"Een oogenblik in dit vuuris eeuwigheid zonder einde."
"Een oogenblik in dit vuuris eeuwigheid zonder einde."
Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat van zijne kindsheid. Het is losgemaaktvan leerstelligheid; de nadruk wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.
Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteldJesus Messias(1906),Den burtkomne Messias(1907),Heimkomin Son(1908).
Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:
"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed hebben, maar de rijke man zal branden, heeterdan heet, van eeuwigheid tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden—.
"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"
Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.
In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die in dezelfde periode optreden.
Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn kinderverhalenDet store Nashorne(De groote Neushoorn) enKvitabjörnen(De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundelPaa Skuggesida(Aan den Schaduwkant).
Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen(geb. 1857), Per Sivle (± 1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.
Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde,Menneskets Genesis, is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig leeft het geslacht van Kaïn nog.
Heiberg's eerste tooneelstukTante Ulrikke(1884) houdt zich bezig met den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk,Kong Midas(1890), heeft Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten schijnen, bijna eengroot onheil sticht. Het denkbeeld heeft verwantschap metVildanden, maar niet alleen het type, ook het stuk is gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog en houdt de belangstelling gaande. OpKong Midasvolgden een aantal andere werken, waarvan wij noemenKunstnerne(1893), waarin de tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt,Det store Lod(1895),Harald Svans Mor(1899). Een gansch ander karakter dragen een paar tragische stukken,Balkonen(1894) enKærlighedens Tragedie(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich van den menschmeester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering is knap, de lezer huivert,—maar hij wenscht van zulk een liefde verschoond te blijven.
Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem behoed hebben,—een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op elkaar te zetten ente vroolijker te worden, naarmate hij het moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.
De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. InSultis het honger, inPanis het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. InMysterierhebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, die van den heer Nagel—zoo heet de man—niet weten wil, nauwelijks ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand bestond reeds inFra det moderne Amerikas Aandsliv, een persifflage, naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, zoo is inSulthet 'ik' aanwezig.Mysterieris de eerste poging,om die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar voortreffelijke maatschappelijke romans,Redaktør Lynge, waarin de verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers behandeld wordt, enNy Jord, die een troep ijdele kunstenaars, voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven, van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt hij weer inPan, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukkenVed Rigets Port, Livets SpilenAftenrødeen in het wonderlijke gedicht in dramatischen vormMunken Vendt(1902). In latere werken komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist Bardsen inBørn af Tidenen inSegelfoss By, een aristocratisch voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar toch reeds vanden beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (Under Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde) een nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze schrijft nu, gelijk inSult, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager te spreken, nietallesvan het leven te wachten, maar het toch met dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.
In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. Drie van dezeboeken,Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde, behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. InMarkens Grødeechter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titelKonerne ved Vandposten.
Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar interessante bundels novellen (in één vandeze het uitgelaten vroolijke stukDronningen af Saba). En dan het meesterwerkLivet i Vold, uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.
Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers van dit tijdvak,—hij is in 1853 geboren,—maar hij is betrekkelijk laat begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na 1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstukUten Ansvar(Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.
Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert 1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in kleine bundels:Skisser, Fra Skog og Fjeld, e.a. Deze zijn verzameld onder den titelFolkelivsbilleder(1904).Jongere verzamelingen zijnFjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier. Tot hetzelfde type behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:Fonnaasfolket(1902),Glomdalsbruden, Østerdalskongen(een breede uitwerking van een der Folkelivsbilleder),Jutulskaret, Knut Veum(1910, het laatste).
Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.
Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.
Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 kortevertellingen. Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van gelijken aard:Sidsel Sidserk,Sølve Solfeng, en een paar jongere bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies,Storken, Høit TilhestenHanen, die door hun comische kracht aan Holberg herinneren.
Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. 1865).
Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken zijner eerste periode zijn:Jon Græff1891,Ensomme Mennesker1892,Mulm1893,Kobberslangen1894,Ada Wilde1896,Ulf Ran1897,Enken1899.
Peter Egge heeft vooral naam gemaakt doorvertellingen uit het volksleven,Folkelivsskildringer, waarvan de eerste bundel in 1894 uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans:Almue1891,En Skibsgut1892,Straf1893,Gammelholm1899, alsmede comedies:Stridsmænd1896,Jakob og Kristoffer1900. Ook daarna heeft hij ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is van 1921 en draagt den titelInde i Fjordene.
Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite doet, ze doorte worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te vernieuwen. In de jaren 1892—1900 gaf hij uit:Huldren1892,Ungt Folk1893,Flaggermusvinger1895,Sus1896,Fra Hav til Hei1897,Hugormen1898,Trækfugle1899. Van zijn latere werken is misschien het belangrijksteDen sidste Gæst1910.
FOOTNOTES:
[21]
Aan Kielland heeft hij ook zijn romanTo Dameropgedragen.
