HOOFDSTUK VI.

HOOFDSTUK VI.Besluit.Nietzsche heeft het, voor een Duitsch wijsgeer vrij zeldzaam voorrecht genoten, gelezen en betwist te worden niet alleen door mannenvan het vak, maar ook door het groote publiek. In de laatste tien jaren vooral heeft de „Nietzscheliteratuur” aanzienlijke afmetingen verkregen; de meeste tijdschriften en dagbladen op wijsgeerig of letterkundig gebied hebben artikels over Nietzsche’s persoon of over zijne werken gegeven; hij is thans „in de mode” evenals Wagner of Botticelli, Ibsen of Ruskin en tal van denkers aarzelen niet in hem den oorspronkelijksten en diepsten denker van het modern Duitschland, den eersten moralist der eeuw, den Darwin der moraal te zien. Maar, evenals hij zijne enthousiaste aanbidders heeft, bezit hij zijne verwoede tegenstanders, die hem meedoogenloos voor onwetend, dom, verward en voor den verwoester der publieke gezondheid en moraal uitmaken.Tusschen die twee vijandelijke kampen blijft het gros van het publiek, geloof ik,vrijwelbesluiteloos; aan den eenen kant gevoelt het zich aangetrokken door het „modernisme” van Nietzsche en door het schijnbaar vreemde in zijne ideeën, maar aan den anderen kant is het niet vrij van een gevoel van wantrouwen en vraagt het zich af,tot hoeverre men waarde moet hechten aan de schitterende paradoxen van den denker, die in die mate van alle algemeen erkende meeningen afwijkt. Tot besluit dezer studie willen wij trachten de voornaamste tegenwerpingen tegen Nietzsche’s theorieën en de waarde, die wij daaraan hechten, mee te deelen,zonder evenwel zoo dwaas te zijn in enkele bladzijden de „ware” oplossing van de samengestelde en fijne problemen, die het geldt, te willen geven.Nietzsche’s werk is uit tweeërlei oogpunt beoordeeld: enkelen hebben er vooral op gewezen, dat het „dwalingen” bevat, wat feiten of meeningen betrof en anderen hebben meer getracht te bewijzen, dat het uit een moreel oogpunt gevaarlijk was.In de eerste plaats heeft men dus de waarde van Nietzsche’s argumenten ter verklaring zijner stellingen tegengesproken. Hij tracht—om een duidelijk voorbeeld te geven—door argumenten, die hij aan de taalkunde ontleent, te bewijzen: dat de waarden, die door de vroegere beschaving erkend werden, „aristocratisch” waren en in het vervolg der tijden door slavenwaarden vervangen zijn; tot staving van die bewering haalt hij het Latijnschbonusaan, dat hij terugvoert tot een oorspronkelijken vormduomus(vanduo, twee) en verklaart door „mensch van tweedracht, van strijd”; zoo ook brengt hij het DuitschGutovereen met het woordGoden den volksnaamGothenen haalt hij de verschillende beteekenissen aan van het Duitschschlecht,schlicht, dat zoowel eenvoudig, algemeen (ein schlichter Mann, een man van het volk) als slecht beteekent. Bréal nu constateert, dat de meeste taalkundige bewijzen, die Nietzsche aanhaalt, onjuist of verkeerd uitgelegd zijn. Ook heeft men op grond der anthropologie en der geschiedenis de hypothese van het blonde, eenzame „roofdier”, dat Nietzsche aan den oorsprong der Europeesche beschaving veronderstelt, tegengesproken. Het schijnt, dat de voorhistorische mensch zelfs al het „dier eener kudde” was, dat gevoelens van sympathie en solidariteit reeds bij hoogere apensoorten voorkomen en dat de Germaan van den tijd der groote strooptochten, die bij Nietzsche juist de hoofdrol speelde, toen hij zijn beeld van den „blonden wilde” gaf, een krachtig, maar vreedzaam landman was, die geen oorlog voerde ter wille van moord en doodslag, maar om bebouwbaren grond te veroveren. De meeste van Nietzsche’s historische theorieën, zijne hypothese van de „Joodsche opheffing der slaven”, zijne portretten van Jezus en den apostel Paulus in deAntichrist, zijne stellingen omtrent de ontwikkeling van het Christendom en de ascetische moraal, zijne meeningen over de Hervorming enLuthers rol zijn uitgemaakt voor fabels; zijne psychologische analysen, zijne verklaring van „slecht geweten”, zijne theorieën over het begrip „zonde” teruggebracht tot het materieel begrip „schuld”, zij allen zijn valsch verklaard en het ideaal van den Uebermensch naar zijne opvatting heeft men uit een biologisch oogpunt gecritiseerd:„De biologische waarheid, zegt Nordau, is, dat een voortdurende zelfdwang eene noodzakelijke levensvoorwaarde is voor sterken en zwakken; hij is de werkzaamheid der hoogste en menschelijkste hersencentra en zoo deze niet geoefend worden, sterven zij uit, d.w.z. de mensch houdt dan op mensch te zijn en de zoogenaamde „Uebermensch” wordt een „Untermensch” of dier; door de ontspanning of opheffing der remkrachten van de hersenen vervalt het organisme zonder genade aan de anarchie van zijn constitutief gedeelte en die anarchie leidt onverbiddelijk tot verval, ziekte, waanzin en dood.” Ten slotte is ook de leer van het „Eeuwig Wederkeeren” door niemand geloofd en zelfs een criticus als Brandes, die Nietzsche zoozeer toegedaan was, noemt Zarathustra’s mysticisme „weinig overtuigend.”Welke gevolgtrekkingen moet men nu met het oog op de waarde van Nietzsche’s werk uit al die kritieken maken?In de eerste plaats moeten wij vaststellen, dat Nietzsche zich, vooral in de tweede periode van zijn bestaan, niet uitgeeft voor een geleerde en er ook niet voor zou kunnen doorgaan, want zijne gezondheid en vooral de toestand van zijne oogen verbood hem gedurende vele jaren bijna geheel alle soorten van lectuur en hij is specialist geweest uitsluitend in de philologie, waarvan hij van af 1879 met meer op de hoogte bleef. In alle andere takken van natuurlijke of historische wetenschappen is hij slechts dilettant, wat hij ook gaarne erkent, want hij stelt zich niet tot taak deze of gene tak der wetenschap te bevorderen of de resultaten der wetenschap te verspreiden, maar hij wil uitsluitend nieuwe problemen vormen of oude problemen onder nieuwe vormen stellen; het is zijn verlangen niet op de wetenschap zelve, maar op de ziel der geleerden te werken en daarom heeft hij in zekeren zin gelijk slechts eene ondergeschikte waarde te hechten aan de feiten, waarmee hij zijne theorieën bijlicht. Zijne etymologie en zijne hypothesen omtrent de verschillende beteekenissen der woordenb.v. zijn in waarheid noch heel zeker, noch heel overtuigend, maar dat laat hem eigenlijk koud, want de feiten, die hij aanhaalt, dienen in zijne gedachten bovenal om aan te toonen, hoe men de studie der moreele vraagstukken met behulp van taalkundezou kunnenaanvaarden en om de taalkundigen aan te sporen hunne onderzoekingen in die richting te sturen; de intrinsieke waarde van zijne beweringen is in zijne oogen van geheel ondergeschikt belang en al bleef er geen enkele van zijne technische opmerkingen over, dan zou Nietzsche toch ondanks alles volgens eigen opvatting een nuttigen arbeid geleverd hebben, zoo het hem gelukken mocht door zijne opmerkingen de nieuwsgierigheid van een taalkundige te prikkelen en hem aan te sporen die soort vraagstukken onder handen te nemen. Nu heeft men zich juist in den laatsten tijd veel moeite gegeven om door middel van taalkundige feiten sociale feiten te verklaren en zich in ’t bijzonder door vergelijkende taalstudie een denkbeeld der voorhistorische beschaving te maken. Daarmee bedoel ik niet Nietzsche de eer te geven van die coïncidentie, maar alleen aan te toonen hoe een idee door hem geuit en op waarschijnlijk onjuiste feiten gebaseerd, daarom nog niet van belang ontbloot behoeft te zijn.Daarbij moet men, om de waarde van de mogelijke „fouten” in Nietzsche’s theorieën juist te beoordeelen, niet vergeten, dat zijn geheele werk volkomen subjectief is, terwijl juist de vereering van deobjectievewaarheid, zooals Nietzsche terecht opmerkt, de sterkst moderne vorm van het godsdienstgevoel is. Wij eischen instinctmatig van den geleerde een diep ontzag voor de werkelijkheid en verlangen hem zoo onpartijdig en zoo onpersoonlijk mogelijk te zien. Wel weten wij in waarheid, dat zuiver objectivisme slechts een lokaas is en dat niemand zijne persoonlijkheid volkomen af kan schudden en de dingen zien kan, zooals zij werkelijk zijn; dat alle waarheid dus in zekere mate individueel is en dat de hoofdzaak van een wetenschappelijk werk wellicht niet in datgene bestaat, dat de schrijver aan de werkelijkheid heeft ontleend, maar veeleer in dat, wat hij er zelf in gelegd heeft. Desondanks gelooven wij ontegenzeggelijk in eene „objectieve” of, wat op hetzelfde neerkomt, „algemeen subjectieve” waarheid en stellen wij over het algemeen een schrijver hooger, naarmate hij met wat wijnoemen de objectieve waarheid meer blijkt overeen te komen. Natuurlijk kunnen wij ook op Nietzsche dien maatstaf toepassen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat Nietzschein de eerste plaatszichzelf heeft willen zoeken en leeren kennen. Wij hebben gezien hoe hij, volgens zijn eigen bekentenis, zijne opvoeders Schopenhauer en Wagner heeft beschouwd, hoe het hem steeds minder te doen is geweest om te weten wat zijop zichzelvewaren dan om hetgeen zij hem omtrentzijn eigenpersoon konden openbaren; hij heeft eene „legende” van hen gemaakt, waarvan de objectieve waarheid ten zeerste is tegengesproken, en hij heeft zelf erkend, dat hij in werkelijkheid inSchopenhauer als Erzieheren inR. Wagner in Bayreuthzichzelf zoowel als wijsgeer als als artiest beschreven heeft. Met dezelfde oogen nu als hij Schopenhauer en Wagner heeft aangezien, bekeek Nietzsche in zekeren zin de geheele werkelijkheid; hij heeft haar in buitengewoon eigenaardige en aantrekkelijke legenden veranderd, die evenwel misschien belangrijker zijn als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid dan als beschrijving of verklaring der uiterlijke wereld. Nu is het duidelijk, dat het, zoodra men zich op dat standpunt plaatst om Nietzsche’s werk te beoordeelen, van ondergeschikt belang is te weten of zijne ideeën omtrent een of ander punt in de geschiedenis, de anthropologie of de biologie, al of niet met die ideeën overeenkomen, die algemeen erkend worden als objectieve waarheid, en om diezelfde reden is het ook, om Nietzsche’s waarde op prijs te stellen, van geen hoofdbelang, uitvoerig na te gaan wat hij aan zijne voorgangers te danken heeft gehad. Wel is het zeker, dat hij, ondanks zijn trachten naar volkomen oorspronkelijkheid, bewust of onbewust den invloed zijner tijdgenooten heeft ondergaan en dat zijne gedachten, gezuiverd van de aanvallende en paradoxale wending, die zijne pen er aan geeft, dikwijls veel minder nieuw blijken te zijn dan ons bij den eersten aanblik toescheen. Het onverdraagzaam individualisme, de vereering der ikheid, de vijandigheid tegen den staat, het protest tegen de leer van gelijkheid, de vereering der menschheid vindt men alle, bijna even sterk uitgesproken als bij Nietzsche, terug bij een half vergeten denker, Max Stirner, wiens voornaamste werk: „Der Einzige und seinEigenthum” (1843) de moeite waard is van uit dat oogpunt met Nietzsche’s geschriften vergeleken te worden.De ontwikkeling van de persoonlijkheid, van de „eenige” en onvergelijkelijke ikheid is ook de voornaamste leerstelling van den Deen Sören Kierkegaard, die door zijne Christelijke neigingen daarentegen volkomen van Nietzsche’s ideeën afwijkt.Het aristocratisch ideaal, dat Nietzsche zoo hoog stelt, komt voor in de correspondentie van Flaubert en vooral in deDialogues Philosophiquesvan Renan; in Eugen Dühring vindt Nietzsche een medestrijder tegen het pessimisme en met Edouard de Hartmann deelt hij zijn afkeer van socialisten en anarchisten, het geloof in de ongelijkheid der menschen en den beschavenden invloed van den oorlog en de overtuiging, dat het medelijden niet als de basis van alle moraal beschouwd kan worden. Zijne leer van het Eeuwig Wederkeeren komt reeds voor inl’Éternitépar les astresvan Blanqui en inl’Homme et les Sociétésvan Dr. Le Bon. Maar, al kan men gemakkelijk bewijzen dat Nietzsche door zijne leerstellingen bij dezen of genen zijner tijdgenooten vergeleken kan worden, zoo moet men toch toegeven, dat hij juist door zijne persoonlijkheid hemelsbreed verschilt van hen, die omtrent zekere punten dezelfde ideeën verkondigen als hij. En hij gevoelt zelfs eene instinctmatige en zeer oprechte antipathie tegen de meesten van die zoogenaamde bondgenooten; in Renan haat hij de priesternatuur; Hartmann maakt hij uit voor kwakzalver en Dühring verfoeit hij, omdat hij een in den grond „plebeïschen” geest, eene soort karikatuur van zichzelf in hem ziet. Hij is er blijkbaar ten zeerste op gesteld niet met hen verward te worden, niet uit schrijverseigenliefde, die ongunstig stemt tegen alle mededingers, maar omdat hij zich geheel verschillend van hen gevoelt door zijne moraal en dat naar zijn oordeel de persoon van den wijsgeer van veel meer belang is dan zijn werk.Het spreekt vanzelf, dat men die zienswijze niet tot in het uiterste moet drijven en onder voorwendsel van Nietzsche’s persoonlijkheid veel belangrijker te vinden dan zijn werk, aan het laatste alle waarde moet ontzeggen; dat zou verkeerd en onrechtvaardig zijn, want volgens mijne vaste overtuiging, kunnen zoowel de historicus als de wijsgeer in zijne werken tal van opmerkingenvinden, die op zichzelve en niet alleen als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid hoogst belangrijk zijn. Elders trachtte ik aan te toonen van hoeveel belang zijne meeningen omtrent Wagner—inR. Wagner in Bayreuthen inDer Fall Wagner—voor den historicus zijn, die zich een juist oordeel over de waarde van den kunstenaar wil maken, en het staat buiten twijfel, dat ook op vele andere punten Nietzsche’s ideeën dienen in aanmerking te komen en eene diepere beschouwing waard zijn. Hiermee bedoel ik, dat de waarde van Nietzsche’s werk niet uitsluitend en zelfs niet hoofdzakelijk in het „objectief” belang ligt, dat zijne ideeën vertegenwoordigen en daaromtrent onderschrijf ik ten volle het oordeel, dat Brandes over hem geeft, als hij hem vergelijkt met zijne gehate tegenstanders, de Engelsche wijsgeeren: „Wanneer men tot hem komt na de Engelsche wijsgeeren bezocht te hebben, dringt men door in eene geheel nieuwe wereld. De Engelschen zijn alleen geduldige geesten, wier overheerschende neiging is alle stukjes aan elkander te hechten en tal van bijzonderheden met elkander te verbinden om zoodoende eene wet te vinden. De besten hunner zijn genieën naar Aristoteles. Zelden oefenen zij door hunne persoonlijkheid eenige aantrekkingskracht uit en hunikheidschijnt meestentijds weinig samengesteld te zijn. Zij zijn meer waard door wat zij doen dan door wat zij zijn. Nietzsche daarentegen is, evenals Schopenhauer, een profeet, een ziener, een kunstenaar; hij heeft minder waarde door wat hij doet dan door wat hij is.”1Om zijn werk naar waarde te kunnen schatten moet men het niet ter hand nemen als een wetenschappelijk boek, waarvan de waarde niet afhangt van de geestelijke hoogte van den schrijver, maar van de hoeveelheid exacte en vooral nieuwe kennis, die het inhoudt. Voor Nietzsche kan dezelfde paradox gelden, die hij op Schopenhauer toepaste, n.l.: de leer van den denker komt er weinig op aan, want elk wijsgeer kan zich vergissen; wat echter meer waarde heeft dan elk systeem is de zielewaarde van den denker zelf: „Er is in een wijsgeer dat, wat men nooit in eene wijsbegeerte vindt; n.l. de oorzaak van vele wijsbegeerten, de groote mensch.”Nog rest ons het tweede bezwaar tegen Nietzsche’s werk te onderzoeken, n.l. dat het, naar veler bewering, uit een moreel oogpunt verderfelijk zou zijn. Het ergst verwijt men Nietzsche zijne reactionnaire neigingen, zijn voorgewend cynisme, zijn dilettantisme, zijn egoïsme en zijne hardheid jegens zwakken, en in Duitschland vooral beschouwt men de verspreiding van zijne leer en de vorming van eene „Nietzsche” school als een publiek gevaar. Welke waarde moet men nu hechten aan die aanvallen, die voortdurend in alle studieën over Nietzsche voorkomen?In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat zekere ideeën van Nietzsche,zoo zij verkeerd begrepen worden, wel degelijk tot schijnbare rechtvaardiging van zeer verkeerde moreele ideeën kunnen dienen; met aphorismen van Nietzsche kan men b.v. het grofste egoïsme en het dolzinnigste dilettantisme trachten te verontschuldigen en toch is het gewis niet genoeg een „arrivist” (om het gangbaar neologisme te gebruiken) of een anarchist in de letteren te zijn, alle soorten van godsdienstige en moreele vooroordeelen over boord te werpen en kalm zijne tijdgenooten te verachten, om met recht te kunnen zeggen, dat men „volgens Nietzsche” leeft. Nietzsche kent geen toegevendheid voor hen, die den Uebermensch spelen willen en Zarathustra vraagt hen, die hem op zijne gevaarvolle tochten volgen willen, welke hunne rechten zijn:„Zijt gij eene nieuwe kracht en eene nieuwe wet? Eene eerste beweging? Een rad, dat uit zichzelf draait? Kunt gij de sterren dwingen om u heen te draaien?Helaas, zoovelen worden verteerd door de ongezonde dorst naar hooger, zoovelen worden door wanhopende eerzucht gekweld. Bewijs mij, dat gij niet een van die dorstigen, van die eerzuchtigen zijt!Helaas, er zijn zoovele groote gedachten, die geen andere uitwerking dan die van een oorvijg hebben, zij doen opzwellen en geven meer leegte.Gij beweert vrij te zijn! Maar ik wil weten, welke de gedachte is, die u beheerscht en niet wat gij voor last hebt afgeschud.Behoort gij tot hen, die het recht hebben een last af te schudden? Want er zijn er, die met de dienstbaarheid, waarin zijleefden, alles hebben afgeworpen, wat hun eenige waarde gaf.”2Nietzsche verkondigt zeer duidelijk, dat zijn leer slechts een klein getal uitverkorenen geldt en dat de middelmatige menigte in gehoorzaamheid en geloof moet leven. Men heeft dus geen recht zijne theorieën te veroordeelen