V.

V.Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord tezeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in deWalküregroote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eenezienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zoublijvendan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in deoorspronkelijketragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij hetbovenmatigeacht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderdenstelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop deuitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud de „nihilistische” gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den strijd tegen de „socratische” cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat, waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en haar verlangen naar vrede en niet-zijn.Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche’s geest bezig, en tot het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen, die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had gesteld, veranderde Nietzsche’s oordeel over Schopenhauer en Wagner geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem wasgeweest en dat, wanneer hij zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne philosophie over den „Uebermensch”, wier kiem reeds gelegen was in de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne „Geburt der Tragödie” verklaarde.Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den „schoonen vorm,” de bewonderaar van den grootschen klassieken stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten van een geniaal „comediant”, van een voortreffelijk goochelaar. Hij had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel, de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde volgens Nietzsche den „vlammenden” stijl in de muziek, het was de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan te zijn geweest … maar men moet zich van de heerschappij van dien grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. „De grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing,” zegt Nietzsche verder. „Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest.”43Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche’s kritiek evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar verraad. Nietzsche’s diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner—die droefheid had den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen, twee jaren later, Nietzsche in zijn „Menschliches Allzumenschliches” (1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen, de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk voor, dat Nietzsche’s eerzucht zich bepalen zou tot den rang van eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche’s afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte, want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij, ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: „Der Fall Wagner” (1888) en „Nietzsche contra Wagner” (1888).Nietzsche’s gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillendbeoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche’s ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot 1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep, zijne „Unzeitgemäsze” over het Bayreuthsch werk is de schoonste analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche’s intellectueele ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was; dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen kant zijn Nietzsche’s vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen, weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner; dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens voor Wagner in 1876, mocht hij dan „R. Wagner te Bayreuth” schrijven in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid is geweest van Nietzsche’s kant; velen althans zullen vinden, dat het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal „Wagner te Bayreuth” geschreven te hebben, het recht later „Der Fall Wagner” te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen, zooals zij trouwens over de waarde vanNietzsche’s geheele moraal over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest (dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden, die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers der „oude moraal” zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in die opoffering, dat Nietzsche slechts „persoonlijk”, anders gezegd „egoïst” is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen opvoeder tegeven,zichzelfin den omgang met Wagner heeft gezocht en daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien, liever de trouw der vriendschap aan zijne eigenikheidprijsgaf dan de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar zeer schoon,wanneerhet menschelijk leven als eenig doel beoogt de ontwikkeling van het genie, enwanneer, zooals Nietzsche zegt:„deonpersoonlijkheidnoch in den hemel, noch op aarde eenige waarde heeft.” Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche’s handelwijze voor velen onzer tijdgenooten „raadselachtig” blijven zal. Velen zullen geneigd zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok—een zeer belangrijken schok uit eenaesthetischenintellectueel, maar minder zeggend uit eenmoreeloogpunt—tusschen twee hoogstaande individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje „egoïsme” kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche’s gedrag met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid te beoordeelen.Tot slot van deze discussie Nietzsche’s schoon aphorisme,Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnenbreuk met Wagner heeft beschreven: „Wij waren vrienden en zijn vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft; wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij vroeger deden—en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten; nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien—wellicht zullen wij elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn, de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten—laat ons trachten ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde.”44

