[Inhoud]HOOFDSTUKIX.Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een «nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was, maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid.In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis!Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld omzetbare dat hij meedragen[124]kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg, omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje vertegenwoordigend.De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing. Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan!Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud der laadjes van zijn schrijftafel … och, dat kon alles blijven: wat gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat[125]kiekje van haar! Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar.’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar vallen.En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn wandelstok in de rechter.Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in. Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer[126]zijn hart ook naar haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad,ja, hij moest naar Leiden, naar Frederik … Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee!Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had, ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven. In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zichexcuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon … Ja, hij dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel fijn uitgedrukt, ofschoon … ’t was een heel bizonder«collegium». En, al wist hij heel goed, dattres faciunt collegiumvoor dit geval had hijduovolkomen voldoende gevonden, en de tweede van die beiden was niet[127]de professor geweest, die op bedoelde middag zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde …Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal».Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien.Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten: Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist, herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden … En dan[128]dadelijk naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen.Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze. Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle overbodige weelde, onder ’tvolkwou hij zich bewegen, als een werkman!Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe levens-opvattingen.Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher[129]tegenover hem met zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn «molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur deed zweven?Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek, ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren, duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven.Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten over.Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was.…Nou ja, Frits had zijn telegram.…«Juffrouw, meneer van Elst thuis?»«Nee, meneer.»[130]«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?»«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?»Frans trippelde van ongeduld.«Ja» zei Frans kortaf.«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer wachte. Meneer is seffens thuis.»«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op.«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken.Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht.De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; deboekenplankenmet de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere«medicus», onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer.[131]Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond, uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden! Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had … De eene stelde een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht. Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de «schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs, portretten zelfs … Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak … nergens een spoor.«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht: hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De ziel! Dat is de lieve vrouw, die … Arme Frits: een moeder of zuster had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als voor[132]een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel, maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja … Och nee, hij hield er zich liever niet mee op …Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn derboekenkastmet een rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken keek. Och, die Frits hield zich groot … Schuwheid en schuchterheid altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon van ruw cynisme … De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud, zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig liefde-behoevend … die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld …Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van huidziekten … gekleurd! Sloeg ’t[133]met een klap weer dicht, zette het weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge menschenliefde … Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal, ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij voelde zijn oogen vochtig worden.Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande, bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte.«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij aan de studie?»[134]Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig zette hij ’t boek weg.«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar een van je boeken opgenomen.»«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand.De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan.«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo ontvangen heb?»Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik bleef staan.«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel … Maar je zult misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of wat anders?»«Och nee, dank je … Of … jawel, geef me maar wat wijn en water … Je hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?»«Nou ja, natuurlijk … Zoo erg behoorlijk anders niet.»De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche blik naar zijn vriend.[135]«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n bizonder geval.»«Zal wel.»«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.»«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit, zoo miserabel, zou ik haast zeggen.»Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet meedronk.«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.»«Verliefd?»Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes:«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval … Maar vóor we verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?»«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste …»«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t ’m lever.»Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen hij terugkwam, zat[136]zijn gast met de eene hand onder het hoofd.«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden, he?»«Nee.»«Kom, vertelnou ’sop. Lucht je hart! Is ’t heel naar?»«O, kerel …»De jonge medicus zette zich tot luisteren.Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een ijlende koortslijder.De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking.«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht.De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden witte rattekop-haar[137]een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vastop-een.«Ezel!» klonk het kortaf en strak.Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of watclown-achtigetronie van zijn vriend.«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.»Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd, scheef in zijn mond, door de kamer.«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing.«Jij bent …»«Zwijg … Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?»«Ja, goed» mokte Frans.«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.… naar je vader terug. En heel in de vorm je excuus maken.»«Onmogelijk!»«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk,[138]als ik je hersen-capaciteit gelijk nul stel? Zeker naar Marta?»«Och, natuurlijk niet!»«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?»«Of in ’t buitenland.»«Je hebt zeker geld genoeg.»«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.»«En dan?»«Dan kan ik werken …»«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?»«Waarom niet?»«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm, jawel.»