alleen omdat middelmatigen en onmachtigen, overloopende van ijdelheid, aan hem enkele voorschriften, willekeurig afgescheiden van het geheel zijner leer, ontleenen om hunne egoïste genotzucht of hun buitensporigen drang naar grootheid te rechtvaardigen.Vele moralisten echter veroordeelen niet alleen de duidelijke buitensporigheden van enkele weinig aanbevelenswaardige apostels van den Uebermensch, maar beschouwen de authentieke en juist opgevatte leer van Nietzsche als gevaarlijk.Wat nu beteekent hun vijandig oordeel?Nietzsche is beslist individualist en dat op zichzelf is voldoende om hem in zekeren zina prioride afkeuring van vele geesten op den hals te halen, want in werkelijkheid is de hedendaagsche mensch tegelijk individu en „dier der kudde” (zooals Nietzsche zegt), hij is ook lid van eene meer of minder belangrijke groep, van een gezin, een volk, van de menschheid. Hij zoekt dus voor zich geluk, macht en volkomenheid en hij zoekt tevens geluk, macht en ontwikkeling voor de kudde, waartoe hij behoort. In de practijk doen zich trouwens in het leven van elk individu tal van gevallen voor, die naar zijne overtuiging—terecht of ten onrecht—strijd verwekken tusschen zijn persoonlijk belang en het belang der kudde; het is dus hoofdzaak voor hem te weten welk der beide belangen wijken moet ter wille van het ander. Nu komt het mij voor, dat die keuze alleen plaats kan hebben uit geloofsovertuiging of als eene soort weddingschap. Wij wedden eigenlijk altijd en moeten het wel doen door onze daden, en meestal ook theoretisch door een of ander moreel beginsel aan te nemen of op eene andere wijze goed en kwaad te bepalen. Door het feit dus, dat alle menschen tegelijk individu en „dier der kudde” zijn, bestaan er twee hoofdsoorten van weddingschappen, die in den mensch de overhand hebben al naar gelang de zorg voor zijneeigen persoon of die voor de kudde, waartoe hij behoort, het sterkst spreekt. De een heeft de neiging, hetzij door daden, hetzij in beginsel zijn eigen geluk of de volmaking van zijne eigen persoonlijkheid aan het belang der kudde op te offeren—hij wedt dus ten gunste van de altruïstische moraal; de ander is daarentegen geneigd het geluk of de volmaaktheid der kudde aan het belang zijner persoonlijkheid te onderwerpen—hij wedt dus ten gunste van de individualistische moraal. Nietzsche, zooals wij gezien hebben, wedt uitsluitend voor het individu. De meerderheid der beschaafde menschen nu, in onze dagen, wedt zooal niet in daden, toch minstens in theorie door de stellingen, die zij verkondigt, ten gunste van de moraal der „kudde” en die volkomen radicale tegenstelling van beginselen is voldoende om tusschen Nietzsche en de aanhangers der democratische en humanitaire leer eeneonvermijdelijkevijandschap te stichten, want de afschuw, dien de „kudde” voor Nietzsche ondervindt, is de natuurlijke terugslag van den verwoeden haat, dien hijzelf gevoelt tegen de voorstanders van het altruïsme.3Het is evenwel niet noodig op onverdraagzame wijze ten gunste van eene der beide fundamenteele strekkingen te wedden, want men kan ook individualisme en altruïsme beiden voor wettig houden en zich eene „harmonische” ontwikkeling van elk dier beide strekkingen voorstellen. Ik geloof trouwens, dat niemand zeggen kan door zijne daden op streng consequente wijze, hetzij ten gunste van zuiver individualisme of van een beslist altruïsme te hebben gewed, en zoo aarzelt men ook hoe langer hoe meer, ook in theorie, de individualistische en vooral ook den kuddegeest, zooals Nietzsche doet, te veroordeelen. Men neemt de hierarchie der neigingen aan en erkent, dat die hierarchietot zekere mate van het eene tijdstip op het andere, van het eene volk op het andere en zelfs van het eene individu op het andere veranderen kan. Welnu, zoodra men zich op dat standpunt plaatst, kan men over Nietzsche’s werk niet langer een beslist oordeel vellen. Men zal b.v. als volgt kunnen redeneeren: Nietzsche’s moraal is een der zuiverste typen van individualistische en aristocratische moraal, een schoon en logisch specimen van moreele weddingschap en uit dien hoofde is zij reeds een waardevol document voor allen, die stijl en eenheid in hun leven willen brengen—evenzoo goed als Tolstoï’s moraal b.v., die eene niet minder logische weddingschap is, gegrond op eene hypothese die bijna lijnrecht tegenover die van Nietzsche staat. Het feit trouwens dat Nietzsche eeneradicaleoplossing van het moreele vraagstuk geeft, sluit de waarschijnlijkheid uit, dat hem velen hetzij practisch of theoretisch volgen zullen en zijn werken zullen voortzetten, want om de leer van den Uebermensch werkelijk in praktijk te brengen moet men eene dosis geestkracht bezitten, zooals hoogst zelden voorkomt en Nietzsche erkent zelf, dat die zoo buitengewoon beschaafde wezens, die hij zich als genieën voorstelde, wellicht nooit anders dan in zijne verbeelding bestaan hebben. Daarbij is het moeilijk om, van het theoretisch standpunt uit, veel verder te gaan dan Nietzsche; enkelen zijner volgelingen als Alexander Tille4of Rudolf Steiner5hebben op eenigepunten de leer van hun meester kunnen voltooien of verbeteren, maar het schijnt juist om den bijzonderen en vèrstrevenden aard van zijne leer, niet denkbaar, dat hij ooit de stichter eener school zal zijn; hij zal naar alle waarschijnlijkheid een „eenzame” zijn voor het nageslacht, zooals hij het geweest is in zijn denkersleven. Daarentegen ligt het in den aard der zaak, dat zijne leer misschien een vrij aanzienlijken invloed kan uitoefenen door, hetzij in het individu, hetzij in een volk de individualistische neigingen te versterken en ons oordeel over dien invloed kan goed of slecht zijn naarmate het individu of het volk is, waarop hij wordt uitgeoefend, want die invloed kan natuurlijk het moreel evenwicht van menschen, wieregoïstischeneigingen toch reeds uitermate ontwikkeld zijn, helpen verstoren, maar hij kan ook omgekeerd andere naturen tot harmonie voeren door hen tegen zekere uitersten en gevaren der verschillende vormen van humanitaire, democratische of ascetische moraal te wapenen, en van uit dat oogpunt kan Nietzsche’s werk, dunkt mij, een weldadigen invloed uitoefenen op onzen tijd, die niet juist door overvloed van physieke en moreele geestkracht uitmunt.Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid, hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen, weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden „medelijden,”„naastenliefde,” „belangeloosheid,” schuilgaat, scherperaan het licht gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart; hij geneest zijne zieken òf volkomen—òf hij doodt hen. De menigte gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt zelfs den naam van „beul”; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid, zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten, dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest; daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen, trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.1Brandes. Menschen u. Werke, 199.↑2D. VI, 91.↑3Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een verstokt „egoïst” zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door „auto-suppressie” in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den „arrivist,” en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.↑4A. Tille, de schrijver van „Von Darwin bis Nietzsche” (Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd, vereenigbaar met „de humanitaire en democratische christelijke ethica” en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het „ja” van Darwin een beslist „neen” werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.↑5R. Steiner is de schrijver van „Wahrheit und Wissenschaft” en van „Die Philosophie der Freiheit” (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk vulthij Nietzsche’s theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen, zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden; daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn „Uebermensch” niet vrij is, maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben, maar tevens, wat hij noemt een „moreele verbeeldingskracht,” die hem in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.↑AANHANGSEL.Zeer merkwaardig is het, dat de zoo karakteristieke en oogenschijnlijk geheel oorspronkelijke leer van het Eeuwig Wederkeeren, die hypothese, die voor Nietzsche als de kroon op zijn werk en als eene soort mysterie was, wier openbaring de geheele menschheid beroeren moest, tezelfder tijd door twee Fransche denkers is uitgedacht en uitgewerkt, n.l. door Blanqui in 1871 en door Dr. Gustave Le Bon in 1881, hetzelfde jaar, waarin zij te Sils Maria plotseling aan Nietzsche’s denkershorizon verrees. En het merkwaardigst van alles is, dat die omstandigheid geheel toevallig was, want Le Bon had geen flauw vermoeden van het bestaan van Blanqui’s theorie toen hijL’Homme et les Sociétésschreef en van Nietzsche kan met zekerheid gezegd worden, dat hij zijne voorgangers niet gekend heeft; mevrouw Förster-Nietzsche heeft haren broeder nooit over een van beiden hooren spreken en hunne werken komen in zijne bibliotheek niet voor; daarbij is 1881 een der jaren, waarin Nietzsche’s ziekte het ergst is geweest en zijne hoofdpijnen en zijne zwakke oogen hem bijna alle nieuwe lectuur onmogelijk maakten. Wij moeten dus wel aannemen, dat de drie denkers, onafhankelijk van elkander, tot de hypothese van het Eeuwig Wederkeeren zijn gekomen.Blanqui’s theorie vinden wij inl’Eternité par les Astres, een soort prozagedicht, dat de groote drijver in 1871 gedurende zijne gevangenschap in het fortLe Taureaugemaakt heeft, en dat begin 1872 gedeeltelijk in deRevue Scientifiqueen in zijn geheel als boek verscheen.Men vindt er een overzicht van in Geffroy’sl’Enfermé(Parijs 1897) pag. 389–481, terwijl de overeenkomst tusschen Blanqui’s cosmogonische ideeën en Nietzsche’s theorie niet lang geleden door Retté in een artikel vanLa Plumeis aangetoond. Evenals Nietzsche neemt Blanqui aan, dat aan den eenen kant ruimte en tijd onbepaald zijn en dat aan den anderen kant de combinaties, die de natuur door middel van al hare elementen voortbrengen kan, een beperkt getal niet overschrijden; voor al hare werken bezit zij een honderdtal gewone lichamen en een wereldgietvorm, het stello-planetenstelsel. Het getal mogelijke combinaties van die gewone lichamen is reusachtig groot, maar toch eindig en met behulp van al die combinaties moet de dubbele oneindigheid van ruimte en tijd gevuld worden; naast deorigineele, detype combinatiesmoeten dusherhalingenzonder tal voorkomen om de oneindigheid te vullen; bijgevolg ontwikkelen zich op alle mogelijke wijzen ontelbaar vele exemplaren van deze aarde en alle denkbare verscheidenheden van onze planeet bestaan ergens en herhalen zich onbepaald.Zoo gaat ook het bestaan van elk individu tot een onbepaald getal exemplaren: „Hij heeft volledige dubbelgangers en variaties van dubbelgangers, die zijne persoon voortdurend vermenigvuldigen en vertegenwoordigen, maar slechts brokken van zijn lot afscheuren. Al wat men hier op aarde had kunnen zijn, is men ergens anders en buiten het geheele leven, van de geboorte tot den dood, dat men op tal van aarden doormaakt, doorleeft men er op andere tienduizend verschillende vormen van.…”„Wat ik op dit oogenblik in een kerker van het fort de Stier schrijf, heb ik geschreven en zal ik in alle eeuwigheid schrijven op eene tafel, met eene pen en gekleed, onder geheel dezelfde omstandigheden.… Tevergeefs zou men den stroom der eeuwen op kunnen gaan om een enkel oogenblik te vinden, waarin men niet geleefd heeft, want het heelal is niet begonnen en bijgevolg de mensch evenmin.… Op dit huidige oogenblik herhaalt zich dag aan dag het geheele leven van onze planeet van zijne geboorte af tot zijn dood toe, in al zijne bijzonderheden met al zijne misdaden en ellenden, op tallooze sterren. Wat wij vooruitgang noemen ligt in elke planeet opgesloten en verdwijnt met haar.Altijd en overal in het aardsche kamp hetzelfde drama, dezelfde tooneelversiering op hetzelfde nauwe tooneel; eene woelende menschheid, van eigen grootheid doordrongen, zich wanende het heelal te zijn en in een kerker levende als in eene oneindigheid, dan zinkende met den aardbol, die met de diepste verachting den last van haren hoogmoed gedragen heeft. En dezelfde eentonigheid, dezelfde onbewegelijkheid in de vreemde sterren. Het heelal herhaalt zich eindeloos en trappelt fier op de plaats, en de eeuwigheid speelt onveranderlijk in het oneindige dezelfde voorstellingen af.” Zooals men ziet bestaat er eene bijna volledige overeenkomst tusschen de hypothesen, die Blanqui van de „Spectrale analyse en de cosmogonie van Laplace” meende te kunnen afleiden en „de theorie van het Eeuwig Wederkeeren,” die Nietzsche door moreele beschouwingen vond en die hij door wetenschappelijke onderzoekingen wilde staven. Nietzsche komt meer op de onbepaaldeopeenvolgingder zelfde phenomenen in de oneindigheid van tijd, terwijl Blanqui meer hettegelijkbestaanvan dezelfde phenomenen in de oneindige ruimte op het oog heeft, maar in den grond vindt het idee van den gevangene van de Stier zich bijna volkomen terug in dat van den eenzame te Sils-Maria.Niet minder treft ons de overeenkomst tusschen de redeneering van Nietzsche en die van Dr. Le Bon.Laatstgenoemde zegt inL’Homme et les Sociétés(Paris 1881) t. II pag. 420: „Maar de tijd is eeuwig en de rust kan niet eeuwig zijn. Die stilzwijgende, doode bol zal niet altijd als eene koude massa door de ruimte voortrollen. Wij kunnen ons slechts in gissingen verdiepen omtrent zijne verre toekomst, maar geen enkele dier gissingen geeft ons het recht te zeggen, dat hij eeuwig traag zal blijven.Hetzij hij door de aantrekkingswet, die ons zonnestelsel naar onbekende streken in de ruimte voert, zich met andere stelsels vereenigt; hetzij de schok van een ander hemellichaam zijne temperatuur zoozeer verhoogt, dat hij in damp opgaat, hij is zonder eenigen twijfel bestemd om eene nieuwe nevelster te vormen, waaruit door eene zelfde serie evolutieën als de door ons beschrevene, eene nieuwe wereld zal voortspruiten, die ook weer bestemd is éénmaal bewoond te worden, totdat ook zij op harebeurt vergaat, en dat zoo voort zonder dat wij een einde kunnen voorzien aan die eeuwige serie van geboorte en vernietiging. Want, hoe zou zij kunnen eindigen zoo zij nooit begonnen is? „Zoo het evenwel dezelfde elementen van elke wereld zijn, die na haar vergaan tot de vorming van andere werelden dient, spreekt het vanzelf, dat dezelfde combinaties, d.w.z. dezelfde werelden, door dezelfde wezens bewoond, zich vele malen herhaald hebben, want, daar een gegeven aantal atomen slechts een beperkte hoeveelheid combinaties kan vormen en de tijd onbeperkt is, zijn natuurlijk alle mogelijke ontwikkelingsvormen reeds lang tot stand gekomen en kunnen wij slechts vroegere combinaties herhalen. Vele malen moeten reeds beschavingen en werken als de onze ons heelal zijn voorafgegaan en zooals Sisyphus steeds hetzelfde rotsblok voortrolt, herhalen wij voortdurend dezelfde taak, zonder dat iets ooit een einde aan dat noodlottige altijd kan maken. Welke onbekende oorden der hemelen zou het hoogstenirwana, de laatste rust, die zich de oude Indische godsdiensten voorstellen, kunnen herbergen? Schimmen van vergane tijden, die voor eeuwig in de mist der eeuwen schijnt verzonken te zijn en die de tooverstaf der wetenschap willekeurig aanroept, hoopt niet op rust, gij zijt onsterfelijk.”Zonder verdere commentaren leg ik den lezers van Nietzsche die overeenkomsten voor. Het spreekt van zelf, dat men er zeer verschillende gevolgtrekkingen uit maken kan: sommigen zullen er een nieuw bewijs voor Nietzsche’s „gebrek aan oorspronkelijkheid” in zien, maar anderen zullen het integendeel verdienstelijk van hem vinden, dat hij aan eene astronomische beschouwing en zuiver wetenschappelijke hypothese de diep tragische poëzie en verheven moreele beteekenis gegeven heeft, die zij miste of althans niet in die hooge mate bezat bij de Fransche denkers, die haar het eerst uitvonden. Ik voor mij vind die toevallige overeenkomst daarom vooral van belang, omdat zij ons aantoont, dat een der oogenschijnlijk meest paradoxale ideeën van Nietzsche niet eigenlijk de zuiver persoonlijke schepping is van eene abnormale en ziekelijke verbeelding, maar dat het in zekeren zin tusschen 1871 en 1881in de luchtgezweefd heeft, getuige, dat drie zoo verschillende denkers als Nietzsche, Blanqui en Le Bon het langs verschillendewegen gevonden hebben en, dat Nietzsche dus, zelfs in zijne mystieke theorie van het Eeuwig Wederkeeren de vertegenwoordiger is van eene bestaande strekking der moderne ziel.11Het spreekt van zelf dat de theorie van het „Eeuwig Wederkeeren” lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende in hoofdstuk XX van Heine’s „Reis van München naar Genua.” Weet dan, dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn; zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes, die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens weer als vroeger.…” Hierin mag men echter niet de bron zoeken voor Nietzsche’s theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft hier weer te doen met een „ontmoeting” evenals tusschen Nietzsche, Blanqui en Le Bon.↑INHOUD.Bladz.VoorwoordVHoofdstukI.Nietzsche’s karakter1Hoofdstuk,,II.Nietzsche’s intellectueele emancipatie (1869–1879)27Hoofdstuk,,III.Nietzsche als philosoof (1878–1888)71Hoofdstuk,,IV.Nietzsche’s systeem.Negatief gedeelte: De Mensch88Hoofdstuk,,V.Nietzsche’s systeem (vervolg).Positief gedeelte: De „Uebermensch”129Hoofdstuk,,VI.Besluit147Aanhangsel162

