XXXVII.

XXXVII.Wermeland.Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur, toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de voorwaarden van den kabouter hoorde.En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug, liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen lust dat alles te zien.“Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen, en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is,” dacht hij.Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen, dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar ’t Zuiden volgden, de Klarelf was.“Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven,” dacht hij. “Ik behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken.”De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij Munkfors. Toen sloegen ze af naar ’t westen naar Fryksdalen. Eer ze nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden, en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.’t Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was, had hij gezien, dat er eenige hoeven benedenbij de hoogte lagen, en hij ging gauw op weg om die te zoeken.’t Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen, en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar dadelijk op af.De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt, en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was, zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een lommerrijken tuin er achter. ’t Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk, maar ’t plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond, dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen, maar ’t was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met zooveel glans over ’t gras, dat het wit scheen als zilver.Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen, waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed vlug uit den stam van den sorbeboomen klauterde in de vogelkers, maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de planten en ’t gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar op het pad—hij had het zeker mis,—maar jawel! daar lag een mooie groote appel, en glom in den maneschijn.De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.“’t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier,” dacht hij.Hij zat te peinzen onder ’t eten, en eindelijk dacht hij, of ’t niet goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar ’t zuiden liet trekken zonder hem.“Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan ’t verstand zal brengen, dat ik niet naar huis kan gaan,” dacht hij. “’t Is beter, dat ik me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me eenwintervoorraad kunnen verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen.”Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein kort berkestompje leek, naast hem op den grond. ’t Stompje wrong en draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als vuurkolen. ’t Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende oogen had, en toen werd hij kalm.“Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten,” zei hij. “Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw Katuil, en wat hier voor menschen wonen.”De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst, op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond, en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek, maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.“Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt,” dacht de katuil. “Wat ter wereld kan dat toch zijn.”“’t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel,” dacht zij verder. “Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld was. Maar dit gaat mijn verstand te boven.”Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op ’t pad bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde vandichtbijte bekijken.Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem te bekijken.“Hij heeft geen klauwen en geen horens,” dacht hij, “maar wie weet, of hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan hem waag.”“Deze hoeve heet Mårbacka,”1zei de uil, “en hier hebben vroeger deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?”“Ik denk er over om hierheen te verhuizen,” zei de jongen, zonder op de vraag van den uil te antwoorden. “Zou je denken, dat het lukken zou?”“Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger.Maar je kunt het hier toch best uithouden. ’t Komt er maar op aan, waarvan je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?”“Goeie hemel, neen!” zei de jongen. “Er is meer kans, dat de ratten mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen.”“Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,” dacht de katuil. “Maar ik geloof toch, dat ik ’t eens probeeren zal.”Hij vloog op, en ’t volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei inzichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven, dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe geworden, dat ze tegen zichzelf zei: “Dat kun je niet! Ga zitten, en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn, dat er geen onwaar woord in mag voorkomen.”’t Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze ’t plan zou opgeven, maar ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam, doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich heen had, dat ze niet aan ’t schrijven kon komen. Als ze naar buiten ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou ’t misschien beter gaan.Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze ’t boek beginnen moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats, waar ze was opgegroeid. ’t Was een klein landgoed, dat ver van de bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die ’t heele jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en Nieuwjaar, en Paschen,en ’t zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd, wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe ’t er in de keuken en provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar ’t was zoo. Toch was ’t wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien, eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel, dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen, als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen, die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren, hoe ’t er vroeger was geweest. Daarom legde ze ’t zoo aan, dat ze er ’s avonds laat zou aankomen, als ’t werk was afgeloopen, en de menschen in huis zouden zijn.Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was ’t alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen, de oude huishoudster zou gauw naar ’t keukenvenster loopen om te zien, wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden, zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was ’t herfst, en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar ’t was juist al dat verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan ’t aardappels rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te maken. ’t Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over, of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de dienstboden. ’t Was ook op den avond voor den marktdag een lust om in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden koperen ketel aan den zolder.En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan begonnen ze met vlasbraken. ’t Vlas had lang op een wei gelegen om te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen grijs van ’t stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van ’t vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij ’t oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm daar huis hield.Na ’t werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en ’t worst maken, het bakken van bloedbrood en ’t maken van kaarsen. De naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en ’t waren een paar gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook in deknechtenkamerte werken, en ’t was altijd even interessant om te zien, hoe hij ’t leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in ’t haar en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, en visch in ’t zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en bakken voor Kerstmis.Ze was druk aan ’t bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan ’t begin van de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een droom. ’t Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, die zich zoo pas nog te midden vanal de haren had gedroomd. Toen ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt bij haar oude huis te komen, voelde zij ’t verschil tusschen ’t verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze ’t liefst had willen omkeeren. “Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan ’t immers toch niet zijn als in den ouden tijd,” dacht ze.Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap bedroefder werd.Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond eerder, dat alles er nog wel ’t zelfde uitzag. Daar was de vijver, die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen, omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan naar ’t huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg moest wijzen.Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van ’t slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in haar vroeger tehuis kwam.Toen ze dat dacht, kwam er zoo’n sterk verlangen naar den oudentijd over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. ’t Was een goed leven, dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg,Mevrouw Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder ’t spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor ’t fornuis gestaan en eten gekookt, maar zehaddenook geleerd piano en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en zorgeloos geleefd.“Nergens in de wereld weten de menschen zoo’n goed leven te leiden, als op zoo’n klein landgoed in mijn jeugd,” dacht ze. “Daar was werk enplezierin overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me zwaar van hier weg te gaan.”En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei—terwijl ze om zichzelf lachte:“Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem of hij ’t niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk huis terugkomen kan.”Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen dadelijk. ’t Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende lucht oploste.De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, zonder zich te verbergen of weg te loopen.“Ik dank u wel voor uw hulp,” zei hij. “Maar ’t was heel dom, dat u de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit zij boven in den boom op me te loeren.”“Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu niet thuisbrengen?” vroeg ze.Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu onverwachts in gesprek met een van ’t kleine volkje was geraakt. Maar in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. ’t Was, alsof ze aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.“Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op ’t landgoed te blijven,” zei de dwerg. “Als u me maar een veilige slaapplaats wilt wijzen, zou ik liever niet vóór ’t aanbreken van den dag naar ’t bosch terug willen.”“Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?”“Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van ’t kleine volkje ben,” zei nu de dwerg, “maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik in een kabouter veranderd.”“Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet willen vertellen, hoe ’t je zoo slecht is gegaan?”De jongen had ernietstegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,—verbaasd en blij—al naar ’t verhaal was.“Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug van een gans over heel Zweden reisde,” dacht ze. “Juist, wat hij mevertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer bezorgd te zijn. ’t Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam.”Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had?1Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.XXXVIII.De schat op de klippen.Op weg naar zee.Al van ’t begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar het zuiden gevlogen, maar toen ze ’t Fryksdal verlieten, sloegen ze een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland naar Bohuslän.’t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan ’t vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij, omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan, en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.“Weet je wel, Maarten,” zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen, “dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter thuis te blijven, nu we zoo’n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar ’t buitenland zullen gaan.”“Dat kun je toch niet meenen,” zei de ganzerik, en keek heel verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roodeherfstkleuren waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de gele oevers.“Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien liggen als vandaag,” zei hij. “De meren zijn als blauwe zijde, en de oevers als breede gouden banden.Vindje niet, dat het jammer zou zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de wereld zagen?”“Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen wat je voor een flinke jongenbentgeworden,” zei de ganzerik.Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor ’t huis van Holger Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel van den jongen.De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze vlogen over het noordwestelijk gedeelte van ’t landschap, en daar was het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. ’t Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. ’t Was alsof er iets in de lucht of in ’t water was, dat het zonlicht vasthield, ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over ’t veld trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken, helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.“Vindje zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets moois als dit te zien,” zei de jongen.“Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere bergakkers hier,” antwoordde de ganzerik. “Maar je begrijpt wel, dat als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan.”“Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen,” zei de jongen, en ’t was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart, alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep zonneschijn, dan weer inde schaduw, vond hij, dat er iets wilds, iets eigenaardigs over lag.Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd bij hem wakker.“’t Zou best mogelijk wezen, dat ik ’t zou missen, als ik niet elken dag in levensgevaar was,” dacht hij. “’t Is ’t beste maar tevreden te zijn met mijn leven, zooals ’t nu is.”Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij geen antwoord had kunnen geven.De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo’n vaart, dat ze haar telkens weer te zien kregen.Eindelijk zagen ze in ’t westen een glanzende streep, die steeds breeder werd bij elken vleugelslag. ’t Was de zee, die melkwit en met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over ’t water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon, die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde hij vrede en rust in zijn ziel komen.