[Inhoud]HOOFDSTUKXVII.Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings de deur open.De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige» verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen.«Ik ben hier immers wel goed terecht … nie’waar?…[221]bij Meester Jensen … Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?»Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog onzichtbaar voor de binnentredende.«De meid …» wil deze nog doorgaan.«Ja, stellig … volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en vrouw snellen hem nu tegemoet.«Och, de meid»… hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen,«ik had me vergist … ik vroeg eerst naar Juffrouw … Van Zee … Och, oude gewoonte … toen heb ik dadelijk uw naam genoemd … Dokter Jensen. Ik was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen.En Frans: «Ja … wil u niet gaan zitten?»Marta komt met een gemakkelijke stoel aandragen, zet die bij de kachel, waar ze even vluchtig naar kijkt; pookt erin, trekt een klep open. Haar gezicht gloeit.«Hier, Oom, gaat u hier zitten … hier bij de kachel … die is nog aan. U schijnt erg moe. En buiten adem ook. En koud … Zal ik Uw stoel …?»De oude heer maakt een moê gebaar van dank, en zet zich sterk hijgend neer. Dan zwijgt hij[222]eenige oogenblikken. Marta en Frans staan bij hem aan de andere zijde der kachel.«Ik ben … blij dat ik zit … trappen-klimmen gaat me niet best meer af … op mijn jaren … al is ’t maar eenige treden.»Dan slaat hij een blik vol teederheid op naar Marta. «En Marta, mijn kind, hoe gaat het je?»Er is een lichte trilling in zijn stem en hij heeft zijn magere armen naar de jonge vrouw uitgestrekt, met een gebaar van innige hartelijkheid.Marta barst in zenuwachtig schreien uit, snelt op de zittende toe, en knielt bij hem neder. Dan omhelst ze hem met kinderlijkevleiing.«Oom, lieve goeje beste Oom … Is u niet meer boos op me?»«Boos?… Ik ben nooit boos op je geweest … Ik heb alleen verdriet gehad … Veel verdriet gehad, Marta … Om jou … Kom, ga daar bij me zitten.»Marta zet zich naast hem, en terwijl ze haar tranen droogt, glimlacht ze verlegen. Er glanst een vroolijkheidje uit haar vochtige groote oogopslag, iets van eindelijke ontspanning. Frans blijft intusschen op een afstand op de sofa bij de bordesdeuren, waar hij is gaan zitten. Er is iets stugs in zijn trekken.«Kom ook hier, Frans», dringt Marta, die hem[223]even gadegeslagen heeft. De aangesprokene komt aarzelend naderbij, en blijft dan staan. «Oom, dit is mijn beste man», vervolgt ze op innige toon. «Ik heb na u en mijn vader nog nooit een man zoo liefgehad … Kom, Frans, geef Oom een hand. Alles is vergeten: jij mag Oom ook geen kwaad hart toedragen.»De jonge man aarzelt nòg. Dr. Winter ziet het, en steekt hem met een spontane beweging zijn hand toe.«Hier, jongen,bied ik je mijn hand… Wil je die aannemen? En wil je me … al ’t verdriet vergeven, dat … dat … ik je vrouw heb aangedaan? Och … als je alles wist …»Frans grijpt, zichtbaar ontroerd, de dunne vingers van de grijsaard, en drukt die met krachtige druk, zwijgend.«Ga daar zitten,» gaat de oude voort, terwijl hij Frans steeds aandachtig opneemt: de bewegelijke schrandere prikkelig-kijkende oogen omvorschen diens wezenstrekken, als waren de woorden, die hij spreekt, slechts enkele weerklanken van de vele gedachten, die de aanschouwing bij hem wekt. En Frans gehoorzaamt lijdzaam, sympathiek aangetrokken door de macht van die oogen, die zijn ziel schijnen te willen doorzoeken als met een elektrisch zoeklicht. Ondanks zijn vooringenomenheid[224]voelde hij iets warms in hem opkomen, een kinderlijke vertrouwelijkheids-drang, een behoefte aan uitschreien en algeheele gemoeds-uitstorting. Zoo zou een zoon zich tegenover een vereerde vader voelen, na lang leed onder vreemden.En Marta moest wel veel van zulk een man gehouden hebben. O hoe goed begreep hij nu de machtige bekoring, die van zulk een persoonlijkheid uit moest gaan op een jong ontvankelijk meisje, leergierig als Marta!«Ik ben erg verlangend», brengt Frans na enkele oogenblikken stilte uit, «van u te hooren, hoe alles zich toegedragen heeft … Ik heb een onbeperkt vertrouwen in … Marta, en … ik heb me altijd … ten zeerste verbaasd … verwonderd over Uw houding …»«Best begrijpelijk. Best begrijpelijk, hoor. En je hebt ’t voor haar opgenomen, natuurlijk …»Hij moet even ophouden, want een benauwdheid overvalt hem. Marta schrikt hevig, haalt haastig een glas water uit de naaste kamer, waarvan ze de schuifdeuren zenuwachtig open en weer dicht trekt.De oude man neemt bevend het water aan, en drinkt een paar teugjes, het hoofd in gloed, maar toch met zachte glimlach om de dunne lippen.«Och … ’t is niets … ik heb dat telkens … Nu van die trap zeker … toch maar een tien[225]treedjes, he …» Weer drinkt hij even. «Ja … ik ben al oud … en ik heb een hart-aandoening … een kwaal …»Marta kijkt hem meewarig met haar groote fluweel-oogen aan, lezend iedere aandoening op zijn vertrokken gelaat.«Och Oom!..» zegt ze.«Ja … ’t is nu weer wat over … maar, zie je, de dokter heeft me ook nog een half jaar gegeven.» Weer dat gelaten lachje, dat Marta door de ziel snijdt. «Toch kan ’t ook … zoo … zoo met me gedaan zijn. Daarom …»«Maar Oom, en dan die lange reis … in de winter!..»«Och, wat zal ik je zeggen? Ik moest wel … ikmoest, zie je.» Zijn blik gaat beurtelings van Marta naar Frans.«Ik wou je nog zien vóor … mijn dood..: schuld vereffenen.»«Kom, Oom», hervat Marta met tranen in haar stem en in streelende klankgolving. «Laten we niet meer aan ’t verleden denken …» En ze grijpt zijn hand, die slap langs de leuning van de stoel hing.«Nee, aan ’t … heden alleen, nie’waar? Maar juist daarvoor … Had je nog verdriet … om mij?»Marta slaat de oogen neer voor zijn blik.«Altijd, Oom», zegt ze zacht schreiend. «Altijd![226]Ik heb altijd met liefde aan u gedacht … En dan begrijpt u …»De oude man blijft haar liefdevol gadeslaan. «Mijn lief braaf … goed kind», gaat hij voort.«Net mijn onvergetelijke zuster … je moeder.»Alle drie zwijgen, aangedaan. Frans kijkt stroef.