HOOFDSTUK V.

—Geloof je dan, dat hij er belang bij had ...

—Ja ...

—Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet schreef?

—Misschien handelde hij ...

—Wat Eve?

—Voor een ander.

—Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen?

Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer angstig voor wat zij hem vragen ging.

—Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij.

—Neen.

—Wist niemand van je brieven af?

—Alleen Bertie.

—O, alleen Bertie! sprak zij dof.

—Maar Bertie ... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de onmogelijkheid zijner voorstelling.

—Misschien ... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie ...

—Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe?

Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan, rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij sprak:

—Ik weet het niet, ik dacht alleen maar ... Ik heb er twee jaar iederen dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond ... in Bertie. Je weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en toen scheen het mij, dat Bertie ...

—Dat Bertie ...?

—Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet het niet ... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken ... ik meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk, eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij ... dat wij niet moesten trouwen.

Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de wereld rond te zwalken ... Zoû Bertie ...? Had Bertie eenig belang ...? En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft: dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in.

—Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had:

—Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt, later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht.

Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend zelfverwijt doorvlijmde hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend meê zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe!

Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen, en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid ...

—Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe ...

—Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?!

—Ja ...

—Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht ... Ik dacht, dat hij weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er met hem gebeurd was ... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank, laat hem, ga niet naar hem toe.

—Jawel Eve, ik moet het hem vragen ...

—Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang ... Ga niet!

Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen.

—Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug.

—Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet ...

—Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn ... Met zijne liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast.

—Je bent dus weêr van mij? vroeg hij.

Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen, geheel zijn gelaat.

—Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou ... Doe met me, wat je wilt ...

—Tot straks! sprak hij.

Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg ...

Buiten stortregende het.

VI.

Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter verdediging en ... dat zij niet konden.

—Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen. Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen rieten stoel, roerloos.

—Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een paar weken waren ...

Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward ... Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem in de matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten, spoedig ...

—Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen geschreven heb ... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door William, hun knecht ... Weet jij daar ook iets van?

Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er van smeekte.

—Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij ... Kan jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren? —Neen, hoe zoû ik ... murmelde Bertie half hoorbaar.

—Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet anders. Spreek op ...

Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg. Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was, onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû gebeuren, onherroepelijk noodlottig ... En in die zwakte gevoelde hij ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was als hij was en dat alles was als het was ...

—Nu dan: ja ... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het ...

—Wat weet je?

—Ik was het, die ...

—Die wat ...

—Die William omkocht ... om die brieven niet binnen te brengen.

Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen, het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer, vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had.

—Jij!... Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom? Toen stond Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid.

—Omdat ... omdat ... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is te vreeselijk!

Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij:

—Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je het haast?

—Omdat ... omdat ... snikte Bertie, wringend zijne witte handen.

—Zeg het, voor den dag er meê, zeg het ...

—Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als je trouwde ... Ik hield van je en ... en ...

—Spreek op, je hieldt van me en toen ...

—En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank, hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet ... O God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles weet, àlles ... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn ... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je mag het gelooven of niet, ik hield van je, ik verafgoodde je ... En je woû me van je wegjagen om me weêr te laten zwoegen ... Toen, toen heb ik het gedaan ... O, God, toen heb ik het gedaan ... Hoor naar me, Frank, laat het me je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens ...Ikdeed Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt,ikmaakte, dat ze aan je twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie ... De brieven, later, hieldiktegen ...Ikdeed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo ... O je begrijpt me niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel vergeven, Frank, misschien wel vergeven óok ... O ik bid je, gelóof toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je zoo goed voor me was ... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het niet zoo gebleven ... Nu heb je haar ontmoet, en nu ...

—Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk! Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde hij, terwijl hij, rood van opstijgend bloed, met uitpuilende oogen, hatelijk lachte.

Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte door.

—O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid, zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéér je, dat ik liever anders zoû zijn ... Maar kaniker iets aan doen, dat ik zoo ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal ... En wat heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden ... Wilskracht, geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit, noóit, nóoit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank ...

—Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk, ellendeling, laffeling ... omgekocht ... God, waarmeê heb je hem omgekocht?! Zeg het, waarmeê, waarmeê?!

—Met ... met ... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem, schudde hem.

—Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, metmijngeld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!

—Ja ...

—Met mijn geld!

—Ja, ja, ja!

Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar gekrijsch van viesch zijn over zoo iets ...

Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even. O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij begreep niet, dat een individu was, als hij was, hij kon dat niet begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis.

Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging.

—Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te koopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt! Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had. En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet, dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk, begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat ik je hààt?!!

Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de vuisten gebald als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht zoû gespuwd hebben.

—Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets meer vond te zeggen, uitgeput van woorden.

Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde, stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-, driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie. En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer, brieschend.

—Daar, daar, daar ... brieschte hij, brieschte hij door ...

En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie ... daar ... daar ... daar ... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood: purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige wentelingen voor zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend, draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen krankzinnigheden, nachtmerries van bloed ... En de slagen volgden elkaâr snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om den hals van het masker ...

Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het bewegelijk levende harer verschijning.

—Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt hem!

Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte.

—Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet ... Ik was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je Hollandsch sprak ... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij er uitziet!

Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest zich vasthouden aan een meubel.

—Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem nog eens, nog eens ...

Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn beestelijken grijns om den mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel.

—Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem!

—Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan! Sta op, ellendeling, gauw, sta op ...

Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan. Maar Bertie bleef liggen.

—God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het lichaam. Zie je het dan niet!!

Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid ...

Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een looden stilte binnen, met buiten het geklater van het water, eindeloos, eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten ... En zij was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst.

—Frank, God Frank ... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je hebt hem vermoord ...!

Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang ... In eens omklemde zij hem in hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een afgrond stortte, in een afgrond van bloed.

—Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver weggaan, laten we vluchten!

—Is hij dood? vroeg hij wezenloos.

Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde, voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen ... En toen sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen zoû:

—Ja, hij is dood, hij is dood ... Wat moet ik ...?

Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw van haar los, geheel, en wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop.

—Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten wilde.

—Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier. Blijf bij hem waken. Ik kom terug ...

En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen, verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn, die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur ...

Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen heen ...

Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte. De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst gevoeld heb!...! O God, help, help ...

En zij stortte neêr op den grond, flauw.

I.

Na dien dag van ontzetting twee volle jaren lang een leven van stil leed voor hen beiden, ieder lijdend in zichzelven, gescheiden als zij waren, met slechts nu en dan de bittere zoetheid van een kort samenzijn, wanneer zij hem daar opzocht, waar hij die twee jaren sleet, langen dag na langen dag doorsleet; in de strafgevangenis der duinen. Want als een slaapwandelaar had hij dien vreeselijken dag zichzelven aangegeven op het commissariaat van politie te Scheveningen, had hij zich laten brengen naar het Huis van Bewaring, had hij zijne "zaak" doorgemaakt ... Zes weken had ze geduurd—een kort verloop, zoo troostte zijn advocaat hem er meê, omdat er geen duisterheden in op te sporen waren, omdat de moord glashelder was te bewijzen als de onopzettelijke doodelijke afloop eener mishandeling, zooals bleek uit het getuigenis van Miss Rhodes, die verklaard had, dat de schuldige zelf eerst niet geweten had zijn vriend vermoord te hebben, dat hij hem vlak na den moord nog twee-, driemaal geschopt had, om hem te doen opstaan, slechts geloovende aan eene flauwte, dit alles gebeurd zijnde in hàar bijzijn. En de zaak was door de sympathie van het publiek nagevolgd, toen de omkoop der brieven aan den dag kwam, na het getuigenis van Sir Archibald en zijne dochter, na het getuigenis ook van William, die langs diplomatieken weg was genoodzaakt over te komen. Er waren geen moeilijkheden, in die zes weken liep alles geleidelijk af. Frank kreeg twee jaar, en kwam niet in hooger beroep.

Hij had ze in een wakenden droom van doffe naargeestigheid dag na dag doorgesleten, met telkens, o telkens weêr opdoemend, dat spooksel van dien verwrongen romp en de afzichtelijkheid van het, door vuistslagen vermorzelde, wanhoopsmasker, voor oogen. Hij had het spooksel voelen glijden over de bladen van zijn boek, als hij poogde te lezen, door de letters van zijn handschrift, als hij poogde te schrijven: wat wist hij nauwlijks zelf, brokstukken van eene reisbeschrijving over Amerika en Australië, troostelooze bezigheid, pijnlijk, omdat ieder woord hem den vermoorde herdenken deed, die toch ook dat alles had meêgeleefd. Deed hij dan niets, zich somber verdroomend, turende uit zijn cellevenster, dan zag hij, vlak voor zijn oog, op wat afstand, nauwlijks verte, de villa, waar zij samen gewoond hadden, en waar het gebeurd was, zag hij soms een stuk ovaal der zee, als een grijze schemering, en het was hem of hij den zilten geur rook, zooals hij dien had geroken, toen hij daar gezeten had, uren lang, met de beenen op de balustrade, zij, in zijn bereik, zonder dat hij het bewust was, hun noodlot ieder oogenblik hen naderend, onafwendbaar. En zoo was het nooit van hem af geweest, als eene obsessie.

Eve had haar vader gesmeekt, gedurende dien ongelukkigen tijd in Den Haag te blijven en Sir Archibald had toegegeven, vreezende voor zijne dochter, wier vroegere lieve gelijkmoedigheid verward was geworden door eene trillende nervoziteit, die haar afmattede met hallucinaties, met droomen van donder en bloed. Zoo had zij, wonende in het Van-Stolpark, van tijd tot tijd Frank kunnen gaan bezoeken, iederen keer, dat zij hem gezien had zenuwachtiger thuis komende, troosteloos om zijne doffe zwaarmoedigheid, hoewel hij toch van hoop en toekomst sprak, voor later, later als hij vrij was ... Zijzelve hoopte zeer, leefde alleen van haar hoop, hare nervoziteit dwingend onder het juk van haar geduld, van haar vertrouwen op veel moois, dat later in haar leven zoû komen, later, als hij vrij was. Een nieuw leven, een nieuw leven! jubelde het in haar op, een frisch geluk, geluk, o God, geluk! Zij begreep zelve niet, hoe zij nog hopen kon, nadat zij het leven en den mensen had leeren kennen, nadat zij bijgewoond had, wat zij had bijgewoond, maar zij wilde daar niet over nadenken en in de verte zag zij alles mooi en goed ... Hare hallucinaties zelve schokten hare hoop niet: hoewel rillende, wendde zij aan ze, als aan periodiek terugkomende hersenziekten, die weer van zelve genezen. En zij kon zelfs glimlachen, droomend in den lichten avondglans van eene zomerlucht vol sterren, met haar almanakje in de hand, waarin zij iederen dag, die verliep, des avonds met een gouden potloodje,—dat zij er voor gekocht had, dat zij nergens anders voor gebruikte, dat hing aan haar armband,—doorschrapte met eene blijde streep, die haar die mooie toekomst nader bracht. En zelfs liet zij de dagen wel eens verloopen, zonder ze af te schrappen, om de zoetheid te smaken na eene week zes of zeven blijde streepjes achter elkaâr te kunnen zetten, achter elkaâr, in hare weelde van verwachting ...