HOOFDSTUK VI.Besluit.Nietzsche heeft het, voor een Duitsch wijsgeer vrij zeldzaam voorrecht genoten, gelezen en betwist te worden niet alleen door mannenvan het vak, maar ook door het groote publiek. In de laatste tien jaren vooral heeft de „Nietzscheliteratuur” aanzienlijke afmetingen verkregen; de meeste tijdschriften en dagbladen op wijsgeerig of letterkundig gebied hebben artikels over Nietzsche’s persoon of over zijne werken gegeven; hij is thans „in de mode” evenals Wagner of Botticelli, Ibsen of Ruskin en tal van denkers aarzelen niet in hem den oorspronkelijksten en diepsten denker van het modern Duitschland, den eersten moralist der eeuw, den Darwin der moraal te zien. Maar, evenals hij zijne enthousiaste aanbidders heeft, bezit hij zijne verwoede tegenstanders, die hem meedoogenloos voor onwetend, dom, verward en voor den verwoester der publieke gezondheid en moraal uitmaken.Tusschen die twee vijandelijke kampen blijft het gros van het publiek, geloof ik,vrijwelbesluiteloos; aan den eenen kant gevoelt het zich aangetrokken door het „modernisme” van Nietzsche en door het schijnbaar vreemde in zijne ideeën, maar aan den anderen kant is het niet vrij van een gevoel van wantrouwen en vraagt het zich af,tot hoeverre men waarde moet hechten aan de schitterende paradoxen van den denker, die in die mate van alle algemeen erkende meeningen afwijkt. Tot besluit dezer studie willen wij trachten de voornaamste tegenwerpingen tegen Nietzsche’s theorieën en de waarde, die wij daaraan hechten, mee te deelen,zonder evenwel zoo dwaas te zijn in enkele bladzijden de „ware” oplossing van de samengestelde en fijne problemen, die het geldt, te willen geven.Nietzsche’s werk is uit tweeërlei oogpunt beoordeeld: enkelen hebben er vooral op gewezen, dat het „dwalingen” bevat, wat feiten of meeningen betrof en anderen hebben meer getracht te bewijzen, dat het uit een moreel oogpunt gevaarlijk was.In de eerste plaats heeft men dus de waarde van Nietzsche’s argumenten ter verklaring zijner stellingen tegengesproken. Hij tracht—om een duidelijk voorbeeld te geven—door argumenten, die hij aan de taalkunde ontleent, te bewijzen: dat de waarden, die door de vroegere beschaving erkend werden, „aristocratisch” waren en in het vervolg der tijden door slavenwaarden vervangen zijn; tot staving van die bewering haalt hij het Latijnschbonusaan, dat hij terugvoert tot een oorspronkelijken vormduomus(vanduo, twee) en verklaart door „mensch van tweedracht, van strijd”; zoo ook brengt hij het DuitschGutovereen met het woordGoden den volksnaamGothenen haalt hij de verschillende beteekenissen aan van het Duitschschlecht,schlicht, dat zoowel eenvoudig, algemeen (ein schlichter Mann, een man van het volk) als slecht beteekent. Bréal nu constateert, dat de meeste taalkundige bewijzen, die Nietzsche aanhaalt, onjuist of verkeerd uitgelegd zijn. Ook heeft men op grond der anthropologie en der geschiedenis de hypothese van het blonde, eenzame „roofdier”, dat Nietzsche aan den oorsprong der Europeesche beschaving veronderstelt, tegengesproken. Het schijnt, dat de voorhistorische mensch zelfs al het „dier eener kudde” was, dat gevoelens van sympathie en solidariteit reeds bij hoogere apensoorten voorkomen en dat de Germaan van den tijd der groote strooptochten, die bij Nietzsche juist de hoofdrol speelde, toen hij zijn beeld van den „blonden wilde” gaf, een krachtig, maar vreedzaam landman was, die geen oorlog voerde ter wille van moord en doodslag, maar om bebouwbaren grond te veroveren. De meeste van Nietzsche’s historische theorieën, zijne hypothese van de „Joodsche opheffing der slaven”, zijne portretten van Jezus en den apostel Paulus in deAntichrist, zijne stellingen omtrent de ontwikkeling van het Christendom en de ascetische moraal, zijne meeningen over de Hervorming enLuthers rol zijn uitgemaakt voor fabels; zijne psychologische analysen, zijne verklaring van „slecht geweten”, zijne theorieën over het begrip „zonde” teruggebracht tot het materieel begrip „schuld”, zij allen zijn valsch verklaard en het ideaal van den Uebermensch naar zijne opvatting heeft men uit een biologisch oogpunt gecritiseerd:„De biologische waarheid, zegt Nordau, is, dat een voortdurende zelfdwang eene noodzakelijke levensvoorwaarde is voor sterken en zwakken; hij is de werkzaamheid der hoogste en menschelijkste hersencentra en zoo deze niet geoefend worden, sterven zij uit, d.w.z. de mensch houdt dan op mensch te zijn en de zoogenaamde „Uebermensch” wordt een „Untermensch” of dier; door de ontspanning of opheffing der remkrachten van de hersenen vervalt het organisme zonder genade aan de anarchie van zijn constitutief gedeelte en die anarchie leidt onverbiddelijk tot verval, ziekte, waanzin en dood.” Ten slotte is ook de leer van het „Eeuwig Wederkeeren” door niemand geloofd en zelfs een criticus als Brandes, die Nietzsche zoozeer toegedaan was, noemt Zarathustra’s mysticisme „weinig overtuigend.”Welke gevolgtrekkingen moet men nu met het oog op de waarde van Nietzsche’s werk uit al die kritieken maken?In de eerste plaats moeten wij vaststellen, dat Nietzsche zich, vooral in de tweede periode van zijn bestaan, niet uitgeeft voor een geleerde en er ook niet voor zou kunnen doorgaan, want zijne gezondheid en vooral de toestand van zijne oogen verbood hem gedurende vele jaren bijna geheel alle soorten van lectuur en hij is specialist geweest uitsluitend in de philologie, waarvan hij van af 1879 met meer op de hoogte bleef. In alle andere takken van natuurlijke of historische wetenschappen is hij slechts dilettant, wat hij ook gaarne erkent, want hij stelt zich niet tot taak deze of gene tak der wetenschap te bevorderen of de resultaten der wetenschap te verspreiden, maar hij wil uitsluitend nieuwe problemen vormen of oude problemen onder nieuwe vormen stellen; het is zijn verlangen niet op de wetenschap zelve, maar op de ziel der geleerden te werken en daarom heeft hij in zekeren zin gelijk slechts eene ondergeschikte waarde te hechten aan de feiten, waarmee hij zijne theorieën bijlicht. Zijne etymologie en zijne hypothesen omtrent de verschillende beteekenissen der woordenb.v. zijn in waarheid noch heel zeker, noch heel overtuigend, maar dat laat hem eigenlijk koud, want de feiten, die hij aanhaalt, dienen in zijne gedachten bovenal om aan te toonen, hoe men de studie der moreele vraagstukken met behulp van taalkundezou kunnenaanvaarden en om de taalkundigen aan te sporen hunne onderzoekingen in die richting te sturen; de intrinsieke waarde van zijne beweringen is in zijne oogen van geheel ondergeschikt belang en al bleef er geen enkele van zijne technische opmerkingen over, dan zou Nietzsche toch ondanks alles volgens eigen opvatting een nuttigen arbeid geleverd hebben, zoo het hem gelukken mocht door zijne opmerkingen de nieuwsgierigheid van een taalkundige te prikkelen en hem aan te sporen die soort vraagstukken onder handen te nemen. Nu heeft men zich juist in den laatsten tijd veel moeite gegeven om door middel van taalkundige feiten sociale feiten te verklaren en zich in ’t bijzonder door vergelijkende taalstudie een denkbeeld der voorhistorische beschaving te maken. Daarmee bedoel ik niet Nietzsche de eer te geven van die coïncidentie, maar alleen aan te toonen hoe een idee door hem geuit en op waarschijnlijk onjuiste feiten gebaseerd, daarom nog niet van belang ontbloot behoeft te zijn.Daarbij moet men, om de waarde van de mogelijke „fouten” in Nietzsche’s theorieën juist te beoordeelen, niet vergeten, dat zijn geheele werk volkomen subjectief is, terwijl juist de vereering van deobjectievewaarheid, zooals Nietzsche terecht opmerkt, de sterkst moderne vorm van het godsdienstgevoel is. Wij eischen instinctmatig van den geleerde een diep ontzag voor de werkelijkheid en verlangen hem zoo onpartijdig en zoo onpersoonlijk mogelijk te zien. Wel weten wij in waarheid, dat zuiver objectivisme slechts een lokaas is en dat niemand zijne persoonlijkheid volkomen af kan schudden en de dingen zien kan, zooals zij werkelijk zijn; dat alle waarheid dus in zekere mate individueel is en dat de hoofdzaak van een wetenschappelijk werk wellicht niet in datgene bestaat, dat de schrijver aan de werkelijkheid heeft ontleend, maar veeleer in dat, wat hij er zelf in gelegd heeft. Desondanks gelooven wij ontegenzeggelijk in eene „objectieve” of, wat op hetzelfde neerkomt, „algemeen subjectieve” waarheid en stellen wij over het algemeen een schrijver hooger, naarmate hij met wat wijnoemen de objectieve waarheid meer blijkt overeen te komen. Natuurlijk kunnen wij ook op Nietzsche dien maatstaf toepassen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat Nietzschein de eerste plaatszichzelf heeft willen zoeken en leeren kennen. Wij hebben gezien hoe hij, volgens zijn eigen bekentenis, zijne opvoeders Schopenhauer en Wagner heeft beschouwd, hoe het hem steeds minder te doen is geweest om te weten wat zijop zichzelvewaren dan om hetgeen zij hem omtrentzijn eigenpersoon konden openbaren; hij heeft eene „legende” van hen gemaakt, waarvan de objectieve waarheid ten zeerste is tegengesproken, en hij heeft zelf erkend, dat hij in werkelijkheid inSchopenhauer als Erzieheren inR. Wagner in Bayreuthzichzelf zoowel als wijsgeer als als artiest beschreven heeft. Met dezelfde oogen nu als hij Schopenhauer en Wagner heeft aangezien, bekeek Nietzsche in zekeren zin de geheele werkelijkheid; hij heeft haar in buitengewoon eigenaardige en aantrekkelijke legenden veranderd, die evenwel misschien belangrijker zijn als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid dan als beschrijving of verklaring der uiterlijke wereld. Nu is het duidelijk, dat het, zoodra men zich op dat standpunt plaatst om Nietzsche’s werk te beoordeelen, van ondergeschikt belang is te weten of zijne ideeën omtrent een of ander punt in de geschiedenis, de anthropologie of de biologie, al of niet met die ideeën overeenkomen, die algemeen erkend worden als objectieve waarheid, en om diezelfde reden is het ook, om Nietzsche’s waarde op prijs te stellen, van geen hoofdbelang, uitvoerig na te gaan wat hij aan zijne voorgangers te danken heeft gehad. Wel is het zeker, dat hij, ondanks zijn trachten naar volkomen oorspronkelijkheid, bewust of onbewust den invloed zijner tijdgenooten heeft ondergaan en dat zijne gedachten, gezuiverd van de aanvallende en paradoxale wending, die zijne pen er aan geeft, dikwijls veel minder nieuw blijken te zijn dan ons bij den eersten aanblik toescheen. Het onverdraagzaam individualisme, de vereering der ikheid, de vijandigheid tegen den staat, het protest tegen de leer van gelijkheid, de vereering der menschheid vindt men alle, bijna even sterk uitgesproken als bij Nietzsche, terug bij een half vergeten denker, Max Stirner, wiens voornaamste werk: „Der Einzige und seinEigenthum” (1843) de moeite waard is van uit dat oogpunt met Nietzsche’s geschriften vergeleken te worden.De ontwikkeling van de persoonlijkheid, van de „eenige” en onvergelijkelijke ikheid is ook de voornaamste leerstelling van den Deen Sören Kierkegaard, die door zijne Christelijke neigingen daarentegen volkomen van Nietzsche’s ideeën afwijkt.Het aristocratisch ideaal, dat Nietzsche zoo hoog stelt, komt voor in de correspondentie van Flaubert en vooral in deDialogues Philosophiquesvan Renan; in Eugen Dühring vindt Nietzsche een medestrijder tegen het pessimisme en met Edouard de Hartmann deelt hij zijn afkeer van socialisten en anarchisten, het geloof in de ongelijkheid der menschen en den beschavenden invloed van den oorlog en de overtuiging, dat het medelijden niet als de basis van alle moraal beschouwd kan worden. Zijne leer van het Eeuwig Wederkeeren komt reeds voor inl’Éternitépar les astresvan Blanqui en inl’Homme et les Sociétésvan Dr. Le Bon. Maar, al kan men gemakkelijk bewijzen dat Nietzsche door zijne leerstellingen bij dezen of genen zijner tijdgenooten vergeleken kan worden, zoo moet men toch toegeven, dat hij juist door zijne persoonlijkheid hemelsbreed verschilt van hen, die omtrent zekere punten dezelfde ideeën verkondigen als hij. En hij gevoelt zelfs eene instinctmatige en zeer oprechte antipathie tegen de meesten van die zoogenaamde bondgenooten; in Renan haat hij de priesternatuur; Hartmann maakt hij uit voor kwakzalver en Dühring verfoeit hij, omdat hij een in den grond „plebeïschen” geest, eene soort karikatuur van zichzelf in hem ziet. Hij is er blijkbaar ten zeerste op gesteld niet met hen verward te worden, niet uit schrijverseigenliefde, die ongunstig stemt tegen alle mededingers, maar omdat hij zich geheel verschillend van hen gevoelt door zijne moraal en dat naar zijn oordeel de persoon van den wijsgeer van veel meer belang is dan zijn werk.Het spreekt vanzelf, dat men die zienswijze niet tot in het uiterste moet drijven en onder voorwendsel van Nietzsche’s persoonlijkheid veel belangrijker te vinden dan zijn werk, aan het laatste alle waarde moet ontzeggen; dat zou verkeerd en onrechtvaardig zijn, want volgens mijne vaste overtuiging, kunnen zoowel de historicus als de wijsgeer in zijne werken tal van opmerkingenvinden, die op zichzelve en niet alleen als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid hoogst belangrijk zijn. Elders trachtte ik aan te toonen van hoeveel belang zijne meeningen omtrent Wagner—inR. Wagner in Bayreuthen inDer Fall Wagner—voor den historicus zijn, die zich een juist oordeel over de waarde van den kunstenaar wil maken, en het staat buiten twijfel, dat ook op vele andere punten Nietzsche’s ideeën dienen in aanmerking te komen en eene diepere beschouwing waard zijn. Hiermee bedoel ik, dat de waarde van Nietzsche’s werk niet uitsluitend en zelfs niet hoofdzakelijk in het „objectief” belang ligt, dat zijne ideeën vertegenwoordigen en daaromtrent onderschrijf ik ten volle het oordeel, dat Brandes over hem geeft, als hij hem vergelijkt met zijne gehate tegenstanders, de Engelsche wijsgeeren: „Wanneer men tot hem komt na de Engelsche wijsgeeren bezocht te hebben, dringt men door in eene geheel nieuwe wereld. De Engelschen zijn alleen geduldige geesten, wier overheerschende neiging is alle stukjes aan elkander te hechten en tal van bijzonderheden met elkander te verbinden om zoodoende eene wet te vinden. De besten hunner zijn genieën naar Aristoteles. Zelden oefenen zij door hunne persoonlijkheid eenige aantrekkingskracht uit en hunikheidschijnt meestentijds weinig samengesteld te zijn. Zij zijn meer waard door wat zij doen dan door wat zij zijn. Nietzsche daarentegen is, evenals Schopenhauer, een profeet, een ziener, een kunstenaar; hij heeft minder waarde door wat hij doet dan door wat hij is.”1Om zijn werk naar waarde te kunnen schatten moet men het niet ter hand nemen als een wetenschappelijk boek, waarvan de waarde niet afhangt van de geestelijke hoogte van den schrijver, maar van de hoeveelheid exacte en vooral nieuwe kennis, die het inhoudt. Voor Nietzsche kan dezelfde paradox gelden, die hij op Schopenhauer toepaste, n.l.: de leer van den denker komt er weinig op aan, want elk wijsgeer kan zich vergissen; wat echter meer waarde heeft dan elk systeem is de zielewaarde van den denker zelf: „Er is in een wijsgeer dat, wat men nooit in eene wijsbegeerte vindt; n.l. de oorzaak van vele wijsbegeerten, de groote mensch.”Nog rest ons het tweede bezwaar tegen Nietzsche’s werk te onderzoeken, n.l. dat het, naar veler bewering, uit een moreel oogpunt verderfelijk zou zijn. Het ergst verwijt men Nietzsche zijne reactionnaire neigingen, zijn voorgewend cynisme, zijn dilettantisme, zijn egoïsme en zijne hardheid jegens zwakken, en in Duitschland vooral beschouwt men de verspreiding van zijne leer en de vorming van eene „Nietzsche” school als een publiek gevaar. Welke waarde moet men nu hechten aan die aanvallen, die voortdurend in alle studieën over Nietzsche voorkomen?In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat zekere ideeën van Nietzsche,zoo zij verkeerd begrepen worden, wel degelijk tot schijnbare rechtvaardiging van zeer verkeerde moreele ideeën kunnen dienen; met aphorismen van Nietzsche kan men b.v. het grofste egoïsme en het dolzinnigste dilettantisme trachten te verontschuldigen en toch is het gewis niet genoeg een „arrivist” (om het gangbaar neologisme te gebruiken) of een anarchist in de letteren te zijn, alle soorten van godsdienstige en moreele vooroordeelen over boord te werpen en kalm zijne tijdgenooten te verachten, om met recht te kunnen zeggen, dat men „volgens Nietzsche” leeft. Nietzsche kent geen toegevendheid voor hen, die den Uebermensch spelen willen en Zarathustra vraagt hen, die hem op zijne gevaarvolle tochten volgen willen, welke hunne rechten zijn:„Zijt gij eene nieuwe kracht en eene nieuwe wet? Eene eerste beweging? Een rad, dat uit zichzelf draait? Kunt gij de sterren dwingen om u heen te draaien?Helaas, zoovelen worden verteerd door de ongezonde dorst naar hooger, zoovelen worden door wanhopende eerzucht gekweld. Bewijs mij, dat gij niet een van die dorstigen, van die eerzuchtigen zijt!Helaas, er zijn zoovele groote gedachten, die geen andere uitwerking dan die van een oorvijg hebben, zij doen opzwellen en geven meer leegte.Gij beweert vrij te zijn! Maar ik wil weten, welke de gedachte is, die u beheerscht en niet wat gij voor last hebt afgeschud.Behoort gij tot hen, die het recht hebben een last af te schudden? Want er zijn er, die met de dienstbaarheid, waarin zijleefden, alles hebben afgeworpen, wat hun eenige waarde gaf.”2Nietzsche verkondigt zeer duidelijk, dat zijn leer slechts een klein getal uitverkorenen geldt en dat de middelmatige menigte in gehoorzaamheid en geloof moet leven. Men heeft dus geen recht zijne theorieën te veroordeelen alleen omdat middelmatigen en onmachtigen, overloopende van ijdelheid, aan hem enkele voorschriften, willekeurig afgescheiden van het geheel zijner leer, ontleenen om hunne egoïste genotzucht of hun buitensporigen drang naar grootheid te rechtvaardigen.Vele moralisten echter veroordeelen niet alleen de duidelijke buitensporigheden van enkele weinig aanbevelenswaardige apostels van den Uebermensch, maar beschouwen de authentieke en juist opgevatte leer van Nietzsche als gevaarlijk.Wat nu beteekent hun vijandig oordeel?Nietzsche is beslist individualist en dat op zichzelf is voldoende om hem in zekeren zina prioride afkeuring van vele geesten op den hals te halen, want in werkelijkheid is de hedendaagsche mensch tegelijk individu en „dier der kudde” (zooals Nietzsche zegt), hij is ook lid van eene meer of minder belangrijke groep, van een gezin, een volk, van de menschheid. Hij zoekt dus voor zich geluk, macht en volkomenheid en hij zoekt tevens geluk, macht en ontwikkeling voor de kudde, waartoe hij behoort. In de practijk doen zich trouwens in het leven van elk individu tal van gevallen voor, die naar zijne overtuiging—terecht of ten onrecht—strijd verwekken tusschen zijn persoonlijk belang en het belang der kudde; het is dus hoofdzaak voor hem te weten welk der beide belangen wijken moet ter wille van het ander. Nu komt het mij voor, dat die keuze alleen plaats kan hebben uit geloofsovertuiging of als eene soort weddingschap. Wij wedden eigenlijk altijd en moeten het wel doen door onze daden, en meestal ook theoretisch door een of ander moreel beginsel aan te nemen of op eene andere wijze goed en kwaad te bepalen. Door het feit dus, dat alle menschen tegelijk individu en „dier der kudde” zijn, bestaan er twee hoofdsoorten van weddingschappen, die in den mensch de overhand hebben al naar gelang de zorg voor zijneeigen persoon of die voor de kudde, waartoe hij behoort, het sterkst spreekt. De een heeft de neiging, hetzij door daden, hetzij in beginsel zijn eigen geluk of de volmaking van zijne eigen persoonlijkheid aan het belang der kudde op te offeren—hij wedt dus ten gunste van de altruïstische moraal; de ander is daarentegen geneigd het geluk of de volmaaktheid der kudde aan het belang zijner persoonlijkheid te onderwerpen—hij wedt dus ten gunste van de individualistische moraal. Nietzsche, zooals wij gezien hebben, wedt uitsluitend voor het individu. De meerderheid der beschaafde menschen nu, in onze dagen, wedt zooal niet in daden, toch minstens in theorie door de stellingen, die zij verkondigt, ten gunste van de moraal der „kudde” en die volkomen radicale tegenstelling van beginselen is voldoende om tusschen Nietzsche en de aanhangers der democratische en humanitaire leer eeneonvermijdelijkevijandschap te stichten, want de afschuw, dien de „kudde” voor Nietzsche ondervindt, is de natuurlijke terugslag van den verwoeden haat, dien hijzelf gevoelt tegen de voorstanders van het altruïsme.3Het is evenwel niet noodig op onverdraagzame wijze ten gunste van eene der beide fundamenteele strekkingen te wedden, want men kan ook individualisme en altruïsme beiden voor wettig houden en zich eene „harmonische” ontwikkeling van elk dier beide strekkingen voorstellen. Ik geloof trouwens, dat niemand zeggen kan door zijne daden op streng consequente wijze, hetzij ten gunste van zuiver individualisme of van een beslist altruïsme te hebben gewed, en zoo aarzelt men ook hoe langer hoe meer, ook in theorie, de individualistische en vooral ook den kuddegeest, zooals Nietzsche doet, te veroordeelen. Men neemt de hierarchie der neigingen aan en erkent, dat die hierarchietot zekere mate van het eene tijdstip op het andere, van het eene volk op het andere en zelfs van het eene individu op het andere veranderen kan. Welnu, zoodra men zich op dat standpunt plaatst, kan men over Nietzsche’s werk niet langer een beslist oordeel vellen. Men zal b.v. als volgt kunnen redeneeren: Nietzsche’s moraal is een der zuiverste typen van individualistische en aristocratische moraal, een schoon en logisch specimen van moreele weddingschap en uit dien hoofde is zij reeds een waardevol document voor allen, die stijl en eenheid in hun leven willen brengen—evenzoo goed als Tolstoï’s moraal b.v., die eene niet minder logische weddingschap is, gegrond op eene hypothese die bijna lijnrecht tegenover die van Nietzsche staat. Het feit trouwens dat Nietzsche eeneradicaleoplossing van het moreele vraagstuk geeft, sluit de waarschijnlijkheid uit, dat hem velen hetzij practisch of theoretisch volgen zullen en zijn werken zullen voortzetten, want om de leer van den Uebermensch werkelijk in praktijk te brengen moet men eene dosis geestkracht bezitten, zooals hoogst zelden voorkomt en Nietzsche erkent zelf, dat die zoo buitengewoon beschaafde wezens, die hij zich als genieën voorstelde, wellicht nooit anders dan in zijne verbeelding bestaan hebben. Daarbij is het moeilijk om, van het theoretisch standpunt uit, veel verder te gaan dan Nietzsche; enkelen zijner volgelingen als Alexander Tille4of Rudolf Steiner5hebben op eenigepunten de leer van hun meester kunnen voltooien of verbeteren, maar het schijnt juist om den bijzonderen en vèrstrevenden aard van zijne leer, niet denkbaar, dat hij ooit de stichter eener school zal zijn; hij zal naar alle waarschijnlijkheid een „eenzame” zijn voor het nageslacht, zooals hij het geweest is in zijn denkersleven. Daarentegen ligt het in den aard der zaak, dat zijne leer misschien een vrij aanzienlijken invloed kan uitoefenen door, hetzij in het individu, hetzij in een volk de individualistische neigingen te versterken en ons oordeel over dien invloed kan goed of slecht zijn naarmate het individu of het volk is, waarop hij wordt uitgeoefend, want die invloed kan natuurlijk het moreel evenwicht van menschen, wieregoïstischeneigingen toch reeds uitermate ontwikkeld zijn, helpen verstoren, maar hij kan ook omgekeerd andere naturen tot harmonie voeren door hen tegen zekere uitersten en gevaren der verschillende vormen van humanitaire, democratische of ascetische moraal te wapenen, en van uit dat oogpunt kan Nietzsche’s werk, dunkt mij, een weldadigen invloed uitoefenen op onzen tijd, die niet juist door overvloed van physieke en moreele geestkracht uitmunt.Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid, hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen, weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden „medelijden,”„naastenliefde,” „belangeloosheid,” schuilgaat, scherperaan het licht gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart; hij geneest zijne zieken òf volkomen—òf hij doodt hen. De menigte gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt zelfs den naam van „beul”; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid, zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten, dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest; daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen, trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.1Brandes. Menschen u. Werke, 199.↑2D. VI, 91.↑3Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een verstokt „egoïst” zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door „auto-suppressie” in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den „arrivist,” en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.↑4A. Tille, de schrijver van „Von Darwin bis Nietzsche” (Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd, vereenigbaar met „de humanitaire en democratische christelijke ethica” en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het „ja” van Darwin een beslist „neen” werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.↑5R. Steiner is de schrijver van „Wahrheit und Wissenschaft” en van „Die Philosophie der Freiheit” (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk vulthij Nietzsche’s theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen, zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden; daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn „Uebermensch” niet vrij is, maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben, maar tevens, wat hij noemt een „moreele verbeeldingskracht,” die hem in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.↑