«Nu, Marta, dan moest het je toch … smarten, nie’waar, dat je zoo … voor goed gebroken hadt met je oom. Dat moest nu uit wezen … Ik woû je zien en spreken … ik woû je vergiffenis, Marta … Wat ben je een lieve lieve ziel … dat je me die zoo dadelijk … geschonken hebt …»Een paar tranen rollen blinkend neer uit de strakke oogen, die nu van Marta afgewend vóor zich uit staren.«Och, natuurlijk, Oom» zegt zij teeder.«En dan je man», hervat de grijsaard. «Ik woû ook mijn rekening bij hem vereffenen.» Dan kijkt hij Frans recht in ’t gelaat «Jullie zijn gelukkig, nie’waar? Is ’t niet?»Frans aarzelt even en kijkt Marta aan.«Dat moet jij zeggen, Marta», antwoordt hij dan.«Wat ons … drieën aangaat, onder ons … volkomen, Oom.»«Jullie drieën … maar er zijn meer menschen in de wereld dan jullie drieën, wil je zeggen!..»[227]Weer slaat Marta haar oogen neer vóor ’t vorschende kijken des ouden.«De wereld … och, die laat me koud», tracht ze onverschillig te antwoorden, met schuchtere oogopslag.«Dat meen je niet, Marta.»De schrandere oogen, vorschend uit de donkere diepten der kassen, vestigen zich nu ook op de jonge man. Hij wil spreken, doch bedenkt zich. Zijn brauwen fronsen zich even … «Maar», hervat hij op ietwat andere toon … «ik moet eerst over mezelf … spreken.»«Meneer Winter», valt Frans plotseling in, «hoe kon u, u, die zooveel van Marta hield,.. haar verlaten … opzulkeen oogenblik?»De oude man verschuift even in zijn stoel en zucht:«’t Heeft me … moeite gekost», antwoordt hij kalm-ernstig. «Maar juist omdat ik haar zoo hoog stelde … daarom stelde ik haar volkomen verantwoordelijk voor haar daden. Van wie—men veel verwacht—keurt men ook veel af.—Wie hoog staat—wordt streng geoordeeld.» Even een zucht. «Ik begon met Marta’s—huwelijk met Karel—verkeerd te vinden. Ze was nog veel te jong voor—zulk een stap.—Ik schreef haar op haar mededeeling—hoe ik erover dacht.—Ze[228]antwoordde met een—hooghartige brief …»Marta bloost en buigt het hoofd.«Nu ja», gaat de oude na een oogenblik voort, «dat was niet zoo heel erg.—Maar toen kwam … toen hoorde iknietstot—totdat ze me schreef, dat Karel haar in de steek gelaten had—Ik had in de tusschentijd andere berichten gekregen—ook van de kant van zijn familie.—En iedereen op de plaats sloeg er geloof aan.—Ik ook.»Dr. Winter kijkt somber vóor zich, en zijn witte baard schokt met kleine rukjes op en neer.«Maar hoe kòn u …!» breekt Frans de stilte, meer smartelijk somber dan verwijtend.«O, je weet zeker wat ze zeiden, niet? ’t Was afschuwelijk. Dat Marta ’t weer—met een ander aangelegd had—dat ze van die tweede—zoover was—zwanger.—Ik wou ’t eerst niet gelooven. Maar ik had vertrouwen in die Karel—ik meende hem te kennen—door-en-door te kennen.»De oude man hief zijn rechter hand omhoog en sloeg de oogen hoog op. «Ja … niet, dathij—me zoo iets te verstaan gaf …»«Nou ja», valt Frans in, «daar zorgden zijn familie en vrienden wel voor …»«Ik schreef Marta weer», hervat de oude man.«Mijn toon was misschien … beleedigend …»«O ja, Oom!» roept Marta heftig en op schreierige[229]toon. «Ik kon niet verdragen, dat u een oogenblik aan mijn eergevoel twijfelde. Ik woû me niet rechtvaardigen.»«Ja—en je schreef me, dat de kwestie—wie de vader van je kind was—alleen jou—en de vader zelf aanging.»«Dat deed ik», stamelt Marta, «maar ik was ook haast gek van ellende.»«Dat begrijp ik—nu—en ik zeg ’t ook niet als—een verwijt. Ik heb je immers gezegd—ik kom om je vergiffenis.»«Och Oom …»«Ik ben ten slotte tot inkeer gekomen … Weet je waardoor. Frans? Ten minste, wat de—stoot gegeven heeft?»De jonge man kijkt verwonderd op.«Hoe zou ik … dat weten?»«Door een artikel van jou—in een Duitsch tijdschrift—over «vrouweneer»…»«Och!» klinkt het spontaan-kinderlijk uit twee monden.«Ja, vreemd, he? De wegen des Heeren … zeggen de geloovigen. Ja, toen ben ik gaan nadenken.—Een man die zulke idees verkondigde—kon niet slecht zijn—moest het hart op de rechte plaats hebben.—En ik wist—», hier een fijne lieve glimlach—«dat de schrijver dezelfde[230]was als—degeen—die ik voor Marta’sderdeminnaar hield!—Ik kwam achter allerlei bizonderheden—later meer.—En zoo—langzamerhand—ben ik tot inzicht—tot inkeer ook!—gekomen. En hier ben ik nu …»Marta kust hem innig de hand.«Mijn hart zei me», brengt ze uit, «dat u nog eenmaal … weer dezelfde zou worden …»«Dezelfde! Ik woû dat het waar was, kind.—En toch—in zeker opzicht niet.» De eene magere hand gaat weer omhoog met groot gebaar. «Maar ik ben niet daarvoor—alleen hier gekomen.»«Maar Oom, voor u verder gaat, waar logeert u?» valt Marta in.«O, ik ben afgestapt—ik heb me in een goed hotel laten brengen.—Ik heb mijn rijtuig buiten laten wachten—een tien minuten rijden van hier.—Ik ben net anderhalf uur—hier op de plaats.»En Marta weer:«U moet hier logeeren—morgen dadelijk al, wil u? We hebben een goeje logeerkamer.» ’t Was een klein leugentje, maar ze hadden immers een kamer, die er voor in te richten was …«Zeker, Meneer Winter», vindt Frans noodig aan te dringen, «’t is beter bij ons.»«Meneer Winter! Zeg jij maar oom, m’n jongen.[231]Je zult het toch niet lang hoeven te zeggen.—Als je er niet tegen hebt.»«Wat zou ik daar tegen kunnen hebben?»«Maar—dat is dan afgesproken», hervat de oude met een lange blik op het gezicht van Frans, die hem ditmaal met trouwe oog-opslag de blik teruggeeft. ’t Laatste spoor van onvriendelijkheid is van Frans’ trekken verdwenen, en de uitdrukking van zijn gezicht beantwoordt nu geheel aan de drang van zijn hart.«Ik kom dus morgen bij jullie.—Maar—laat me nu ’s zeggen—waarvoor ik nog meer gekomen ben.»—Frans en Marta kijken beiden vragend.«Om jullie tot andere gedachten te brengen.»«Wat bedoelt u?» vraagt de jonge vrouw onthutst, en haar streel-oogen gaan beurtelings van haar oom naar Frans. Deze schijnt begrepen te hebben, wacht af in spanning, en wil niets zeggen; laat eerst die twee uitspreken, denkt hij.«Om fatsoenlijk—burgermans-fatsoenlijk—je aan te raden, om—je verbintenis—je samenleven—te bekrachtigen door—een huwelijks-voltrekking—op de gewone manier …»Marta aarzelt, voordat ze antwoordt:«Maar Oom, onze verbintenis heeft zoo iets niet noodig: die is zonder dat immers even krachtig … En dat u ons zoo iets aan kan raden! Meent u[232]dat?