II.

En hoe lang het ook geduurd had, ze waren doorgeschrapt geworden, allen, de een na den ander, onherroepelijk. Het verleden werd meer en meer het verleden en moest het blijven: nooit zoû er weêr iets van terugkomen, het zoû met zijne afgrijselijkheid niet spoken om hen heen, zoo dacht ze. Zij werd kalmer, hare nervoziteit stilde zich, iets als rust kwam over haar in heur intens verlangen naar heur toekomst van geluk, want gelukkig, zoo zoû ze worden, met Frank.

Zij was nu met haar vader terug in Londen, er stil levende, ondanks het heden, het verleden toch voelende, zich toch bewust, dat het er geweest was, met zijne ellende en zijne ontzetting. En ook Frank was nu in Londen, in eene poover bezoldigde betrekking, die van derden opzichter in eene machinefabriek, de eerste beste betrekking, die hij door vroegere connecties had kunnen krijgen, ze dadelijk aanpakkend wegens zijne antecedenten om welke hij niet trotsch mocht zijn ... Later zoû hij wel iets beters vinden, iets in overeenstemming met zijne kundigheden. En hij werkte in zijne boeken van vroeger, om zijne versleten technische kennis te verfrisschen ...

Sir Archibald was oud geworden, kribbig onder aanvallen van rheumatiek, anders suf turende op zijne heraldische kaarten. Hij had, in Holland levende om zijne dochter, te lang uit zijn sleur van bekendheid en gewoonte, zich slechts destijds, nu en dan, als in kindsche driften, verzet, dat Eve de vrouw van een moordenaar zoû worden: hij stemde nu in alles toe, schuw van de wereld, zich bemoeiend met niets, rust verlangend, slechts verlangend niet gestoord te worden in de apathie van zijn ouderdom. Hij wist niets, oude menschen wisten niets, de kinderen mochten doen, wat ze wilden: ze wisten het toch altijd beter en deden toch altijd hun zin ... Zoo mopperde hij nog een beetje tegen, overigens onverschillig om die zaak, inwendig het goed vindend, dat Eve met Frank zoû trouwen, omdat Frank, hoewel driftig, toch niet slecht van natuur was, omdat Eve bezorgd zoû zijn, omdat hijzelf misschien nog wat gezelligheid in hun huis zoû vinden, ja, ja, nog wat gezelligheid ...

Frank en Eve ontmoetten elkaâr zelden in de week, want Frank had het druk, ook des avonds, maar zij zagen elkander geregeld des Zondags. En Eve had de geheele week om na te denken over dien Zondag, waarop zij hem gezien had en zij poogde ieder woord, dat hij gezegd had, iederen blik, dien hij op haar had laten vallen, zich te herinneren. Schatten waren het, waarvan zij eene week leefde. Zij had hem nog nooit zoo lief gehad als nu, dat zij eene zwaar neêrdrukkende somberheid in hem ried, die zij wilde wegwisschen met den grooten troost harer liefde, waarin zich iets aanbiddelijks van moederlijkheid mengde, alsof hij door zijn leed een kind was geworden, dat nu aan iets teerderders behoefte zoû hebben dan aan passie. Had zij hem vroeger liefgehad om de, haar raadselachtige, bekoring van het contrast tusschen zijne karakterzwakte en zijne lichaamskracht, het was nu in haar slechts eene hoogere ontwikkeling van die zelfde bekoring, omdat zij hem, steeds groot en sterk, zoo zwak zag lijden onder de herinnering aan wat hij doorstaan had, zonder flinkheid om zich over dat alles heen te zetten en het leven opnieuw te beginnen ... Maar deze zwakte ontmoedigde haar niet in heure hoop op de toekomst; integendeel, zij had hem lief óm die zwakte, dit zelve zoo vreemd vindend in haar, het niet begrijpende, en er alleen, droomend, om glimlachend van geluk ...

