I.Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne „waardetafel”, wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het „omwerken van alle waarden” (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche’s verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ookdoor de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. „Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.…Ich bin ein Verhängniss.”1De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijncategorisch imperatief, „handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden.” En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in:Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: „Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt.” De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar „den grondslag der moraal”, naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het „moreel geweten” geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingeneerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der „Moordenaars”, die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: „Niets is waar; alles mag.”Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als „God”, de wereld der „Dingen op zichzelf”, de „Waarheid” en het „Categorisch Imperatief” vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche’s hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaalte aanbidden en in plaats van te zeggen: „Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat”, neemt hij als beginsel aan: „Het goede en de waarheid moetenter wille van henzelvegezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen.”De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die „ja” zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die „neen” zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeertinderdaadin een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; demensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.Hij redeneert als volgt: „Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is.2Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef,wilik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus „ja” zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik „ja” zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam „slecht” bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik „ja” zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik „ja” zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik „neen” zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik „neen” zeggen tot de wetenschap en de moraal.”In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.II.„In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een „Herrnmoral” en een „Sklavenmoral”. De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort.”3In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt „goed” al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en „slecht” noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het „goede” is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid enbovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de „wil tot macht”, die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt,de eeredienst, dien zijhem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de „edele” rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: „Die dwaze, belachelijkevermetelheidder edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den „barbaar”, „den boozen vijand”, van den „Goth” of den „Vandaal” b.v.4Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de „goede” in de meestermoraal, de „booze” in de slavenmoraal.Het „booze” is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het „goede” moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid,nederigheid en welwillendheid; de „goede”, die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.III.Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een „verscheurend dier”, dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tuchtte gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de „wil tot macht” zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de „slavenopstand” in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!”5Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.De eerste daad van de groote omkeering der waarden is dehypothese van dezielen denvrijen wilgeweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als „de bliksem verplettert” of „de machtige overwint zijne tegenstanders” zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is „slecht” als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is „goed” als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:„Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aardeeen ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.… Komaan: van hier uit daalt de blik op diesombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.… Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.„Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk.”En verder!„En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt „goedheid”, bange laagheid wordt „nederigheid”; onderwerping aan hen, die men haat, „gehoorzaamheid” (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam „geduld”—dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun „ik kan mij niet wreken” wordt „ik wil mij niet wreken”, of zelfs „ik vergeef het hun” „(wantzijweten niet wat zij doen—maar wij weten wel degelijk watzijdoen!”) Zij spreken ook van „hunne vijandenliefhebben”—en zij zweten er van.…En verder!„Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers envalschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.… misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de „zaligheid”.En verder!„Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar datzij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarinhet ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat—wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?.…„Ikbegrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: „Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen”; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar „den triomf van het recht”; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten hetonrecht, degoddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak („zoeter dan honing”, zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van„denrechtvaardigenGod over de goddeloozen”; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar „hunne broeders in de liefde”, zooals zij hen noemen,„alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde.”En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?„Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het „laatste oordeel”; en de komst van hunne heerschappij: het „koninkrijk Gods”;in afwachtingdaarvan leven zij „in geloof”, „in liefde” en „in hoop”.„Genoeg! genoeg!”6Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnenheeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische „versuffing” brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een „heilige”. In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als „naastenliefde” in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van „zonde”.Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het „slechte geweten” en het geloof in eene „schuld”, die de mensch aan de godheid heeft.Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van dediepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naarbuitenwerken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan doorinwendigewerking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het „slechte geweten” ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.Het besef van een „schuld” jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen blevenuitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond „de erfzonde” en het dogma van „de voorbeschikking” uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een „slecht geweten”, verkrijgt men de „zonde”. De mensch, die een „slecht geweten” heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne „zonde” boeten.Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de „zonden”, waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige „zondaren”, die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in hetnihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als „God”, „de ziel”, „de geest”, „de vrije wil”, denkbeeldige gevolgen, „de zonde”, „de genade” en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, „God”, de „geesten”, de „zielen” verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het „koninkrijk Gods”, het „eeuwige leven”. Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de „natuur”, als bron van alle kwaad, tegenover „God”, bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.IV.Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratischen klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van „godsdienst der lijdende menschheid”. Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra hetzich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alleandere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard „ontkend” te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker ishet, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat eeneinde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, dergrootesmart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont eenschepselen eenschepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, datuwmedelijden tot hetschepselin den mensch gaat, tot dat, wat gevormd,gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat watnoodzakelijklijden moet en tot lijden is geschapen? Enonsmedelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijdentegenmedelijden.”9Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande „burgers”. Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, „God noch heer” te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden.Zij gelooven alle in de kudde „zelve” en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de „eerste dienaren van het land” of als de „werktuigen van het algemeene goed.”10Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid—ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, alzijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles.” Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, diebaringheet.De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de „eerste in de liefde” te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. „Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.” De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen metmeer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche’s toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedstsarcasme de „geëmancipeerde” vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke „ambtenaar”, die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.„Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.„Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?” Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint.Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.12V.De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheidop zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het „geloof” staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellichtslechtmocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van deAntichristspreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van hetChristendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele „netheid”, zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?Nietzsche’s antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschapgelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van denobjectievenmensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenenspiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hijzijnepersoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effengladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, eenveronpersoonlijktmensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en „gedistingeerde” houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:„Gij zijt mijne schim,” zegt hij treurig.„Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.„Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.„Gij hebt uw doel verloren!.… En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!„Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!.…”16De wetenschap brengt echter niet alleen „objectieve” menschen en sceptici voort—zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop deovertuigingvan den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden vaneenoud mysterie uit te drukken:Adventavit asinus pulcher et fortissimus.17M.a.w.elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivereredevoor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht enzijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne „overtuigingen” voor vastgestelde „waarheden” wil laten doorgaan. Die „overtuigingen” nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eenewerkelijke wereldin tegenstelling met deschijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben erhet ideaal,den zuiveren geest,het absolute,het wezen op zichzelfvan gemaakt.18Datwezen op zichzelf, diewezenlijke wereldnu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.Geschiedenis eener dwaling.1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hijisdie wereld.(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame („den berouwhebbenden zondaar”) beloofd werd.(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordtvrouw, het wordt Christin).3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, „Königsbergsch” geworden).4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zijonbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).5. „De ware wereld,” een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:in zijn verdwijneneen wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).6. Wij hebben de „ware wereld” afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid:Incipit Zarathustra).19De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die „ja” zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De „ware wereld” der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaardebedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelvenbedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is datoordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder vande waarheid tot elken prijswel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit:„Het lijdt geen twijfel, dat dewaarheidlievendemensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die menschdaardoor zijn geloof in eene andere werelddan die van het leven, de natuur en de geschiedenisbevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, vooronze wereld—niet anders dan haar teontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eenemetaphysische overtuigingberust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato’s geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is.”21Demoderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: „Wat is de waarde der waarheid?” of, wat op hetzelfde neerkomt: „Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?” Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de menschtot elken prijsdie Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren—voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.En wij allen weten er iets van.”22Zoo is dus de apostel der wetenschap, „de nauwgezette van geest,” die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen eneene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.
I.Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne „waardetafel”, wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het „omwerken van alle waarden” (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche’s verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ookdoor de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. „Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.…Ich bin ein Verhängniss.”1De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijncategorisch imperatief, „handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden.” En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in:Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: „Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt.” De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar „den grondslag der moraal”, naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het „moreel geweten” geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingeneerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der „Moordenaars”, die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: „Niets is waar; alles mag.”Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als „God”, de wereld der „Dingen op zichzelf”, de „Waarheid” en het „Categorisch Imperatief” vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche’s hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaalte aanbidden en in plaats van te zeggen: „Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat”, neemt hij als beginsel aan: „Het goede en de waarheid moetenter wille van henzelvegezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen.”De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die „ja” zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die „neen” zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeertinderdaadin een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; demensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.Hij redeneert als volgt: „Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is.2Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef,wilik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus „ja” zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik „ja” zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam „slecht” bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik „ja” zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik „ja” zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik „neen” zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik „neen” zeggen tot de wetenschap en de moraal.”In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.II.„In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een „Herrnmoral” en een „Sklavenmoral”. De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort.”3In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt „goed” al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en „slecht” noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het „goede” is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid enbovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de „wil tot macht”, die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt,de eeredienst, dien zijhem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de „edele” rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: „Die dwaze, belachelijkevermetelheidder edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den „barbaar”, „den boozen vijand”, van den „Goth” of den „Vandaal” b.v.4Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de „goede” in de meestermoraal, de „booze” in de slavenmoraal.Het „booze” is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het „goede” moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid,nederigheid en welwillendheid; de „goede”, die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.III.Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een „verscheurend dier”, dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tuchtte gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de „wil tot macht” zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de „slavenopstand” in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!”5Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.De eerste daad van de groote omkeering der waarden is dehypothese van dezielen denvrijen wilgeweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als „de bliksem verplettert” of „de machtige overwint zijne tegenstanders” zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is „slecht” als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is „goed” als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:„Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aardeeen ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.… Komaan: van hier uit daalt de blik op diesombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.… Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.„Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk.”En verder!„En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt „goedheid”, bange laagheid wordt „nederigheid”; onderwerping aan hen, die men haat, „gehoorzaamheid” (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam „geduld”—dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun „ik kan mij niet wreken” wordt „ik wil mij niet wreken”, of zelfs „ik vergeef het hun” „(wantzijweten niet wat zij doen—maar wij weten wel degelijk watzijdoen!”) Zij spreken ook van „hunne vijandenliefhebben”—en zij zweten er van.…En verder!„Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers envalschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.… misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de „zaligheid”.En verder!„Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar datzij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarinhet ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat—wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?.…„Ikbegrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: „Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen”; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar „den triomf van het recht”; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten hetonrecht, degoddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak („zoeter dan honing”, zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van„denrechtvaardigenGod over de goddeloozen”; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar „hunne broeders in de liefde”, zooals zij hen noemen,„alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde.”En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?„Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het „laatste oordeel”; en de komst van hunne heerschappij: het „koninkrijk Gods”;in afwachtingdaarvan leven zij „in geloof”, „in liefde” en „in hoop”.„Genoeg! genoeg!”6Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnenheeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische „versuffing” brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een „heilige”. In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als „naastenliefde” in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van „zonde”.Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het „slechte geweten” en het geloof in eene „schuld”, die de mensch aan de godheid heeft.Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van dediepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naarbuitenwerken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan doorinwendigewerking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het „slechte geweten” ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.Het besef van een „schuld” jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen blevenuitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond „de erfzonde” en het dogma van „de voorbeschikking” uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een „slecht geweten”, verkrijgt men de „zonde”. De mensch, die een „slecht geweten” heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne „zonde” boeten.Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de „zonden”, waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige „zondaren”, die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in hetnihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als „God”, „de ziel”, „de geest”, „de vrije wil”, denkbeeldige gevolgen, „de zonde”, „de genade” en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, „God”, de „geesten”, de „zielen” verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het „koninkrijk Gods”, het „eeuwige leven”. Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de „natuur”, als bron van alle kwaad, tegenover „God”, bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.IV.Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratischen klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van „godsdienst der lijdende menschheid”. Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra hetzich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alleandere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard „ontkend” te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker ishet, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat eeneinde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, dergrootesmart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont eenschepselen eenschepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, datuwmedelijden tot hetschepselin den mensch gaat, tot dat, wat gevormd,gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat watnoodzakelijklijden moet en tot lijden is geschapen? Enonsmedelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijdentegenmedelijden.”9Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande „burgers”. Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, „God noch heer” te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden.Zij gelooven alle in de kudde „zelve” en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de „eerste dienaren van het land” of als de „werktuigen van het algemeene goed.”10Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid—ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, alzijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles.” Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, diebaringheet.De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de „eerste in de liefde” te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. „Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.” De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen metmeer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche’s toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedstsarcasme de „geëmancipeerde” vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke „ambtenaar”, die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.„Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.„Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?” Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint.Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.12V.De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheidop zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het „geloof” staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellichtslechtmocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van deAntichristspreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van hetChristendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele „netheid”, zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?Nietzsche’s antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschapgelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van denobjectievenmensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenenspiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hijzijnepersoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effengladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, eenveronpersoonlijktmensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en „gedistingeerde” houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:„Gij zijt mijne schim,” zegt hij treurig.„Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.„Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.„Gij hebt uw doel verloren!.… En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!„Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!.…”16De wetenschap brengt echter niet alleen „objectieve” menschen en sceptici voort—zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop deovertuigingvan den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden vaneenoud mysterie uit te drukken:Adventavit asinus pulcher et fortissimus.17M.a.w.elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivereredevoor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht enzijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne „overtuigingen” voor vastgestelde „waarheden” wil laten doorgaan. Die „overtuigingen” nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eenewerkelijke wereldin tegenstelling met deschijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben erhet ideaal,den zuiveren geest,het absolute,het wezen op zichzelfvan gemaakt.18Datwezen op zichzelf, diewezenlijke wereldnu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.Geschiedenis eener dwaling.1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hijisdie wereld.(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame („den berouwhebbenden zondaar”) beloofd werd.(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordtvrouw, het wordt Christin).3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, „Königsbergsch” geworden).4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zijonbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).5. „De ware wereld,” een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:in zijn verdwijneneen wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).6. Wij hebben de „ware wereld” afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid:Incipit Zarathustra).19De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die „ja” zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De „ware wereld” der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaardebedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelvenbedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is datoordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder vande waarheid tot elken prijswel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit:„Het lijdt geen twijfel, dat dewaarheidlievendemensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die menschdaardoor zijn geloof in eene andere werelddan die van het leven, de natuur en de geschiedenisbevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, vooronze wereld—niet anders dan haar teontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eenemetaphysische overtuigingberust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato’s geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is.”21Demoderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: „Wat is de waarde der waarheid?” of, wat op hetzelfde neerkomt: „Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?” Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de menschtot elken prijsdie Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren—voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.En wij allen weten er iets van.”22Zoo is dus de apostel der wetenschap, „de nauwgezette van geest,” die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen eneene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.
I.Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne „waardetafel”, wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het „omwerken van alle waarden” (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche’s verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ookdoor de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. „Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.…Ich bin ein Verhängniss.”1De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijncategorisch imperatief, „handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden.” En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in:Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: „Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt.” De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar „den grondslag der moraal”, naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het „moreel geweten” geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingeneerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der „Moordenaars”, die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: „Niets is waar; alles mag.”Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als „God”, de wereld der „Dingen op zichzelf”, de „Waarheid” en het „Categorisch Imperatief” vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche’s hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaalte aanbidden en in plaats van te zeggen: „Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat”, neemt hij als beginsel aan: „Het goede en de waarheid moetenter wille van henzelvegezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen.”De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die „ja” zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die „neen” zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeertinderdaadin een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; demensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.Hij redeneert als volgt: „Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is.2Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef,wilik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus „ja” zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik „ja” zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam „slecht” bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik „ja” zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik „ja” zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik „neen” zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik „neen” zeggen tot de wetenschap en de moraal.”In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.II.„In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een „Herrnmoral” en een „Sklavenmoral”. De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort.”3In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt „goed” al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en „slecht” noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het „goede” is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid enbovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de „wil tot macht”, die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt,de eeredienst, dien zijhem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de „edele” rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: „Die dwaze, belachelijkevermetelheidder edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den „barbaar”, „den boozen vijand”, van den „Goth” of den „Vandaal” b.v.4Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de „goede” in de meestermoraal, de „booze” in de slavenmoraal.Het „booze” is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het „goede” moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid,nederigheid en welwillendheid; de „goede”, die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.III.Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een „verscheurend dier”, dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tuchtte gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de „wil tot macht” zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de „slavenopstand” in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!”5Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.De eerste daad van de groote omkeering der waarden is dehypothese van dezielen denvrijen wilgeweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als „de bliksem verplettert” of „de machtige overwint zijne tegenstanders” zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is „slecht” als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is „goed” als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:„Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aardeeen ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.… Komaan: van hier uit daalt de blik op diesombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.… Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.„Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk.”En verder!„En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt „goedheid”, bange laagheid wordt „nederigheid”; onderwerping aan hen, die men haat, „gehoorzaamheid” (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam „geduld”—dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun „ik kan mij niet wreken” wordt „ik wil mij niet wreken”, of zelfs „ik vergeef het hun” „(wantzijweten niet wat zij doen—maar wij weten wel degelijk watzijdoen!”) Zij spreken ook van „hunne vijandenliefhebben”—en zij zweten er van.…En verder!„Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers envalschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.… misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de „zaligheid”.En verder!„Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar datzij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarinhet ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat—wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?.…„Ikbegrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: „Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen”; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar „den triomf van het recht”; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten hetonrecht, degoddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak („zoeter dan honing”, zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van„denrechtvaardigenGod over de goddeloozen”; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar „hunne broeders in de liefde”, zooals zij hen noemen,„alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde.”En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?„Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het „laatste oordeel”; en de komst van hunne heerschappij: het „koninkrijk Gods”;in afwachtingdaarvan leven zij „in geloof”, „in liefde” en „in hoop”.„Genoeg! genoeg!”6Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnenheeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische „versuffing” brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een „heilige”. In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als „naastenliefde” in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van „zonde”.Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het „slechte geweten” en het geloof in eene „schuld”, die de mensch aan de godheid heeft.Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van dediepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naarbuitenwerken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan doorinwendigewerking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het „slechte geweten” ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.Het besef van een „schuld” jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen blevenuitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond „de erfzonde” en het dogma van „de voorbeschikking” uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een „slecht geweten”, verkrijgt men de „zonde”. De mensch, die een „slecht geweten” heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne „zonde” boeten.Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de „zonden”, waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige „zondaren”, die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in hetnihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als „God”, „de ziel”, „de geest”, „de vrije wil”, denkbeeldige gevolgen, „de zonde”, „de genade” en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, „God”, de „geesten”, de „zielen” verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het „koninkrijk Gods”, het „eeuwige leven”. Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de „natuur”, als bron van alle kwaad, tegenover „God”, bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.IV.Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratischen klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van „godsdienst der lijdende menschheid”. Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra hetzich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alleandere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard „ontkend” te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker ishet, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat eeneinde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, dergrootesmart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont eenschepselen eenschepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, datuwmedelijden tot hetschepselin den mensch gaat, tot dat, wat gevormd,gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat watnoodzakelijklijden moet en tot lijden is geschapen? Enonsmedelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijdentegenmedelijden.”9Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande „burgers”. Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, „God noch heer” te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden.Zij gelooven alle in de kudde „zelve” en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de „eerste dienaren van het land” of als de „werktuigen van het algemeene goed.”10Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid—ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, alzijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles.” Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, diebaringheet.De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de „eerste in de liefde” te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. „Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.” De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen metmeer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche’s toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedstsarcasme de „geëmancipeerde” vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke „ambtenaar”, die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.„Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.„Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?” Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint.Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.12V.De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheidop zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het „geloof” staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellichtslechtmocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van deAntichristspreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van hetChristendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele „netheid”, zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?Nietzsche’s antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschapgelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van denobjectievenmensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenenspiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hijzijnepersoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effengladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, eenveronpersoonlijktmensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en „gedistingeerde” houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:„Gij zijt mijne schim,” zegt hij treurig.„Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.„Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.„Gij hebt uw doel verloren!.… En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!„Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!.…”16De wetenschap brengt echter niet alleen „objectieve” menschen en sceptici voort—zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop deovertuigingvan den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden vaneenoud mysterie uit te drukken:Adventavit asinus pulcher et fortissimus.17M.a.w.elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivereredevoor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht enzijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne „overtuigingen” voor vastgestelde „waarheden” wil laten doorgaan. Die „overtuigingen” nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eenewerkelijke wereldin tegenstelling met deschijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben erhet ideaal,den zuiveren geest,het absolute,het wezen op zichzelfvan gemaakt.18Datwezen op zichzelf, diewezenlijke wereldnu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.Geschiedenis eener dwaling.1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hijisdie wereld.(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame („den berouwhebbenden zondaar”) beloofd werd.(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordtvrouw, het wordt Christin).3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, „Königsbergsch” geworden).4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zijonbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).5. „De ware wereld,” een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:in zijn verdwijneneen wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).6. Wij hebben de „ware wereld” afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid:Incipit Zarathustra).19De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die „ja” zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De „ware wereld” der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaardebedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelvenbedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is datoordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder vande waarheid tot elken prijswel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit:„Het lijdt geen twijfel, dat dewaarheidlievendemensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die menschdaardoor zijn geloof in eene andere werelddan die van het leven, de natuur en de geschiedenisbevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, vooronze wereld—niet anders dan haar teontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eenemetaphysische overtuigingberust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato’s geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is.”21Demoderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: „Wat is de waarde der waarheid?” of, wat op hetzelfde neerkomt: „Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?” Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de menschtot elken prijsdie Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren—voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.En wij allen weten er iets van.”22Zoo is dus de apostel der wetenschap, „de nauwgezette van geest,” die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen eneene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.