“’t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson,” zei de zon. “De wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. ’t Is ook iets heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor je te hebben.”Het geschenk van de wilde ganzen.De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond om Yksi en Kaksi,Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. ’t Laatst stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.“Wat is er, Moeder Akka?” vroeg hij, en sprong verschrikt op.“Er is niets gevaarlijks,” antwoordde de leidstergans. “Wij, de zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen, en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan.”De jongen begreep wel, dat Akka zoo’n voorstel niet zou hebben gedaan, als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijkop haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die ’t verste in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in ’t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand en wat slakkenhuizen had geworpen.Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogelwas, die de klip als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.’t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen van beide was er verbaasd over den ander te zien.“Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hierbent,” zei Akka. “Ben je hier al lang?”“Ik kwam hiervanavond,” antwoordde Gorgo, “maar ik ben bang, dat ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. ’t Ging verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen.”“Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen wilt,” zei Akka. “Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd, wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat hier op de klip moet verborgen zijn.”De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen Akka zijn naam noemde, keek hij op.“Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg afweken, en hier naar ’t westen vlogen,” zei Akka.“Ik vond het wel vreemd,” antwoordde de jongen. “Maar ik wist immers wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet.”“Je denkt goed over mij,” zei Akka, “maar ik vrees, dat je dat nu wel eens zou kunnen tegenvallen, want ’t is best mogelijk, dat we deze reis tevergeefs hebben gemaakt.”“’t Gebeurde heel lang geleden,” ging Akka voort, “dat ik met een paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo ver weggedreven te worden, dat we nooit weeraan land zouden komen, en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger, en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die goed dichtgebonden waren, en half in ’t zand begraven. We hoopten, dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan, tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij, wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel, dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld is.”De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand, en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag, dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte zich naar Akka terug. “De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,” zei hij, “zoodat het geld in ’t zand gestrooid ligt, maar ik geloof, dat al het goud er nog is.”“Dat is goed,” zei Akka, “maak nu het gat weer dicht en strijk het zandzoo glad,dat niemand kan zien dat er in gegraven is.”De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene malen dehalzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig de muts afnam, en voor hen boog.“De zaak is deze,” zei Akka, “dat wij, die oud zijn, tegen elkaar hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven.”“Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd,” zei de jongen.“Wij vonden ook,” ging Akka voort, “dat als een mensch die heele reis met onsmeêgemaakthad, zou die zeker niet even arm van ons weggaan, als hij gekomen was.”“Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is dan goed of goud,” zei de jongen.“Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen,is het wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat,” zei de leidstergans, “en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt.”“Maar hadt u zelf den schat niet noodig?” vroeg de jongen.“Ja,wij hadden dien noodig, om je zoo’n belooning te kunnen geven, dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een ordentelijke familie hebt gediend.”Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek toen Akka vlak in de glanzende oogen. “Ik vind het wel vreemd, Moeder Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór ik mijn dienst heb opgezegd,” zei hij.“Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven, dat je bij ons blijft,” zei Akka, en vervolgde: “Maar ik wilde je graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder een al te grooten omweg te maken.”“Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf verlang,” zei Duimelot. “Na zoo’n goeden tijd, als wij samen hadden, vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het buitenland te mogen gaan.”Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te kijken met half open snavels.“Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht,” zei Akka, toen ze weer tot bezinning was gekomen. “Maar vóór je besluit met ons meê te gaan, is het ’t beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere voorwaarden voor je te bewerken.”“Ja, dat is waar,” zei Gorgo. “Maar, zooals ik u al zei, het is me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg, en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats, zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson geen betere voorwaarden kon stellen.“Ik zou wel willen, dat ik het kon,” antwoordde hij, “want ik heb gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat niet in mijn macht.”Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit te pikken, als hij niet toegaf.“Je kunt met mij doen, wat je wilt,” zei hij. “Met Niels Holgersson blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten, en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen, want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wienhij zoo vast vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen.”Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de vuisten, zoodat de knokkels wit werden.“’t Is wreed van den kabouter,” zei hij, “dat hij me zulke voorwaarden stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar ’t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten.”XXXIX.Een groot landgoed.De oude en de jonge heer.Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo kon worden.Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte van die uitnoodiging.Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren, en zond haar aanvrage om plaats in.Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg—en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar toch aan.Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het groote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende, en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste oogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige, die niets had durven zeggen.Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene, en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd.Ze was er niet handig meê. En zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank, en stond recht voor zich uit te staren.In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze menschen staan, die met frisschen moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.’t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen, en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in denmist had geloopen. Alles was donker en gesluierd geweest, en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den tweeden dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man, en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij, om het kasteel en ’t park mooier te maken, en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven, en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handenhad geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle anderen te boven ging.Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs, en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen van ’t heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend.En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, watze maar konden om menschen beter engelukkigerte maken.Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zoo’n sterken indruk op haar, dat ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt.Den volgenden dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt moest worden.En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen, die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de boomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had mogen genieten op zoo’n mooie plaats.’t Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een plaats, waar allen haar ’t beste gunden, en allen trachtten haar te helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten, was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze voelden. Zoo ver zou ze nooit komen!Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs, dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed ze ook heel vaak in ’t begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen, nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste, dien ze ooit had beleefd.Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan.Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles.Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort spelen. Maar dit was er toch ’t zelfde gebleven, dat de menschen er zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn, en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen, als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in ’t heele land.Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar was. Maar nu meende men, dat dit het geval was.Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders, dan dat de directeur misschien zou sterven—hij even als de oude heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar dankbaarheid te bereiken.Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren, en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem misschienplezierzou doen, als de kindereneen paar liedjes voor hem zongen. ’t Was nu wel al wat laat op den dag, maar ’t was zoo’n mooie, heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te laat zou kunnen zijn.De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een moeras in ’t westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep, om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. ’t Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de onderwijzeres in ’t midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk, dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze tegen elkaar zeiden.Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En waar vijftien menschen liepen, was ’t zoo’n geraas van voetstappen, dat niemand kon hooren hoe ’t grint onder zijn klompjes knarste.Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de onderwijzeres hun oude sagen te vertellen.Onder ’t vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen ’t laatste verhaal uit was, waren ze bijna bij ’t oude landgoed. Ze zagen de groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen hoog op het terras.Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed.Als ’t nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen zingen, dat iemand er wat om gaf.Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo’n groot geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen.Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag, bleef ze staan.“Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan,” zei ze. “Ik heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. ’t Zou toch vreeselijk zijn, als we hem erger maakten.”Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag, en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze bang waren den zieke te verontrusten en te storen.“Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen,” dacht hij. “’t Zou immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om dat te vragen?”Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om, en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen, maar zij wilde niet toegeven.Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de zieke te zwak was om naar ’t zingen te luisteren, en hij liep op het huis toe.Er stond een rijtuig voor ’t huis, en een oude koetsier stond bij de paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis.“Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson,” zei ze. “Mevrouw stuurt je wat warms.”“Hoe gaat het met Mijnheer?” vroeg de koetsier.“Hij lijdt nu niet meer, maar ’t is of ’t hart stil staat. Mijnheer ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of levend is.”“Zegt de dokter dat het afloopen zal?”“’t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. ’t Is alsof Mijnheer ligt te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven ’t bevel komt om heen te gaan, is hij bereid.”Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe ’t was, toen zijn grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou, had hij gevraagd of ze ’t venster wilde openzetten, opdat hij nog eens den wind zou hooren suizen.En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich heen te hebben, en hun zang en spel te hooren.Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren.Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo’n donkere schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar ’t was, alsof ze een massa stemmen om zich heen hoorde. ’t Was een angstig roepen van verschillende kanten, dat tot hier doordrong:“Wij zijn zoo ver weg,” zeiden de stemmen. “Maar jij ben dicht bij. Ga toch, en zing wat we allen voelen!”En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had geholpen, en met zorg omringd. ’t Was bovenmenschelijk, zooals hij zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren.“Ga toch en zing voor hem,” werd er om haar heen gefluisterd. “Laat hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben.”De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de wereld om haar heen kwam. ’t Was als ’t tjilpen van een vogel of ’t geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen, dat ze omkeeren moest.En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen.De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo wonderlijk mooi had geklonken. ’t Was alsof vreemde stemmen meê gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker geworden en hadden meêgeklonken.Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten.“Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang,” dacht de onderwijzeres. “Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!”Maar ’t was niet zoo. ’t Was een boodschap, dat ze binnen moest komen om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen.Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet.“’t Gevaar is voorbij voor dezen keer,” zei hij. “Hij lag bewusteloos en ’t hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het, alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot ’t leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar jaar behouden.”