«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad …»«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien, vijftiensomseen behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag aangeslagen: de staat doet er niets voor … Kijk ’s naar zoo’n Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat om«vaderlandsche»letteren.»[139]«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.»«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En dan … Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t slot van de geschiedenis is, dat je … dat Marta jou onderhoudt.»Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de oogen.«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.»«Dulden, dulden … maar als je eenmaal samenbent…Nee, baasje: doe wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers niet …»«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van Frits ongemakkelijk vond.«Je moet het zelf weten.»«Ik kan niet langer thuis zijn.»«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je slaapgelegenheid wijzen?»[140]Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was.Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in het onzekere aangaande zijn eerste plannen.Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan.’t Was toch beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn voornemens.Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam, en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta woonde.Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet.Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat[141]kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen in de kost gedaan had.Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde.Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel, getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen van wijn,bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame[142]«kleine luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde.Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde «Wintertuin» achterin.Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek» roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders heengaan?Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed? Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn!Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje … of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek door de glazen[143]deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar denken—in de verte!—maar die gang, die voeten!Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze was alleen in de gang.De glazen deur werd opengestooten en vlug,rank en bevallig stapte het kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag: hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig!Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn plaats.Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald.«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En zij, alsof ze schrok:[144]«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken blonk er een hartelijke lach in beider oogen.Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen!’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit, en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was heel anders dan bij zijn vriend Frits.Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid.Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna eronder.«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht.[145]Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde haastig wat.«Twee koffie … Jij ook immers, Marta?»Zij knikte.«Hoe is t met.… waar je geweest ben vandaag?»Marta kleurde.«O best … Hij maakt ’t heel goed.… Ik had behoefte hem te zien na.… onze verklaring.»Frans keek haar zwijgend aan.«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb dat op mijn manier wel gedaan gekregen.…»«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man.«Alle drie.…»Marta knikte, zielsgelukkig.«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.»O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend. Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.… Maar wat zou dat nòg! Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gafhijhaar niet zijn steun, zijn bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun[146]beider belangen, aan de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een toekomst van geluk?Ze was vrouw en ze was jong.…[147]
[Inhoud]HOOFDSTUKIX.Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een «nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was, maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid.In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis!Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld omzetbare dat hij meedragen[124]kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg, omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje vertegenwoordigend.De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing. Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan!Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud der laadjes van zijn schrijftafel … och, dat kon alles blijven: wat gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat[125]kiekje van haar! Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar.’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar vallen.En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn wandelstok in de rechter.Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in. Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer[126]zijn hart ook naar haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad,ja, hij moest naar Leiden, naar Frederik … Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee!Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had, ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven. In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zichexcuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon … Ja, hij dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel fijn uitgedrukt, ofschoon … ’t was een heel bizonder«collegium». En, al wist hij heel goed, dattres faciunt collegiumvoor dit geval had hijduovolkomen voldoende gevonden, en de tweede van die beiden was niet[127]de professor geweest, die op bedoelde middag zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde …Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal».Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien.Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten: Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist, herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden … En dan[128]dadelijk naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen.Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze. Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle overbodige weelde, onder ’tvolkwou hij zich bewegen, als een werkman!Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe levens-opvattingen.Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher[129]tegenover hem met zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn «molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur deed zweven?Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek, ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren, duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven.Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten over.Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was.…Nou ja, Frits had zijn telegram.…«Juffrouw, meneer van Elst thuis?»«Nee, meneer.»[130]«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?»«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?»Frans trippelde van ongeduld.«Ja» zei Frans kortaf.«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer wachte. Meneer is seffens thuis.»«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op.«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken.Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht.De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; deboekenplankenmet de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere«medicus», onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer.[131]Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond, uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden! Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had … De eene stelde een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht. Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de «schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs, portretten zelfs … Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak … nergens een spoor.