IV.Onze Dajaks.Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander mededeelen.In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders, in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit reizen en trekken over te halen zijn.Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun loon was ƒ 1.– per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks; rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan het verstand te brengen.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Aan kleeding hebben zij niet veel “om het lijf.” Een hoofddoek om het lange sluike haar, een “tjidako” om de lendenen; een enkelen ring om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aante geven. Op de vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: “Gampang sadjah.”16De greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne rottan en met haar (in den “goeden” tijd van gesnelde koppen; thans, onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven als op de hoeden gezien werden.Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik en vaak fraai versierd.Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men dan het blioengijzer ¼ slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder en eenigszins gebogen zijn.De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een kunst, die ze goed verstaan.Oorlogsmandaus.Oorlogsmandaus.Elke Dajak heeft zijn “Rücksack.” Het is een mandje van fijn gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets steviger dan die van de Papoea’s, maar het blad is wat smaller.Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea’s; ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij, dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch; maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe, dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, “wij werken hard genoeg.” En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde, voor hij “het bijltje er bij neerlei.”Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken eenig letsel bekomen.Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein “raseerden”; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde, doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerdenzij zich niet; die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware chaos van gevelde stammen door elkaar.Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten staan, dan is het antwoord: “Zonsbestraling en uitdamping zijn hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak”.Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak; alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven, maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden; zij waren aangenomen op ¾ kg. daags, terwijl ons marschrantsoen ½ kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het “regiment” trok aanstonds aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van; de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen, zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken in de versnellingen.Dajak-schilden.Dajak-schilden.Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de prauw in den “neer”, de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte, voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen; een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah, dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort; de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water, alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40, 50 versnellingen passeerden.In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando, alleen een gemeenschappelijk begrijpen.Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival, die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden, dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar lang en sterk touw hadden.Nu, daaraan was geen gebrek!Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard en in 1½ uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen, de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de “Valk”; een klein europeesch gevoel bekroop ons even.Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de stoomfluit van de “Valk” bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg noodig, om ’s avonds nog in zee te kunnen zijn.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.V.Den Mamberamo op met het exploratie-detachement van de Noordkust.—Toebereidselen.Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied,17kon de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor het vertrek naar Pionierbivak.Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip “Zwaan” het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz; verder gingen mede 1eluitenant der infanterie Schulze en schrijver dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er, toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte, nog slechts enkele van deze oude garde over.Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber van de “Zwaan” en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in 1913 met het schip een dag of zes vast zaten.18Den avond van den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega vermoordde. ’t Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover verhaald.Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April ’s middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te debarkeeren en de lading te lossen.Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke’s motor, vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die er heerschte. ’s Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten, de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak te brengen.Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April ’s morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea’s. Deze laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij lastige hoeken te trekken.Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een ontzaggelijk groote steen “de tulband” den weg verspert en diepe draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea’s; deze prauw slaat vol water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen, dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den “tulband”, waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld worden voor wat de morgen zal brengen.Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90 dwangarbeiders en Papoea’s van de hoogerop gelegen étappen om te helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de 120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek; het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, ’s Avonds en ’s nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het bruisen van het water als van een zware branding.Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze, die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken, geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel; het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu achter den rug.Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is ’s avonds niet aangekomen, zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt; oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat; eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.Tegen half elf ’s morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak, met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot geen averij.Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea’s uit, die hierbij zullen helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea’s, naar beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn, de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin, tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag van morgen weer brengen?19Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4 vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds 4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal een zwaren dobber hebben.Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3 prauwen. De colonne is sterk: 5 man “bemanning stoomsloep”, 3 Dajaks, 19 Papoea’s.Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen, doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee ’s namiddags wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een goed eind af.’s Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die ’s avonds tot half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt de voedingpomp20het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen om met de hand bij te pompen.12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea’s komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1½ M. gedaald. De stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet lastig zal zijn.Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In 10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere kolken door. De Papoea’s, die allen reeds met de prauwen aan den wal waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder zelfs maar iets te probeeren.Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak, die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat uitvoeren. In een prauw met Papoea’s springende, steekt Tamantojan, gillende en joelende de Papoea’s aanvurende, van wal en stuurt dwars door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.Zooals met de motorboot was geschied,—oversteken naar den anderen oever tusschen twee versnellingen door,—daar is nu geen denken aan, zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken langs stukken van circa 200 meter. De serang21Doelah wordt telkens bij de Papoea’s aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak, alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook mijn Papoea’s worden vereeuwigd.De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht wordt.Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de “Zwaan” weder zou zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of elders Papoea’s in te huren.De tegenwoordige Papoea’s, die er sedert December of Januari al waren, hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke (Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan, iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de motorboot en stoomsloep boven de vallen.Hoe het zij, den 16en April kwam de “Zwaan” voor Pionier-bivak en nadat het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde het Arfakgebergte in.Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het voorspoedig gegaan was.Dirk Broos—eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)—was een Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe’s (Inlandsche hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde; en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een geval tot een onmisbaar iemand.Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee zou gaan; hij had n.l. licencie’s voor vogelgeweren en stond er op, dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiersvandaan wilde hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea’s of Sowekkers; Dirk liet zich er nog niet over uit en zei lakoniek: “wij zullen wel zien, als het zoover is.”’s Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid- en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn, voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor te maken.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.Den 20enApril vertrokken wij met de “Zwaan” naar Noemfoor en kwamen ’s avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging en beloofde ’s nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk ƒ 5.00 uit. In minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een bijzonder geschikt slag Papoea’s ik getroffen had, vroolijk en opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve, die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door Papoea’s overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter, ter assistentie vertrokken.Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden: de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van uit het Noorden.Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen, valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veeldieper en breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk grooter is.Ook voert deRouffaerrivierhet typische vuile Mamberamo-water af, terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen, daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij genoodzaakt eenige Papoea’s, die met een groote overmacht het kleine troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog belangrijk verder op te varen zal zijn.Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste binnenland van Nieuw-Guinee.Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg- en Van der Willigenrivier worden opgevaren.Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein Oppermann, bijgestaan door den 1enluitenant Feuilleteau de Bruijn en den luitenant ter zee Langeler.De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven als bivakcommandant.Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald, dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en plannen maken voor onzen tocht.Den 15enMei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20 prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea’s en alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen 6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)Den 18enMei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der Idenburgcolonne, 4 prauwen onder denkapitein Oppermann. De Dajaks waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.
IV.Onze Dajaks.Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander mededeelen.In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders, in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit reizen en trekken over te halen zijn.Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun loon was ƒ 1.– per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks; rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan het verstand te brengen.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Aan kleeding hebben zij niet veel “om het lijf.” Een hoofddoek om het lange sluike haar, een “tjidako” om de lendenen; een enkelen ring om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aante geven. Op de vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: “Gampang sadjah.”16De greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne rottan en met haar (in den “goeden” tijd van gesnelde koppen; thans, onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven als op de hoeden gezien werden.Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik en vaak fraai versierd.Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men dan het blioengijzer ¼ slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder en eenigszins gebogen zijn.De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een kunst, die ze goed verstaan.Oorlogsmandaus.Oorlogsmandaus.Elke Dajak heeft zijn “Rücksack.” Het is een mandje van fijn gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets steviger dan die van de Papoea’s, maar het blad is wat smaller.Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea’s; ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij, dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch; maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe, dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, “wij werken hard genoeg.” En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde, voor hij “het bijltje er bij neerlei.”Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken eenig letsel bekomen.Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein “raseerden”; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde, doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerdenzij zich niet; die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware chaos van gevelde stammen door elkaar.Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten staan, dan is het antwoord: “Zonsbestraling en uitdamping zijn hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak”.Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak; alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven, maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden; zij waren aangenomen op ¾ kg. daags, terwijl ons marschrantsoen ½ kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het “regiment” trok aanstonds aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van; de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen, zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken in de versnellingen.Dajak-schilden.Dajak-schilden.Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de prauw in den “neer”, de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte, voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen; een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah, dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort; de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water, alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40, 50 versnellingen passeerden.In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando, alleen een gemeenschappelijk begrijpen.Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival, die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden, dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar lang en sterk touw hadden.Nu, daaraan was geen gebrek!Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard en in 1½ uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen, de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de “Valk”; een klein europeesch gevoel bekroop ons even.Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de stoomfluit van de “Valk” bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg noodig, om ’s avonds nog in zee te kunnen zijn.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.V.Den Mamberamo op met het exploratie-detachement van de Noordkust.—Toebereidselen.Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied,17kon de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor het vertrek naar Pionierbivak.Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip “Zwaan” het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz; verder gingen mede 1eluitenant der infanterie Schulze en schrijver dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er, toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte, nog slechts enkele van deze oude garde over.Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber van de “Zwaan” en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in 1913 met het schip een dag of zes vast zaten.18Den avond van den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega vermoordde. ’t Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover verhaald.Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April ’s middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te debarkeeren en de lading te lossen.Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke’s motor, vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die er heerschte. ’s Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten, de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak te brengen.Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April ’s morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea’s. Deze laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij lastige hoeken te trekken.Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een ontzaggelijk groote steen “de tulband” den weg verspert en diepe draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea’s; deze prauw slaat vol water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen, dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den “tulband”, waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld worden voor wat de morgen zal brengen.Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90 dwangarbeiders en Papoea’s van de hoogerop gelegen étappen om te helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de 120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek; het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, ’s Avonds en ’s nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het bruisen van het water als van een zware branding.Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze, die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken, geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel; het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu achter den rug.Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is ’s avonds niet aangekomen, zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt; oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat; eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.Tegen half elf ’s morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak, met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot geen averij.Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea’s uit, die hierbij zullen helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea’s, naar beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn, de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin, tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag van morgen weer brengen?19Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4 vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds 4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal een zwaren dobber hebben.Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3 prauwen. De colonne is sterk: 5 man “bemanning stoomsloep”, 3 Dajaks, 19 Papoea’s.Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen, doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee ’s namiddags wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een goed eind af.’s Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die ’s avonds tot half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt de voedingpomp20het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen om met de hand bij te pompen.12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea’s komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1½ M. gedaald. De stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet lastig zal zijn.Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In 10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere kolken door. De Papoea’s, die allen reeds met de prauwen aan den wal waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder zelfs maar iets te probeeren.Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak, die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat uitvoeren. In een prauw met Papoea’s springende, steekt Tamantojan, gillende en joelende de Papoea’s aanvurende, van wal en stuurt dwars door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.Zooals met de motorboot was geschied,—oversteken naar den anderen oever tusschen twee versnellingen door,—daar is nu geen denken aan, zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken langs stukken van circa 200 meter. De serang21Doelah wordt telkens bij de Papoea’s aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak, alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook mijn Papoea’s worden vereeuwigd.De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht wordt.Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de “Zwaan” weder zou zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of elders Papoea’s in te huren.De tegenwoordige Papoea’s, die er sedert December of Januari al waren, hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke (Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan, iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de motorboot en stoomsloep boven de vallen.Hoe het zij, den 16en April kwam de “Zwaan” voor Pionier-bivak en nadat het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde het Arfakgebergte in.Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het voorspoedig gegaan was.Dirk Broos—eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)—was een Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe’s (Inlandsche hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde; en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een geval tot een onmisbaar iemand.Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee zou gaan; hij had n.l. licencie’s voor vogelgeweren en stond er op, dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiersvandaan wilde hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea’s of Sowekkers; Dirk liet zich er nog niet over uit en zei lakoniek: “wij zullen wel zien, als het zoover is.”’s Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid- en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn, voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor te maken.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.Den 20enApril vertrokken wij met de “Zwaan” naar Noemfoor en kwamen ’s avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging en beloofde ’s nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk ƒ 5.00 uit. In minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een bijzonder geschikt slag Papoea’s ik getroffen had, vroolijk en opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve, die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door Papoea’s overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter, ter assistentie vertrokken.Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden: de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van uit het Noorden.Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen, valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veeldieper en breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk grooter is.Ook voert deRouffaerrivierhet typische vuile Mamberamo-water af, terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen, daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij genoodzaakt eenige Papoea’s, die met een groote overmacht het kleine troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog belangrijk verder op te varen zal zijn.Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste binnenland van Nieuw-Guinee.Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg- en Van der Willigenrivier worden opgevaren.Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein Oppermann, bijgestaan door den 1enluitenant Feuilleteau de Bruijn en den luitenant ter zee Langeler.De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven als bivakcommandant.Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald, dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en plannen maken voor onzen tocht.Den 15enMei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20 prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea’s en alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen 6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)Den 18enMei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der Idenburgcolonne, 4 prauwen onder denkapitein Oppermann. De Dajaks waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.
