Chapter 4

Op weg naar Porto-Quaglio.Op weg naar Porto-Quaglio.Weldra gaat ieder opstaan, niet zonder mij beleefd een goeden nacht, kale nycta, te hebben gewenscht; ik werp op het vuur een nieuwen armvol brandstof, want het is vinnig koud, en Christo heeft mij opgedragen, het niet te laten uitgaan. We hebben afgesproken, slechts om beurten te rusten, een maatregel, die gepast lijkt in onze omstandigheden.Ongelukkig komt het uur om te waken nog al vroeg voor mij, en ik merk, toen ik wakker word, dat het meer is gaan waaien; de groote boomen om ons heen klagen luid, en de vlammen drijven telkens hun rook in de hut. Er zijn veel onverwachte geluiden, en in de bergen hoor ik klagelijk janken. Is het een hond, die de afnemende maan aanblaft, of misschien een wolf, die voedsel zoekt? De nacht schijnt mij eindeloos en onze houtvoorraad begint te verminderen. Ik wacht met verlangen den morgen, dien ik nooit met zooveel vreugde heb begroet, zoo drukkend is de eenzaamheid.Daar is eindelijk een bleek licht, en omdat ik besloten ben vroeg op te breken, wek ik Christo, die zich haast het muildier te zadelen. De herders zijn al op, en de honden zijn aan het spelen, nat nog van den dauw. Ik leg enkele geldstukken in de vereelte handen, die mij worden toegestoken, en huiverend in den morgen wind, beklimmen we de hoogte aan het eind der langada. Binnen een uur is de top bereikt, juist op het oogenblik dat de roode zonneschijf de transen van den Parnon bestraalt. De vlakte, waarin Sparta is gelegen, is nog donker achter ons, terwijl de lijnen van den Taygetos achteruitwijken.De wind blaast als een storm; het is koud en spoedig gaan we verder naar Sitsova, waar we een half uur later aankomen. Bij Khania bereiken we de vlakte, waarvan de rijkdom en de vruchtbaarheid wonderlijk afsteken tegen de woeste eenzaamheid van den Taygetos. Hier zien we citroen- en oranjeboomen, velden met tabak, waar moerbeiboomen tusschen staan, en eindelijk daagt Kalamata voor ons op met zijn door aloë’s omzoomde tuinen en zijn mooie cactussen. In de straten is het geducht warm, en ik veroorloof mij eenige uren van welverdiende rust. Om acht uur in den avond vertrekt de boot naar Athene. Mijn reis is afgeloopen, en als de schroef het kalme water begint te slaan in de baai, groet ik voor de laatste maal de zwarte massa van den Taygetos, die mij zulke onvergetelijke uren heeft bezorgd.De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.Er is een halfjaar verloopen, sedert ik den nacht heb doorgebracht tusschen de herders van den Taygetos ter hoogte van bijna 2000 meter boven de zee; de winterregens zijn voorbij en al sinds langen tijd zijn de toppen van den Hymettus en den Parnassus van hun licht sneeuwkleed ontdaan en worden in hun kaalheid geblakerd door de warme zon van April. Nu de mooie lentedagen zijn teruggekeerd, die zoo helder en vroolijk zijn in dit gezegende Oosten, ga ik opnieuw droomen van heerlijke uitstapjes en lange ritten te paard in de dichterlijke eenzaamheid van het bergland.Waar zal ik anders heengaan, nu het continentale Griekenland mij bijna volkomen bekend is, dan maar weer naar dien schilderachtigen Peloponnesus, dien ik thans eens wil doortrekken van Korinthe af naar de golf van Kyparissia? En nu treft het, dat juist onze gezant te Athene, graaf d’Ormesson, mijn naaste chef, mij voorstelt, hem op diezelfde reis te vergezellen. Zonder een oogenblik te verliezen, maken wij toebereidselen voor een echte expeditie, waaraan ook drie bekoorlijke jonge meisjes zullen deelnemen, wier tegenwoordigheid wij met vreugde begroeten, mejuffrouw Yolande d’Ormesson, mejuffrouw Boulard, haar vriendin, die voor eenige maanden in Griekenland vertoeft en mejuffrouw de Cernowitz, dochter van den opperstalmeester van Z. M. Koning George.Wij besluiten, tot Megalopolis, dat midden in Arcadië ligt, met den spoortrein te gaan, dan per rijtuig Andritsena te bereiken, om weer te dalen langs den tempel van Apollo in de omstreken van Kyparissia, waar we den spoorweg weer zullen treffen, die ons naar Olympia en Patras zal brengen.Spoedig is alles gereed; de muildieren en rijtuigen wachten ons; de autoriteiten zijn gewaarschuwd, en ons troepje, versterkt met een jong schilder van talent, den heer Many Benner, die zonder te vermoeden, dat men hem zou uitnoodigen, deel te nemen aan den tocht, zijn opwachting aan de legatie kwam maken, zal zich morgen op weg begeven. De gezant neemt ook nog het factotum van zijn huis mee, een zekeren Panayotti, die als tolk moet dienen en nu al in de drie jaren, dat ik hem ken, mij dikwijls heeft geamuseerd. Die jongen, die zijn Athene kent tot in de kleinste bijzonderheden, en wiens diensten in dat opzicht werkelijk onschatbaar zijn, is wel een volkomen type van den modernen Griek. Babbelachtig en demonstratief, nu eens onrustig en verward, dan weer langzaam en lui, ook ietwat geslepen en met zin voor straatslijperij, heeft hij als al zijn landgenooten, een gebruind, olijfkleurig teint en een baard, even glanzig, als zijn haren moeten zijn geweest in den tijd, toen hij die schoone kroon nog op zijn hoofd droeg.Hij heeft aan het gezantschap geslachten van gezanten en secretarissen elkander zien opvolgen, en nu hij al zoo lang deel uitmaakt van het personeel, komt men in de stad er toe, hem een zekere diplomatieke waardigheid toe te schrijven. Het prestige, waarmee hij is getooid, belet hem echter niet, nu en dan te vechten met den een of anderen loustro, die zijn verontwaardiging heeft gaande gemaakt, en zooheeft hij al eens kennis gemaakt met het stroo van de gevangenis van zijn land. Maar dat is zoo erg niet; “Dembirazi!” zooals hijzelf zegt, zich den linker oksel wrijvend, wat hier een teeken is van de grootste onverschilligheid.Men moet hem hartstochtelijk zien disputeeren, hem allerlei fransche woorden hooren gebruiken, die hij niet begrijpt en die over elkaar struikelen in zijn mond, zooveel haast heeft hij, of hem zien volhouden, dat hij gelijk heeft, door zijn beide armen tegen het lichaam aan te drukken, terwijl de palmen van zijn magere handen, geopend naar den ander toe zijn gekeerd, als om het welsprekende woord te ondersteunen of zijn onmacht te betuigen, er nog een woord meer aan te verspillen. Hoe vaak heb ik mij vermaakt met naar hem te luisteren en hem over de straatsteenen naar mij te zien toekomen, altijd gedienstig, lachend en goedmoedig. En ik denk vandaag, dat het portret te schilderen van Panayotti, tevens is een in beeld brengen van de grieksche volksziel, hetgeen voor mij een verontschuldiging inhoudt van mijn vermetelheid, den lezer zoo lang te hebben bezig gehouden met dit merkwaardig personnage.Op een van die mooie morgens, waarop de feestvierende natuur den mensch schijnt uit te noodigen, met haar in te stemmen, bereiken wij reeds om zes uur het station van den Peloponnesus, terwijl het Parthenon bloost onder de eerste stralen van de zon. Het zal warm worden vandaag, en de stad weerklinkt reeds van het geroep der dragers, die in zakken water van Amaroesi te koop aanbieden of coecoeria, een soort van kleine, droge koekjes, gewoonlijk bedolven onder het stof en door de menschen in hun koffie gedoopt. Toen alle leden der karavaan langzamerhand waren gearriveerd, stapten wij in den trein, waar onze bagage was opgestapeld; daar klinken de tonen van een spoorklok, achterblijvers worden aangeroepen; nog wat gefluit, want de grieksche treinen hebben heel wat moeite, om op dreef te komen, en daar gaat de optocht heen in een wolk van stoom.Daar is Eleusis weer, en Salamis duikt in de verte op en het witte Megarae; dan de mooie witte kustweg, dien ik vroeger bewonderde bij het gaan naar Korinthe en de groote vlakten van steenachtige, roode aarde, waar donkere vlekken zich vertoonen door de dennen, doorloopend tot de zee, die zoo blauw is, dat de hemel daarnaast bijna bleek schijnt. Wij stoomen over het kanaal, rijden langs de baai met haar sierlijk afgeronde bochten, en na Korinthe een groet te hebben toegezonden, alsook aan de bergen, stralend in het licht, verdwijnen we in de kloof, die naar Argos voert. Weldra is de trein in de verstikkend heete vlakte en houdt als uitgeput stil bij het station Argos, waar we den tak naar Nauplia zich links laten verwijderen.De spoorweg richt zich dadelijk naar den voet der bergen; er ontspringt een bron uit de rotsen en het stroompje brengt op zijn korten weg naar de zee veel molens aan zijn oevers in beweging. Dan krijgen we de moerassige terreinen, waarin de Erasinor en de Inachos zich verliezen, hoogoprijzend gras, waar, naar het schijnt, veel wild is te vinden, houten bruggen, die doorbuigen onder het gewicht van den trein, tot wij eindelijk aan het zeestrand komen bij het station Myli, het Lerna der Ouden. En terwijl we Nauplia bewonderen, dat daar beneden ligt aan de golf, denk ik aan de legenden, die deze plek tot een der beroemdste uit de Oudheid maakten, aan dien bekenden vijver, gevormd door de bronnen en beken, die van den berg Pontinos komen, waar Hercules een zijner twaalf werken verrichtte en die thans, door het groen omsloten, door de vrouwen wordt gebruikt, om haar wasch te spoelen.Weer een illusie, die verdwijnt in de droeve werkelijkheid van het moderne leven! Hoewel al deze moerassen in het geheel geen slangen meer herbergen, door helden te bedwingen, is hun nabijheid niet minder gevaarlijk, vanwege de koortsuitwasemingen, die eruit opstijgen. En wat buitendien te zeggen van die verschrikkelijke muskieten, die ons beginnen te hinderen? Dit is wel een land, waar ik niet graag zou willen wonen; ik heb te Athene te goed de kwellingen leeren kennen van de slapelooze nachten en het wreede alternatief, waarin ik mij dikwijls bevond, om of te stikken onder het muskietennet, of dadelijk de prooi te worden van den vijand, als het instrument even wordt opgetild, dan dat ik er spijt van zou hebben, dat we niet langer blijven op een plek, waar men zooveel moet lijden.De trein vertrekt weer en rijdt langs het haventje, waar eenige kleine bootjes liggen te schommelen, en treedt dan bijna terstond het bergland van Arcadië binnen. Niets dan kale steilten, bedekt met ellendige heide of wild struikgewas. Is dit dan het gelukkige land, dat door de dichters werd bezongen? Waar zijn dan de bronnen, de boschjes, het tooneel der herderszangen, de bloeiende weiden en de vreedzame bosschen? Nauwelijks vertoonen zich op de hellingen van den Parthenion of den Ktenia, die de dalen met hun sombere grijze toppen beheerschen, enkele roeden bebouwden grond; nauwelijks verbergen enkele armoedige huizen hun ellende onder oasen van egelantieren, of verlevendigen enkele schapen, die, gehoed door zwaarmoedige herders, mij minder aan de helden van Theocritos doen denken dan aan mijn makkers van den Taygetos, vandaag de eenzame plateau’s!Het landschap blijft hetzelfde, tot we in de vlakte van Tegea komen, een dier te zeldzame en te kleine kommen in den Peloponnesus, waar aan landbouw kan worden gedaan. Daar zijn waarlijk velden met bijna rijp koren, wijngaarden, die er goeduitzien, en boomgaarden, die bloeien en een goeden oogst beloven. Dan nog weer moerassen, die het gevolg zijn van het ontbreken eener afvloeiing van de Saranda Potamos, en die met de vochtigheid van Mantinea van deze plaats een der gevaarlijkste centra van slechte lucht maken uit het geheele land. De leden van onze School van Athene, die er twintig jaren geleden opgravingen deden, weten daarvan mee te praten en moesten meermalen, overwonnen door ziekten, den geregelden gang van hun arbeid staken. Dus waren we verheugd, eindelijk te Tripolis te komen, de hoofdstad van de provincie Arcadië, die tegenwoordig dank zij den spoorweg en de goede ligging uit handelsoogpunt een zekere welvaart geniet.Op het perron wemelt het van een schilderachtige en luidruchtige menigte menschen, met veel kooplieden ertusschen, die aan de reizigers de producten van hun industrie komen aanbieden. Hier worden vervaardigd een gedeelte van die rood lederen voorwerpen, die alle bazars van het Oosten vullen. Het zijn gordels, met figuren opengewerkt, allerlei portretlijstjes, handtaschjes, tabakzakken, pantoffels en muiltjes. Twee of drie verkoopers haasten zich, onze coupé binnen te treden en werpen inderhaast op onze knieën enkele van die kunstvoorwerpen, waarvan ze ons den prijs in de ooren schreeuwen. Er wordt een twistgesprek begonnen; men onderhandelt, en wanneer men ten slotte wat minachting aan den dag legt of een kalme onverschilligheid, verkrijgt men gemakkelijk, ook met de hulp van het naderend sein tot vertrek, een verrassenden afslag in den prijs.En weer hervat de trein zijn loop door de kleine vlakte. Dit is de plek, ingenomen door de drie antieke steden Pallantion, welker overblijfselen hebben gediend, om Tripolis te bouwen, een stad, die dus betrekkelijk modern was ten tijde van de verwoesting door de Turken in 1825. Dadelijk daarna komen we weer te midden van bergland en heuvels, die aansluiten bij de voorbergen van den Taygetos en te midden waarvan Megalopolis is gelegen, waar we tegen vier uur in den namiddag aankomen.De eerste persoon, dien we bij het uitstappen ontmoetten, is de brave Panayotti, die hier al gisteren is aangekomen, om voor ons rijtuigen op te scharrelen en te huren. Hij heeft natuurlijk aan de heele stad verteld, dat de gezant van Frankrijk er den volgenden dag zou aankomen, zoodat een groote menigte het station vult. De vreemdelingen zijn zeldzaam te Megalopolis, en dus begrijpt men, dat de nieuwsgierigheid der menschen in sterke mate is gaande gemaakt, nu de tegenwoordigheid zal zijn waar te nemen van een officiëel persoon van beteekenis, en slechts met heel wat moeite, baant de eenige politieagent ons een weg tusschen al die stijf tegen elkander dringende schouders door.Op het kleine, stoffige marktplein met lage huizen er omheen wachten ons twee zonderlinge voertuigen, waar ik vrees, dat ons een marteling te wachten staat, die, hoewel verschillend, niet zal onderdoen voor de gruwelijke kwellingen op den muilezel. Het zijn karren op twee wielen, slecht hangend in roestige veêren, en waarvan de carrosserie, schitterend rood en blauw gekleurd, van boven een galerij van kleine, gele zuiltjes draagt. Als zitplaatsen twee houten planken, die er niet op schijnen berekend, de schokken van den weg te matigen. Die soesta’s, zooals men de wagentjes noemt in het land, worden getrokken door een klein, gezadeld paard, dat strakjes te drinken krijgt uit een blikken emmer, die met een zak haver achter aan het voertuig is bevestigd. Wij installeeren ons met ons drieën in elk der rijtuigen, die, ze mogen dan al niet sierlijk of gemakkelijk zijn, toch het voordeel bieden, dat ze van echt lokale kleur zijn. “Embros!” (Vooruit!) en daar vertrekken we naar Karytena.De eerste oogenblikken zijn afgrijselijk; diegenen onder mijn lezers, die hun militairen dienst bij de artillerie hebben doorgebracht, en die vele uren achtereen hebben moeten zitten op kanonnen, die over het bouwland stoven in een galoppade, zullen beter dan iemand begrijpen, wat wij moesten doorstaan. De weg is als naar gewoonte, erbarmelijk afgebroken door diepe plassen, waar we in neerstorten, vol losse steenen, die tegen de rijtuigen opspringen en dan zwaar op den grond vallen, terwijl het vervelende drafje, dat aan den wagen een aanhoudende schudding van voren naar achteren geeft, ons volkomen radbraakt. En dan te weten, dat dit ten minste drie uren moet duren! In welk een staat van ontwrichting zullen we ten slotte in dat afgelegen Karytena aankomen?Intusschen begint de avond te vallen, en dikke, zwarte wolken komen op aan den nog helderen hemel. Zal dan mogelijk het weder toch het succes van onze expeditie bederven en zal het ons verhinderen, morgen te genieten van dat heerlijke licht, zonder hetwelk dit land, dat een zonnevriend is, schijnt te slapen onder een grooten rouwsluier? De weg, gelijk aan een onzer slechtste zandwegen, loopt om bergen, die hier en daar bosschen dragen en gaat dan een klein dal binnen, waar we eenig bouwland zagen. Tegen zeven uur, toen de bijna totale duisternis ons belette, iets van het landschap te zien, begonnen enkele regendruppels te vallen, entegelijkertijdnam een hevige rukwind mijn hoed mee en deed dien verdwijnen in een roggeveld.Dit onbeteekenende voorval, dat zijn grappige zijde had, dreigt mij met ernstige gevolgen; ik heb natuurlijk geen ander hoofddeksel bij mij, en we komen in een streek, waar ik niet de geringste hoop behoef te koesteren, den hoed, dien ik verloren heb, te kunnen vervangen. Als ik dus niet drie dagen lang mijn hoofd wil blootstellen aan de brandende zon en een doodelijken zonnesteek oploopen, moet ik of mijn hoed opzoeken of de pet van een herder leenen. Daar ik dat tweede alternatief niet dan met een zekeren schroom overdacht, haast ik mij op den grond te springen en ga dan, geholpen door Panayotti, op den tast aan het zoeken in de duisternis. Na eenige minuten vind ik het gewenschte terug.Eindelijk beginnen we onduidelijk een donkere massa te onderscheiden, die de donkere berg moet wezen, gekroond door het versterkte kasteel van Karytena; maar de slingerende weg maakt zooveel bochten, dat het doel zich schijnt te verwijderen, naarmate we intusschen er dichterbij komen. Plotseling wordt een vuur op den top ontstoken, dan volgt een ander en daar doemen de oude kanteelen van het feodale kasteel helder op in het licht der vlammen. Tegelijkertijd begeven honderden van lichtjes zich op weg langs de hellingen, waar de huizen schilderachtig over zijn uitgestrooid in boven elkaar gelegen reeksen. Een heele menigte is op weg, om ons tegen te komen; de wegen zijn verlicht; daar in de hoogte worden de groote vuren talrijker en bestralen al spoedig het geheele land; een oud kanon, dat alleen op feestdagen wordt gebruikt, dondert met korte tusschenpoozen en wekt de slapende echo’s in de verre bergen.De boeren hebben den gezant van Frankrijk eer willen bewijzen, omdat zijn naam al lang in Griekenlandpopulair is geworden, en het is hun gelukt, want deze nachtelijke ontvangst in het afgelegen land, bij het dreigend onweêr en in het licht der toortsen, heeft een verrassende uitwerking. Het is acht uur in den avond, als we aankomen aan den voet der steilte; de bewoners wachten ons op ter hoogte van de eerste huizen, en zoodra de soestra’s uit de duisternis te voorschijn treden, gaat er een luide kreet uit aller borst op van: “Zito o kyrios presvis, zito i Gallia! Leve de Gezant, leve Frankrijk!” De burgemeester treedt naar voren, richt tot graaf d’Ormesson eenige welkomstwoorden en verzoekt hem met zijn gevolg in het burgemeesterlijk huis zijn intrek te willen nemen. Panayotti, die meer of minder getrouw de kleine toespraak heeft vertaald, is verrukt en opgewonden, trotsch, dat hij de rol van tolk mag spelen tegenover de saamgestroomde menigte van zijn landgenooten. En terwijl wij antwoorden met helder opklinkende: “Zito i Ellas!” op de vreugdekreten der toortsdragers, begint de beklimming van de lastige, steile straatjes. De geheele bevolking begeleidt de rijtuigen, die in de golvende menigte verdwijnen; een sterke harsgeur stijgt ons naar de keel, en onze schaduwen dansen reuzengroot langs de gevels van de roodgekleurde huizen.Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.Vermoeid en doof van al het lawaai, komen we eindelijk aan de deur van het huis van den demarchos, dat hooger is gelegen dan de andere huizen, zooals past voor de woning van een gemeentelijk magistraatspersoon. We worden eerst gebracht in een vrij groot vertrek, met witgekalkte muren en nog al zindelijk onderhouden; een divan, die op een smalle houten bank gelijkt, bedekt met een rood tapijt van inlandsch weefsel, neemt één wand van het vertrek in, terwijl het sobere ameublement verder bestaat uit een withouten tafel, een vermolmde commode, een vettigen armstoel en eenige stoelen met matten zitting. Tegen den muur hangen op een eereplaats twee chromo’s, die Koningin Olga en Koning George voorstellen; dan eenige gravures, die betrekking hebben op den onafhankelijkheidsoorlog, een vrome schilderij, waarvoor een kaars brandt.“Kaloi crisete, weest welkom!” herhalen nog eens de burgemeester en zijn vrouw, die in alle bescheidenheid ons de handen komt kussen, en terwijl Panayotti onzen maaltijd gaat bereiden met behulp van een walmende lamp, worden wij gebracht naar de beide vertrekken van het huis, die ons welwillend voor den nacht worden aangeboden. Welke hokken! We vinden er een opeenhooping van onnoembare dingen, van voddige kleeren, die over de meubels hangen, alles van terugstootende vuilheid. De muren hebben gaten, zoo groot, dat men er de hand in kan leggen; de vloeren en de zolderingen zijn zwart; de bedden voorzien van ruwe lakens, die men niet voor andere schijnt te zullen verwisselen, en die door den nacht in een afgrijselijk mysterie zijn gehuld. Ons besluit was dan ook weldra genomen; we zullen in de ontvangkamer blijven, die thans onze eetzaal is en die dan in slaapzaal zal worden veranderd, want hier zullen we beter in staat zijn, de ontberingen van ons lot te dragen. Onze gastheer schijnt zeer verbaasd over dat onverwachte besluit, en we hooren hem langen tijd met zijn vrouw praten, terwijl die laatste haar zorgen wijdt aan een lamsgebraad, dat straks ons menu van spijzen uit blikjes moet aanvullen.Wij moeten het meest mogelijke nut trekken uit de aanwezige meubels, die te onzer beschikking staan. De gezant, die zijn veldbed heeft meegenomen, is al gered; dus blijven er voor ons vijven een tafel, vier stoelen, een leunstoel en de ongemakkelijke divan. Het is er nu om te doen, die ongelijksoortige dingen in bedden veranderen, of ten minste in iets, dat er een beetje op gelijkt! De taak gaat inderdaad boven onze krachten, en we moeten al spoedig afstand doen van het vooruitzicht, een oogenblik gekoesterd, dat we een weinig zouden kunnen uitrusten van de vermoeienissen der reis. De tafel, waaraan we juist hebben gegeten, wordt toegekend aan mejuffrouw d’Ormesson, die er zich op uitstrekt, in haar deken gewikkeld. De beide andere jonge meisjes en ik nemen plaats op den divan, terwijl de heer Benner zich in den armstoel installeert. Den geheelen nacht brengen we zoo door bij het zwavelkleurige licht van bliksemstralen, die voor een oogenblik telkens de huizen bestraalden van het aan onze voeten in het donkere dal der Alpheus sluimerende dorp.Om zes uur in den morgen waren we op, zonder dat het opstaan ons eenige moeite kostte, ofschoon we veel vermoeider waren dan den vorigen dag. De eenige waschkom uit het huis wordt op een steenvóór het huis neergezet, en ik vermoed, te oordeelen naar de belangstelling, die wij bij de inboorlingen gaande maken, dat het schouwspel van een persoon, die zijn morgenwassching doet, en die een handdoek gebruikt, iets zeer zeldzaams is hier. Weldra verschijnen de beide soesta’s van den vorigen dag bij een bocht van den weg. “Kalin antamosin, dat God u een aangename ontmoeting bezorge!” klinkt het uit den mond van den burgemeester, die daarbij ernstig zijn oogen ten hemel heft, en wij herhalen dezelfde formule, zonder er iets bij te denken, terwijl de beleefdheid ten overvloede nog eischt, dat we er bedankjes bij voegen voor een gastvrijheid, die inderdaad niets beteekende. Daarna beginnen wij langzaam de hellingen af te gaan, gevolgd door kinderen in lompen, die op bloote voeten over de scherpe steenen draven op hoop van een laatste aalmoes.Het nachtelijke onweêr heeft de temperatuur in het geheel niet opgefrischt en het is al broeiend heet nu in den vroegen morgen; wat zilveren nevelen hangen in het dal, waaruit geblaat van schapen weerklinkt; de hanen roepen elkaar hun morgengroet toe en begroeten de eerste stralen der zon, die boven den Valtetso Voeni verrijst. Langzamerhand trekt de nevel op; de oude huizen van Karytena met hun houten balkons worden achtereenvolgens verlicht, en het indrukwekkende kasteel, dat door Hugo de Brière werd gesticht, en waar Kolokotroni weerstand bood aan het leger van Ibrahim Pacha, teekent trotsch de kroon van zijn hooge gekanteelde muren tegen den bleekblauwen hemel af, waar kleine wolkjes als rose vlokken in drijven.Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.Wij komen ten laatste aan de diepe bres, waarin de Alpheus bruist tusschen twee kale, steile wanden; er is een mooie brug over den stroom gebouwd en dan begint de weg te stijgen met groote kronkelingen langs de berghelling. De kloof schijnt dieper te worden rechts van ons, naarmate we hooger stijgen; de klank van de watervalletjes wordt flauwer, terwijl de alleenstaande berg van Kalytena steeds majestueuser oprijst boven de valleien, waar het rijpe koren reeds een gele tint over legt. Nog een golving van den bodem, een laatste bocht van den weg, en we verliezen de Alpheus uit het oog, die naar het Noorden haar weg vervolgt. Het fort verdwijnt dan uit ons gezicht, omringd, als het is door hoog oprijzende toppen.Herder aan den voet van oude olijfboomen.Herder aan den voet van oude olijfboomen.Er komen dan een reeks van plateau’s, nu eens mager beboscht met dwergeiken, bloeiende heide en distels, dan weer rotsachtig en onvruchtbaar of wel bedekt met armoedig bouwland. Het land is totaalverlaten, en daar de weg toevallig niet al te slecht was, komen de paarden vrij gauw vooruit. In de verte daagt de Khalasmeno Voeno op, omringd door met groen overdekte hoogten aan den overkant van een diep dal, waar we steeds langs rijden. Het oog rust op een chaos van bergen, die op elkander gestapeld schijnen en waarop kudden geiten loopen te grazen tusschen de struiken. Geen geluid van een vogel, geen menschelijke stem! Die zware stilte begint wezenlijk drukkend te worden, en toen we dan ook tegen tien uur bij een eenzame khani komen, waar onze koetsiers water vinden voor de paarden, zijn we gelukkig, dat we eindelijk eens uit de gruwelijke wagens komen, die sinds gisteren onze ledematen hebben geteisterd, en eens enkele minuten ons vrij kunnen bewegen.Boeren, die ons tegemoet treden, schijnen erg verbaasd, die groep van Europeanen te ontmoeten, die te voet onderweg zijn. Ze vragen ons natuurlijk, wie we zijn en van waar we komen en blijven staan nadenken, toen ze hooren van Frankrijk en Parijs. Inderdaad beschouwen de Grieken, ook die niet, die tot de hooge kringen behooren, hun land niet als deel uitmakend van Europa. Is dat een natuurlijk gevolg van de ligging van het koninkrijk zoo dicht bij Azië, waar het uit politiek, zoowel als uit sociaal oogpunt eigenlijk bij behoort? Of komt het door het feit, dat het land niet met Europa verbonden is door een spoorweg, of wel moet men die zonderlinge opvatting toeschrijven aan de woeste bergen van Macedonië, die wel een waren slagboom vormen tusschen Griekenland en de andere beschaafde landen? Ik weet het niet, maar zeker is het, dat elken keer, dat een Helleen Athene verlaat, om zich naar een der steden van het vaste land te begeven, hij nooit zal zeggen, dat hij naar Frankrijk of naar Duitschland gaat, maar eenvoudig, dat hij naar Europa vertrekt, en niemand komt het in de gedachte, die manier van spreken zonderling te vinden.Daarom zijn wij voor onze brave boeren eenigszins legendarische personen, door geheimzinnigheid omringd; we zijn hen al lang voorbijgegaan, als ze nog staan om te kijken, als vastgeworteld op den weg, en eerst als we bij een bocht van den weg geheel zijn verdwenen, zetten ze hun reis voort; ze hebben voor den geheelen dag een onuitputtelijke bron van discours.Iets verder treft ons oor een scherp geluid. Aan den anderen kant van den weg is in de schaduw van een kromgegroeiden plataan, den eenigen van zijn soort voor verscheiden honderden meters in het rond, een herder gezeten, die langzaam een droevig liedje zingt, een dier klaagzangen, handelend over liefde en oorlog, waarvan sommige coupletten, in een klagend rhythme, dat aan het juk der Turken herinnert, dikwijls heerlijk naïef zijn. Zijn metgezel begeleidt hem op de fluit, terwijl de geiten, moe en loom van het zoeken naar het magere voedsel tusschen steenen, versuft schijnen door de drukkende warmte, waar de krekels zich over verheugen. Het is een bekoorlijk tooneel, en we besluiten, hier te wachten onder het aanroepen van de schim van Theocritus en Virgilius, tot onze rijtuigen komen, die niet ver meer kunnen zijn. Daar komen ze dan ook al in galop aan in een wolk van stof; we moeten ons thans haasten, als we vroeg genoeg te Andritsena willen zijn, om in den namiddag het uitstapje te maken naar Bassae. Dus werd het ontbijt maar in de soesta genuttigd, zoo goed en zoo kwaad, als het gaat en het werd met moeite verteerd. De paarden hebben een drafje aangenomen, en de bewegingen, die ze aan het voertuig bijzetten, zijn zoo gesaccadeerd, dat het haast onmogelijk is, een hapje naar den mond te brengen; glazen en flesschen, borden en messen dansen in de kist van het rijtuig een dollen rondedans, en het is een waar kunststuk, een slok te drinken, zonder bijna al het vocht over zich heen te storten. Eindelijk is daar Andritsena, liefelijk uitgespreid over de groenende hellingen der bergen, half verborgen tusschen de boomen, die langs de bochtige oevers van een paar riviertjes staan. De slanke cypressen, die zulk een kenmerkend karakter aan de landschappen van Griekenland geven, steken in grooten getale tusschen de platanen hun kruinen omhoog, als zooveel zwarte fabrieksschoorsteenen, en olijfboomen vullen de tuinen, waar bronnen murmelen en waar de roode daken der huizen in het groen schitteren.De straten zijn zoo vol, dat onze soesta’s zich slechts met moeite een weg banen door de krioelende massa menschen, die toegestroomd is, om ons te zien, en het is voor ons maar net mogelijk, aan de deur van de herberg uit te stappen, waar de paarden wachten, gezadeld en gereed voor het vertrek. Al die menschen lijken verbaasd, schreeuwen en gillen en maken allerlei bewegingen als razenden. Er worden uitroepen gehoord, opmerkingen van allerlei aard; men duwt elkander, om beter te kunnen zien, en dat met het gevolg, dat wij tegen den muur worden gedrongen. We gingen er toen ons maal gebruiken met een versterkend kopje koffie. Eindelijk na veel onderhandelingen en zuurzoete discussies tusschen Panayotti en de agoyaten, die het niet eens kunnen worden over een billijke verdeeling van onze bagage, na stroomen van woorden, die op niets uitloopen, komt onze karavaan in beweging en veroorzaakt in de menigte, nu door nieuwsgierigheid als versteend, een langdurige beweging, en dan begint de bestijging langs een voetpad, dat onder hooge eiken loopt boven het lachende dal.De lucht is bewolkt; het liefelijke landschap van Andritsena verdwijnt om plaats te maken voor kale dalen en heuvels, waar we aanhoudend moeten stijgen en dalen; daarbij steekt de wind op, zwarte wolken drijven boven ons hoofd, alles versombert, en in de stilte weerklinkt alleen de stem van de agoyaten, die elkaar wat toeroepen van het eene naar het andere eind der karavaan. Ze zijn intusschen heel aardig en hulpvaardig, maar ook nieuwsgierig en babbelachtig. Ze willen onze namen en voornamen kennen, enkele gewone woorden in het Fransch hooren, die ze dan grappig herhalen, en toen de jonge meisjes de bloemen aan den weg bewonderen, haasten ze zich, haar die aan te bieden.Wij stijgen steeds en beklimmen de hoogten van den Paleo Kastro, waar enkele magere eiken, afschuwelijk vergroeid, en bijna bladerloos, hun groote, kale takken uitspreiden. De stammen zijn hier afgeknaagddoor de geiten, daar verbrand door de vuren der herders, en ik kan mij niets treurigers voorstellen dan die verspreide overblijfselen van vroegere bosschen, op het punt van sterven, en nu gesleurd door den hevigen wind. Nog een enkele snelle daling, een stijging door een boschrijker gebied en eensklaps liggen daar beneden ons als een verschijning uit een tooversprookje de zuilen van den tempel van Apollo, vol majesteit uit den grond verrijzend.Ik geloof niet, dat ik sedert ik in Griekenland ben, een indruk heb gekregen, die zoo sterk was als bij het zien van dit schouwspel. Dat komt, doordien er inderdaad geen enkele tempel is, noch onder de prachtige monumenten van Paestum en Girgenti, die in zoo dichterlijke omgeving ligt en zoo, van uit de verte gezien, afgezonderd en eenzaam daar op een woest gebergte zich verheft te midden van donkere rotsen en dreigende steilten. Een puinhoop van dikke steenen omringt aan alle kanten de zes-en-dertig zuilen, die nog hun architraven dragen en precies den rechthoekigen vorm van het gebouw aangeven. Zoo is dan ook de aanblik van het zoo goed bewaard gebleven gebouw verrassend; er is hier geen marmer gebruikt, maar een soort van grijzen kalksteen, die wonderlijk mooi samenstemt met den algeheelen indruk van het landschap op dezen laten, donkeren, regenachtigen namiddag.We betreden den tempel door den pronaos, gaan door de cella, nog duidelijk aangegeven door de lijn der instortende muren, waarboven de kale bergtoppen opsteken, en waar het gras groeit tusschen de reten der steenen. Het lijkt ons, dat we aan het eind zijn gekomen van een vrome bedevaart; ieder zwijgt, denkend aan de wonderbare oudheid, aan de gewijde ceremoniën, waardoor de glorie en de macht werden verheerlijkt van die goden, die nu begraven liggen onder de puinhoopen van hun altaren in de grootsche en plechtige omgeving van de droevig stemmende natuur.Die herinneringen bestormen in massa onzen geest, en enkele oogenblikken later bereiken we den nabijzijnden top van den Kotylion, van waar men het uitzicht heeft op een wijd bergenpanorama. Ik herken den Taygetos, de vlakte van Messenië, de golf van Kalamata, nauwelijks zichtbaar in den opkomenden nevel; de sneeuw van den Erymanthos is in het Noorden zichtbaar, en dichterbij zien we het dal der Alpheus en de eentonige lijn van de golf van Kyparissia. Maar de blik wordt als vastgehouden door het heiligdom van Apollo, dat aan onze voeten ligt, vol majesteit in de eeuwenlange vergetelheid en waar groote roofvogels boven zweven. Met een diep bewogen gemoed en onder den indruk dier hooge kunst, dalen we eindelijk weer af door de bloeiende bremstruiken en door eikenboschjes, die alleen voor ons het eeuwige lied der lente zingen en die ons schijnen te zeggen, dat ten minste niet alles dood is op deze plek....Geduldig wachten ons de agoyaten, pratend met een zonderling wezen, uit ik weet niet wat voor hol gekropen. Is het wel een man, niet eerder een vrouw? Welk bestaan leidt het? De kleeding doet het eerste vermoeden, maar het fijne gezicht, de lange haren, de zachte en droeve oogen doen ons aarzelen. Onnoodig, pogingen aan te wenden, om het wezen aan het spreken te brengen; het kijkt ons vast aan, zonder de lippen te openen en wij moeten weer vertrekken, zonder het geheimzinnig raadsel te hebben opgelost. De avond valt; nog eenmaal werpen we een blik op de zuilen, die weldra in een terreinplooi zullen verdwijnen en we slaan den terugweg in.Het is donker onder de boomen, en de paarden struikelen telkens; maar we moeten haast maken, om aan een lange, moeilijke, nachtelijke reis te ontkomen. Maar ondanks onze pogingen en trots de flinkheid van onze paarden is het donker, als we tegen acht uur eindelijk te Andritsena aankomen. Panayotti wacht ons, om ons naar het gastvrije huis te geleiden van een notabele uit het stadje, waar we hopen degelijk te kunnen uitrusten van de vermoeienis der beide zware dagen. Daar wacht ons een aangename verrassing; zachte matrassen liggen op den parketvloer der kamers, die eenvoudig en zindelijk zijn; alles ademt hier welstand en een zeker comfort, die beide prettig afsteken bij de armoede der woningen, tot nu toe door mij gezien in Griekenland. Wij kunnen onze oogen niet gelooven en zijn nog onder de bekoring, die bij ons wordt gewekt door de gedachte aan een te verwachten goeden nacht, als zich een statige heer in de deur vertoont en de eer verzoekt van ons bezoek aan de stedelijke bibliotheek, waar, naar het schijnt, eenige oude fransche boeken aanwezig zijn uit den tijd der frankische bezetting. Die perkamenten zijn, daar twijfelen we niet aan, uiterst belangrijk, maar het oogenblik komt ons heel slecht gekozen voor, om ze te bezichtigen.Wij kijken elkander eens aan, en ons gelaten in ons lot schikkend, volgen we zonder geestdrift den braven man, die gelukkig is door het genoegen, dat hij ons meent te verschaffen. Eenige oogenblikken later zijn we in de groote zaal der helleensche school, waar bij het licht van een waskaars, door den priester vastgehouden, we in haast de interessantste planken nagaan. Maar de vermoeidheid is grooter dan onze moed; ondanks alles glijden onze oogen, zonder te zien over de manuscripten, die het misschien de moeite waard zou wezen, rustig te onderzoeken, en na vele dankbetuigingen bereiken we zoo gauw mogelijk ons logies.We werden eerst om zes uur den volgenden morgen wakker, juist op het oogenblik, toen de roode zonneschijf, van achter de bergen te voorschijn komend, een groot vuur schijnt te ontsteken. Het belooft een prachtige dag te worden, en vroolijk gestemd, zoeken we onze paarden op, die ons wachten met dezelfde agoyaten van den vorigen dag, om ons aan de golf van Kyparissia te brengen naar het kleine station Boezi, waar de spoorweg van Pyrgos langs gaat. Het vriendelijke dorp Andritsena, van waar men een uitzicht heeft naar het Noorden tot de toppen van den Olonos, half wegschuilend in den morgennevel, verdwijnt weldra in zijn bed van groen.Dan volgt er eerst een aangename rit over zacht en bebloemd gras, waar gele margarieten licht zich wiegelen op den wind en nog vochtig zijn van den nachtelijken dauw; er staan primula’s naast anemonenen roode papavers, terwijl verderop lange reeksen eglantieren hun wortels baden in de heldere bedding der beken. Maar spoedig gaat het pad stijgen; we rijden door een boschrijke streek, en dan komen weldra steenen met magere struiken en de uitloopers van kale gebergten. Gedurende meer dan drie uren beklimmen we aldus zonder ophouden steile toppen, waar de weg over loopt, om dadelijk aan de andere zijde weer te dalen.De agoyaten, springend van steen op steen, glijden telkens uit, terwijl de wortels en takken hun tegen de beenen slaan; maar ze zijn te opgewekt, dan dat het hen zou verhinderen, luide te zingen. Soms laat een van hen een keelklank hooren, waarop het voorste paard zijn gang versnelt en dan weer kalm gaat draven; de anderen volgen en daar gaan onze mannen aan den haal onder het lachend geroep van: “Aïdé, aïdé!” om hun beesten nog maar meer aan te zetten. Maar we vragen al gauw om genade, want het is niet mogelijk, zoo’n proef lang te doorstaan op zulke wegen. De groote kinderen, die zich te onzen koste hebben vermaakt, gaan dan kalm hun gezang weer voortzetten.Brug over de kloof der Alpheus.Brug over de kloof der Alpheus.Tegen elf uur vertoont zich het eenige dorp, dat we den geheelen dag te zien zullen krijgen; na een korte rust in de schaduw van de huizen beginnen we de helling van den pas te bestijgen, aan welks andere zijde zich het dal van de Neda bevindt. Het is moeilijk stijgen in den onverbiddelijken zonneschijn; maar het schouwspel, dat ons boven wachtte, beloonde wel voor de inspanning. Door reusachtige bosschen, die in zachte helling een groen tapijt spreiden tot beneden aan de zee, kronkelt zich de rivier sierlijk over de gele steenen. We hebben nu het aangename vooruitzicht, onder de groote boomen te rijden, verkwikt door de nabijheid van het koele water. Maar eerst moeten de paarden rusten, en wij maken van de halte gebruik, om te ontbijten niet ver van een bron, waar vrouwen haar armoedige linnen wasschen.Dadelijk daarna de prettige rit onder de boomen in de heerlijke schaduw, die aan de boschjes van Frankrijk doet denken. Beneden in het dal aangekomen, volgen we aanvankelijk den rechtschen oever van den stroom, om daarna te waden naar den linkeroever. Vijfmaal achtereen moet diezelfde overtocht worden volbracht; onze agoyaten hebben hun schoenen uitgetrokken en loopen door het water, en als dat laatste tot hun knieën stijgt, springen ze vlug op de schouders van hun voorganger, om niet nog dieper te zinken.Op dit oogenblik gebeurt er iets komieks. Panayotti, die zich wijselijk langs den geheelen weg in de achterhoede van de karavaan had gehouden, op het muildier, dat het proviand droeg, wil een bewijs geven van zijn onafhankelijkheid en op eigen wieken drijven. Maar het bekomt hem slecht. Toen hij zich juist midden in de rivier bevindt, gaat het zadel, waarop hij is gezeten, verschuiven, en in een oogenblik is onze tolk te water geraakt, broederlijk vereenigd met de mand met eieren, de blikjes en de waterflesschen. De drenkeling, die zelf zijn redding bewerkstelligt, komt geheel doorweekt weer aan den wal en houdttriomfantelijkalle proviand omhoog. Hij wordt omringd en met vragen bestormd, en toen we de opmerking maakten, dat dit niet precies de juiste behandeling is voor de rheumatiek, waaraan hij lijdt, haalt hij grappig de schouders op en wijst naar de zon, die inderdaad zich haast, al het vocht van het onvrijwillige bad op te zuigen.Een half uur later zijn we te Boezi, waar de beschaving, die wij uit het gezicht hadden verloren sinds drie dagen, zich aan ons voordoet in de gedaante van de rails van den spoorweg. En onder het wachten op den trein, liggend onder de olijven, beginnen wij de bekoring van dit vrije leven recht te waardeeren, wetend, dat we het zullen betreuren. De scherpe fluit van een moderne locomotief stoort ons in onze droomerijen.Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.VanBoezinaar Pyrgos heeft men maar drie uren te sporen. Door de raampjes van ons compartiment, waarvan de schokken al heel onbeduidend schijnen na de ritten van Andritsena en Bassae, begroeten wij voor de laatste maal het lachende en grootsche dal der Neda, dat de spoorweg passeert over een brug, om daarna langs het lage, vlakke strand te midden van rijke wijngaarden te belanden aan het zuidelijk uiteinde van het meer van Kaïapha, enkel van de zee gescheiden door een smalle strook lands en waar de visch, naar het schijnt, overvloedig is.De trein gaat langs den oever, waar de netten hangen te drogen, houdt een oogenblik op te Kaïapha, waar zwavelbaden met die van Loetrako bij Korinthe en die van Aedipso op Euboea dingen om de gunst der helleensche clientèle, overschrijdt de hoogte, waar men de ruïnen vindt van de versterkte vesting Samikon en komt eindelijk over Agoelenitza en de prachtig bebouwde velden aan de lagune bij het station Pyrgos, waar we tot acht uur des avonds op de aansluiting naar Olympia moeten wachten.Wat al dien tijd anders te doen dan door de stad te wandelen, die intusschen niets belangwekkends heeft? Ze lag vroeger veel dichter bij de zee dan tegenwoordig, maar de aanslibbing van de Alpheus heeft langzamerhand de kustlijn verlegd. De citroen- en moerbeiboomen en de olijven groeien er heerlijk in de moerassige vlakte, waar veel veen in den grond zit, en waar wijngaarden een der beroemdste wijnen uit den Peloponnesus leveren. Pyrgos, dat na Patras en Kalamata het belangrijkste handelscentrum is, voert over Katakolo groote hoeveelheden krenten uit. Al die zaken geven aan de stad een voorkomen van welvaart, dat aan den dag treedt in de hoofdstraat met haar vele winkels; het is er zoo vol, dat we nauwelijks vooruit kunnen komen.Hier zijn we weer eens het voorwerp van een onbescheiden nieuwsgierigheid, waar ten slotte een gendarme medelijden mee krijgt. Een vlugge uitdeeling van eenige muilperen links en rechts, die in het Oosten het meest doeltreffende argument zijn van een miskende overheid, maakt weldra onzen weg vrij, en we kunnen onze wandeling voortzetten, voorafgegaan door onzen redder, die de gewone belooning voorziende, niet van ons af is te slaan. Na met hem het verre panorama te hebben bewonderd van het eiland Zante, dat in een rooden nevel zich baadt in het licht der ondergaande zon, en na ons natuurlijk te hebben opgehouden in een der café’s van de stad, om er raki, olijven en turksche koffie te gebruiken, bereiken we het station weer, waar al spoedig de trein voor Olympia, komend van Patras, binnenkomt.En nu volgt een kort nachtelijk reisje van nauwelijks een uur door een licht golvend, door de maan beschenen land. Eindelijk houdt de trein aan een klein station stil, dat geheel donker is en waar de dienstmannen en hôtelbedienden spoedig zich van onze bagage hebben meester gemaakt. Eenige oogenblikken later sluit zich de deur van het Groote Spoorweghôtel achter ons. Het is oogverblindend, mollige tapijten liggen in de corridors en op de trappen; de kamers zijn zeer zindelijk, en er is overvloedig electrisch licht. Men mag aannemen, dat de waakzame oplettendheid van onze Touring Club hier aan het werk is geweest, en dat het land bijna dagelijks wordt bezocht door rijke vreemdelingen, die men op alle manieren het naar den zin moet maken,opdat diegenen, die worden aangetrokken door den roep van Olympia, ook den lof kunnen zingen van de hôtels aldaar.Welk een verschil met de onmogelijke verblijven, waar we de laatste nachten hebben doorgebracht! Wat een weelde, hoeveel comfort, maar ook welk een ontzettende banaliteit! We verbazen ons over alles, over de duizenderlei kleinigheden, die zoo onontbeerlijk lijken in het dagelijksche leven, en waar wij het toch drie dagen lang wonderwel buiten hebben kunnen stellen. Maar onze met stof bedekte kleeren, onze gezichten, die geen water hebben gevoeld en niet met het scheermes in aanraking zijn geweest, zouden ons doen gelijken op een troep boeren van de Donau, plotseling in de tegenwoordigheid gebracht van de ongekende wonderen der moderne beschaving. Dit alles is zonder twijfel aangenaam, maar ik blijf er niettemin bij, dat een reis in Griekenland, om iemand waarlijk kunstindrukken te geven, meer onverwachts moest meebrengen. Onze hedendaagsche gewoonten vloeken, om zoo te zeggen, met de hier grijpbare overblijfselen uit de oudheid; ze passen wel slecht bij de nog primitieve zeden der tegenwoordige Hellenen en bij de te weinig bekende pracht van het landschap.In ons tegenwoordig Europa, dat gebanaliseerd is door de spoorwegen, de reisagentschappen en de prentbriefkaarten, is Griekenland nog een der te weinig talrijke landen, waar de toerist een mooie onafhankelijkheid kan genieten en de vreugde mag voelen of ten minste de illusie mag koesteren, dat hij moedig weinig betreden paden heeft gekozen. Laat ons hem zoo lang mogelijk vrij laten en hem in de gelegenheid stellen, zijn onderzoek voort te zetten; laat ons niet al te veel haast maken met het moderniseeren van het land en laat ons doordrongen zijn van het besef, dat comfort de vijand is van het schilderachtige en dat, om dat laatste te vinden, we het eerste moeten kunnen opofferen.De heer Benner, met wien ik mijn kamer deel, is te veel kunstenaar, om het niet met mij eens te zijn, en wij zouden nog lang over dit onderwerp hebben doorgepraat, als de groote vermoeienis van den dag ons niet had bewogen, om eindelijk het welbehagen te genieten van de aanlokkelijke bedden met de spierwitte lakens. Toegevend, dat de beschaving toch ook wel iets goeds heeft, slapen we in, in slaap gewiegd door het gekwaak van duizenden kikkers in het stilstaande water der moerassen.Niemand gaat tegenwoordig naar Griekenland, zonder een bezoek te brengen aan Delphi en Olympia, die beide archeologische middelpunten, waar alles is opgegraven door de fransche en duitsche scholen, waardoor de leeken zich een denkbeeld kunnen vormen van de pracht der Oudheid. Het laatste was minder een stad dan wel een groot heiligdom, waar altaren waren voor de meeste goden en waar prachtige periodieke feesten werden gegeven, bekend onder den naam van Olympische spelen. Er was alle macht van het Christendom noodig, om eindelijk aan dien eeuwenouden eeredienst een einde te maken. De tempels vielen langzamerhand in puin, de olijvenbosschen, die hun schaduw wierpen over de altaren, werden de prooi der vlammen, de barbaren kwamen en de aardbevingen voltooiden het werk der menschen. Ze overdekten met een dikke laag aarde de oude schatten, die thans weer aan het licht zijn gebracht.Daarom is er niet veel over van al die pracht; de monumenten zijn gesloopt; sommige gaan nog schuil in het hooge gras, andere laten niet anders zien dan de treurige massa van hun fondamenten. En een gevoel van onzegbare droefenis, gelijk aan dat, wat men ondervindt bij het bezoek aan een doodenstad, komt over ons, als we door de poort der processies binnenkomen in de reusachtige, gewijde ruimte of de Altis, waar zich alle tempels bevonden. Dat ruime vierkant, aangelegd tegen de groene helling van den berg Kronos, gelijkt veel meer op de werf van een steenhouwer dan op een archeologische reconstructie, en men is eigenlijk verbaasd, er niet de slagen te hooren van hamers of het geknars van zagen.Noch het Heraion, de oudste, zegt men, van de bekende dorische tempels, noch die van Herodes Atticus, een der romeinsche maecenassen van Griekenland, die met groote kosten naar het terrein der offeranden het water liet voeren, dat er ontbrak, noch het Terras der schatten, waar een reeks kleine kapelletjes stond, die met de offeranden van de steden ook de trofeeën bevatten, door die steden in de gymnastische spelen behaald, noch het Stadion, noch zelfs de reuzentempel van Zeus, waarvan niets over is dan de onderlaag van grijs tufgesteente, kunnen den somberen indruk uitwisschen, op ons teweeggebracht door den aanblik van de onherstelbare ruïne.Toch krijgt men van daar een overzicht van het geheele terrein der ruïnen, vanaf het Metroon of den tempel van de moeder der goden, tot het Paleis van den Olympischen Senaat, van het Hippodroom en het huis van Nero, dat hij zich had laten bouwen, om de spelen te kunnen bijwonen, tot het reusachtige Leonidaeon dat, met het Prytanaeum, de beroemdste bezoekers ontving. Maar dat alles is thans niet anders dan een opeenhooping van voetstukken, die daar eenzaam en verlaten staan of van afgebroken zuilen, en men moet, als men niet in zijn diepste wezen archaeoloog is, zulk een groote dosis verbeeldingskracht hebben en zulk een goeden platten grond, om zich thuis te voelen te midden van de vormlooze overblijfselen, die vaak ver van hun primitieve standplaats zijn getransporteerd, dat we verlangen naar het zien van meer wezenlijke dingen.Door resten van vestingen en byzantijnsche kerken naast romeinsche fondamenten en helleensch beeldhouwwerk bereiken wij den heuvel Droeva, waar een rijk bankier uit Athene, de heer Syngros, op zijn kosten het Museum heeft laten oprichten, dat thans den prachtigen Hermes van Praxiteles herbergt, die bijna ongeschonden werd teruggevonden in het Heraion onder een dikke laag leem, naast de uitgezocht schoone figuur der Gevleugelde Overwinning, in sierlijk stoute beweging haar voetstuk verlatend. Het Hermesbeeld is gehouwen uit een schitterend wit blok marmer; het schijnt mij het zuiverst ideaal van mannelijke schoonheid te verwezenlijken, zooals het majesteitelijke hoofd zich buigt in teederheid tot Dionysos, dien hij in zijn armen draagt, en we gevoelen tegenover dit magistrale werk eenzoo heftige ontroering, dat we op eenmaal de teleurstelling vergeten, die over ons kwam op het terrein van de opgravingen.De namiddag wordt besteed aan den tocht naar Patras met den spoorweg; de warmte was eerst zoo hevig, dat we geen woord uitbrachten en in stilte leden op de banken van de coupé; het landschap vlamt onder den brand der zon, en arbeiders, naar den grond gebogen, met een doek om het hoofd, waarvan ze de slippen tusschen de tanden vasthouden, komen een oogenblik overeind, om ons te zien voorbijgaan. De locomotief schijnt doordrongen van haar belangrijkheid; ze fluit geestdriftig, alsof ze op haar persoon de bewonderende aandacht wilde vestigen. Als al dat lawaai onzen gang maar bespoedigde! Maar daar moet men niet op hopen, en het is hier recht duidelijk veel lawaai en weinig wol.En zwaar en eentonig gaan de uren voorbij; nauwlettend staat de trein bij alle kleine stations stil, die vaak niet anders zijn dan loodsen met een tafel op het perron, die als buffet dienst doet en waar harde eieren, kaas en wijn zijn te krijgen, alles zwart van vliegen en een geur verspreidend, die ver van lekker is. Eenige fustanella’s stappen in en uit; menschen, die niets te doen hebben leunen tegen de hekken met halfnaakte, koperkleurige straatjongens; er wordt gelachen, gepraat, en we staan soms zoo lang stil, dat ik den tijd heb, prachtige margarieten te plukken, waarvan de heerlijke frischheid ons een poosje verkwikt.Overigens komen, we nader bij de zee, waarvan ons juist als bij Pyrgos reeksen van plassen scheiden; dit zijn de uitgestrekte bezittingen van Manaloda, gedeeltelijk nog onbebouwd, toebehoorend aan den troonopvolger. Rechts sluit de majestueuze Erymanthos, waar de spoorweg omheen loopt, den horizon af met zijn rotsblokken, zijn diepe kloven en donkere bosschen; de zon daalt langzaam naar de zee en gaat er in rusten, als wij eindelijk aankomen, na door beddingen van rivieren te zijn gegaan, bij het station Kato-Achaia, op den zuidelijken oever van de golf van Patras, die we nu verder volgen.Het ondergaan van de zon heeft inderdaad in het Oosten iets indrukwekkenders dan elders. Hier, waar de zee zich klein schijnt te willen maken, om beter te kunnen doordringen in den chaos van grootsche bergen, die haar omsluiten, is de tegenstelling van tinten, de verschillende kleur der onderdeelen van het landschap werkelijk verrassend. De reeds donkere massa van kaap Kalogria doet zich aan ons voor en dekt de vlakte met haar schaduw; de geheel zwarte voet van den Erymanthos wordt langzamerhand lichter naarmate we naderen; de hoogten van Missolonghi, violet in hun middengedeelte, behouden op hun toppen een zachtrose tint, die zich weerspiegelt in de gouden streep over de golf. Alleen de ongeloofelijke helderheid en doorschijnendheid van de grieksche atmosfeer kan de ontplooiing van zooveel pracht tot stand brengen. Wij worden niet moede, die te bewonderen, tot eindelijk de aankomst in de voorsteden van Patras te midden van de omgewoelde graven ons opwekt uit de droomen van onze stille beschouwing.De gezant, die graag spoedig weer in Athene terug wil zijn, beslist den volgenden morgen te willen vertrekken; maar hij geeft mij verlof, er mijn verblijf te verlengen en machtigt mij zelfs, de interessante punten te bezoeken van de noordkust van den Peloponnesus. Vroeg in den morgen begeef ik mij dus naar het station, dat aan de haven is gebouwd tegenover het hôtel waar wij den nacht hebben doorgebracht, om bij het vertrek van mijn reisgezellen tegenwoordig te zijn.De lezer moet zich vooral niet voorstellen, dat Patras, de derde stad van Griekenland, de eerste van den Peloponnesus, omdat ze tegenwoordig 50.000 inwoners telt, een van die mooie stationsgebouwen bezit, zooals we in duitsche steden gewend zijn. O neen, zeker niet; het meest bescheiden station van onze fransche spoorwegen is mooier en vooral zindelijker dan de ellendige houten loods, ingesloten tusschen de naburige huizen, waar reizigers en goederen opgestapeld worden in de grootste wanorde.Een of twee wegen komen op den spoorweg uit, en de trein wacht geduldig te midden van een nieuwsgierige menigte, tot eindelijk het sein wordt gegeven voor het verder gaan. Het scheelt niet veel, of men zou zich wanen op een dier lijnen in Afrika, waar enkel een eenvoudige paal de halte aangeeft! En toch is dit de plaats, waar de meeste reizigers uit Europa aankomen met bestemming naar Griekenland; ik vraag mij af, hoe groot wel de verbazing moet wezen van de rijke toeristen bij den aanblik van zoo’n tooneel en welk een onaangenamen indruk ze wel moeten krijgen bij hun eerste aanraking met de gemeenschapsmiddelen van dit land.Patras, megalomaan als alle andere steden, trotsch op zijn belangrijkheid, schaamt zich over dezen staat van zaken; er is al lang sprake van, aan de stad eindelijk een station te schenken, dat beter aan de wassende behoeften voldoet; maar hier stuit men weer als altijd op die vervelende geldquaestie, die de mooiste plannen in den dop verstikt. Laat ons intusschen hopen, dat dit plan wordt verwezenlijkt, en dat een rijk inwoner van Patras door een edelmoedige schenking aan die dagelijksche vernedering een eind make, die telkens samenvalt met het vertrek van den exprestrein naar Athene.Toen ik kort daarna alleen was gelaten, ging ik de moderne hoofdstad van Achaja bekijken, die het tooneel is geweest van de ontscheping der Franken onder Villehardouin en Champlitte en die ook het eerst werd veroverd; ze is in het begin der vorige eeuw verwoest geworden, maar heeft zich snel weer opgericht en werd herbouwd naar een reusachtig plan. Daardoor lijkt ze nu nog bijna een doode stad ondanks den vluggen aanwas der bevolking. De straten, die met een liniaal getrokken schijnen, snijden elkaar alle rechthoekig naar het voorbeeld der amerikaansche steden; er loopen breede, marmeren trottoirs langs en er staan huizen met arcaden; groote, eenzame pleinen, overschaduwd door peperboomen, verbreken van tijd tot tijd de kunstmatige eentonigheid van die eeuwige rechte lijnen, evenwijdig met of loodrecht staande op de kust.Ik volg een der in laatstgenoemde richting loopende, de Sint-Nicolaasstraat, die in een zachte helling stijgt naar het venetiaansche kasteel, van waar meneen prachtig uitzicht heeft over de groote wijngaarden, die een rijkdom zijn van het land, over de golf van Lepanto, de kust van Aetolië en de Jonische eilanden. Er is trouwens niets bijzonder merkwaardigs in dien hoop van muren, waarvan het best bewaard gebleven gedeelte tegenwoordig als kazerne wordt gebruikt. Ik daal weer naar beneden door de straatjes van de hooge stad, waar ezeltjes, doorbuigend onder het te zware gewicht van manden, die hun tegen de zijden hangen, voortgedreven worden door kooplieden met groenten en vruchten. “Aurea kortaria, portokalia, hier zijn mooie groenten, oranjes!” roepen ze in de openstaande deuren der huizen, waar, voor hen maar al te dikwijls, slechts het geblaf van een hond hun antwoord geeft. Iets lager verdwijnen twee ongelukkige ezels onder den zwaren wirwar van takkebossen, die ze in den vroegen morgen al hebben gehaald; er zijn er zooveel op hun armen rug gestapeld, dat alleen de kop en de uiteinden der pooten te voorschijn komen uit het struikgewas, dat breeder is dan de rijtuigen, die moeten worden gepasseerd, een zonderlinge vertooning, enkele schreden verder verdwijnend in het dichte stof van den weg.