Want zij, als vrouw, kon zoo zijn, trots hare aanvallen van nerveuze hallucinatie, energiek het verleden willen vergeten, dapper de toekomst te gemoet treden, het geluk naar zich toe dwingen met het mooie geduld harer lenige volharding. Had al het kwade van het verleden eigenlijk niet buiten hen beiden om gelegen? Had Frank niet genoeg geboet voor zijne drift om nu het hoofd te kunnen opbeuren? O, zij zoû weêr geheel en al gezond worden, zij zoû zich dwingen gezond te worden en alles wat naar zielsziekte in hèm zweemde, zoû zij genezen ... Zoo hoopte zij langen, langen tijd, het eerst niet willende zien, dat hij doffer werd en somberder, dieper en dieper bukkend onder zijne zwaarmoedigheid. Maar toen, toen moest zij het zien, kon zij het zich niet meer loochenen. Zij moest het zien, dat hij bij hare glanzige woorden, hel van illuzie, stil werd, niets meer zeggend, soms even de oogen sluitend met een zucht, dien hij poogde te dempen. Zij kon het zich niet meer loochenen, dat al hare hoop in hem slechts den weêrklank van wanhoop wekte. En toen dit alles eens voor haar duidelijk werd, in eens, gevoelde zij ook, in eens, geheel hare nervoziteit haar overheerschen, gevoelde zij, dat zijzelve zeer ziek was, gevoelde zij haren moed, hare hoop, hare illuzies, zinken, steeds dieper zinken, wegzinkend ... Een alsem van bitterheid welde, alles vergallend, in haar op; alleen, zonk zij, gebroken, in woeste smart uitbarstend, op heur bed neêr, het leven vloekend, God vloekend, radeloos ...

III.

Toen gebeurde het, dat, niettegenstaande dit alles, hun huwelijk bepaald werd te zullen gesloten worden in korten tijd, in anderhalve maand; Frank zoû door eenige zijner oude vrienden geholpen worden aan eene werktuigkundige betrekking op eene fabriek in Glasgow, Eve zoû haar moederlijk erfdeel medekrijgen; geene bezwaren stonden in den weg.

Den Zondag placht Frank geheel en al door te brengen ten huize van Sir Archibald. Hij kwam des morgens, stil als steeds, aan het lunch, en na het lunch bleven zij alleen, als steeds ... Vroeger waren die uren nog zoet gevuld met de, ondanks haar zelve steeds een weinig nerveuze, illuzie van Eve; zij hadden samen veel gesproken, zelfs gelezen met elkaâr ... Maar in den laatsten tijd hadden minuten zich aan minuten kunnen schakelen, zonder dat ze iets deden dan stil naast elkaâr zitten op een groote bank, hand in hand, turende voor zich uit. En er kwam dan een oogenblik, dat zij elkaâr zelfs niet meer zoo konden vasthouden, het niet meer durfden. De schim van Bertie, met zijn violet, bloedend wanhoopsmasker, gleed tusschen hen in; zij lieten elkaâr los, en zij dachten beiden aan den doode. Het werd Eve of zij medeplichtig was aan den moord. Werd het donker, dan overviel hun zulk een onduldbare angst, dat het hun werd of zij stikken zouden: zij wierpen het venster open en zij stonden lang, lang in de kille lucht, turende in het duisterende park van Kensington, om te bekoelen ... Zwaar angstig hoorde zij in Franks borst zijn adem rijzen en dalen ... En zij werd bang voor hem, trots hare liefde. Hij had toch een moord begaan, hij had dat kunnen doen in zijne drift! O, als hij haar ook eens, in zijne drift ...! Maar zij, ze zoû zich verdedigen met de kracht van wanhoop, zich blijven vastklemmen aan het leven. Had zij ook niet kracht in zich gevoeld een moord ... God, neen,zijtoch niet ... Ze was zoo bang ... En ze had hem toch zoo lief, ze aanbad hem en spoedig zoû ze zijn vrouw zijn! Maar ze was wel bang ...

Die Zondagen waren geen liefelijke dagen meer, die schatten nalieten genoeg om eene week van te leven. Integendeel, Eve vreesde nu de geheele week voor dien Zondag: ze zag dien met ontzetting naderen ... Vrijdag, Zaterdag ... daar was de dag weêr, daar kwam Frank, hoorde zij zijn tred. En zij was bang, bang en ze aanbad hem toch.

Zoo zaten zij ook eens naast elkaâr, hand in hand, turende. Het was nog vroeg in den namiddag, maar buiten dreigde regen, en een grijs middagduister zweefde door de zwarte tulle gordijnen binnen. En Eve, gedrukt, smachtende naar troost drong zich eensklaps tegen Franks borst aan, trots haren angst.

—Ik kan niet meer tegen dat weêr! klaagde zij, bijna kermend. Ik word tegenwoordig altijd benauwd van die zware gedekte luchten. Ik wil naar Italië, Frank, de zon, de zon ...!

Hij bleef zwijgen, haar even drukkend tegen zich aan.

Zij begon zachtjes te weenen.

—Zeg dan toch iets, Frank! smeekte zij.

—Ja, ik hoû ook niet van die zwarte lucht, Eve, sprak hij mat.

En minuten lang duurde hun stilzwijgen weêr. Zij poogde er zich in te schikken, tegen hem aan leunend. Toen zei ze:

—Ik kan er niet meer tegen, geloof ik, sedert die bui, die ons in Molde heeft overvallen, nu al zoo lang, wel vijf jaar geleden. Je herinnert je wel, toen we elkaâr pas ontmoet hadden, een paar dagen te voren, in Drontheim ...

Ze zoende glimlachend zijne hand, vol van hare herinnering, hare jeugd. Ze was nu oud.

—Je weet, we zijn toen in Molde kletsnat teruggekomen in het hôtel. Ik geloof, dat ik sedert dien dag ziek ben, dat ik toen zware koû heb gevat, die ergens in me ingekankerd is, die ik eerst niet heb gevoeld of geteld, maar die al dien tijd aan me geknaagd heeft, al dien tijd lang ...