V.Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord tezeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in deWalküregroote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eenezienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zoublijvendan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in deoorspronkelijketragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij hetbovenmatigeacht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderdenstelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop deuitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud de „nihilistische” gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den strijd tegen de „socratische” cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat, waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en haar verlangen naar vrede en niet-zijn.Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche’s geest bezig, en tot het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen, die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had gesteld, veranderde Nietzsche’s oordeel over Schopenhauer en Wagner geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem wasgeweest en dat, wanneer hij zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne philosophie over den „Uebermensch”, wier kiem reeds gelegen was in de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne „Geburt der Tragödie” verklaarde.Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den „schoonen vorm,” de bewonderaar van den grootschen klassieken stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten van een geniaal „comediant”, van een voortreffelijk goochelaar. Hij had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel, de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde volgens Nietzsche den „vlammenden” stijl in de muziek, het was de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan te zijn geweest … maar men moet zich van de heerschappij van dien grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. „De grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing,” zegt Nietzsche verder. „Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest.”43Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche’s kritiek evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar verraad. Nietzsche’s diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner—die droefheid had den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen, twee jaren later, Nietzsche in zijn „Menschliches Allzumenschliches” (1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen, de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk voor, dat Nietzsche’s eerzucht zich bepalen zou tot den rang van eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche’s afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte, want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij, ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: „Der Fall Wagner” (1888) en „Nietzsche contra Wagner” (1888).Nietzsche’s gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillendbeoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche’s ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot 1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep, zijne „Unzeitgemäsze” over het Bayreuthsch werk is de schoonste analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche’s intellectueele ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was; dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen kant zijn Nietzsche’s vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen, weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner; dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens voor Wagner in 1876, mocht hij dan „R. Wagner te Bayreuth” schrijven in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid is geweest van Nietzsche’s kant; velen althans zullen vinden, dat het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal „Wagner te Bayreuth” geschreven te hebben, het recht later „Der Fall Wagner” te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen, zooals zij trouwens over de waarde vanNietzsche’s geheele moraal over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest (dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden, die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers der „oude moraal” zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in die opoffering, dat Nietzsche slechts „persoonlijk”, anders gezegd „egoïst” is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen opvoeder tegeven,zichzelfin den omgang met Wagner heeft gezocht en daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien, liever de trouw der vriendschap aan zijne eigenikheidprijsgaf dan de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar zeer schoon,wanneerhet menschelijk leven als eenig doel beoogt de ontwikkeling van het genie, enwanneer, zooals Nietzsche zegt:„deonpersoonlijkheidnoch in den hemel, noch op aarde eenige waarde heeft.” Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche’s handelwijze voor velen onzer tijdgenooten „raadselachtig” blijven zal. Velen zullen geneigd zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok—een zeer belangrijken schok uit eenaesthetischenintellectueel, maar minder zeggend uit eenmoreeloogpunt—tusschen twee hoogstaande individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje „egoïsme” kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche’s gedrag met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid te beoordeelen.Tot slot van deze discussie Nietzsche’s schoon aphorisme,Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnenbreuk met Wagner heeft beschreven: „Wij waren vrienden en zijn vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft; wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij vroeger deden—en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten; nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien—wellicht zullen wij elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn, de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten—laat ons trachten ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde.”44