Aan Kielland heeft hij ook zijn romanTo Dameropgedragen.
In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de groote verskunstenaar, gaat naPeer Gyntgeheel tot het proza over; de romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte onderbrekingdoor het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uitMed Lyre og Lanse(Met Lier en Lans), in 1880Vaarbrud(Lentedoorbraak), de tweede in 1880Polemiske Sonetter. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit:Digte af Per Gynt, in 1897Norsk Høifjeld, in 1901Vintereventyr.
Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, nieuwe bundels volgden in 1894Fra Vaar til Høst, 1896Musik og Vaar, 1900Det dyre Brød, 1904Fra Kristiana. Uit deze verzen sprak een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.
Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, getiteldDigteenNat, waarin deels, onder den invloed van Deensche dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op het drama en den roman toegelegd.
ALGEMEENE WERKEN.
Henrik Jæger,Illustreret norsk Literaturhistorie, 3 dln. Kristiania 1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup,Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904, Kristiania 1905.—Gehrard Gran,Nordmænd i det 19deAarhundrede, 3 dln. Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd alsNordm. 19. A.)—Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug.1915.—J.B. Halvorsen,Norsk Forfatter-Lexicon.—Edv. Bull, A. Krogvig, G. Gran,Norsk biografisk Leksikon.Verschijnt sedert 1921.
HOOFDSTUK I.
Henrik Wergeland. Wergeland,Udvalgte Skrifter. Kristiania en Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In deel VII eene autobiographie, getiteldHasselnødder.—O Skavlan,Henrik Wergeland, Kristiania 1892.—G. Gran,Henrik WergelandinNordm. 19. A.dl. 1.
Johan Sebastian Welhaven. Welhaven,Samlede Digterværker, 3euitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.—Digte i Udvalg, 1919.—A. Löchen,J.S. Welhavens liv og skrifter, Kria 1900.—G. Gran,Joh. S. WelhaveninNordm. 19. A.dl. 1.
HOOFDSTUK II.
Asbjørnsen en Moe. De verzamelingen zijn talrijke malen uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken titelNorske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr(deel I:Huldreeventyr og Folkesagn, deel II:Folkeeventyr). Hiervan bestaat eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de kleinere geïllustreerde bundels:Norske Folke- og Huldre-eventyr i Udvalg;Udvalgte Folkeeventyr;Eventyrbok for Børn.—Moltke Moe,Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)inNordm. 19. A.dl. 2 (zeer leerzaam).
Jørgen Moe,Samlede Skrifter, 2 dln. Jubilæumsudgave.
Folkeviser. M.B. Landstad,Norske Folkeviser, Christiania 1853, is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge,Gamle norske Folkeviser, Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave derNorske Folkeviser, door Knut Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.
J.S. Welhaven. Zie bij Hoofdstuk I.
Bjørnstjerne Bjørnson. Bjørnson,Samlede Digterverker, Standardudgave, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.—P.A. Rosenberg,Bjørnstjerne Bjørnson, 1915.—G. Gran inNordm. 19. A.dl. 3.—G. Brandes inDet moderne Gjennembruds Mænd, 2. uitg. 1891—R.C. Boer,Bjørnstjerne BjørnsoninDe Gids(Nov. 1899). dez.,LaboremusinDe Gids(Aug. 1901).
Henrik Ibsen. Ibsen,Samlede Digterværker. Standardudgave, 7 dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk verkrijgbaar.—Ibsens Episke Brand, udg. af Karl Larsen 1907.—Ibsens Efterladte Skrifter, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de studie van den dichter.)—Breve fra Henrik Ibsen, 2 dln. 1904.—Henrik Jæger,Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede.—G. Brandes,Henrik Ibsen1898.—Albert Dresdner,Ibsen als Norweger und Europäer.—John Paulsen.Samliv med Ibsen, 1906.Ny Samling1913.—Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding der reeds genoemdeEfterladte Skrifter.—R.C. Boer,Peer Gynt(De Gidsvan Oct. 1893). dez.,Kleine Eyolf(De Gidsvan Febr. 1895). dez.,Reisherinneringen uit Noorwegen(De Gids, Dec. 1908 en vv.; o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez.,Ibsen's Epische Brand(Onze Eeuw, 1909), dez.,Ibsen's Nagelaten Werken(Onze Eeuw1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (Neophilologus1919). Jacqueline E. van der Waals,Brand en de brieven van Ibsen(Onze Eeuw, Mei 1919).—Een uitvoerig commentaar opPeer Gyntschreef H. Logeman (Den Haag 1917).
HOOFDSTUK III.
Ivar Aasen,Skrifter i Samling, 3 dln. Kria en Khvn.—Moltke Moe,Det nationale gjennembrud og dets mænd(zie bij Hoofdstuk II).