Op weg naar Porto-Quaglio.Op weg naar Porto-Quaglio.Weldra gaat ieder opstaan, niet zonder mij beleefd een goeden nacht, kale nycta, te hebben gewenscht; ik werp op het vuur een nieuwen armvol brandstof, want het is vinnig koud, en Christo heeft mij opgedragen, het niet te laten uitgaan. We hebben afgesproken, slechts om beurten te rusten, een maatregel, die gepast lijkt in onze omstandigheden.Ongelukkig komt het uur om te waken nog al vroeg voor mij, en ik merk, toen ik wakker word, dat het meer is gaan waaien; de groote boomen om ons heen klagen luid, en de vlammen drijven telkens hun rook in de hut. Er zijn veel onverwachte geluiden, en in de bergen hoor ik klagelijk janken. Is het een hond, die de afnemende maan aanblaft, of misschien een wolf, die voedsel zoekt? De nacht schijnt mij eindeloos en onze houtvoorraad begint te verminderen. Ik wacht met verlangen den morgen, dien ik nooit met zooveel vreugde heb begroet, zoo drukkend is de eenzaamheid.Daar is eindelijk een bleek licht, en omdat ik besloten ben vroeg op te breken, wek ik Christo, die zich haast het muildier te zadelen. De herders zijn al op, en de honden zijn aan het spelen, nat nog van den dauw. Ik leg enkele geldstukken in de vereelte handen, die mij worden toegestoken, en huiverend in den morgen wind, beklimmen we de hoogte aan het eind der langada. Binnen een uur is de top bereikt, juist op het oogenblik dat de roode zonneschijf de transen van den Parnon bestraalt. De vlakte, waarin Sparta is gelegen, is nog donker achter ons, terwijl de lijnen van den Taygetos achteruitwijken.De wind blaast als een storm; het is koud en spoedig gaan we verder naar Sitsova, waar we een half uur later aankomen. Bij Khania bereiken we de vlakte, waarvan de rijkdom en de vruchtbaarheid wonderlijk afsteken tegen de woeste eenzaamheid van den Taygetos. Hier zien we citroen- en oranjeboomen, velden met tabak, waar moerbeiboomen tusschen staan, en eindelijk daagt Kalamata voor ons op met zijn door aloë’s omzoomde tuinen en zijn mooie cactussen. In de straten is het geducht warm, en ik veroorloof mij eenige uren van welverdiende rust. Om acht uur in den avond vertrekt de boot naar Athene. Mijn reis is afgeloopen, en als de schroef het kalme water begint te slaan in de baai, groet ik voor de laatste maal de zwarte massa van den Taygetos, die mij zulke onvergetelijke uren heeft bezorgd.De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.Er is een halfjaar verloopen, sedert ik den nacht heb doorgebracht tusschen de herders van den Taygetos ter hoogte van bijna 2000 meter boven de zee; de winterregens zijn voorbij en al sinds langen tijd zijn de toppen van den Hymettus en den Parnassus van hun licht sneeuwkleed ontdaan en worden in hun kaalheid geblakerd door de warme zon van April. Nu de mooie lentedagen zijn teruggekeerd, die zoo helder en vroolijk zijn in dit gezegende Oosten, ga ik opnieuw droomen van heerlijke uitstapjes en lange ritten te paard in de dichterlijke eenzaamheid van het bergland.Waar zal ik anders heengaan, nu het continentale Griekenland mij bijna volkomen bekend is, dan maar weer naar dien schilderachtigen Peloponnesus, dien ik thans eens wil doortrekken van Korinthe af naar de golf van Kyparissia? En nu treft het, dat juist onze gezant te Athene, graaf d’Ormesson, mijn naaste chef, mij voorstelt, hem op diezelfde reis te vergezellen. Zonder een oogenblik te verliezen, maken wij toebereidselen voor een echte expeditie, waaraan ook drie bekoorlijke jonge meisjes zullen deelnemen, wier tegenwoordigheid wij met vreugde begroeten, mejuffrouw Yolande d’Ormesson, mejuffrouw Boulard, haar vriendin, die voor eenige maanden in Griekenland vertoeft en mejuffrouw de Cernowitz, dochter van den opperstalmeester van Z. M. Koning George.Wij besluiten, tot Megalopolis, dat midden in Arcadië ligt, met den spoortrein te gaan, dan per rijtuig Andritsena te bereiken, om weer te dalen langs den tempel van Apollo in de omstreken van Kyparissia, waar we den spoorweg weer zullen treffen, die ons naar Olympia en Patras zal brengen.Spoedig is alles gereed; de muildieren en rijtuigen wachten ons; de autoriteiten zijn gewaarschuwd, en ons troepje, versterkt met een jong schilder van talent, den heer Many Benner, die zonder te vermoeden, dat men hem zou uitnoodigen, deel te nemen aan den tocht, zijn opwachting aan de legatie kwam maken, zal zich morgen op weg begeven. De gezant neemt ook nog het factotum van zijn huis mee, een zekeren Panayotti, die als tolk moet dienen en nu al in de drie jaren, dat ik hem ken, mij dikwijls heeft geamuseerd. Die jongen, die zijn Athene kent tot in de kleinste bijzonderheden, en wiens diensten in dat opzicht werkelijk onschatbaar zijn, is wel een volkomen type van den modernen Griek. Babbelachtig en demonstratief, nu eens onrustig en verward, dan weer langzaam en lui, ook ietwat geslepen en met zin voor straatslijperij, heeft hij als al zijn landgenooten, een gebruind, olijfkleurig teint en een baard, even glanzig, als zijn haren moeten zijn geweest in den tijd, toen hij die schoone kroon nog op zijn hoofd droeg.Hij heeft aan het gezantschap geslachten van gezanten en secretarissen elkander zien opvolgen, en nu hij al zoo lang deel uitmaakt van het personeel, komt men in de stad er toe, hem een zekere diplomatieke waardigheid toe te schrijven. Het prestige, waarmee hij is getooid, belet hem echter niet, nu en dan te vechten met den een of anderen loustro, die zijn verontwaardiging heeft gaande gemaakt, en zooheeft hij al eens kennis gemaakt met het stroo van de gevangenis van zijn land. Maar dat is zoo erg niet; “Dembirazi!” zooals hijzelf zegt, zich den linker oksel wrijvend, wat hier een teeken is van de grootste onverschilligheid.Men moet hem hartstochtelijk zien disputeeren, hem allerlei fransche woorden hooren gebruiken, die hij niet begrijpt en die over elkaar struikelen in zijn mond, zooveel haast heeft hij, of hem zien volhouden, dat hij gelijk heeft, door zijn beide armen tegen het lichaam aan te drukken, terwijl de palmen van zijn magere handen, geopend naar den ander toe zijn gekeerd, als om het welsprekende woord te ondersteunen of zijn onmacht te betuigen, er nog een woord meer aan te verspillen. Hoe vaak heb ik mij vermaakt met naar hem te luisteren en hem over de straatsteenen naar mij te zien toekomen, altijd gedienstig, lachend en goedmoedig. En ik denk vandaag, dat het portret te schilderen van Panayotti, tevens is een in beeld brengen van de grieksche volksziel, hetgeen voor mij een verontschuldiging inhoudt van mijn vermetelheid, den lezer zoo lang te hebben bezig gehouden met dit merkwaardig personnage.Op een van die mooie morgens, waarop de feestvierende natuur den mensch schijnt uit te noodigen, met haar in te stemmen, bereiken wij reeds om zes uur het station van den Peloponnesus, terwijl het Parthenon bloost onder de eerste stralen van de zon. Het zal warm worden vandaag, en de stad weerklinkt reeds van het geroep der dragers, die in zakken water van Amaroesi te koop aanbieden of coecoeria, een soort van kleine, droge koekjes, gewoonlijk bedolven onder het stof en door de menschen in hun koffie gedoopt. Toen alle leden der karavaan langzamerhand waren gearriveerd, stapten wij in den trein, waar onze bagage was opgestapeld; daar klinken de tonen van een spoorklok, achterblijvers worden aangeroepen; nog wat gefluit, want de grieksche treinen hebben heel wat moeite, om op dreef te komen, en daar gaat de optocht heen in een wolk van stoom.Daar is Eleusis weer, en Salamis duikt in de verte op en het witte Megarae; dan de mooie witte kustweg, dien ik vroeger bewonderde bij het gaan naar Korinthe en de groote vlakten van steenachtige, roode aarde, waar donkere vlekken zich vertoonen door de dennen, doorloopend tot de zee, die zoo blauw is, dat de hemel daarnaast bijna bleek schijnt. Wij stoomen over het kanaal, rijden langs de baai met haar sierlijk afgeronde bochten, en na Korinthe een groet te hebben toegezonden, alsook aan de bergen, stralend in het licht, verdwijnen we in de kloof, die naar Argos voert. Weldra is de trein in de verstikkend heete vlakte en houdt als uitgeput stil bij het station Argos, waar we den tak naar Nauplia zich links laten verwijderen.De spoorweg richt zich dadelijk naar den voet der bergen; er ontspringt een bron uit de rotsen en het stroompje brengt op zijn korten weg naar de zee veel molens aan zijn oevers in beweging. Dan krijgen we de moerassige terreinen, waarin de Erasinor en de Inachos zich verliezen, hoogoprijzend gras, waar, naar het schijnt, veel wild is te vinden, houten bruggen, die doorbuigen onder het gewicht van den trein, tot wij eindelijk aan het zeestrand komen bij het station Myli, het Lerna der Ouden. En terwijl we Nauplia bewonderen, dat daar beneden ligt aan de golf, denk ik aan de legenden, die deze plek tot een der beroemdste uit de Oudheid maakten, aan dien bekenden vijver, gevormd door de bronnen en beken, die van den berg Pontinos komen, waar Hercules een zijner twaalf werken verrichtte en die thans, door het groen omsloten, door de vrouwen wordt gebruikt, om haar wasch te spoelen.Weer een illusie, die verdwijnt in de droeve werkelijkheid van het moderne leven! Hoewel al deze moerassen in het geheel geen slangen meer herbergen, door helden te bedwingen, is hun nabijheid niet minder gevaarlijk, vanwege de koortsuitwasemingen, die eruit opstijgen. En wat buitendien te zeggen van die verschrikkelijke muskieten, die ons beginnen te hinderen? Dit is wel een land, waar ik niet graag zou willen wonen; ik heb te Athene te goed de kwellingen leeren kennen van de slapelooze nachten en het wreede alternatief, waarin ik mij dikwijls bevond, om of te stikken onder het muskietennet, of dadelijk de prooi te worden van den vijand, als het instrument even wordt opgetild, dan dat ik er spijt van zou hebben, dat we niet langer blijven op een plek, waar men zooveel moet lijden.De trein vertrekt weer en rijdt langs het haventje, waar eenige kleine bootjes liggen te schommelen, en treedt dan bijna terstond het bergland van Arcadië binnen. Niets dan kale steilten, bedekt met ellendige heide of wild struikgewas. Is dit dan het gelukkige land, dat door de dichters werd bezongen? Waar zijn dan de bronnen, de boschjes, het tooneel der herderszangen, de bloeiende weiden en de vreedzame bosschen? Nauwelijks vertoonen zich op de hellingen van den Parthenion of den Ktenia, die de dalen met hun sombere grijze toppen beheerschen, enkele roeden bebouwden grond; nauwelijks verbergen enkele armoedige huizen hun ellende onder oasen van egelantieren, of verlevendigen enkele schapen, die, gehoed door zwaarmoedige herders, mij minder aan de helden van Theocritos doen denken dan aan mijn makkers van den Taygetos, vandaag de eenzame plateau’s!Het landschap blijft hetzelfde, tot we in de vlakte van Tegea komen, een dier te zeldzame en te kleine kommen in den Peloponnesus, waar aan landbouw kan worden gedaan. Daar zijn waarlijk velden met bijna rijp koren, wijngaarden, die er goeduitzien, en boomgaarden, die bloeien en een goeden oogst beloven. Dan nog weer moerassen, die het gevolg zijn van het ontbreken eener afvloeiing van de Saranda Potamos, en die met de vochtigheid van Mantinea van deze plaats een der gevaarlijkste centra van slechte lucht maken uit het geheele land. De leden van onze School van Athene, die er twintig jaren geleden opgravingen deden, weten daarvan mee te praten en moesten meermalen, overwonnen door ziekten, den geregelden gang van hun arbeid staken. Dus waren we verheugd, eindelijk te Tripolis te komen, de hoofdstad van de provincie Arcadië, die tegenwoordig dank zij den spoorweg en de goede ligging uit handelsoogpunt een zekere welvaart geniet.Op het perron wemelt het van een schilderachtige en luidruchtige menigte menschen, met veel kooplieden ertusschen, die aan de reizigers de producten van hun industrie komen aanbieden. Hier worden vervaardigd een gedeelte van die rood lederen voorwerpen, die alle bazars van het Oosten vullen. Het zijn gordels, met figuren opengewerkt, allerlei portretlijstjes, handtaschjes, tabakzakken, pantoffels en muiltjes. Twee of drie verkoopers haasten zich, onze coupé binnen te treden en werpen inderhaast op onze knieën enkele van die kunstvoorwerpen, waarvan ze ons den prijs in de ooren schreeuwen. Er wordt een twistgesprek begonnen; men onderhandelt, en wanneer men ten slotte wat minachting aan den dag legt of een kalme onverschilligheid, verkrijgt men gemakkelijk, ook met de hulp van het naderend sein tot vertrek, een verrassenden afslag in den prijs.En weer hervat de trein zijn loop door de kleine vlakte. Dit is de plek, ingenomen door de drie antieke steden Pallantion, welker overblijfselen hebben gediend, om Tripolis te bouwen, een stad, die dus betrekkelijk modern was ten tijde van de verwoesting door de Turken in 1825. Dadelijk daarna komen we weer te midden van bergland en heuvels, die aansluiten bij de voorbergen van den Taygetos en te midden waarvan Megalopolis is gelegen, waar we tegen vier uur in den namiddag aankomen.De eerste persoon, dien we bij het uitstappen ontmoetten, is de brave Panayotti, die hier al gisteren is aangekomen, om voor ons rijtuigen op te scharrelen en te huren. Hij heeft natuurlijk aan de heele stad verteld, dat de gezant van Frankrijk er den volgenden dag zou aankomen, zoodat een groote menigte het station vult. De vreemdelingen zijn zeldzaam te Megalopolis, en dus begrijpt men, dat de nieuwsgierigheid der menschen in sterke mate is gaande gemaakt, nu de tegenwoordigheid zal zijn waar te nemen van een officiëel persoon van beteekenis, en slechts met heel wat moeite, baant de eenige politieagent ons een weg tusschen al die stijf tegen elkander dringende schouders door.Op het kleine, stoffige marktplein met lage huizen er omheen wachten ons twee zonderlinge voertuigen, waar ik vrees, dat ons een marteling te wachten staat, die, hoewel verschillend, niet zal onderdoen voor de gruwelijke kwellingen op den muilezel. Het zijn karren op twee wielen, slecht hangend in roestige veêren, en waarvan de carrosserie, schitterend rood en blauw gekleurd, van boven een galerij van kleine, gele zuiltjes draagt. Als zitplaatsen twee houten planken, die er niet op schijnen berekend, de schokken van den weg te matigen. Die soesta’s, zooals men de wagentjes noemt in het land, worden getrokken door een klein, gezadeld paard, dat strakjes te drinken krijgt uit een blikken emmer, die met een zak haver achter aan het voertuig is bevestigd. Wij installeeren ons met ons drieën in elk der rijtuigen, die, ze mogen dan al niet sierlijk of gemakkelijk zijn, toch het voordeel bieden, dat ze van echt lokale kleur zijn. “Embros!” (Vooruit!) en daar vertrekken we naar Karytena.De eerste oogenblikken zijn afgrijselijk; diegenen onder mijn lezers, die hun militairen dienst bij de artillerie hebben doorgebracht, en die vele uren achtereen hebben moeten zitten op kanonnen, die over het bouwland stoven in een galoppade, zullen beter dan iemand begrijpen, wat wij moesten doorstaan. De weg is als naar gewoonte, erbarmelijk afgebroken door diepe plassen, waar we in neerstorten, vol losse steenen, die tegen de rijtuigen opspringen en dan zwaar op den grond vallen, terwijl het vervelende drafje, dat aan den wagen een aanhoudende schudding van voren naar achteren geeft, ons volkomen radbraakt. En dan te weten, dat dit ten minste drie uren moet duren! In welk een staat van ontwrichting zullen we ten slotte in dat afgelegen Karytena aankomen?Intusschen begint de avond te vallen, en dikke, zwarte wolken komen op aan den nog helderen hemel. Zal dan mogelijk het weder toch het succes van onze expeditie bederven en zal het ons verhinderen, morgen te genieten van dat heerlijke licht, zonder hetwelk dit land, dat een zonnevriend is, schijnt te slapen onder een grooten rouwsluier? De weg, gelijk aan een onzer slechtste zandwegen, loopt om bergen, die hier en daar bosschen dragen en gaat dan een klein dal binnen, waar we eenig bouwland zagen. Tegen zeven uur, toen de bijna totale duisternis ons belette, iets van het landschap te zien, begonnen enkele regendruppels te vallen, entegelijkertijdnam een hevige rukwind mijn hoed mee en deed dien verdwijnen in een roggeveld.Dit onbeteekenende voorval, dat zijn grappige zijde had, dreigt mij met ernstige gevolgen; ik heb natuurlijk geen ander hoofddeksel bij mij, en we komen in een streek, waar ik niet de geringste hoop behoef te koesteren, den hoed, dien ik verloren heb, te kunnen vervangen. Als ik dus niet drie dagen lang mijn hoofd wil blootstellen aan de brandende zon en een doodelijken zonnesteek oploopen, moet ik of mijn hoed opzoeken of de pet van een herder leenen. Daar ik dat tweede alternatief niet dan met een zekeren schroom overdacht, haast ik mij op den grond te springen en ga dan, geholpen door Panayotti, op den tast aan het zoeken in de duisternis. Na eenige minuten vind ik het gewenschte terug.Eindelijk beginnen we onduidelijk een donkere massa te onderscheiden, die de donkere berg moet wezen, gekroond door het versterkte kasteel van Karytena; maar de slingerende weg maakt zooveel bochten, dat het doel zich schijnt te verwijderen, naarmate we intusschen er dichterbij komen. Plotseling wordt een vuur op den top ontstoken, dan volgt een ander en daar doemen de oude kanteelen van het feodale kasteel helder op in het licht der vlammen. Tegelijkertijd begeven honderden van lichtjes zich op weg langs de hellingen, waar de huizen schilderachtig over zijn uitgestrooid in boven elkaar gelegen reeksen. Een heele menigte is op weg, om ons tegen te komen; de wegen zijn verlicht; daar in de hoogte worden de groote vuren talrijker en bestralen al spoedig het geheele land; een oud kanon, dat alleen op feestdagen wordt gebruikt, dondert met korte tusschenpoozen en wekt de slapende echo’s in de verre bergen.De boeren hebben den gezant van Frankrijk eer willen bewijzen, omdat zijn naam al lang in Griekenlandpopulair is geworden, en het is hun gelukt, want deze nachtelijke ontvangst in het afgelegen land, bij het dreigend onweêr en in het licht der toortsen, heeft een verrassende uitwerking. Het is acht uur in den avond, als we aankomen aan den voet der steilte; de bewoners wachten ons op ter hoogte van de eerste huizen, en zoodra de soestra’s uit de duisternis te voorschijn treden, gaat er een luide kreet uit aller borst op van: “Zito o kyrios presvis, zito i Gallia! Leve de Gezant, leve Frankrijk!” De burgemeester treedt naar voren, richt tot graaf d’Ormesson eenige welkomstwoorden en verzoekt hem met zijn gevolg in het burgemeesterlijk huis zijn intrek te willen nemen. Panayotti, die meer of minder getrouw de kleine toespraak heeft vertaald, is verrukt en opgewonden, trotsch, dat hij de rol van tolk mag spelen tegenover de saamgestroomde menigte van zijn landgenooten. En terwijl wij antwoorden met helder opklinkende: “Zito i Ellas!” op de vreugdekreten der toortsdragers, begint de beklimming van de lastige, steile straatjes. De geheele bevolking begeleidt de rijtuigen, die in de golvende menigte verdwijnen; een sterke harsgeur stijgt ons naar de keel, en onze schaduwen dansen reuzengroot langs de gevels van de roodgekleurde huizen.Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.Vermoeid en doof van al het lawaai, komen we eindelijk aan de deur van het huis van den demarchos, dat hooger is gelegen dan de andere huizen, zooals past voor de woning van een gemeentelijk magistraatspersoon. We worden eerst gebracht in een vrij groot vertrek, met witgekalkte muren en nog al zindelijk onderhouden; een divan, die op een smalle houten bank gelijkt, bedekt met een rood tapijt van inlandsch weefsel, neemt één wand van het vertrek in, terwijl het sobere ameublement verder bestaat uit een withouten tafel, een vermolmde commode, een vettigen armstoel en eenige stoelen met matten zitting. Tegen den muur hangen op een eereplaats twee chromo’s, die Koningin Olga en Koning George voorstellen; dan eenige gravures, die betrekking hebben op den onafhankelijkheidsoorlog, een vrome schilderij, waarvoor een kaars brandt.“Kaloi crisete, weest welkom!” herhalen nog eens de burgemeester en zijn vrouw, die in alle bescheidenheid ons de handen komt kussen, en terwijl Panayotti onzen maaltijd gaat bereiden met behulp van een walmende lamp, worden wij gebracht naar de beide vertrekken van het huis, die ons welwillend voor den nacht worden aangeboden. Welke hokken! We vinden er een opeenhooping van onnoembare dingen, van voddige kleeren, die over de meubels hangen, alles van terugstootende vuilheid. De muren hebben gaten, zoo groot, dat men er de hand in kan leggen; de vloeren en de zolderingen zijn zwart; de bedden voorzien van ruwe lakens, die men niet voor andere schijnt te zullen verwisselen, en die door den nacht in een afgrijselijk mysterie zijn gehuld. Ons besluit was dan ook weldra genomen; we zullen in de ontvangkamer blijven, die thans onze eetzaal is en die dan in slaapzaal zal worden veranderd, want hier zullen we beter in staat zijn, de ontberingen van ons lot te dragen. Onze gastheer schijnt zeer verbaasd over dat onverwachte besluit, en we hooren hem langen tijd met zijn vrouw praten, terwijl die laatste haar zorgen wijdt aan een lamsgebraad, dat straks ons menu van spijzen uit blikjes moet aanvullen.Wij moeten het meest mogelijke nut trekken uit de aanwezige meubels, die te onzer beschikking staan. De gezant, die zijn veldbed heeft meegenomen, is al gered; dus blijven er voor ons vijven een tafel, vier stoelen, een leunstoel en de ongemakkelijke divan. Het is er nu om te doen, die ongelijksoortige dingen in bedden veranderen, of ten minste in iets, dat er een beetje op gelijkt! De taak gaat inderdaad boven onze krachten, en we moeten al spoedig afstand doen van het vooruitzicht, een oogenblik gekoesterd, dat we een weinig zouden kunnen uitrusten van de vermoeienissen der reis. De tafel, waaraan we juist hebben gegeten, wordt toegekend aan mejuffrouw d’Ormesson, die er zich op uitstrekt, in haar deken gewikkeld. De beide andere jonge meisjes en ik nemen plaats op den divan, terwijl de heer Benner zich in den armstoel installeert. Den geheelen nacht brengen we zoo door bij het zwavelkleurige licht van bliksemstralen, die voor een oogenblik telkens de huizen bestraalden van het aan onze voeten in het donkere dal der Alpheus sluimerende dorp.Om zes uur in den morgen waren we op, zonder dat het opstaan ons eenige moeite kostte, ofschoon we veel vermoeider waren dan den vorigen dag. De eenige waschkom uit het huis wordt op een steenvóór het huis neergezet, en ik vermoed, te oordeelen naar de belangstelling, die wij bij de inboorlingen gaande maken, dat het schouwspel van een persoon, die zijn morgenwassching doet, en die een handdoek gebruikt, iets zeer zeldzaams is hier. Weldra verschijnen de beide soesta’s van den vorigen dag bij een bocht van den weg. “Kalin antamosin, dat God u een aangename ontmoeting bezorge!” klinkt het uit den mond van den burgemeester, die daarbij ernstig zijn oogen ten hemel heft, en wij herhalen dezelfde formule, zonder er iets bij te denken, terwijl de beleefdheid ten overvloede nog eischt, dat we er bedankjes bij voegen voor een gastvrijheid, die inderdaad niets beteekende. Daarna beginnen wij langzaam de hellingen af te gaan, gevolgd door kinderen in lompen, die op bloote voeten over de scherpe steenen draven op hoop van een laatste aalmoes.Het nachtelijke onweêr heeft de temperatuur in het geheel niet opgefrischt en het is al broeiend heet nu in den vroegen morgen; wat zilveren nevelen hangen in het dal, waaruit geblaat van schapen weerklinkt; de hanen roepen elkaar hun morgengroet toe en begroeten de eerste stralen der zon, die boven den Valtetso Voeni verrijst. Langzamerhand trekt de nevel op; de oude huizen van Karytena met hun houten balkons worden achtereenvolgens verlicht, en het indrukwekkende kasteel, dat door Hugo de Brière werd gesticht, en waar Kolokotroni weerstand bood aan het leger van Ibrahim Pacha, teekent trotsch de kroon van zijn hooge gekanteelde muren tegen den bleekblauwen hemel af, waar kleine wolkjes als rose vlokken in drijven.Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.Wij komen ten laatste aan de diepe bres, waarin de Alpheus bruist tusschen twee kale, steile wanden; er is een mooie brug over den stroom gebouwd en dan begint de weg te stijgen met groote kronkelingen langs de berghelling. De kloof schijnt dieper te worden rechts van ons, naarmate we hooger stijgen; de klank van de watervalletjes wordt flauwer, terwijl de alleenstaande berg van Kalytena steeds majestueuser oprijst boven de valleien, waar het rijpe koren reeds een gele tint over legt. Nog een golving van den bodem, een laatste bocht van den weg, en we verliezen de Alpheus uit het oog, die naar het Noorden haar weg vervolgt. Het fort verdwijnt dan uit ons gezicht, omringd, als het is door hoog oprijzende toppen.Herder aan den voet van oude olijfboomen.Herder aan den voet van oude olijfboomen.Er komen dan een reeks van plateau’s, nu eens mager beboscht met dwergeiken, bloeiende heide en distels, dan weer rotsachtig en onvruchtbaar of wel bedekt met armoedig bouwland. Het land is totaalverlaten, en daar de weg toevallig niet al te slecht was, komen de paarden vrij gauw vooruit. In de verte daagt de Khalasmeno Voeno op, omringd door met groen overdekte hoogten aan den overkant van een diep dal, waar we steeds langs rijden. Het oog rust op een chaos van bergen, die op elkander gestapeld schijnen en waarop kudden geiten loopen te grazen tusschen de struiken. Geen geluid van een vogel, geen menschelijke stem! Die zware stilte begint wezenlijk drukkend te worden, en toen we dan ook tegen tien uur bij een eenzame khani komen, waar onze koetsiers water vinden voor de paarden, zijn we gelukkig, dat we eindelijk eens uit de gruwelijke wagens komen, die sinds gisteren onze ledematen hebben geteisterd, en eens enkele minuten ons vrij kunnen bewegen.Boeren, die ons tegemoet treden, schijnen erg verbaasd, die groep van Europeanen te ontmoeten, die te voet onderweg zijn. Ze vragen ons natuurlijk, wie we zijn en van waar we komen en blijven staan nadenken, toen ze hooren van Frankrijk en Parijs. Inderdaad beschouwen de Grieken, ook die niet, die tot de hooge kringen behooren, hun land niet als deel uitmakend van Europa. Is dat een natuurlijk gevolg van de ligging van het koninkrijk zoo dicht bij Azië, waar het uit politiek, zoowel als uit sociaal oogpunt eigenlijk bij behoort? Of komt het door het feit, dat het land niet met Europa verbonden is door een spoorweg, of wel moet men die zonderlinge opvatting toeschrijven aan de woeste bergen van Macedonië, die wel een waren slagboom vormen tusschen Griekenland en de andere beschaafde landen? Ik weet het niet, maar zeker is het, dat elken keer, dat een Helleen Athene verlaat, om zich naar een der steden van het vaste land te begeven, hij nooit zal zeggen, dat hij naar Frankrijk of naar Duitschland gaat, maar eenvoudig, dat hij naar Europa vertrekt, en niemand komt het in de gedachte, die manier van spreken zonderling te vinden.Daarom zijn wij voor onze brave boeren eenigszins legendarische personen, door geheimzinnigheid omringd; we zijn hen al lang voorbijgegaan, als ze nog staan om te kijken, als vastgeworteld op den weg, en eerst als we bij een bocht van den weg geheel zijn verdwenen, zetten ze hun reis voort; ze hebben voor den geheelen dag een onuitputtelijke bron van discours.Iets verder treft ons oor een scherp geluid. Aan den anderen kant van den weg is in de schaduw van een kromgegroeiden plataan, den eenigen van zijn soort voor verscheiden honderden meters in het rond, een herder gezeten, die langzaam een droevig liedje zingt, een dier klaagzangen, handelend over liefde en oorlog, waarvan sommige coupletten, in een klagend rhythme, dat aan het juk der Turken herinnert, dikwijls heerlijk naïef zijn. Zijn metgezel begeleidt hem op de fluit, terwijl de geiten, moe en loom van het zoeken naar het magere voedsel tusschen steenen, versuft schijnen door de drukkende warmte, waar de krekels zich over verheugen. Het is een bekoorlijk tooneel, en we besluiten, hier te wachten onder het aanroepen van de schim van Theocritus en Virgilius, tot onze rijtuigen komen, die niet ver meer kunnen zijn. Daar komen ze dan ook al in galop aan in een wolk van stof; we moeten ons thans haasten, als we vroeg genoeg te Andritsena willen zijn, om in den namiddag het uitstapje te maken naar Bassae. Dus werd het ontbijt maar in de soesta genuttigd, zoo goed en zoo kwaad, als het gaat en het werd met moeite verteerd. De paarden hebben een drafje aangenomen, en de bewegingen, die ze aan het voertuig bijzetten, zijn zoo gesaccadeerd, dat het haast onmogelijk is, een hapje naar den mond te brengen; glazen en flesschen, borden en messen dansen in de kist van het rijtuig een dollen rondedans, en het is een waar kunststuk, een slok te drinken, zonder bijna al het vocht over zich heen te storten. Eindelijk is daar Andritsena, liefelijk uitgespreid over de groenende hellingen der bergen, half verborgen tusschen de boomen, die langs de bochtige oevers van een paar riviertjes staan. De slanke cypressen, die zulk een kenmerkend karakter aan de landschappen van