«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht: hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De ziel! Dat is de lieve vrouw, die … Arme Frits: een moeder of zuster had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als voor[132]een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel, maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja … Och nee, hij hield er zich liever niet mee op …Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn derboekenkastmet een rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken keek. Och, die Frits hield zich groot … Schuwheid en schuchterheid altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon van ruw cynisme … De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud, zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig liefde-behoevend … die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld …Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van huidziekten … gekleurd! Sloeg ’t[133]met een klap weer dicht, zette het weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge menschenliefde … Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal, ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij voelde zijn oogen vochtig worden.Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande, bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte.«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij aan de studie?»[134]Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig zette hij ’t boek weg.«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar een van je boeken opgenomen.»«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand.De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan.«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo ontvangen heb?»Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik bleef staan.«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel … Maar je zult misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of wat anders?»«Och nee, dank je … Of … jawel, geef me maar wat wijn en water … Je hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?»«Nou ja, natuurlijk … Zoo erg behoorlijk anders niet.»De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche blik naar zijn vriend.[135]«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n bizonder geval.»«Zal wel.»«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.»«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit, zoo miserabel, zou ik haast zeggen.»Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet meedronk.«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.»«Verliefd?»Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes:«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval … Maar vóor we verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?»«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste …»«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t ’m lever.»Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen hij terugkwam, zat[136]zijn gast met de eene hand onder het hoofd.«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden, he?»«Nee.»«Kom, vertelnou ’sop. Lucht je hart! Is ’t heel naar?»«O, kerel …»De jonge medicus zette zich tot luisteren.Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een ijlende koortslijder.De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking.«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht.De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden witte rattekop-haar[137]een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vastop-een.«Ezel!» klonk het kortaf en strak.Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of watclown-achtigetronie van zijn vriend.«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.»Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd, scheef in zijn mond, door de kamer.«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing.«Jij bent …»«Zwijg … Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?»«Ja, goed» mokte Frans.«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.… naar je vader terug. En heel in de vorm je excuus maken.»«Onmogelijk!»«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk,[138]als ik je hersen-capaciteit gelijk nul stel? Zeker naar Marta?»«Och, natuurlijk niet!»«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?»«Of in ’t buitenland.»«Je hebt zeker geld genoeg.»«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.»«En dan?»«Dan kan ik werken …»«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?»«Waarom niet?»«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm, jawel.»«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad …»«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien, vijftiensomseen behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag aangeslagen: de staat doet er niets voor … Kijk ’s naar zoo’n Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat om«vaderlandsche»letteren.»[139]«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.»«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En dan … Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t slot van de geschiedenis is, dat je … dat Marta jou onderhoudt.»Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de oogen.«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.»«Dulden, dulden … maar als je eenmaal samenbent…Nee, baasje: doe wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers niet …»«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van Frits ongemakkelijk vond.«Je moet het zelf weten.»«Ik kan niet langer thuis zijn.»«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je slaapgelegenheid wijzen?»[140]Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was.Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in het onzekere aangaande zijn eerste plannen.Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan.’t Was toch beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn voornemens.Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam, en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta woonde.Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet.Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat[141]kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen in de kost gedaan had.Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde.Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel, getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen van wijn,bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame[142]«kleine luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde.Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde «Wintertuin» achterin.Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek» roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders heengaan?Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed? Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn!Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje … of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek door de glazen[143]deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar denken—in de verte!—maar die gang, die voeten!Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze was alleen in de gang.De glazen deur werd opengestooten en vlug,rank en bevallig stapte het kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag: hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig!Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn plaats.Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald.«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En zij, alsof ze schrok:[144]«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken blonk er een hartelijke lach in beider oogen.Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen!’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit, en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was heel anders dan bij zijn vriend Frits.Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid.Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna eronder.«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht.[145]Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde haastig wat.«Twee koffie … Jij ook immers, Marta?»Zij knikte.«Hoe is t met.… waar je geweest ben vandaag?»Marta kleurde.«O best … Hij maakt ’t heel goed.… Ik had behoefte hem te zien na.… onze verklaring.»Frans keek haar zwijgend aan.«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb dat op mijn manier wel gedaan gekregen.…»«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man.«Alle drie.…»Marta knikte, zielsgelukkig.«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.»O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend. Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.… Maar wat zou dat nòg! Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gafhijhaar niet zijn steun, zijn bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun[146]beider belangen, aan de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een toekomst van geluk?Ze was vrouw en ze was jong.…[147]
HOOFDSTUKIX.
Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een «nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was, maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid.In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis!Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld omzetbare dat hij meedragen[124]kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg, omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje vertegenwoordigend.De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing. Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan!Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud der laadjes van zijn schrijftafel … och, dat kon alles blijven: wat gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat[125]kiekje van haar! Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar.’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar vallen.En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn wandelstok in de rechter.Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in. Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer[126]zijn hart ook naar haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad,ja, hij moest naar Leiden, naar Frederik … Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee!Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had, ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven. In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zichexcuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon … Ja, hij dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel fijn uitgedrukt, ofschoon … ’t was een heel bizonder«collegium». En, al wist hij heel goed, dattres faciunt collegiumvoor dit geval had hijduovolkomen voldoende gevonden, en de tweede van die beiden was niet[127]de professor geweest, die op bedoelde middag zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde …Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal».Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien.Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten: Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist, herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden … En dan[128]dadelijk naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen.Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze. Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle overbodige weelde, onder ’tvolkwou hij zich bewegen, als een werkman!Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe levens-opvattingen.Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher[129]tegenover hem met zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn «molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur deed zweven?Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek, ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren, duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven.Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten over.Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was.…Nou ja, Frits had zijn telegram.…«Juffrouw, meneer van Elst thuis?»«Nee, meneer.»[130]«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?»«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?»Frans trippelde van ongeduld.«Ja» zei Frans kortaf.«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer wachte. Meneer is seffens thuis.»«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op.«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken.Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht.De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; deboekenplankenmet de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere«medicus», onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer.[131]Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond, uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden! Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had … De eene stelde een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht. Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de «schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs, portretten zelfs … Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak … nergens een spoor.«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht: hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De ziel! Dat is de lieve vrouw, die … Arme Frits: een moeder of zuster had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als voor[132]een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel, maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja … Och nee, hij hield er zich liever niet mee op …Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn derboekenkastmet een rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken keek. Och, die Frits hield zich groot … Schuwheid en schuchterheid altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon van ruw cynisme … De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud, zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig liefde-behoevend … die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld …Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van huidziekten … gekleurd! Sloeg ’t[133]met een klap weer dicht, zette het weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge menschenliefde … Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal, ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij voelde zijn oogen vochtig worden.Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande, bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte.«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij aan de studie?»[134]Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig zette hij ’t boek weg.«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar een van je boeken opgenomen.»«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand.De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan.«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo ontvangen heb?»Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik bleef staan.«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel … Maar je zult misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of wat anders?»«Och nee, dank je … Of … jawel, geef me maar wat wijn en water … Je hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?»«Nou ja, natuurlijk … Zoo erg behoorlijk anders niet.»De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche blik naar zijn vriend.[135]«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n bizonder geval.»«Zal wel.»«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.»«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit, zoo miserabel, zou ik haast zeggen.»Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet meedronk.«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.»«Verliefd?»Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes:«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval … Maar vóor we verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?»«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste …»«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t ’m lever.»Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen hij terugkwam, zat[136]zijn gast met de eene hand onder het hoofd.«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden, he?»«Nee.»«Kom, vertelnou ’sop. Lucht je hart! Is ’t heel naar?»«O, kerel …»De jonge medicus zette zich tot luisteren.Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een ijlende koortslijder.De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking.«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht.De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden witte rattekop-haar[137]een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vastop-een.«Ezel!» klonk het kortaf en strak.Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of watclown-achtigetronie van zijn vriend.«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.»Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd, scheef in zijn mond, door de kamer.«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing.«Jij bent …»«Zwijg … Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?»«Ja, goed» mokte Frans.«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.… naar je vader terug. En heel in de vorm je excuus maken.»«Onmogelijk!»«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk,[138]als ik je hersen-capaciteit gelijk nul stel? Zeker naar Marta?»«Och, natuurlijk niet!»«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?»«Of in ’t buitenland.»«Je hebt zeker geld genoeg.»«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.»«En dan?»«Dan kan ik werken …»«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?»«Waarom niet?»«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm, jawel.»«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad …»«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien, vijftiensomseen behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag aangeslagen: de staat doet er niets voor … Kijk ’s naar zoo’n Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat om«vaderlandsche»letteren.»[139]«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.»«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En dan … Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t slot van de geschiedenis is, dat je … dat Marta jou onderhoudt.»Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de oogen.«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.»«Dulden, dulden … maar als je eenmaal samenbent…Nee, baasje: doe wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers niet …»«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van Frits ongemakkelijk vond.«Je moet het zelf weten.»«Ik kan niet langer thuis zijn.»«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je slaapgelegenheid wijzen?»[140]Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was.Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in het onzekere aangaande zijn eerste plannen.Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan.’t Was toch beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn voornemens.Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam, en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta woonde.Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet.Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat[141]kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen in de kost gedaan had.Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde.Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel, getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen van wijn,bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame[142]«kleine luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde.Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde «Wintertuin» achterin.Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek» roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders heengaan?Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed? Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn!Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje … of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek door de glazen[143]deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar denken—in de verte!—maar die gang, die voeten!Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze was alleen in de gang.De glazen deur werd opengestooten en vlug,rank en bevallig stapte het kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag: hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig!Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn plaats.Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald.«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En zij, alsof ze schrok:[144]«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken blonk er een hartelijke lach in beider oogen.Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen!’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit, en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was heel anders dan bij zijn vriend Frits.Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid.Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna eronder.«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht.[145]Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde haastig wat.«Twee koffie … Jij ook immers, Marta?»Zij knikte.«Hoe is t met.… waar je geweest ben vandaag?»Marta kleurde.«O best … Hij maakt ’t heel goed.… Ik had behoefte hem te zien na.… onze verklaring.»Frans keek haar zwijgend aan.«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb dat op mijn manier wel gedaan gekregen.…»«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man.«Alle drie.…»Marta knikte, zielsgelukkig.«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.»O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend. Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.… Maar wat zou dat nòg! Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gafhijhaar niet zijn steun, zijn bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun[146]beider belangen, aan de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een toekomst van geluk?Ze was vrouw en ze was jong.…[147]
Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een «nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was, maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid.
In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis!
Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld omzetbare dat hij meedragen[124]kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg, omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje vertegenwoordigend.
De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing. Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan!
Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud der laadjes van zijn schrijftafel … och, dat kon alles blijven: wat gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat[125]kiekje van haar! Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar.
’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar vallen.
En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn wandelstok in de rechter.
Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in. Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer[126]zijn hart ook naar haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad,ja, hij moest naar Leiden, naar Frederik … Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee!
Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had, ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven. In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zichexcuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon … Ja, hij dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel fijn uitgedrukt, ofschoon … ’t was een heel bizonder«collegium». En, al wist hij heel goed, dat
tres faciunt collegium
voor dit geval had hijduovolkomen voldoende gevonden, en de tweede van die beiden was niet[127]de professor geweest, die op bedoelde middag zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde …
Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal».
Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien.
Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten: Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist, herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden … En dan[128]dadelijk naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen.
Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze. Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle overbodige weelde, onder ’tvolkwou hij zich bewegen, als een werkman!
Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe levens-opvattingen.
Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher[129]tegenover hem met zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn «molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur deed zweven?
Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek, ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren, duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven.
Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten over.
Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was.…
Nou ja, Frits had zijn telegram.…
«Juffrouw, meneer van Elst thuis?»
«Nee, meneer.»[130]
«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?»
«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?»
Frans trippelde van ongeduld.
«Ja» zei Frans kortaf.
«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer wachte. Meneer is seffens thuis.»
«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op.
«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken.
Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht.
De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; deboekenplankenmet de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere«medicus», onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer.[131]
Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond, uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden! Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had … De eene stelde een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht. Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de «schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs, portretten zelfs … Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak … nergens een spoor.
«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht: hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De ziel! Dat is de lieve vrouw, die … Arme Frits: een moeder of zuster had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als voor[132]een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel, maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja … Och nee, hij hield er zich liever niet mee op …
Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn derboekenkastmet een rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken keek. Och, die Frits hield zich groot … Schuwheid en schuchterheid altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon van ruw cynisme … De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud, zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig liefde-behoevend … die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld …
Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van huidziekten … gekleurd! Sloeg ’t[133]met een klap weer dicht, zette het weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge menschenliefde … Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal, ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij voelde zijn oogen vochtig worden.
Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande, bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte.
«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij aan de studie?»[134]
Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig zette hij ’t boek weg.
«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar een van je boeken opgenomen.»
«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand.
De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan.
«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo ontvangen heb?»
Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik bleef staan.
«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel … Maar je zult misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of wat anders?»
«Och nee, dank je … Of … jawel, geef me maar wat wijn en water … Je hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?»
«Nou ja, natuurlijk … Zoo erg behoorlijk anders niet.»
De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche blik naar zijn vriend.[135]
«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n bizonder geval.»
«Zal wel.»
«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.»
«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit, zoo miserabel, zou ik haast zeggen.»
Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet meedronk.
«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.»
«Verliefd?»
Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes:
«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval … Maar vóor we verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?»
«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste …»
«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t ’m lever.»
Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen hij terugkwam, zat[136]zijn gast met de eene hand onder het hoofd.
«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden, he?»
«Nee.»
«Kom, vertelnou ’sop. Lucht je hart! Is ’t heel naar?»
«O, kerel …»
De jonge medicus zette zich tot luisteren.
Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een ijlende koortslijder.
De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking.
«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht.
De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden witte rattekop-haar[137]een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vastop-een.
«Ezel!» klonk het kortaf en strak.
Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of watclown-achtigetronie van zijn vriend.
«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.»
Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd, scheef in zijn mond, door de kamer.
«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing.
«Jij bent …»
«Zwijg … Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?»
«Ja, goed» mokte Frans.
«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.… naar je vader terug. En heel in de vorm je excuus maken.»
«Onmogelijk!»
«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk,[138]als ik je hersen-capaciteit gelijk nul stel? Zeker naar Marta?»
«Och, natuurlijk niet!»
«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?»
«Of in ’t buitenland.»
«Je hebt zeker geld genoeg.»
«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.»
«En dan?»
«Dan kan ik werken …»
«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?»
«Waarom niet?»
«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm, jawel.»
«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad …»
«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien, vijftiensomseen behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag aangeslagen: de staat doet er niets voor … Kijk ’s naar zoo’n Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat om«vaderlandsche»letteren.»[139]
«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.»
«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En dan … Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t slot van de geschiedenis is, dat je … dat Marta jou onderhoudt.»
Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de oogen.
«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.»
«Dulden, dulden … maar als je eenmaal samenbent…Nee, baasje: doe wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers niet …»
«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van Frits ongemakkelijk vond.
«Je moet het zelf weten.»
«Ik kan niet langer thuis zijn.»
«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je slaapgelegenheid wijzen?»[140]
Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was.
Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in het onzekere aangaande zijn eerste plannen.
Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan.’t Was toch beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn voornemens.
Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam, en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta woonde.
Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet.
Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat[141]kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen in de kost gedaan had.
Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde.
Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel, getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen van wijn,bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame[142]«kleine luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde.
Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde «Wintertuin» achterin.
Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek» roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders heengaan?
Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed? Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn!
Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje … of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek door de glazen[143]deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar denken—in de verte!—maar die gang, die voeten!
Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze was alleen in de gang.
De glazen deur werd opengestooten en vlug,rank en bevallig stapte het kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag: hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig!
Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn plaats.
Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald.
«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En zij, alsof ze schrok:[144]
«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken blonk er een hartelijke lach in beider oogen.
Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen!
’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit, en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was heel anders dan bij zijn vriend Frits.
Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid.
Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna eronder.
«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht.[145]
Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde haastig wat.
«Twee koffie … Jij ook immers, Marta?»
Zij knikte.
«Hoe is t met.… waar je geweest ben vandaag?»
Marta kleurde.
«O best … Hij maakt ’t heel goed.… Ik had behoefte hem te zien na.… onze verklaring.»
Frans keek haar zwijgend aan.
«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb dat op mijn manier wel gedaan gekregen.…»
«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man.
«Alle drie.…»
Marta knikte, zielsgelukkig.
«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.»
O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend. Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.… Maar wat zou dat nòg! Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gafhijhaar niet zijn steun, zijn bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun[146]beider belangen, aan de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een toekomst van geluk?
Ze was vrouw en ze was jong.…[147]