XXV.

XXV.Het broederdeel.De oude groevestad.Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa’s en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met hijschmachines en pompen, metouderwetsche gebouwen, die scheef op den ondermijnden grondstaan, met zwarte, steile hoopen slakken en lange rijen droogovens voor het erts.Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van ’t kleine meertje Tisken.Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven staan. Hij had gepeinsd over de groote “vijzel”, de reusachtige opening in den grond midden in ’t veld om de groeve, en was tot op den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen slakken, die om de “vijzel” en het mijngebouw heen lagen, en ze als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine signaalbelletje, dat met korte sombere slagen ’t heele jaar door slaat, met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en ’t allermeest had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in ’t geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in ’t meer viel, blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. ’t Was een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand bruingrijs was geworden. Het had geenvenster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.Op een dag ging het Bataki al heel slecht. ’t Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in ’t geheel geen plan op te hebben.Er viel vrij wat licht in ’t gebouw door spleten in den muur, en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe ’t er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in ’t leven maken als raven, en al gauw werd het ver in ’t rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: “Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van ’t jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe ’t met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan.”Agar, de postduif, de beste bode in ’t heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka’s rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden keken. ’t Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los—zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. ’t Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij zoo’n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In ’t begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.“Jebentzeker moe,” zei de raaf. “Je kunt misschien niet langer werken!”“Neen, ik ben niet moe,” zei de jongen, en nam den beitel weer op, “maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden.”Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was—niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.“Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?” vroeg hij.“Ja, dat kon wel,” zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.De sage van de Falunmijn.“Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot,” zei Bataki. “Ik heb al een lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in ’t land is, die zooveel weet van je stamgenooten als ik.Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschenhente verdeelen.Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. “Maar eer ik die erfenis afgeef,” zei hij, “moet jelui me beloven, dat als ooit een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien.”De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.“Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart,” zei de reus. “En daarom zul jij het broederdeel hebben.”Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide dochters even getrouw aan hun woord. ’t Gebeurde meer dan één armen houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd aan een ander den schat te wijzen, die op ’t woeste veld te vinden was.In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren een plaats open midden in ’t bosch,en bouwden daar een paar hutjes, die zij zomerweihutten noemden.Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van ’t meer Runn, waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden naar de zomerweide, om te helpen ’t vee, de botervaten en kazen naar huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een van de bokken heelemaal rood aan de horens was.“Wat heeft de Karebok voor horens?” vroeg de boer aan de herderin.“Dat weet ik niet,” antwoordde zij. “Hij is van den zomer elken avond met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi.”“Zoo, geloof je dat,” zei de boer.“Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt.”“Schuur dan die roode verf nog eens af,” zei de boer, “dan kan ik zien, hoe hij dat doet.”Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem gemunt was.“Wat doe je toch?” riep de boer. “Ik heb jou noch je familie ooit kwaad gedaan.”“Neen, dat weet ik wel,” zei de reuzenvrouw. “Maar ik moet je doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt.”Dat zei ze met zóó’n bedroefde stem, alsof ze in ’t geheel geen lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.“Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken, die mijn koperberg ontdekken,” zei ze, “dat ik wou, dat ik die erfenis nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden.”Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.“Maak nu zoo’n haast niet!” riep de boer. “Om die belofte hoef je mij niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En dien heb je al dood gemaakt.”“Vindje, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?” vroeg de reuzendochter aarzelend.“Ja zeker vind ik dat,” zei de boer. “Je hebt je belofte zoo goed gehouden, als je maar kunt.”En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok gestorven was. In ’t begin was hij bang, dat hij ook gedood zou worden, maar ’t was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan nu. ’t Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer knechts hij aan ’t werk kon zetten, hoe rijker hij werd.Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem wilden werken, zeiden ze kortaf: “Neen.”“We willen voor eigen rekening werken,” zeiden ze.“Ja, maar deze koperberg is van mij,” zei de boer.“We zijn niet van plan in jouw mijn te graven,” antwoorddende vreemden. “De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij.”Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.“Er is hier veel erts in den berg,” zei hij.“Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht is,” zei een van de vreemden.“Dat begrijp ik wel,” zei de boer. “Maar ik vind toch, dat jelui mij belasting betalen moet voorheterts, dat je uitgraaft, omdat het door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan.”“Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt,” zeiden de mannen.“Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij gemaakt,” zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters en het broederdeel.De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.“Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is dan zij, die jij ontmoette?” vroegen ze.“Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,” antwoordde de boer.Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in ’t oog, en hij zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben om meê te gaan.“’t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd werd,” zeiden de knechts.“We moeten toch helpen wie in nood zijn,” zei de boer, en trok met alle vijftig knechts uit.Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in ’t oog, die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze inéén jaar opdolven, verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd: hetdistrictvan den grooten koperberg genoemd.Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en den berg te doen springen. ’t Is altijd een zwaar, moeielijk werk erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig wilde doen.Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun wilden worden.In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop het te vinden.Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zichde oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, wat de mannen hadden gevonden.Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk, danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.Uit den grooten koperberg werd steeds zoo’n massa erts gehaald, dat de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die oude mijn te voorschijn was gekomen, is ’t geen wonder, dat zij, die geloofden, dat een koperschat—dubbel zoo groot—in de buurt was, er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heelestad in mist. De rook belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over te denken, waar hij liep.Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in het ongeluk had gestort, en hij werd bang.“Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt,” dacht hij. “Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden heb.”Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar vroeger had gezien.“Ik zou wel eens willen weten, wat je in ’t bosch hebt uitgevoerd,” zei ze. “Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven.”“Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!” antwoordde de mijneigenaar, “want het meisje, waar ik van houd, wil niet in Falun wonen.”“Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo pas gevonden hebt?” vroeg ze verder.“Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen.”“Ja, houd nu maar woord,” zei de vrouw. “Dan zal je geen kwaad overkomen.”Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, er niets op tegen bij hem te komen wonen.”Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met groote snelheid gebruikt.“Nu, en hoe ging het verder?” vroeg hij, toen de raaf zweeg.“Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heelestreek is vol oude mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. ’t Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden.”“Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, die het zag,” zeide de jongen.“Ik zal je zeggen, wie het ’t laatste gezien heeft, als je een gat in den muur hebt gemaakt, en mijbevrijdt,” zeide de raaf.De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. ’t Klonk bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis met een bepaalde bedoeling verteld?“Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven,” zei de jongen, om wat meer licht in de zaak te krijgen. “Je hebt zeker wel een en ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde.”“Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar klaar was met je werk,” antwoordde de raaf.De jongen begon met zoo’n ijver te hakken, dat de splinters om hem heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel had gevonden.“’t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden,” zei hij.“Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden,” zei de raaf.De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, dat hij Bataki’s bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was ’t zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat was ’t waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen ’t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op ’t kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: “Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is.” En ze zouden hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.“Zoudt u niet graag op zoo’n mooie plaats wonen?” zou hij dan zeggen.“Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons,” zouden ze antwoorden.“Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,” zou hij dan zeggen.De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij ’t heele Takermeer koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...“Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt,” zei de raaf. “Ik geloof, dat het gat al groot genoeg is.”Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.“Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot,” zei Bataki heel plechtig, “en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, eer ik het te weten kwam.”“Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat ik je uit je gevangenschap heb bevrijd,” zei de jongen.“Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van het broederdeel vertelde,” zei Bataki. “Anders zou je zooiets zeker niet hebben verwacht.Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden.”Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, dat hij niets had om zich op te verheugen.“Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,” zei hij inzichzelf. “En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader midden in ’t woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet kondenuithouden. Want zoo voel ik het nu.”XXVI.De overstrooming.Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van ’t Mälermeer. De hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa’s in de dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in, moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om de watermassa’s naar ’t Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle kleine meertjes in Uppland en in demijndistrictenop één en denzelfden dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot, wierpen de rivieren zich in ’t Mälermeer, en het duurde niet lang, of dat had zooveel water als het bergen kon. In ’t meer ontstond een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien ’t had, maar dat was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren, als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond, toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidenemeters het land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding teweeg te brengen.’t Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door den storm gezweept. Het is, alsof ’t voor niets dan pleiziertochten en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden, schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld, dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla’s, landgoederen en ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo’n spektakel ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op ’t land gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters, die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten, durfden ’s nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs de lijn.De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen, die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten, om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa’s lagen wel zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid worden gebracht.Maar ’t waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en veldratten, die aan ’t strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden worden verwoest.En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg het Mälermeer.De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden hetwater al tot hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers, die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste schade aan.Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich op voor, in een boot door de straten te moeten varen.Van een paar elanden, die op een eilandje in ’t Mälermeer hadden overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa’s stokken en planken, een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren menschen in booten bezig ze uit het water te halen.In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij ’t moest aanleggen, om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.Terwijl hij nu daar liep, en zich ’t allermeest moedeloos voelde, kreeg hij Agar, de postduif, in ’t oog, die was neergestreken op een berketak.“Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar,” zei Smirre. “Je kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich nu ophoudt.”“Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn,” zei Agar, “maar ik wil het je niet zeggen.”“Dat doet er ook niet toe,” zei Smirre, “als je maar een boodschap wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming, en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning, heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist, en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen.”“Ik kan die boodschap wel overbrengen,” zei Agar. “Maar ik begrijp niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen.”“Dat begrijp ik ook niet,” zei Smirre. “Maar hij kan immers van alles.”“’t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,” merkte Agar op.“Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn,” sprak Smirre met zachte stem, “maar als er zoo’n groote nood in ’t land heerscht, moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel wat wantrouwend.”De zwanen in de Hjälstabaai.Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is ’t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren lang beschermd worden. ’t Is namelijk een woonplaats voor een groot zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen niet verontrust of gestoord zullen worden.Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in den sterken wind over ’t water. Enkele nesten waren al uit elkaar geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, lagen te glimmen op den bodem van de baai.Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, bijeen op den oostelijken oever, waar ze ’t best tegen den wind waren beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.“’t Geeft niet of men al treurt,” zeiden ze. “Er zijn wortels en stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen.”Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap naar de wilde ganzen had gezonden.Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de voorouders van de meeste zwanen waren.Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken,dat zwanen van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van ’t Mälermeer, en ook in ’t Takermeer en ’t Hornborgameer. Al die nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde, van het eene meer naar het andere.De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, waarin ze hen konden helpen.Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke tusschenruimten zwommen.“Zwem nu flink en vlug,” zei ze. “Kijk niet naar de zwanen, alsof je nog nooit zooiets mooishadgezien, en stoor je niet aan wat ze tegen je zeggen.”’t Was niet voor ’t eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen, of je dat niet hoorde.Dezen keer scheen allesbijzondergoed te gaan. De zwanen gingen heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat, omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. ’t Was mooi te zien, hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.“Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, dat ze beleefd moeten zijn,” dacht deleidster-gans.Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te zijn, kregen ze den witten ganzerik in ’t oog, die achteraan kwam in de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen door ’t gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.“Wat is dat?” riep een van hen. “Zijn de wilde ganzen van plan witte veeren te gaan dragen!”“Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden,” riepen ze van alle kanten.Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle stemmen. ’t Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.“’t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt,” riepen ze honend.“’t Is toch àl te onbeschaamd!”“’t Is geen gans. ’t Is maar een tamme eend.”De groote, witte ganzerik dacht aan Akka’s bevel: zich niet te storen aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.“Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?” vroeg een van hen. “Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed.”De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. “Die witte ganzerik daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te komen vertoonen.”“Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een meelhoop gevlogen op een of andere boerderij.”Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding onder het zwanenvolk opmerkte.“Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen vreemden moeten zijn?” zei hij, en keek ontevreden.Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren, en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug, en zag er heel verontwaardigd uit.“Kun je niet maken, dat ze zwijgen?” riep de zwanenkoning haar toe.“Daar ginds is een witte, wilde gans,” antwoordde Sneeuwrust. “Dat is immers een schande. ’t Verbaast me niet, dat hun dit ergert.”“Een witte, wilde gans!” zei Dagaklar. “Dat is al te erg! Zooiets kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien.”Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrechtop Maarten, den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.“Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen te komen!” riep hij.“Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!” riep Akka, want zij begreep, dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En “Vlieg weg, vlieg weg!” riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit, om hem de veeren uit te trekken.Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen de zwanen te vechten. Maar ’t was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.’t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen, of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels, in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels, ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war door te roepen: “Schaam je, zwanen! Schaam je toch!”De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken, maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen, zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan de overzijde van de baai.De nieuwe kettinghond.Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen slapen.“Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten te krijgen,” dacht hij.In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven, was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op eenstuk van een plank, die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op, en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in ’t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan, die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan, om naar het zwanennest te sluipen.“Hei! Ho! Sta op! sta op!” schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn stok in ’t water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij kon goed loopen, maar ’t was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit, maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen, maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.“De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen,” dacht hij.Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.“Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!” zei toen een van de mannen. “Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil.” De andere bleef staan, en keek om. “Weg met jou! Wat wil je hier?” zei hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep toch steeds meê.De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef buiten staan.“Luister eens, kettinghond!” zei de jongen zacht, zoodra de mannen de deuren hadden gesloten. “Zou je me willen helpen om vannacht een vos te vangen?”De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat hij zoo lang gebonden had gestaan: “Zou ik een vos moeten vangen,” blafte hij boos. “Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je die gekheid wel afleeren!”“Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen,” zei de jongen, en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, dat hij geen woord kon zeggen.“Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde ganzen,” zei de jongen. “Heb je nooit van mij gehoord?”“Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt,” zei de hond. “Je schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als jebent.”“Tot nu toe gaat het tamelijk goed,” zei de jongen. “Maar nu is het met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek.”“Ja, zoowaar, ik ruik hem al!” zei de hond. “Dien zullen we wel gauw wegjagen.”En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde een heele poos.“Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen,” zei de hond.“Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,” zei de jongen. “Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen nemen moet.”“Begin je mij nu weer voor den gek te houden?” zei de hond.“Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,” zei de jongen, “dan zal ik je zeggen wat je doen moet.”De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te fluisteren.Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand daarvan zitten nadenken, hoe hij hemuit het hok zou lokken. Op eens stak de hond den kop naar buiten, en bromde:“Ga weg. Anders pak ik je!”“Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!” zei de vos.“Ga weg!” zei de hond nog eens op dreigenden toon. “Anders ben je van nacht voor ’t laatst op de jacht geweest.”Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.“Ik weet wel hoever je ketting reikt.”“Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd,” zei de hond, en kwam uit het hok. “Nu moet je maar oppassen.”Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband losgemaakt.Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich niet bewegen.“Houd je nu stil,” zei de hond. “Anders bijt ik je dood.”Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich niet verroeren.“Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,” zei de jongen, toen hij klaar was.

