HOOFDSTUK I.

HOOFDSTUK I.NIETZSCHE’S KARAKTER.I.Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden diegij zijt.”1De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden;wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”2En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuwcredo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hijisuw lichaam.3Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eenedaad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennisof wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op hetonpersoonlijkdenken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek vanNietzsche’spersoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.II.Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhandhadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aanzijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzschem.i.zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijkliefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche hadn.l.de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zijwaarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster,hetverschil tusschen twee naturenis gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan.Tusschen gelijken!Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen,die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijkenval, hoe hij aan zijn eigenikontrouw werd, aan datikniet langer genoeg had.„Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zooo.a.aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhoudingtot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuivenverfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIdeen zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of nietvoornamein een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hijb.v.als volgt depsychologischeanalyse van dat instinctiefvoelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:„De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van deningewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken,die menschenwillenmiskend worden. Er zijn „mannen van de wetenschap,” die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een „wetenschappelijke geest” samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle „maskers” te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden7.”Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hieruwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”„Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!”8Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra’s antwoord tot de menigte: „Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren.”9Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche’s karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding totZarathustra:Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.„Het meest trotsche en hetwijstedier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maartrachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10III.De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging—hij was toen zeventien jaar oud—kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: „Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde—van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken?Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!”11Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeënvan twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als menschtot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte,de krachtenhet einde van den godsdienst”14Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in hetsubjectiefwezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van deobjectievewaarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen!Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: „Ik kom te vroeg,” riep hij, „de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoorte bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte—en toch hebt gij die daad volbracht!”16Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen17, en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den „Dood van God” of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegt hij, „hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele „zuiverheid”, waarnaar men boven alles streefde.”18Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” entoen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken enleefdezijn atheïsme evenals hij zijn Christendom hadgeleefd.Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij waszichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft20. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: „Wat is voor den mensch, wat dusvoor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?” Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: „Onpersoonlijkheidheeft op aarde noch in den hemel eenige waarde,” schreef hij, „voor alle groote vraagstukken isde groote liefdenoodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die „persoonlijk” staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel „onpersoonlijk” onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets—dat iszeker—want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigenvasthouden.”21Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?IV.Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijnekrachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologischeanalysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedichtZarathustrate vergelijken bij Goethe’sFaust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin desiècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’sZarathustrakoos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.V.Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoelen die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland,in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld:De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objectentot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.1Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijnerWerken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895–97).↑2D. VI, 114 s.↑3D. VI, 47.↑4Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel derZukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12.↑5Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.↑6Mevr. Förster-Nietzsche,Das Leben Fr. Nietzsche’s, I. 180.↑7D. VII, 258.↑8D. VII, 262.↑9D. VI, 186.↑10D. VI, 290.↑11Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 194.↑12Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche.Das Leben Fr. Nietzsche’s,I, 125.↑13Mevr. Förster-Nietzsche.Als boven, I, 314.↑14Id.Ibid, I, 321.↑15Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.↑16D. V, 163.↑17Mevr. LouAndreas-Salomé.F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.↑18D. V, 302.↑19D. VI, 115.↑20D. V, 245.↑21D. V, 276.↑22D. IV, 167.↑23D. V, 201.↑