Hij bleef zwijgen, zich vaag ook iets herinnerend, iets tragisch van Molde, wat wist hij niet meer. Maar naast hem barstte zij eensklaps zenuwziek in snikken los:

—O Frank, zeg dan toch iets, zèg dan toch iets! smeekte zij, wanhopig om zijn stilzwijgen, waarin ze haar angst steeds banger en banger voelde worden, hoog kloppend in heur hart, ondanks zichzelve.

Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, zijne gedachten verzamelend. En langzaam zeide hij:

—Ja Eve ... ik had je juist iets willen zeggen, juist vandaag.

—Wat dan? vroeg zij, verwonderd door heure tranen blikkend, om zijn vreemden toon.

—Ik zoû ernstig met je willen spreken, Eve, vandaag. Wil je naar me luisteren?

—Ja ...

—Ik woû je iets vragen, Eve, ik woû vragen of je niet vrij van me zoû willen zijn. Ik woû je vragen of ik je niet je woord mag teruggeven.

Zij begreep hem niet dadelijk en bleef hem toen verschrikt aanzien, met open mond.

—Waarom? vroeg zij ten laatste, sidderend, bang, dat hij iets begrijpen zoû van wat in haar woelde.

—Omdat het zoo beter voor je zoû zijn, kind! sprak hij zacht. Ik heb het recht niet je leven vast te ketenen aan het mijne: ik ben gebroken, ik ben een oud man, en jij bent jong ...

Zij vlijde zich tegen hem aan.

—Neen, ik ben ook oud! glimlachte zij. En ik wil het niet, ik wil bij je blijven, ik zal je altijd troosten als je verdrietig bent. En bij elkaâr zullen wij weêr beiden jong worden en beiden gelukkig ...

Hare stem vloeide zoet als balsem, zij voelde om hem te sterken iets van de oude illuzie in zich herleven; zij wilde hem behouden, het kostte wat het kostte; zij had hem lief.

Hij sloot haar even vast in zijn arm en kuste haar. Zij was op dit oogenblik niet bang, zij voelde hem zoo ongelukkig ...

—Je bent een goed, goed kind, fluisterde hij met zijne schorre, brekende stem. Ik verdien het niet, dat je zoo goed voor me bent. Maar heusch, Eve, denk er eens over na. Denk er eens over na of je je niet ongelukkig, rampzalig zoû voelen, wanneer je altijd met me moest zijn. Er is nu nog alles aan te doen. We hebben je verder leven in onze hand, Eve. En ik kan niet doorgaan met je nog ongelukkiger te maken, dan ik al gedaan heb. Daarom zoû ik graag, voor jou, voor jouw geluk, je je woord teruggeven.

—Maar ik wil niet! kermde zij wanhopig. Ik wil niet. Ik begrijp je niet: waarom zoû je mij mijn woord teruggeven?

Hij nam hare handen streelend in de zijne, zag haar lang aan met zijn glimlach van smart onder zijne gouden snor.

—Waarom? Omdat je ... omdat je bang voor me bent, mijn kind. Haar geheele lichaam schokte als van een plotselingen electrischen stroom: zij zag hem wild aan, wild sprak zij tegen.

—Het is niet waar, Frank, ik zweer het je, het is niet waar! God, God, waarom geloof je dat, waardoor heb ik je dat kunnen doen gelooven! Ik bid je, Frank, geloof me: ik zweer het je, daar, bij alles wat heilig is, zweer ik het je: het is niet waar, dat ik bang voor je ben!

—Jawel Eve, je bent bang voor me, ging hij kalm voort: en ik begrijp dat, dat moet zoo zijn. En toch, dit verzeker ik je: je zoû er nooit reden toe hebben. Want ik zoû een lam willen zijn aan je hand, ik zoû mijn hoofd zoo in je handen willen leggen, in je mooie, koude, witte handjes, om er te gaan slapen als een kind. Je zoû met me kunnen doen, wat je woû, en ik zoû nooit driftig tegen je zijn, want ik kan dat nu niet meer, nooit meer. Ik zoû zoo aan je voeten willen liggen, mijn leven lang, en je voeten op me willen voelen, hier op mijne borst en ik zoû er zoo kalm onder worden, zoo kalm, zoo heerlijk kalm ...

Hij was op zijn knie gevallen voor haar, zijn hoofd in heur schoot, op hare handen.

—Nu dan, sprak zij zacht; als dat zoo is, waarom zoû ik dan bang voor je moeten zijn, als je me dat alles zoo verzekert? En waarom spreek je er dan over me mijn woord terug te geven?

—Omdat ik je niet langer ongelukkig kan zien, omdat ik je bij mij ongelukkig zie, omdat je later, met me nog ongelukkiger zoû worden ...

Zij trilde in al hare zenuwen; eene helle klaarte kwam in haar; zij zag alles wat er gebeurd was, weêrschitteren als in kristal.