XXXVII.Wermeland.Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur, toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de voorwaarden van den kabouter hoorde.En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug, liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen lust dat alles te zien.“Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen, en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is,” dacht hij.Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen, dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar ’t Zuiden volgden, de Klarelf was.“Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven,” dacht hij. “Ik behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken.”De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij Munkfors. Toen sloegen ze af naar ’t westen naar Fryksdalen. Eer ze nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden, en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.’t Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was, had hij gezien, dat er eenige hoeven benedenbij de hoogte lagen, en hij ging gauw op weg om die te zoeken.’t Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen, en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar dadelijk op af.De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt, en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was, zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een lommerrijken tuin er achter. ’t Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk, maar ’t plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond, dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen, maar ’t was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met zooveel glans over ’t gras, dat het wit scheen als zilver.Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen, waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed vlug uit den stam van den sorbeboomen klauterde in de vogelkers, maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de planten en ’t gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar op het pad—hij had het zeker mis,—maar jawel! daar lag een mooie groote appel, en glom in den maneschijn.De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.“’t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier,” dacht hij.Hij zat te peinzen onder ’t eten, en eindelijk dacht hij, of ’t niet goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar ’t zuiden liet trekken zonder hem.“Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan ’t verstand zal brengen, dat ik niet naar huis kan gaan,” dacht hij. “’t Is beter, dat ik me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me eenwintervoorraad kunnen verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen.”Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein kort berkestompje leek, naast hem op den grond. ’t Stompje wrong en draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als vuurkolen. ’t Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende oogen had, en toen werd hij kalm.“Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten,” zei hij. “Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw Katuil, en wat hier voor menschen wonen.”De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst, op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond, en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek, maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.“Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt,” dacht de katuil. “Wat ter wereld kan dat toch zijn.”“’t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel,” dacht zij verder. “Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld was. Maar dit gaat mijn verstand te boven.”Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op ’t pad bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde vandichtbijte bekijken.Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem te bekijken.“Hij heeft geen klauwen en geen horens,” dacht hij, “maar wie weet, of hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan hem waag.”“Deze hoeve heet Mårbacka,”1zei de uil, “en hier hebben vroeger deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?”“Ik denk er over om hierheen te verhuizen,” zei de jongen, zonder op de vraag van den uil te antwoorden. “Zou je denken, dat het lukken zou?”“Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger.Maar je kunt het hier toch best uithouden. ’t Komt er maar op aan, waarvan je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?”“Goeie hemel, neen!” zei de jongen. “Er is meer kans, dat de ratten mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen.”“Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,” dacht de katuil. “Maar ik geloof toch, dat ik ’t eens probeeren zal.”Hij vloog op, en ’t volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei inzichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven, dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe geworden, dat ze tegen zichzelf zei: “Dat kun je niet! Ga zitten, en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn, dat er geen onwaar woord in mag voorkomen.”’t Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze ’t plan zou opgeven, maar ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam, doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich heen had, dat ze niet aan ’t schrijven kon komen. Als ze naar buiten ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou ’t misschien beter gaan.Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze ’t boek beginnen moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats, waar ze was opgegroeid. ’t Was een klein landgoed, dat ver van de bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die ’t heele jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en Nieuwjaar, en Paschen,en ’t zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd, wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe ’t er in de keuken en provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar ’t was zoo. Toch was ’t wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien, eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel, dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen, als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen, die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren, hoe ’t er vroeger was geweest. Daarom legde ze ’t zoo aan, dat ze er ’s avonds laat zou aankomen, als ’t werk was afgeloopen, en de menschen in huis zouden zijn.Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was ’t alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen, de oude huishoudster zou gauw naar ’t keukenvenster loopen om te zien, wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden, zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was ’t herfst, en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar ’t was juist al dat verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan ’t aardappels rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te maken. ’t Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over, of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de dienstboden. ’t Was ook op den avond voor den marktdag een lust om in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden koperen ketel aan den zolder.En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan begonnen ze met vlasbraken. ’t Vlas had lang op een wei gelegen om te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen grijs van ’t stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van ’t vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij ’t oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm daar huis hield.Na ’t werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en ’t worst maken, het bakken van bloedbrood en ’t maken van kaarsen. De naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en ’t waren een paar gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook in deknechtenkamerte werken, en ’t was altijd even interessant om te zien, hoe hij ’t leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in ’t haar en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, en visch in ’t zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en bakken voor Kerstmis.Ze was druk aan ’t bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan ’t begin van de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een droom. ’t Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, die zich zoo pas nog te midden vanal de haren had gedroomd. Toen ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt bij haar oude huis te komen, voelde zij ’t verschil tusschen ’t verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze ’t liefst had willen omkeeren. “Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan ’t immers toch niet zijn als in den ouden tijd,” dacht ze.Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap bedroefder werd.Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond eerder, dat alles er nog wel ’t zelfde uitzag. Daar was de vijver, die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen, omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan naar ’t huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg moest wijzen.Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van ’t slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in haar vroeger tehuis kwam.Toen ze dat dacht, kwam er zoo’n sterk verlangen naar den oudentijd over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. ’t Was een goed leven, dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg,Mevrouw Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder ’t spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor ’t fornuis gestaan en eten gekookt, maar zehaddenook geleerd piano en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en zorgeloos geleefd.“Nergens in de wereld weten de menschen zoo’n goed leven te leiden, als op zoo’n klein landgoed in mijn jeugd,” dacht ze. “Daar was werk enplezierin overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me zwaar van hier weg te gaan.”En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei—terwijl ze om zichzelf lachte:“Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem of hij ’t niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk huis terugkomen kan.”Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen dadelijk. ’t Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende lucht oploste.De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, zonder zich te verbergen of weg te loopen.“Ik dank u wel voor uw hulp,” zei hij. “Maar ’t was heel dom, dat u de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit zij boven in den boom op me te loeren.”“Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu niet thuisbrengen?” vroeg ze.Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu onverwachts in gesprek met een van ’t kleine volkje was geraakt. Maar in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. ’t Was, alsof ze aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.“Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op ’t landgoed te blijven,” zei de dwerg. “Als u me maar een veilige slaapplaats wilt wijzen, zou ik liever niet vóór ’t aanbreken van den dag naar ’t bosch terug willen.”“Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?”“Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van ’t kleine volkje ben,” zei nu de dwerg, “maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik in een kabouter veranderd.”“Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet willen vertellen, hoe ’t je zoo slecht is gegaan?”De jongen had ernietstegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,—verbaasd en blij—al naar ’t verhaal was.“Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug van een gans over heel Zweden reisde,” dacht ze. “Juist, wat hij mevertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer bezorgd te zijn. ’t Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam.”Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had?1Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.

Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur, toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de voorwaarden van den kabouter hoorde.

En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug, liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen lust dat alles te zien.

“Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen, en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is,” dacht hij.

Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen, dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar ’t Zuiden volgden, de Klarelf was.

“Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven,” dacht hij. “Ik behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken.”

De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij Munkfors. Toen sloegen ze af naar ’t westen naar Fryksdalen. Eer ze nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden, en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.

’t Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was, had hij gezien, dat er eenige hoeven benedenbij de hoogte lagen, en hij ging gauw op weg om die te zoeken.

’t Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen, en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar dadelijk op af.

De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt, en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was, zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een lommerrijken tuin er achter. ’t Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk, maar ’t plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond, dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen, maar ’t was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met zooveel glans over ’t gras, dat het wit scheen als zilver.

Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen, waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed vlug uit den stam van den sorbeboomen klauterde in de vogelkers, maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de planten en ’t gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar op het pad—hij had het zeker mis,—maar jawel! daar lag een mooie groote appel, en glom in den maneschijn.

De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.

“’t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier,” dacht hij.

Hij zat te peinzen onder ’t eten, en eindelijk dacht hij, of ’t niet goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar ’t zuiden liet trekken zonder hem.

“Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan ’t verstand zal brengen, dat ik niet naar huis kan gaan,” dacht hij. “’t Is beter, dat ik me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me eenwintervoorraad kunnen verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen.”

Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein kort berkestompje leek, naast hem op den grond. ’t Stompje wrong en draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als vuurkolen. ’t Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende oogen had, en toen werd hij kalm.

“Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten,” zei hij. “Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw Katuil, en wat hier voor menschen wonen.”

De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst, op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond, en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek, maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.

“Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt,” dacht de katuil. “Wat ter wereld kan dat toch zijn.”

“’t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel,” dacht zij verder. “Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld was. Maar dit gaat mijn verstand te boven.”

Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op ’t pad bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde vandichtbijte bekijken.

Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem te bekijken.

“Hij heeft geen klauwen en geen horens,” dacht hij, “maar wie weet, of hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan hem waag.”

“Deze hoeve heet Mårbacka,”1zei de uil, “en hier hebben vroeger deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?”

“Ik denk er over om hierheen te verhuizen,” zei de jongen, zonder op de vraag van den uil te antwoorden. “Zou je denken, dat het lukken zou?”

“Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger.Maar je kunt het hier toch best uithouden. ’t Komt er maar op aan, waarvan je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?”

“Goeie hemel, neen!” zei de jongen. “Er is meer kans, dat de ratten mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen.”

“Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,” dacht de katuil. “Maar ik geloof toch, dat ik ’t eens probeeren zal.”

Hij vloog op, en ’t volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei inzichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.

Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven, dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe geworden, dat ze tegen zichzelf zei: “Dat kun je niet! Ga zitten, en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn, dat er geen onwaar woord in mag voorkomen.”

’t Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze ’t plan zou opgeven, maar ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam, doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich heen had, dat ze niet aan ’t schrijven kon komen. Als ze naar buiten ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou ’t misschien beter gaan.

Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze ’t boek beginnen moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats, waar ze was opgegroeid. ’t Was een klein landgoed, dat ver van de bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die ’t heele jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en Nieuwjaar, en Paschen,en ’t zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd, wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe ’t er in de keuken en provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar ’t was zoo. Toch was ’t wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien, eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel, dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.

Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen, als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen, die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren, hoe ’t er vroeger was geweest. Daarom legde ze ’t zoo aan, dat ze er ’s avonds laat zou aankomen, als ’t werk was afgeloopen, en de menschen in huis zouden zijn.

Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was ’t alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen, de oude huishoudster zou gauw naar ’t keukenvenster loopen om te zien, wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden, zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.

Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was ’t herfst, en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar ’t was juist al dat verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan ’t aardappels rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te maken. ’t Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over, of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?

Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de dienstboden. ’t Was ook op den avond voor den marktdag een lust om in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden koperen ketel aan den zolder.

En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan begonnen ze met vlasbraken. ’t Vlas had lang op een wei gelegen om te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen grijs van ’t stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van ’t vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij ’t oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm daar huis hield.

Na ’t werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en ’t worst maken, het bakken van bloedbrood en ’t maken van kaarsen. De naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en ’t waren een paar gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook in deknechtenkamerte werken, en ’t was altijd even interessant om te zien, hoe hij ’t leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.

Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in ’t haar en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, en visch in ’t zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en bakken voor Kerstmis.

Ze was druk aan ’t bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan ’t begin van de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een droom. ’t Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, die zich zoo pas nog te midden vanal de haren had gedroomd. Toen ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt bij haar oude huis te komen, voelde zij ’t verschil tusschen ’t verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze ’t liefst had willen omkeeren. “Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan ’t immers toch niet zijn als in den ouden tijd,” dacht ze.

Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap bedroefder werd.

Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond eerder, dat alles er nog wel ’t zelfde uitzag. Daar was de vijver, die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen, omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.

Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan naar ’t huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.

Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg moest wijzen.

Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van ’t slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.

Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.

Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in haar vroeger tehuis kwam.

Toen ze dat dacht, kwam er zoo’n sterk verlangen naar den oudentijd over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. ’t Was een goed leven, dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg,Mevrouw Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder ’t spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor ’t fornuis gestaan en eten gekookt, maar zehaddenook geleerd piano en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en zorgeloos geleefd.

“Nergens in de wereld weten de menschen zoo’n goed leven te leiden, als op zoo’n klein landgoed in mijn jeugd,” dacht ze. “Daar was werk enplezierin overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me zwaar van hier weg te gaan.”

En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei—terwijl ze om zichzelf lachte:

“Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem of hij ’t niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk huis terugkomen kan.”

Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen dadelijk. ’t Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende lucht oploste.

De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.

De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, zonder zich te verbergen of weg te loopen.

“Ik dank u wel voor uw hulp,” zei hij. “Maar ’t was heel dom, dat u de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit zij boven in den boom op me te loeren.”

“Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu niet thuisbrengen?” vroeg ze.

Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu onverwachts in gesprek met een van ’t kleine volkje was geraakt. Maar in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. ’t Was, alsof ze aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.

“Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op ’t landgoed te blijven,” zei de dwerg. “Als u me maar een veilige slaapplaats wilt wijzen, zou ik liever niet vóór ’t aanbreken van den dag naar ’t bosch terug willen.”

“Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?”

“Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van ’t kleine volkje ben,” zei nu de dwerg, “maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik in een kabouter veranderd.”

“Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet willen vertellen, hoe ’t je zoo slecht is gegaan?”

De jongen had ernietstegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,—verbaasd en blij—al naar ’t verhaal was.

“Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug van een gans over heel Zweden reisde,” dacht ze. “Juist, wat hij mevertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer bezorgd te zijn. ’t Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam.”

Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...

Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had?

1Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.

1Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.