V.Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord tezeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in deWalküregroote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eenezienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zoublijvendan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in deoorspronkelijketragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij hetbovenmatigeacht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderdenstelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop deuitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud de „nihilistische” gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den strijd tegen de „socratische” cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat, waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en haar verlangen naar vrede en niet-zijn.Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche’s geest bezig, en tot het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen, die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had gesteld, veranderde Nietzsche’s oordeel over Schopenhauer en Wagner geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem wasgeweest en dat, wanneer hij zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne philosophie over den „Uebermensch”, wier kiem reeds gelegen was in de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne „Geburt der Tragödie” verklaarde.Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den „schoonen vorm,” de bewonderaar van den grootschen klassieken stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten van een geniaal „comediant”, van een voortreffelijk goochelaar. Hij had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel, de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde volgens Nietzsche den „vlammenden” stijl in de muziek, het was de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan te zijn geweest … maar men moet zich van de heerschappij van dien grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. „De grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing,” zegt Nietzsche verder. „Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest.”43Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche’s kritiek evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar verraad. Nietzsche’s diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner—die droefheid had den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen, twee jaren later, Nietzsche in zijn „Menschliches Allzumenschliches” (1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen, de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk voor, dat Nietzsche’s eerzucht zich bepalen zou tot den rang van eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche’s afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte, want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij, ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: „Der Fall Wagner” (1888) en „Nietzsche contra Wagner” (1888).Nietzsche’s gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillendbeoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche’s ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot 1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep, zijne „Unzeitgemäsze” over het Bayreuthsch werk is de schoonste analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche’s intellectueele ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was; dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen kant zijn Nietzsche’s vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen, weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner; dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens voor Wagner in 1876, mocht hij dan „R. Wagner te Bayreuth” schrijven in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid is geweest van Nietzsche’s kant; velen althans zullen vinden, dat het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal „Wagner te Bayreuth” geschreven te hebben, het recht later „Der Fall Wagner” te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen, zooals zij trouwens over de waarde vanNietzsche’s geheele moraal over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest (dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden, die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers der „oude moraal” zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in die opoffering, dat Nietzsche slechts „persoonlijk”, anders gezegd „egoïst” is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen opvoeder tegeven,zichzelfin den omgang met Wagner heeft gezocht en daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien, liever de trouw der vriendschap aan zijne eigenikheidprijsgaf dan de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar zeer schoon,wanneerhet menschelijk leven als eenig doel beoogt de ontwikkeling van het genie, enwanneer, zooals Nietzsche zegt:„deonpersoonlijkheidnoch in den hemel, noch op aarde eenige waarde heeft.” Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche’s handelwijze voor velen onzer tijdgenooten „raadselachtig” blijven zal. Velen zullen geneigd zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok—een zeer belangrijken schok uit eenaesthetischenintellectueel, maar minder zeggend uit eenmoreeloogpunt—tusschen twee hoogstaande individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje „egoïsme” kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche’s gedrag met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid te beoordeelen.Tot slot van deze discussie Nietzsche’s schoon aphorisme,Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnenbreuk met Wagner heeft beschreven: „Wij waren vrienden en zijn vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft; wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij vroeger deden—en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten; nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien—wellicht zullen wij elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn, de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten—laat ons trachten ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde.”44

V.Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord tezeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in deWalküregroote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eenezienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zoublijvendan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in deoorspronkelijketragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij hetbovenmatigeacht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderdenstelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop deuitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud de „nihilistische” gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den strijd tegen de „socratische” cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat, waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en haar verlangen naar vrede en niet-zijn.Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche’s geest bezig, en tot het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen, die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had gesteld, veranderde Nietzsche’s oordeel over Schopenhauer en Wagner geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem wasgeweest en dat, wanneer hij zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne philosophie over den „Uebermensch”, wier kiem reeds gelegen was in de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne „Geburt der Tragödie” verklaarde.Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den „schoonen vorm,” de bewonderaar van den grootschen klassieken stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten van een geniaal „comediant”, van een voortreffelijk goochelaar. Hij had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel, de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde volgens Nietzsche den „vlammenden” stijl in de muziek, het was de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan te zijn geweest … maar men moet zich van de heerschappij van dien grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. „De grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing,” zegt Nietzsche verder. „Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest.”43Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche’s kritiek evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar verraad. Nietzsche’s diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner—die droefheid had den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen, twee jaren later, Nietzsche in zijn „Menschliches Allzumenschliches” (1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen, de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk voor, dat Nietzsche’s eerzucht zich bepalen zou tot den rang van eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche’s afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte, want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij, ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: „Der Fall Wagner” (1888) en „Nietzsche contra Wagner” (1888).Nietzsche’s gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillendbeoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche’s ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot 1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep, zijne „Unzeitgemäsze” over het Bayreuthsch werk is de schoonste analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche’s intellectueele ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was; dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen kant zijn Nietzsche’s vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen, weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner; dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens voor Wagner in 1876, mocht hij dan „R. Wagner te Bayreuth” schrijven in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid is geweest van Nietzsche’s kant; velen althans zullen vinden, dat het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal „Wagner te Bayreuth” geschreven te hebben, het recht later „Der Fall Wagner” te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen, zooals zij trouwens over de waarde vanNietzsche’s geheele moraal over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest (dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden, die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers der „oude moraal” zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in die opoffering, dat Nietzsche slechts „persoonlijk”, anders gezegd „egoïst” is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen opvoeder tegeven,zichzelfin den omgang met Wagner heeft gezocht en daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien, liever de trouw der vriendschap aan zijne eigenikheidprijsgaf dan de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar zeer schoon,wanneerhet menschelijk leven als eenig doel beoogt de ontwikkeling van het genie, enwanneer, zooals Nietzsche zegt:„deonpersoonlijkheidnoch in den hemel, noch op aarde eenige waarde heeft.” Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche’s handelwijze voor velen onzer tijdgenooten „raadselachtig” blijven zal. Velen zullen geneigd zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok—een zeer belangrijken schok uit eenaesthetischenintellectueel, maar minder zeggend uit eenmoreeloogpunt—tusschen twee hoogstaande individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje „egoïsme” kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche’s gedrag met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid te beoordeelen.Tot slot van deze discussie Nietzsche’s schoon aphorisme,Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnenbreuk met Wagner heeft beschreven: „Wij waren vrienden en zijn vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft; wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij vroeger deden—en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten; nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien—wellicht zullen wij elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn, de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten—laat ons trachten ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde.”44