—Hoor, Frank, sprak ze, met eene stem vol frischheid. Blijf daar zoo liggen en luister naar me, luister goed. Ik wil bij je blijven, en we zullen gelukkig zijn. Ik voel dat. Hoor Frank. Wat is er gebeurd, dat wij ongelukkig zouden zijn? Niets. Ik herhaal het je: niets. Laten wij niet ons eigen leven vergooien. Eens heb ik aan je getwijfeld, je hebt me vergeven. Dat is uit. Je hebt gezien, dat Bertie een schurk was, en je hebt hem doodgemaakt. Dat is uit. Dat kan me alles niet meer schelen. Ik wil om dat alles niet meer denken. Het bestaat niet meer voor me. En let wel op, Frank, bezie het goed, dat is alles, alles, àlles, wat er gebeurd is. Er is niets méer gebeurd. Het is niet veel. En we zijn beiden jong en gezond, we zijnnietoud. Daarom zeg ik het je, dat we het kunnen: een nieuw leven met elkaar beginnen, ergens anders, ver van Londen. Een nieuw leven, Frank, een nieuw leven ... Ik hoû van je, Frank, je bent mijn alles, mijn afgod, mijn man, mijn kind, mijn lief groot kind ...

Zij omhelsde zijn hoofd hartstochtelijk, hem knellend aan haar tenger lichaam, in extaze, lichttintelingen in haar oog, bloed tintelend onder de azalea's harer wang. Maar hij zag smartelijk tot haar op:

—Je bent een engel, Eve, je bent een engel. Maar ik mag je niet behouden. Want hoor nu eens naar mij: ... dat is het juist ...

—Wat is het juist?

—Dat is het juist ... Dat Bertie géen schurk was. Dat hij alleen maar een mensch, een zeer zwak mensch was. Dat is het juist. Hoor naar mij, Eve, laat mij nu uitspreken. Ik heb veel gedacht, daar, op Scheveningen, in de duinen, je weet wel. Ik heb nagedacht over wat ik me herinnerde, dat hij in dat laatste oogenblik me tegenwierp, om zich te verdedigen en langzamerhand zijn al zijne woorden in me herleefd en heb ik gevoeld, dat hij gelijk had.

—Dat hij gelijk had! O, Frank, ik weet niet, wat hij zei om zich te verdedigen, maar moet nu, nu nòg, Bertie's invloed ons kunnen scheiden! riep zij, bitter van wanhoop, uit.

—Neen, dat is het niet! weerde hij af. Verwar het niet. Het is niet Bertie's invloed, die ons scheidt, maar mijne schuld.

—Jouw schuld!

—Mijne schuld, die telkens en telkens me herinnert aan wat ik gedaan heb, zoodat ik niets vergeten kan en het nooit vergeten zal ... Want luister nu eens. Hij had gelijk in zijne laatste woorden. Hij was een zwak mensch, zei hij, geslingerd door het leven, zonder wilskracht. Hij had geen wilskracht, zei hij. Was het zijne schuld, dat hij er geen had? Hij verachtte zichzelven, dat hij die gemeene dingen gedaan had, met die brieven. Maar hij had niet anders gekund. Nu, ik vergeef het hem, dat hij zwak was, want hij kon niet anders, en we zijn allemaal zwak: ik ben het ook.

—Maarjijzoû nooit zoo iets doen, met die brieven! kreet Eve.

—Omdat ik misschien anders ben, maar ik ben toch ook zwak. Ik ben zwak, als ik driftig ben. En toen ... toen in mijne groote drift, ben ik heel, heel zwak geweest. Dat is het juist, dàt is het, wat me nu breekt, en zoo gebroken, als ik ben, mag ik niet je man worden ... O, wat gaf ik er niet voor, als hij nog leefde. Ik hield van hem, eens, en ik zoû hem nu zeggen, dat ik hem begrepen had, dat ik hem vergaf ...

—Frank, wees niet zoo dwaas, zoo dwaas goed! kreet zij uit.

—O, het is geen dwaze goedheid! lachte hij treurig. Het is filozofie.

—Nu dan! riep zij hard, ruw; ik filozofeer niet, ik ben niet dwaas goed, ik vergeef het hem niet, dat hij een schurk was, dat hij ons ongelukkig heeft gemaakt, en ik haat hem, ik haat hem, dood als hij is. Ik haat hem, omdat hij nu, na dat je hem vermoord hebt, nog om ons en in ons spookt, omdat zijn duivelsche invloed je nu, nu nog van me af wil rukken. Maar ik zeg je, dat ik hetnietwil! schreeuwde zij wanhopig, opstaande en hem woest omknellend. Ik zeg je, dat ik je niet voor de tweede maal wil verliezen, ik zweer je, dat ik je hier vast zal blijven houden in mijne armen als je van me weg wilt gaan, dat ik me tegen je aan zal drukken, totdat we beiden stikken! Want ik wil niet, dat hij ons nu nog scheidt, ik haat hem, ik vind het goed, dat je hem vermoord hebt en als hij nu nog leefde, dan zoûikhet hem doen, hem vermoorden, hem worgen, hem verworgen!

Hare handen wrongen zich als om eene keel en hare armen sloegen zich om Frank heen als om eene prooi. Buiten was de lucht zwarter en zwarter geworden. Hij maakte zich langzaam van haar los, haar steunend, daar hij voelde, dat zij wankelde in hare overspanning van kracht en moed tot eene daad. Bleek tuurde zij even met hare holle, grijze oogen naar buiten, naar het weêr, en zij rilde. Hij voerde haar terug naar de bank, deed haar zitten, knielde voor haar, haar liefhebbend als nooit, hartstochtelijk.

—Eve! fluisterde hij.