I.Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne „waardetafel”, wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het „omwerken van alle waarden” (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche’s verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ookdoor de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. „Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.…Ich bin ein Verhängniss.”1De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijncategorisch imperatief, „handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden.” En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in:Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: „Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt.” De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar „den grondslag der moraal”, naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het „moreel geweten” geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingeneerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der „Moordenaars”, die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: „Niets is waar; alles mag.”Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als „God”, de wereld der „Dingen op zichzelf”, de „Waarheid” en het „Categorisch Imperatief” vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche’s hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaalte aanbidden en in plaats van te zeggen: „Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat”, neemt hij als beginsel aan: „Het goede en de waarheid moetenter wille van henzelvegezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen.”De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die „ja” zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die „neen” zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeertinderdaadin een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; demensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.Hij redeneert als volgt: „Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is.2Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef,wilik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus „ja” zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik „ja” zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam „slecht” bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik „ja” zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik „ja” zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik „neen” zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik „neen” zeggen tot de wetenschap en de moraal.”In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.
I.
Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne „waardetafel”, wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het „omwerken van alle waarden” (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche’s verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ookdoor de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. „Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.…Ich bin ein Verhängniss.”1De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijncategorisch imperatief, „handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden.” En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in:Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: „Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt.” De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar „den grondslag der moraal”, naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het „moreel geweten” geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingeneerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der „Moordenaars”, die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: „Niets is waar; alles mag.”Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als „God”, de wereld der „Dingen op zichzelf”, de „Waarheid” en het „Categorisch Imperatief” vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche’s hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaalte aanbidden en in plaats van te zeggen: „Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat”, neemt hij als beginsel aan: „Het goede en de waarheid moetenter wille van henzelvegezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen.”De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die „ja” zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die „neen” zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeertinderdaadin een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; demensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.Hij redeneert als volgt: „Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is.2Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef,wilik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus „ja” zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik „ja” zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam „slecht” bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik „ja” zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik „ja” zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik „neen” zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik „neen” zeggen tot de wetenschap en de moraal.”In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.
Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne „waardetafel”, wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het „omwerken van alle waarden” (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche’s verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ookdoor de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. „Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.…Ich bin ein Verhängniss.”1
De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijncategorisch imperatief, „handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden.” En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in:Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: „Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt.” De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar „den grondslag der moraal”, naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het „moreel geweten” geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingeneerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der „Moordenaars”, die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: „Niets is waar; alles mag.”
Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als „God”, de wereld der „Dingen op zichzelf”, de „Waarheid” en het „Categorisch Imperatief” vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche’s hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaalte aanbidden en in plaats van te zeggen: „Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat”, neemt hij als beginsel aan: „Het goede en de waarheid moetenter wille van henzelvegezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen.”
De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.
De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die „ja” zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die „neen” zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.
Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeertinderdaadin een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; demensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.
Hij redeneert als volgt: „Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is.2Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef,wilik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus „ja” zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik „ja” zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam „slecht” bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik „ja” zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik „ja” zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik „neen” zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik „neen” zeggen tot de wetenschap en de moraal.”
In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.
II.„In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een „Herrnmoral” en een „Sklavenmoral”. De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort.”3In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt „goed” al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en „slecht” noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het „goede” is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid enbovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de „wil tot macht”, die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt,de eeredienst, dien zijhem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de „edele” rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: „Die dwaze, belachelijkevermetelheidder edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den „barbaar”, „den boozen vijand”, van den „Goth” of den „Vandaal” b.v.4Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de „goede” in de meestermoraal, de „booze” in de slavenmoraal.Het „booze” is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het „goede” moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid,nederigheid en welwillendheid; de „goede”, die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.
II.
„In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een „Herrnmoral” en een „Sklavenmoral”. De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort.”3In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt „goed” al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en „slecht” noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het „goede” is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid enbovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de „wil tot macht”, die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt,de eeredienst, dien zijhem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de „edele” rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: „Die dwaze, belachelijkevermetelheidder edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den „barbaar”, „den boozen vijand”, van den „Goth” of den „Vandaal” b.v.4Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de „goede” in de meestermoraal, de „booze” in de slavenmoraal.Het „booze” is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het „goede” moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid,nederigheid en welwillendheid; de „goede”, die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.
„In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een „Herrnmoral” en een „Sklavenmoral”. De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort.”3
In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt „goed” al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en „slecht” noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het „goede” is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid enbovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de „wil tot macht”, die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt,de eeredienst, dien zijhem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.
Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de „edele” rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: „Die dwaze, belachelijkevermetelheidder edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den „barbaar”, „den boozen vijand”, van den „Goth” of den „Vandaal” b.v.4Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de „goede” in de meestermoraal, de „booze” in de slavenmoraal.
Het „booze” is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het „goede” moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid,nederigheid en welwillendheid; de „goede”, die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.