HOOFDSTUK I.NIETZSCHE’S KARAKTER.I.Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden diegij zijt.”1De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden;wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”2En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuwcredo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hijisuw lichaam.3Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eenedaad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennisof wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op hetonpersoonlijkdenken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek vanNietzsche’spersoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.II.Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhandhadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aanzijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzschem.i.zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijkliefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche hadn.l.de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zijwaarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster,hetverschil tusschen twee naturenis gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan.Tusschen gelijken!Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen,die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijkenval, hoe hij aan zijn eigenikontrouw werd, aan datikniet langer genoeg had.„Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zooo.a.aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhoudingtot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuivenverfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIdeen zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of nietvoornamein een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hijb.v.als volgt depsychologischeanalyse van dat instinctiefvoelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:„De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van deningewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken,die menschenwillenmiskend worden. Er zijn „mannen van de wetenschap,” die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een „wetenschappelijke geest” samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle „maskers” te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden7.”Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hieruwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”„Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!”8Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra’s antwoord tot de menigte: „Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren.”9Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche’s karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding totZarathustra:Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.„Het meest trotsche en hetwijstedier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maartrachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10III.De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging—hij was toen zeventien jaar oud—kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: „Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde—van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken?Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!”11Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeënvan twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als menschtot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte,de krachtenhet einde van den godsdienst”14Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in hetsubjectiefwezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van deobjectievewaarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen!Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: „Ik kom te vroeg,” riep hij, „de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoorte bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte—en toch hebt gij die daad volbracht!”16Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen17, en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den „Dood van God” of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegt hij, „hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele „zuiverheid”, waarnaar men boven alles streefde.”18Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” entoen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken enleefdezijn atheïsme evenals hij zijn Christendom hadgeleefd.Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij waszichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft20. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: „Wat is voor den mensch, wat dusvoor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?” Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: „Onpersoonlijkheidheeft op aarde noch in den hemel eenige waarde,” schreef hij, „voor alle groote vraagstukken isde groote liefdenoodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die „persoonlijk” staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel „onpersoonlijk” onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets—dat iszeker—want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigenvasthouden.”21Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?IV.Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijnekrachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologischeanalysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedichtZarathustrate vergelijken bij Goethe’sFaust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin desiècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’sZarathustrakoos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.V.Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoelen die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland,in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld:De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objectentot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.1Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijnerWerken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895–97).↑2D. VI, 114 s.↑3D. VI, 47.↑4Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel derZukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12.↑5Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.↑6Mevr. Förster-Nietzsche,Das Leben Fr. Nietzsche’s, I. 180.↑7D. VII, 258.↑8D. VII, 262.↑9D. VI, 186.↑10D. VI, 290.↑11Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 194.↑12Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche.Das Leben Fr. Nietzsche’s,I, 125.↑13Mevr. Förster-Nietzsche.Als boven, I, 314.↑14Id.Ibid, I, 321.↑15Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.↑16D. V, 163.↑17Mevr. LouAndreas-Salomé.F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.↑18D. V, 302.↑19D. VI, 115.↑20D. V, 245.↑21D. V, 276.↑22D. IV, 167.↑23D. V, 201.↑

HOOFDSTUK I.NIETZSCHE’S KARAKTER.

I.Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden diegij zijt.”1De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden;wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”2En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuwcredo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hijisuw lichaam.3Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eenedaad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennisof wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op hetonpersoonlijkdenken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek vanNietzsche’spersoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.II.Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhandhadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aanzijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzschem.i.zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijkliefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche hadn.l.de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zijwaarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster,hetverschil tusschen twee naturenis gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan.Tusschen gelijken!Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen,die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijkenval, hoe hij aan zijn eigenikontrouw werd, aan datikniet langer genoeg had.„Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zooo.a.aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhoudingtot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuivenverfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIdeen zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of nietvoornamein een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hijb.v.als volgt depsychologischeanalyse van dat instinctiefvoelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:„De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van deningewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken,die menschenwillenmiskend worden. Er zijn „mannen van de wetenschap,” die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een „wetenschappelijke geest” samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle „maskers” te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden7.”Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hieruwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”„Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!”8Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra’s antwoord tot de menigte: „Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren.”9Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche’s karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding totZarathustra:Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.„Het meest trotsche en hetwijstedier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maartrachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10III.De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging—hij was toen zeventien jaar oud—kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: „Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde—van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken?Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!”11Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeënvan twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als menschtot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte,de krachtenhet einde van den godsdienst”14Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in hetsubjectiefwezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van deobjectievewaarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen!Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: „Ik kom te vroeg,” riep hij, „de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoorte bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte—en toch hebt gij die daad volbracht!”16Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen17, en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den „Dood van God” of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegt hij, „hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele „zuiverheid”, waarnaar men boven alles streefde.”18Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” entoen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken enleefdezijn atheïsme evenals hij zijn Christendom hadgeleefd.Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij waszichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft20. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: „Wat is voor den mensch, wat dusvoor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?” Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: „Onpersoonlijkheidheeft op aarde noch in den hemel eenige waarde,” schreef hij, „voor alle groote vraagstukken isde groote liefdenoodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die „persoonlijk” staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel „onpersoonlijk” onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets—dat iszeker—want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigenvasthouden.”21Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?IV.Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijnekrachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologischeanalysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedichtZarathustrate vergelijken bij Goethe’sFaust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin desiècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’sZarathustrakoos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.V.Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoelen die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland,in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld:De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objectentot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.

I.Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden diegij zijt.”1De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden;wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”2En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuwcredo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hijisuw lichaam.3Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eenedaad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennisof wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op hetonpersoonlijkdenken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek vanNietzsche’spersoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.

I.

Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden diegij zijt.”1De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden;wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”2En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuwcredo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hijisuw lichaam.3Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eenedaad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennisof wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op hetonpersoonlijkdenken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek vanNietzsche’spersoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.

Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.

Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden diegij zijt.”1De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.

Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:

„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.