… U die dezelfde denkbeelden over … die zaken … over sexueele verhoudingen heeft als ik …»«Nee, Marta—jij wasplus royaliste que le roi: de leerlingen gaan dikwijls—verder dan de meesters …»«Dus u vindt …?»«Ik vind, m’n lieve kind, datvrije liefdeeen—heel mooi ding is—voor hoogstaande menschen …»«Maar zijn wij dan..?»«Laat me uitspreken.—Een heel mooi iets, zeg ik, in een hoogstaande maatschappij—een wereld van engelen.—En de meeste menschen—dat zul je wel toegeven—zijn nog niet zoover.—Zoo iets is voor een—ideale samenleving—niet voor de onze.—Nu heeft men verplichtingen tegenover—zijn medemenschen, de wereld waarin men leeft.»De oude man zwijgt even nadenkend. Zijn edel profiel komt scherp uit tegen de donker-beschaduwde achtergrond van ’t behang. Ook Marta en Frans zwijgen. Met groote aandacht, als wachtten ze iets beslissends, staren ze hem beiden aan. Plotseling wendt de grijsaard ’t hoofd naar hen.«Zeg, vertel me’s, Marta», zegt hij weer met zijn in-vriendelijke glimlach, «als jij—een huis koopt—van iemand—dan is dat een zaak tusschen jou en die iemand, niet?»[233]«Ja, natuurlijk …», antwoordt Marta.«En toch moet je—wil je je rechten later—laten gelden—een koop-contract opmaken—Niet?—Dat moet voor een huis.—Goed.—Vin’ je dan—waar je eigen persoon erin gemoeid is—vin’ je dan zoo’n contract—zoo’n wettiging tegenover derden—onnoodig?»«Die derden hebben er niets mee te maken …» zegt de jonge vrouw met zwak protest.«Evenmin als met het huis, dat je koopt!» hervat Dr. Winter onverstoord en steeds met zijn beminnelijk lachje.«Ze hebben er wèl mee te maken—zeg ik je. De maatschappij heeft het recht—waarborgen te eischen.—Ja, ja, waarborgen—voor iedereen—voor goeden en kwaden—en de goeden moeten zich—onderwerpen, omdat er—kwaden zijn.—En de zwakken onder de «goeden»… tegenover die ook …»Als Marta niet dadelijk antwoordt, zegt Frans gretig:«Ik vind eigenlijk, dat u gelijk heeft … Ik heb heb er ook dikwijls op aangedrongen … Marta woû niet …»«O, hadden jullie dan eerst—plan gehad om te trouwen?»«O ja … ik vond het noodig voor de kleine[234]jongen.—Maar u begrijpt: mijn vader woû van geen toestemming weten.»«Je bent in onmin gescheiden—is ’t niet zoo?»«O, had u daarvan gehoord? Nu, Marta vond het toen een naar idee, mijn vader door de rechter tot toestemming te dwingen—zooals zij ’t noemde. Door een akte van eerbied, u weet wel. Overdreven, vindt u nu ook niet?»«Ik woû me niet met geweld in zijn familie dringen», valt Marta eenigszins verlegen in. «Dat kòn ik toch niet …»«Maar, Marta, begrijp je dan niet, dat Frans zijn vader—juist doordat jullie—je bij zijn weigering hebben neergelegd—een min idee gekregen heeft—van je verhouding?—Hij houdt je nu immers—voor een avonturierster …»Marta laat het hoofd zinken, haar blik zwichtend voor die wonderlijk doordringende zoek-oogen.De oude schudt onderwijl langzaam zijn teekenachtige kop. En ’t is haar, als hoorde ze hem weer als in haar kinderjaren haar vermanen met zijn: «Meisje, meisje!» en die zelfde glimlach.«Nee, geloof me, m’n kind», hervat Dr. Winter, «doe wat ik je zeg.—Zie zoo gauw mogelijk—toestemming te krijgen—hoe dan ook.»«Langs minnelijke weg is niet meer mogelijk … Ik weet van de laatste brief van mijn moeder …[235]dat mijn vader zijn oude standpunt blijft innemen … Trouwens, ik had niet anders verwacht.»«Nu, dan door zoo’n—akte vaneerbied.—Je bent toch lang meerderjarig—formeeletoestemming heb je immers niet noodig.—Maar trouwen moeten jullie—voor je eigen geluk—dat kàn niet volkomen zijn zonder—de achting van diezelfde wereld—waar je beweert zoo onverschillig voor te zijn—Marta …»«Maar dat bèn ik, Oom», verzet zich de jonge vrouw, met een vergeefsch poginkje om haar oogen opgeslagen te houden.«Och wat! Larie!—In zake je wetenschappelijke werk—he?—ben jenietonverschillig voor—goed- of afkeuring van de wereld.—Frans evenmin—als hij een artikel geschreven heeft.—En wie zijn vaak die—beoordelaars—om wier opinie je zooveel geeft …? Immers heel dikwijls—meestal zelfs—menschen die beneden je staan!—Publiek, ik veracht jeis een fraze—van verwaande ijdeltuitige ingebeelde en behaagzieke kwasten—kwasten bij al hun genie.—Ze zijn als beeldmooie jongemeisjes—die koket verklaren—dat ze alle mannen verachten.—Dat staat machtig voornaam.—Maar ’t is larie, hoor.—Ze meenen er niets van, die meisjes—en ze zouden ’t diep treurig vinden—als alleen hun spiegel[236]hun vertelde—dat ze zoo mooi zijn.—Zou je niet denken?» Weer verlicht de in-goedig-verstandige zacht-ironische glimlach ’t gelaat van de grijsaard. «Dat laatste zou—trouwens, onmogelijk zijn, want—zoo’n meisje weet pas—dat ze mooi is—wanneer andere menschen—mannen vooral—het haar gezegd hebben.—Nee nee, je hebt de menschen noodig.—Kom daar nu maar voor uit: je zult wel onaangename ervaringen hebben opgedaan.»Even zwijgen alle drie, de oude om op adem te komen. Dan gaat deze voort, weer met zijn zoek-oogen op Marta:«Sedert je samenzijn—je samenleven met Frans—bedoel ik?»«O ja, maar …» stamelt de jonge vrouw.«Daar kom je tegen op—om ’t beginsel—jawel.—Maar ondertusschen—wordt je geluk er door bedreigd—ondermijnd.—Je kunt niet volkomen gelukkig zijn—zoo.»«U slaat de spijker op de kop!» roept Frans, als kwam hij nu eerst recht los. «Ik heb al ellende genoeg doorleefd …»«Als er geen martelaren waren», zegt Marta op gloedlooze overtuigings-toon, «zou er geen enkele goede zaak, geen enkel nieuw denkbeeld ingang kunnen vinden. Het hooggeroemde kristendom[237]was zonder martelaren ook niet doorgedrongen …»Dr. Winter’s glimlach verbreedt zich, en zijn wijd geopende oogen schieten ironische lachvonkjes.«Marta, Marta—wat ’n logica!» zegt hij met opgeheven wiegelende rechterhand. «Wat war jij de dingen door elkaar!—In mijn tijd leerden we nog logica—nu promoveeren ze tot doctor—en kunnen de jonge menschen nog niet zelf denken—als ze geroepen zijn—om anderen te leeren denken.—Ja, ja—.»«De martelaren waar je van spreekt—zijn gestorven voor een zaak—die ze voor goddelijk hielden—» hervat hij.