III.Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een „verscheurend dier”, dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tuchtte gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de „wil tot macht” zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de „slavenopstand” in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!”5Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.De eerste daad van de groote omkeering der waarden is dehypothese van dezielen denvrijen wilgeweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als „de bliksem verplettert” of „de machtige overwint zijne tegenstanders” zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is „slecht” als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is „goed” als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:„Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aardeeen ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.… Komaan: van hier uit daalt de blik op diesombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.… Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.„Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk.”En verder!„En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt „goedheid”, bange laagheid wordt „nederigheid”; onderwerping aan hen, die men haat, „gehoorzaamheid” (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam „geduld”—dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun „ik kan mij niet wreken” wordt „ik wil mij niet wreken”, of zelfs „ik vergeef het hun” „(wantzijweten niet wat zij doen—maar wij weten wel degelijk watzijdoen!”) Zij spreken ook van „hunne vijandenliefhebben”—en zij zweten er van.…En verder!„Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers envalschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.… misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de „zaligheid”.En verder!„Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar datzij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarinhet ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat—wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?.…„Ikbegrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: „Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen”; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar „den triomf van het recht”; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten hetonrecht, degoddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak („zoeter dan honing”, zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van„denrechtvaardigenGod over de goddeloozen”; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar „hunne broeders in de liefde”, zooals zij hen noemen,„alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde.”En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?„Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het „laatste oordeel”; en de komst van hunne heerschappij: het „koninkrijk Gods”;in afwachtingdaarvan leven zij „in geloof”, „in liefde” en „in hoop”.„Genoeg! genoeg!”6Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnenheeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische „versuffing” brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een „heilige”. In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als „naastenliefde” in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van „zonde”.Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het „slechte geweten” en het geloof in eene „schuld”, die de mensch aan de godheid heeft.Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van dediepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naarbuitenwerken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan doorinwendigewerking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het „slechte geweten” ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.Het besef van een „schuld” jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen blevenuitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond „de erfzonde” en het dogma van „de voorbeschikking” uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een „slecht geweten”, verkrijgt men de „zonde”. De mensch, die een „slecht geweten” heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne „zonde” boeten.Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de „zonden”, waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige „zondaren”, die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in hetnihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als „God”, „de ziel”, „de geest”, „de vrije wil”, denkbeeldige gevolgen, „de zonde”, „de genade” en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, „God”, de „geesten”, de „zielen” verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het „koninkrijk Gods”, het „eeuwige leven”. Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de „natuur”, als bron van alle kwaad, tegenover „God”, bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.
III.
Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een „verscheurend dier”, dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tuchtte gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de „wil tot macht” zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de „slavenopstand” in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!”5Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.De eerste daad van de groote omkeering der waarden is dehypothese van dezielen denvrijen wilgeweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als „de bliksem verplettert” of „de machtige overwint zijne tegenstanders” zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is „slecht” als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is „goed” als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:„Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aardeeen ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.… Komaan: van hier uit daalt de blik op diesombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.… Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.„Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk.”En verder!„En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt „goedheid”, bange laagheid wordt „nederigheid”; onderwerping aan hen, die men haat, „gehoorzaamheid” (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam „geduld”—dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun „ik kan mij niet wreken” wordt „ik wil mij niet wreken”, of zelfs „ik vergeef het hun” „(wantzijweten niet wat zij doen—maar wij weten wel degelijk watzijdoen!”) Zij spreken ook van „hunne vijandenliefhebben”—en zij zweten er van.…En verder!„Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers envalschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.… misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de „zaligheid”.En verder!„Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar datzij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarinhet ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat—wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?.…„Ikbegrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: „Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen”; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar „den triomf van het recht”; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten hetonrecht, degoddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak („zoeter dan honing”, zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van„denrechtvaardigenGod over de goddeloozen”; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar „hunne broeders in de liefde”, zooals zij hen noemen,„alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde.”En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?„Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het „laatste oordeel”; en de komst van hunne heerschappij: het „koninkrijk Gods”;in afwachtingdaarvan leven zij „in geloof”, „in liefde” en „in hoop”.„Genoeg! genoeg!”6Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnenheeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische „versuffing” brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een „heilige”. In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als „naastenliefde” in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van „zonde”.Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het „slechte geweten” en het geloof in eene „schuld”, die de mensch aan de godheid heeft.Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van dediepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naarbuitenwerken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan doorinwendigewerking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het „slechte geweten” ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.Het besef van een „schuld” jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen blevenuitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond „de erfzonde” en het dogma van „de voorbeschikking” uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een „slecht geweten”, verkrijgt men de „zonde”. De mensch, die een „slecht geweten” heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne „zonde” boeten.Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de „zonden”, waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige „zondaren”, die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in hetnihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als „God”, „de ziel”, „de geest”, „de vrije wil”, denkbeeldige gevolgen, „de zonde”, „de genade” en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, „God”, de „geesten”, de „zielen” verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het „koninkrijk Gods”, het „eeuwige leven”. Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de „natuur”, als bron van alle kwaad, tegenover „God”, bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.
Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.
De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?
De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een „verscheurend dier”, dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tuchtte gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de „wil tot macht” zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.
Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de „slavenopstand” in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!”5Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.
De eerste daad van de groote omkeering der waarden is dehypothese van dezielen denvrijen wilgeweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als „de bliksem verplettert” of „de machtige overwint zijne tegenstanders” zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is „slecht” als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is „goed” als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.
Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:
„Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aardeeen ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.… Komaan: van hier uit daalt de blik op diesombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.… Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.
„Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk.”
En verder!
„En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt „goedheid”, bange laagheid wordt „nederigheid”; onderwerping aan hen, die men haat, „gehoorzaamheid” (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam „geduld”—dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun „ik kan mij niet wreken” wordt „ik wil mij niet wreken”, of zelfs „ik vergeef het hun” „(wantzijweten niet wat zij doen—maar wij weten wel degelijk watzijdoen!”) Zij spreken ook van „hunne vijandenliefhebben”—en zij zweten er van.…
En verder!
„Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers envalschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.… misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de „zaligheid”.
En verder!
„Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar datzij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarinhet ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.
Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat—wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?.…
„Ikbegrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: „Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen”; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar „den triomf van het recht”; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten hetonrecht, degoddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak („zoeter dan honing”, zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van„denrechtvaardigenGod over de goddeloozen”; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar „hunne broeders in de liefde”, zooals zij hen noemen,„alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde.”