HOOFDSTUK VI.Besluit.

Nietzsche heeft het, voor een Duitsch wijsgeer vrij zeldzaam voorrecht genoten, gelezen en betwist te worden niet alleen door mannenvan het vak, maar ook door het groote publiek. In de laatste tien jaren vooral heeft de „Nietzscheliteratuur” aanzienlijke afmetingen verkregen; de meeste tijdschriften en dagbladen op wijsgeerig of letterkundig gebied hebben artikels over Nietzsche’s persoon of over zijne werken gegeven; hij is thans „in de mode” evenals Wagner of Botticelli, Ibsen of Ruskin en tal van denkers aarzelen niet in hem den oorspronkelijksten en diepsten denker van het modern Duitschland, den eersten moralist der eeuw, den Darwin der moraal te zien. Maar, evenals hij zijne enthousiaste aanbidders heeft, bezit hij zijne verwoede tegenstanders, die hem meedoogenloos voor onwetend, dom, verward en voor den verwoester der publieke gezondheid en moraal uitmaken.Tusschen die twee vijandelijke kampen blijft het gros van het publiek, geloof ik,vrijwelbesluiteloos; aan den eenen kant gevoelt het zich aangetrokken door het „modernisme” van Nietzsche en door het schijnbaar vreemde in zijne ideeën, maar aan den anderen kant is het niet vrij van een gevoel van wantrouwen en vraagt het zich af,tot hoeverre men waarde moet hechten aan de schitterende paradoxen van den denker, die in die mate van alle algemeen erkende meeningen afwijkt. Tot besluit dezer studie willen wij trachten de voornaamste tegenwerpingen tegen Nietzsche’s theorieën en de waarde, die wij daaraan hechten, mee te deelen,zonder evenwel zoo dwaas te zijn in enkele bladzijden de „ware” oplossing van de samengestelde en fijne problemen, die het geldt, te willen geven.Nietzsche’s werk is uit tweeërlei oogpunt beoordeeld: enkelen hebben er vooral op gewezen, dat het „dwalingen” bevat, wat feiten of meeningen betrof en anderen hebben meer getracht te bewijzen, dat het uit een moreel oogpunt gevaarlijk was.In de eerste plaats heeft men dus de waarde van Nietzsche’s argumenten ter verklaring zijner stellingen tegengesproken. Hij tracht—om een duidelijk voorbeeld te geven—door argumenten, die hij aan de taalkunde ontleent, te bewijzen: dat de waarden, die door de vroegere beschaving erkend werden, „aristocratisch” waren en in het vervolg der tijden door slavenwaarden vervangen zijn; tot staving van die bewering haalt hij het Latijnschbonusaan, dat hij terugvoert tot een oorspronkelijken vormduomus(vanduo, twee) en verklaart door „mensch van tweedracht, van strijd”; zoo ook brengt hij het DuitschGutovereen met het woordGoden den volksnaamGothenen haalt hij de verschillende beteekenissen aan van het Duitschschlecht,schlicht, dat zoowel eenvoudig, algemeen (ein schlichter Mann, een man van het volk) als slecht beteekent. Bréal nu constateert, dat de meeste taalkundige bewijzen, die Nietzsche aanhaalt, onjuist of verkeerd uitgelegd zijn. Ook heeft men op grond der anthropologie en der geschiedenis de hypothese van het blonde, eenzame „roofdier”, dat Nietzsche aan den oorsprong der Europeesche beschaving veronderstelt, tegengesproken. Het schijnt, dat de voorhistorische mensch zelfs al het „dier eener kudde” was, dat gevoelens van sympathie en solidariteit reeds bij hoogere apensoorten voorkomen en dat de Germaan van den tijd der groote strooptochten, die bij Nietzsche juist de hoofdrol speelde, toen hij zijn beeld van den „blonden wilde” gaf, een krachtig, maar vreedzaam landman was, die geen oorlog voerde ter wille van moord en doodslag, maar om bebouwbaren grond te veroveren. De meeste van Nietzsche’s historische theorieën, zijne hypothese van de „Joodsche opheffing der slaven”, zijne portretten van Jezus en den apostel Paulus in deAntichrist, zijne stellingen omtrent de ontwikkeling van het Christendom en de ascetische moraal, zijne meeningen over de Hervorming enLuthers rol zijn uitgemaakt voor fabels; zijne psychologische analysen, zijne verklaring van „slecht geweten”, zijne theorieën over het begrip „zonde” teruggebracht tot het materieel begrip „schuld”, zij allen zijn valsch verklaard en het ideaal van den Uebermensch naar zijne opvatting heeft men uit een biologisch oogpunt gecritiseerd:„De biologische waarheid, zegt Nordau, is, dat een voortdurende zelfdwang eene noodzakelijke levensvoorwaarde is voor sterken en zwakken; hij is de werkzaamheid der hoogste en menschelijkste hersencentra en zoo deze niet geoefend worden, sterven zij uit, d.w.z. de mensch houdt dan op mensch te zijn en de zoogenaamde „Uebermensch” wordt een „Untermensch” of dier; door de ontspanning of opheffing der remkrachten van de hersenen vervalt het organisme zonder genade aan de anarchie van zijn constitutief gedeelte en die anarchie leidt onverbiddelijk tot verval, ziekte, waanzin en dood.” Ten slotte is ook de leer van het „Eeuwig Wederkeeren” door niemand geloofd en zelfs een criticus als Brandes, die Nietzsche zoozeer toegedaan was, noemt Zarathustra’s mysticisme „weinig overtuigend.”Welke gevolgtrekkingen moet men nu met het oog op de waarde van Nietzsche’s werk uit al die kritieken maken?In de eerste plaats moeten wij vaststellen, dat Nietzsche zich, vooral in de tweede periode van zijn bestaan, niet uitgeeft voor een geleerde en er ook niet voor zou kunnen doorgaan, want zijne gezondheid en vooral de toestand van zijne oogen verbood hem gedurende vele jaren bijna geheel alle soorten van lectuur en hij is specialist geweest uitsluitend in de philologie, waarvan hij van af 1879 met meer op de hoogte bleef. In alle andere takken van natuurlijke of historische wetenschappen is hij slechts dilettant, wat hij ook gaarne erkent, want hij stelt zich niet tot taak deze of gene tak der wetenschap te bevorderen of de resultaten der wetenschap te verspreiden, maar hij wil uitsluitend nieuwe problemen vormen of oude problemen onder nieuwe vormen stellen; het is zijn verlangen niet op de wetenschap zelve, maar op de ziel der geleerden te werken en daarom heeft hij in zekeren zin gelijk slechts eene ondergeschikte waarde te hechten aan de feiten, waarmee hij zijne theorieën bijlicht. Zijne etymologie en zijne hypothesen omtrent de verschillende beteekenissen der woordenb.v. zijn in waarheid noch heel zeker, noch heel overtuigend, maar dat laat hem eigenlijk koud, want de feiten, die hij aanhaalt, dienen in zijne gedachten bovenal om aan te toonen, hoe men de studie der moreele vraagstukken met behulp van taalkundezou kunnenaanvaarden en om de taalkundigen aan te sporen hunne onderzoekingen in die richting te sturen; de intrinsieke waarde van zijne beweringen is in zijne oogen van geheel ondergeschikt belang en al bleef er geen enkele van zijne technische opmerkingen over, dan zou Nietzsche toch ondanks alles volgens eigen opvatting een nuttigen arbeid geleverd hebben, zoo het hem gelukken mocht door zijne opmerkingen de nieuwsgierigheid van een taalkundige te prikkelen en hem aan te sporen die soort vraagstukken onder handen te nemen. Nu heeft men zich juist in den laatsten tijd veel moeite gegeven om door middel van taalkundige feiten sociale feiten te verklaren en zich in ’t bijzonder door vergelijkende taalstudie een denkbeeld der voorhistorische beschaving te maken. Daarmee bedoel ik niet Nietzsche de eer te geven van die coïncidentie, maar alleen aan te toonen hoe een idee door hem geuit en op waarschijnlijk onjuiste feiten gebaseerd, daarom nog niet van belang ontbloot behoeft te zijn.Daarbij moet men, om de waarde van de mogelijke „fouten” in Nietzsche’s theorieën juist te beoordeelen, niet vergeten, dat zijn geheele werk volkomen subjectief is, terwijl juist de vereering van deobjectievewaarheid, zooals Nietzsche terecht opmerkt, de sterkst moderne vorm van het godsdienstgevoel is. Wij eischen instinctmatig van den geleerde een diep ontzag voor de werkelijkheid en verlangen hem zoo onpartijdig en zoo onpersoonlijk mogelijk te zien. Wel weten wij in waarheid, dat zuiver objectivisme slechts een lokaas is en dat niemand zijne persoonlijkheid volkomen af kan schudden en de dingen zien kan, zooals zij werkelijk zijn; dat alle waarheid dus in zekere mate individueel is en dat de hoofdzaak van een wetenschappelijk werk wellicht niet in datgene bestaat, dat de schrijver aan de werkelijkheid heeft ontleend, maar veeleer in dat, wat hij er zelf in gelegd heeft. Desondanks gelooven wij ontegenzeggelijk in eene „objectieve” of, wat op hetzelfde neerkomt, „algemeen subjectieve” waarheid en stellen wij over het algemeen een schrijver hooger, naarmate hij met wat wijnoemen de objectieve waarheid meer blijkt overeen te komen. Natuurlijk kunnen wij ook op Nietzsche dien maatstaf toepassen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat Nietzschein de eerste plaatszichzelf heeft willen zoeken en leeren kennen. Wij hebben gezien hoe hij, volgens zijn eigen bekentenis, zijne opvoeders Schopenhauer en Wagner heeft beschouwd, hoe het hem steeds minder te doen is geweest om te weten wat zijop zichzelvewaren dan om hetgeen zij hem omtrentzijn eigenpersoon konden openbaren; hij heeft eene „legende” van hen gemaakt, waarvan de objectieve waarheid ten zeerste is tegengesproken, en hij heeft zelf erkend, dat hij in werkelijkheid inSchopenhauer als Erzieheren inR. Wagner in Bayreuthzichzelf zoowel als wijsgeer als als artiest beschreven heeft. Met dezelfde oogen nu als hij Schopenhauer en Wagner heeft aangezien, bekeek Nietzsche in zekeren zin de geheele werkelijkheid; hij heeft haar in buitengewoon eigenaardige en aantrekkelijke legenden veranderd, die evenwel misschien belangrijker zijn als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid dan als beschrijving of verklaring der uiterlijke wereld. Nu is het duidelijk, dat het, zoodra men zich op dat standpunt plaatst om Nietzsche’s werk te beoordeelen, van ondergeschikt belang is te weten of zijne ideeën omtrent een of ander punt in de geschiedenis, de anthropologie of de biologie, al of niet met die ideeën overeenkomen, die algemeen erkend worden als objectieve waarheid, en om diezelfde reden is het ook, om Nietzsche’s waarde op prijs te stellen, van geen hoofdbelang, uitvoerig na te gaan wat hij aan zijne voorgangers te danken heeft gehad. Wel is het zeker, dat hij, ondanks zijn trachten naar volkomen oorspronkelijkheid, bewust of onbewust den invloed zijner tijdgenooten heeft ondergaan en dat zijne gedachten, gezuiverd van de aanvallende en paradoxale wending, die zijne pen er aan geeft, dikwijls veel minder nieuw blijken te zijn dan ons bij den eersten aanblik toescheen. Het onverdraagzaam individualisme, de vereering der ikheid, de vijandigheid tegen den staat, het protest tegen de leer van gelijkheid, de vereering der menschheid vindt men alle, bijna even sterk uitgesproken als bij Nietzsche, terug bij een half vergeten denker, Max Stirner, wiens voornaamste werk: „Der Einzige und seinEigenthum” (1843) de moeite waard is van uit dat oogpunt met Nietzsche’s geschriften vergeleken te worden.De ontwikkeling van de persoonlijkheid, van de „eenige” en onvergelijkelijke ikheid is ook de voornaamste leerstelling van den Deen Sören Kierkegaard, die door zijne Christelijke neigingen daarentegen volkomen van Nietzsche’s ideeën afwijkt.Het aristocratisch ideaal, dat Nietzsche zoo hoog stelt, komt voor in de correspondentie van Flaubert en vooral in deDialogues Philosophiquesvan Renan; in Eugen Dühring vindt Nietzsche een medestrijder tegen het pessimisme en met Edouard de Hartmann deelt hij zijn afkeer van socialisten en anarchisten, het geloof in de ongelijkheid der menschen en den beschavenden invloed van den oorlog en de overtuiging, dat het medelijden niet als de basis van alle moraal beschouwd kan worden. Zijne leer van het Eeuwig Wederkeeren komt reeds voor inl’Éternitépar les astresvan Blanqui en inl’Homme et les Sociétésvan Dr. Le Bon. Maar, al kan men gemakkelijk bewijzen dat Nietzsche door zijne leerstellingen bij dezen of genen zijner tijdgenooten vergeleken kan worden, zoo moet men toch toegeven, dat hij juist door zijne persoonlijkheid hemelsbreed verschilt van hen, die omtrent zekere punten dezelfde ideeën verkondigen als hij. En hij gevoelt zelfs eene instinctmatige en zeer oprechte antipathie tegen de meesten van die zoogenaamde bondgenooten; in Renan haat hij de priesternatuur; Hartmann maakt hij uit voor kwakzalver en Dühring verfoeit hij, omdat hij een in den grond „plebeïschen” geest, eene soort karikatuur van zichzelf in hem ziet. Hij is er blijkbaar ten zeerste op gesteld niet met hen verward te worden, niet uit schrijverseigenliefde, die ongunstig stemt tegen alle mededingers, maar omdat hij zich geheel verschillend van hen gevoelt door zijne moraal en dat naar zijn oordeel de persoon van den wijsgeer van veel meer belang is dan zijn werk.Het spreekt vanzelf, dat men die zienswijze niet tot in het uiterste moet drijven en onder voorwendsel van Nietzsche’s persoonlijkheid veel belangrijker te vinden dan zijn werk, aan het laatste alle waarde moet ontzeggen; dat zou verkeerd en onrechtvaardig zijn, want volgens mijne vaste overtuiging, kunnen zoowel de historicus als de wijsgeer in zijne werken tal van opmerkingenvinden, die op zichzelve en niet alleen als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid hoogst belangrijk zijn. Elders trachtte ik aan te toonen van hoeveel belang zijne meeningen omtrent Wagner—inR. Wagner in Bayreuthen inDer Fall Wagner—voor den historicus zijn, die zich een juist oordeel over de waarde van den kunstenaar wil maken, en het staat buiten twijfel, dat ook op vele andere punten Nietzsche’s ideeën dienen in aanmerking te komen en eene diepere beschouwing waard zijn. Hiermee bedoel ik, dat de waarde van Nietzsche’s werk niet uitsluitend en zelfs niet hoofdzakelijk in het „objectief” belang ligt, dat zijne ideeën vertegenwoordigen en daaromtrent onderschrijf ik ten volle het oordeel, dat Brandes over hem geeft, als hij hem vergelijkt met zijne gehate tegenstanders, de Engelsche wijsgeeren: „Wanneer men tot hem komt na de Engelsche wijsgeeren bezocht te hebben, dringt men door in eene geheel nieuwe wereld. De Engelschen zijn alleen geduldige geesten, wier overheerschende neiging is alle stukjes aan elkander te hechten en tal van bijzonderheden met elkander te verbinden om zoodoende eene wet te vinden. De besten hunner zijn genieën naar Aristoteles. Zelden oefenen zij door hunne persoonlijkheid eenige aantrekkingskracht uit en hunikheidschijnt meestentijds weinig samengesteld te zijn. Zij zijn meer waard door wat zij doen dan door wat zij zijn. Nietzsche daarentegen is, evenals Schopenhauer, een profeet, een ziener, een kunstenaar; hij heeft minder waarde door wat hij doet dan door wat hij is.”1Om zijn werk naar waarde te kunnen schatten moet men het niet ter hand nemen als een wetenschappelijk boek, waarvan de waarde niet afhangt van de geestelijke hoogte van den schrijver, maar van de hoeveelheid exacte en vooral nieuwe kennis, die het inhoudt. Voor Nietzsche kan dezelfde paradox gelden, die hij op Schopenhauer toepaste, n.l.: de leer van den denker komt er weinig op aan, want elk wijsgeer kan zich vergissen; wat echter meer waarde heeft dan elk systeem is de zielewaarde van den denker zelf: „Er is in een wijsgeer dat, wat men nooit in eene wijsbegeerte vindt; n.l. de oorzaak van vele wijsbegeerten, de groote mensch.”Nog rest ons het tweede bezwaar tegen Nietzsche’s werk te onderzoeken, n.l. dat het, naar veler bewering, uit een moreel oogpunt verderfelijk zou zijn. Het ergst verwijt men Nietzsche zijne reactionnaire neigingen, zijn voorgewend cynisme, zijn dilettantisme, zijn egoïsme en zijne hardheid jegens zwakken, en in Duitschland vooral beschouwt men de verspreiding van zijne leer en de vorming van eene „Nietzsche” school als een publiek gevaar. Welke waarde moet men nu hechten aan die aanvallen, die voortdurend in alle studieën over Nietzsche voorkomen?In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat zekere ideeën van Nietzsche,zoo zij verkeerd begrepen worden, wel degelijk tot schijnbare rechtvaardiging van zeer verkeerde moreele ideeën kunnen dienen; met aphorismen van Nietzsche kan men b.v. het grofste egoïsme en het dolzinnigste dilettantisme trachten te verontschuldigen en toch is het gewis niet genoeg een „arrivist” (om het gangbaar neologisme te gebruiken) of een anarchist in de letteren te zijn, alle soorten van godsdienstige en moreele vooroordeelen over boord te werpen en kalm zijne tijdgenooten te verachten, om met recht te kunnen zeggen, dat men „volgens Nietzsche” leeft. Nietzsche kent geen toegevendheid voor hen, die den Uebermensch spelen willen en Zarathustra vraagt hen, die hem op zijne gevaarvolle tochten volgen willen, welke hunne rechten zijn:„Zijt gij eene nieuwe kracht en eene nieuwe wet? Eene eerste beweging? Een rad, dat uit zichzelf draait? Kunt gij de sterren dwingen om u heen te draaien?Helaas, zoovelen worden verteerd door de ongezonde dorst naar hooger, zoovelen worden door wanhopende eerzucht gekweld. Bewijs mij, dat gij niet een van die dorstigen, van die eerzuchtigen zijt!Helaas, er zijn zoovele groote gedachten, die geen andere uitwerking dan die van een oorvijg hebben, zij doen opzwellen en geven meer leegte.Gij beweert vrij te zijn! Maar ik wil weten, welke de gedachte is, die u beheerscht en niet wat gij voor last hebt afgeschud.Behoort gij tot hen, die het recht hebben een last af te schudden? Want er zijn er, die met de dienstbaarheid, waarin zijleefden, alles hebben afgeworpen, wat hun eenige waarde gaf.”2Nietzsche verkondigt zeer duidelijk, dat zijn leer slechts een klein getal uitverkorenen geldt en dat de middelmatige menigte in gehoorzaamheid en geloof moet leven. Men heeft dus geen recht zijne theorieën te veroordeelen alleen omdat middelmatigen en onmachtigen, overloopende van ijdelheid, aan hem enkele voorschriften, willekeurig afgescheiden van het geheel zijner leer, ontleenen om hunne egoïste genotzucht of hun buitensporigen drang naar grootheid te rechtvaardigen.Vele moralisten echter veroordeelen niet alleen de duidelijke buitensporigheden van enkele weinig aanbevelenswaardige apostels van den Uebermensch, maar beschouwen de authentieke en juist opgevatte leer van Nietzsche als gevaarlijk.Wat nu beteekent hun vijandig oordeel?Nietzsche is beslist individualist en dat op zichzelf is voldoende om hem in zekeren zina prioride afkeuring van vele geesten op den hals te halen, want in werkelijkheid is de hedendaagsche mensch tegelijk individu en „dier der kudde” (zooals Nietzsche zegt), hij is ook lid van eene meer of minder belangrijke groep, van een gezin, een volk, van de menschheid. Hij zoekt dus voor zich geluk, macht en volkomenheid en hij zoekt tevens geluk, macht en ontwikkeling voor de kudde, waartoe hij behoort. In de practijk doen zich trouwens in het leven van elk individu tal van gevallen voor, die naar zijne overtuiging—terecht of ten onrecht—strijd verwekken tusschen zijn persoonlijk belang en het belang der kudde; het is dus hoofdzaak voor hem te weten welk der beide belangen wijken moet ter wille van het ander. Nu komt het mij voor, dat die keuze alleen plaats kan hebben uit geloofsovertuiging of als eene soort weddingschap. Wij wedden eigenlijk altijd en moeten het wel doen door onze daden, en meestal ook theoretisch door een of ander moreel beginsel aan te nemen of op eene andere wijze goed en kwaad te bepalen. Door het feit dus, dat alle menschen tegelijk individu en „dier der kudde” zijn, bestaan er twee hoofdsoorten van weddingschappen, die in den mensch de overhand hebben al naar gelang de zorg voor zijneeigen persoon of die voor de kudde, waartoe hij behoort, het sterkst spreekt. De een heeft de neiging, hetzij door daden, hetzij in beginsel zijn eigen geluk of de volmaking van zijne eigen persoonlijkheid aan het belang der kudde op te offeren—hij wedt dus ten gunste van de altruïstische moraal; de ander is daarentegen geneigd het geluk of de volmaaktheid der kudde aan het belang zijner persoonlijkheid te onderwerpen—hij wedt dus ten gunste van de individualistische moraal. Nietzsche, zooals wij gezien hebben, wedt uitsluitend voor het individu. De meerderheid der beschaafde menschen nu, in onze dagen, wedt zooal niet in daden, toch minstens in theorie door de stellingen, die zij verkondigt, ten gunste van de moraal der „kudde” en die volkomen radicale tegenstelling van beginselen is voldoende om tusschen Nietzsche en de aanhangers der democratische en humanitaire leer eeneonvermijdelijkevijandschap te stichten, want de afschuw, dien de „kudde” voor Nietzsche ondervindt, is de natuurlijke terugslag van den verwoeden haat, dien hijzelf gevoelt tegen de voorstanders van het altruïsme.3Het is evenwel niet noodig op onverdraagzame wijze ten gunste van eene der beide fundamenteele strekkingen te wedden, want men kan ook individualisme en altruïsme beiden voor wettig houden en zich eene „harmonische” ontwikkeling van elk dier beide strekkingen voorstellen. Ik geloof trouwens, dat niemand zeggen kan door zijne daden op streng consequente wijze, hetzij ten gunste van zuiver individualisme of van een beslist altruïsme te hebben gewed, en zoo aarzelt men ook hoe langer hoe meer, ook in theorie, de individualistische en vooral ook den kuddegeest, zooals Nietzsche doet, te veroordeelen. Men neemt de hierarchie der neigingen aan en erkent, dat die hierarchietot zekere mate van het eene tijdstip op het andere, van het eene volk op het andere en zelfs van het eene individu op het andere veranderen kan. Welnu, zoodra men zich op dat standpunt plaatst, kan men over Nietzsche’s werk niet langer een beslist oordeel vellen. Men zal b.v. als volgt kunnen redeneeren: Nietzsche’s moraal is een der zuiverste typen van individualistische en aristocratische moraal, een schoon en logisch specimen van moreele weddingschap en uit dien hoofde is zij reeds een waardevol document voor allen, die stijl en eenheid in hun leven willen brengen—evenzoo goed als Tolstoï’s moraal b.v., die eene niet minder logische weddingschap is, gegrond op eene hypothese die bijna lijnrecht tegenover die van Nietzsche staat. Het feit trouwens dat Nietzsche eeneradicaleoplossing van het moreele vraagstuk geeft, sluit de waarschijnlijkheid uit, dat hem velen hetzij practisch of theoretisch volgen zullen en zijn werken zullen voortzetten, want om de leer van den Uebermensch werkelijk in praktijk te brengen moet men eene dosis geestkracht bezitten, zooals hoogst zelden voorkomt en Nietzsche erkent zelf, dat die zoo buitengewoon beschaafde wezens, die hij zich als genieën voorstelde, wellicht nooit anders dan in zijne verbeelding bestaan hebben. Daarbij is het moeilijk om, van het theoretisch standpunt uit, veel verder te gaan dan Nietzsche; enkelen zijner volgelingen als Alexander Tille4of Rudolf Steiner5hebben op eenigepunten de leer van hun meester kunnen voltooien of verbeteren, maar het schijnt juist om den bijzonderen en vèrstrevenden aard van zijne leer, niet denkbaar, dat hij ooit de stichter eener school zal zijn; hij zal naar alle waarschijnlijkheid een „eenzame” zijn voor het nageslacht, zooals hij het geweest is in zijn denkersleven. Daarentegen ligt het in den aard der zaak, dat zijne leer misschien een vrij aanzienlijken invloed kan uitoefenen door, hetzij in het individu, hetzij in een volk de individualistische neigingen te versterken en ons oordeel over dien invloed kan goed of slecht zijn naarmate het individu of het volk is, waarop hij wordt uitgeoefend, want die invloed kan natuurlijk het moreel evenwicht van menschen, wieregoïstischeneigingen toch reeds uitermate ontwikkeld zijn, helpen verstoren, maar hij kan ook omgekeerd andere naturen tot harmonie voeren door hen tegen zekere uitersten en gevaren der verschillende vormen van humanitaire, democratische of ascetische moraal te wapenen, en van uit dat oogpunt kan Nietzsche’s werk, dunkt mij, een weldadigen invloed uitoefenen op onzen tijd, die niet juist door overvloed van physieke en moreele geestkracht uitmunt.Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid, hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen, weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden „medelijden,”„naastenliefde,” „belangeloosheid,” schuilgaat, scherperaan het licht gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart; hij geneest zijne zieken òf volkomen—òf hij doodt hen. De menigte gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt zelfs den naam van „beul”; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid, zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten, dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest; daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen, trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.