«Als er iets goddelijks is, dan is ’t de Liefde,» antwoordt Marta met eigenaardige nadruk.De oude man herinnert zich zijn eigen woorden, hier door zijn discipel trouw herhaald: zoo’n heksje!«Nu goed—best—maar nu verwar je twee dingen.Liefdeenhuwelijkheeten ze,—Mevrouw mijn leerlinge.—De maatschappij heeft zich niet te bemoeien—heeft niets—niets te eischen of te bedillen—in zake deliefde tusschen man en vrouw.—Wèl mag ze eischen, dat hunsamenlevingmet de mogelijke gevolgen—aan behoorlijke regelen gebonden zij.» De oud-rector vergiste zich nooit met zijn aan voegende wijs—en ’t was hem nog altijd een genot, de zelftucht der logisch voortrollende[238]Latijnsche periode op zijn moedertaal aan te passen. «Leef in een liefdesbetrekking met elkaar—als je dat met je geweten—met God!—overeen kunt brengen—maar verlang niet van de maatschappij—dat ze je samenzijn—als een huwelijk beschouwe—als ’t geen huwelijk is—dat wil zeggen—als je je niet behoorlijk tegenover die maatschappij—verbonden hebt.—De liefde is een gewetenszaak—het huwelijk is een maatschappelijke verbintenis.»—Hij zwijgt enkele oogenblikken, de uitwerking zijner woorden bespiedend. «Maar ik zie—dat je niet overtuigd bent», hervat hij leepjes—een spotvonkje in de diepe oogen. «We zullen er wel’s op terugkomen. Ik ben wat moe—ik verlang naar mijn bed, kinderen.»«Ja Oom», valt Marta berouwvol-gedienstig in. «U praat zooveel … En ik laat u op een droogje zitten! Ik ben ook zoo in de war. Maar wat zal ik u geven? Wijn mag u niet hebben …»«Och niets—heusch niets, Marta lief—Ik heb straks al wat gebruikt: ik heb nergens behoefte aan … dan alleen wat rust. Kom …»De oude man staat ietwat moeilijk op. En ’t valt Marta nu eerst goed op, hoe veranderd de gestalte daar vóor haar is, hoe schraal die bouw, hoe diepliggend die oogen, hoe wankel die gang, als hij[239]een schreden vooruit doet. Dat dezelfde levenslustige krachtige grijsaard van toen?… Dat menschelijk wrak, waarvan alleen de oogen nog intens leven vertoonen? Maar ze heeft in haar verbijstering geen heldere gedachtengang: alleen voelt ze, dat het woelt en raast daarbinnen in haar boezem, dat er iets schrijnt en weeklaagt ook. Ze staart haar oom aan.«Nu, kindertjes—ik ga naar mijn hotel.—Goeje nacht.» En hij drukt beiden de hand met stuipig-stevige greep.«Wil u nu heusch niet hier blijven?» dringt Marta kinderlijk vleiend. «Heusch niet, Oompje? Uw logeerkamer is dadelijk in orde.»«Nee, nee—werkelijk niet.—Ik waardeer je goede bedoelingen—mijn beste meid.—Nu nogmaals: goeje nacht.—Ik kom morgen koffie drinken.—Op zijn Hollandsch—is dat goed?»«Zeker, zeker», valt Frans afgetrokken in. «Wij leven hier nog altijd op zijn Hollandsch.»«We drinken om éen uur koffie, hoor, Oom», zegt Marta met een leugentje—«neem maar goed rust—flinke nachtrust—uitslapen, hoor! Belooft u me?»Ze kust hem onhandig, en hij geeft haar op ’t voorhoofd twee innige kussen terug. Dan ziet hij haar in de oogen, diep en innig.[240]«Ja, ja», hommelt de oude in zijn baard. «Adieu, Frans.»«Slaap wel … Ik hoop u morgen wèl te zien», brengt de jonge man haperend uit.Beiden volgen hem tot onder aan de trap. Frans doet de voordeur open, roept de ingedommelde koetsier, die opschrikt uit zijn omwalling van bouffante en hooge halskraag als een tuinslak uit zijn huisje.—Nog een handdruk over en weer.—Het rijtuig rolt heen op de schaars verlichte straatweg, hol-bolderend in de stilte.«Hu! ’t is koud, hier aan de deur», zegt Frans. «Gauw maar naar binnen.»Als ze beiden het buiten trapje weer op zijn, treden ze onwillekeurig de studeerkamer binnen.En nauwelijks binnen, valt Marta Frans snikkend om de hals:«Die lieve lieve Oom! Wat heeft hij geleden! Om mij! Och, Frans, ik wil hem zijn zin doen. Ik wil hem zijn zin doen …»
[Inhoud]HOOFDSTUKXVII.Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings de deur open.De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige» verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen.«Ik ben hier immers wel goed terecht … nie’waar?…[221]bij Meester Jensen … Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?»Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog onzichtbaar voor de binnentredende.«De meid …» wil deze nog doorgaan.«Ja, stellig … volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en vrouw snellen hem nu tegemoet.«Och, de meid»… hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen,«ik had me vergist … ik vroeg eerst naar Juffrouw … Van Zee … Och, oude gewoonte … toen heb ik dadelijk uw naam genoemd … Dokter Jensen. Ik was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen.En Frans: «Ja … wil u niet gaan zitten?»Marta komt met een gemakkelijke stoel aandragen, zet die bij de kachel, waar ze even vluchtig naar kijkt; pookt erin, trekt een klep open. Haar gezicht gloeit.«Hier, Oom, gaat u hier zitten … hier bij de kachel … die is nog aan. U schijnt erg moe. En buiten adem ook. En koud … Zal ik Uw stoel …?»De oude heer maakt een moê gebaar van dank, en zet zich sterk hijgend neer. Dan zwijgt hij[222]eenige oogenblikken. Marta en Frans staan bij hem aan de andere zijde der kachel.«Ik ben … blij dat ik zit … trappen-klimmen gaat me niet best meer af … op mijn jaren … al is ’t maar eenige treden.»Dan slaat hij een blik vol teederheid op naar Marta. «En Marta, mijn kind, hoe gaat het je?»Er is een lichte trilling in zijn stem en hij heeft zijn magere armen naar de jonge vrouw uitgestrekt, met een gebaar van innige hartelijkheid.Marta barst in zenuwachtig schreien uit, snelt op de zittende toe, en knielt bij hem neder. Dan omhelst ze hem met kinderlijkevleiing.«Oom, lieve goeje beste Oom … Is u niet meer boos op me?»«Boos?… Ik ben nooit boos op je geweest … Ik heb alleen verdriet gehad … Veel verdriet gehad, Marta … Om jou … Kom, ga daar bij me zitten.»Marta zet zich naast hem, en terwijl ze haar tranen droogt, glimlacht ze verlegen. Er glanst een vroolijkheidje uit haar vochtige groote oogopslag, iets van eindelijke ontspanning. Frans blijft intusschen op een afstand op de sofa bij de bordesdeuren, waar hij is gaan zitten. Er is iets stugs in zijn trekken.