—O, kijk die wolken! krijschte zij. Het gaat stortregenen.

—Ja, fluisterde hij weêr; maar wat kan het ons schelen: ik hoû van je!

—Ik kan niet tegen dat weêr! kermde zij. Het maakt me benauwd en bang, o het maakt me zoo bang! Bescherm me, bescherm me, Frank, kom hier ...

Zij trok hem tot zich op de bank, knoopte zijne jas open en drukte zich tegen hem aan.

—Ik ben bang, Frank, bescherm me, sla je jas om me heen, o God, laat het niet weêr over me heen komen, ik bid u God, laat het niet weêr komen!

Ze bad, dat ze niet weêr mocht aanrollen, die hallucinatie van donder. En zij sloeg om zijn lichaam hare beide armen, zich tegen hem dringend, als wilde zij in hem kruipen. Zoo bleef ze lang en hij wilde haar juist innig vast aan zich klemmen, toen zij murmelde, hare vingers wriemelend in zijn vest:

—Wat is dat, wat heb je hier?

—Wat? vroeg hij, verschrikt.

—Hier in je vestjeszak?

—Niets, een fleschje ... stortterde hij. Druppels voor mijne oogen: ik heb pijn aan mijne oogen in den laatsten tijd.

Zij haalde het fleschje te voorschijn. Het was een kleine, donkerblauwe flacon met geslepen stop, zonder etiquette.

—Voor je oogen? sprak ze. Ik wist niet ...

—Ja, toch wel! stotterde hij. Geef het hier, Eve, geef het hier.

Maar zij omklemde het vast in hare beide handen, met een lachje.

—Neen, ik geef het nog niet. Waarom ben je zoo bang: ik zal het niet breken. Ruikt het? Ik wil het openmaken, maar de stop zit zoo vast.

—Ach ik bid je, Eve, geef het hier! smeekte hij, het zweet parelend op zijn voorhoofd. Het is niets, het zijn oogdruppels, en het ruikt niet; je zal er meê morsen en dan geeft het vlakken.

Maar zij hield hare handen achter haar rug.—

—Het zijn geen oogdruppels en je hebt geen pijn aan je oogen! sprak ze vast.

—Ja, heusch ...

—Neen, je jokt! Het is ... het is iets anders, nietwaar?

Hij antwoordde haar niet, zeer bleek.

—Geef het hier, Eve! vleide hij.

—Werkt het gauw? vroeg ze weêr.

—Eve, ik wil het, geef het hier! knarste hij nu driftig, woedend, radeloos.

Hij omvatte haar, wilde hare polsen grijpen, maar omknelde slechts hare eene leêge hand, want heur andere slingerde vlug den flacon, over hem heen, op den grond. Het weêrklonk er met een hoogen toon, als van kristal, dat springt. En voor hij had kunnen opstaan, omhelsde zij hem weer, vast, geheel in hare armen, drukte zij hem neer in de kussens der bank.

—Laat het, lispelde zij glimlachend. Het is gebroken. Ik heb het voor je gebroken. Zeg me, waarom droeg je dat bij je?

—Het is niet wat je denkt! verdedigde hij zich nog.

—Het is wel. Waarom droeg je het bij je?

Hij zweeg een pooze. Toen, zich overgevend in hare omhelzing:

—Om in te nemen ... als het uit tusschen ons was geweest, van avond, bijvoorbeeld.

—En nu zal je het dus niet meer doen?

—Misschien ... ik kan een ander fleschje zien te koopen, lachte hij somber.

—En waarom moet het uit tusschen ons zijn?

Hij werd eensklaps ernstig, zonder spot meer over dood of leven.

—Om jou, mijn engel. Om jouw geluk. Ik bid je, láat het uit zijn. Laat me je niet langer ongelukkig hoeven te maken. Jij kan nog gelukkig worden. Maar ik, ik voel, dat ik alles in mij mis om gelukkig te zijn en geluk put men alleen uit zichzelven.

—En je gelooft, dat ik je nu van me zoû laten weggaan, nadat je me zoo even gezegd hebt, wat je dan zoû doen, des avonds?

—Neem het dan zoo niet op, dat het zoû zijn om jouw verlies. Ik liep al lang met dat ding in mijn zak. Ik dacht dikwijls het te doen, maar dan dacht ik aan jou en dan was ik er te zwak toe, want ik weet, dat je van me houdt, o te veel!

—Niets te veel, ik heb geleefd door jou, zonder jou had ik nooit geleefd.

—Zonder mij hadt je misschien met een ander geleefd, gelukkiger.

—Neen, nooit met een ander ... Dat kon niet, met een ander. Ik moest met jou leven. Het was het Noodlot ...

—Ja, het Noodlot, zoû Bertie zeggen.

—Spreek niet van Bertie ...

Het kletterde tegen de ruiten aan, een zondvloed van rechte stroomen.

—Altijd die regen! murmelde zij bang.

—Ja, altijd! herhaalde hij onwillekeurig.

Zij huiverde, zag hem aan.

—Waarom zeg je dat? vroeg ze scherp.

—Ik weet het niet, antwoordde hij verwonderd, verward. Ik weet het heusch niet. Wat heb ik dan gezegd?

Zij zwegen weêr. Toen sprak ze:

—Frank ...

—Lieveling ...