Nietzsche heeft het, voor een Duitsch wijsgeer vrij zeldzaam voorrecht genoten, gelezen en betwist te worden niet alleen door mannenvan het vak, maar ook door het groote publiek. In de laatste tien jaren vooral heeft de „Nietzscheliteratuur” aanzienlijke afmetingen verkregen; de meeste tijdschriften en dagbladen op wijsgeerig of letterkundig gebied hebben artikels over Nietzsche’s persoon of over zijne werken gegeven; hij is thans „in de mode” evenals Wagner of Botticelli, Ibsen of Ruskin en tal van denkers aarzelen niet in hem den oorspronkelijksten en diepsten denker van het modern Duitschland, den eersten moralist der eeuw, den Darwin der moraal te zien. Maar, evenals hij zijne enthousiaste aanbidders heeft, bezit hij zijne verwoede tegenstanders, die hem meedoogenloos voor onwetend, dom, verward en voor den verwoester der publieke gezondheid en moraal uitmaken.

Tusschen die twee vijandelijke kampen blijft het gros van het publiek, geloof ik,vrijwelbesluiteloos; aan den eenen kant gevoelt het zich aangetrokken door het „modernisme” van Nietzsche en door het schijnbaar vreemde in zijne ideeën, maar aan den anderen kant is het niet vrij van een gevoel van wantrouwen en vraagt het zich af,tot hoeverre men waarde moet hechten aan de schitterende paradoxen van den denker, die in die mate van alle algemeen erkende meeningen afwijkt. Tot besluit dezer studie willen wij trachten de voornaamste tegenwerpingen tegen Nietzsche’s theorieën en de waarde, die wij daaraan hechten, mee te deelen,zonder evenwel zoo dwaas te zijn in enkele bladzijden de „ware” oplossing van de samengestelde en fijne problemen, die het geldt, te willen geven.

Nietzsche’s werk is uit tweeërlei oogpunt beoordeeld: enkelen hebben er vooral op gewezen, dat het „dwalingen” bevat, wat feiten of meeningen betrof en anderen hebben meer getracht te bewijzen, dat het uit een moreel oogpunt gevaarlijk was.