«Kom ook hier, Frans», dringt Marta, die hem[223]even gadegeslagen heeft. De aangesprokene komt aarzelend naderbij, en blijft dan staan. «Oom, dit is mijn beste man», vervolgt ze op innige toon. «Ik heb na u en mijn vader nog nooit een man zoo liefgehad … Kom, Frans, geef Oom een hand. Alles is vergeten: jij mag Oom ook geen kwaad hart toedragen.»De jonge man aarzelt nòg. Dr. Winter ziet het, en steekt hem met een spontane beweging zijn hand toe.«Hier, jongen,bied ik je mijn hand… Wil je die aannemen? En wil je me … al ’t verdriet vergeven, dat … dat … ik je vrouw heb aangedaan? Och … als je alles wist …»Frans grijpt, zichtbaar ontroerd, de dunne vingers van de grijsaard, en drukt die met krachtige druk, zwijgend.«Ga daar zitten,» gaat de oude voort, terwijl hij Frans steeds aandachtig opneemt: de bewegelijke schrandere prikkelig-kijkende oogen omvorschen diens wezenstrekken, als waren de woorden, die hij spreekt, slechts enkele weerklanken van de vele gedachten, die de aanschouwing bij hem wekt. En Frans gehoorzaamt lijdzaam, sympathiek aangetrokken door de macht van die oogen, die zijn ziel schijnen te willen doorzoeken als met een elektrisch zoeklicht. Ondanks zijn vooringenomenheid[224]voelde hij iets warms in hem opkomen, een kinderlijke vertrouwelijkheids-drang, een behoefte aan uitschreien en algeheele gemoeds-uitstorting. Zoo zou een zoon zich tegenover een vereerde vader voelen, na lang leed onder vreemden.En Marta moest wel veel van zulk een man gehouden hebben. O hoe goed begreep hij nu de machtige bekoring, die van zulk een persoonlijkheid uit moest gaan op een jong ontvankelijk meisje, leergierig als Marta!«Ik ben erg verlangend», brengt Frans na enkele oogenblikken stilte uit, «van u te hooren, hoe alles zich toegedragen heeft … Ik heb een onbeperkt vertrouwen in … Marta, en … ik heb me altijd … ten zeerste verbaasd … verwonderd over Uw houding …»«Best begrijpelijk. Best begrijpelijk, hoor. En je hebt ’t voor haar opgenomen, natuurlijk …»Hij moet even ophouden, want een benauwdheid overvalt hem. Marta schrikt hevig, haalt haastig een glas water uit de naaste kamer, waarvan ze de schuifdeuren zenuwachtig open en weer dicht trekt.De oude man neemt bevend het water aan, en drinkt een paar teugjes, het hoofd in gloed, maar toch met zachte glimlach om de dunne lippen.«Och … ’t is niets … ik heb dat telkens … Nu van die trap zeker … toch maar een tien[225]treedjes, he …» Weer drinkt hij even. «Ja … ik ben al oud … en ik heb een hart-aandoening … een kwaal …»Marta kijkt hem meewarig met haar groote fluweel-oogen aan, lezend iedere aandoening op zijn vertrokken gelaat.«Och Oom!..» zegt ze.«Ja … ’t is nu weer wat over … maar, zie je, de dokter heeft me ook nog een half jaar gegeven.» Weer dat gelaten lachje, dat Marta door de ziel snijdt. «Toch kan ’t ook … zoo … zoo met me gedaan zijn. Daarom …»«Maar Oom, en dan die lange reis … in de winter!..»«Och, wat zal ik je zeggen? Ik moest wel … ikmoest, zie je.» Zijn blik gaat beurtelings van Marta naar Frans.«Ik wou je nog zien vóor … mijn dood..: schuld vereffenen.»«Kom, Oom», hervat Marta met tranen in haar stem en in streelende klankgolving. «Laten we niet meer aan ’t verleden denken …» En ze grijpt zijn hand, die slap langs de leuning van de stoel hing.«Nee, aan ’t … heden alleen, nie’waar? Maar juist daarvoor … Had je nog verdriet … om mij?»Marta slaat de oogen neer voor zijn blik.«Altijd, Oom», zegt ze zacht schreiend. «Altijd![226]Ik heb altijd met liefde aan u gedacht … En dan begrijpt u …»De oude man blijft haar liefdevol gadeslaan. «Mijn lief braaf … goed kind», gaat hij voort.«Net mijn onvergetelijke zuster … je moeder.»Alle drie zwijgen, aangedaan. Frans kijkt stroef.«Nu, Marta, dan moest het je toch … smarten, nie’waar, dat je zoo … voor goed gebroken hadt met je oom. Dat moest nu uit wezen … Ik woû je zien en spreken … ik woû je vergiffenis, Marta … Wat ben je een lieve lieve ziel … dat je me die zoo dadelijk … geschonken hebt …»Een paar tranen rollen blinkend neer uit de strakke oogen, die nu van Marta afgewend vóor zich uit staren.«Och, natuurlijk, Oom» zegt zij teeder.«En dan je man», hervat de grijsaard. «Ik woû ook mijn rekening bij hem vereffenen.» Dan kijkt hij Frans recht in ’t gelaat «Jullie zijn gelukkig, nie’waar? Is ’t niet?»Frans aarzelt even en kijkt Marta aan.«Dat moet jij zeggen, Marta», antwoordt hij dan.«Wat ons … drieën aangaat, onder ons … volkomen, Oom.»«Jullie drieën … maar er zijn meer menschen in de wereld dan jullie drieën, wil je zeggen!..»[227]Weer slaat Marta haar oogen neer vóor ’t vorschende kijken des ouden.«De wereld … och, die laat me koud», tracht ze onverschillig te antwoorden, met schuchtere oogopslag.«Dat meen je niet, Marta.»De schrandere oogen, vorschend uit de donkere diepten der kassen, vestigen zich nu ook op de jonge man. Hij wil spreken, doch bedenkt zich. Zijn brauwen fronsen zich even … «Maar», hervat hij op ietwat andere toon … «ik moet eerst over mezelf … spreken.»«Meneer Winter», valt Frans plotseling in, «hoe kon u, u, die zooveel van Marta hield,.. haar verlaten … opzulkeen oogenblik?»De oude man verschuift even in zijn stoel en zucht:«’t Heeft me … moeite gekost», antwoordt hij kalm-ernstig. «Maar juist omdat ik haar zoo hoog stelde … daarom stelde ik haar volkomen verantwoordelijk voor haar daden. Van wie—men veel verwacht—keurt men ook veel af.—Wie hoog staat—wordt streng geoordeeld.» Even een zucht. «Ik begon met Marta’s—huwelijk met Karel—verkeerd te vinden. Ze was nog veel te jong voor—zulk een stap.—Ik schreef haar op haar mededeeling—hoe ik erover dacht.—Ze[228]antwoordde met een—hooghartige brief …»Marta bloost en buigt het hoofd.«Nu ja», gaat de oude na een oogenblik voort, «dat was niet zoo heel erg.—Maar toen kwam … toen hoorde iknietstot—totdat ze me schreef, dat Karel haar in de steek gelaten had—Ik had in de tusschentijd andere berichten gekregen—ook van de kant van zijn familie.—En iedereen op de plaats sloeg er geloof aan.—Ik ook.»Dr. Winter kijkt somber vóor zich, en zijn witte baard schokt met kleine rukjes op en neer.«Maar hoe kòn u …!» breekt Frans de stilte, meer smartelijk somber dan verwijtend.