XXV.Het broederdeel.De oude groevestad.Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa’s en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met hijschmachines en pompen, metouderwetsche gebouwen, die scheef op den ondermijnden grondstaan, met zwarte, steile hoopen slakken en lange rijen droogovens voor het erts.Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van ’t kleine meertje Tisken.Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven staan. Hij had gepeinsd over de groote “vijzel”, de reusachtige opening in den grond midden in ’t veld om de groeve, en was tot op den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen slakken, die om de “vijzel” en het mijngebouw heen lagen, en ze als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine signaalbelletje, dat met korte sombere slagen ’t heele jaar door slaat, met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en ’t allermeest had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in ’t geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in ’t meer viel, blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. ’t Was een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand bruingrijs was geworden. Het had geenvenster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.Op een dag ging het Bataki al heel slecht. ’t Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in ’t geheel geen plan op te hebben.Er viel vrij wat licht in ’t gebouw door spleten in den muur, en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe ’t er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in ’t leven maken als raven, en al gauw werd het ver in ’t rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: “Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van ’t jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe ’t met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan.”Agar, de postduif, de beste bode in ’t heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka’s rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden keken. ’t Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los—zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. ’t Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij zoo’n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In ’t begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.“Jebentzeker moe,” zei de raaf. “Je kunt misschien niet langer werken!”“Neen, ik ben niet moe,” zei de jongen, en nam den beitel weer op, “maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden.”Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was—niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.“Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?” vroeg hij.“Ja, dat kon wel,” zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.De sage van de Falunmijn.“Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot,” zei Bataki. “Ik heb al een lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in ’t land is, die zooveel weet van je stamgenooten als ik.Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschenhente verdeelen.Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. “Maar eer ik die erfenis afgeef,” zei hij, “moet jelui me beloven, dat als ooit een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien.”De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.“Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart,” zei de reus. “En daarom zul jij het broederdeel hebben.”Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide dochters even getrouw aan hun woord. ’t Gebeurde meer dan één armen houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd aan een ander den schat te wijzen, die op ’t woeste veld te vinden was.In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren een plaats open midden in ’t bosch,en bouwden daar een paar hutjes, die zij zomerweihutten noemden.Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van ’t meer Runn, waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden naar de zomerweide, om te helpen ’t vee, de botervaten en kazen naar huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een van de bokken heelemaal rood aan de horens was.“Wat heeft de Karebok voor horens?” vroeg de boer aan de herderin.“Dat weet ik niet,” antwoordde zij. “Hij is van den zomer elken avond met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi.”“Zoo, geloof je dat,” zei de boer.“Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt.”“Schuur dan die roode verf nog eens af,” zei de boer, “dan kan ik zien, hoe hij dat doet.”Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem gemunt was.“Wat doe je toch?” riep de boer. “Ik heb jou noch je familie ooit kwaad gedaan.”“Neen, dat weet ik wel,” zei de reuzenvrouw. “Maar ik moet je doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt.”Dat zei ze met zóó’n bedroefde stem, alsof ze in ’t geheel geen lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.“Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken, die mijn koperberg ontdekken,” zei ze, “dat ik wou, dat ik die erfenis nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden.”Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.“Maak nu zoo’n haast niet!” riep de boer. “Om die belofte hoef je mij niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En dien heb je al dood gemaakt.”“Vindje, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?” vroeg de reuzendochter aarzelend.“Ja zeker vind ik dat,” zei de boer. “Je hebt je belofte zoo goed gehouden, als je maar kunt.”En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok gestorven was. In ’t begin was hij bang, dat hij ook gedood zou worden, maar ’t was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan nu. ’t Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer knechts hij aan ’t werk kon zetten, hoe rijker hij werd.Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem wilden werken, zeiden ze kortaf: “Neen.”“We willen voor eigen rekening werken,” zeiden ze.“Ja, maar deze koperberg is van mij,” zei de boer.“We zijn niet van plan in jouw mijn te graven,” antwoorddende vreemden. “De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij.”Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.“Er is hier veel erts in den berg,” zei hij.“Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht is,” zei een van de vreemden.“Dat begrijp ik wel,” zei de boer. “Maar ik vind toch, dat jelui mij belasting betalen moet voorheterts, dat je uitgraaft, omdat het door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan.”“Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt,” zeiden de mannen.“Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij gemaakt,” zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters en het broederdeel.De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.“Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is dan zij, die jij ontmoette?” vroegen ze.“Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,” antwoordde de boer.Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in ’t oog, en hij zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben om meê te gaan.“’t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd werd,” zeiden de knechts.“We moeten toch helpen wie in nood zijn,” zei de boer, en trok met alle vijftig knechts uit.Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in ’t oog, die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze inéén jaar opdolven, verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd: hetdistrictvan den grooten koperberg genoemd.Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en den berg te doen springen. ’t Is altijd een zwaar, moeielijk werk erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig wilde doen.Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun wilden worden.In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop het te vinden.Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zichde oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, wat de mannen hadden gevonden.Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk, danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.Uit den grooten koperberg werd steeds zoo’n massa erts gehaald, dat de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die oude mijn te voorschijn was gekomen, is ’t geen wonder, dat zij, die geloofden, dat een koperschat—dubbel zoo groot—in de buurt was, er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heelestad in mist. De rook belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over te denken, waar hij liep.Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in het ongeluk had gestort, en hij werd bang.“Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt,” dacht hij. “Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden heb.”Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar vroeger had gezien.“Ik zou wel eens willen weten, wat je in ’t bosch hebt uitgevoerd,” zei ze. “Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven.”“Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!” antwoordde de mijneigenaar, “want het meisje, waar ik van houd, wil niet in Falun wonen.”“Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo pas gevonden hebt?” vroeg ze verder.“Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen.”“Ja, houd nu maar woord,” zei de vrouw. “Dan zal je geen kwaad overkomen.”Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, er niets op tegen bij hem te komen wonen.”Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met groote snelheid gebruikt.“Nu, en hoe ging het verder?” vroeg hij, toen de raaf zweeg.“Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heelestreek is vol oude mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. ’t Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden.”“Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, die het zag,” zeide de jongen.“Ik zal je zeggen, wie het ’t laatste gezien heeft, als je een gat in den muur hebt gemaakt, en mijbevrijdt,” zeide de raaf.De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. ’t Klonk bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis met een bepaalde bedoeling verteld?“Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven,” zei de jongen, om wat meer licht in de zaak te krijgen. “Je hebt zeker wel een en ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde.”“Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar klaar was met je werk,” antwoordde de raaf.De jongen begon met zoo’n ijver te hakken, dat de splinters om hem heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel had gevonden.“’t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden,” zei hij.“Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden,” zei de raaf.De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, dat hij Bataki’s bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was ’t zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat was ’t waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen ’t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op ’t kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: “Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is.” En ze zouden hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.“Zoudt u niet graag op zoo’n mooie plaats wonen?” zou hij dan zeggen.“Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons,” zouden ze antwoorden.“Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,” zou hij dan zeggen.De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij ’t heele Takermeer koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...“Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt,” zei de raaf. “Ik geloof, dat het gat al groot genoeg is.”Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.“Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot,” zei Bataki heel plechtig, “en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, eer ik het te weten kwam.”“Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat ik je uit je gevangenschap heb bevrijd,” zei de jongen.“Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van het broederdeel vertelde,” zei Bataki. “Anders zou je zooiets zeker niet hebben verwacht.Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden.”Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, dat hij niets had om zich op te verheugen.“Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,” zei hij inzichzelf. “En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader midden in ’t woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet kondenuithouden. Want zoo voel ik het nu.”