XXXVIII.De schat op de klippen.Op weg naar zee.Al van ’t begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar het zuiden gevlogen, maar toen ze ’t Fryksdal verlieten, sloegen ze een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland naar Bohuslän.’t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan ’t vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij, omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan, en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.“Weet je wel, Maarten,” zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen, “dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter thuis te blijven, nu we zoo’n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar ’t buitenland zullen gaan.”“Dat kun je toch niet meenen,” zei de ganzerik, en keek heel verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roodeherfstkleuren waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de gele oevers.“Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien liggen als vandaag,” zei hij. “De meren zijn als blauwe zijde, en de oevers als breede gouden banden.Vindje niet, dat het jammer zou zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de wereld zagen?”“Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen wat je voor een flinke jongenbentgeworden,” zei de ganzerik.Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor ’t huis van Holger Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel van den jongen.De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze vlogen over het noordwestelijk gedeelte van ’t landschap, en daar was het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. ’t Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. ’t Was alsof er iets in de lucht of in ’t water was, dat het zonlicht vasthield, ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over ’t veld trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken, helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.“Vindje zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets moois als dit te zien,” zei de jongen.“Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere bergakkers hier,” antwoordde de ganzerik. “Maar je begrijpt wel, dat als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan.”“Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen,” zei de jongen, en ’t was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart, alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep zonneschijn, dan weer inde schaduw, vond hij, dat er iets wilds, iets eigenaardigs over lag.Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd bij hem wakker.“’t Zou best mogelijk wezen, dat ik ’t zou missen, als ik niet elken dag in levensgevaar was,” dacht hij. “’t Is ’t beste maar tevreden te zijn met mijn leven, zooals ’t nu is.”Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij geen antwoord had kunnen geven.De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo’n vaart, dat ze haar telkens weer te zien kregen.Eindelijk zagen ze in ’t westen een glanzende streep, die steeds breeder werd bij elken vleugelslag. ’t Was de zee, die melkwit en met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over ’t water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon, die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde hij vrede en rust in zijn ziel komen.“’t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson,” zei de zon. “De wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. ’t Is ook iets heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor je te hebben.”Het geschenk van de wilde ganzen.De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond om Yksi en Kaksi,Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. ’t Laatst stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.“Wat is er, Moeder Akka?” vroeg hij, en sprong verschrikt op.“Er is niets gevaarlijks,” antwoordde de leidstergans. “Wij, de zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen, en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan.”De jongen begreep wel, dat Akka zoo’n voorstel niet zou hebben gedaan, als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijkop haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die ’t verste in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in ’t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand en wat slakkenhuizen had geworpen.Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogelwas, die de klip als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.’t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen van beide was er verbaasd over den ander te zien.“Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hierbent,” zei Akka. “Ben je hier al lang?”“Ik kwam hiervanavond,” antwoordde Gorgo, “maar ik ben bang, dat ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. ’t Ging verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen.”“Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen wilt,” zei Akka. “Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd, wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat hier op de klip moet verborgen zijn.”De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen Akka zijn naam noemde, keek hij op.“Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg afweken, en hier naar ’t westen vlogen,” zei Akka.“Ik vond het wel vreemd,” antwoordde de jongen. “Maar ik wist immers wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet.”“Je denkt goed over mij,” zei Akka, “maar ik vrees, dat je dat nu wel eens zou kunnen tegenvallen, want ’t is best mogelijk, dat we deze reis tevergeefs hebben gemaakt.”“’t Gebeurde heel lang geleden,” ging Akka voort, “dat ik met een paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo ver weggedreven te worden, dat we nooit weeraan land zouden komen, en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger, en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die goed dichtgebonden waren, en half in ’t zand begraven. We hoopten, dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan, tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij, wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel, dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld is.”De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand, en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag, dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte zich naar Akka terug. “De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,” zei hij, “zoodat het geld in ’t zand gestrooid ligt, maar ik geloof, dat al het goud er nog is.”“Dat is goed,” zei Akka, “maak nu het gat weer dicht en strijk het zandzoo glad,dat niemand kan zien dat er in gegraven is.”De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene malen dehalzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig de muts afnam, en voor hen boog.“De zaak is deze,” zei Akka, “dat wij, die oud zijn, tegen elkaar hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven.”“Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd,” zei de jongen.“Wij vonden ook,” ging Akka voort, “dat als een mensch die heele reis met onsmeêgemaakthad, zou die zeker niet even arm van ons weggaan, als hij gekomen was.”“Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is dan goed of goud,” zei de jongen.“Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen,is het wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat,” zei de leidstergans, “en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt.”“Maar hadt u zelf den schat niet noodig?” vroeg de jongen.“Ja,wij hadden dien noodig, om je zoo’n belooning te kunnen geven, dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een ordentelijke familie hebt gediend.”Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek toen Akka vlak in de glanzende oogen. “Ik vind het wel vreemd, Moeder Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór ik mijn dienst heb opgezegd,” zei hij.“Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven, dat je bij ons blijft,” zei Akka, en vervolgde: “Maar ik wilde je graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder een al te grooten omweg te maken.”“Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf verlang,” zei Duimelot. “Na zoo’n goeden tijd, als wij samen hadden, vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het buitenland te mogen gaan.”Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te kijken met half open snavels.“Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht,” zei Akka, toen ze weer tot bezinning was gekomen. “Maar vóór je besluit met ons meê te gaan, is het ’t beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere voorwaarden voor je te bewerken.”“Ja, dat is waar,” zei Gorgo. “Maar, zooals ik u al zei, het is me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg, en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats, zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson geen betere voorwaarden kon stellen.“Ik zou wel willen, dat ik het kon,” antwoordde hij, “want ik heb gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat niet in mijn macht.”Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit te pikken, als hij niet toegaf.“Je kunt met mij doen, wat je wilt,” zei hij. “Met Niels Holgersson blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten, en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen, want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wienhij zoo vast vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen.”Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de vuisten, zoodat de knokkels wit werden.“’t Is wreed van den kabouter,” zei hij, “dat hij me zulke voorwaarden stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar ’t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten.”

Op weg naar zee.Al van ’t begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar het zuiden gevlogen, maar toen ze ’t Fryksdal verlieten, sloegen ze een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland naar Bohuslän.’t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan ’t vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij, omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan, en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.“Weet je wel, Maarten,” zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen, “dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter thuis te blijven, nu we zoo’n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar ’t buitenland zullen gaan.”“Dat kun je toch niet meenen,” zei de ganzerik, en keek heel verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roodeherfstkleuren waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de gele oevers.“Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien liggen als vandaag,” zei hij. “De meren zijn als blauwe zijde, en de oevers als breede gouden banden.Vindje niet, dat het jammer zou zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de wereld zagen?”“Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen wat je voor een flinke jongenbentgeworden,” zei de ganzerik.Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor ’t huis van Holger Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel van den jongen.De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze vlogen over het noordwestelijk gedeelte van ’t landschap, en daar was het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. ’t Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. ’t Was alsof er iets in de lucht of in ’t water was, dat het zonlicht vasthield, ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over ’t veld trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken, helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.“Vindje zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets moois als dit te zien,” zei de jongen.“Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere bergakkers hier,” antwoordde de ganzerik. “Maar je begrijpt wel, dat als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan.”“Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen,” zei de jongen, en ’t was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart, alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep zonneschijn, dan weer inde schaduw, vond hij, dat er iets wilds, iets eigenaardigs over lag.Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd bij hem wakker.“’t Zou best mogelijk wezen, dat ik ’t zou missen, als ik niet elken dag in levensgevaar was,” dacht hij. “’t Is ’t beste maar tevreden te zijn met mijn leven, zooals ’t nu is.”Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij geen antwoord had kunnen geven.De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo’n vaart, dat ze haar telkens weer te zien kregen.Eindelijk zagen ze in ’t westen een glanzende streep, die steeds breeder werd bij elken vleugelslag. ’t Was de zee, die melkwit en met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over ’t water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon, die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde hij vrede en rust in zijn ziel komen.“’t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson,” zei de zon. “De wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. ’t Is ook iets heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor je te hebben.”

Al van ’t begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar het zuiden gevlogen, maar toen ze ’t Fryksdal verlieten, sloegen ze een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland naar Bohuslän.

’t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan ’t vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij, omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan, en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.

“Weet je wel, Maarten,” zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen, “dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter thuis te blijven, nu we zoo’n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar ’t buitenland zullen gaan.”