Griekenland geven, steken in grooten getale tusschen de platanen hun kruinen omhoog, als zooveel zwarte fabrieksschoorsteenen, en olijfboomen vullen de tuinen, waar bronnen murmelen en waar de roode daken der huizen in het groen schitteren.De straten zijn zoo vol, dat onze soesta’s zich slechts met moeite een weg banen door de krioelende massa menschen, die toegestroomd is, om ons te zien, en het is voor ons maar net mogelijk, aan de deur van de herberg uit te stappen, waar de paarden wachten, gezadeld en gereed voor het vertrek. Al die menschen lijken verbaasd, schreeuwen en gillen en maken allerlei bewegingen als razenden. Er worden uitroepen gehoord, opmerkingen van allerlei aard; men duwt elkander, om beter te kunnen zien, en dat met het gevolg, dat wij tegen den muur worden gedrongen. We gingen er toen ons maal gebruiken met een versterkend kopje koffie. Eindelijk na veel onderhandelingen en zuurzoete discussies tusschen Panayotti en de agoyaten, die het niet eens kunnen worden over een billijke verdeeling van onze bagage, na stroomen van woorden, die op niets uitloopen, komt onze karavaan in beweging en veroorzaakt in de menigte, nu door nieuwsgierigheid als versteend, een langdurige beweging, en dan begint de bestijging langs een voetpad, dat onder hooge eiken loopt boven het lachende dal.De lucht is bewolkt; het liefelijke landschap van Andritsena verdwijnt om plaats te maken voor kale dalen en heuvels, waar we aanhoudend moeten stijgen en dalen; daarbij steekt de wind op, zwarte wolken drijven boven ons hoofd, alles versombert, en in de stilte weerklinkt alleen de stem van de agoyaten, die elkaar wat toeroepen van het eene naar het andere eind der karavaan. Ze zijn intusschen heel aardig en hulpvaardig, maar ook nieuwsgierig en babbelachtig. Ze willen onze namen en voornamen kennen, enkele gewone woorden in het Fransch hooren, die ze dan grappig herhalen, en toen de jonge meisjes de bloemen aan den weg bewonderen, haasten ze zich, haar die aan te bieden.Wij stijgen steeds en beklimmen de hoogten van den Paleo Kastro, waar enkele magere eiken, afschuwelijk vergroeid, en bijna bladerloos, hun groote, kale takken uitspreiden. De stammen zijn hier afgeknaagddoor de geiten, daar verbrand door de vuren der herders, en ik kan mij niets treurigers voorstellen dan die verspreide overblijfselen van vroegere bosschen, op het punt van sterven, en nu gesleurd door den hevigen wind. Nog een enkele snelle daling, een stijging door een boschrijker gebied en eensklaps liggen daar beneden ons als een verschijning uit een tooversprookje de zuilen van den tempel van Apollo, vol majesteit uit den grond verrijzend.Ik geloof niet, dat ik sedert ik in Griekenland ben, een indruk heb gekregen, die zoo sterk was als bij het zien van dit schouwspel. Dat komt, doordien er inderdaad geen enkele tempel is, noch onder de prachtige monumenten van Paestum en Girgenti, die in zoo dichterlijke omgeving ligt en zoo, van uit de verte gezien, afgezonderd en eenzaam daar op een woest gebergte zich verheft te midden van donkere rotsen en dreigende steilten. Een puinhoop van dikke steenen omringt aan alle kanten de zes-en-dertig zuilen, die nog hun architraven dragen en precies den rechthoekigen vorm van het gebouw aangeven. Zoo is dan ook de aanblik van het zoo goed bewaard gebleven gebouw verrassend; er is hier geen marmer gebruikt, maar een soort van grijzen kalksteen, die wonderlijk mooi samenstemt met den algeheelen indruk van het landschap op dezen laten, donkeren, regenachtigen namiddag.We betreden den tempel door den pronaos, gaan door de cella, nog duidelijk aangegeven door de lijn der instortende muren, waarboven de kale bergtoppen opsteken, en waar het gras groeit tusschen de reten der steenen. Het lijkt ons, dat we aan het eind zijn gekomen van een vrome bedevaart; ieder zwijgt, denkend aan de wonderbare oudheid, aan de gewijde ceremoniën, waardoor de glorie en de macht werden verheerlijkt van die goden, die nu begraven liggen onder de puinhoopen van hun altaren in de grootsche en plechtige omgeving van de droevig stemmende natuur.Die herinneringen bestormen in massa onzen geest, en enkele oogenblikken later bereiken we den nabijzijnden top van den Kotylion, van waar men het uitzicht heeft op een wijd bergenpanorama. Ik herken den Taygetos, de vlakte van Messenië, de golf van Kalamata, nauwelijks zichtbaar in den opkomenden nevel; de sneeuw van den Erymanthos is in het Noorden zichtbaar, en dichterbij zien we het dal der Alpheus en de eentonige lijn van de golf van Kyparissia. Maar de blik wordt als vastgehouden door het heiligdom van Apollo, dat aan onze voeten ligt, vol majesteit in de eeuwenlange vergetelheid en waar groote roofvogels boven zweven. Met een diep bewogen gemoed en onder den indruk dier hooge kunst, dalen we eindelijk weer af door de bloeiende bremstruiken en door eikenboschjes, die alleen voor ons het eeuwige lied der lente zingen en die ons schijnen te zeggen, dat ten minste niet alles dood is op deze plek....Geduldig wachten ons de agoyaten, pratend met een zonderling wezen, uit ik weet niet wat voor hol gekropen. Is het wel een man, niet eerder een vrouw? Welk bestaan leidt het? De kleeding doet het eerste vermoeden, maar het fijne gezicht, de lange haren, de zachte en droeve oogen doen ons aarzelen. Onnoodig, pogingen aan te wenden, om het wezen aan het spreken te brengen; het kijkt ons vast aan, zonder de lippen te openen en wij moeten weer vertrekken, zonder het geheimzinnig raadsel te hebben opgelost. De avond valt; nog eenmaal werpen we een blik op de zuilen, die weldra in een terreinplooi zullen verdwijnen en we slaan den terugweg in.Het is donker onder de boomen, en de paarden struikelen telkens; maar we moeten haast maken, om aan een lange, moeilijke, nachtelijke reis te ontkomen. Maar ondanks onze pogingen en trots de flinkheid van onze paarden is het donker, als we tegen acht uur eindelijk te Andritsena aankomen. Panayotti wacht ons, om ons naar het gastvrije huis te geleiden van een notabele uit het stadje, waar we hopen degelijk te kunnen uitrusten van de vermoeienis der beide zware dagen. Daar wacht ons een aangename verrassing; zachte matrassen liggen op den parketvloer der kamers, die eenvoudig en zindelijk zijn; alles ademt hier welstand en een zeker comfort, die beide prettig afsteken bij de armoede der woningen, tot nu toe door mij gezien in Griekenland. Wij kunnen onze oogen niet gelooven en zijn nog onder de bekoring, die bij ons wordt gewekt door de gedachte aan een te verwachten goeden nacht, als zich een statige heer in de deur vertoont en de eer verzoekt van ons bezoek aan de stedelijke bibliotheek, waar, naar het schijnt, eenige oude fransche boeken aanwezig zijn uit den tijd der frankische bezetting. Die perkamenten zijn, daar twijfelen we niet aan, uiterst belangrijk, maar het oogenblik komt ons heel slecht gekozen voor, om ze te bezichtigen.Wij kijken elkander eens aan, en ons gelaten in ons lot schikkend, volgen we zonder geestdrift den braven man, die gelukkig is door het genoegen, dat hij ons meent te verschaffen. Eenige oogenblikken later zijn we in de groote zaal der helleensche school, waar bij het licht van een waskaars, door den priester vastgehouden, we in haast de interessantste planken nagaan. Maar de vermoeidheid is grooter dan onze moed; ondanks alles glijden onze oogen, zonder te zien over de manuscripten, die het misschien de moeite waard zou wezen, rustig te onderzoeken, en na vele dankbetuigingen bereiken we zoo gauw mogelijk ons logies.We werden eerst om zes uur den volgenden morgen wakker, juist op het oogenblik, toen de roode zonneschijf, van achter de bergen te voorschijn komend, een groot vuur schijnt te ontsteken. Het belooft een prachtige dag te worden, en vroolijk gestemd, zoeken we onze paarden op, die ons wachten met dezelfde agoyaten van den vorigen dag, om ons aan de golf van Kyparissia te brengen naar het kleine station Boezi, waar de spoorweg van Pyrgos langs gaat. Het vriendelijke dorp Andritsena, van waar men een uitzicht heeft naar het Noorden tot de toppen van den Olonos, half wegschuilend in den morgennevel, verdwijnt weldra in zijn bed van groen.Dan volgt er eerst een aangename rit over zacht en bebloemd gras, waar gele margarieten licht zich wiegelen op den wind en nog vochtig zijn van den nachtelijken dauw; er staan primula’s naast anemonenen roode papavers, terwijl verderop lange reeksen eglantieren hun wortels baden in de heldere bedding der beken. Maar spoedig gaat het pad stijgen; we rijden door een boschrijke streek, en dan komen weldra steenen met magere struiken en de uitloopers van kale gebergten. Gedurende meer dan drie uren beklimmen we aldus zonder ophouden steile toppen, waar de weg over loopt, om dadelijk aan de andere zijde weer te dalen.De agoyaten, springend van steen op steen, glijden telkens uit, terwijl de wortels en takken hun tegen de beenen slaan; maar ze zijn te opgewekt, dan dat het hen zou verhinderen, luide te zingen. Soms laat een van hen een keelklank hooren, waarop het voorste paard zijn gang versnelt en dan weer kalm gaat draven; de anderen volgen en daar gaan onze mannen aan den haal onder het lachend geroep van: “Aïdé, aïdé!” om hun beesten nog maar meer aan te zetten. Maar we vragen al gauw om genade, want het is niet mogelijk, zoo’n proef lang te doorstaan op zulke wegen. De groote kinderen, die zich te onzen koste hebben vermaakt, gaan dan kalm hun gezang weer voortzetten.Brug over de kloof der Alpheus.Brug over de kloof der Alpheus.Tegen elf uur vertoont zich het eenige dorp, dat we den geheelen dag te zien zullen krijgen; na een korte rust in de schaduw van de huizen beginnen we de helling van den pas te bestijgen, aan welks andere zijde zich het dal van de Neda bevindt. Het is moeilijk stijgen in den onverbiddelijken zonneschijn; maar het schouwspel, dat ons boven wachtte, beloonde wel voor de inspanning. Door reusachtige bosschen, die in zachte helling een groen tapijt spreiden tot beneden aan de zee, kronkelt zich de rivier sierlijk over de gele steenen. We hebben nu het aangename vooruitzicht, onder de groote boomen te rijden, verkwikt door de nabijheid van het koele water. Maar eerst moeten de paarden rusten, en wij maken van de halte gebruik, om te ontbijten niet ver van een bron, waar vrouwen haar armoedige linnen wasschen.Dadelijk daarna de prettige rit onder de boomen in de heerlijke schaduw, die aan de boschjes van Frankrijk doet denken. Beneden in het dal aangekomen, volgen we aanvankelijk den rechtschen oever van den stroom, om daarna te waden naar den linkeroever. Vijfmaal achtereen moet diezelfde overtocht worden volbracht; onze agoyaten hebben hun schoenen uitgetrokken en loopen door het water, en als dat laatste tot hun knieën stijgt, springen ze vlug op de schouders van hun voorganger, om niet nog dieper te zinken.Op dit oogenblik gebeurt er iets komieks. Panayotti, die zich wijselijk langs den geheelen weg in de achterhoede van de karavaan had gehouden, op het muildier, dat het proviand droeg, wil een bewijs geven van zijn onafhankelijkheid en op eigen wieken drijven. Maar het bekomt hem slecht. Toen hij zich juist midden in de rivier bevindt, gaat het zadel, waarop hij is gezeten, verschuiven, en in een oogenblik is onze tolk te water geraakt, broederlijk vereenigd met de mand met eieren, de blikjes en de waterflesschen. De drenkeling, die zelf zijn redding bewerkstelligt, komt geheel doorweekt weer aan den wal en houdttriomfantelijkalle proviand omhoog. Hij wordt omringd en met vragen bestormd, en toen we de opmerking maakten, dat dit niet precies de juiste behandeling is voor de rheumatiek, waaraan hij lijdt, haalt hij grappig de schouders op en wijst naar de zon, die inderdaad zich haast, al het vocht van het onvrijwillige bad op te zuigen.Een half uur later zijn we te Boezi, waar de beschaving, die wij uit het gezicht hadden verloren sinds drie dagen, zich aan ons voordoet in de gedaante van de rails van den spoorweg. En onder het wachten op den trein, liggend onder de olijven, beginnen wij de bekoring van dit vrije leven recht te waardeeren, wetend, dat we het zullen betreuren. De scherpe fluit van een moderne locomotief stoort ons in onze droomerijen.Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.VanBoezinaar Pyrgos heeft men maar drie uren te sporen. Door de raampjes van ons compartiment, waarvan de schokken al heel onbeduidend schijnen na de ritten van Andritsena en Bassae, begroeten wij voor de laatste maal het lachende en grootsche dal der Neda, dat de spoorweg passeert over een brug, om daarna langs het lage, vlakke strand te midden van rijke wijngaarden te belanden aan het zuidelijk uiteinde van het meer van Kaïapha, enkel van de zee gescheiden door een smalle strook lands en waar de visch, naar het schijnt, overvloedig is.De trein gaat langs den oever, waar de netten hangen te drogen, houdt een oogenblik op te Kaïapha, waar zwavelbaden met die van Loetrako bij Korinthe en die van Aedipso op Euboea dingen om de gunst der helleensche clientèle, overschrijdt de hoogte, waar men de ruïnen vindt van de versterkte vesting Samikon en komt eindelijk over Agoelenitza en de prachtig bebouwde velden aan de lagune bij het station Pyrgos, waar we tot acht uur des avonds op de aansluiting naar Olympia moeten wachten.Wat al dien tijd anders te doen dan door de stad te wandelen, die intusschen niets belangwekkends heeft? Ze lag vroeger veel dichter bij de zee dan tegenwoordig, maar de aanslibbing van de Alpheus heeft langzamerhand de kustlijn verlegd. De citroen- en moerbeiboomen en de olijven groeien er heerlijk in de moerassige vlakte, waar veel veen in den grond zit, en waar wijngaarden een der beroemdste wijnen uit den Peloponnesus leveren. Pyrgos, dat na Patras en Kalamata het belangrijkste handelscentrum is, voert over Katakolo groote hoeveelheden krenten uit. Al die zaken geven aan de stad een voorkomen van welvaart, dat aan den dag treedt in de hoofdstraat met haar vele winkels; het is er zoo vol, dat we nauwelijks vooruit kunnen komen.Hier zijn we weer eens het voorwerp van een onbescheiden nieuwsgierigheid, waar ten slotte een gendarme medelijden mee krijgt. Een vlugge uitdeeling van eenige muilperen links en rechts, die in het Oosten het meest doeltreffende argument zijn van een miskende overheid, maakt weldra onzen weg vrij, en we kunnen onze wandeling voortzetten, voorafgegaan door onzen redder, die de gewone belooning voorziende, niet van ons af is te slaan. Na met hem het verre panorama te hebben bewonderd van het eiland Zante, dat in een rooden nevel zich baadt in het licht der ondergaande zon, en na ons natuurlijk te hebben opgehouden in een der café’s van de stad, om er raki, olijven en turksche koffie te gebruiken, bereiken we het station weer, waar al spoedig de trein voor Olympia, komend van Patras, binnenkomt.En nu volgt een kort nachtelijk reisje van nauwelijks een uur door een licht golvend, door de maan beschenen land. Eindelijk houdt de trein aan een klein station stil, dat geheel donker is en waar de dienstmannen en hôtelbedienden spoedig zich van onze bagage hebben meester gemaakt. Eenige oogenblikken later sluit zich de deur van het Groote Spoorweghôtel achter ons. Het is oogverblindend, mollige tapijten liggen in de corridors en op de trappen; de kamers zijn zeer zindelijk, en er is overvloedig electrisch licht. Men mag aannemen, dat de waakzame oplettendheid van onze Touring Club hier aan het werk is geweest, en dat het land bijna dagelijks wordt bezocht door rijke vreemdelingen, die men op alle manieren het naar den zin moet maken,opdat diegenen, die worden aangetrokken door den roep van Olympia, ook den lof kunnen zingen van de hôtels aldaar.Welk een verschil met de onmogelijke verblijven, waar we de laatste nachten hebben doorgebracht! Wat een weelde, hoeveel comfort, maar ook welk een ontzettende banaliteit! We verbazen ons over alles, over de duizenderlei kleinigheden, die zoo onontbeerlijk lijken in het dagelijksche leven, en waar wij het toch drie dagen lang wonderwel buiten hebben kunnen stellen. Maar onze met stof bedekte kleeren, onze gezichten, die geen water hebben gevoeld en niet met het scheermes in aanraking zijn geweest, zouden ons doen gelijken op een troep boeren van de Donau, plotseling in de tegenwoordigheid gebracht van de ongekende wonderen der moderne beschaving. Dit alles is zonder twijfel aangenaam, maar ik blijf er niettemin bij, dat een reis in Griekenland, om iemand waarlijk kunstindrukken te geven, meer onverwachts moest meebrengen. Onze hedendaagsche gewoonten vloeken, om zoo te zeggen, met de hier grijpbare overblijfselen uit de oudheid; ze passen wel slecht bij de nog primitieve zeden der tegenwoordige Hellenen en bij de te weinig bekende pracht van het landschap.In ons tegenwoordig Europa, dat gebanaliseerd is door de spoorwegen, de reisagentschappen en de prentbriefkaarten, is Griekenland nog een der te weinig talrijke landen, waar de toerist een mooie onafhankelijkheid kan genieten en de vreugde mag voelen of ten minste de illusie mag koesteren, dat hij moedig weinig betreden paden heeft gekozen. Laat ons hem zoo lang mogelijk vrij laten en hem in de gelegenheid stellen, zijn onderzoek voort te zetten; laat ons niet al te veel haast maken met het moderniseeren van het land en laat ons doordrongen zijn van het besef, dat comfort de vijand is van het schilderachtige en dat, om dat laatste te vinden, we het eerste moeten kunnen opofferen.De heer Benner, met wien ik mijn kamer deel, is te veel kunstenaar, om het niet met mij eens te zijn, en wij zouden nog lang over dit onderwerp hebben doorgepraat, als de groote vermoeienis van den dag ons niet had bewogen, om eindelijk het welbehagen te genieten van de aanlokkelijke bedden met de spierwitte lakens. Toegevend, dat de beschaving toch ook wel iets goeds heeft, slapen we in, in slaap gewiegd door het gekwaak van duizenden kikkers in het stilstaande water der moerassen.Niemand gaat tegenwoordig naar Griekenland, zonder een bezoek te brengen aan Delphi en Olympia, die beide archeologische middelpunten, waar alles is opgegraven door de fransche en duitsche scholen, waardoor de leeken zich een denkbeeld kunnen vormen van de pracht der Oudheid. Het laatste was minder een stad dan wel een groot heiligdom, waar altaren waren voor de meeste goden en waar prachtige periodieke feesten werden gegeven, bekend onder den naam van Olympische spelen. Er was alle macht van het Christendom noodig, om eindelijk aan dien eeuwenouden eeredienst een einde te maken. De tempels vielen langzamerhand in puin, de olijvenbosschen, die hun schaduw wierpen over de altaren, werden de prooi der vlammen, de barbaren kwamen en de aardbevingen voltooiden het werk der menschen. Ze overdekten met een dikke laag aarde de oude schatten, die thans weer aan het licht zijn gebracht.Daarom is er niet veel over van al die pracht; de monumenten zijn gesloopt; sommige gaan nog schuil in het hooge gras, andere laten niet anders zien dan de treurige massa van hun fondamenten. En een gevoel van onzegbare droefenis, gelijk aan dat, wat men ondervindt bij het bezoek aan een doodenstad, komt over ons, als we door de poort der processies binnenkomen in de reusachtige, gewijde ruimte of de Altis, waar zich alle tempels bevonden. Dat ruime vierkant, aangelegd tegen de groene helling van den berg Kronos, gelijkt veel meer op de werf van een steenhouwer dan op een archeologische reconstructie, en men is eigenlijk verbaasd, er niet de slagen te hooren van hamers of het geknars van zagen.Noch het Heraion, de oudste, zegt men, van de bekende dorische tempels, noch die van Herodes Atticus, een der romeinsche maecenassen van Griekenland, die met groote kosten naar het terrein der offeranden het water liet voeren, dat er ontbrak, noch het Terras der schatten, waar een reeks kleine kapelletjes stond, die met de offeranden van de steden ook de trofeeën bevatten, door die steden in de gymnastische spelen behaald, noch het Stadion, noch zelfs de reuzentempel van Zeus, waarvan niets over is dan de onderlaag van grijs tufgesteente, kunnen den somberen indruk uitwisschen, op ons teweeggebracht door den aanblik van de onherstelbare ruïne.Toch krijgt men van daar een overzicht van het geheele terrein der ruïnen, vanaf het Metroon of den tempel van de moeder der goden, tot het Paleis van den Olympischen Senaat, van het Hippodroom en het huis van Nero, dat hij zich had laten bouwen, om de spelen te kunnen bijwonen, tot het reusachtige Leonidaeon dat, met het Prytanaeum, de beroemdste bezoekers ontving. Maar dat alles is thans niet anders dan een opeenhooping van voetstukken, die daar eenzaam en verlaten staan of van afgebroken zuilen, en men moet, als men niet in zijn diepste wezen archaeoloog is, zulk een groote dosis verbeeldingskracht hebben en zulk een goeden platten grond, om zich thuis te voelen te midden van de vormlooze overblijfselen, die vaak ver van hun primitieve standplaats zijn getransporteerd, dat we verlangen naar het zien van meer wezenlijke dingen.Door resten van vestingen en byzantijnsche kerken naast romeinsche fondamenten en helleensch beeldhouwwerk bereiken wij den heuvel Droeva, waar een rijk bankier uit Athene, de heer Syngros, op zijn kosten het Museum heeft laten oprichten, dat thans den prachtigen Hermes van Praxiteles herbergt, die bijna ongeschonden werd teruggevonden in het Heraion onder een dikke laag leem, naast de uitgezocht schoone figuur der Gevleugelde Overwinning, in sierlijk stoute beweging haar voetstuk verlatend. Het Hermesbeeld is gehouwen uit een schitterend wit blok marmer; het schijnt mij het zuiverst ideaal van mannelijke schoonheid te verwezenlijken, zooals het majesteitelijke hoofd zich buigt in teederheid tot Dionysos, dien hij in zijn armen draagt, en we gevoelen tegenover dit magistrale werk eenzoo heftige ontroering, dat we op eenmaal de teleurstelling vergeten, die over ons kwam op het terrein van de opgravingen.De namiddag wordt besteed aan den tocht naar Patras met den spoorweg; de warmte was eerst zoo hevig, dat we geen woord uitbrachten en in stilte leden op de banken van de coupé; het landschap vlamt onder den brand der zon, en arbeiders, naar den grond gebogen, met een doek om het hoofd, waarvan ze de slippen tusschen de tanden vasthouden, komen een oogenblik overeind, om ons te zien voorbijgaan. De locomotief schijnt doordrongen van haar belangrijkheid; ze fluit geestdriftig, alsof ze op haar persoon de bewonderende aandacht wilde vestigen. Als al dat lawaai onzen gang maar bespoedigde! Maar daar moet men niet op hopen, en het is hier recht duidelijk veel lawaai en weinig wol.En zwaar en eentonig gaan de uren voorbij; nauwlettend staat de trein bij alle kleine stations stil, die vaak niet anders zijn dan loodsen met een tafel op het perron, die als buffet dienst doet en waar harde eieren, kaas en wijn zijn te krijgen, alles zwart van vliegen en een geur verspreidend, die ver van lekker is. Eenige fustanella’s stappen in en uit; menschen, die niets te doen hebben leunen tegen de hekken met halfnaakte, koperkleurige straatjongens; er wordt gelachen, gepraat, en we staan soms zoo lang stil, dat ik den tijd heb, prachtige margarieten te plukken, waarvan de heerlijke frischheid ons een poosje verkwikt.Overigens komen, we nader bij de zee, waarvan ons juist als bij Pyrgos reeksen van plassen scheiden; dit zijn de uitgestrekte bezittingen van Manaloda, gedeeltelijk nog onbebouwd, toebehoorend aan den troonopvolger. Rechts sluit de majestueuze Erymanthos, waar de spoorweg omheen loopt, den horizon af met zijn rotsblokken, zijn diepe kloven en donkere bosschen; de zon daalt langzaam naar de zee en gaat er in rusten, als wij eindelijk aankomen, na door beddingen van rivieren te zijn gegaan, bij het station Kato-Achaia, op den zuidelijken oever van de golf van Patras, die we nu verder volgen.Het ondergaan van de zon heeft inderdaad in het Oosten iets indrukwekkenders dan elders. Hier, waar de zee zich klein schijnt te willen maken, om beter te kunnen doordringen in den chaos van grootsche bergen, die haar omsluiten, is de tegenstelling van tinten, de verschillende kleur der onderdeelen van het landschap werkelijk verrassend. De reeds donkere massa van kaap Kalogria doet zich aan ons voor en dekt de vlakte met haar schaduw; de geheel zwarte voet van den Erymanthos wordt langzamerhand lichter naarmate we naderen; de hoogten van Missolonghi, violet in hun middengedeelte, behouden op hun toppen een zachtrose tint, die zich weerspiegelt in de gouden streep over de golf. Alleen de ongeloofelijke helderheid en doorschijnendheid van de grieksche atmosfeer kan de ontplooiing van zooveel pracht tot stand brengen. Wij worden niet moede, die te bewonderen, tot eindelijk de aankomst in de voorsteden van Patras te midden van de omgewoelde graven ons opwekt uit de droomen van onze stille beschouwing.De gezant, die graag spoedig weer in Athene terug wil zijn, beslist den volgenden morgen te willen vertrekken; maar hij geeft mij verlof, er mijn verblijf te verlengen en machtigt mij zelfs, de interessante punten te bezoeken van de noordkust van den Peloponnesus. Vroeg in den morgen begeef ik mij dus naar het station, dat aan de haven is gebouwd tegenover het hôtel waar wij den nacht hebben doorgebracht, om bij het vertrek van mijn reisgezellen tegenwoordig te zijn.De lezer moet zich vooral niet voorstellen, dat Patras, de derde stad van Griekenland, de eerste van den Peloponnesus, omdat ze tegenwoordig 50.000 inwoners telt, een van die mooie stationsgebouwen bezit, zooals we in duitsche steden gewend zijn. O neen, zeker niet; het meest bescheiden station van onze fransche spoorwegen is mooier en vooral zindelijker dan de ellendige houten loods, ingesloten tusschen de naburige huizen, waar reizigers en goederen opgestapeld worden in de grootste wanorde.Een of twee wegen komen op den spoorweg uit, en de trein wacht geduldig te midden van een nieuwsgierige menigte, tot eindelijk het sein wordt gegeven voor het verder gaan. Het scheelt niet veel, of men zou zich wanen op een dier lijnen in Afrika, waar enkel een eenvoudige paal de halte aangeeft! En toch is dit de plaats, waar de meeste reizigers uit Europa aankomen met bestemming naar Griekenland; ik vraag mij af, hoe groot wel de verbazing moet wezen van de rijke toeristen bij den aanblik van zoo’n tooneel en welk een onaangenamen indruk ze wel moeten krijgen bij hun eerste aanraking met de gemeenschapsmiddelen van dit land.Patras, megalomaan als alle andere steden, trotsch op zijn belangrijkheid, schaamt zich over dezen staat van zaken; er is al lang sprake van, aan de stad eindelijk een station te schenken, dat beter aan de wassende behoeften voldoet; maar hier stuit men weer als altijd op die vervelende geldquaestie, die de mooiste plannen in den dop verstikt. Laat ons intusschen hopen, dat dit plan wordt verwezenlijkt, en dat een rijk inwoner van Patras door een edelmoedige schenking aan die dagelijksche vernedering een eind make, die telkens samenvalt met het vertrek van den exprestrein naar Athene.Toen ik kort daarna alleen was gelaten, ging ik de moderne hoofdstad van Achaja bekijken, die het tooneel is geweest van de ontscheping der Franken onder Villehardouin en Champlitte en die ook het eerst werd veroverd; ze is in het begin der vorige eeuw verwoest geworden, maar heeft zich snel weer opgericht en werd herbouwd naar een reusachtig plan. Daardoor lijkt ze nu nog bijna een doode stad ondanks den vluggen aanwas der bevolking. De straten, die met een liniaal getrokken schijnen, snijden elkaar alle rechthoekig naar het voorbeeld der amerikaansche steden; er loopen breede, marmeren trottoirs langs en er staan huizen met arcaden; groote, eenzame pleinen, overschaduwd door peperboomen, verbreken van tijd tot tijd de kunstmatige eentonigheid van die eeuwige rechte lijnen, evenwijdig met of loodrecht staande op de kust.Ik volg een der in laatstgenoemde richting loopende, de Sint-Nicolaasstraat, die in een zachte helling stijgt naar het venetiaansche kasteel, van waar meneen prachtig uitzicht heeft over de groote wijngaarden, die een rijkdom zijn van het land, over de golf van Lepanto, de kust van Aetolië en de Jonische eilanden. Er is trouwens niets bijzonder merkwaardigs in dien hoop van muren, waarvan het best bewaard gebleven gedeelte tegenwoordig als kazerne wordt gebruikt. Ik daal weer naar beneden door de straatjes van de hooge stad, waar ezeltjes, doorbuigend onder het te zware gewicht van manden, die hun tegen de zijden hangen, voortgedreven worden door kooplieden met groenten en vruchten. “Aurea kortaria, portokalia, hier zijn mooie groenten, oranjes!” roepen ze in de openstaande deuren der huizen, waar, voor hen maar al te dikwijls, slechts het geblaf van een hond hun antwoord geeft. Iets lager verdwijnen twee ongelukkige ezels onder den zwaren wirwar van takkebossen, die ze in den vroegen morgen al hebben gehaald; er zijn er zooveel op hun armen rug gestapeld, dat alleen de kop en de uiteinden der pooten te voorschijn komen uit het struikgewas, dat breeder is dan de rijtuigen, die moeten worden gepasseerd, een zonderlinge vertooning, enkele schreden verder verdwijnend in het dichte stof van den weg.