In de eerste plaats heeft men dus de waarde van Nietzsche’s argumenten ter verklaring zijner stellingen tegengesproken. Hij tracht—om een duidelijk voorbeeld te geven—door argumenten, die hij aan de taalkunde ontleent, te bewijzen: dat de waarden, die door de vroegere beschaving erkend werden, „aristocratisch” waren en in het vervolg der tijden door slavenwaarden vervangen zijn; tot staving van die bewering haalt hij het Latijnschbonusaan, dat hij terugvoert tot een oorspronkelijken vormduomus(vanduo, twee) en verklaart door „mensch van tweedracht, van strijd”; zoo ook brengt hij het DuitschGutovereen met het woordGoden den volksnaamGothenen haalt hij de verschillende beteekenissen aan van het Duitschschlecht,schlicht, dat zoowel eenvoudig, algemeen (ein schlichter Mann, een man van het volk) als slecht beteekent. Bréal nu constateert, dat de meeste taalkundige bewijzen, die Nietzsche aanhaalt, onjuist of verkeerd uitgelegd zijn. Ook heeft men op grond der anthropologie en der geschiedenis de hypothese van het blonde, eenzame „roofdier”, dat Nietzsche aan den oorsprong der Europeesche beschaving veronderstelt, tegengesproken. Het schijnt, dat de voorhistorische mensch zelfs al het „dier eener kudde” was, dat gevoelens van sympathie en solidariteit reeds bij hoogere apensoorten voorkomen en dat de Germaan van den tijd der groote strooptochten, die bij Nietzsche juist de hoofdrol speelde, toen hij zijn beeld van den „blonden wilde” gaf, een krachtig, maar vreedzaam landman was, die geen oorlog voerde ter wille van moord en doodslag, maar om bebouwbaren grond te veroveren. De meeste van Nietzsche’s historische theorieën, zijne hypothese van de „Joodsche opheffing der slaven”, zijne portretten van Jezus en den apostel Paulus in deAntichrist, zijne stellingen omtrent de ontwikkeling van het Christendom en de ascetische moraal, zijne meeningen over de Hervorming enLuthers rol zijn uitgemaakt voor fabels; zijne psychologische analysen, zijne verklaring van „slecht geweten”, zijne theorieën over het begrip „zonde” teruggebracht tot het materieel begrip „schuld”, zij allen zijn valsch verklaard en het ideaal van den Uebermensch naar zijne opvatting heeft men uit een biologisch oogpunt gecritiseerd:

„De biologische waarheid, zegt Nordau, is, dat een voortdurende zelfdwang eene noodzakelijke levensvoorwaarde is voor sterken en zwakken; hij is de werkzaamheid der hoogste en menschelijkste hersencentra en zoo deze niet geoefend worden, sterven zij uit, d.w.z. de mensch houdt dan op mensch te zijn en de zoogenaamde „Uebermensch” wordt een „Untermensch” of dier; door de ontspanning of opheffing der remkrachten van de hersenen vervalt het organisme zonder genade aan de anarchie van zijn constitutief gedeelte en die anarchie leidt onverbiddelijk tot verval, ziekte, waanzin en dood.” Ten slotte is ook de leer van het „Eeuwig Wederkeeren” door niemand geloofd en zelfs een criticus als Brandes, die Nietzsche zoozeer toegedaan was, noemt Zarathustra’s mysticisme „weinig overtuigend.”

Welke gevolgtrekkingen moet men nu met het oog op de waarde van Nietzsche’s werk uit al die kritieken maken?

In de eerste plaats moeten wij vaststellen, dat Nietzsche zich, vooral in de tweede periode van zijn bestaan, niet uitgeeft voor een geleerde en er ook niet voor zou kunnen doorgaan, want zijne gezondheid en vooral de toestand van zijne oogen verbood hem gedurende vele jaren bijna geheel alle soorten van lectuur en hij is specialist geweest uitsluitend in de philologie, waarvan hij van af 1879 met meer op de hoogte bleef. In alle andere takken van natuurlijke of historische wetenschappen is hij slechts dilettant, wat hij ook gaarne erkent, want hij stelt zich niet tot taak deze of gene tak der wetenschap te bevorderen of de resultaten der wetenschap te verspreiden, maar hij wil uitsluitend nieuwe problemen vormen of oude problemen onder nieuwe vormen stellen; het is zijn verlangen niet op de wetenschap zelve, maar op de ziel der geleerden te werken en daarom heeft hij in zekeren zin gelijk slechts eene ondergeschikte waarde te hechten aan de feiten, waarmee hij zijne theorieën bijlicht. Zijne etymologie en zijne hypothesen omtrent de verschillende beteekenissen der woordenb.v. zijn in waarheid noch heel zeker, noch heel overtuigend, maar dat laat hem eigenlijk koud, want de feiten, die hij aanhaalt, dienen in zijne gedachten bovenal om aan te toonen, hoe men de studie der moreele vraagstukken met behulp van taalkundezou kunnenaanvaarden en om de taalkundigen aan te sporen hunne onderzoekingen in die richting te sturen; de intrinsieke waarde van zijne beweringen is in zijne oogen van geheel ondergeschikt belang en al bleef er geen enkele van zijne technische opmerkingen over, dan zou Nietzsche toch ondanks alles volgens eigen opvatting een nuttigen arbeid geleverd hebben, zoo het hem gelukken mocht door zijne opmerkingen de nieuwsgierigheid van een taalkundige te prikkelen en hem aan te sporen die soort vraagstukken onder handen te nemen. Nu heeft men zich juist in den laatsten tijd veel moeite gegeven om door middel van taalkundige feiten sociale feiten te verklaren en zich in ’t bijzonder door vergelijkende taalstudie een denkbeeld der voorhistorische beschaving te maken. Daarmee bedoel ik niet Nietzsche de eer te geven van die coïncidentie, maar alleen aan te toonen hoe een idee door hem geuit en op waarschijnlijk onjuiste feiten gebaseerd, daarom nog niet van belang ontbloot behoeft te zijn.

Daarbij moet men, om de waarde van de mogelijke „fouten” in Nietzsche’s theorieën juist te beoordeelen, niet vergeten, dat zijn geheele werk volkomen subjectief is, terwijl juist de vereering van deobjectievewaarheid, zooals Nietzsche terecht opmerkt, de sterkst moderne vorm van het godsdienstgevoel is. Wij eischen instinctmatig van den geleerde een diep ontzag voor de werkelijkheid en verlangen hem zoo onpartijdig en zoo onpersoonlijk mogelijk te zien. Wel weten wij in waarheid, dat zuiver objectivisme slechts een lokaas is en dat niemand zijne persoonlijkheid volkomen af kan schudden en de dingen zien kan, zooals zij werkelijk zijn; dat alle waarheid dus in zekere mate individueel is en dat de hoofdzaak van een wetenschappelijk werk wellicht niet in datgene bestaat, dat de schrijver aan de werkelijkheid heeft ontleend, maar veeleer in dat, wat hij er zelf in gelegd heeft. Desondanks gelooven wij ontegenzeggelijk in eene „objectieve” of, wat op hetzelfde neerkomt, „algemeen subjectieve” waarheid en stellen wij over het algemeen een schrijver hooger, naarmate hij met wat wijnoemen de objectieve waarheid meer blijkt overeen te komen. Natuurlijk kunnen wij ook op Nietzsche dien maatstaf toepassen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat Nietzschein de eerste plaatszichzelf heeft willen zoeken en leeren kennen. Wij hebben gezien hoe hij, volgens zijn eigen bekentenis, zijne opvoeders Schopenhauer en Wagner heeft beschouwd, hoe het hem steeds minder te doen is geweest om te weten wat zijop zichzelvewaren dan om hetgeen zij hem omtrentzijn eigenpersoon konden openbaren; hij heeft eene „legende” van hen gemaakt, waarvan de objectieve waarheid ten zeerste is tegengesproken, en hij heeft zelf erkend, dat hij in werkelijkheid inSchopenhauer als Erzieheren inR. Wagner in Bayreuthzichzelf zoowel als wijsgeer als als artiest beschreven heeft. Met dezelfde oogen nu als hij Schopenhauer en Wagner heeft aangezien, bekeek Nietzsche in zekeren zin de geheele werkelijkheid; hij heeft haar in buitengewoon eigenaardige en aantrekkelijke legenden veranderd, die evenwel misschien belangrijker zijn als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid dan als beschrijving of verklaring der uiterlijke wereld. Nu is het duidelijk, dat het, zoodra men zich op dat standpunt plaatst om Nietzsche’s werk te beoordeelen, van ondergeschikt belang is te weten of zijne ideeën omtrent een of ander punt in de geschiedenis, de anthropologie of de biologie, al of niet met die ideeën overeenkomen, die algemeen erkend worden als objectieve waarheid, en om diezelfde reden is het ook, om Nietzsche’s waarde op prijs te stellen, van geen hoofdbelang, uitvoerig na te gaan wat hij aan zijne voorgangers te danken heeft gehad. Wel is het zeker, dat hij, ondanks zijn trachten naar volkomen oorspronkelijkheid, bewust of onbewust den invloed zijner tijdgenooten heeft ondergaan en dat zijne gedachten, gezuiverd van de aanvallende en paradoxale wending, die zijne pen er aan geeft, dikwijls veel minder nieuw blijken te zijn dan ons bij den eersten aanblik toescheen. Het onverdraagzaam individualisme, de vereering der ikheid, de vijandigheid tegen den staat, het protest tegen de leer van gelijkheid, de vereering der menschheid vindt men alle, bijna even sterk uitgesproken als bij Nietzsche, terug bij een half vergeten denker, Max Stirner, wiens voornaamste werk: „Der Einzige und seinEigenthum” (1843) de moeite waard is van uit dat oogpunt met Nietzsche’s geschriften vergeleken te worden.

De ontwikkeling van de persoonlijkheid, van de „eenige” en onvergelijkelijke ikheid is ook de voornaamste leerstelling van den Deen Sören Kierkegaard, die door zijne Christelijke neigingen daarentegen volkomen van Nietzsche’s ideeën afwijkt.

Het aristocratisch ideaal, dat Nietzsche zoo hoog stelt, komt voor in de correspondentie van Flaubert en vooral in deDialogues Philosophiquesvan Renan; in Eugen Dühring vindt Nietzsche een medestrijder tegen het pessimisme en met Edouard de Hartmann deelt hij zijn afkeer van socialisten en anarchisten, het geloof in de ongelijkheid der menschen en den beschavenden invloed van den oorlog en de overtuiging, dat het medelijden niet als de basis van alle moraal beschouwd kan worden. Zijne leer van het Eeuwig Wederkeeren komt reeds voor inl’Éternitépar les astresvan Blanqui en inl’Homme et les Sociétésvan Dr. Le Bon. Maar, al kan men gemakkelijk bewijzen dat Nietzsche door zijne leerstellingen bij dezen of genen zijner tijdgenooten vergeleken kan worden, zoo moet men toch toegeven, dat hij juist door zijne persoonlijkheid hemelsbreed verschilt van hen, die omtrent zekere punten dezelfde ideeën verkondigen als hij. En hij gevoelt zelfs eene instinctmatige en zeer oprechte antipathie tegen de meesten van die zoogenaamde bondgenooten; in Renan haat hij de priesternatuur; Hartmann maakt hij uit voor kwakzalver en Dühring verfoeit hij, omdat hij een in den grond „plebeïschen” geest, eene soort karikatuur van zichzelf in hem ziet. Hij is er blijkbaar ten zeerste op gesteld niet met hen verward te worden, niet uit schrijverseigenliefde, die ongunstig stemt tegen alle mededingers, maar omdat hij zich geheel verschillend van hen gevoelt door zijne moraal en dat naar zijn oordeel de persoon van den wijsgeer van veel meer belang is dan zijn werk.

Het spreekt vanzelf, dat men die zienswijze niet tot in het uiterste moet drijven en onder voorwendsel van Nietzsche’s persoonlijkheid veel belangrijker te vinden dan zijn werk, aan het laatste alle waarde moet ontzeggen; dat zou verkeerd en onrechtvaardig zijn, want volgens mijne vaste overtuiging, kunnen zoowel de historicus als de wijsgeer in zijne werken tal van opmerkingenvinden, die op zichzelve en niet alleen als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid hoogst belangrijk zijn. Elders trachtte ik aan te toonen van hoeveel belang zijne meeningen omtrent Wagner—inR. Wagner in Bayreuthen inDer Fall Wagner—voor den historicus zijn, die zich een juist oordeel over de waarde van den kunstenaar wil maken, en het staat buiten twijfel, dat ook op vele andere punten Nietzsche’s ideeën dienen in aanmerking te komen en eene diepere beschouwing waard zijn. Hiermee bedoel ik, dat de waarde van Nietzsche’s werk niet uitsluitend en zelfs niet hoofdzakelijk in het „objectief” belang ligt, dat zijne ideeën vertegenwoordigen en daaromtrent onderschrijf ik ten volle het oordeel, dat Brandes over hem geeft, als hij hem vergelijkt met zijne gehate tegenstanders, de Engelsche wijsgeeren: „Wanneer men tot hem komt na de Engelsche wijsgeeren bezocht te hebben, dringt men door in eene geheel nieuwe wereld. De Engelschen zijn alleen geduldige geesten, wier overheerschende neiging is alle stukjes aan elkander te hechten en tal van bijzonderheden met elkander te verbinden om zoodoende eene wet te vinden. De besten hunner zijn genieën naar Aristoteles. Zelden oefenen zij door hunne persoonlijkheid eenige aantrekkingskracht uit en hunikheidschijnt meestentijds weinig samengesteld te zijn. Zij zijn meer waard door wat zij doen dan door wat zij zijn. Nietzsche daarentegen is, evenals Schopenhauer, een profeet, een ziener, een kunstenaar; hij heeft minder waarde door wat hij doet dan door wat hij is.”1Om zijn werk naar waarde te kunnen schatten moet men het niet ter hand nemen als een wetenschappelijk boek, waarvan de waarde niet afhangt van de geestelijke hoogte van den schrijver, maar van de hoeveelheid exacte en vooral nieuwe kennis, die het inhoudt. Voor Nietzsche kan dezelfde paradox gelden, die hij op Schopenhauer toepaste, n.l.: de leer van den denker komt er weinig op aan, want elk wijsgeer kan zich vergissen; wat echter meer waarde heeft dan elk systeem is de zielewaarde van den denker zelf: „Er is in een wijsgeer dat, wat men nooit in eene wijsbegeerte vindt; n.l. de oorzaak van vele wijsbegeerten, de groote mensch.”

Nog rest ons het tweede bezwaar tegen Nietzsche’s werk te onderzoeken, n.l. dat het, naar veler bewering, uit een moreel oogpunt verderfelijk zou zijn. Het ergst verwijt men Nietzsche zijne reactionnaire neigingen, zijn voorgewend cynisme, zijn dilettantisme, zijn egoïsme en zijne hardheid jegens zwakken, en in Duitschland vooral beschouwt men de verspreiding van zijne leer en de vorming van eene „Nietzsche” school als een publiek gevaar. Welke waarde moet men nu hechten aan die aanvallen, die voortdurend in alle studieën over Nietzsche voorkomen?

In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat zekere ideeën van Nietzsche,zoo zij verkeerd begrepen worden, wel degelijk tot schijnbare rechtvaardiging van zeer verkeerde moreele ideeën kunnen dienen; met aphorismen van Nietzsche kan men b.v. het grofste egoïsme en het dolzinnigste dilettantisme trachten te verontschuldigen en toch is het gewis niet genoeg een „arrivist” (om het gangbaar neologisme te gebruiken) of een anarchist in de letteren te zijn, alle soorten van godsdienstige en moreele vooroordeelen over boord te werpen en kalm zijne tijdgenooten te verachten, om met recht te kunnen zeggen, dat men „volgens Nietzsche” leeft. Nietzsche kent geen toegevendheid voor hen, die den Uebermensch spelen willen en Zarathustra vraagt hen, die hem op zijne gevaarvolle tochten volgen willen, welke hunne rechten zijn:

„Zijt gij eene nieuwe kracht en eene nieuwe wet? Eene eerste beweging? Een rad, dat uit zichzelf draait? Kunt gij de sterren dwingen om u heen te draaien?

Helaas, zoovelen worden verteerd door de ongezonde dorst naar hooger, zoovelen worden door wanhopende eerzucht gekweld. Bewijs mij, dat gij niet een van die dorstigen, van die eerzuchtigen zijt!

Helaas, er zijn zoovele groote gedachten, die geen andere uitwerking dan die van een oorvijg hebben, zij doen opzwellen en geven meer leegte.

Gij beweert vrij te zijn! Maar ik wil weten, welke de gedachte is, die u beheerscht en niet wat gij voor last hebt afgeschud.

Behoort gij tot hen, die het recht hebben een last af te schudden? Want er zijn er, die met de dienstbaarheid, waarin zijleefden, alles hebben afgeworpen, wat hun eenige waarde gaf.”2

Nietzsche verkondigt zeer duidelijk, dat zijn leer slechts een klein getal uitverkorenen geldt en dat de middelmatige menigte in gehoorzaamheid en geloof moet leven. Men heeft dus geen recht zijne theorieën te veroordeelen alleen omdat middelmatigen en onmachtigen, overloopende van ijdelheid, aan hem enkele voorschriften, willekeurig afgescheiden van het geheel zijner leer, ontleenen om hunne egoïste genotzucht of hun buitensporigen drang naar grootheid te rechtvaardigen.

Vele moralisten echter veroordeelen niet alleen de duidelijke buitensporigheden van enkele weinig aanbevelenswaardige apostels van den Uebermensch, maar beschouwen de authentieke en juist opgevatte leer van Nietzsche als gevaarlijk.

Wat nu beteekent hun vijandig oordeel?