De oude groevestad.Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa’s en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met hijschmachines en pompen, metouderwetsche gebouwen, die scheef op den ondermijnden grondstaan, met zwarte, steile hoopen slakken en lange rijen droogovens voor het erts.Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van ’t kleine meertje Tisken.Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven staan. Hij had gepeinsd over de groote “vijzel”, de reusachtige opening in den grond midden in ’t veld om de groeve, en was tot op den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen slakken, die om de “vijzel” en het mijngebouw heen lagen, en ze als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine signaalbelletje, dat met korte sombere slagen ’t heele jaar door slaat, met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en ’t allermeest had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in ’t geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in ’t meer viel, blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. ’t Was een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand bruingrijs was geworden. Het had geenvenster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.Op een dag ging het Bataki al heel slecht. ’t Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in ’t geheel geen plan op te hebben.Er viel vrij wat licht in ’t gebouw door spleten in den muur, en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe ’t er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in ’t leven maken als raven, en al gauw werd het ver in ’t rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: “Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van ’t jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe ’t met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan.”Agar, de postduif, de beste bode in ’t heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka’s rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden keken. ’t Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los—zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. ’t Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij zoo’n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In ’t begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.“Jebentzeker moe,” zei de raaf. “Je kunt misschien niet langer werken!”“Neen, ik ben niet moe,” zei de jongen, en nam den beitel weer op, “maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden.”Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was—niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.“Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?” vroeg hij.“Ja, dat kon wel,” zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.

Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.

Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.

De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa’s en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met hijschmachines en pompen, metouderwetsche gebouwen, die scheef op den ondermijnden grondstaan, met zwarte, steile hoopen slakken en lange rijen droogovens voor het erts.

Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van ’t kleine meertje Tisken.

Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven staan. Hij had gepeinsd over de groote “vijzel”, de reusachtige opening in den grond midden in ’t veld om de groeve, en was tot op den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen slakken, die om de “vijzel” en het mijngebouw heen lagen, en ze als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine signaalbelletje, dat met korte sombere slagen ’t heele jaar door slaat, met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en ’t allermeest had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in ’t geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in ’t meer viel, blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.

In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. ’t Was een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand bruingrijs was geworden. Het had geenvenster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.

Op een dag ging het Bataki al heel slecht. ’t Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in ’t geheel geen plan op te hebben.

Er viel vrij wat licht in ’t gebouw door spleten in den muur, en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe ’t er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.

Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in ’t leven maken als raven, en al gauw werd het ver in ’t rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.

Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: “Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van ’t jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe ’t met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan.”

Agar, de postduif, de beste bode in ’t heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka’s rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.

Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden keken. ’t Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.

Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.

De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los—zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. ’t Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij zoo’n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.

De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In ’t begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.

“Jebentzeker moe,” zei de raaf. “Je kunt misschien niet langer werken!”

“Neen, ik ben niet moe,” zei de jongen, en nam den beitel weer op, “maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden.”

Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was—niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.

“Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?” vroeg hij.

“Ja, dat kon wel,” zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.

De sage van de Falunmijn.“Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot,” zei Bataki. “Ik heb al een lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in ’t land is, die zooveel weet van je stamgenooten als ik.Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschenhente verdeelen.Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. “Maar eer ik die erfenis afgeef,” zei hij, “moet jelui me beloven, dat als ooit een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien.”De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.“Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart,” zei de reus. “En daarom zul jij het broederdeel hebben.”Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide dochters even getrouw aan hun woord. ’t Gebeurde meer dan één armen houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd aan een ander den schat te wijzen, die op ’t woeste veld te vinden was.In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren een plaats open midden in ’t bosch,en bouwden daar een paar hutjes, die zij zomerweihutten noemden.Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van ’t meer Runn, waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden naar de zomerweide, om te helpen ’t vee, de botervaten en kazen naar huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een van de bokken heelemaal rood aan de horens was.“Wat heeft de Karebok voor horens?” vroeg de boer aan de herderin.“Dat weet ik niet,” antwoordde zij. “Hij is van den zomer elken avond met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi.”“Zoo, geloof je dat,” zei de boer.“Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt.”“Schuur dan die roode verf nog eens af,” zei de boer, “dan kan ik zien, hoe hij dat doet.”Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem gemunt was.“Wat doe je toch?” riep de boer. “Ik heb jou noch je familie ooit kwaad gedaan.”“Neen, dat weet ik wel,” zei de reuzenvrouw. “Maar ik moet je doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt.”Dat zei ze met zóó’n bedroefde stem, alsof ze in ’t geheel geen lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.“Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken, die mijn koperberg ontdekken,” zei ze, “dat ik wou, dat ik die erfenis nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden.”Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.“Maak nu zoo’n haast niet!” riep de boer. “Om die belofte hoef je mij niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En dien heb je al dood gemaakt.”“Vindje, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?” vroeg de reuzendochter aarzelend.“Ja zeker vind ik dat,” zei de boer. “Je hebt je belofte zoo goed gehouden, als je maar kunt.”En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok gestorven was. In ’t begin was hij bang, dat hij ook gedood zou worden, maar ’t was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan nu. ’t Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer knechts hij aan ’t werk kon zetten, hoe rijker hij werd.Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem wilden werken, zeiden ze kortaf: “Neen.”“We willen voor eigen rekening werken,” zeiden ze.“Ja, maar deze koperberg is van mij,” zei de boer.“We zijn niet van plan in jouw mijn te graven,” antwoorddende vreemden. “De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij.”Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.“Er is hier veel erts in den berg,” zei hij.“Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht is,” zei een van de vreemden.“Dat begrijp ik wel,” zei de boer. “Maar ik vind toch, dat jelui mij belasting betalen moet voorheterts, dat je uitgraaft, omdat het door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan.”“Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt,” zeiden de mannen.“Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij gemaakt,” zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters en het broederdeel.De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.“Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is dan zij, die jij ontmoette?” vroegen ze.“Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,” antwoordde de boer.Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in ’t oog, en hij zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben om meê te gaan.“’t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd werd,” zeiden de knechts.“We moeten toch helpen wie in nood zijn,” zei de boer, en trok met alle vijftig knechts uit.Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in ’t oog, die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze inéén jaar opdolven, verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd: hetdistrictvan den grooten koperberg genoemd.Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en den berg te doen springen. ’t Is altijd een zwaar, moeielijk werk erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig wilde doen.Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun wilden worden.In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop het te vinden.Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zichde oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, wat de mannen hadden gevonden.Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk, danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.Uit den grooten koperberg werd steeds zoo’n massa erts gehaald, dat de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die oude mijn te voorschijn was gekomen, is ’t geen wonder, dat zij, die geloofden, dat een koperschat—dubbel zoo groot—in de buurt was, er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heelestad in mist. De rook belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over te denken, waar hij liep.Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in het ongeluk had gestort, en hij werd bang.“Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt,” dacht hij. “Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden heb.”Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar vroeger had gezien.“Ik zou wel eens willen weten, wat je in ’t bosch hebt uitgevoerd,” zei ze. “Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven.”“Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!” antwoordde de mijneigenaar, “want het meisje, waar ik van houd, wil niet in Falun wonen.”“Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo pas gevonden hebt?” vroeg ze verder.“Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen.”“Ja, houd nu maar woord,” zei de vrouw. “Dan zal je geen kwaad overkomen.”Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, er niets op tegen bij hem te komen wonen.”Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met groote snelheid gebruikt.“Nu, en hoe ging het verder?” vroeg hij, toen de raaf zweeg.“Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heelestreek is vol oude mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. ’t Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden.”“Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, die het zag,” zeide de jongen.“Ik zal je zeggen, wie het ’t laatste gezien heeft, als je een gat in den muur hebt gemaakt, en mijbevrijdt,” zeide de raaf.De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. ’t Klonk bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis met een bepaalde bedoeling verteld?“Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven,” zei de jongen, om wat meer licht in de zaak te krijgen. “Je hebt zeker wel een en ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde.”“Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar klaar was met je werk,” antwoordde de raaf.De jongen begon met zoo’n ijver te hakken, dat de splinters om hem heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel had gevonden.“’t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden,” zei hij.“Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden,” zei de raaf.De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, dat hij Bataki’s bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was ’t zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat was ’t waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen ’t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op ’t kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: “Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is.” En ze zouden hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.“Zoudt u niet graag op zoo’n mooie plaats wonen?” zou hij dan zeggen.“Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons,” zouden ze antwoorden.“Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,” zou hij dan zeggen.De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij ’t heele Takermeer koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...“Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt,” zei de raaf. “Ik geloof, dat het gat al groot genoeg is.”Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.“Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot,” zei Bataki heel plechtig, “en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, eer ik het te weten kwam.”“Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat ik je uit je gevangenschap heb bevrijd,” zei de jongen.“Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van het broederdeel vertelde,” zei Bataki. “Anders zou je zooiets zeker niet hebben verwacht.Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden.”Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, dat hij niets had om zich op te verheugen.“Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,” zei hij inzichzelf. “En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader midden in ’t woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet kondenuithouden. Want zoo voel ik het nu.”

“Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot,” zei Bataki. “Ik heb al een lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in ’t land is, die zooveel weet van je stamgenooten als ik.

Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.

Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschenhente verdeelen.

Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. “Maar eer ik die erfenis afgeef,” zei hij, “moet jelui me beloven, dat als ooit een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien.”

De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.

“Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart,” zei de reus. “En daarom zul jij het broederdeel hebben.”

Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide dochters even getrouw aan hun woord. ’t Gebeurde meer dan één armen houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd aan een ander den schat te wijzen, die op ’t woeste veld te vinden was.

In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren een plaats open midden in ’t bosch,en bouwden daar een paar hutjes, die zij zomerweihutten noemden.

Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van ’t meer Runn, waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden naar de zomerweide, om te helpen ’t vee, de botervaten en kazen naar huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een van de bokken heelemaal rood aan de horens was.

“Wat heeft de Karebok voor horens?” vroeg de boer aan de herderin.

“Dat weet ik niet,” antwoordde zij. “Hij is van den zomer elken avond met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi.”

“Zoo, geloof je dat,” zei de boer.

“Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt.”

“Schuur dan die roode verf nog eens af,” zei de boer, “dan kan ik zien, hoe hij dat doet.”

Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem gemunt was.

“Wat doe je toch?” riep de boer. “Ik heb jou noch je familie ooit kwaad gedaan.”

“Neen, dat weet ik wel,” zei de reuzenvrouw. “Maar ik moet je doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt.”

Dat zei ze met zóó’n bedroefde stem, alsof ze in ’t geheel geen lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.

“Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken, die mijn koperberg ontdekken,” zei ze, “dat ik wou, dat ik die erfenis nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden.”

Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.

“Maak nu zoo’n haast niet!” riep de boer. “Om die belofte hoef je mij niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En dien heb je al dood gemaakt.”

“Vindje, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?” vroeg de reuzendochter aarzelend.

“Ja zeker vind ik dat,” zei de boer. “Je hebt je belofte zoo goed gehouden, als je maar kunt.”

En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.

Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok gestorven was. In ’t begin was hij bang, dat hij ook gedood zou worden, maar ’t was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.

Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan nu. ’t Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.

In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer knechts hij aan ’t werk kon zetten, hoe rijker hij werd.

Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem wilden werken, zeiden ze kortaf: “Neen.”

“We willen voor eigen rekening werken,” zeiden ze.

“Ja, maar deze koperberg is van mij,” zei de boer.

“We zijn niet van plan in jouw mijn te graven,” antwoorddende vreemden. “De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij.”

Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.

“Er is hier veel erts in den berg,” zei hij.

“Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht is,” zei een van de vreemden.

“Dat begrijp ik wel,” zei de boer. “Maar ik vind toch, dat jelui mij belasting betalen moet voorheterts, dat je uitgraaft, omdat het door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan.”

“Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt,” zeiden de mannen.

“Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij gemaakt,” zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters en het broederdeel.

De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.

“Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is dan zij, die jij ontmoette?” vroegen ze.

“Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,” antwoordde de boer.

Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in ’t oog, en hij zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.

Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben om meê te gaan.

“’t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd werd,” zeiden de knechts.

“We moeten toch helpen wie in nood zijn,” zei de boer, en trok met alle vijftig knechts uit.

Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in ’t oog, die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.

Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze inéén jaar opdolven, verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd: hetdistrictvan den grooten koperberg genoemd.

Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en den berg te doen springen. ’t Is altijd een zwaar, moeielijk werk erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig wilde doen.

Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun wilden worden.

In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop het te vinden.

Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zichde oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, wat de mannen hadden gevonden.

Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk, danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.

Uit den grooten koperberg werd steeds zoo’n massa erts gehaald, dat de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.

Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die oude mijn te voorschijn was gekomen, is ’t geen wonder, dat zij, die geloofden, dat een koperschat—dubbel zoo groot—in de buurt was, er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.

Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.

De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heelestad in mist. De rook belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.

Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over te denken, waar hij liep.

Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in het ongeluk had gestort, en hij werd bang.

“Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt,” dacht hij. “Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden heb.”

Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar vroeger had gezien.

“Ik zou wel eens willen weten, wat je in ’t bosch hebt uitgevoerd,” zei ze. “Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven.”

“Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!” antwoordde de mijneigenaar, “want het meisje, waar ik van houd, wil niet in Falun wonen.”

“Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo pas gevonden hebt?” vroeg ze verder.

“Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen.”

“Ja, houd nu maar woord,” zei de vrouw. “Dan zal je geen kwaad overkomen.”

Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, er niets op tegen bij hem te komen wonen.”

Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met groote snelheid gebruikt.

“Nu, en hoe ging het verder?” vroeg hij, toen de raaf zweeg.

“Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heelestreek is vol oude mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. ’t Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden.”

“Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, die het zag,” zeide de jongen.

“Ik zal je zeggen, wie het ’t laatste gezien heeft, als je een gat in den muur hebt gemaakt, en mijbevrijdt,” zeide de raaf.

De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. ’t Klonk bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis met een bepaalde bedoeling verteld?

“Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven,” zei de jongen, om wat meer licht in de zaak te krijgen. “Je hebt zeker wel een en ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde.”

“Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar klaar was met je werk,” antwoordde de raaf.

De jongen begon met zoo’n ijver te hakken, dat de splinters om hem heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel had gevonden.

“’t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden,” zei hij.

“Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden,” zei de raaf.

De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, dat hij Bataki’s bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.

De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was ’t zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat was ’t waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen ’t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op ’t kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: “Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is.” En ze zouden hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.

“Zoudt u niet graag op zoo’n mooie plaats wonen?” zou hij dan zeggen.

“Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons,” zouden ze antwoorden.

“Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,” zou hij dan zeggen.

De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij ’t heele Takermeer koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...

“Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt,” zei de raaf. “Ik geloof, dat het gat al groot genoeg is.”

Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.

“Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot,” zei Bataki heel plechtig, “en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, eer ik het te weten kwam.”

“Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat ik je uit je gevangenschap heb bevrijd,” zei de jongen.

“Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van het broederdeel vertelde,” zei Bataki. “Anders zou je zooiets zeker niet hebben verwacht.Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden.”

Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, dat hij niets had om zich op te verheugen.

“Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,” zei hij inzichzelf. “En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader midden in ’t woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet kondenuithouden. Want zoo voel ik het nu.”

XXVI.De overstrooming.Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van ’t Mälermeer. De hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa’s in de dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in, moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om de watermassa’s naar ’t Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle kleine meertjes in Uppland en in demijndistrictenop één en denzelfden dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot, wierpen de rivieren zich in ’t Mälermeer, en het duurde niet lang, of dat had zooveel water als het bergen kon. In ’t meer ontstond een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien ’t had, maar dat was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren, als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond, toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidenemeters het land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding teweeg te brengen.’t Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door den storm gezweept. Het is, alsof ’t voor niets dan pleiziertochten en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden, schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld, dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla’s, landgoederen en ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo’n spektakel ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op ’t land gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters, die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten, durfden ’s nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs de lijn.De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen, die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten, om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa’s lagen wel zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid worden gebracht.Maar ’t waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en veldratten, die aan ’t strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden worden verwoest.En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg het Mälermeer.De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden hetwater al tot hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers, die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste schade aan.Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich op voor, in een boot door de straten te moeten varen.Van een paar elanden, die op een eilandje in ’t Mälermeer hadden overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa’s stokken en planken, een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren menschen in booten bezig ze uit het water te halen.In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij ’t moest aanleggen, om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.Terwijl hij nu daar liep, en zich ’t allermeest moedeloos voelde, kreeg hij Agar, de postduif, in ’t oog, die was neergestreken op een berketak.“Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar,” zei Smirre. “Je kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich nu ophoudt.”“Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn,” zei Agar, “maar ik wil het je niet zeggen.”“Dat doet er ook niet toe,” zei Smirre, “als je maar een boodschap wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming, en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning, heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist, en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen.”“Ik kan die boodschap wel overbrengen,” zei Agar. “Maar ik begrijp niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen.”“Dat begrijp ik ook niet,” zei Smirre. “Maar hij kan immers van alles.”“’t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,” merkte Agar op.“Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn,” sprak Smirre met zachte stem, “maar als er zoo’n groote nood in ’t land heerscht, moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel wat wantrouwend.”De zwanen in de Hjälstabaai.Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is ’t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren lang beschermd worden. ’t Is namelijk een woonplaats voor een groot zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen niet verontrust of gestoord zullen worden.Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in den sterken wind over ’t water. Enkele nesten waren al uit elkaar geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, lagen te glimmen op den bodem van de baai.Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, bijeen op den oostelijken oever, waar ze ’t best tegen den wind waren beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.“’t Geeft niet of men al treurt,” zeiden ze. “Er zijn wortels en stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen.”Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap naar de wilde ganzen had gezonden.Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de voorouders van de meeste zwanen waren.Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken,dat zwanen van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van ’t Mälermeer, en ook in ’t Takermeer en ’t Hornborgameer. Al die nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde, van het eene meer naar het andere.De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, waarin ze hen konden helpen.Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke tusschenruimten zwommen.“Zwem nu flink en vlug,” zei ze. “Kijk niet naar de zwanen, alsof je nog nooit zooiets mooishadgezien, en stoor je niet aan wat ze tegen je zeggen.”’t Was niet voor ’t eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen, of je dat niet hoorde.Dezen keer scheen allesbijzondergoed te gaan. De zwanen gingen heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat, omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. ’t Was mooi te zien, hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.“Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, dat ze beleefd moeten zijn,” dacht deleidster-gans.Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te zijn, kregen ze den witten ganzerik in ’t oog, die achteraan kwam in de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen door ’t gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.“Wat is dat?” riep een van hen. “Zijn de wilde ganzen van plan witte veeren te gaan dragen!”“Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden,” riepen ze van alle kanten.Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle stemmen. ’t Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.“’t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt,” riepen ze honend.“’t Is toch àl te onbeschaamd!”“’t Is geen gans. ’t Is maar een tamme eend.”De groote, witte ganzerik dacht aan Akka’s bevel: zich niet te storen aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.“Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?” vroeg een van hen. “Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed.”De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. “Die witte ganzerik daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te komen vertoonen.”“Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een meelhoop gevlogen op een of andere boerderij.”Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding onder het zwanenvolk opmerkte.“Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen vreemden moeten zijn?” zei hij, en keek ontevreden.Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren, en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug, en zag er heel verontwaardigd uit.“Kun je niet maken, dat ze zwijgen?” riep de zwanenkoning haar toe.“Daar ginds is een witte, wilde gans,” antwoordde Sneeuwrust. “Dat is immers een schande. ’t Verbaast me niet, dat hun dit ergert.”“Een witte, wilde gans!” zei Dagaklar. “Dat is al te erg! Zooiets kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien.”Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrechtop Maarten, den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.“Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen te komen!” riep hij.“Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!” riep Akka, want zij begreep, dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En “Vlieg weg, vlieg weg!” riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit, om hem de veeren uit te trekken.Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen de zwanen te vechten. Maar ’t was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.’t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen, of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels, in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels, ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war door te roepen: “Schaam je, zwanen! Schaam je toch!”De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken, maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen, zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan de overzijde van de baai.De nieuwe kettinghond.Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen slapen.“Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten te krijgen,” dacht hij.In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven, was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op eenstuk van een plank, die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op, en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in ’t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan, die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan, om naar het zwanennest te sluipen.“Hei! Ho! Sta op! sta op!” schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn stok in ’t water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij kon goed loopen, maar ’t was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit, maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen, maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.“De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen,” dacht hij.Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.“Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!” zei toen een van de mannen. “Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil.” De andere bleef staan, en keek om. “Weg met jou! Wat wil je hier?” zei hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep toch steeds meê.De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef buiten staan.“Luister eens, kettinghond!” zei de jongen zacht, zoodra de mannen de deuren hadden gesloten. “Zou je me willen helpen om vannacht een vos te vangen?”De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat hij zoo lang gebonden had gestaan: “Zou ik een vos moeten vangen,” blafte hij boos. “Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je die gekheid wel afleeren!”“Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen,” zei de jongen, en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, dat hij geen woord kon zeggen.“Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde ganzen,” zei de jongen. “Heb je nooit van mij gehoord?”“Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt,” zei de hond. “Je schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als jebent.”“Tot nu toe gaat het tamelijk goed,” zei de jongen. “Maar nu is het met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek.”“Ja, zoowaar, ik ruik hem al!” zei de hond. “Dien zullen we wel gauw wegjagen.”En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde een heele poos.“Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen,” zei de hond.“Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,” zei de jongen. “Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen nemen moet.”“Begin je mij nu weer voor den gek te houden?” zei de hond.“Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,” zei de jongen, “dan zal ik je zeggen wat je doen moet.”De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te fluisteren.Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand daarvan zitten nadenken, hoe hij hemuit het hok zou lokken. Op eens stak de hond den kop naar buiten, en bromde:“Ga weg. Anders pak ik je!”“Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!” zei de vos.“Ga weg!” zei de hond nog eens op dreigenden toon. “Anders ben je van nacht voor ’t laatst op de jacht geweest.”Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.“Ik weet wel hoever je ketting reikt.”“Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd,” zei de hond, en kwam uit het hok. “Nu moet je maar oppassen.”Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband losgemaakt.Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich niet bewegen.“Houd je nu stil,” zei de hond. “Anders bijt ik je dood.”Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich niet verroeren.“Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,” zei de jongen, toen hij klaar was.

Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van ’t Mälermeer. De hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.

Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa’s in de dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in, moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om de watermassa’s naar ’t Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle kleine meertjes in Uppland en in demijndistrictenop één en denzelfden dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot, wierpen de rivieren zich in ’t Mälermeer, en het duurde niet lang, of dat had zooveel water als het bergen kon. In ’t meer ontstond een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien ’t had, maar dat was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren, als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond, toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.

Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidenemeters het land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding teweeg te brengen.

’t Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door den storm gezweept. Het is, alsof ’t voor niets dan pleiziertochten en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden, schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld, dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla’s, landgoederen en ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo’n spektakel ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.

Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op ’t land gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters, die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten, durfden ’s nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs de lijn.

De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen, die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten, om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.

In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa’s lagen wel zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid worden gebracht.

Maar ’t waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en veldratten, die aan ’t strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden worden verwoest.

En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg het Mälermeer.

De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden hetwater al tot hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers, die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste schade aan.

Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich op voor, in een boot door de straten te moeten varen.

Van een paar elanden, die op een eilandje in ’t Mälermeer hadden overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa’s stokken en planken, een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren menschen in booten bezig ze uit het water te halen.

In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij ’t moest aanleggen, om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.

Terwijl hij nu daar liep, en zich ’t allermeest moedeloos voelde, kreeg hij Agar, de postduif, in ’t oog, die was neergestreken op een berketak.

“Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar,” zei Smirre. “Je kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich nu ophoudt.”

“Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn,” zei Agar, “maar ik wil het je niet zeggen.”

“Dat doet er ook niet toe,” zei Smirre, “als je maar een boodschap wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming, en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning, heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist, en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen.”

“Ik kan die boodschap wel overbrengen,” zei Agar. “Maar ik begrijp niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen.”

“Dat begrijp ik ook niet,” zei Smirre. “Maar hij kan immers van alles.”

“’t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,” merkte Agar op.

“Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn,” sprak Smirre met zachte stem, “maar als er zoo’n groote nood in ’t land heerscht, moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel wat wantrouwend.”

De zwanen in de Hjälstabaai.Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is ’t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren lang beschermd worden. ’t Is namelijk een woonplaats voor een groot zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen niet verontrust of gestoord zullen worden.Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in den sterken wind over ’t water. Enkele nesten waren al uit elkaar geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, lagen te glimmen op den bodem van de baai.Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, bijeen op den oostelijken oever, waar ze ’t best tegen den wind waren beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.“’t Geeft niet of men al treurt,” zeiden ze. “Er zijn wortels en stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen.”Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap naar de wilde ganzen had gezonden.Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de voorouders van de meeste zwanen waren.Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken,dat zwanen van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van ’t Mälermeer, en ook in ’t Takermeer en ’t Hornborgameer. Al die nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde, van het eene meer naar het andere.De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, waarin ze hen konden helpen.Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke tusschenruimten zwommen.“Zwem nu flink en vlug,” zei ze. “Kijk niet naar de zwanen, alsof je nog nooit zooiets mooishadgezien, en stoor je niet aan wat ze tegen je zeggen.”’t Was niet voor ’t eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen, of je dat niet hoorde.Dezen keer scheen allesbijzondergoed te gaan. De zwanen gingen heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat, omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. ’t Was mooi te zien, hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.“Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, dat ze beleefd moeten zijn,” dacht deleidster-gans.Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te zijn, kregen ze den witten ganzerik in ’t oog, die achteraan kwam in de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen door ’t gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.“Wat is dat?” riep een van hen. “Zijn de wilde ganzen van plan witte veeren te gaan dragen!”“Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden,” riepen ze van alle kanten.Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle stemmen. ’t Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.“’t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt,” riepen ze honend.“’t Is toch àl te onbeschaamd!”“’t Is geen gans. ’t Is maar een tamme eend.”De groote, witte ganzerik dacht aan Akka’s bevel: zich niet te storen aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.“Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?” vroeg een van hen. “Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed.”De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. “Die witte ganzerik daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te komen vertoonen.”“Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een meelhoop gevlogen op een of andere boerderij.”Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding onder het zwanenvolk opmerkte.“Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen vreemden moeten zijn?” zei hij, en keek ontevreden.Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren, en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug, en zag er heel verontwaardigd uit.“Kun je niet maken, dat ze zwijgen?” riep de zwanenkoning haar toe.“Daar ginds is een witte, wilde gans,” antwoordde Sneeuwrust. “Dat is immers een schande. ’t Verbaast me niet, dat hun dit ergert.”“Een witte, wilde gans!” zei Dagaklar. “Dat is al te erg! Zooiets kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien.”Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrechtop Maarten, den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.“Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen te komen!” riep hij.“Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!” riep Akka, want zij begreep, dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En “Vlieg weg, vlieg weg!” riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit, om hem de veeren uit te trekken.Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen de zwanen te vechten. Maar ’t was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.’t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen, of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels, in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels, ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war door te roepen: “Schaam je, zwanen! Schaam je toch!”De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken, maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen, zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan de overzijde van de baai.

Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is ’t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren lang beschermd worden. ’t Is namelijk een woonplaats voor een groot zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen niet verontrust of gestoord zullen worden.

Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in den sterken wind over ’t water. Enkele nesten waren al uit elkaar geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, lagen te glimmen op den bodem van de baai.

Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, bijeen op den oostelijken oever, waar ze ’t best tegen den wind waren beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.

“’t Geeft niet of men al treurt,” zeiden ze. “Er zijn wortels en stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen.”

Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap naar de wilde ganzen had gezonden.

Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de voorouders van de meeste zwanen waren.

Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken,dat zwanen van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.

Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van ’t Mälermeer, en ook in ’t Takermeer en ’t Hornborgameer. Al die nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde, van het eene meer naar het andere.

De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, waarin ze hen konden helpen.

Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke tusschenruimten zwommen.

“Zwem nu flink en vlug,” zei ze. “Kijk niet naar de zwanen, alsof je nog nooit zooiets mooishadgezien, en stoor je niet aan wat ze tegen je zeggen.”

’t Was niet voor ’t eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen, of je dat niet hoorde.

Dezen keer scheen allesbijzondergoed te gaan. De zwanen gingen heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat, omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. ’t Was mooi te zien, hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.

“Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, dat ze beleefd moeten zijn,” dacht deleidster-gans.

Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te zijn, kregen ze den witten ganzerik in ’t oog, die achteraan kwam in de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen door ’t gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.

“Wat is dat?” riep een van hen. “Zijn de wilde ganzen van plan witte veeren te gaan dragen!”

“Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden,” riepen ze van alle kanten.

Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle stemmen. ’t Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.

“’t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt,” riepen ze honend.

“’t Is toch àl te onbeschaamd!”

“’t Is geen gans. ’t Is maar een tamme eend.”

De groote, witte ganzerik dacht aan Akka’s bevel: zich niet te storen aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.

“Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?” vroeg een van hen. “Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed.”

De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. “Die witte ganzerik daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te komen vertoonen.”

“Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een meelhoop gevlogen op een of andere boerderij.”

Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding onder het zwanenvolk opmerkte.

“Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen vreemden moeten zijn?” zei hij, en keek ontevreden.

Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren, en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug, en zag er heel verontwaardigd uit.

“Kun je niet maken, dat ze zwijgen?” riep de zwanenkoning haar toe.

“Daar ginds is een witte, wilde gans,” antwoordde Sneeuwrust. “Dat is immers een schande. ’t Verbaast me niet, dat hun dit ergert.”

“Een witte, wilde gans!” zei Dagaklar. “Dat is al te erg! Zooiets kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien.”

Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.

De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrechtop Maarten, den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.

“Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen te komen!” riep hij.

“Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!” riep Akka, want zij begreep, dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En “Vlieg weg, vlieg weg!” riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit, om hem de veeren uit te trekken.

Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen de zwanen te vechten. Maar ’t was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.

’t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen, of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels, in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels, ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war door te roepen: “Schaam je, zwanen! Schaam je toch!”

De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken, maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen, zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan de overzijde van de baai.

De nieuwe kettinghond.Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen slapen.“Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten te krijgen,” dacht hij.In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven, was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op eenstuk van een plank, die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op, en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in ’t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan, die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan, om naar het zwanennest te sluipen.“Hei! Ho! Sta op! sta op!” schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn stok in ’t water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij kon goed loopen, maar ’t was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit, maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen, maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.“De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen,” dacht hij.Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.“Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!” zei toen een van de mannen. “Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil.” De andere bleef staan, en keek om. “Weg met jou! Wat wil je hier?” zei hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep toch steeds meê.De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef buiten staan.“Luister eens, kettinghond!” zei de jongen zacht, zoodra de mannen de deuren hadden gesloten. “Zou je me willen helpen om vannacht een vos te vangen?”De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat hij zoo lang gebonden had gestaan: “Zou ik een vos moeten vangen,” blafte hij boos. “Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je die gekheid wel afleeren!”“Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen,” zei de jongen, en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, dat hij geen woord kon zeggen.“Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde ganzen,” zei de jongen. “Heb je nooit van mij gehoord?”“Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt,” zei de hond. “Je schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als jebent.”“Tot nu toe gaat het tamelijk goed,” zei de jongen. “Maar nu is het met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek.”“Ja, zoowaar, ik ruik hem al!” zei de hond. “Dien zullen we wel gauw wegjagen.”En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde een heele poos.“Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen,” zei de hond.“Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,” zei de jongen. “Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen nemen moet.”“Begin je mij nu weer voor den gek te houden?” zei de hond.“Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,” zei de jongen, “dan zal ik je zeggen wat je doen moet.”De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te fluisteren.Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand daarvan zitten nadenken, hoe hij hemuit het hok zou lokken. Op eens stak de hond den kop naar buiten, en bromde:“Ga weg. Anders pak ik je!”“Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!” zei de vos.“Ga weg!” zei de hond nog eens op dreigenden toon. “Anders ben je van nacht voor ’t laatst op de jacht geweest.”Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.“Ik weet wel hoever je ketting reikt.”“Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd,” zei de hond, en kwam uit het hok. “Nu moet je maar oppassen.”Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband losgemaakt.Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich niet bewegen.“Houd je nu stil,” zei de hond. “Anders bijt ik je dood.”Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich niet verroeren.“Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,” zei de jongen, toen hij klaar was.

Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.

Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen slapen.

“Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten te krijgen,” dacht hij.

In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven, was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op eenstuk van een plank, die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op, en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.

Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in ’t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan, die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan, om naar het zwanennest te sluipen.

“Hei! Ho! Sta op! sta op!” schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn stok in ’t water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.

Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij kon goed loopen, maar ’t was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.

Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit, maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.

De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen, maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.

“De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen,” dacht hij.

Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.

“Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!” zei toen een van de mannen. “Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil.” De andere bleef staan, en keek om. “Weg met jou! Wat wil je hier?” zei hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep toch steeds meê.

De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef buiten staan.

“Luister eens, kettinghond!” zei de jongen zacht, zoodra de mannen de deuren hadden gesloten. “Zou je me willen helpen om vannacht een vos te vangen?”

De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat hij zoo lang gebonden had gestaan: “Zou ik een vos moeten vangen,” blafte hij boos. “Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je die gekheid wel afleeren!”

“Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen,” zei de jongen, en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, dat hij geen woord kon zeggen.

“Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde ganzen,” zei de jongen. “Heb je nooit van mij gehoord?”

“Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt,” zei de hond. “Je schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als jebent.”

“Tot nu toe gaat het tamelijk goed,” zei de jongen. “Maar nu is het met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek.”

“Ja, zoowaar, ik ruik hem al!” zei de hond. “Dien zullen we wel gauw wegjagen.”

En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde een heele poos.

“Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen,” zei de hond.

“Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,” zei de jongen. “Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen nemen moet.”

“Begin je mij nu weer voor den gek te houden?” zei de hond.

“Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,” zei de jongen, “dan zal ik je zeggen wat je doen moet.”

De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te fluisteren.

Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand daarvan zitten nadenken, hoe hij hemuit het hok zou lokken. Op eens stak de hond den kop naar buiten, en bromde:

“Ga weg. Anders pak ik je!”

“Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!” zei de vos.

“Ga weg!” zei de hond nog eens op dreigenden toon. “Anders ben je van nacht voor ’t laatst op de jacht geweest.”

Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.

“Ik weet wel hoever je ketting reikt.”

“Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd,” zei de hond, en kwam uit het hok. “Nu moet je maar oppassen.”

Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband losgemaakt.

Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich niet bewegen.

“Houd je nu stil,” zei de hond. “Anders bijt ik je dood.”

Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich niet verroeren.

“Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,” zei de jongen, toen hij klaar was.


Back to IndexNext