«O, je weet zeker wat ze zeiden, niet? ’t Was afschuwelijk. Dat Marta ’t weer—met een ander aangelegd had—dat ze van die tweede—zoover was—zwanger.—Ik wou ’t eerst niet gelooven. Maar ik had vertrouwen in die Karel—ik meende hem te kennen—door-en-door te kennen.»De oude man hief zijn rechter hand omhoog en sloeg de oogen hoog op. «Ja … niet, dathij—me zoo iets te verstaan gaf …»«Nou ja», valt Frans in, «daar zorgden zijn familie en vrienden wel voor …»«Ik schreef Marta weer», hervat de oude man.«Mijn toon was misschien … beleedigend …»«O ja, Oom!» roept Marta heftig en op schreierige[229]toon. «Ik kon niet verdragen, dat u een oogenblik aan mijn eergevoel twijfelde. Ik woû me niet rechtvaardigen.»«Ja—en je schreef me, dat de kwestie—wie de vader van je kind was—alleen jou—en de vader zelf aanging.»«Dat deed ik», stamelt Marta, «maar ik was ook haast gek van ellende.»«Dat begrijp ik—nu—en ik zeg ’t ook niet als—een verwijt. Ik heb je immers gezegd—ik kom om je vergiffenis.»«Och Oom …»«Ik ben ten slotte tot inkeer gekomen … Weet je waardoor. Frans? Ten minste, wat de—stoot gegeven heeft?»De jonge man kijkt verwonderd op.«Hoe zou ik … dat weten?»«Door een artikel van jou—in een Duitsch tijdschrift—over «vrouweneer»…»«Och!» klinkt het spontaan-kinderlijk uit twee monden.«Ja, vreemd, he? De wegen des Heeren … zeggen de geloovigen. Ja, toen ben ik gaan nadenken.—Een man die zulke idees verkondigde—kon niet slecht zijn—moest het hart op de rechte plaats hebben.—En ik wist—», hier een fijne lieve glimlach—«dat de schrijver dezelfde[230]was als—degeen—die ik voor Marta’sderdeminnaar hield!—Ik kwam achter allerlei bizonderheden—later meer.—En zoo—langzamerhand—ben ik tot inzicht—tot inkeer ook!—gekomen. En hier ben ik nu …»Marta kust hem innig de hand.«Mijn hart zei me», brengt ze uit, «dat u nog eenmaal … weer dezelfde zou worden …»«Dezelfde! Ik woû dat het waar was, kind.—En toch—in zeker opzicht niet.» De eene magere hand gaat weer omhoog met groot gebaar. «Maar ik ben niet daarvoor—alleen hier gekomen.»«Maar Oom, voor u verder gaat, waar logeert u?» valt Marta in.«O, ik ben afgestapt—ik heb me in een goed hotel laten brengen.—Ik heb mijn rijtuig buiten laten wachten—een tien minuten rijden van hier.—Ik ben net anderhalf uur—hier op de plaats.»En Marta weer:«U moet hier logeeren—morgen dadelijk al, wil u? We hebben een goeje logeerkamer.» ’t Was een klein leugentje, maar ze hadden immers een kamer, die er voor in te richten was …«Zeker, Meneer Winter», vindt Frans noodig aan te dringen, «’t is beter bij ons.»«Meneer Winter! Zeg jij maar oom, m’n jongen.[231]Je zult het toch niet lang hoeven te zeggen.—Als je er niet tegen hebt.»«Wat zou ik daar tegen kunnen hebben?»«Maar—dat is dan afgesproken», hervat de oude met een lange blik op het gezicht van Frans, die hem ditmaal met trouwe oog-opslag de blik teruggeeft. ’t Laatste spoor van onvriendelijkheid is van Frans’ trekken verdwenen, en de uitdrukking van zijn gezicht beantwoordt nu geheel aan de drang van zijn hart.«Ik kom dus morgen bij jullie.—Maar—laat me nu ’s zeggen—waarvoor ik nog meer gekomen ben.»—Frans en Marta kijken beiden vragend.«Om jullie tot andere gedachten te brengen.»«Wat bedoelt u?» vraagt de jonge vrouw onthutst, en haar streel-oogen gaan beurtelings van haar oom naar Frans. Deze schijnt begrepen te hebben, wacht af in spanning, en wil niets zeggen; laat eerst die twee uitspreken, denkt hij.«Om fatsoenlijk—burgermans-fatsoenlijk—je aan te raden, om—je verbintenis—je samenleven—te bekrachtigen door—een huwelijks-voltrekking—op de gewone manier …»Marta aarzelt, voordat ze antwoordt:«Maar Oom, onze verbintenis heeft zoo iets niet noodig: die is zonder dat immers even krachtig … En dat u ons zoo iets aan kan raden! Meent u[232]dat?… U die dezelfde denkbeelden over … die zaken … over sexueele verhoudingen heeft als ik …»«Nee, Marta—jij wasplus royaliste que le roi: de leerlingen gaan dikwijls—verder dan de meesters …»«Dus u vindt …?»«Ik vind, m’n lieve kind, datvrije liefdeeen—heel mooi ding is—voor hoogstaande menschen …»«Maar zijn wij dan..?»«Laat me uitspreken.—Een heel mooi iets, zeg ik, in een hoogstaande maatschappij—een wereld van engelen.—En de meeste menschen—dat zul je wel toegeven—zijn nog niet zoover.—Zoo iets is voor een—ideale samenleving—niet voor de onze.—Nu heeft men verplichtingen tegenover—zijn medemenschen, de wereld waarin men leeft.»De oude man zwijgt even nadenkend. Zijn edel profiel komt scherp uit tegen de donker-beschaduwde achtergrond van ’t behang. Ook Marta en Frans zwijgen. Met groote aandacht, als wachtten ze iets beslissends, staren ze hem beiden aan. Plotseling wendt de grijsaard ’t hoofd naar hen.«Zeg, vertel me’s, Marta», zegt hij weer met zijn in-vriendelijke glimlach, «als jij—een huis koopt—van iemand—dan is dat een zaak tusschen jou en die iemand, niet?»[233]«Ja, natuurlijk …», antwoordt Marta.«En toch moet je—wil je je rechten later—laten gelden—een koop-contract opmaken—Niet?—Dat moet voor een huis.—Goed.—Vin’ je dan—waar je eigen persoon erin gemoeid is—vin’ je dan zoo’n contract—zoo’n wettiging tegenover derden—onnoodig?»«Die derden hebben er niets mee te maken …» zegt de jonge vrouw met zwak protest.«Evenmin als met het huis, dat je koopt!» hervat Dr. Winter onverstoord en steeds met zijn beminnelijk lachje.«Ze hebben er wèl mee te maken—zeg ik je. De maatschappij heeft het recht—waarborgen te eischen.—Ja, ja, waarborgen—voor iedereen—voor goeden en kwaden—en de goeden moeten zich—onderwerpen, omdat er—kwaden zijn.—En de zwakken onder de «goeden»… tegenover die ook …»Als Marta niet dadelijk antwoordt, zegt Frans gretig:«Ik vind eigenlijk, dat u gelijk heeft … Ik heb heb er ook dikwijls op aangedrongen … Marta woû niet …»«O, hadden jullie dan eerst—plan gehad om te trouwen?»«O ja … ik vond het noodig voor de kleine[234]jongen.—Maar u begrijpt: mijn vader woû van geen toestemming weten.»«Je bent in onmin gescheiden—is ’t niet zoo?»«O, had u daarvan gehoord? Nu, Marta vond het toen een naar idee, mijn vader door de rechter tot toestemming te dwingen—zooals zij ’t noemde. Door een akte van eerbied, u weet wel. Overdreven, vindt u nu ook niet?»