Nietzsche is beslist individualist en dat op zichzelf is voldoende om hem in zekeren zina prioride afkeuring van vele geesten op den hals te halen, want in werkelijkheid is de hedendaagsche mensch tegelijk individu en „dier der kudde” (zooals Nietzsche zegt), hij is ook lid van eene meer of minder belangrijke groep, van een gezin, een volk, van de menschheid. Hij zoekt dus voor zich geluk, macht en volkomenheid en hij zoekt tevens geluk, macht en ontwikkeling voor de kudde, waartoe hij behoort. In de practijk doen zich trouwens in het leven van elk individu tal van gevallen voor, die naar zijne overtuiging—terecht of ten onrecht—strijd verwekken tusschen zijn persoonlijk belang en het belang der kudde; het is dus hoofdzaak voor hem te weten welk der beide belangen wijken moet ter wille van het ander. Nu komt het mij voor, dat die keuze alleen plaats kan hebben uit geloofsovertuiging of als eene soort weddingschap. Wij wedden eigenlijk altijd en moeten het wel doen door onze daden, en meestal ook theoretisch door een of ander moreel beginsel aan te nemen of op eene andere wijze goed en kwaad te bepalen. Door het feit dus, dat alle menschen tegelijk individu en „dier der kudde” zijn, bestaan er twee hoofdsoorten van weddingschappen, die in den mensch de overhand hebben al naar gelang de zorg voor zijneeigen persoon of die voor de kudde, waartoe hij behoort, het sterkst spreekt. De een heeft de neiging, hetzij door daden, hetzij in beginsel zijn eigen geluk of de volmaking van zijne eigen persoonlijkheid aan het belang der kudde op te offeren—hij wedt dus ten gunste van de altruïstische moraal; de ander is daarentegen geneigd het geluk of de volmaaktheid der kudde aan het belang zijner persoonlijkheid te onderwerpen—hij wedt dus ten gunste van de individualistische moraal. Nietzsche, zooals wij gezien hebben, wedt uitsluitend voor het individu. De meerderheid der beschaafde menschen nu, in onze dagen, wedt zooal niet in daden, toch minstens in theorie door de stellingen, die zij verkondigt, ten gunste van de moraal der „kudde” en die volkomen radicale tegenstelling van beginselen is voldoende om tusschen Nietzsche en de aanhangers der democratische en humanitaire leer eeneonvermijdelijkevijandschap te stichten, want de afschuw, dien de „kudde” voor Nietzsche ondervindt, is de natuurlijke terugslag van den verwoeden haat, dien hijzelf gevoelt tegen de voorstanders van het altruïsme.3

Het is evenwel niet noodig op onverdraagzame wijze ten gunste van eene der beide fundamenteele strekkingen te wedden, want men kan ook individualisme en altruïsme beiden voor wettig houden en zich eene „harmonische” ontwikkeling van elk dier beide strekkingen voorstellen. Ik geloof trouwens, dat niemand zeggen kan door zijne daden op streng consequente wijze, hetzij ten gunste van zuiver individualisme of van een beslist altruïsme te hebben gewed, en zoo aarzelt men ook hoe langer hoe meer, ook in theorie, de individualistische en vooral ook den kuddegeest, zooals Nietzsche doet, te veroordeelen. Men neemt de hierarchie der neigingen aan en erkent, dat die hierarchietot zekere mate van het eene tijdstip op het andere, van het eene volk op het andere en zelfs van het eene individu op het andere veranderen kan. Welnu, zoodra men zich op dat standpunt plaatst, kan men over Nietzsche’s werk niet langer een beslist oordeel vellen. Men zal b.v. als volgt kunnen redeneeren: Nietzsche’s moraal is een der zuiverste typen van individualistische en aristocratische moraal, een schoon en logisch specimen van moreele weddingschap en uit dien hoofde is zij reeds een waardevol document voor allen, die stijl en eenheid in hun leven willen brengen—evenzoo goed als Tolstoï’s moraal b.v., die eene niet minder logische weddingschap is, gegrond op eene hypothese die bijna lijnrecht tegenover die van Nietzsche staat. Het feit trouwens dat Nietzsche eeneradicaleoplossing van het moreele vraagstuk geeft, sluit de waarschijnlijkheid uit, dat hem velen hetzij practisch of theoretisch volgen zullen en zijn werken zullen voortzetten, want om de leer van den Uebermensch werkelijk in praktijk te brengen moet men eene dosis geestkracht bezitten, zooals hoogst zelden voorkomt en Nietzsche erkent zelf, dat die zoo buitengewoon beschaafde wezens, die hij zich als genieën voorstelde, wellicht nooit anders dan in zijne verbeelding bestaan hebben. Daarbij is het moeilijk om, van het theoretisch standpunt uit, veel verder te gaan dan Nietzsche; enkelen zijner volgelingen als Alexander Tille4of Rudolf Steiner5hebben op eenigepunten de leer van hun meester kunnen voltooien of verbeteren, maar het schijnt juist om den bijzonderen en vèrstrevenden aard van zijne leer, niet denkbaar, dat hij ooit de stichter eener school zal zijn; hij zal naar alle waarschijnlijkheid een „eenzame” zijn voor het nageslacht, zooals hij het geweest is in zijn denkersleven. Daarentegen ligt het in den aard der zaak, dat zijne leer misschien een vrij aanzienlijken invloed kan uitoefenen door, hetzij in het individu, hetzij in een volk de individualistische neigingen te versterken en ons oordeel over dien invloed kan goed of slecht zijn naarmate het individu of het volk is, waarop hij wordt uitgeoefend, want die invloed kan natuurlijk het moreel evenwicht van menschen, wieregoïstischeneigingen toch reeds uitermate ontwikkeld zijn, helpen verstoren, maar hij kan ook omgekeerd andere naturen tot harmonie voeren door hen tegen zekere uitersten en gevaren der verschillende vormen van humanitaire, democratische of ascetische moraal te wapenen, en van uit dat oogpunt kan Nietzsche’s werk, dunkt mij, een weldadigen invloed uitoefenen op onzen tijd, die niet juist door overvloed van physieke en moreele geestkracht uitmunt.

Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid, hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen, weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden „medelijden,”„naastenliefde,” „belangeloosheid,” schuilgaat, scherperaan het licht gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart; hij geneest zijne zieken òf volkomen—òf hij doodt hen. De menigte gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt zelfs den naam van „beul”; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid, zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.

Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten, dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest; daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen, trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.

1Brandes. Menschen u. Werke, 199.↑2D. VI, 91.↑3Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een verstokt „egoïst” zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door „auto-suppressie” in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den „arrivist,” en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.↑4A. Tille, de schrijver van „Von Darwin bis Nietzsche” (Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd, vereenigbaar met „de humanitaire en democratische christelijke ethica” en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het „ja” van Darwin een beslist „neen” werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.↑5R. Steiner is de schrijver van „Wahrheit und Wissenschaft” en van „Die Philosophie der Freiheit” (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk vulthij Nietzsche’s theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen, zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden; daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn „Uebermensch” niet vrij is, maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben, maar tevens, wat hij noemt een „moreele verbeeldingskracht,” die hem in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.↑

1Brandes. Menschen u. Werke, 199.↑2D. VI, 91.↑3Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een verstokt „egoïst” zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door „auto-suppressie” in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den „arrivist,” en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.↑4A. Tille, de schrijver van „Von Darwin bis Nietzsche” (Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd, vereenigbaar met „de humanitaire en democratische christelijke ethica” en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het „ja” van Darwin een beslist „neen” werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.↑5R. Steiner is de schrijver van „Wahrheit und Wissenschaft” en van „Die Philosophie der Freiheit” (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk vulthij Nietzsche’s theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen, zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden; daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn „Uebermensch” niet vrij is, maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben, maar tevens, wat hij noemt een „moreele verbeeldingskracht,” die hem in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.↑

1Brandes. Menschen u. Werke, 199.↑

2D. VI, 91.↑

3Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een verstokt „egoïst” zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door „auto-suppressie” in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den „arrivist,” en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.↑

4A. Tille, de schrijver van „Von Darwin bis Nietzsche” (Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd, vereenigbaar met „de humanitaire en democratische christelijke ethica” en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het „ja” van Darwin een beslist „neen” werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.↑

5R. Steiner is de schrijver van „Wahrheit und Wissenschaft” en van „Die Philosophie der Freiheit” (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk vulthij Nietzsche’s theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen, zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden; daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn „Uebermensch” niet vrij is, maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben, maar tevens, wat hij noemt een „moreele verbeeldingskracht,” die hem in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.↑

AANHANGSEL.Zeer merkwaardig is het, dat de zoo karakteristieke en oogenschijnlijk geheel oorspronkelijke leer van het Eeuwig Wederkeeren, die hypothese, die voor Nietzsche als de kroon op zijn werk en als eene soort mysterie was, wier openbaring de geheele menschheid beroeren moest, tezelfder tijd door twee Fransche denkers is uitgedacht en uitgewerkt, n.l. door Blanqui in 1871 en door Dr. Gustave Le Bon in 1881, hetzelfde jaar, waarin zij te Sils Maria plotseling aan Nietzsche’s denkershorizon verrees. En het merkwaardigst van alles is, dat die omstandigheid geheel toevallig was, want Le Bon had geen flauw vermoeden van het bestaan van Blanqui’s theorie toen hijL’Homme et les Sociétésschreef en van Nietzsche kan met zekerheid gezegd worden, dat hij zijne voorgangers niet gekend heeft; mevrouw Förster-Nietzsche heeft haren broeder nooit over een van beiden hooren spreken en hunne werken komen in zijne bibliotheek niet voor; daarbij is 1881 een der jaren, waarin Nietzsche’s ziekte het ergst is geweest en zijne hoofdpijnen en zijne zwakke oogen hem bijna alle nieuwe lectuur onmogelijk maakten. Wij moeten dus wel aannemen, dat de drie denkers, onafhankelijk van elkander, tot de hypothese van het Eeuwig Wederkeeren zijn gekomen.Blanqui’s theorie vinden wij inl’Eternité par les Astres, een soort prozagedicht, dat de groote drijver in 1871 gedurende zijne gevangenschap in het fortLe Taureaugemaakt heeft, en dat begin 1872 gedeeltelijk in deRevue Scientifiqueen in zijn geheel als boek verscheen.Men vindt er een overzicht van in Geffroy’sl’Enfermé(Parijs 1897) pag. 389–481, terwijl de overeenkomst tusschen Blanqui’s cosmogonische ideeën en Nietzsche’s theorie niet lang geleden door Retté in een artikel vanLa Plumeis aangetoond. Evenals Nietzsche neemt Blanqui aan, dat aan den eenen kant ruimte en tijd onbepaald zijn en dat aan den anderen kant de combinaties, die de natuur door middel van al hare elementen voortbrengen kan, een beperkt getal niet overschrijden; voor al hare werken bezit zij een honderdtal gewone lichamen en een wereldgietvorm, het stello-planetenstelsel. Het getal mogelijke combinaties van die gewone lichamen is reusachtig groot, maar toch eindig en met behulp van al die combinaties moet de dubbele oneindigheid van ruimte en tijd gevuld worden; naast deorigineele, detype combinatiesmoeten dusherhalingenzonder tal voorkomen om de oneindigheid te vullen; bijgevolg ontwikkelen zich op alle mogelijke wijzen ontelbaar vele exemplaren van deze aarde en alle denkbare verscheidenheden van onze planeet bestaan ergens en herhalen zich onbepaald.Zoo gaat ook het bestaan van elk individu tot een onbepaald getal exemplaren: „Hij heeft volledige dubbelgangers en variaties van dubbelgangers, die zijne persoon voortdurend vermenigvuldigen en vertegenwoordigen, maar slechts brokken van zijn lot afscheuren. Al wat men hier op aarde had kunnen zijn, is men ergens anders en buiten het geheele leven, van de geboorte tot den dood, dat men op tal van aarden doormaakt, doorleeft men er op andere tienduizend verschillende vormen van.…”„Wat ik op dit oogenblik in een kerker van het fort de Stier schrijf, heb ik geschreven en zal ik in alle eeuwigheid schrijven op eene tafel, met eene pen en gekleed, onder geheel dezelfde omstandigheden.… Tevergeefs zou men den stroom der eeuwen op kunnen gaan om een enkel oogenblik te vinden, waarin men niet geleefd heeft, want het heelal is niet begonnen en bijgevolg de mensch evenmin.… Op dit huidige oogenblik herhaalt zich dag aan dag het geheele leven van onze planeet van zijne geboorte af tot zijn dood toe, in al zijne bijzonderheden met al zijne misdaden en ellenden, op tallooze sterren. Wat wij vooruitgang noemen ligt in elke planeet opgesloten en verdwijnt met haar.Altijd en overal in het aardsche kamp hetzelfde drama, dezelfde tooneelversiering op hetzelfde nauwe tooneel; eene woelende menschheid, van eigen grootheid doordrongen, zich wanende het heelal te zijn en in een kerker levende als in eene oneindigheid, dan zinkende met den aardbol, die met de diepste verachting den last van haren hoogmoed gedragen heeft. En dezelfde eentonigheid, dezelfde onbewegelijkheid in de vreemde sterren. Het heelal herhaalt zich eindeloos en trappelt fier op de plaats, en de eeuwigheid speelt onveranderlijk in het oneindige dezelfde voorstellingen af.” Zooals men ziet bestaat er eene bijna volledige overeenkomst tusschen de hypothesen, die Blanqui van de „Spectrale analyse en de cosmogonie van Laplace” meende te kunnen afleiden en „de theorie van het Eeuwig Wederkeeren,” die Nietzsche door moreele beschouwingen vond en die hij door wetenschappelijke onderzoekingen wilde staven. Nietzsche komt meer op de onbepaaldeopeenvolgingder zelfde phenomenen in de oneindigheid van tijd, terwijl Blanqui meer hettegelijkbestaanvan dezelfde phenomenen in de oneindige ruimte op het oog heeft, maar in den grond vindt het idee van den gevangene van de Stier zich bijna volkomen terug in dat van den eenzame te Sils-Maria.Niet minder treft ons de overeenkomst tusschen de redeneering van Nietzsche en die van Dr. Le Bon.Laatstgenoemde zegt inL’Homme et les Sociétés(Paris 1881) t. II pag. 420: „Maar de tijd is eeuwig en de rust kan niet eeuwig zijn. Die stilzwijgende, doode bol zal niet altijd als eene koude massa door de ruimte voortrollen. Wij kunnen ons slechts in gissingen verdiepen omtrent zijne verre toekomst, maar geen enkele dier gissingen geeft ons het recht te zeggen, dat hij eeuwig traag zal blijven.Hetzij hij door de aantrekkingswet, die ons zonnestelsel naar onbekende streken in de ruimte voert, zich met andere stelsels vereenigt; hetzij de schok van een ander hemellichaam zijne temperatuur zoozeer verhoogt, dat hij in damp opgaat, hij is zonder eenigen twijfel bestemd om eene nieuwe nevelster te vormen, waaruit door eene zelfde serie evolutieën als de door ons beschrevene, eene nieuwe wereld zal voortspruiten, die ook weer bestemd is éénmaal bewoond te worden, totdat ook zij op harebeurt vergaat, en dat zoo voort zonder dat wij een einde kunnen voorzien aan die eeuwige serie van geboorte en vernietiging. Want, hoe zou zij kunnen eindigen zoo zij nooit begonnen is? „Zoo het evenwel dezelfde elementen van elke wereld zijn, die na haar vergaan tot de vorming van andere werelden dient, spreekt het vanzelf, dat dezelfde combinaties, d.w.z. dezelfde werelden, door dezelfde wezens bewoond, zich vele malen herhaald hebben, want, daar een gegeven aantal atomen slechts een beperkte hoeveelheid combinaties kan vormen en de tijd onbeperkt is, zijn natuurlijk alle mogelijke ontwikkelingsvormen reeds lang tot stand gekomen en kunnen wij slechts vroegere combinaties herhalen. Vele malen moeten reeds beschavingen en werken als de onze ons heelal zijn voorafgegaan en zooals Sisyphus steeds hetzelfde rotsblok voortrolt, herhalen wij voortdurend dezelfde taak, zonder dat iets ooit een einde aan dat noodlottige altijd kan maken. Welke onbekende oorden der hemelen zou het hoogstenirwana, de laatste rust, die zich de oude Indische godsdiensten voorstellen, kunnen herbergen? Schimmen van vergane tijden, die voor eeuwig in de mist der eeuwen schijnt verzonken te zijn en die de tooverstaf der wetenschap willekeurig aanroept, hoopt niet op rust, gij zijt onsterfelijk.”Zonder verdere commentaren leg ik den lezers van Nietzsche die overeenkomsten voor. Het spreekt van zelf, dat men er zeer verschillende gevolgtrekkingen uit maken kan: sommigen zullen er een nieuw bewijs voor Nietzsche’s „gebrek aan oorspronkelijkheid” in zien, maar anderen zullen het integendeel verdienstelijk van hem vinden, dat hij aan eene astronomische beschouwing en zuiver wetenschappelijke hypothese de diep tragische poëzie en verheven moreele beteekenis gegeven heeft, die zij miste of althans niet in die hooge mate bezat bij de Fransche denkers, die haar het eerst uitvonden. Ik voor mij vind die toevallige overeenkomst daarom vooral van belang, omdat zij ons aantoont, dat een der oogenschijnlijk meest paradoxale ideeën van Nietzsche niet eigenlijk de zuiver persoonlijke schepping is van eene abnormale en ziekelijke verbeelding, maar dat het in zekeren zin tusschen 1871 en 1881in de luchtgezweefd heeft, getuige, dat drie zoo verschillende denkers als Nietzsche, Blanqui en Le Bon het langs verschillendewegen gevonden hebben en, dat Nietzsche dus, zelfs in zijne mystieke theorie van het Eeuwig Wederkeeren de vertegenwoordiger is van eene bestaande strekking der moderne ziel.11Het spreekt van zelf dat de theorie van het „Eeuwig Wederkeeren” lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende in hoofdstuk XX van Heine’s „Reis van München naar Genua.” Weet dan, dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn; zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes, die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens weer als vroeger.…” Hierin mag men echter niet de bron zoeken voor Nietzsche’s theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft hier weer te doen met een „ontmoeting” evenals tusschen Nietzsche, Blanqui en Le Bon.↑

AANHANGSEL.