Op weg naar Porto-Quaglio.Op weg naar Porto-Quaglio.

Op weg naar Porto-Quaglio.

Weldra gaat ieder opstaan, niet zonder mij beleefd een goeden nacht, kale nycta, te hebben gewenscht; ik werp op het vuur een nieuwen armvol brandstof, want het is vinnig koud, en Christo heeft mij opgedragen, het niet te laten uitgaan. We hebben afgesproken, slechts om beurten te rusten, een maatregel, die gepast lijkt in onze omstandigheden.

Ongelukkig komt het uur om te waken nog al vroeg voor mij, en ik merk, toen ik wakker word, dat het meer is gaan waaien; de groote boomen om ons heen klagen luid, en de vlammen drijven telkens hun rook in de hut. Er zijn veel onverwachte geluiden, en in de bergen hoor ik klagelijk janken. Is het een hond, die de afnemende maan aanblaft, of misschien een wolf, die voedsel zoekt? De nacht schijnt mij eindeloos en onze houtvoorraad begint te verminderen. Ik wacht met verlangen den morgen, dien ik nooit met zooveel vreugde heb begroet, zoo drukkend is de eenzaamheid.

Daar is eindelijk een bleek licht, en omdat ik besloten ben vroeg op te breken, wek ik Christo, die zich haast het muildier te zadelen. De herders zijn al op, en de honden zijn aan het spelen, nat nog van den dauw. Ik leg enkele geldstukken in de vereelte handen, die mij worden toegestoken, en huiverend in den morgen wind, beklimmen we de hoogte aan het eind der langada. Binnen een uur is de top bereikt, juist op het oogenblik dat de roode zonneschijf de transen van den Parnon bestraalt. De vlakte, waarin Sparta is gelegen, is nog donker achter ons, terwijl de lijnen van den Taygetos achteruitwijken.

De wind blaast als een storm; het is koud en spoedig gaan we verder naar Sitsova, waar we een half uur later aankomen. Bij Khania bereiken we de vlakte, waarvan de rijkdom en de vruchtbaarheid wonderlijk afsteken tegen de woeste eenzaamheid van den Taygetos. Hier zien we citroen- en oranjeboomen, velden met tabak, waar moerbeiboomen tusschen staan, en eindelijk daagt Kalamata voor ons op met zijn door aloë’s omzoomde tuinen en zijn mooie cactussen. In de straten is het geducht warm, en ik veroorloof mij eenige uren van welverdiende rust. Om acht uur in den avond vertrekt de boot naar Athene. Mijn reis is afgeloopen, en als de schroef het kalme water begint te slaan in de baai, groet ik voor de laatste maal de zwarte massa van den Taygetos, die mij zulke onvergetelijke uren heeft bezorgd.

De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.

De tempel van Bassae, in de verte eenzaam gelegen.

Er is een halfjaar verloopen, sedert ik den nacht heb doorgebracht tusschen de herders van den Taygetos ter hoogte van bijna 2000 meter boven de zee; de winterregens zijn voorbij en al sinds langen tijd zijn de toppen van den Hymettus en den Parnassus van hun licht sneeuwkleed ontdaan en worden in hun kaalheid geblakerd door de warme zon van April. Nu de mooie lentedagen zijn teruggekeerd, die zoo helder en vroolijk zijn in dit gezegende Oosten, ga ik opnieuw droomen van heerlijke uitstapjes en lange ritten te paard in de dichterlijke eenzaamheid van het bergland.

Waar zal ik anders heengaan, nu het continentale Griekenland mij bijna volkomen bekend is, dan maar weer naar dien schilderachtigen Peloponnesus, dien ik thans eens wil doortrekken van Korinthe af naar de golf van Kyparissia? En nu treft het, dat juist onze gezant te Athene, graaf d’Ormesson, mijn naaste chef, mij voorstelt, hem op diezelfde reis te vergezellen. Zonder een oogenblik te verliezen, maken wij toebereidselen voor een echte expeditie, waaraan ook drie bekoorlijke jonge meisjes zullen deelnemen, wier tegenwoordigheid wij met vreugde begroeten, mejuffrouw Yolande d’Ormesson, mejuffrouw Boulard, haar vriendin, die voor eenige maanden in Griekenland vertoeft en mejuffrouw de Cernowitz, dochter van den opperstalmeester van Z. M. Koning George.

Wij besluiten, tot Megalopolis, dat midden in Arcadië ligt, met den spoortrein te gaan, dan per rijtuig Andritsena te bereiken, om weer te dalen langs den tempel van Apollo in de omstreken van Kyparissia, waar we den spoorweg weer zullen treffen, die ons naar Olympia en Patras zal brengen.

Spoedig is alles gereed; de muildieren en rijtuigen wachten ons; de autoriteiten zijn gewaarschuwd, en ons troepje, versterkt met een jong schilder van talent, den heer Many Benner, die zonder te vermoeden, dat men hem zou uitnoodigen, deel te nemen aan den tocht, zijn opwachting aan de legatie kwam maken, zal zich morgen op weg begeven. De gezant neemt ook nog het factotum van zijn huis mee, een zekeren Panayotti, die als tolk moet dienen en nu al in de drie jaren, dat ik hem ken, mij dikwijls heeft geamuseerd. Die jongen, die zijn Athene kent tot in de kleinste bijzonderheden, en wiens diensten in dat opzicht werkelijk onschatbaar zijn, is wel een volkomen type van den modernen Griek. Babbelachtig en demonstratief, nu eens onrustig en verward, dan weer langzaam en lui, ook ietwat geslepen en met zin voor straatslijperij, heeft hij als al zijn landgenooten, een gebruind, olijfkleurig teint en een baard, even glanzig, als zijn haren moeten zijn geweest in den tijd, toen hij die schoone kroon nog op zijn hoofd droeg.

Hij heeft aan het gezantschap geslachten van gezanten en secretarissen elkander zien opvolgen, en nu hij al zoo lang deel uitmaakt van het personeel, komt men in de stad er toe, hem een zekere diplomatieke waardigheid toe te schrijven. Het prestige, waarmee hij is getooid, belet hem echter niet, nu en dan te vechten met den een of anderen loustro, die zijn verontwaardiging heeft gaande gemaakt, en zooheeft hij al eens kennis gemaakt met het stroo van de gevangenis van zijn land. Maar dat is zoo erg niet; “Dembirazi!” zooals hijzelf zegt, zich den linker oksel wrijvend, wat hier een teeken is van de grootste onverschilligheid.

Men moet hem hartstochtelijk zien disputeeren, hem allerlei fransche woorden hooren gebruiken, die hij niet begrijpt en die over elkaar struikelen in zijn mond, zooveel haast heeft hij, of hem zien volhouden, dat hij gelijk heeft, door zijn beide armen tegen het lichaam aan te drukken, terwijl de palmen van zijn magere handen, geopend naar den ander toe zijn gekeerd, als om het welsprekende woord te ondersteunen of zijn onmacht te betuigen, er nog een woord meer aan te verspillen. Hoe vaak heb ik mij vermaakt met naar hem te luisteren en hem over de straatsteenen naar mij te zien toekomen, altijd gedienstig, lachend en goedmoedig. En ik denk vandaag, dat het portret te schilderen van Panayotti, tevens is een in beeld brengen van de grieksche volksziel, hetgeen voor mij een verontschuldiging inhoudt van mijn vermetelheid, den lezer zoo lang te hebben bezig gehouden met dit merkwaardig personnage.

Op een van die mooie morgens, waarop de feestvierende natuur den mensch schijnt uit te noodigen, met haar in te stemmen, bereiken wij reeds om zes uur het station van den Peloponnesus, terwijl het Parthenon bloost onder de eerste stralen van de zon. Het zal warm worden vandaag, en de stad weerklinkt reeds van het geroep der dragers, die in zakken water van Amaroesi te koop aanbieden of coecoeria, een soort van kleine, droge koekjes, gewoonlijk bedolven onder het stof en door de menschen in hun koffie gedoopt. Toen alle leden der karavaan langzamerhand waren gearriveerd, stapten wij in den trein, waar onze bagage was opgestapeld; daar klinken de tonen van een spoorklok, achterblijvers worden aangeroepen; nog wat gefluit, want de grieksche treinen hebben heel wat moeite, om op dreef te komen, en daar gaat de optocht heen in een wolk van stoom.

Daar is Eleusis weer, en Salamis duikt in de verte op en het witte Megarae; dan de mooie witte kustweg, dien ik vroeger bewonderde bij het gaan naar Korinthe en de groote vlakten van steenachtige, roode aarde, waar donkere vlekken zich vertoonen door de dennen, doorloopend tot de zee, die zoo blauw is, dat de hemel daarnaast bijna bleek schijnt. Wij stoomen over het kanaal, rijden langs de baai met haar sierlijk afgeronde bochten, en na Korinthe een groet te hebben toegezonden, alsook aan de bergen, stralend in het licht, verdwijnen we in de kloof, die naar Argos voert. Weldra is de trein in de verstikkend heete vlakte en houdt als uitgeput stil bij het station Argos, waar we den tak naar Nauplia zich links laten verwijderen.

De spoorweg richt zich dadelijk naar den voet der bergen; er ontspringt een bron uit de rotsen en het stroompje brengt op zijn korten weg naar de zee veel molens aan zijn oevers in beweging. Dan krijgen we de moerassige terreinen, waarin de Erasinor en de Inachos zich verliezen, hoogoprijzend gras, waar, naar het schijnt, veel wild is te vinden, houten bruggen, die doorbuigen onder het gewicht van den trein, tot wij eindelijk aan het zeestrand komen bij het station Myli, het Lerna der Ouden. En terwijl we Nauplia bewonderen, dat daar beneden ligt aan de golf, denk ik aan de legenden, die deze plek tot een der beroemdste uit de Oudheid maakten, aan dien bekenden vijver, gevormd door de bronnen en beken, die van den berg Pontinos komen, waar Hercules een zijner twaalf werken verrichtte en die thans, door het groen omsloten, door de vrouwen wordt gebruikt, om haar wasch te spoelen.

Weer een illusie, die verdwijnt in de droeve werkelijkheid van het moderne leven! Hoewel al deze moerassen in het geheel geen slangen meer herbergen, door helden te bedwingen, is hun nabijheid niet minder gevaarlijk, vanwege de koortsuitwasemingen, die eruit opstijgen. En wat buitendien te zeggen van die verschrikkelijke muskieten, die ons beginnen te hinderen? Dit is wel een land, waar ik niet graag zou willen wonen; ik heb te Athene te goed de kwellingen leeren kennen van de slapelooze nachten en het wreede alternatief, waarin ik mij dikwijls bevond, om of te stikken onder het muskietennet, of dadelijk de prooi te worden van den vijand, als het instrument even wordt opgetild, dan dat ik er spijt van zou hebben, dat we niet langer blijven op een plek, waar men zooveel moet lijden.

De trein vertrekt weer en rijdt langs het haventje, waar eenige kleine bootjes liggen te schommelen, en treedt dan bijna terstond het bergland van Arcadië binnen. Niets dan kale steilten, bedekt met ellendige heide of wild struikgewas. Is dit dan het gelukkige land, dat door de dichters werd bezongen? Waar zijn dan de bronnen, de boschjes, het tooneel der herderszangen, de bloeiende weiden en de vreedzame bosschen? Nauwelijks vertoonen zich op de hellingen van den Parthenion of den Ktenia, die de dalen met hun sombere grijze toppen beheerschen, enkele roeden bebouwden grond; nauwelijks verbergen enkele armoedige huizen hun ellende onder oasen van egelantieren, of verlevendigen enkele schapen, die, gehoed door zwaarmoedige herders, mij minder aan de helden van Theocritos doen denken dan aan mijn makkers van den Taygetos, vandaag de eenzame plateau’s!

Het landschap blijft hetzelfde, tot we in de vlakte van Tegea komen, een dier te zeldzame en te kleine kommen in den Peloponnesus, waar aan landbouw kan worden gedaan. Daar zijn waarlijk velden met bijna rijp koren, wijngaarden, die er goeduitzien, en boomgaarden, die bloeien en een goeden oogst beloven. Dan nog weer moerassen, die het gevolg zijn van het ontbreken eener afvloeiing van de Saranda Potamos, en die met de vochtigheid van Mantinea van deze plaats een der gevaarlijkste centra van slechte lucht maken uit het geheele land. De leden van onze School van Athene, die er twintig jaren geleden opgravingen deden, weten daarvan mee te praten en moesten meermalen, overwonnen door ziekten, den geregelden gang van hun arbeid staken. Dus waren we verheugd, eindelijk te Tripolis te komen, de hoofdstad van de provincie Arcadië, die tegenwoordig dank zij den spoorweg en de goede ligging uit handelsoogpunt een zekere welvaart geniet.

Op het perron wemelt het van een schilderachtige en luidruchtige menigte menschen, met veel kooplieden ertusschen, die aan de reizigers de producten van hun industrie komen aanbieden. Hier worden vervaardigd een gedeelte van die rood lederen voorwerpen, die alle bazars van het Oosten vullen. Het zijn gordels, met figuren opengewerkt, allerlei portretlijstjes, handtaschjes, tabakzakken, pantoffels en muiltjes. Twee of drie verkoopers haasten zich, onze coupé binnen te treden en werpen inderhaast op onze knieën enkele van die kunstvoorwerpen, waarvan ze ons den prijs in de ooren schreeuwen. Er wordt een twistgesprek begonnen; men onderhandelt, en wanneer men ten slotte wat minachting aan den dag legt of een kalme onverschilligheid, verkrijgt men gemakkelijk, ook met de hulp van het naderend sein tot vertrek, een verrassenden afslag in den prijs.

En weer hervat de trein zijn loop door de kleine vlakte. Dit is de plek, ingenomen door de drie antieke steden Pallantion, welker overblijfselen hebben gediend, om Tripolis te bouwen, een stad, die dus betrekkelijk modern was ten tijde van de verwoesting door de Turken in 1825. Dadelijk daarna komen we weer te midden van bergland en heuvels, die aansluiten bij de voorbergen van den Taygetos en te midden waarvan Megalopolis is gelegen, waar we tegen vier uur in den namiddag aankomen.

De eerste persoon, dien we bij het uitstappen ontmoetten, is de brave Panayotti, die hier al gisteren is aangekomen, om voor ons rijtuigen op te scharrelen en te huren. Hij heeft natuurlijk aan de heele stad verteld, dat de gezant van Frankrijk er den volgenden dag zou aankomen, zoodat een groote menigte het station vult. De vreemdelingen zijn zeldzaam te Megalopolis, en dus begrijpt men, dat de nieuwsgierigheid der menschen in sterke mate is gaande gemaakt, nu de tegenwoordigheid zal zijn waar te nemen van een officiëel persoon van beteekenis, en slechts met heel wat moeite, baant de eenige politieagent ons een weg tusschen al die stijf tegen elkander dringende schouders door.

Op het kleine, stoffige marktplein met lage huizen er omheen wachten ons twee zonderlinge voertuigen, waar ik vrees, dat ons een marteling te wachten staat, die, hoewel verschillend, niet zal onderdoen voor de gruwelijke kwellingen op den muilezel. Het zijn karren op twee wielen, slecht hangend in roestige veêren, en waarvan de carrosserie, schitterend rood en blauw gekleurd, van boven een galerij van kleine, gele zuiltjes draagt. Als zitplaatsen twee houten planken, die er niet op schijnen berekend, de schokken van den weg te matigen. Die soesta’s, zooals men de wagentjes noemt in het land, worden getrokken door een klein, gezadeld paard, dat strakjes te drinken krijgt uit een blikken emmer, die met een zak haver achter aan het voertuig is bevestigd. Wij installeeren ons met ons drieën in elk der rijtuigen, die, ze mogen dan al niet sierlijk of gemakkelijk zijn, toch het voordeel bieden, dat ze van echt lokale kleur zijn. “Embros!” (Vooruit!) en daar vertrekken we naar Karytena.