V.

Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord tezeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in deWalküregroote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eenezienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zoublijvendan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in deoorspronkelijketragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij hetbovenmatigeacht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderdenstelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop deuitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud de „nihilistische” gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den strijd tegen de „socratische” cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat, waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en haar verlangen naar vrede en niet-zijn.Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche’s geest bezig, en tot het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen, die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had gesteld, veranderde Nietzsche’s oordeel over Schopenhauer en Wagner geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem wasgeweest en dat, wanneer hij zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne philosophie over den „Uebermensch”, wier kiem reeds gelegen was in de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne „Geburt der Tragödie” verklaarde.Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den „schoonen vorm,” de bewonderaar van den grootschen klassieken stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten van een geniaal „comediant”, van een voortreffelijk goochelaar. Hij had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel, de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde volgens Nietzsche den „vlammenden” stijl in de muziek, het was de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan te zijn geweest … maar men moet zich van de heerschappij van dien grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. „De grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing,” zegt Nietzsche verder. „Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest.”43Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche’s kritiek evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar verraad. Nietzsche’s diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner—die droefheid had den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen, twee jaren later, Nietzsche in zijn „Menschliches Allzumenschliches” (1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen, de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk voor, dat Nietzsche’s eerzucht zich bepalen zou tot den rang van eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche’s afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte, want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij, ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: „Der Fall Wagner” (1888) en „Nietzsche contra Wagner” (1888).Nietzsche’s gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillendbeoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche’s ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot 1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep, zijne „Unzeitgemäsze” over het Bayreuthsch werk is de schoonste analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche’s intellectueele ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was; dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen kant zijn Nietzsche’s vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen, weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner; dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens voor Wagner in 1876, mocht hij dan „R. Wagner te Bayreuth” schrijven in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid is geweest van Nietzsche’s kant; velen althans zullen vinden, dat het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal „Wagner te Bayreuth” geschreven te hebben, het recht later „Der Fall Wagner” te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen, zooals zij trouwens over de waarde vanNietzsche’s geheele moraal over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest (dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden, die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers der „oude moraal” zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in die opoffering, dat Nietzsche slechts „persoonlijk”, anders gezegd „egoïst” is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen opvoeder tegeven,zichzelfin den omgang met Wagner heeft gezocht en daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien, liever de trouw der vriendschap aan zijne eigenikheidprijsgaf dan de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar zeer schoon,wanneerhet menschelijk leven als eenig doel beoogt de ontwikkeling van het genie, enwanneer, zooals Nietzsche zegt:„deonpersoonlijkheidnoch in den hemel, noch op aarde eenige waarde heeft.” Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche’s handelwijze voor velen onzer tijdgenooten „raadselachtig” blijven zal. Velen zullen geneigd zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok—een zeer belangrijken schok uit eenaesthetischenintellectueel, maar minder zeggend uit eenmoreeloogpunt—tusschen twee hoogstaande individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje „egoïsme” kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche’s gedrag met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid te beoordeelen.Tot slot van deze discussie Nietzsche’s schoon aphorisme,Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnenbreuk met Wagner heeft beschreven: „Wij waren vrienden en zijn vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft; wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij vroeger deden—en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten; nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien—wellicht zullen wij elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn, de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten—laat ons trachten ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde.”44

Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord tezeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in deWalküregroote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eenezienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zoublijvendan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in deoorspronkelijketragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij hetbovenmatigeacht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?

Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderdenstelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop deuitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42

Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud de „nihilistische” gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den strijd tegen de „socratische” cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat, waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en haar verlangen naar vrede en niet-zijn.

Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche’s geest bezig, en tot het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen, die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had gesteld, veranderde Nietzsche’s oordeel over Schopenhauer en Wagner geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem wasgeweest en dat, wanneer hij zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne philosophie over den „Uebermensch”, wier kiem reeds gelegen was in de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne „Geburt der Tragödie” verklaarde.

Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den „schoonen vorm,” de bewonderaar van den grootschen klassieken stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten van een geniaal „comediant”, van een voortreffelijk goochelaar. Hij had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel, de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde volgens Nietzsche den „vlammenden” stijl in de muziek, het was de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan te zijn geweest … maar men moet zich van de heerschappij van dien grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. „De grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing,” zegt Nietzsche verder. „Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest.”43

Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche’s kritiek evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar verraad. Nietzsche’s diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner—die droefheid had den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen, twee jaren later, Nietzsche in zijn „Menschliches Allzumenschliches” (1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen, de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk voor, dat Nietzsche’s eerzucht zich bepalen zou tot den rang van eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche’s afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte, want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij, ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: „Der Fall Wagner” (1888) en „Nietzsche contra Wagner” (1888).

Nietzsche’s gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillendbeoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche’s ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot 1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep, zijne „Unzeitgemäsze” over het Bayreuthsch werk is de schoonste analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche’s intellectueele ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was; dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen kant zijn Nietzsche’s vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen, weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner; dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens voor Wagner in 1876, mocht hij dan „R. Wagner te Bayreuth” schrijven in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid is geweest van Nietzsche’s kant; velen althans zullen vinden, dat het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal „Wagner te Bayreuth” geschreven te hebben, het recht later „Der Fall Wagner” te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen, zooals zij trouwens over de waarde vanNietzsche’s geheele moraal over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest (dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden, die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers der „oude moraal” zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in die opoffering, dat Nietzsche slechts „persoonlijk”, anders gezegd „egoïst” is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen opvoeder tegeven,zichzelfin den omgang met Wagner heeft gezocht en daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien, liever de trouw der vriendschap aan zijne eigenikheidprijsgaf dan de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.

Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar zeer schoon,wanneerhet menschelijk leven als eenig doel beoogt de ontwikkeling van het genie, enwanneer, zooals Nietzsche zegt:„deonpersoonlijkheidnoch in den hemel, noch op aarde eenige waarde heeft.” Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche’s handelwijze voor velen onzer tijdgenooten „raadselachtig” blijven zal. Velen zullen geneigd zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok—een zeer belangrijken schok uit eenaesthetischenintellectueel, maar minder zeggend uit eenmoreeloogpunt—tusschen twee hoogstaande individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje „egoïsme” kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche’s gedrag met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid te beoordeelen.

Tot slot van deze discussie Nietzsche’s schoon aphorisme,Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnenbreuk met Wagner heeft beschreven: „Wij waren vrienden en zijn vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft; wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij vroeger deden—en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten; nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien—wellicht zullen wij elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn, de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten—laat ons trachten ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde.”44


Back to IndexNext