“Dat kun je toch niet meenen,” zei de ganzerik, en keek heel verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.

De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roodeherfstkleuren waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de gele oevers.

“Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien liggen als vandaag,” zei hij. “De meren zijn als blauwe zijde, en de oevers als breede gouden banden.Vindje niet, dat het jammer zou zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de wereld zagen?”

“Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen wat je voor een flinke jongenbentgeworden,” zei de ganzerik.

Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor ’t huis van Holger Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel van den jongen.

De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze vlogen over het noordwestelijk gedeelte van ’t landschap, en daar was het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. ’t Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. ’t Was alsof er iets in de lucht of in ’t water was, dat het zonlicht vasthield, ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over ’t veld trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken, helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.

“Vindje zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets moois als dit te zien,” zei de jongen.

“Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere bergakkers hier,” antwoordde de ganzerik. “Maar je begrijpt wel, dat als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan.”

“Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen,” zei de jongen, en ’t was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.

Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart, alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep zonneschijn, dan weer inde schaduw, vond hij, dat er iets wilds, iets eigenaardigs over lag.

Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd bij hem wakker.

“’t Zou best mogelijk wezen, dat ik ’t zou missen, als ik niet elken dag in levensgevaar was,” dacht hij. “’t Is ’t beste maar tevreden te zijn met mijn leven, zooals ’t nu is.”

Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij geen antwoord had kunnen geven.

De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo’n vaart, dat ze haar telkens weer te zien kregen.

Eindelijk zagen ze in ’t westen een glanzende streep, die steeds breeder werd bij elken vleugelslag. ’t Was de zee, die melkwit en met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over ’t water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.

Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon, die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde hij vrede en rust in zijn ziel komen.

“’t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson,” zei de zon. “De wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. ’t Is ook iets heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor je te hebben.”

Het geschenk van de wilde ganzen.De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond om Yksi en Kaksi,Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. ’t Laatst stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.“Wat is er, Moeder Akka?” vroeg hij, en sprong verschrikt op.“Er is niets gevaarlijks,” antwoordde de leidstergans. “Wij, de zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen, en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan.”De jongen begreep wel, dat Akka zoo’n voorstel niet zou hebben gedaan, als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijkop haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die ’t verste in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in ’t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand en wat slakkenhuizen had geworpen.Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogelwas, die de klip als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.’t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen van beide was er verbaasd over den ander te zien.“Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hierbent,” zei Akka. “Ben je hier al lang?”“Ik kwam hiervanavond,” antwoordde Gorgo, “maar ik ben bang, dat ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. ’t Ging verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen.”“Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen wilt,” zei Akka. “Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd, wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat hier op de klip moet verborgen zijn.”De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen Akka zijn naam noemde, keek hij op.“Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg afweken, en hier naar ’t westen vlogen,” zei Akka.“Ik vond het wel vreemd,” antwoordde de jongen. “Maar ik wist immers wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet.”“Je denkt goed over mij,” zei Akka, “maar ik vrees, dat je dat nu wel eens zou kunnen tegenvallen, want ’t is best mogelijk, dat we deze reis tevergeefs hebben gemaakt.”“’t Gebeurde heel lang geleden,” ging Akka voort, “dat ik met een paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo ver weggedreven te worden, dat we nooit weeraan land zouden komen, en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger, en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die goed dichtgebonden waren, en half in ’t zand begraven. We hoopten, dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan, tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij, wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel, dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld is.”De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand, en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag, dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte zich naar Akka terug. “De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,” zei hij, “zoodat het geld in ’t zand gestrooid ligt, maar ik geloof, dat al het goud er nog is.”“Dat is goed,” zei Akka, “maak nu het gat weer dicht en strijk het zandzoo glad,dat niemand kan zien dat er in gegraven is.”De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene malen dehalzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig de muts afnam, en voor hen boog.“De zaak is deze,” zei Akka, “dat wij, die oud zijn, tegen elkaar hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven.”“Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd,” zei de jongen.“Wij vonden ook,” ging Akka voort, “dat als een mensch die heele reis met onsmeêgemaakthad, zou die zeker niet even arm van ons weggaan, als hij gekomen was.”“Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is dan goed of goud,” zei de jongen.“Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen,is het wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat,” zei de leidstergans, “en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt.”“Maar hadt u zelf den schat niet noodig?” vroeg de jongen.“Ja,wij hadden dien noodig, om je zoo’n belooning te kunnen geven, dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een ordentelijke familie hebt gediend.”Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek toen Akka vlak in de glanzende oogen. “Ik vind het wel vreemd, Moeder Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór ik mijn dienst heb opgezegd,” zei hij.“Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven, dat je bij ons blijft,” zei Akka, en vervolgde: “Maar ik wilde je graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder een al te grooten omweg te maken.”“Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf verlang,” zei Duimelot. “Na zoo’n goeden tijd, als wij samen hadden, vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het buitenland te mogen gaan.”Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te kijken met half open snavels.“Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht,” zei Akka, toen ze weer tot bezinning was gekomen. “Maar vóór je besluit met ons meê te gaan, is het ’t beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere voorwaarden voor je te bewerken.”“Ja, dat is waar,” zei Gorgo. “Maar, zooals ik u al zei, het is me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg, en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats, zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson geen betere voorwaarden kon stellen.“Ik zou wel willen, dat ik het kon,” antwoordde hij, “want ik heb gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat niet in mijn macht.”Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit te pikken, als hij niet toegaf.“Je kunt met mij doen, wat je wilt,” zei hij. “Met Niels Holgersson blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten, en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen, want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wienhij zoo vast vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen.”Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de vuisten, zoodat de knokkels wit werden.“’t Is wreed van den kabouter,” zei hij, “dat hij me zulke voorwaarden stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar ’t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten.”

De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond om Yksi en Kaksi,Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. ’t Laatst stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.

“Wat is er, Moeder Akka?” vroeg hij, en sprong verschrikt op.

“Er is niets gevaarlijks,” antwoordde de leidstergans. “Wij, de zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen, en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan.”

De jongen begreep wel, dat Akka zoo’n voorstel niet zou hebben gedaan, als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijkop haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die ’t verste in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in ’t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand en wat slakkenhuizen had geworpen.

Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogelwas, die de klip als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.

’t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen van beide was er verbaasd over den ander te zien.

“Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hierbent,” zei Akka. “Ben je hier al lang?”

“Ik kwam hiervanavond,” antwoordde Gorgo, “maar ik ben bang, dat ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. ’t Ging verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen.”

“Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen wilt,” zei Akka. “Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd, wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat hier op de klip moet verborgen zijn.”

De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen Akka zijn naam noemde, keek hij op.

“Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg afweken, en hier naar ’t westen vlogen,” zei Akka.

“Ik vond het wel vreemd,” antwoordde de jongen. “Maar ik wist immers wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet.”

“Je denkt goed over mij,” zei Akka, “maar ik vrees, dat je dat nu wel eens zou kunnen tegenvallen, want ’t is best mogelijk, dat we deze reis tevergeefs hebben gemaakt.”

“’t Gebeurde heel lang geleden,” ging Akka voort, “dat ik met een paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo ver weggedreven te worden, dat we nooit weeraan land zouden komen, en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger, en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die goed dichtgebonden waren, en half in ’t zand begraven. We hoopten, dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan, tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij, wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel, dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld is.”

De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand, en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag, dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte zich naar Akka terug. “De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,” zei hij, “zoodat het geld in ’t zand gestrooid ligt, maar ik geloof, dat al het goud er nog is.”

“Dat is goed,” zei Akka, “maak nu het gat weer dicht en strijk het zandzoo glad,dat niemand kan zien dat er in gegraven is.”

De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene malen dehalzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig de muts afnam, en voor hen boog.

“De zaak is deze,” zei Akka, “dat wij, die oud zijn, tegen elkaar hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven.”

“Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd,” zei de jongen.