IV.Onze Dajaks.Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander mededeelen.In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders, in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit reizen en trekken over te halen zijn.Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun loon was ƒ 1.– per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks; rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan het verstand te brengen.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Aan kleeding hebben zij niet veel “om het lijf.” Een hoofddoek om het lange sluike haar, een “tjidako” om de lendenen; een enkelen ring om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aante geven. Op de vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: “Gampang sadjah.”16De greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne rottan en met haar (in den “goeden” tijd van gesnelde koppen; thans, onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven als op de hoeden gezien werden.Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik en vaak fraai versierd.Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men dan het blioengijzer ¼ slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder en eenigszins gebogen zijn.De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een kunst, die ze goed verstaan.Oorlogsmandaus.Oorlogsmandaus.Elke Dajak heeft zijn “Rücksack.” Het is een mandje van fijn gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets steviger dan die van de Papoea’s, maar het blad is wat smaller.Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea’s; ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij, dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch; maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe, dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, “wij werken hard genoeg.” En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde, voor hij “het bijltje er bij neerlei.”Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken eenig letsel bekomen.Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein “raseerden”; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde, doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerdenzij zich niet; die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware chaos van gevelde stammen door elkaar.Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten staan, dan is het antwoord: “Zonsbestraling en uitdamping zijn hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak”.Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak; alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven, maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden; zij waren aangenomen op ¾ kg. daags, terwijl ons marschrantsoen ½ kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het “regiment” trok aanstonds aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van; de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen, zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken in de versnellingen.Dajak-schilden.Dajak-schilden.Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de prauw in den “neer”, de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte, voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen; een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah, dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort; de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water, alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40, 50 versnellingen passeerden.In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando, alleen een gemeenschappelijk begrijpen.Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival, die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden, dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar lang en sterk touw hadden.Nu, daaraan was geen gebrek!Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard en in 1½ uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen, de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de “Valk”; een klein europeesch gevoel bekroop ons even.Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de stoomfluit van de “Valk” bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg noodig, om ’s avonds nog in zee te kunnen zijn.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.
Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander mededeelen.
In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders, in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit reizen en trekken over te halen zijn.
Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun loon was ƒ 1.– per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.
In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.
Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks; rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan het verstand te brengen.
Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.
Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.
Aan kleeding hebben zij niet veel “om het lijf.” Een hoofddoek om het lange sluike haar, een “tjidako” om de lendenen; een enkelen ring om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.
Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.
Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aante geven. Op de vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: “Gampang sadjah.”16De greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne rottan en met haar (in den “goeden” tijd van gesnelde koppen; thans, onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.
Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven als op de hoeden gezien werden.
Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik en vaak fraai versierd.
Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men dan het blioengijzer ¼ slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder en eenigszins gebogen zijn.
De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een kunst, die ze goed verstaan.
Oorlogsmandaus.Oorlogsmandaus.
Oorlogsmandaus.
Elke Dajak heeft zijn “Rücksack.” Het is een mandje van fijn gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.
Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets steviger dan die van de Papoea’s, maar het blad is wat smaller.
Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea’s; ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij, dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.
Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch; maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe, dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, “wij werken hard genoeg.” En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde, voor hij “het bijltje er bij neerlei.”
Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken eenig letsel bekomen.
Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein “raseerden”; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde, doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerdenzij zich niet; die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware chaos van gevelde stammen door elkaar.
Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten staan, dan is het antwoord: “Zonsbestraling en uitdamping zijn hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak”.
Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak; alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven, maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.
Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden; zij waren aangenomen op ¾ kg. daags, terwijl ons marschrantsoen ½ kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.
Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het “regiment” trok aanstonds aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van; de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen, zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.
Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken in de versnellingen.
Dajak-schilden.Dajak-schilden.
Dajak-schilden.
Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de prauw in den “neer”, de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte, voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen; een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah, dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort; de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water, alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40, 50 versnellingen passeerden.
In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando, alleen een gemeenschappelijk begrijpen.
Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival, die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden, dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar lang en sterk touw hadden.
Nu, daaraan was geen gebrek!
Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard en in 1½ uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen, de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de “Valk”; een klein europeesch gevoel bekroop ons even.
Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de stoomfluit van de “Valk” bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg noodig, om ’s avonds nog in zee te kunnen zijn.
De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.
De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.