«Ik woû me niet met geweld in zijn familie dringen», valt Marta eenigszins verlegen in. «Dat kòn ik toch niet …»«Maar, Marta, begrijp je dan niet, dat Frans zijn vader—juist doordat jullie—je bij zijn weigering hebben neergelegd—een min idee gekregen heeft—van je verhouding?—Hij houdt je nu immers—voor een avonturierster …»Marta laat het hoofd zinken, haar blik zwichtend voor die wonderlijk doordringende zoek-oogen.De oude schudt onderwijl langzaam zijn teekenachtige kop. En ’t is haar, als hoorde ze hem weer als in haar kinderjaren haar vermanen met zijn: «Meisje, meisje!» en die zelfde glimlach.«Nee, geloof me, m’n kind», hervat Dr. Winter, «doe wat ik je zeg.—Zie zoo gauw mogelijk—toestemming te krijgen—hoe dan ook.»«Langs minnelijke weg is niet meer mogelijk … Ik weet van de laatste brief van mijn moeder …[235]dat mijn vader zijn oude standpunt blijft innemen … Trouwens, ik had niet anders verwacht.»«Nu, dan door zoo’n—akte vaneerbied.—Je bent toch lang meerderjarig—formeeletoestemming heb je immers niet noodig.—Maar trouwen moeten jullie—voor je eigen geluk—dat kàn niet volkomen zijn zonder—de achting van diezelfde wereld—waar je beweert zoo onverschillig voor te zijn—Marta …»«Maar dat bèn ik, Oom», verzet zich de jonge vrouw, met een vergeefsch poginkje om haar oogen opgeslagen te houden.«Och wat! Larie!—In zake je wetenschappelijke werk—he?—ben jenietonverschillig voor—goed- of afkeuring van de wereld.—Frans evenmin—als hij een artikel geschreven heeft.—En wie zijn vaak die—beoordelaars—om wier opinie je zooveel geeft …? Immers heel dikwijls—meestal zelfs—menschen die beneden je staan!—Publiek, ik veracht jeis een fraze—van verwaande ijdeltuitige ingebeelde en behaagzieke kwasten—kwasten bij al hun genie.—Ze zijn als beeldmooie jongemeisjes—die koket verklaren—dat ze alle mannen verachten.—Dat staat machtig voornaam.—Maar ’t is larie, hoor.—Ze meenen er niets van, die meisjes—en ze zouden ’t diep treurig vinden—als alleen hun spiegel[236]hun vertelde—dat ze zoo mooi zijn.—Zou je niet denken?» Weer verlicht de in-goedig-verstandige zacht-ironische glimlach ’t gelaat van de grijsaard. «Dat laatste zou—trouwens, onmogelijk zijn, want—zoo’n meisje weet pas—dat ze mooi is—wanneer andere menschen—mannen vooral—het haar gezegd hebben.—Nee nee, je hebt de menschen noodig.—Kom daar nu maar voor uit: je zult wel onaangename ervaringen hebben opgedaan.»Even zwijgen alle drie, de oude om op adem te komen. Dan gaat deze voort, weer met zijn zoek-oogen op Marta:«Sedert je samenzijn—je samenleven met Frans—bedoel ik?»«O ja, maar …» stamelt de jonge vrouw.«Daar kom je tegen op—om ’t beginsel—jawel.—Maar ondertusschen—wordt je geluk er door bedreigd—ondermijnd.—Je kunt niet volkomen gelukkig zijn—zoo.»«U slaat de spijker op de kop!» roept Frans, als kwam hij nu eerst recht los. «Ik heb al ellende genoeg doorleefd …»«Als er geen martelaren waren», zegt Marta op gloedlooze overtuigings-toon, «zou er geen enkele goede zaak, geen enkel nieuw denkbeeld ingang kunnen vinden. Het hooggeroemde kristendom[237]was zonder martelaren ook niet doorgedrongen …»Dr. Winter’s glimlach verbreedt zich, en zijn wijd geopende oogen schieten ironische lachvonkjes.«Marta, Marta—wat ’n logica!» zegt hij met opgeheven wiegelende rechterhand. «Wat war jij de dingen door elkaar!—In mijn tijd leerden we nog logica—nu promoveeren ze tot doctor—en kunnen de jonge menschen nog niet zelf denken—als ze geroepen zijn—om anderen te leeren denken.—Ja, ja—.»«De martelaren waar je van spreekt—zijn gestorven voor een zaak—die ze voor goddelijk hielden—» hervat hij.«Als er iets goddelijks is, dan is ’t de Liefde,» antwoordt Marta met eigenaardige nadruk.De oude man herinnert zich zijn eigen woorden, hier door zijn discipel trouw herhaald: zoo’n heksje!«Nu goed—best—maar nu verwar je twee dingen.Liefdeenhuwelijkheeten ze,—Mevrouw mijn leerlinge.—De maatschappij heeft zich niet te bemoeien—heeft niets—niets te eischen of te bedillen—in zake deliefde tusschen man en vrouw.—Wèl mag ze eischen, dat hunsamenlevingmet de mogelijke gevolgen—aan behoorlijke regelen gebonden zij.» De oud-rector vergiste zich nooit met zijn aan voegende wijs—en ’t was hem nog altijd een genot, de zelftucht der logisch voortrollende[238]Latijnsche periode op zijn moedertaal aan te passen. «Leef in een liefdesbetrekking met elkaar—als je dat met je geweten—met God!—overeen kunt brengen—maar verlang niet van de maatschappij—dat ze je samenzijn—als een huwelijk beschouwe—als ’t geen huwelijk is—dat wil zeggen—als je je niet behoorlijk tegenover die maatschappij—verbonden hebt.—De liefde is een gewetenszaak—het huwelijk is een maatschappelijke verbintenis.»—Hij zwijgt enkele oogenblikken, de uitwerking zijner woorden bespiedend. «Maar ik zie—dat je niet overtuigd bent», hervat hij leepjes—een spotvonkje in de diepe oogen. «We zullen er wel’s op terugkomen. Ik ben wat moe—ik verlang naar mijn bed, kinderen.»«Ja Oom», valt Marta berouwvol-gedienstig in. «U praat zooveel … En ik laat u op een droogje zitten! Ik ben ook zoo in de war. Maar wat zal ik u geven? Wijn mag u niet hebben …»«Och niets—heusch niets, Marta lief—Ik heb straks al wat gebruikt: ik heb nergens behoefte aan … dan alleen wat rust. Kom …»De oude man staat ietwat moeilijk op. En ’t valt Marta nu eerst goed op, hoe veranderd de gestalte daar vóor haar is, hoe schraal die bouw, hoe diepliggend die oogen, hoe wankel die gang, als hij[239]een schreden vooruit doet. Dat dezelfde levenslustige krachtige grijsaard van toen?… Dat menschelijk wrak, waarvan alleen de oogen nog intens leven vertoonen? Maar ze heeft in haar verbijstering geen heldere gedachtengang: alleen voelt ze, dat het woelt en raast daarbinnen in haar boezem, dat er iets schrijnt en weeklaagt ook. Ze staart haar oom aan.«Nu, kindertjes—ik ga naar mijn hotel.—Goeje nacht.» En hij drukt beiden de hand met stuipig-stevige greep.«Wil u nu heusch niet hier blijven?» dringt Marta kinderlijk vleiend. «Heusch niet, Oompje? Uw logeerkamer is dadelijk in orde.»«Nee, nee—werkelijk niet.—Ik waardeer je goede bedoelingen—mijn beste meid.—Nu nogmaals: goeje nacht.