Zeer merkwaardig is het, dat de zoo karakteristieke en oogenschijnlijk geheel oorspronkelijke leer van het Eeuwig Wederkeeren, die hypothese, die voor Nietzsche als de kroon op zijn werk en als eene soort mysterie was, wier openbaring de geheele menschheid beroeren moest, tezelfder tijd door twee Fransche denkers is uitgedacht en uitgewerkt, n.l. door Blanqui in 1871 en door Dr. Gustave Le Bon in 1881, hetzelfde jaar, waarin zij te Sils Maria plotseling aan Nietzsche’s denkershorizon verrees. En het merkwaardigst van alles is, dat die omstandigheid geheel toevallig was, want Le Bon had geen flauw vermoeden van het bestaan van Blanqui’s theorie toen hijL’Homme et les Sociétésschreef en van Nietzsche kan met zekerheid gezegd worden, dat hij zijne voorgangers niet gekend heeft; mevrouw Förster-Nietzsche heeft haren broeder nooit over een van beiden hooren spreken en hunne werken komen in zijne bibliotheek niet voor; daarbij is 1881 een der jaren, waarin Nietzsche’s ziekte het ergst is geweest en zijne hoofdpijnen en zijne zwakke oogen hem bijna alle nieuwe lectuur onmogelijk maakten. Wij moeten dus wel aannemen, dat de drie denkers, onafhankelijk van elkander, tot de hypothese van het Eeuwig Wederkeeren zijn gekomen.Blanqui’s theorie vinden wij inl’Eternité par les Astres, een soort prozagedicht, dat de groote drijver in 1871 gedurende zijne gevangenschap in het fortLe Taureaugemaakt heeft, en dat begin 1872 gedeeltelijk in deRevue Scientifiqueen in zijn geheel als boek verscheen.Men vindt er een overzicht van in Geffroy’sl’Enfermé(Parijs 1897) pag. 389–481, terwijl de overeenkomst tusschen Blanqui’s cosmogonische ideeën en Nietzsche’s theorie niet lang geleden door Retté in een artikel vanLa Plumeis aangetoond. Evenals Nietzsche neemt Blanqui aan, dat aan den eenen kant ruimte en tijd onbepaald zijn en dat aan den anderen kant de combinaties, die de natuur door middel van al hare elementen voortbrengen kan, een beperkt getal niet overschrijden; voor al hare werken bezit zij een honderdtal gewone lichamen en een wereldgietvorm, het stello-planetenstelsel. Het getal mogelijke combinaties van die gewone lichamen is reusachtig groot, maar toch eindig en met behulp van al die combinaties moet de dubbele oneindigheid van ruimte en tijd gevuld worden; naast deorigineele, detype combinatiesmoeten dusherhalingenzonder tal voorkomen om de oneindigheid te vullen; bijgevolg ontwikkelen zich op alle mogelijke wijzen ontelbaar vele exemplaren van deze aarde en alle denkbare verscheidenheden van onze planeet bestaan ergens en herhalen zich onbepaald.Zoo gaat ook het bestaan van elk individu tot een onbepaald getal exemplaren: „Hij heeft volledige dubbelgangers en variaties van dubbelgangers, die zijne persoon voortdurend vermenigvuldigen en vertegenwoordigen, maar slechts brokken van zijn lot afscheuren. Al wat men hier op aarde had kunnen zijn, is men ergens anders en buiten het geheele leven, van de geboorte tot den dood, dat men op tal van aarden doormaakt, doorleeft men er op andere tienduizend verschillende vormen van.…”„Wat ik op dit oogenblik in een kerker van het fort de Stier schrijf, heb ik geschreven en zal ik in alle eeuwigheid schrijven op eene tafel, met eene pen en gekleed, onder geheel dezelfde omstandigheden.… Tevergeefs zou men den stroom der eeuwen op kunnen gaan om een enkel oogenblik te vinden, waarin men niet geleefd heeft, want het heelal is niet begonnen en bijgevolg de mensch evenmin.… Op dit huidige oogenblik herhaalt zich dag aan dag het geheele leven van onze planeet van zijne geboorte af tot zijn dood toe, in al zijne bijzonderheden met al zijne misdaden en ellenden, op tallooze sterren. Wat wij vooruitgang noemen ligt in elke planeet opgesloten en verdwijnt met haar.Altijd en overal in het aardsche kamp hetzelfde drama, dezelfde tooneelversiering op hetzelfde nauwe tooneel; eene woelende menschheid, van eigen grootheid doordrongen, zich wanende het heelal te zijn en in een kerker levende als in eene oneindigheid, dan zinkende met den aardbol, die met de diepste verachting den last van haren hoogmoed gedragen heeft. En dezelfde eentonigheid, dezelfde onbewegelijkheid in de vreemde sterren. Het heelal herhaalt zich eindeloos en trappelt fier op de plaats, en de eeuwigheid speelt onveranderlijk in het oneindige dezelfde voorstellingen af.” Zooals men ziet bestaat er eene bijna volledige overeenkomst tusschen de hypothesen, die Blanqui van de „Spectrale analyse en de cosmogonie van Laplace” meende te kunnen afleiden en „de theorie van het Eeuwig Wederkeeren,” die Nietzsche door moreele beschouwingen vond en die hij door wetenschappelijke onderzoekingen wilde staven. Nietzsche komt meer op de onbepaaldeopeenvolgingder zelfde phenomenen in de oneindigheid van tijd, terwijl Blanqui meer hettegelijkbestaanvan dezelfde phenomenen in de oneindige ruimte op het oog heeft, maar in den grond vindt het idee van den gevangene van de Stier zich bijna volkomen terug in dat van den eenzame te Sils-Maria.Niet minder treft ons de overeenkomst tusschen de redeneering van Nietzsche en die van Dr. Le Bon.Laatstgenoemde zegt inL’Homme et les Sociétés(Paris 1881) t. II pag. 420: „Maar de tijd is eeuwig en de rust kan niet eeuwig zijn. Die stilzwijgende, doode bol zal niet altijd als eene koude massa door de ruimte voortrollen. Wij kunnen ons slechts in gissingen verdiepen omtrent zijne verre toekomst, maar geen enkele dier gissingen geeft ons het recht te zeggen, dat hij eeuwig traag zal blijven.Hetzij hij door de aantrekkingswet, die ons zonnestelsel naar onbekende streken in de ruimte voert, zich met andere stelsels vereenigt; hetzij de schok van een ander hemellichaam zijne temperatuur zoozeer verhoogt, dat hij in damp opgaat, hij is zonder eenigen twijfel bestemd om eene nieuwe nevelster te vormen, waaruit door eene zelfde serie evolutieën als de door ons beschrevene, eene nieuwe wereld zal voortspruiten, die ook weer bestemd is éénmaal bewoond te worden, totdat ook zij op harebeurt vergaat, en dat zoo voort zonder dat wij een einde kunnen voorzien aan die eeuwige serie van geboorte en vernietiging. Want, hoe zou zij kunnen eindigen zoo zij nooit begonnen is? „Zoo het evenwel dezelfde elementen van elke wereld zijn, die na haar vergaan tot de vorming van andere werelden dient, spreekt het vanzelf, dat dezelfde combinaties, d.w.z. dezelfde werelden, door dezelfde wezens bewoond, zich vele malen herhaald hebben, want, daar een gegeven aantal atomen slechts een beperkte hoeveelheid combinaties kan vormen en de tijd onbeperkt is, zijn natuurlijk alle mogelijke ontwikkelingsvormen reeds lang tot stand gekomen en kunnen wij slechts vroegere combinaties herhalen. Vele malen moeten reeds beschavingen en werken als de onze ons heelal zijn voorafgegaan en zooals Sisyphus steeds hetzelfde rotsblok voortrolt, herhalen wij voortdurend dezelfde taak, zonder dat iets ooit een einde aan dat noodlottige altijd kan maken. Welke onbekende oorden der hemelen zou het hoogstenirwana, de laatste rust, die zich de oude Indische godsdiensten voorstellen, kunnen herbergen? Schimmen van vergane tijden, die voor eeuwig in de mist der eeuwen schijnt verzonken te zijn en die de tooverstaf der wetenschap willekeurig aanroept, hoopt niet op rust, gij zijt onsterfelijk.”Zonder verdere commentaren leg ik den lezers van Nietzsche die overeenkomsten voor. Het spreekt van zelf, dat men er zeer verschillende gevolgtrekkingen uit maken kan: sommigen zullen er een nieuw bewijs voor Nietzsche’s „gebrek aan oorspronkelijkheid” in zien, maar anderen zullen het integendeel verdienstelijk van hem vinden, dat hij aan eene astronomische beschouwing en zuiver wetenschappelijke hypothese de diep tragische poëzie en verheven moreele beteekenis gegeven heeft, die zij miste of althans niet in die hooge mate bezat bij de Fransche denkers, die haar het eerst uitvonden. Ik voor mij vind die toevallige overeenkomst daarom vooral van belang, omdat zij ons aantoont, dat een der oogenschijnlijk meest paradoxale ideeën van Nietzsche niet eigenlijk de zuiver persoonlijke schepping is van eene abnormale en ziekelijke verbeelding, maar dat het in zekeren zin tusschen 1871 en 1881in de luchtgezweefd heeft, getuige, dat drie zoo verschillende denkers als Nietzsche, Blanqui en Le Bon het langs verschillendewegen gevonden hebben en, dat Nietzsche dus, zelfs in zijne mystieke theorie van het Eeuwig Wederkeeren de vertegenwoordiger is van eene bestaande strekking der moderne ziel.1

Zeer merkwaardig is het, dat de zoo karakteristieke en oogenschijnlijk geheel oorspronkelijke leer van het Eeuwig Wederkeeren, die hypothese, die voor Nietzsche als de kroon op zijn werk en als eene soort mysterie was, wier openbaring de geheele menschheid beroeren moest, tezelfder tijd door twee Fransche denkers is uitgedacht en uitgewerkt, n.l. door Blanqui in 1871 en door Dr. Gustave Le Bon in 1881, hetzelfde jaar, waarin zij te Sils Maria plotseling aan Nietzsche’s denkershorizon verrees. En het merkwaardigst van alles is, dat die omstandigheid geheel toevallig was, want Le Bon had geen flauw vermoeden van het bestaan van Blanqui’s theorie toen hijL’Homme et les Sociétésschreef en van Nietzsche kan met zekerheid gezegd worden, dat hij zijne voorgangers niet gekend heeft; mevrouw Förster-Nietzsche heeft haren broeder nooit over een van beiden hooren spreken en hunne werken komen in zijne bibliotheek niet voor; daarbij is 1881 een der jaren, waarin Nietzsche’s ziekte het ergst is geweest en zijne hoofdpijnen en zijne zwakke oogen hem bijna alle nieuwe lectuur onmogelijk maakten. Wij moeten dus wel aannemen, dat de drie denkers, onafhankelijk van elkander, tot de hypothese van het Eeuwig Wederkeeren zijn gekomen.

Blanqui’s theorie vinden wij inl’Eternité par les Astres, een soort prozagedicht, dat de groote drijver in 1871 gedurende zijne gevangenschap in het fortLe Taureaugemaakt heeft, en dat begin 1872 gedeeltelijk in deRevue Scientifiqueen in zijn geheel als boek verscheen.

Men vindt er een overzicht van in Geffroy’sl’Enfermé(Parijs 1897) pag. 389–481, terwijl de overeenkomst tusschen Blanqui’s cosmogonische ideeën en Nietzsche’s theorie niet lang geleden door Retté in een artikel vanLa Plumeis aangetoond. Evenals Nietzsche neemt Blanqui aan, dat aan den eenen kant ruimte en tijd onbepaald zijn en dat aan den anderen kant de combinaties, die de natuur door middel van al hare elementen voortbrengen kan, een beperkt getal niet overschrijden; voor al hare werken bezit zij een honderdtal gewone lichamen en een wereldgietvorm, het stello-planetenstelsel. Het getal mogelijke combinaties van die gewone lichamen is reusachtig groot, maar toch eindig en met behulp van al die combinaties moet de dubbele oneindigheid van ruimte en tijd gevuld worden; naast deorigineele, detype combinatiesmoeten dusherhalingenzonder tal voorkomen om de oneindigheid te vullen; bijgevolg ontwikkelen zich op alle mogelijke wijzen ontelbaar vele exemplaren van deze aarde en alle denkbare verscheidenheden van onze planeet bestaan ergens en herhalen zich onbepaald.

Zoo gaat ook het bestaan van elk individu tot een onbepaald getal exemplaren: „Hij heeft volledige dubbelgangers en variaties van dubbelgangers, die zijne persoon voortdurend vermenigvuldigen en vertegenwoordigen, maar slechts brokken van zijn lot afscheuren. Al wat men hier op aarde had kunnen zijn, is men ergens anders en buiten het geheele leven, van de geboorte tot den dood, dat men op tal van aarden doormaakt, doorleeft men er op andere tienduizend verschillende vormen van.…”

„Wat ik op dit oogenblik in een kerker van het fort de Stier schrijf, heb ik geschreven en zal ik in alle eeuwigheid schrijven op eene tafel, met eene pen en gekleed, onder geheel dezelfde omstandigheden.… Tevergeefs zou men den stroom der eeuwen op kunnen gaan om een enkel oogenblik te vinden, waarin men niet geleefd heeft, want het heelal is niet begonnen en bijgevolg de mensch evenmin.… Op dit huidige oogenblik herhaalt zich dag aan dag het geheele leven van onze planeet van zijne geboorte af tot zijn dood toe, in al zijne bijzonderheden met al zijne misdaden en ellenden, op tallooze sterren. Wat wij vooruitgang noemen ligt in elke planeet opgesloten en verdwijnt met haar.Altijd en overal in het aardsche kamp hetzelfde drama, dezelfde tooneelversiering op hetzelfde nauwe tooneel; eene woelende menschheid, van eigen grootheid doordrongen, zich wanende het heelal te zijn en in een kerker levende als in eene oneindigheid, dan zinkende met den aardbol, die met de diepste verachting den last van haren hoogmoed gedragen heeft. En dezelfde eentonigheid, dezelfde onbewegelijkheid in de vreemde sterren. Het heelal herhaalt zich eindeloos en trappelt fier op de plaats, en de eeuwigheid speelt onveranderlijk in het oneindige dezelfde voorstellingen af.” Zooals men ziet bestaat er eene bijna volledige overeenkomst tusschen de hypothesen, die Blanqui van de „Spectrale analyse en de cosmogonie van Laplace” meende te kunnen afleiden en „de theorie van het Eeuwig Wederkeeren,” die Nietzsche door moreele beschouwingen vond en die hij door wetenschappelijke onderzoekingen wilde staven. Nietzsche komt meer op de onbepaaldeopeenvolgingder zelfde phenomenen in de oneindigheid van tijd, terwijl Blanqui meer hettegelijkbestaanvan dezelfde phenomenen in de oneindige ruimte op het oog heeft, maar in den grond vindt het idee van den gevangene van de Stier zich bijna volkomen terug in dat van den eenzame te Sils-Maria.

Niet minder treft ons de overeenkomst tusschen de redeneering van Nietzsche en die van Dr. Le Bon.

Laatstgenoemde zegt inL’Homme et les Sociétés(Paris 1881) t. II pag. 420: „Maar de tijd is eeuwig en de rust kan niet eeuwig zijn. Die stilzwijgende, doode bol zal niet altijd als eene koude massa door de ruimte voortrollen. Wij kunnen ons slechts in gissingen verdiepen omtrent zijne verre toekomst, maar geen enkele dier gissingen geeft ons het recht te zeggen, dat hij eeuwig traag zal blijven.

Hetzij hij door de aantrekkingswet, die ons zonnestelsel naar onbekende streken in de ruimte voert, zich met andere stelsels vereenigt; hetzij de schok van een ander hemellichaam zijne temperatuur zoozeer verhoogt, dat hij in damp opgaat, hij is zonder eenigen twijfel bestemd om eene nieuwe nevelster te vormen, waaruit door eene zelfde serie evolutieën als de door ons beschrevene, eene nieuwe wereld zal voortspruiten, die ook weer bestemd is éénmaal bewoond te worden, totdat ook zij op harebeurt vergaat, en dat zoo voort zonder dat wij een einde kunnen voorzien aan die eeuwige serie van geboorte en vernietiging. Want, hoe zou zij kunnen eindigen zoo zij nooit begonnen is? „Zoo het evenwel dezelfde elementen van elke wereld zijn, die na haar vergaan tot de vorming van andere werelden dient, spreekt het vanzelf, dat dezelfde combinaties, d.w.z. dezelfde werelden, door dezelfde wezens bewoond, zich vele malen herhaald hebben, want, daar een gegeven aantal atomen slechts een beperkte hoeveelheid combinaties kan vormen en de tijd onbeperkt is, zijn natuurlijk alle mogelijke ontwikkelingsvormen reeds lang tot stand gekomen en kunnen wij slechts vroegere combinaties herhalen. Vele malen moeten reeds beschavingen en werken als de onze ons heelal zijn voorafgegaan en zooals Sisyphus steeds hetzelfde rotsblok voortrolt, herhalen wij voortdurend dezelfde taak, zonder dat iets ooit een einde aan dat noodlottige altijd kan maken. Welke onbekende oorden der hemelen zou het hoogstenirwana, de laatste rust, die zich de oude Indische godsdiensten voorstellen, kunnen herbergen? Schimmen van vergane tijden, die voor eeuwig in de mist der eeuwen schijnt verzonken te zijn en die de tooverstaf der wetenschap willekeurig aanroept, hoopt niet op rust, gij zijt onsterfelijk.”

Zonder verdere commentaren leg ik den lezers van Nietzsche die overeenkomsten voor. Het spreekt van zelf, dat men er zeer verschillende gevolgtrekkingen uit maken kan: sommigen zullen er een nieuw bewijs voor Nietzsche’s „gebrek aan oorspronkelijkheid” in zien, maar anderen zullen het integendeel verdienstelijk van hem vinden, dat hij aan eene astronomische beschouwing en zuiver wetenschappelijke hypothese de diep tragische poëzie en verheven moreele beteekenis gegeven heeft, die zij miste of althans niet in die hooge mate bezat bij de Fransche denkers, die haar het eerst uitvonden. Ik voor mij vind die toevallige overeenkomst daarom vooral van belang, omdat zij ons aantoont, dat een der oogenschijnlijk meest paradoxale ideeën van Nietzsche niet eigenlijk de zuiver persoonlijke schepping is van eene abnormale en ziekelijke verbeelding, maar dat het in zekeren zin tusschen 1871 en 1881in de luchtgezweefd heeft, getuige, dat drie zoo verschillende denkers als Nietzsche, Blanqui en Le Bon het langs verschillendewegen gevonden hebben en, dat Nietzsche dus, zelfs in zijne mystieke theorie van het Eeuwig Wederkeeren de vertegenwoordiger is van eene bestaande strekking der moderne ziel.1

1Het spreekt van zelf dat de theorie van het „Eeuwig Wederkeeren” lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende in hoofdstuk XX van Heine’s „Reis van München naar Genua.” Weet dan, dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn; zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes, die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens weer als vroeger.…” Hierin mag men echter niet de bron zoeken voor Nietzsche’s theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft hier weer te doen met een „ontmoeting” evenals tusschen Nietzsche, Blanqui en Le Bon.↑

1Het spreekt van zelf dat de theorie van het „Eeuwig Wederkeeren” lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende in hoofdstuk XX van Heine’s „Reis van München naar Genua.” Weet dan, dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn; zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes, die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens weer als vroeger.…” Hierin mag men echter niet de bron zoeken voor Nietzsche’s theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft hier weer te doen met een „ontmoeting” evenals tusschen Nietzsche, Blanqui en Le Bon.↑

1Het spreekt van zelf dat de theorie van het „Eeuwig Wederkeeren” lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende in hoofdstuk XX van Heine’s „Reis van München naar Genua.” Weet dan, dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn; zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes, die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens weer als vroeger.…” Hierin mag men echter niet de bron zoeken voor Nietzsche’s theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft hier weer te doen met een „ontmoeting” evenals tusschen Nietzsche, Blanqui en Le Bon.↑

INHOUD.Bladz.VoorwoordVHoofdstukI.Nietzsche’s karakter1Hoofdstuk,,II.Nietzsche’s intellectueele emancipatie (1869–1879)27Hoofdstuk,,III.Nietzsche als philosoof (1878–1888)71Hoofdstuk,,IV.Nietzsche’s systeem.Negatief gedeelte: De Mensch88Hoofdstuk,,V.Nietzsche’s systeem (vervolg).Positief gedeelte: De „Uebermensch”129Hoofdstuk,,VI.Besluit147Aanhangsel162

INHOUD.Bladz.VoorwoordVHoofdstukI.Nietzsche’s karakter1Hoofdstuk,,II.Nietzsche’s intellectueele emancipatie (1869–1879)27Hoofdstuk,,III.Nietzsche als philosoof (1878–1888)71Hoofdstuk,,IV.Nietzsche’s systeem.Negatief gedeelte: De Mensch88Hoofdstuk,,V.Nietzsche’s systeem (vervolg).Positief gedeelte: De „Uebermensch”129Hoofdstuk,,VI.Besluit147Aanhangsel162


Back to IndexNext