V.Den Mamberamo op met het exploratie-detachement van de Noordkust.—Toebereidselen.Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied,17kon de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor het vertrek naar Pionierbivak.Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip “Zwaan” het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz; verder gingen mede 1eluitenant der infanterie Schulze en schrijver dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er, toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte, nog slechts enkele van deze oude garde over.Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber van de “Zwaan” en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in 1913 met het schip een dag of zes vast zaten.18Den avond van den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega vermoordde. ’t Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover verhaald.Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April ’s middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te debarkeeren en de lading te lossen.Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke’s motor, vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die er heerschte. ’s Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten, de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak te brengen.Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April ’s morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea’s. Deze laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij lastige hoeken te trekken.Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een ontzaggelijk groote steen “de tulband” den weg verspert en diepe draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea’s; deze prauw slaat vol water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen, dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den “tulband”, waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld worden voor wat de morgen zal brengen.Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90 dwangarbeiders en Papoea’s van de hoogerop gelegen étappen om te helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de 120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek; het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, ’s Avonds en ’s nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het bruisen van het water als van een zware branding.Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze, die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken, geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel; het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu achter den rug.Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is ’s avonds niet aangekomen, zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt; oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat; eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.Tegen half elf ’s morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak, met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot geen averij.Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea’s uit, die hierbij zullen helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea’s, naar beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn, de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin, tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag van morgen weer brengen?19Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4 vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds 4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal een zwaren dobber hebben.Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3 prauwen. De colonne is sterk: 5 man “bemanning stoomsloep”, 3 Dajaks, 19 Papoea’s.Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen, doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee ’s namiddags wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een goed eind af.’s Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die ’s avonds tot half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt de voedingpomp20het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen om met de hand bij te pompen.12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea’s komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1½ M. gedaald. De stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet lastig zal zijn.Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In 10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere kolken door. De Papoea’s, die allen reeds met de prauwen aan den wal waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder zelfs maar iets te probeeren.Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak, die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat uitvoeren. In een prauw met Papoea’s springende, steekt Tamantojan, gillende en joelende de Papoea’s aanvurende, van wal en stuurt dwars door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.Zooals met de motorboot was geschied,—oversteken naar den anderen oever tusschen twee versnellingen door,—daar is nu geen denken aan, zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken langs stukken van circa 200 meter. De serang21Doelah wordt telkens bij de Papoea’s aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak, alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook mijn Papoea’s worden vereeuwigd.De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht wordt.Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de “Zwaan” weder zou zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of elders Papoea’s in te huren.De tegenwoordige Papoea’s, die er sedert December of Januari al waren, hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke (Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan, iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de motorboot en stoomsloep boven de vallen.Hoe het zij, den 16en April kwam de “Zwaan” voor Pionier-bivak en nadat het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde het Arfakgebergte in.Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het voorspoedig gegaan was.Dirk Broos—eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)—was een Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe’s (Inlandsche hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde; en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een geval tot een onmisbaar iemand.Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee zou gaan; hij had n.l. licencie’s voor vogelgeweren en stond er op, dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiersvandaan wilde hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea’s of Sowekkers; Dirk liet zich er nog niet over uit en zei lakoniek: “wij zullen wel zien, als het zoover is.”’s Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid- en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn, voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor te maken.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.Den 20enApril vertrokken wij met de “Zwaan” naar Noemfoor en kwamen ’s avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging en beloofde ’s nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk ƒ 5.00 uit. In minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een bijzonder geschikt slag Papoea’s ik getroffen had, vroolijk en opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve, die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door Papoea’s overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter, ter assistentie vertrokken.Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden: de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van uit het Noorden.Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen, valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veeldieper en breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk grooter is.Ook voert deRouffaerrivierhet typische vuile Mamberamo-water af, terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen, daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij genoodzaakt eenige Papoea’s, die met een groote overmacht het kleine troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog belangrijk verder op te varen zal zijn.Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste binnenland van Nieuw-Guinee.Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg- en Van der Willigenrivier worden opgevaren.Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein Oppermann, bijgestaan door den 1enluitenant Feuilleteau de Bruijn en den luitenant ter zee Langeler.De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven als bivakcommandant.Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald, dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en plannen maken voor onzen tocht.Den 15enMei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20 prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea’s en alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen 6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)Den 18enMei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der Idenburgcolonne, 4 prauwen onder denkapitein Oppermann. De Dajaks waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.
Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied,17kon de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor het vertrek naar Pionierbivak.
Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip “Zwaan” het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz; verder gingen mede 1eluitenant der infanterie Schulze en schrijver dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.
Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er, toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte, nog slechts enkele van deze oude garde over.
Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber van de “Zwaan” en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in 1913 met het schip een dag of zes vast zaten.18Den avond van den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega vermoordde. ’t Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.
Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover verhaald.
Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April ’s middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te debarkeeren en de lading te lossen.
Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke’s motor, vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.
De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die er heerschte. ’s Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten, de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak te brengen.
Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April ’s morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea’s. Deze laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij lastige hoeken te trekken.
Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!
Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een ontzaggelijk groote steen “de tulband” den weg verspert en diepe draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea’s; deze prauw slaat vol water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen, dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den “tulband”, waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld worden voor wat de morgen zal brengen.
Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90 dwangarbeiders en Papoea’s van de hoogerop gelegen étappen om te helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de 120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.
Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek; het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, ’s Avonds en ’s nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het bruisen van het water als van een zware branding.
Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze, die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.
Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken, geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel; het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu achter den rug.
Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is ’s avonds niet aangekomen, zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt; oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat; eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.
Tegen half elf ’s morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak, met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot geen averij.
Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea’s uit, die hierbij zullen helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea’s, naar beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn, de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin, tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag van morgen weer brengen?19
Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4 vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds 4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal een zwaren dobber hebben.
Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3 prauwen. De colonne is sterk: 5 man “bemanning stoomsloep”, 3 Dajaks, 19 Papoea’s.
Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen, doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee ’s namiddags wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een goed eind af.
’s Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die ’s avonds tot half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt de voedingpomp20het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen om met de hand bij te pompen.
12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea’s komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1½ M. gedaald. De stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet lastig zal zijn.
Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In 10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere kolken door. De Papoea’s, die allen reeds met de prauwen aan den wal waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder zelfs maar iets te probeeren.
Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak, die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat uitvoeren. In een prauw met Papoea’s springende, steekt Tamantojan, gillende en joelende de Papoea’s aanvurende, van wal en stuurt dwars door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.
Zooals met de motorboot was geschied,—oversteken naar den anderen oever tusschen twee versnellingen door,—daar is nu geen denken aan, zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken langs stukken van circa 200 meter. De serang21Doelah wordt telkens bij de Papoea’s aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak, alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook mijn Papoea’s worden vereeuwigd.
De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht wordt.
Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de “Zwaan” weder zou zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of elders Papoea’s in te huren.
De tegenwoordige Papoea’s, die er sedert December of Januari al waren, hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke (Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan, iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de motorboot en stoomsloep boven de vallen.
Hoe het zij, den 16en April kwam de “Zwaan” voor Pionier-bivak en nadat het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.
Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde het Arfakgebergte in.
Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het voorspoedig gegaan was.
Dirk Broos—eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)—was een Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.
Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe’s (Inlandsche hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde; en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een geval tot een onmisbaar iemand.
Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee zou gaan; hij had n.l. licencie’s voor vogelgeweren en stond er op, dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiersvandaan wilde hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea’s of Sowekkers; Dirk liet zich er nog niet over uit en zei lakoniek: “wij zullen wel zien, als het zoover is.”
’s Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid- en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn, voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.
Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor te maken.
De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.
De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.
Den 20enApril vertrokken wij met de “Zwaan” naar Noemfoor en kwamen ’s avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging en beloofde ’s nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.
Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk ƒ 5.00 uit. In minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.
Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een bijzonder geschikt slag Papoea’s ik getroffen had, vroolijk en opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.
In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve, die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.
Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door Papoea’s overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter, ter assistentie vertrokken.
Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden: de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van uit het Noorden.
Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen, valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veeldieper en breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk grooter is.
Ook voert deRouffaerrivierhet typische vuile Mamberamo-water af, terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.
Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.
Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.
Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen, daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij genoodzaakt eenige Papoea’s, die met een groote overmacht het kleine troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog belangrijk verder op te varen zal zijn.
Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.
Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste binnenland van Nieuw-Guinee.
Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.
In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg- en Van der Willigenrivier worden opgevaren.
Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.
De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein Oppermann, bijgestaan door den 1enluitenant Feuilleteau de Bruijn en den luitenant ter zee Langeler.
De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.
De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven als bivakcommandant.
Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald, dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en plannen maken voor onzen tocht.
Den 15enMei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20 prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea’s en alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen 6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)
Den 18enMei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der Idenburgcolonne, 4 prauwen onder denkapitein Oppermann. De Dajaks waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.