En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?
„Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het „laatste oordeel”; en de komst van hunne heerschappij: het „koninkrijk Gods”;in afwachtingdaarvan leven zij „in geloof”, „in liefde” en „in hoop”.
„Genoeg! genoeg!”6
Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnenheeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.
Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische „versuffing” brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een „heilige”. In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als „naastenliefde” in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.
Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van „zonde”.
Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het „slechte geweten” en het geloof in eene „schuld”, die de mensch aan de godheid heeft.
Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van dediepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naarbuitenwerken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan doorinwendigewerking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het „slechte geweten” ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.
Het besef van een „schuld” jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen blevenuitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond „de erfzonde” en het dogma van „de voorbeschikking” uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.
Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een „slecht geweten”, verkrijgt men de „zonde”. De mensch, die een „slecht geweten” heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne „zonde” boeten.
Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de „zonden”, waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige „zondaren”, die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.
Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in hetnihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als „God”, „de ziel”, „de geest”, „de vrije wil”, denkbeeldige gevolgen, „de zonde”, „de genade” en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, „God”, de „geesten”, de „zielen” verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het „koninkrijk Gods”, het „eeuwige leven”. Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de „natuur”, als bron van alle kwaad, tegenover „God”, bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.
IV.Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratischen klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van „godsdienst der lijdende menschheid”. Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra hetzich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alleandere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard „ontkend” te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker ishet, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat eeneinde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, dergrootesmart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont eenschepselen eenschepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, datuwmedelijden tot hetschepselin den mensch gaat, tot dat, wat gevormd,gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat watnoodzakelijklijden moet en tot lijden is geschapen? Enonsmedelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijdentegenmedelijden.”9Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande „burgers”. Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, „God noch heer” te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden.Zij gelooven alle in de kudde „zelve” en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de „eerste dienaren van het land” of als de „werktuigen van het algemeene goed.”10Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid—ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, alzijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles.” Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, diebaringheet.De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de „eerste in de liefde” te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. „Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.” De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen metmeer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche’s toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedstsarcasme de „geëmancipeerde” vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke „ambtenaar”, die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.„Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.„Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?” Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint.Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.12
IV.
Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratischen klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van „godsdienst der lijdende menschheid”. Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra hetzich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alleandere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard „ontkend” te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker ishet, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat eeneinde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, dergrootesmart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont eenschepselen eenschepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, datuwmedelijden tot hetschepselin den mensch gaat, tot dat, wat gevormd,gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat watnoodzakelijklijden moet en tot lijden is geschapen? Enonsmedelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijdentegenmedelijden.”9Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande „burgers”. Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, „God noch heer” te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden.Zij gelooven alle in de kudde „zelve” en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de „eerste dienaren van het land” of als de „werktuigen van het algemeene goed.”10Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid—ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, alzijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles.” Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, diebaringheet.De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de „eerste in de liefde” te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. „Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.” De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen metmeer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche’s toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedstsarcasme de „geëmancipeerde” vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke „ambtenaar”, die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.„Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.„Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?” Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint.Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.12
Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratischen klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.
De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van „godsdienst der lijdende menschheid”. Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.
De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra hetzich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.
Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.
Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alleandere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard „ontkend” te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.
Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.
Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker ishet, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat eeneinde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, dergrootesmart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont eenschepselen eenschepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, datuwmedelijden tot hetschepselin den mensch gaat, tot dat, wat gevormd,gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat watnoodzakelijklijden moet en tot lijden is geschapen? Enonsmedelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijdentegenmedelijden.”9
Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande „burgers”. Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, „God noch heer” te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden.Zij gelooven alle in de kudde „zelve” en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.
Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de „eerste dienaren van het land” of als de „werktuigen van het algemeene goed.”10
Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.
Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid—ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, alzijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles.” Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, diebaringheet.
De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de „eerste in de liefde” te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. „Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.” De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.
De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen metmeer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.
Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche’s toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedstsarcasme de „geëmancipeerde” vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke „ambtenaar”, die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.
En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.
Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.
„Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.
„Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?” Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.
De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint.Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.
„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.
Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.
Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.
Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.
Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.
Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.
Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.
„Wij hebben het geluk ontdekt,” zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.12
V.De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheidop zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het „geloof” staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellichtslechtmocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van deAntichristspreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van hetChristendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele „netheid”, zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?Nietzsche’s antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschapgelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van denobjectievenmensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenenspiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hijzijnepersoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effengladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, eenveronpersoonlijktmensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en „gedistingeerde” houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:„Gij zijt mijne schim,” zegt hij treurig.„Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.„Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.„Gij hebt uw doel verloren!.… En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!„Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!.…”16De wetenschap brengt echter niet alleen „objectieve” menschen en sceptici voort—zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop deovertuigingvan den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden vaneenoud mysterie uit te drukken:Adventavit asinus pulcher et fortissimus.17M.a.w.elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivereredevoor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht enzijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne „overtuigingen” voor vastgestelde „waarheden” wil laten doorgaan. Die „overtuigingen” nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eenewerkelijke wereldin tegenstelling met deschijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben erhet ideaal,den zuiveren geest,het absolute,het wezen op zichzelfvan gemaakt.18Datwezen op zichzelf, diewezenlijke wereldnu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.Geschiedenis eener dwaling.1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hijisdie wereld.(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame („den berouwhebbenden zondaar”) beloofd werd.(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordtvrouw, het wordt Christin).3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, „Königsbergsch” geworden).4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zijonbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).5. „De ware wereld,” een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:in zijn verdwijneneen wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).6. Wij hebben de „ware wereld” afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid:Incipit Zarathustra).19De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die „ja” zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De „ware wereld” der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaardebedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelvenbedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is datoordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder vande waarheid tot elken prijswel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit:„Het lijdt geen twijfel, dat dewaarheidlievendemensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die menschdaardoor zijn geloof in eene andere werelddan die van het leven, de natuur en de geschiedenisbevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, vooronze wereld—niet anders dan haar teontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eenemetaphysische overtuigingberust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato’s geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is.”21Demoderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: „Wat is de waarde der waarheid?” of, wat op hetzelfde neerkomt: „Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?” Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de menschtot elken prijsdie Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren—voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.En wij allen weten er iets van.”22Zoo is dus de apostel der wetenschap, „de nauwgezette van geest,” die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen eneene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.