In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…

Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?

Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.

En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden;wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”2

En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuwcredo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hijisuw lichaam.3Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eenedaad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennisof wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op hetonpersoonlijkdenken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek vanNietzsche’spersoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.

II.Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhandhadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aanzijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzschem.i.zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijkliefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche hadn.l.de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zijwaarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster,hetverschil tusschen twee naturenis gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan.Tusschen gelijken!Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen,die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijkenval, hoe hij aan zijn eigenikontrouw werd, aan datikniet langer genoeg had.„Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zooo.a.aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhoudingtot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuivenverfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIdeen zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of nietvoornamein een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hijb.v.als volgt depsychologischeanalyse van dat instinctiefvoelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:„De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van deningewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken,die menschenwillenmiskend worden. Er zijn „mannen van de wetenschap,” die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een „wetenschappelijke geest” samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle „maskers” te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden7.”Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hieruwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”„Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!”8Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra’s antwoord tot de menigte: „Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren.”9Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche’s karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding totZarathustra:Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.„Het meest trotsche en hetwijstedier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maartrachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10

II.

Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhandhadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aanzijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzschem.i.zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijkliefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche hadn.l.de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zijwaarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster,hetverschil tusschen twee naturenis gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan.Tusschen gelijken!Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen,die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijkenval, hoe hij aan zijn eigenikontrouw werd, aan datikniet langer genoeg had.„Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zooo.a.aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhoudingtot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuivenverfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIdeen zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of nietvoornamein een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hijb.v.als volgt depsychologischeanalyse van dat instinctiefvoelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:„De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van deningewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken,die menschenwillenmiskend worden. Er zijn „mannen van de wetenschap,” die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een „wetenschappelijke geest” samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle „maskers” te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden7.”Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hieruwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”„Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!”8Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra’s antwoord tot de menigte: „Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren.”9Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche’s karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding totZarathustra:Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.„Het meest trotsche en hetwijstedier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maartrachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10

Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhandhadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.

Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aanzijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.

Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzschem.i.zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”

Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijkliefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche hadn.l.de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zijwaarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster,hetverschil tusschen twee naturenis gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan.Tusschen gelijken!Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen,die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijkenval, hoe hij aan zijn eigenikontrouw werd, aan datikniet langer genoeg had.„Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4

Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.

Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zooo.a.aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhoudingtot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.

Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuivenverfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIdeen zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of nietvoornamein een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hijb.v.als volgt depsychologischeanalyse van dat instinctiefvoelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:

„De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van deningewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken,die menschenwillenmiskend worden. Er zijn „mannen van de wetenschap,” die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een „wetenschappelijke geest” samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle „maskers” te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden7.”

Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:

„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hieruwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”

„Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!”8

Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra’s antwoord tot de menigte: „Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren.”9Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche’s karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding totZarathustra:

Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.

„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.

„Het meest trotsche en hetwijstedier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!

Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?

Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”

Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:

„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.

Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maartrachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.

En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10

III.De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging—hij was toen zeventien jaar oud—kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: „Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde—van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken?Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!”11Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeënvan twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als menschtot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte,de krachtenhet einde van den godsdienst”14Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in hetsubjectiefwezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van deobjectievewaarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen!Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: „Ik kom te vroeg,” riep hij, „de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoorte bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte—en toch hebt gij die daad volbracht!”16Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen17, en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den „Dood van God” of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegt hij, „hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele „zuiverheid”, waarnaar men boven alles streefde.”18Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” entoen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken enleefdezijn atheïsme evenals hij zijn Christendom hadgeleefd.Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij waszichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft20. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: „Wat is voor den mensch, wat dusvoor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?” Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: „Onpersoonlijkheidheeft op aarde noch in den hemel eenige waarde,” schreef hij, „voor alle groote vraagstukken isde groote liefdenoodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die „persoonlijk” staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel „onpersoonlijk” onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets—dat iszeker—want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigenvasthouden.”21Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?

III.

De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging—hij was toen zeventien jaar oud—kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: „Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde—van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken?Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!”11Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeënvan twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als menschtot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte,de krachtenhet einde van den godsdienst”14Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in hetsubjectiefwezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van deobjectievewaarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen!Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: „Ik kom te vroeg,” riep hij, „de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoorte bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte—en toch hebt gij die daad volbracht!”16Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen17, en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den „Dood van God” of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegt hij, „hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele „zuiverheid”, waarnaar men boven alles streefde.”18Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” entoen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken enleefdezijn atheïsme evenals hij zijn Christendom hadgeleefd.Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij waszichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft20. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: „Wat is voor den mensch, wat dusvoor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?” Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: „Onpersoonlijkheidheeft op aarde noch in den hemel eenige waarde,” schreef hij, „voor alle groote vraagstukken isde groote liefdenoodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die „persoonlijk” staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel „onpersoonlijk” onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets—dat iszeker—want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigenvasthouden.”21Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?

