwoordde de groote hamel.Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij dewilde ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, en had ze zoo graag willen helpen.“Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over die zaak,†dacht hij. “Misschien kunnen ze mij bijstaan met een goeden raad.â€Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep over de bergvlakte naar het helsche hol.Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, alsof hij gebroken was.Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik niets van hen merkte.Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een vos moeite heeft ze in te halen.De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en schreeuwde tegen de vossen: “Jelui hebt je te dik gegeten aan schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!â€Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei: “Nu kun je wel stilstaan, ganzerik.â€Op ’t zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was niets meer te zien.Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van ’t groote Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: “De vossen op het kleine Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien.â€En dat deed de wachter ook.
Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige rots. ’t Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende gewassen, waar schapen veel van houden.
Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de heele zee, die nu blauwend in ’t zonlicht haar glanzende golven voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in schuim. Vlak in ’t oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, en in ’t zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie als ’t kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.
“’t Lijkt hier wel het beloofde land,†zei de jongen. “Jelui schapen woont hier maar mooi.â€
“Ja, wel is ’t hier mooi,†zei de groote hamel. Het was, alsof hij er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.
“Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die spleten hier in den berg,†ging hij een poos later voort. Endie waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette “’t helsche holâ€. Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.
“Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan,†zei de groote hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling had, met wat hij zei.
Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij vandichtbijdie reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.
Hoewel ’t heel mooi was aan ’t strand, wou de jongen toch liever boven op den berg wezen. ’t Was akelig daar beneden, omdat er overal doode schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. ’t Was hartverscheurend te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.
De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid te kijken.
Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij daar gekomen was, bleef hij staan.
“Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,†zei hij, “dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende straf hadden gekregen.â€
“De vossen moeten toch ook leven,†zei de jongen.
“Ja,†zei de groote hamel, “zij, die niet meer dieren verscheuren, dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die vossen hier zijn misdadigers.â€
“De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,†meende de jongen.
“Zij zijn hier al dikwijls geweest,†antwoordde de hamel, “maar dan verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet konden schieten.â€
“Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen krijgen,†zei de jongen.
“Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken,†antwoordde de groote hamel.
Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij dewilde ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, en had ze zoo graag willen helpen.
“Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over die zaak,†dacht hij. “Misschien kunnen ze mij bijstaan met een goeden raad.â€
Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep over de bergvlakte naar het helsche hol.
Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, alsof hij gebroken was.
Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.
Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik niets van hen merkte.
Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.
Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een vos moeite heeft ze in te halen.
De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en schreeuwde tegen de vossen: “Jelui hebt je te dik gegeten aan schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!â€
Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.
De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.
De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei: “Nu kun je wel stilstaan, ganzerik.â€
Op ’t zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was niets meer te zien.
Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van ’t groote Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: “De vossen op het kleine Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien.â€
En dat deed de wachter ook.
XII.Twee steden.De stad op den bodem der zee.Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de ganzen gaan liggen.’t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, dat het de avond vóór Paschen was.“Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots,†dacht hij, en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch wel gezien hebben. ’t Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, dat ook maar ’t kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog niet voorbij de maan, maar ’t scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de maanschijf geteekend was. ’t Lichaam was klein, de hals lang en smal, de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, dat het een ooievaar moest wezen.Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.“Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik,†zei hij. “Hoe komt het, dat u midden in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt u Moeder Akka spreken?â€â€œHet is van nacht te licht om te slapen,†antwoordde Mijnheer Ermerik. “Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar ’t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar ’t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren.â€De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, en wat rond te rijden in den mooien nacht.Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den jongen toch iets van het binnenland te zien.Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.“Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen,†zei hij tegen Duimelot, “terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je me niet weer terug kunt vinden.â€De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, dat hij ’t niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar het wegschopte.Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkeremuur met een groote poort, waar een hooge toren op stond.Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de groote poort in den muur open.De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, wat daar achter lag.“Ik moet toch zien, wat dat wezen kan,†dacht hij, en ging de poort door.Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op den jongen, die hen snel voorbij liep.Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen liepen lange smalle straten.Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou kunnen vertoonen.Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas, en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel van vreeselijke haast.“Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer zien!†zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo gauw hij kon, straat in, straat uit.De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders was een lange touwbaan.Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal heerschte drukte en leven.Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie gevels met de meest verschillende versieringen.De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste gezien te hebben, en begon daarom langzamer teloopen. De straat, die hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank uitspreidde.Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, en begon hem te wenken.De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk zijden damast uit, als om hem te lokken.De jongen schudde het hoofd.“Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan koopen,†dacht hij.Maar nu hadden ze hem in ’t oog gekregen in alle winkels in de heele straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, en dat ze hem met rust moesten laten.Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen stapel prachtige waren naar hem toe.“Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil verkoopen?†dacht de jongen verwonderd.De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde met een paar groote, zware zilveren bekers.Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen de handen vol gouden en zilveren sieraden,en boden hem die aan. En allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één enkele kleine penning was.Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, dat hij zoo pas aan het strand had gezien.Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken, dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in ’t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel aanstooten om zich te doen opmerken.“Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik,†zei Mijnheer Ermerik.“Ach, Mijnheer Ermerik!†zei de jongen. “Wat was dat voor een stad, die hier zoo pas stond?â€â€œHeb je een stad gezien?†zei de ooievaar. “Je hebt geslapen en gedroomd, zooals ik zei.â€â€œNeen, ik heb niet gedroomd,†zei Duimelot, en hij vertelde den ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: “Ik voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op ’t strand in slaap gevallen bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde één uur lang.â€â€œJa, dat moet het wezen,†zei Duimelot, “want dat heb ik gezien.â€â€œMaar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en sterven als alle andere menschen.â€â€œOch, mijnheerErmerik,†zei de jongen, “nu begrijp ik, waarom u mij is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!â€Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te zeggen, wie er ’t meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.De levende stad.Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. ’t Veld was geruit, precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van Duimelot. Hij was nu al twee dagen langzichzelfniet geweest, en had geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad dacht, die zich op zoo’n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie gebouwen en statige menschen.Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.Juist toen de jongen ’t ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij den troep teruggekeerd. Ze was van den kant vanGothland teruggekomen, en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:“Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen.â€Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar ’t land beneden zich te kijken, waar hij heen vloog.Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold, alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk geworden was als brooddeeg—dat was het niet. Toen ze langs de kust vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig uit in zee.Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. ’t Was zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.’t Waren niet alleen de kinderen, die speelden,maar ook de volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna bereikten. ’t Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen wapperden. En zezongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze kon hooren.De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te denken aan spel en zang.Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, maar een stad, die aan ’t strand lag.De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in den Paaschnacht had gezien.Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere uit de zee, en er toch ook niet op leek. ’t Was ’t zelfde verschil, alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor ’t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt, en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zicheens hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, vol van allerlei werk.Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij niets goeds in het tegenwoordige kon zien.De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door te brengen.Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had kunnen redden.Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was ’t maar beter, dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.“’t Was ’t beste, dat ’t ging zooals het ging,†dacht hij. “Al had ik de macht de stad te redden,—ik geloof niet, dat ik het doen zou.â€Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te zijn—dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een prachtig Vineta op den bodem der zee.