Aasmund O. Vinje. A.O. Vinje,Skrifter i Utval, utgjevne af Det norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).—Dikt og prosaskrifter i utvalved Halvdan Koht Kria, 1903.—FerdaminnienStoregutzijn herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske Samlaget.—Vetle Vislie,Aasmund Vinje, Bergen 1890.—Een kort werkje van denzelfde in deNorske Folkeskrifterudgj. av Norigs Ungdomslag og Studentmaallaget no. 28.—Halvdan Koht,A.O. VinjeinNordm. 19. A.dl. 3.
Landsmaal. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven tijdschriftSyn og Segn.
HOOFDSTUK IV.
Camilla Collett,Samlede Verker Mindeudgave, 3 dln. Enkele boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.—Alf Collett,Camilla Colletts Livs Historie. 1911.—Lilly Heber,Camilla Collett, 1913.—Mathilde Schjøtt inNordm. 19. A.dl. 1.
Ibsen en Bjørnson.. Zie bij Hoofdstuk II.
Jonas Lie. J. Lie,Samlede Digterverker, Standardudgave, 10 dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk verkrijgbaar.—Arne Garborg,Jonas Lie, En Udviklingshistorie, Kria 1893.—Erik Lie,Jonas Lies Oplevelser, Kria en Khvn 1908.
Alexander L. Kielland. A.L. Kielland,Samlede Digterverker. Standardudgave, 5 dln. Kria en Khvn 1920.Breve, met inleiding van G. Gran, 1907.—Brandes,Essays, Fremmede Personligheder, Khvn 1889, p. 17.—R.C. Boer,Alexander L. Kielland(De Gids, Mei 1897).
Kristian Elster,Samlede Skrifter, 2 dln. Kria 1904.—Brandes, Essays, Fremmede Personligheder, p. 1,—A.L. Kielland in de uitgave van ElstersSolskyer.
Amalie Skram. Hare romans zijn afzonderlijk verkrijgbaar.—Samlede Skrifter, uitverkocht.
Arne Garborg. Arne Garborg,Skrifter i samling. Jubilaeumsutgaave, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.—Erik Lie,Arne Garborg, En Livsskildring, Kria 1914.—Zie ook de Garborg-aflevering vanSyn og Segn(Januari-Februari 1921).—R.C. Boer,Reisherinneringen uit Noorwegen(De Gids, Dec. 1908 en vv.).
HOOFDSTUK V.
Gabriel Finne. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.—R.C. Boer.Gabriel Finne, (De Gids, Juli 1898).
Sigbjørn Obstfelder,Samlede Skrifter, 2 dln. Kria en Khvn 1917. De werken ook afzonderlijk.
Arne Garborg. Zie bij Hoofdstuk IV.
Rasmus Løland. Een biographische schets door Arne Garborg is hierboven bladz. 225 genoemd.—R.C. Boer,Reisherinneringen(zie vorige pag.).
Gunnar Heiberg.Samlede dramatische Verker, 4 dln. Kria 1917-1918.
Knut Hamsun.Samlede Verker, 12 dln. Ook afzonderlijk.—John Landquist,Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk diktare.—R.C. Boer.Knut Hamsun(De GidsNovember 1896), dez.,Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur(De Gids, Maart en April 1912), dez.,Reisherinneringen(zie vorige pag.).
Jacob B. Bull.Folkelivsbilleder, 4 dln., 3euitg. 1919.Folkelivsromaner, 3 dln., 2euitg. 1918—Nutidsromaner, 3 dln. 1918.—Historiske romaner. 4 dln.—De meeste werken ook afzonderlijk.—R.C. Boer,Reisherinneringen(zie vorige pag.).
Hans Aanrud,Fortællinger, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.—R.C. Boer,Reisherinneringen(zie vorige pagina).
Thomas Krag,Samlede Skrifter, 9 dln. De werken ook afzonderlijk.
Hans E. Kinck. Over zijn dramaDen sidste Gæstzie R.C. Boer,Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur(De Gids, Maart en April 1912).
FOOTNOTES:
[22]
Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.
Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.
Aanrud, H.,
240
-
241
Aasen, I.,
101
-
103
Arnim,
30
Asbjørnsen, P. Chr.,
30
-
35
,
40
-
43
,
45
,
48
,
98
,
99
,
126
Auerbach, B.,
44
Bjerregaard, H.A.,
52
Bjørnson, B.,
26
,
44
-
46
,
52
,
68
-
79
,
86
,
87
,
91
,
110
,
111
,
122
,
126
,
128
,
129
,
135
,
139
-
143
,
155
,
195
,
196
Brandes, G.,
67
,
122
,
189
Brentano,
30
Bugge, S,
35
Bull, J.B.,
238
-
240
Caspari, C.P.F.,
244
Collett, C.,
82
,
124
-
126
Dostojewski,
214
Drachmann, H.,
122
,
244
Dybfest, A.,
204
,
215