V.
De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheidop zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het „geloof” staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellichtslechtmocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van deAntichristspreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van hetChristendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele „netheid”, zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?Nietzsche’s antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschapgelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van denobjectievenmensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenenspiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hijzijnepersoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effengladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, eenveronpersoonlijktmensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en „gedistingeerde” houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:„Gij zijt mijne schim,” zegt hij treurig.„Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.„Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.„Gij hebt uw doel verloren!.… En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!„Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!.…”16De wetenschap brengt echter niet alleen „objectieve” menschen en sceptici voort—zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop deovertuigingvan den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden vaneenoud mysterie uit te drukken:Adventavit asinus pulcher et fortissimus.17M.a.w.elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivereredevoor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht enzijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne „overtuigingen” voor vastgestelde „waarheden” wil laten doorgaan. Die „overtuigingen” nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eenewerkelijke wereldin tegenstelling met deschijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben erhet ideaal,den zuiveren geest,het absolute,het wezen op zichzelfvan gemaakt.18Datwezen op zichzelf, diewezenlijke wereldnu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.Geschiedenis eener dwaling.1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hijisdie wereld.(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame („den berouwhebbenden zondaar”) beloofd werd.(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordtvrouw, het wordt Christin).3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, „Königsbergsch” geworden).4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zijonbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).5. „De ware wereld,” een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:in zijn verdwijneneen wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).6. Wij hebben de „ware wereld” afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid:Incipit Zarathustra).19De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die „ja” zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De „ware wereld” der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaardebedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelvenbedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is datoordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder vande waarheid tot elken prijswel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit:„Het lijdt geen twijfel, dat dewaarheidlievendemensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die menschdaardoor zijn geloof in eene andere werelddan die van het leven, de natuur en de geschiedenisbevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, vooronze wereld—niet anders dan haar teontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eenemetaphysische overtuigingberust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato’s geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is.”21Demoderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: „Wat is de waarde der waarheid?” of, wat op hetzelfde neerkomt: „Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?” Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de menschtot elken prijsdie Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren—voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.En wij allen weten er iets van.”22Zoo is dus de apostel der wetenschap, „de nauwgezette van geest,” die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen eneene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.
De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheidop zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het „geloof” staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellichtslechtmocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van deAntichristspreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van hetChristendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele „netheid”, zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.
In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?
Nietzsche’s antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.
Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.
Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschapgelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van denobjectievenmensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenenspiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hijzijnepersoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effengladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, eenveronpersoonlijktmensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.
Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en „gedistingeerde” houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:
„Gij zijt mijne schim,” zegt hij treurig.
„Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.
„Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.
„Gij hebt uw doel verloren!.… En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!
„Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!.…”16
De wetenschap brengt echter niet alleen „objectieve” menschen en sceptici voort—zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop deovertuigingvan den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden vaneenoud mysterie uit te drukken:
Adventavit asinus pulcher et fortissimus.17
M.a.w.elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivereredevoor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht enzijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne „overtuigingen” voor vastgestelde „waarheden” wil laten doorgaan. Die „overtuigingen” nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.
Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eenewerkelijke wereldin tegenstelling met deschijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.
In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben erhet ideaal,den zuiveren geest,het absolute,het wezen op zichzelfvan gemaakt.18Datwezen op zichzelf, diewezenlijke wereldnu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.
Geschiedenis eener dwaling.
1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hijisdie wereld.
(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).
2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame („den berouwhebbenden zondaar”) beloofd werd.
(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordtvrouw, het wordt Christin).
3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.
(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, „Königsbergsch” geworden).
4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zijonbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?
(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).
5. „De ware wereld,” een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:in zijn verdwijneneen wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.
(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).
6. Wij hebben de „ware wereld” afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.
(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid:Incipit Zarathustra).19
De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die „ja” zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De „ware wereld” der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.
Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaardebedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelvenbedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is datoordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder vande waarheid tot elken prijswel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit:
„Het lijdt geen twijfel, dat dewaarheidlievendemensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die menschdaardoor zijn geloof in eene andere werelddan die van het leven, de natuur en de geschiedenisbevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, vooronze wereld—niet anders dan haar teontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eenemetaphysische overtuigingberust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato’s geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is.”21Demoderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: „Wat is de waarde der waarheid?” of, wat op hetzelfde neerkomt: „Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?” Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de menschtot elken prijsdie Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.
Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?
Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.
Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?
Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren—voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.
En wij allen weten er iets van.”22
Zoo is dus de apostel der wetenschap, „de nauwgezette van geest,” die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen eneene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.