De eerste oogenblikken zijn afgrijselijk; diegenen onder mijn lezers, die hun militairen dienst bij de artillerie hebben doorgebracht, en die vele uren achtereen hebben moeten zitten op kanonnen, die over het bouwland stoven in een galoppade, zullen beter dan iemand begrijpen, wat wij moesten doorstaan. De weg is als naar gewoonte, erbarmelijk afgebroken door diepe plassen, waar we in neerstorten, vol losse steenen, die tegen de rijtuigen opspringen en dan zwaar op den grond vallen, terwijl het vervelende drafje, dat aan den wagen een aanhoudende schudding van voren naar achteren geeft, ons volkomen radbraakt. En dan te weten, dat dit ten minste drie uren moet duren! In welk een staat van ontwrichting zullen we ten slotte in dat afgelegen Karytena aankomen?

Intusschen begint de avond te vallen, en dikke, zwarte wolken komen op aan den nog helderen hemel. Zal dan mogelijk het weder toch het succes van onze expeditie bederven en zal het ons verhinderen, morgen te genieten van dat heerlijke licht, zonder hetwelk dit land, dat een zonnevriend is, schijnt te slapen onder een grooten rouwsluier? De weg, gelijk aan een onzer slechtste zandwegen, loopt om bergen, die hier en daar bosschen dragen en gaat dan een klein dal binnen, waar we eenig bouwland zagen. Tegen zeven uur, toen de bijna totale duisternis ons belette, iets van het landschap te zien, begonnen enkele regendruppels te vallen, entegelijkertijdnam een hevige rukwind mijn hoed mee en deed dien verdwijnen in een roggeveld.

Dit onbeteekenende voorval, dat zijn grappige zijde had, dreigt mij met ernstige gevolgen; ik heb natuurlijk geen ander hoofddeksel bij mij, en we komen in een streek, waar ik niet de geringste hoop behoef te koesteren, den hoed, dien ik verloren heb, te kunnen vervangen. Als ik dus niet drie dagen lang mijn hoofd wil blootstellen aan de brandende zon en een doodelijken zonnesteek oploopen, moet ik of mijn hoed opzoeken of de pet van een herder leenen. Daar ik dat tweede alternatief niet dan met een zekeren schroom overdacht, haast ik mij op den grond te springen en ga dan, geholpen door Panayotti, op den tast aan het zoeken in de duisternis. Na eenige minuten vind ik het gewenschte terug.

Eindelijk beginnen we onduidelijk een donkere massa te onderscheiden, die de donkere berg moet wezen, gekroond door het versterkte kasteel van Karytena; maar de slingerende weg maakt zooveel bochten, dat het doel zich schijnt te verwijderen, naarmate we intusschen er dichterbij komen. Plotseling wordt een vuur op den top ontstoken, dan volgt een ander en daar doemen de oude kanteelen van het feodale kasteel helder op in het licht der vlammen. Tegelijkertijd begeven honderden van lichtjes zich op weg langs de hellingen, waar de huizen schilderachtig over zijn uitgestrooid in boven elkaar gelegen reeksen. Een heele menigte is op weg, om ons tegen te komen; de wegen zijn verlicht; daar in de hoogte worden de groote vuren talrijker en bestralen al spoedig het geheele land; een oud kanon, dat alleen op feestdagen wordt gebruikt, dondert met korte tusschenpoozen en wekt de slapende echo’s in de verre bergen.

De boeren hebben den gezant van Frankrijk eer willen bewijzen, omdat zijn naam al lang in Griekenlandpopulair is geworden, en het is hun gelukt, want deze nachtelijke ontvangst in het afgelegen land, bij het dreigend onweêr en in het licht der toortsen, heeft een verrassende uitwerking. Het is acht uur in den avond, als we aankomen aan den voet der steilte; de bewoners wachten ons op ter hoogte van de eerste huizen, en zoodra de soestra’s uit de duisternis te voorschijn treden, gaat er een luide kreet uit aller borst op van: “Zito o kyrios presvis, zito i Gallia! Leve de Gezant, leve Frankrijk!” De burgemeester treedt naar voren, richt tot graaf d’Ormesson eenige welkomstwoorden en verzoekt hem met zijn gevolg in het burgemeesterlijk huis zijn intrek te willen nemen. Panayotti, die meer of minder getrouw de kleine toespraak heeft vertaald, is verrukt en opgewonden, trotsch, dat hij de rol van tolk mag spelen tegenover de saamgestroomde menigte van zijn landgenooten. En terwijl wij antwoorden met helder opklinkende: “Zito i Ellas!” op de vreugdekreten der toortsdragers, begint de beklimming van de lastige, steile straatjes. De geheele bevolking begeleidt de rijtuigen, die in de golvende menigte verdwijnen; een sterke harsgeur stijgt ons naar de keel, en onze schaduwen dansen reuzengroot langs de gevels van de roodgekleurde huizen.

Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.

Tweewielige wagens, rustend op slechte veêren.

Vermoeid en doof van al het lawaai, komen we eindelijk aan de deur van het huis van den demarchos, dat hooger is gelegen dan de andere huizen, zooals past voor de woning van een gemeentelijk magistraatspersoon. We worden eerst gebracht in een vrij groot vertrek, met witgekalkte muren en nog al zindelijk onderhouden; een divan, die op een smalle houten bank gelijkt, bedekt met een rood tapijt van inlandsch weefsel, neemt één wand van het vertrek in, terwijl het sobere ameublement verder bestaat uit een withouten tafel, een vermolmde commode, een vettigen armstoel en eenige stoelen met matten zitting. Tegen den muur hangen op een eereplaats twee chromo’s, die Koningin Olga en Koning George voorstellen; dan eenige gravures, die betrekking hebben op den onafhankelijkheidsoorlog, een vrome schilderij, waarvoor een kaars brandt.

“Kaloi crisete, weest welkom!” herhalen nog eens de burgemeester en zijn vrouw, die in alle bescheidenheid ons de handen komt kussen, en terwijl Panayotti onzen maaltijd gaat bereiden met behulp van een walmende lamp, worden wij gebracht naar de beide vertrekken van het huis, die ons welwillend voor den nacht worden aangeboden. Welke hokken! We vinden er een opeenhooping van onnoembare dingen, van voddige kleeren, die over de meubels hangen, alles van terugstootende vuilheid. De muren hebben gaten, zoo groot, dat men er de hand in kan leggen; de vloeren en de zolderingen zijn zwart; de bedden voorzien van ruwe lakens, die men niet voor andere schijnt te zullen verwisselen, en die door den nacht in een afgrijselijk mysterie zijn gehuld. Ons besluit was dan ook weldra genomen; we zullen in de ontvangkamer blijven, die thans onze eetzaal is en die dan in slaapzaal zal worden veranderd, want hier zullen we beter in staat zijn, de ontberingen van ons lot te dragen. Onze gastheer schijnt zeer verbaasd over dat onverwachte besluit, en we hooren hem langen tijd met zijn vrouw praten, terwijl die laatste haar zorgen wijdt aan een lamsgebraad, dat straks ons menu van spijzen uit blikjes moet aanvullen.

Wij moeten het meest mogelijke nut trekken uit de aanwezige meubels, die te onzer beschikking staan. De gezant, die zijn veldbed heeft meegenomen, is al gered; dus blijven er voor ons vijven een tafel, vier stoelen, een leunstoel en de ongemakkelijke divan. Het is er nu om te doen, die ongelijksoortige dingen in bedden veranderen, of ten minste in iets, dat er een beetje op gelijkt! De taak gaat inderdaad boven onze krachten, en we moeten al spoedig afstand doen van het vooruitzicht, een oogenblik gekoesterd, dat we een weinig zouden kunnen uitrusten van de vermoeienissen der reis. De tafel, waaraan we juist hebben gegeten, wordt toegekend aan mejuffrouw d’Ormesson, die er zich op uitstrekt, in haar deken gewikkeld. De beide andere jonge meisjes en ik nemen plaats op den divan, terwijl de heer Benner zich in den armstoel installeert. Den geheelen nacht brengen we zoo door bij het zwavelkleurige licht van bliksemstralen, die voor een oogenblik telkens de huizen bestraalden van het aan onze voeten in het donkere dal der Alpheus sluimerende dorp.

Om zes uur in den morgen waren we op, zonder dat het opstaan ons eenige moeite kostte, ofschoon we veel vermoeider waren dan den vorigen dag. De eenige waschkom uit het huis wordt op een steenvóór het huis neergezet, en ik vermoed, te oordeelen naar de belangstelling, die wij bij de inboorlingen gaande maken, dat het schouwspel van een persoon, die zijn morgenwassching doet, en die een handdoek gebruikt, iets zeer zeldzaams is hier. Weldra verschijnen de beide soesta’s van den vorigen dag bij een bocht van den weg. “Kalin antamosin, dat God u een aangename ontmoeting bezorge!” klinkt het uit den mond van den burgemeester, die daarbij ernstig zijn oogen ten hemel heft, en wij herhalen dezelfde formule, zonder er iets bij te denken, terwijl de beleefdheid ten overvloede nog eischt, dat we er bedankjes bij voegen voor een gastvrijheid, die inderdaad niets beteekende. Daarna beginnen wij langzaam de hellingen af te gaan, gevolgd door kinderen in lompen, die op bloote voeten over de scherpe steenen draven op hoop van een laatste aalmoes.

Het nachtelijke onweêr heeft de temperatuur in het geheel niet opgefrischt en het is al broeiend heet nu in den vroegen morgen; wat zilveren nevelen hangen in het dal, waaruit geblaat van schapen weerklinkt; de hanen roepen elkaar hun morgengroet toe en begroeten de eerste stralen der zon, die boven den Valtetso Voeni verrijst. Langzamerhand trekt de nevel op; de oude huizen van Karytena met hun houten balkons worden achtereenvolgens verlicht, en het indrukwekkende kasteel, dat door Hugo de Brière werd gesticht, en waar Kolokotroni weerstand bood aan het leger van Ibrahim Pacha, teekent trotsch de kroon van zijn hooge gekanteelde muren tegen den bleekblauwen hemel af, waar kleine wolkjes als rose vlokken in drijven.

Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.

Kromgegroeide eiken strekten de magere armen uit.

Wij komen ten laatste aan de diepe bres, waarin de Alpheus bruist tusschen twee kale, steile wanden; er is een mooie brug over den stroom gebouwd en dan begint de weg te stijgen met groote kronkelingen langs de berghelling. De kloof schijnt dieper te worden rechts van ons, naarmate we hooger stijgen; de klank van de watervalletjes wordt flauwer, terwijl de alleenstaande berg van Kalytena steeds majestueuser oprijst boven de valleien, waar het rijpe koren reeds een gele tint over legt. Nog een golving van den bodem, een laatste bocht van den weg, en we verliezen de Alpheus uit het oog, die naar het Noorden haar weg vervolgt. Het fort verdwijnt dan uit ons gezicht, omringd, als het is door hoog oprijzende toppen.

Herder aan den voet van oude olijfboomen.Herder aan den voet van oude olijfboomen.

Herder aan den voet van oude olijfboomen.

Er komen dan een reeks van plateau’s, nu eens mager beboscht met dwergeiken, bloeiende heide en distels, dan weer rotsachtig en onvruchtbaar of wel bedekt met armoedig bouwland. Het land is totaalverlaten, en daar de weg toevallig niet al te slecht was, komen de paarden vrij gauw vooruit. In de verte daagt de Khalasmeno Voeno op, omringd door met groen overdekte hoogten aan den overkant van een diep dal, waar we steeds langs rijden. Het oog rust op een chaos van bergen, die op elkander gestapeld schijnen en waarop kudden geiten loopen te grazen tusschen de struiken. Geen geluid van een vogel, geen menschelijke stem! Die zware stilte begint wezenlijk drukkend te worden, en toen we dan ook tegen tien uur bij een eenzame khani komen, waar onze koetsiers water vinden voor de paarden, zijn we gelukkig, dat we eindelijk eens uit de gruwelijke wagens komen, die sinds gisteren onze ledematen hebben geteisterd, en eens enkele minuten ons vrij kunnen bewegen.

Boeren, die ons tegemoet treden, schijnen erg verbaasd, die groep van Europeanen te ontmoeten, die te voet onderweg zijn. Ze vragen ons natuurlijk, wie we zijn en van waar we komen en blijven staan nadenken, toen ze hooren van Frankrijk en Parijs. Inderdaad beschouwen de Grieken, ook die niet, die tot de hooge kringen behooren, hun land niet als deel uitmakend van Europa. Is dat een natuurlijk gevolg van de ligging van het koninkrijk zoo dicht bij Azië, waar het uit politiek, zoowel als uit sociaal oogpunt eigenlijk bij behoort? Of komt het door het feit, dat het land niet met Europa verbonden is door een spoorweg, of wel moet men die zonderlinge opvatting toeschrijven aan de woeste bergen van Macedonië, die wel een waren slagboom vormen tusschen Griekenland en de andere beschaafde landen? Ik weet het niet, maar zeker is het, dat elken keer, dat een Helleen Athene verlaat, om zich naar een der steden van het vaste land te begeven, hij nooit zal zeggen, dat hij naar Frankrijk of naar Duitschland gaat, maar eenvoudig, dat hij naar Europa vertrekt, en niemand komt het in de gedachte, die manier van spreken zonderling te vinden.

Daarom zijn wij voor onze brave boeren eenigszins legendarische personen, door geheimzinnigheid omringd; we zijn hen al lang voorbijgegaan, als ze nog staan om te kijken, als vastgeworteld op den weg, en eerst als we bij een bocht van den weg geheel zijn verdwenen, zetten ze hun reis voort; ze hebben voor den geheelen dag een onuitputtelijke bron van discours.

Iets verder treft ons oor een scherp geluid. Aan den anderen kant van den weg is in de schaduw van een kromgegroeiden plataan, den eenigen van zijn soort voor verscheiden honderden meters in het rond, een herder gezeten, die langzaam een droevig liedje zingt, een dier klaagzangen, handelend over liefde en oorlog, waarvan sommige coupletten, in een klagend rhythme, dat aan het juk der Turken herinnert, dikwijls heerlijk naïef zijn. Zijn metgezel begeleidt hem op de fluit, terwijl de geiten, moe en loom van het zoeken naar het magere voedsel tusschen steenen, versuft schijnen door de drukkende warmte, waar de krekels zich over verheugen. Het is een bekoorlijk tooneel, en we besluiten, hier te wachten onder het aanroepen van de schim van Theocritus en Virgilius, tot onze rijtuigen komen, die niet ver meer kunnen zijn. Daar komen ze dan ook al in galop aan in een wolk van stof; we moeten ons thans haasten, als we vroeg genoeg te Andritsena willen zijn, om in den namiddag het uitstapje te maken naar Bassae. Dus werd het ontbijt maar in de soesta genuttigd, zoo goed en zoo kwaad, als het gaat en het werd met moeite verteerd. De paarden hebben een drafje aangenomen, en de bewegingen, die ze aan het voertuig bijzetten, zijn zoo gesaccadeerd, dat het haast onmogelijk is, een hapje naar den mond te brengen; glazen en flesschen, borden en messen dansen in de kist van het rijtuig een dollen rondedans, en het is een waar kunststuk, een slok te drinken, zonder bijna al het vocht over zich heen te storten. Eindelijk is daar Andritsena, liefelijk uitgespreid over de groenende hellingen der bergen, half verborgen tusschen de boomen, die langs de bochtige oevers van een paar riviertjes staan. De slanke cypressen, die zulk een kenmerkend karakter aan de landschappen van Griekenland geven, steken in grooten getale tusschen de platanen hun kruinen omhoog, als zooveel zwarte fabrieksschoorsteenen, en olijfboomen vullen de tuinen, waar bronnen murmelen en waar de roode daken der huizen in het groen schitteren.

De straten zijn zoo vol, dat onze soesta’s zich slechts met moeite een weg banen door de krioelende massa menschen, die toegestroomd is, om ons te zien, en het is voor ons maar net mogelijk, aan de deur van de herberg uit te stappen, waar de paarden wachten, gezadeld en gereed voor het vertrek. Al die menschen lijken verbaasd, schreeuwen en gillen en maken allerlei bewegingen als razenden. Er worden uitroepen gehoord, opmerkingen van allerlei aard; men duwt elkander, om beter te kunnen zien, en dat met het gevolg, dat wij tegen den muur worden gedrongen. We gingen er toen ons maal gebruiken met een versterkend kopje koffie. Eindelijk na veel onderhandelingen en zuurzoete discussies tusschen Panayotti en de agoyaten, die het niet eens kunnen worden over een billijke verdeeling van onze bagage, na stroomen van woorden, die op niets uitloopen, komt onze karavaan in beweging en veroorzaakt in de menigte, nu door nieuwsgierigheid als versteend, een langdurige beweging, en dan begint de bestijging langs een voetpad, dat onder hooge eiken loopt boven het lachende dal.

De lucht is bewolkt; het liefelijke landschap van Andritsena verdwijnt om plaats te maken voor kale dalen en heuvels, waar we aanhoudend moeten stijgen en dalen; daarbij steekt de wind op, zwarte wolken drijven boven ons hoofd, alles versombert, en in de stilte weerklinkt alleen de stem van de agoyaten, die elkaar wat toeroepen van het eene naar het andere eind der karavaan. Ze zijn intusschen heel aardig en hulpvaardig, maar ook nieuwsgierig en babbelachtig. Ze willen onze namen en voornamen kennen, enkele gewone woorden in het Fransch hooren, die ze dan grappig herhalen, en toen de jonge meisjes de bloemen aan den weg bewonderen, haasten ze zich, haar die aan te bieden.

Wij stijgen steeds en beklimmen de hoogten van den Paleo Kastro, waar enkele magere eiken, afschuwelijk vergroeid, en bijna bladerloos, hun groote, kale takken uitspreiden. De stammen zijn hier afgeknaagddoor de geiten, daar verbrand door de vuren der herders, en ik kan mij niets treurigers voorstellen dan die verspreide overblijfselen van vroegere bosschen, op het punt van sterven, en nu gesleurd door den hevigen wind. Nog een enkele snelle daling, een stijging door een boschrijker gebied en eensklaps liggen daar beneden ons als een verschijning uit een tooversprookje de zuilen van den tempel van Apollo, vol majesteit uit den grond verrijzend.

Ik geloof niet, dat ik sedert ik in Griekenland ben, een indruk heb gekregen, die zoo sterk was als bij het zien van dit schouwspel. Dat komt, doordien er inderdaad geen enkele tempel is, noch onder de prachtige monumenten van Paestum en Girgenti, die in zoo dichterlijke omgeving ligt en zoo, van uit de verte gezien, afgezonderd en eenzaam daar op een woest gebergte zich verheft te midden van donkere rotsen en dreigende steilten. Een puinhoop van dikke steenen omringt aan alle kanten de zes-en-dertig zuilen, die nog hun architraven dragen en precies den rechthoekigen vorm van het gebouw aangeven. Zoo is dan ook de aanblik van het zoo goed bewaard gebleven gebouw verrassend; er is hier geen marmer gebruikt, maar een soort van grijzen kalksteen, die wonderlijk mooi samenstemt met den algeheelen indruk van het landschap op dezen laten, donkeren, regenachtigen namiddag.

We betreden den tempel door den pronaos, gaan door de cella, nog duidelijk aangegeven door de lijn der instortende muren, waarboven de kale bergtoppen opsteken, en waar het gras groeit tusschen de reten der steenen. Het lijkt ons, dat we aan het eind zijn gekomen van een vrome bedevaart; ieder zwijgt, denkend aan de wonderbare oudheid, aan de gewijde ceremoniën, waardoor de glorie en de macht werden verheerlijkt van die goden, die nu begraven liggen onder de puinhoopen van hun altaren in de grootsche en plechtige omgeving van de droevig stemmende natuur.

Die herinneringen bestormen in massa onzen geest, en enkele oogenblikken later bereiken we den nabijzijnden top van den Kotylion, van waar men het uitzicht heeft op een wijd bergenpanorama. Ik herken den Taygetos, de vlakte van Messenië, de golf van Kalamata, nauwelijks zichtbaar in den opkomenden nevel; de sneeuw van den Erymanthos is in het Noorden zichtbaar, en dichterbij zien we het dal der Alpheus en de eentonige lijn van de golf van Kyparissia. Maar de blik wordt als vastgehouden door het heiligdom van Apollo, dat aan onze voeten ligt, vol majesteit in de eeuwenlange vergetelheid en waar groote roofvogels boven zweven. Met een diep bewogen gemoed en onder den indruk dier hooge kunst, dalen we eindelijk weer af door de bloeiende bremstruiken en door eikenboschjes, die alleen voor ons het eeuwige lied der lente zingen en die ons schijnen te zeggen, dat ten minste niet alles dood is op deze plek....

Geduldig wachten ons de agoyaten, pratend met een zonderling wezen, uit ik weet niet wat voor hol gekropen. Is het wel een man, niet eerder een vrouw? Welk bestaan leidt het? De kleeding doet het eerste vermoeden, maar het fijne gezicht, de lange haren, de zachte en droeve oogen doen ons aarzelen. Onnoodig, pogingen aan te wenden, om het wezen aan het spreken te brengen; het kijkt ons vast aan, zonder de lippen te openen en wij moeten weer vertrekken, zonder het geheimzinnig raadsel te hebben opgelost. De avond valt; nog eenmaal werpen we een blik op de zuilen, die weldra in een terreinplooi zullen verdwijnen en we slaan den terugweg in.

Het is donker onder de boomen, en de paarden struikelen telkens; maar we moeten haast maken, om aan een lange, moeilijke, nachtelijke reis te ontkomen. Maar ondanks onze pogingen en trots de flinkheid van onze paarden is het donker, als we tegen acht uur eindelijk te Andritsena aankomen. Panayotti wacht ons, om ons naar het gastvrije huis te geleiden van een notabele uit het stadje, waar we hopen degelijk te kunnen uitrusten van de vermoeienis der beide zware dagen. Daar wacht ons een aangename verrassing; zachte matrassen liggen op den parketvloer der kamers, die eenvoudig en zindelijk zijn; alles ademt hier welstand en een zeker comfort, die beide prettig afsteken bij de armoede der woningen, tot nu toe door mij gezien in Griekenland. Wij kunnen onze oogen niet gelooven en zijn nog onder de bekoring, die bij ons wordt gewekt door de gedachte aan een te verwachten goeden nacht, als zich een statige heer in de deur vertoont en de eer verzoekt van ons bezoek aan de stedelijke bibliotheek, waar, naar het schijnt, eenige oude fransche boeken aanwezig zijn uit den tijd der frankische bezetting. Die perkamenten zijn, daar twijfelen we niet aan, uiterst belangrijk, maar het oogenblik komt ons heel slecht gekozen voor, om ze te bezichtigen.

Wij kijken elkander eens aan, en ons gelaten in ons lot schikkend, volgen we zonder geestdrift den braven man, die gelukkig is door het genoegen, dat hij ons meent te verschaffen. Eenige oogenblikken later zijn we in de groote zaal der helleensche school, waar bij het licht van een waskaars, door den priester vastgehouden, we in haast de interessantste planken nagaan. Maar de vermoeidheid is grooter dan onze moed; ondanks alles glijden onze oogen, zonder te zien over de manuscripten, die het misschien de moeite waard zou wezen, rustig te onderzoeken, en na vele dankbetuigingen bereiken we zoo gauw mogelijk ons logies.