De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.

Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging—hij was toen zeventien jaar oud—kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: „Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde—van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken?Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!”11

Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeënvan twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als menschtot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte,de krachtenhet einde van den godsdienst”14Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in hetsubjectiefwezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van deobjectievewaarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:

„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen!Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”

De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: „Ik kom te vroeg,” riep hij, „de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoorte bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte—en toch hebt gij die daad volbracht!”16

Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen17, en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den „Dood van God” of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.

Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegt hij, „hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele „zuiverheid”, waarnaar men boven alles streefde.”18

Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” entoen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken enleefdezijn atheïsme evenals hij zijn Christendom hadgeleefd.

Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.

Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij waszichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.

Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft20. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.

Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: „Wat is voor den mensch, wat dusvoor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?” Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: „Onpersoonlijkheidheeft op aarde noch in den hemel eenige waarde,” schreef hij, „voor alle groote vraagstukken isde groote liefdenoodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die „persoonlijk” staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel „onpersoonlijk” onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets—dat iszeker—want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigenvasthouden.”21

Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?

IV.Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijnekrachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologischeanalysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedichtZarathustrate vergelijken bij Goethe’sFaust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin desiècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’sZarathustrakoos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.

IV.

Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijnekrachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologischeanalysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedichtZarathustrate vergelijken bij Goethe’sFaust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin desiècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’sZarathustrakoos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.

Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijnekrachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.

Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.

Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologischeanalysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedichtZarathustrate vergelijken bij Goethe’sFaust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin desiècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’sZarathustrakoos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.

V.Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoelen die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland,in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld:De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objectentot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.

V.

Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoelen die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland,in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld:De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objectentot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.

Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.

Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoelen die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.

Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland,in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld:De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23

Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objectentot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.

In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.

1Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijnerWerken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895–97).↑2D. VI, 114 s.↑3D. VI, 47.↑4Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel derZukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12.↑5Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.↑6Mevr. Förster-Nietzsche,Das Leben Fr. Nietzsche’s, I. 180.↑7D. VII, 258.↑8D. VII, 262.↑9D. VI, 186.↑10D. VI, 290.↑11Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 194.↑12Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche.Das Leben Fr. Nietzsche’s,I, 125.↑13Mevr. Förster-Nietzsche.Als boven, I, 314.↑14Id.Ibid, I, 321.↑15Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.↑16D. V, 163.↑17Mevr. LouAndreas-Salomé.F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.↑18D. V, 302.↑19D. VI, 115.↑20D. V, 245.↑21D. V, 276.↑22D. IV, 167.↑23D. V, 201.↑

1Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijnerWerken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895–97).↑2D. VI, 114 s.↑3D. VI, 47.↑4Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel derZukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12.↑5Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.↑6Mevr. Förster-Nietzsche,Das Leben Fr. Nietzsche’s, I. 180.↑7D. VII, 258.↑8D. VII, 262.↑9D. VI, 186.↑10D. VI, 290.↑11Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 194.↑12Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche.Das Leben Fr. Nietzsche’s,I, 125.↑13Mevr. Förster-Nietzsche.Als boven, I, 314.↑14Id.Ibid, I, 321.↑15Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.↑16D. V, 163.↑17Mevr. LouAndreas-Salomé.F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.↑18D. V, 302.↑19D. VI, 115.↑20D. V, 245.↑21D. V, 276.↑22D. IV, 167.↑23D. V, 201.↑

1Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijnerWerken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895–97).↑

2D. VI, 114 s.↑

3D. VI, 47.↑

4Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel derZukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12.↑

5Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.↑

6Mevr. Förster-Nietzsche,Das Leben Fr. Nietzsche’s, I. 180.↑

7D. VII, 258.↑

8D. VII, 262.↑

9D. VI, 186.↑

10D. VI, 290.↑

11Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 194.↑

12Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche.Das Leben Fr. Nietzsche’s,I, 125.↑

13Mevr. Förster-Nietzsche.Als boven, I, 314.↑

14Id.Ibid, I, 321.↑

15Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.↑

16D. V, 163.↑

17Mevr. LouAndreas-Salomé.F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.↑

18D. V, 302.↑

19D. VI, 115.↑

20D. V, 245.↑

21D. V, 276.↑

22D. IV, 167.↑

23D. V, 201.↑


Back to IndexNext