“Wij vonden ook,” ging Akka voort, “dat als een mensch die heele reis met onsmeêgemaakthad, zou die zeker niet even arm van ons weggaan, als hij gekomen was.”

“Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is dan goed of goud,” zei de jongen.

“Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen,is het wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat,” zei de leidstergans, “en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt.”

“Maar hadt u zelf den schat niet noodig?” vroeg de jongen.

“Ja,wij hadden dien noodig, om je zoo’n belooning te kunnen geven, dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een ordentelijke familie hebt gediend.”

Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek toen Akka vlak in de glanzende oogen. “Ik vind het wel vreemd, Moeder Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór ik mijn dienst heb opgezegd,” zei hij.

“Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven, dat je bij ons blijft,” zei Akka, en vervolgde: “Maar ik wilde je graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder een al te grooten omweg te maken.”

“Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf verlang,” zei Duimelot. “Na zoo’n goeden tijd, als wij samen hadden, vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het buitenland te mogen gaan.”

Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te kijken met half open snavels.

“Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht,” zei Akka, toen ze weer tot bezinning was gekomen. “Maar vóór je besluit met ons meê te gaan, is het ’t beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere voorwaarden voor je te bewerken.”

“Ja, dat is waar,” zei Gorgo. “Maar, zooals ik u al zei, het is me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg, en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats, zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson geen betere voorwaarden kon stellen.

“Ik zou wel willen, dat ik het kon,” antwoordde hij, “want ik heb gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat niet in mijn macht.”

Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit te pikken, als hij niet toegaf.

“Je kunt met mij doen, wat je wilt,” zei hij. “Met Niels Holgersson blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten, en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen, want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wienhij zoo vast vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen.”

Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de vuisten, zoodat de knokkels wit werden.

“’t Is wreed van den kabouter,” zei hij, “dat hij me zulke voorwaarden stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar ’t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten.”

XXXIX.Een groot landgoed.De oude en de jonge heer.Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo kon worden.Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte van die uitnoodiging.Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren, en zond haar aanvrage om plaats in.Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg—en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar toch aan.Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het groote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende, en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste oogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige, die niets had durven zeggen.Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene, en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd.Ze was er niet handig meê. En zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank, en stond recht voor zich uit te staren.In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze menschen staan, die met frisschen moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.’t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen, en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in denmist had geloopen. Alles was donker en gesluierd geweest, en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den tweeden dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man, en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij, om het kasteel en ’t park mooier te maken, en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven, en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handenhad geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle anderen te boven ging.Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs, en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen van ’t heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend.En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, watze maar konden om menschen beter engelukkigerte maken.Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zoo’n sterken indruk op haar, dat ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt.Den volgenden dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt moest worden.En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen, die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de boomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had mogen genieten op zoo’n mooie plaats.’t Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een plaats, waar allen haar ’t beste gunden, en allen trachtten haar te helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten, was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze voelden. Zoo ver zou ze nooit komen!Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs, dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed ze ook heel vaak in ’t begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen, nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste, dien ze ooit had beleefd.Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan.Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles.Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort spelen. Maar dit was er toch ’t zelfde gebleven, dat de menschen er zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn, en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen, als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in ’t heele land.Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar was. Maar nu meende men, dat dit het geval was.Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders, dan dat de directeur misschien zou sterven—hij even als de oude heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar dankbaarheid te bereiken.Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren, en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem misschienplezierzou doen, als de kindereneen paar liedjes voor hem zongen. ’t Was nu wel al wat laat op den dag, maar ’t was zoo’n mooie, heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te laat zou kunnen zijn.De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een moeras in ’t westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep, om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. ’t Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de onderwijzeres in ’t midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk, dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze tegen elkaar zeiden.Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En waar vijftien menschen liepen, was ’t zoo’n geraas van voetstappen, dat niemand kon hooren hoe ’t grint onder zijn klompjes knarste.Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de onderwijzeres hun oude sagen te vertellen.Onder ’t vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen ’t laatste verhaal uit was, waren ze bijna bij ’t oude landgoed. Ze zagen de groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen hoog op het terras.Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed.Als ’t nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen zingen, dat iemand er wat om gaf.Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo’n groot geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen.Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag, bleef ze staan.“Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan,” zei ze. “Ik heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. ’t Zou toch vreeselijk zijn, als we hem erger maakten.”Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag, en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze bang waren den zieke te verontrusten en te storen.“Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen,” dacht hij. “’t Zou immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om dat te vragen?”Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om, en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen, maar zij wilde niet toegeven.Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de zieke te zwak was om naar ’t zingen te luisteren, en hij liep op het huis toe.Er stond een rijtuig voor ’t huis, en een oude koetsier stond bij de paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis.“Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson,” zei ze. “Mevrouw stuurt je wat warms.”“Hoe gaat het met Mijnheer?” vroeg de koetsier.“Hij lijdt nu niet meer, maar ’t is of ’t hart stil staat. Mijnheer ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of levend is.”“Zegt de dokter dat het afloopen zal?”“’t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. ’t Is alsof Mijnheer ligt te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven ’t bevel komt om heen te gaan, is hij bereid.”Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe ’t was, toen zijn grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou, had hij gevraagd of ze ’t venster wilde openzetten, opdat hij nog eens den wind zou hooren suizen.En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich heen te hebben, en hun zang en spel te hooren.Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren.Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo’n donkere schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar ’t was, alsof ze een massa stemmen om zich heen hoorde. ’t Was een angstig roepen van verschillende kanten, dat tot hier doordrong:“Wij zijn zoo ver weg,” zeiden de stemmen. “Maar jij ben dicht bij. Ga toch, en zing wat we allen voelen!”En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had geholpen, en met zorg omringd. ’t Was bovenmenschelijk, zooals hij zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren.“Ga toch en zing voor hem,” werd er om haar heen gefluisterd. “Laat hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben.”De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de wereld om haar heen kwam. ’t Was als ’t tjilpen van een vogel of ’t geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen, dat ze omkeeren moest.En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen.De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo wonderlijk mooi had geklonken. ’t Was alsof vreemde stemmen meê gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker geworden en hadden meêgeklonken.Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten.“Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang,” dacht de onderwijzeres. “Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!”Maar ’t was niet zoo. ’t Was een boodschap, dat ze binnen moest komen om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen.Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet.“’t Gevaar is voorbij voor dezen keer,” zei hij. “Hij lag bewusteloos en ’t hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het, alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot ’t leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar jaar behouden.”