De stad op den bodem der zee.Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de ganzen gaan liggen.’t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, dat het de avond vóór Paschen was.“Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots,†dacht hij, en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch wel gezien hebben. ’t Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, dat ook maar ’t kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog niet voorbij de maan, maar ’t scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de maanschijf geteekend was. ’t Lichaam was klein, de hals lang en smal, de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, dat het een ooievaar moest wezen.Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.“Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik,†zei hij. “Hoe komt het, dat u midden in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt u Moeder Akka spreken?â€â€œHet is van nacht te licht om te slapen,†antwoordde Mijnheer Ermerik. “Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar ’t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar ’t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren.â€De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, en wat rond te rijden in den mooien nacht.Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den jongen toch iets van het binnenland te zien.Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.“Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen,†zei hij tegen Duimelot, “terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je me niet weer terug kunt vinden.â€De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, dat hij ’t niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar het wegschopte.Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkeremuur met een groote poort, waar een hooge toren op stond.Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de groote poort in den muur open.De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, wat daar achter lag.“Ik moet toch zien, wat dat wezen kan,†dacht hij, en ging de poort door.Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op den jongen, die hen snel voorbij liep.Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen liepen lange smalle straten.Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou kunnen vertoonen.Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas, en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel van vreeselijke haast.“Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer zien!†zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo gauw hij kon, straat in, straat uit.De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders was een lange touwbaan.Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal heerschte drukte en leven.Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie gevels met de meest verschillende versieringen.De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste gezien te hebben, en begon daarom langzamer teloopen. De straat, die hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank uitspreidde.Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, en begon hem te wenken.De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk zijden damast uit, als om hem te lokken.De jongen schudde het hoofd.“Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan koopen,†dacht hij.Maar nu hadden ze hem in ’t oog gekregen in alle winkels in de heele straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, en dat ze hem met rust moesten laten.Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen stapel prachtige waren naar hem toe.“Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil verkoopen?†dacht de jongen verwonderd.De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde met een paar groote, zware zilveren bekers.Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen de handen vol gouden en zilveren sieraden,en boden hem die aan. En allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één enkele kleine penning was.Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, dat hij zoo pas aan het strand had gezien.Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken, dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in ’t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel aanstooten om zich te doen opmerken.“Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik,†zei Mijnheer Ermerik.“Ach, Mijnheer Ermerik!†zei de jongen. “Wat was dat voor een stad, die hier zoo pas stond?â€â€œHeb je een stad gezien?†zei de ooievaar. “Je hebt geslapen en gedroomd, zooals ik zei.â€â€œNeen, ik heb niet gedroomd,†zei Duimelot, en hij vertelde den ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: “Ik voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op ’t strand in slaap gevallen bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde één uur lang.â€â€œJa, dat moet het wezen,†zei Duimelot, “want dat heb ik gezien.â€â€œMaar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en sterven als alle andere menschen.â€â€œOch, mijnheerErmerik,†zei de jongen, “nu begrijp ik, waarom u mij is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!â€Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te zeggen, wie er ’t meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.
Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de ganzen gaan liggen.
’t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, dat het de avond vóór Paschen was.
“Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots,†dacht hij, en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.
Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch wel gezien hebben. ’t Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, dat ook maar ’t kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.
Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog niet voorbij de maan, maar ’t scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de maanschijf geteekend was. ’t Lichaam was klein, de hals lang en smal, de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, dat het een ooievaar moest wezen.
Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.
“Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik,†zei hij. “Hoe komt het, dat u midden in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt u Moeder Akka spreken?â€
“Het is van nacht te licht om te slapen,†antwoordde Mijnheer Ermerik. “Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar ’t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar ’t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren.â€
De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, en wat rond te rijden in den mooien nacht.
Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.
Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.
De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den jongen toch iets van het binnenland te zien.
Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.
“Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen,†zei hij tegen Duimelot, “terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je me niet weer terug kunt vinden.â€
De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, dat hij ’t niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar het wegschopte.
Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkeremuur met een groote poort, waar een hooge toren op stond.
Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de groote poort in den muur open.
De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, wat daar achter lag.
“Ik moet toch zien, wat dat wezen kan,†dacht hij, en ging de poort door.
Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op den jongen, die hen snel voorbij liep.
Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen liepen lange smalle straten.
Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.
De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.
De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.
Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.
Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou kunnen vertoonen.
Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas, en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.
Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel van vreeselijke haast.
“Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer zien!†zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo gauw hij kon, straat in, straat uit.
De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders was een lange touwbaan.
Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.
Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.
De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.
Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal heerschte drukte en leven.
Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie gevels met de meest verschillende versieringen.
De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste gezien te hebben, en begon daarom langzamer teloopen. De straat, die hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank uitspreidde.
Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, en begon hem te wenken.
De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk zijden damast uit, als om hem te lokken.
De jongen schudde het hoofd.
“Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan koopen,†dacht hij.
Maar nu hadden ze hem in ’t oog gekregen in alle winkels in de heele straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.
Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, en dat ze hem met rust moesten laten.
Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen stapel prachtige waren naar hem toe.
“Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil verkoopen?†dacht de jongen verwonderd.
De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde met een paar groote, zware zilveren bekers.
Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.
Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen de handen vol gouden en zilveren sieraden,en boden hem die aan. En allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één enkele kleine penning was.
Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, dat hij zoo pas aan het strand had gezien.
Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken, dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!
De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in ’t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.
Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel aanstooten om zich te doen opmerken.
“Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik,†zei Mijnheer Ermerik.
“Ach, Mijnheer Ermerik!†zei de jongen. “Wat was dat voor een stad, die hier zoo pas stond?â€
“Heb je een stad gezien?†zei de ooievaar. “Je hebt geslapen en gedroomd, zooals ik zei.â€
“Neen, ik heb niet gedroomd,†zei Duimelot, en hij vertelde den ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: “Ik voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op ’t strand in slaap gevallen bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde één uur lang.â€
“Ja, dat moet het wezen,†zei Duimelot, “want dat heb ik gezien.â€
“Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en sterven als alle andere menschen.â€
“Och, mijnheerErmerik,†zei de jongen, “nu begrijp ik, waarom u mij is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!â€
Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te zeggen, wie er ’t meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.
De levende stad.Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. ’t Veld was geruit, precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van Duimelot. Hij was nu al twee dagen langzichzelfniet geweest, en had geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad dacht, die zich op zoo’n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie gebouwen en statige menschen.Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.Juist toen de jongen ’t ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij den troep teruggekeerd. Ze was van den kant vanGothland teruggekomen, en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:“Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen.â€Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar ’t land beneden zich te kijken, waar hij heen vloog.Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold, alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk geworden was als brooddeeg—dat was het niet. Toen ze langs de kust vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig uit in zee.Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. ’t Was zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.’t Waren niet alleen de kinderen, die speelden,maar ook de volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna bereikten. ’t Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen wapperden. En zezongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze kon hooren.De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te denken aan spel en zang.Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, maar een stad, die aan ’t strand lag.De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in den Paaschnacht had gezien.Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere uit de zee, en er toch ook niet op leek. ’t Was ’t zelfde verschil, alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor ’t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt, en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zicheens hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, vol van allerlei werk.Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij niets goeds in het tegenwoordige kon zien.De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door te brengen.Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had kunnen redden.Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was ’t maar beter, dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.“’t Was ’t beste, dat ’t ging zooals het ging,†dacht hij. “Al had ik de macht de stad te redden,—ik geloof niet, dat ik het doen zou.â€Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te zijn—dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een prachtig Vineta op den bodem der zee.
Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.
Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. ’t Veld was geruit, precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.
De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van Duimelot. Hij was nu al twee dagen langzichzelfniet geweest, en had geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad dacht, die zich op zoo’n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie gebouwen en statige menschen.
Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.
Juist toen de jongen ’t ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij den troep teruggekeerd. Ze was van den kant vanGothland teruggekomen, en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:
“Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen.â€
Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar ’t land beneden zich te kijken, waar hij heen vloog.
Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold, alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk geworden was als brooddeeg—dat was het niet. Toen ze langs de kust vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig uit in zee.
Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. ’t Was zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.
’t Waren niet alleen de kinderen, die speelden,maar ook de volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna bereikten. ’t Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.
Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen wapperden. En zezongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze kon hooren.
De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te denken aan spel en zang.
Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, maar een stad, die aan ’t strand lag.
De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in den Paaschnacht had gezien.
Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere uit de zee, en er toch ook niet op leek. ’t Was ’t zelfde verschil, alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.
Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.
Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor ’t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt, en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.
De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zicheens hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, vol van allerlei werk.
Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij niets goeds in het tegenwoordige kon zien.
De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door te brengen.
Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had kunnen redden.
Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was ’t maar beter, dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.
“’t Was ’t beste, dat ’t ging zooals het ging,†dacht hij. “Al had ik de macht de stad te redden,—ik geloof niet, dat ik het doen zou.â€
Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.
En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te zijn—dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een prachtig Vineta op den bodem der zee.