We werden eerst om zes uur den volgenden morgen wakker, juist op het oogenblik, toen de roode zonneschijf, van achter de bergen te voorschijn komend, een groot vuur schijnt te ontsteken. Het belooft een prachtige dag te worden, en vroolijk gestemd, zoeken we onze paarden op, die ons wachten met dezelfde agoyaten van den vorigen dag, om ons aan de golf van Kyparissia te brengen naar het kleine station Boezi, waar de spoorweg van Pyrgos langs gaat. Het vriendelijke dorp Andritsena, van waar men een uitzicht heeft naar het Noorden tot de toppen van den Olonos, half wegschuilend in den morgennevel, verdwijnt weldra in zijn bed van groen.

Dan volgt er eerst een aangename rit over zacht en bebloemd gras, waar gele margarieten licht zich wiegelen op den wind en nog vochtig zijn van den nachtelijken dauw; er staan primula’s naast anemonenen roode papavers, terwijl verderop lange reeksen eglantieren hun wortels baden in de heldere bedding der beken. Maar spoedig gaat het pad stijgen; we rijden door een boschrijke streek, en dan komen weldra steenen met magere struiken en de uitloopers van kale gebergten. Gedurende meer dan drie uren beklimmen we aldus zonder ophouden steile toppen, waar de weg over loopt, om dadelijk aan de andere zijde weer te dalen.

De agoyaten, springend van steen op steen, glijden telkens uit, terwijl de wortels en takken hun tegen de beenen slaan; maar ze zijn te opgewekt, dan dat het hen zou verhinderen, luide te zingen. Soms laat een van hen een keelklank hooren, waarop het voorste paard zijn gang versnelt en dan weer kalm gaat draven; de anderen volgen en daar gaan onze mannen aan den haal onder het lachend geroep van: “Aïdé, aïdé!” om hun beesten nog maar meer aan te zetten. Maar we vragen al gauw om genade, want het is niet mogelijk, zoo’n proef lang te doorstaan op zulke wegen. De groote kinderen, die zich te onzen koste hebben vermaakt, gaan dan kalm hun gezang weer voortzetten.

Brug over de kloof der Alpheus.Brug over de kloof der Alpheus.

Brug over de kloof der Alpheus.

Tegen elf uur vertoont zich het eenige dorp, dat we den geheelen dag te zien zullen krijgen; na een korte rust in de schaduw van de huizen beginnen we de helling van den pas te bestijgen, aan welks andere zijde zich het dal van de Neda bevindt. Het is moeilijk stijgen in den onverbiddelijken zonneschijn; maar het schouwspel, dat ons boven wachtte, beloonde wel voor de inspanning. Door reusachtige bosschen, die in zachte helling een groen tapijt spreiden tot beneden aan de zee, kronkelt zich de rivier sierlijk over de gele steenen. We hebben nu het aangename vooruitzicht, onder de groote boomen te rijden, verkwikt door de nabijheid van het koele water. Maar eerst moeten de paarden rusten, en wij maken van de halte gebruik, om te ontbijten niet ver van een bron, waar vrouwen haar armoedige linnen wasschen.

Dadelijk daarna de prettige rit onder de boomen in de heerlijke schaduw, die aan de boschjes van Frankrijk doet denken. Beneden in het dal aangekomen, volgen we aanvankelijk den rechtschen oever van den stroom, om daarna te waden naar den linkeroever. Vijfmaal achtereen moet diezelfde overtocht worden volbracht; onze agoyaten hebben hun schoenen uitgetrokken en loopen door het water, en als dat laatste tot hun knieën stijgt, springen ze vlug op de schouders van hun voorganger, om niet nog dieper te zinken.

Op dit oogenblik gebeurt er iets komieks. Panayotti, die zich wijselijk langs den geheelen weg in de achterhoede van de karavaan had gehouden, op het muildier, dat het proviand droeg, wil een bewijs geven van zijn onafhankelijkheid en op eigen wieken drijven. Maar het bekomt hem slecht. Toen hij zich juist midden in de rivier bevindt, gaat het zadel, waarop hij is gezeten, verschuiven, en in een oogenblik is onze tolk te water geraakt, broederlijk vereenigd met de mand met eieren, de blikjes en de waterflesschen. De drenkeling, die zelf zijn redding bewerkstelligt, komt geheel doorweekt weer aan den wal en houdttriomfantelijkalle proviand omhoog. Hij wordt omringd en met vragen bestormd, en toen we de opmerking maakten, dat dit niet precies de juiste behandeling is voor de rheumatiek, waaraan hij lijdt, haalt hij grappig de schouders op en wijst naar de zon, die inderdaad zich haast, al het vocht van het onvrijwillige bad op te zuigen.

Een half uur later zijn we te Boezi, waar de beschaving, die wij uit het gezicht hadden verloren sinds drie dagen, zich aan ons voordoet in de gedaante van de rails van den spoorweg. En onder het wachten op den trein, liggend onder de olijven, beginnen wij de bekoring van dit vrije leven recht te waardeeren, wetend, dat we het zullen betreuren. De scherpe fluit van een moderne locomotief stoort ons in onze droomerijen.

Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.

Verlaten voetstukken naast brokken van zuilen.

VanBoezinaar Pyrgos heeft men maar drie uren te sporen. Door de raampjes van ons compartiment, waarvan de schokken al heel onbeduidend schijnen na de ritten van Andritsena en Bassae, begroeten wij voor de laatste maal het lachende en grootsche dal der Neda, dat de spoorweg passeert over een brug, om daarna langs het lage, vlakke strand te midden van rijke wijngaarden te belanden aan het zuidelijk uiteinde van het meer van Kaïapha, enkel van de zee gescheiden door een smalle strook lands en waar de visch, naar het schijnt, overvloedig is.

De trein gaat langs den oever, waar de netten hangen te drogen, houdt een oogenblik op te Kaïapha, waar zwavelbaden met die van Loetrako bij Korinthe en die van Aedipso op Euboea dingen om de gunst der helleensche clientèle, overschrijdt de hoogte, waar men de ruïnen vindt van de versterkte vesting Samikon en komt eindelijk over Agoelenitza en de prachtig bebouwde velden aan de lagune bij het station Pyrgos, waar we tot acht uur des avonds op de aansluiting naar Olympia moeten wachten.

Wat al dien tijd anders te doen dan door de stad te wandelen, die intusschen niets belangwekkends heeft? Ze lag vroeger veel dichter bij de zee dan tegenwoordig, maar de aanslibbing van de Alpheus heeft langzamerhand de kustlijn verlegd. De citroen- en moerbeiboomen en de olijven groeien er heerlijk in de moerassige vlakte, waar veel veen in den grond zit, en waar wijngaarden een der beroemdste wijnen uit den Peloponnesus leveren. Pyrgos, dat na Patras en Kalamata het belangrijkste handelscentrum is, voert over Katakolo groote hoeveelheden krenten uit. Al die zaken geven aan de stad een voorkomen van welvaart, dat aan den dag treedt in de hoofdstraat met haar vele winkels; het is er zoo vol, dat we nauwelijks vooruit kunnen komen.

Hier zijn we weer eens het voorwerp van een onbescheiden nieuwsgierigheid, waar ten slotte een gendarme medelijden mee krijgt. Een vlugge uitdeeling van eenige muilperen links en rechts, die in het Oosten het meest doeltreffende argument zijn van een miskende overheid, maakt weldra onzen weg vrij, en we kunnen onze wandeling voortzetten, voorafgegaan door onzen redder, die de gewone belooning voorziende, niet van ons af is te slaan. Na met hem het verre panorama te hebben bewonderd van het eiland Zante, dat in een rooden nevel zich baadt in het licht der ondergaande zon, en na ons natuurlijk te hebben opgehouden in een der café’s van de stad, om er raki, olijven en turksche koffie te gebruiken, bereiken we het station weer, waar al spoedig de trein voor Olympia, komend van Patras, binnenkomt.

En nu volgt een kort nachtelijk reisje van nauwelijks een uur door een licht golvend, door de maan beschenen land. Eindelijk houdt de trein aan een klein station stil, dat geheel donker is en waar de dienstmannen en hôtelbedienden spoedig zich van onze bagage hebben meester gemaakt. Eenige oogenblikken later sluit zich de deur van het Groote Spoorweghôtel achter ons. Het is oogverblindend, mollige tapijten liggen in de corridors en op de trappen; de kamers zijn zeer zindelijk, en er is overvloedig electrisch licht. Men mag aannemen, dat de waakzame oplettendheid van onze Touring Club hier aan het werk is geweest, en dat het land bijna dagelijks wordt bezocht door rijke vreemdelingen, die men op alle manieren het naar den zin moet maken,opdat diegenen, die worden aangetrokken door den roep van Olympia, ook den lof kunnen zingen van de hôtels aldaar.

Welk een verschil met de onmogelijke verblijven, waar we de laatste nachten hebben doorgebracht! Wat een weelde, hoeveel comfort, maar ook welk een ontzettende banaliteit! We verbazen ons over alles, over de duizenderlei kleinigheden, die zoo onontbeerlijk lijken in het dagelijksche leven, en waar wij het toch drie dagen lang wonderwel buiten hebben kunnen stellen. Maar onze met stof bedekte kleeren, onze gezichten, die geen water hebben gevoeld en niet met het scheermes in aanraking zijn geweest, zouden ons doen gelijken op een troep boeren van de Donau, plotseling in de tegenwoordigheid gebracht van de ongekende wonderen der moderne beschaving. Dit alles is zonder twijfel aangenaam, maar ik blijf er niettemin bij, dat een reis in Griekenland, om iemand waarlijk kunstindrukken te geven, meer onverwachts moest meebrengen. Onze hedendaagsche gewoonten vloeken, om zoo te zeggen, met de hier grijpbare overblijfselen uit de oudheid; ze passen wel slecht bij de nog primitieve zeden der tegenwoordige Hellenen en bij de te weinig bekende pracht van het landschap.

In ons tegenwoordig Europa, dat gebanaliseerd is door de spoorwegen, de reisagentschappen en de prentbriefkaarten, is Griekenland nog een der te weinig talrijke landen, waar de toerist een mooie onafhankelijkheid kan genieten en de vreugde mag voelen of ten minste de illusie mag koesteren, dat hij moedig weinig betreden paden heeft gekozen. Laat ons hem zoo lang mogelijk vrij laten en hem in de gelegenheid stellen, zijn onderzoek voort te zetten; laat ons niet al te veel haast maken met het moderniseeren van het land en laat ons doordrongen zijn van het besef, dat comfort de vijand is van het schilderachtige en dat, om dat laatste te vinden, we het eerste moeten kunnen opofferen.

De heer Benner, met wien ik mijn kamer deel, is te veel kunstenaar, om het niet met mij eens te zijn, en wij zouden nog lang over dit onderwerp hebben doorgepraat, als de groote vermoeienis van den dag ons niet had bewogen, om eindelijk het welbehagen te genieten van de aanlokkelijke bedden met de spierwitte lakens. Toegevend, dat de beschaving toch ook wel iets goeds heeft, slapen we in, in slaap gewiegd door het gekwaak van duizenden kikkers in het stilstaande water der moerassen.

Niemand gaat tegenwoordig naar Griekenland, zonder een bezoek te brengen aan Delphi en Olympia, die beide archeologische middelpunten, waar alles is opgegraven door de fransche en duitsche scholen, waardoor de leeken zich een denkbeeld kunnen vormen van de pracht der Oudheid. Het laatste was minder een stad dan wel een groot heiligdom, waar altaren waren voor de meeste goden en waar prachtige periodieke feesten werden gegeven, bekend onder den naam van Olympische spelen. Er was alle macht van het Christendom noodig, om eindelijk aan dien eeuwenouden eeredienst een einde te maken. De tempels vielen langzamerhand in puin, de olijvenbosschen, die hun schaduw wierpen over de altaren, werden de prooi der vlammen, de barbaren kwamen en de aardbevingen voltooiden het werk der menschen. Ze overdekten met een dikke laag aarde de oude schatten, die thans weer aan het licht zijn gebracht.

Daarom is er niet veel over van al die pracht; de monumenten zijn gesloopt; sommige gaan nog schuil in het hooge gras, andere laten niet anders zien dan de treurige massa van hun fondamenten. En een gevoel van onzegbare droefenis, gelijk aan dat, wat men ondervindt bij het bezoek aan een doodenstad, komt over ons, als we door de poort der processies binnenkomen in de reusachtige, gewijde ruimte of de Altis, waar zich alle tempels bevonden. Dat ruime vierkant, aangelegd tegen de groene helling van den berg Kronos, gelijkt veel meer op de werf van een steenhouwer dan op een archeologische reconstructie, en men is eigenlijk verbaasd, er niet de slagen te hooren van hamers of het geknars van zagen.

Noch het Heraion, de oudste, zegt men, van de bekende dorische tempels, noch die van Herodes Atticus, een der romeinsche maecenassen van Griekenland, die met groote kosten naar het terrein der offeranden het water liet voeren, dat er ontbrak, noch het Terras der schatten, waar een reeks kleine kapelletjes stond, die met de offeranden van de steden ook de trofeeën bevatten, door die steden in de gymnastische spelen behaald, noch het Stadion, noch zelfs de reuzentempel van Zeus, waarvan niets over is dan de onderlaag van grijs tufgesteente, kunnen den somberen indruk uitwisschen, op ons teweeggebracht door den aanblik van de onherstelbare ruïne.

Toch krijgt men van daar een overzicht van het geheele terrein der ruïnen, vanaf het Metroon of den tempel van de moeder der goden, tot het Paleis van den Olympischen Senaat, van het Hippodroom en het huis van Nero, dat hij zich had laten bouwen, om de spelen te kunnen bijwonen, tot het reusachtige Leonidaeon dat, met het Prytanaeum, de beroemdste bezoekers ontving. Maar dat alles is thans niet anders dan een opeenhooping van voetstukken, die daar eenzaam en verlaten staan of van afgebroken zuilen, en men moet, als men niet in zijn diepste wezen archaeoloog is, zulk een groote dosis verbeeldingskracht hebben en zulk een goeden platten grond, om zich thuis te voelen te midden van de vormlooze overblijfselen, die vaak ver van hun primitieve standplaats zijn getransporteerd, dat we verlangen naar het zien van meer wezenlijke dingen.

Door resten van vestingen en byzantijnsche kerken naast romeinsche fondamenten en helleensch beeldhouwwerk bereiken wij den heuvel Droeva, waar een rijk bankier uit Athene, de heer Syngros, op zijn kosten het Museum heeft laten oprichten, dat thans den prachtigen Hermes van Praxiteles herbergt, die bijna ongeschonden werd teruggevonden in het Heraion onder een dikke laag leem, naast de uitgezocht schoone figuur der Gevleugelde Overwinning, in sierlijk stoute beweging haar voetstuk verlatend. Het Hermesbeeld is gehouwen uit een schitterend wit blok marmer; het schijnt mij het zuiverst ideaal van mannelijke schoonheid te verwezenlijken, zooals het majesteitelijke hoofd zich buigt in teederheid tot Dionysos, dien hij in zijn armen draagt, en we gevoelen tegenover dit magistrale werk eenzoo heftige ontroering, dat we op eenmaal de teleurstelling vergeten, die over ons kwam op het terrein van de opgravingen.

De namiddag wordt besteed aan den tocht naar Patras met den spoorweg; de warmte was eerst zoo hevig, dat we geen woord uitbrachten en in stilte leden op de banken van de coupé; het landschap vlamt onder den brand der zon, en arbeiders, naar den grond gebogen, met een doek om het hoofd, waarvan ze de slippen tusschen de tanden vasthouden, komen een oogenblik overeind, om ons te zien voorbijgaan. De locomotief schijnt doordrongen van haar belangrijkheid; ze fluit geestdriftig, alsof ze op haar persoon de bewonderende aandacht wilde vestigen. Als al dat lawaai onzen gang maar bespoedigde! Maar daar moet men niet op hopen, en het is hier recht duidelijk veel lawaai en weinig wol.

En zwaar en eentonig gaan de uren voorbij; nauwlettend staat de trein bij alle kleine stations stil, die vaak niet anders zijn dan loodsen met een tafel op het perron, die als buffet dienst doet en waar harde eieren, kaas en wijn zijn te krijgen, alles zwart van vliegen en een geur verspreidend, die ver van lekker is. Eenige fustanella’s stappen in en uit; menschen, die niets te doen hebben leunen tegen de hekken met halfnaakte, koperkleurige straatjongens; er wordt gelachen, gepraat, en we staan soms zoo lang stil, dat ik den tijd heb, prachtige margarieten te plukken, waarvan de heerlijke frischheid ons een poosje verkwikt.

Overigens komen, we nader bij de zee, waarvan ons juist als bij Pyrgos reeksen van plassen scheiden; dit zijn de uitgestrekte bezittingen van Manaloda, gedeeltelijk nog onbebouwd, toebehoorend aan den troonopvolger. Rechts sluit de majestueuze Erymanthos, waar de spoorweg omheen loopt, den horizon af met zijn rotsblokken, zijn diepe kloven en donkere bosschen; de zon daalt langzaam naar de zee en gaat er in rusten, als wij eindelijk aankomen, na door beddingen van rivieren te zijn gegaan, bij het station Kato-Achaia, op den zuidelijken oever van de golf van Patras, die we nu verder volgen.

Het ondergaan van de zon heeft inderdaad in het Oosten iets indrukwekkenders dan elders. Hier, waar de zee zich klein schijnt te willen maken, om beter te kunnen doordringen in den chaos van grootsche bergen, die haar omsluiten, is de tegenstelling van tinten, de verschillende kleur der onderdeelen van het landschap werkelijk verrassend. De reeds donkere massa van kaap Kalogria doet zich aan ons voor en dekt de vlakte met haar schaduw; de geheel zwarte voet van den Erymanthos wordt langzamerhand lichter naarmate we naderen; de hoogten van Missolonghi, violet in hun middengedeelte, behouden op hun toppen een zachtrose tint, die zich weerspiegelt in de gouden streep over de golf. Alleen de ongeloofelijke helderheid en doorschijnendheid van de grieksche atmosfeer kan de ontplooiing van zooveel pracht tot stand brengen. Wij worden niet moede, die te bewonderen, tot eindelijk de aankomst in de voorsteden van Patras te midden van de omgewoelde graven ons opwekt uit de droomen van onze stille beschouwing.

De gezant, die graag spoedig weer in Athene terug wil zijn, beslist den volgenden morgen te willen vertrekken; maar hij geeft mij verlof, er mijn verblijf te verlengen en machtigt mij zelfs, de interessante punten te bezoeken van de noordkust van den Peloponnesus. Vroeg in den morgen begeef ik mij dus naar het station, dat aan de haven is gebouwd tegenover het hôtel waar wij den nacht hebben doorgebracht, om bij het vertrek van mijn reisgezellen tegenwoordig te zijn.

De lezer moet zich vooral niet voorstellen, dat Patras, de derde stad van Griekenland, de eerste van den Peloponnesus, omdat ze tegenwoordig 50.000 inwoners telt, een van die mooie stationsgebouwen bezit, zooals we in duitsche steden gewend zijn. O neen, zeker niet; het meest bescheiden station van onze fransche spoorwegen is mooier en vooral zindelijker dan de ellendige houten loods, ingesloten tusschen de naburige huizen, waar reizigers en goederen opgestapeld worden in de grootste wanorde.

Een of twee wegen komen op den spoorweg uit, en de trein wacht geduldig te midden van een nieuwsgierige menigte, tot eindelijk het sein wordt gegeven voor het verder gaan. Het scheelt niet veel, of men zou zich wanen op een dier lijnen in Afrika, waar enkel een eenvoudige paal de halte aangeeft! En toch is dit de plaats, waar de meeste reizigers uit Europa aankomen met bestemming naar Griekenland; ik vraag mij af, hoe groot wel de verbazing moet wezen van de rijke toeristen bij den aanblik van zoo’n tooneel en welk een onaangenamen indruk ze wel moeten krijgen bij hun eerste aanraking met de gemeenschapsmiddelen van dit land.

Patras, megalomaan als alle andere steden, trotsch op zijn belangrijkheid, schaamt zich over dezen staat van zaken; er is al lang sprake van, aan de stad eindelijk een station te schenken, dat beter aan de wassende behoeften voldoet; maar hier stuit men weer als altijd op die vervelende geldquaestie, die de mooiste plannen in den dop verstikt. Laat ons intusschen hopen, dat dit plan wordt verwezenlijkt, en dat een rijk inwoner van Patras door een edelmoedige schenking aan die dagelijksche vernedering een eind make, die telkens samenvalt met het vertrek van den exprestrein naar Athene.

Toen ik kort daarna alleen was gelaten, ging ik de moderne hoofdstad van Achaja bekijken, die het tooneel is geweest van de ontscheping der Franken onder Villehardouin en Champlitte en die ook het eerst werd veroverd; ze is in het begin der vorige eeuw verwoest geworden, maar heeft zich snel weer opgericht en werd herbouwd naar een reusachtig plan. Daardoor lijkt ze nu nog bijna een doode stad ondanks den vluggen aanwas der bevolking. De straten, die met een liniaal getrokken schijnen, snijden elkaar alle rechthoekig naar het voorbeeld der amerikaansche steden; er loopen breede, marmeren trottoirs langs en er staan huizen met arcaden; groote, eenzame pleinen, overschaduwd door peperboomen, verbreken van tijd tot tijd de kunstmatige eentonigheid van die eeuwige rechte lijnen, evenwijdig met of loodrecht staande op de kust.

Ik volg een der in laatstgenoemde richting loopende, de Sint-Nicolaasstraat, die in een zachte helling stijgt naar het venetiaansche kasteel, van waar meneen prachtig uitzicht heeft over de groote wijngaarden, die een rijkdom zijn van het land, over de golf van Lepanto, de kust van Aetolië en de Jonische eilanden. Er is trouwens niets bijzonder merkwaardigs in dien hoop van muren, waarvan het best bewaard gebleven gedeelte tegenwoordig als kazerne wordt gebruikt. Ik daal weer naar beneden door de straatjes van de hooge stad, waar ezeltjes, doorbuigend onder het te zware gewicht van manden, die hun tegen de zijden hangen, voortgedreven worden door kooplieden met groenten en vruchten. “Aurea kortaria, portokalia, hier zijn mooie groenten, oranjes!” roepen ze in de openstaande deuren der huizen, waar, voor hen maar al te dikwijls, slechts het geblaf van een hond hun antwoord geeft. Iets lager verdwijnen twee ongelukkige ezels onder den zwaren wirwar van takkebossen, die ze in den vroegen morgen al hebben gehaald; er zijn er zooveel op hun armen rug gestapeld, dat alleen de kop en de uiteinden der pooten te voorschijn komen uit het struikgewas, dat breeder is dan de rijtuigen, die moeten worden gepasseerd, een zonderlinge vertooning, enkele schreden verder verdwijnend in het dichte stof van den weg.


Back to IndexNext