—Ik wil niet meer van je scheiden. Zelfs vandaag niet. Ik zal voortaan zoo bang voor je zijn.

—Laat het uit zijn, kind.

—Neen, neen. Hoor. Laten we bij elkaâr blijven. Altijd, altijd. Laten we nu met elkaâr gaan slapen, terwijl het regent.

—Eve ...

—Met elkaâr. Je zegt immers, dat je in je alles mist om gelukkig te worden en dat je toch het geluk uit jezelven moet putten. Nu, zoo is het ook met mij. En toch houden we zooveel van elkaâr, nietwaar?

—O ja ...

—Nu, waarom zouden we dan blijven waken, in dit akelige leven. Het regent altijd door. Geef me een zoen, Frank, een nachtzoen, en laten we gaan slapen, terwijl het regent. Laat me in je armen slapen ...

—Eve, wat meen je?! vroeg hij hol, want hij begreep haar niet.

—Het fleschje heb ik gebroken, gebroken voor jou! ging zij vreemd voort. Maar je zoû immers een ander zien te koopen?

Een ijskoude drong hem, als bevriezend, door zijn merg.

—God, Eve, wat wil je? vroeg hij sidderend.

Maar zij lachte hem rustig tegen, zeer kalm, met zacht stralende, stille oogen. En zij omvatte hem in hare armen.

—Samen met je sterven, lieveling! fluisterde zij, als verklaard van geluk. Wat kan ons het leven nog schelen! Je hebt gelijk: jij zal nooit meer gelukkig kunnen worden en ik zal het niet worden naast jou. En ik wil je niet verliezen ook, omdat je mijn alles bent. Hoe dus te leven en waarom te leven? Maar samen, o Frank, samen met elkaâr dood te gaan, in elkanders armen, op je mond te sterven, o, is dat niet het hoogste geluk! Een zacht vergift, Frank, niets pijnlijks. Iets zachts en het dan samen te drinken en elkaâr vast te omhelzen en dan dood te gaan, dood te gaan, dood te gaan ...

Maar hij huiverde van ontzetting.

—Neen, Eve, neen! riep hij uit. Dat mag je niet willen, dat kan je niet willen! Ik verbied het je ...

—O, verbied het me niet! smeekte zij, op den grond vallend en zijne knieën omhelzend. Laten we het samen doen. Het zal heerlijk zijn. Het zal roze en zilver en goud om ons zijn, als een zonsondergang. O, kan je je iets verbeelden wat zaliger zoû wezen? Frank, Frank, het is het Geluk, het Geluk, waar we naar zochten, waar ieder naar zoekt op de wereld! Het Geluk is: samen, van elkaâr houdend, met elkaâr te sterven! Het is het paradijs, de hemel, Frank!!!

Hij voelde niet de verheerlijking van hare extaze, maar hare woorden lokten hem als met de belofte van eene korte zoetheid des levens, en van eene ontzachlijk lange rust des doods. En hij vond niets meer om haar te weêrspreken, niets meer om haar terug te houden in de hemelvaart harer gedachte; alleen dacht hij nog slechts aan het gemis van alle middel, daar het gebroken was ...

Maar Eve was opgestaan, magnetisch gedwongen te gaan naar de plek, waar het fleschje gevallen was. Zij bukte zich, en zij raapte het op. Het was gevallen op de afhangende plooien van een gordijn; het was niet gebroken, slechts gebarsten. Maar er was geen druppel uit gestort.

—Frank! gilde zij, in hare opzweving van extaze. Frank, zie, hetisniet gebroken, het is heel! Het is het Noodlot, dat het niet heeft willen laten breken!

Hij was opgestaan, rillend van de ijskoude in hem. Maar zij, ze had reeds den stop afgerukt, ze dronk het half uit, met een glimlach van waanzin en geluk.

—Eve!!! schreeuwde hij. Maar rustig steeds glimlachend, reikte zij het hem over. Hij zag haar eene pooze aan en het werd hem alsof zij beiden reeds niet meer op de wereld waren, alsof zij in eene sfeer vol vreemde natuurwetten zweefden, waarin vreemde dingen zouden gebeuren. Het kwam in hem op, of de wereld nu vergaan zoû, in dien stortregen, daarbuiten. Maar hij zag, dat ze wachtte, met haar glimlach, en toen dronk hij ...

Het was geheel donker geworden, en zij lagen in dat donker in elkanders armen, op de bank. Hij was dood. Zij richtte zich even op, stervend, doodsbang voor den storm die buiten loeide, en den storm, die loeide in haar eigen doorgiftigd lichaam. Het weêrlichtte schel wit en het donderde dadelijk na. Maar boven dien donder uit, hooger, kwam, voor Eve, van heel ver, een donder aanrollen, áanrollen ... zwaarder, steeds zwaarder, als een bovenwereldlijke donder, op raderen van sferen ...

—Daar komt het aan! stamelde zij, in de ontzetting van den dood. O, God, daar dondert het aan!!

En ze zonk, kronkelend, op het lichaam onder haar neêr, wegschuilend in de los geknoopte jas, daar stervend.

Toen sleepte een tred, buiten het stikduistere vertrek, door den corridor, nader en nader: de knorrige stem van een ouden man riep twee-, driemaal Eve's naam; eene hand draaide de deur open.

Den Haag, Mei'90.


Back to IndexNext