De oude en de jonge heer.Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo kon worden.Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte van die uitnoodiging.Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren, en zond haar aanvrage om plaats in.Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg—en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar toch aan.Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het groote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende, en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste oogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige, die niets had durven zeggen.Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene, en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd.Ze was er niet handig meê. En zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank, en stond recht voor zich uit te staren.In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze menschen staan, die met frisschen moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.’t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen, en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in denmist had geloopen. Alles was donker en gesluierd geweest, en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den tweeden dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man, en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij, om het kasteel en ’t park mooier te maken, en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven, en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handenhad geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle anderen te boven ging.Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs, en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen van ’t heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend.En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, watze maar konden om menschen beter engelukkigerte maken.Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zoo’n sterken indruk op haar, dat ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt.Den volgenden dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt moest worden.En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen, die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de boomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had mogen genieten op zoo’n mooie plaats.’t Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een plaats, waar allen haar ’t beste gunden, en allen trachtten haar te helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten, was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze voelden. Zoo ver zou ze nooit komen!Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs, dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed ze ook heel vaak in ’t begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen, nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste, dien ze ooit had beleefd.Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan.Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles.Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort spelen. Maar dit was er toch ’t zelfde gebleven, dat de menschen er zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn, en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen, als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in ’t heele land.Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar was. Maar nu meende men, dat dit het geval was.Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders, dan dat de directeur misschien zou sterven—hij even als de oude heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar dankbaarheid te bereiken.Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren, en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem misschienplezierzou doen, als de kindereneen paar liedjes voor hem zongen. ’t Was nu wel al wat laat op den dag, maar ’t was zoo’n mooie, heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te laat zou kunnen zijn.De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een moeras in ’t westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep, om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. ’t Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de onderwijzeres in ’t midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk, dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze tegen elkaar zeiden.Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En waar vijftien menschen liepen, was ’t zoo’n geraas van voetstappen, dat niemand kon hooren hoe ’t grint onder zijn klompjes knarste.Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de onderwijzeres hun oude sagen te vertellen.Onder ’t vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen ’t laatste verhaal uit was, waren ze bijna bij ’t oude landgoed. Ze zagen de groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen hoog op het terras.Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed.Als ’t nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen zingen, dat iemand er wat om gaf.Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo’n groot geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen.Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag, bleef ze staan.“Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan,” zei ze. “Ik heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. ’t Zou toch vreeselijk zijn, als we hem erger maakten.”Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag, en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze bang waren den zieke te verontrusten en te storen.“Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen,” dacht hij. “’t Zou immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om dat te vragen?”Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om, en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen, maar zij wilde niet toegeven.Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de zieke te zwak was om naar ’t zingen te luisteren, en hij liep op het huis toe.Er stond een rijtuig voor ’t huis, en een oude koetsier stond bij de paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis.“Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson,” zei ze. “Mevrouw stuurt je wat warms.”“Hoe gaat het met Mijnheer?” vroeg de koetsier.“Hij lijdt nu niet meer, maar ’t is of ’t hart stil staat. Mijnheer ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of levend is.”“Zegt de dokter dat het afloopen zal?”“’t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. ’t Is alsof Mijnheer ligt te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven ’t bevel komt om heen te gaan, is hij bereid.”Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe ’t was, toen zijn grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou, had hij gevraagd of ze ’t venster wilde openzetten, opdat hij nog eens den wind zou hooren suizen.En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich heen te hebben, en hun zang en spel te hooren.Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren.Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo’n donkere schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar ’t was, alsof ze een massa stemmen om zich heen hoorde. ’t Was een angstig roepen van verschillende kanten, dat tot hier doordrong:“Wij zijn zoo ver weg,” zeiden de stemmen. “Maar jij ben dicht bij. Ga toch, en zing wat we allen voelen!”En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had geholpen, en met zorg omringd. ’t Was bovenmenschelijk, zooals hij zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren.“Ga toch en zing voor hem,” werd er om haar heen gefluisterd. “Laat hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben.”De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de wereld om haar heen kwam. ’t Was als ’t tjilpen van een vogel of ’t geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen, dat ze omkeeren moest.En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen.De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo wonderlijk mooi had geklonken. ’t Was alsof vreemde stemmen meê gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker geworden en hadden meêgeklonken.Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten.“Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang,” dacht de onderwijzeres. “Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!”Maar ’t was niet zoo. ’t Was een boodschap, dat ze binnen moest komen om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen.Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet.“’t Gevaar is voorbij voor dezen keer,” zei hij. “Hij lag bewusteloos en ’t hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het, alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot ’t leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar jaar behouden.”

Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo kon worden.

Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte van die uitnoodiging.

Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.

Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren, en zond haar aanvrage om plaats in.

Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg—en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar toch aan.

Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het groote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende, en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste oogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige, die niets had durven zeggen.

Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene, en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.

Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd.Ze was er niet handig meê. En zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank, en stond recht voor zich uit te staren.

In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze menschen staan, die met frisschen moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.

’t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen, en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in denmist had geloopen. Alles was donker en gesluierd geweest, en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den tweeden dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.

Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.

Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man, en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij, om het kasteel en ’t park mooier te maken, en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven, en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.

Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.

Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.

Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handenhad geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle anderen te boven ging.

Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs, en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.

Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!

Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen van ’t heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!

Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.

De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend.

En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.

De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, watze maar konden om menschen beter engelukkigerte maken.

Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zoo’n sterken indruk op haar, dat ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt.

Den volgenden dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt moest worden.

En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen, die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.

Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de boomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had mogen genieten op zoo’n mooie plaats.

’t Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een plaats, waar allen haar ’t beste gunden, en allen trachtten haar te helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten, was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze voelden. Zoo ver zou ze nooit komen!

Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs, dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed ze ook heel vaak in ’t begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen, nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste, dien ze ooit had beleefd.

Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan.

Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles.

Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort spelen. Maar dit was er toch ’t zelfde gebleven, dat de menschen er zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn, en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen, als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in ’t heele land.

Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar was. Maar nu meende men, dat dit het geval was.

Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders, dan dat de directeur misschien zou sterven—hij even als de oude heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar dankbaarheid te bereiken.

Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren, en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem misschienplezierzou doen, als de kindereneen paar liedjes voor hem zongen. ’t Was nu wel al wat laat op den dag, maar ’t was zoo’n mooie, heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te laat zou kunnen zijn.

De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een moeras in ’t westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep, om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. ’t Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de onderwijzeres in ’t midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk, dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze tegen elkaar zeiden.

Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En waar vijftien menschen liepen, was ’t zoo’n geraas van voetstappen, dat niemand kon hooren hoe ’t grint onder zijn klompjes knarste.

Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de onderwijzeres hun oude sagen te vertellen.

Onder ’t vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen ’t laatste verhaal uit was, waren ze bijna bij ’t oude landgoed. Ze zagen de groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen hoog op het terras.

Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed.

Als ’t nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen zingen, dat iemand er wat om gaf.

Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo’n groot geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen.

Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag, bleef ze staan.

“Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan,” zei ze. “Ik heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. ’t Zou toch vreeselijk zijn, als we hem erger maakten.”

Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag, en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze bang waren den zieke te verontrusten en te storen.

“Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen,” dacht hij. “’t Zou immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om dat te vragen?”

Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om, en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen, maar zij wilde niet toegeven.

Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de zieke te zwak was om naar ’t zingen te luisteren, en hij liep op het huis toe.

Er stond een rijtuig voor ’t huis, en een oude koetsier stond bij de paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis.

“Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson,” zei ze. “Mevrouw stuurt je wat warms.”

“Hoe gaat het met Mijnheer?” vroeg de koetsier.

“Hij lijdt nu niet meer, maar ’t is of ’t hart stil staat. Mijnheer ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of levend is.”

“Zegt de dokter dat het afloopen zal?”

“’t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. ’t Is alsof Mijnheer ligt te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven ’t bevel komt om heen te gaan, is hij bereid.”

Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe ’t was, toen zijn grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou, had hij gevraagd of ze ’t venster wilde openzetten, opdat hij nog eens den wind zou hooren suizen.

En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich heen te hebben, en hun zang en spel te hooren.

Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren.

Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo’n donkere schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar ’t was, alsof ze een massa stemmen om zich heen hoorde. ’t Was een angstig roepen van verschillende kanten, dat tot hier doordrong:

“Wij zijn zoo ver weg,” zeiden de stemmen. “Maar jij ben dicht bij. Ga toch, en zing wat we allen voelen!”

En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had geholpen, en met zorg omringd. ’t Was bovenmenschelijk, zooals hij zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren.

“Ga toch en zing voor hem,” werd er om haar heen gefluisterd. “Laat hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben.”

De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de wereld om haar heen kwam. ’t Was als ’t tjilpen van een vogel of ’t geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen, dat ze omkeeren moest.

En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen.

De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo wonderlijk mooi had geklonken. ’t Was alsof vreemde stemmen meê gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker geworden en hadden meêgeklonken.

Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten.

“Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang,” dacht de onderwijzeres. “Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!”

Maar ’t was niet zoo. ’t Was een boodschap, dat ze binnen moest komen om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen.

Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet.

“’t Gevaar is voorbij voor dezen keer,” zei hij. “Hij lag bewusteloos en ’t hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het, alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot ’t leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar jaar behouden.”


Back to IndexNext