—Ik kom morgen koffie drinken.—Op zijn Hollandsch—is dat goed?»«Zeker, zeker», valt Frans afgetrokken in. «Wij leven hier nog altijd op zijn Hollandsch.»«We drinken om éen uur koffie, hoor, Oom», zegt Marta met een leugentje—«neem maar goed rust—flinke nachtrust—uitslapen, hoor! Belooft u me?»Ze kust hem onhandig, en hij geeft haar op ’t voorhoofd twee innige kussen terug. Dan ziet hij haar in de oogen, diep en innig.[240]«Ja, ja», hommelt de oude in zijn baard. «Adieu, Frans.»«Slaap wel … Ik hoop u morgen wèl te zien», brengt de jonge man haperend uit.Beiden volgen hem tot onder aan de trap. Frans doet de voordeur open, roept de ingedommelde koetsier, die opschrikt uit zijn omwalling van bouffante en hooge halskraag als een tuinslak uit zijn huisje.—Nog een handdruk over en weer.—Het rijtuig rolt heen op de schaars verlichte straatweg, hol-bolderend in de stilte.«Hu! ’t is koud, hier aan de deur», zegt Frans. «Gauw maar naar binnen.»Als ze beiden het buiten trapje weer op zijn, treden ze onwillekeurig de studeerkamer binnen.En nauwelijks binnen, valt Marta Frans snikkend om de hals:«Die lieve lieve Oom! Wat heeft hij geleden! Om mij! Och, Frans, ik wil hem zijn zin doen. Ik wil hem zijn zin doen …»
HOOFDSTUKXVII.
Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings de deur open.De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige» verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen.«Ik ben hier immers wel goed terecht … nie’waar?…[221]bij Meester Jensen … Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?»Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog onzichtbaar voor de binnentredende.«De meid …» wil deze nog doorgaan.«Ja, stellig … volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en vrouw snellen hem nu tegemoet.«Och, de meid»… hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen,«ik had me vergist … ik vroeg eerst naar Juffrouw … Van Zee … Och, oude gewoonte … toen heb ik dadelijk uw naam genoemd … Dokter Jensen. Ik was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen.En Frans: «Ja … wil u niet gaan zitten?»Marta komt met een gemakkelijke stoel aandragen, zet die bij de kachel, waar ze even vluchtig naar kijkt; pookt erin, trekt een klep open. Haar gezicht gloeit.«Hier, Oom, gaat u hier zitten … hier bij de kachel … die is nog aan. U schijnt erg moe. En buiten adem ook. En koud … Zal ik Uw stoel …?»De oude heer maakt een moê gebaar van dank, en zet zich sterk hijgend neer. Dan zwijgt hij[222]eenige oogenblikken. Marta en Frans staan bij hem aan de andere zijde der kachel.«Ik ben … blij dat ik zit … trappen-klimmen gaat me niet best meer af … op mijn jaren … al is ’t maar eenige treden.»Dan slaat hij een blik vol teederheid op naar Marta. «En Marta, mijn kind, hoe gaat het je?»Er is een lichte trilling in zijn stem en hij heeft zijn magere armen naar de jonge vrouw uitgestrekt, met een gebaar van innige hartelijkheid.Marta barst in zenuwachtig schreien uit, snelt op de zittende toe, en knielt bij hem neder. Dan omhelst ze hem met kinderlijkevleiing.«Oom, lieve goeje beste Oom … Is u niet meer boos op me?»«Boos?… Ik ben nooit boos op je geweest … Ik heb alleen verdriet gehad … Veel verdriet gehad, Marta … Om jou … Kom, ga daar bij me zitten.»Marta zet zich naast hem, en terwijl ze haar tranen droogt, glimlacht ze verlegen. Er glanst een vroolijkheidje uit haar vochtige groote oogopslag, iets van eindelijke ontspanning. Frans blijft intusschen op een afstand op de sofa bij de bordesdeuren, waar hij is gaan zitten. Er is iets stugs in zijn trekken.«Kom ook hier, Frans», dringt Marta, die hem[223]even gadegeslagen heeft. De aangesprokene komt aarzelend naderbij, en blijft dan staan. «Oom, dit is mijn beste man», vervolgt ze op innige toon. «Ik heb na u en mijn vader nog nooit een man zoo liefgehad … Kom, Frans, geef Oom een hand. Alles is vergeten: jij mag Oom ook geen kwaad hart toedragen.»De jonge man aarzelt nòg. Dr. Winter ziet het, en steekt hem met een spontane beweging zijn hand toe.«Hier, jongen,bied ik je mijn hand… Wil je die aannemen? En wil je me … al ’t verdriet vergeven, dat … dat … ik je vrouw heb aangedaan? Och … als je alles wist …»Frans grijpt, zichtbaar ontroerd, de dunne vingers van de grijsaard, en drukt die met krachtige druk, zwijgend.«Ga daar zitten,» gaat de oude voort, terwijl hij Frans steeds aandachtig opneemt: de bewegelijke schrandere prikkelig-kijkende oogen omvorschen diens wezenstrekken, als waren de woorden, die hij spreekt, slechts enkele weerklanken van de vele gedachten, die de aanschouwing bij hem wekt. En Frans gehoorzaamt lijdzaam, sympathiek aangetrokken door de macht van die oogen, die zijn ziel schijnen te willen doorzoeken als met een elektrisch zoeklicht. Ondanks zijn vooringenomenheid[224]voelde hij iets warms in hem opkomen, een kinderlijke vertrouwelijkheids-drang, een behoefte aan uitschreien en algeheele gemoeds-uitstorting. Zoo zou een zoon zich tegenover een vereerde vader voelen, na lang leed onder vreemden.En Marta moest wel veel van zulk een man gehouden hebben. O hoe goed begreep hij nu de machtige bekoring, die van zulk een persoonlijkheid uit moest gaan op een jong ontvankelijk meisje, leergierig als Marta!«Ik ben erg verlangend», brengt Frans na enkele oogenblikken stilte uit, «van u te hooren, hoe alles zich toegedragen heeft … Ik heb een onbeperkt vertrouwen in … Marta, en … ik heb me altijd … ten zeerste verbaasd … verwonderd over Uw houding …»«Best begrijpelijk. Best begrijpelijk, hoor. En je hebt ’t voor haar opgenomen, natuurlijk …»Hij moet even ophouden, want een benauwdheid overvalt hem. Marta schrikt hevig, haalt haastig een glas water uit de naaste kamer, waarvan ze de schuifdeuren zenuwachtig open en weer dicht trekt.De oude man neemt bevend het water aan, en drinkt een paar teugjes, het hoofd in gloed, maar toch met zachte glimlach om de dunne lippen.«Och … ’t is niets … ik heb dat telkens … Nu van die trap zeker … toch maar een tien[225]treedjes, he …» Weer drinkt hij even. «Ja … ik ben al oud … en ik heb een hart-aandoening … een kwaal …»Marta kijkt hem meewarig met haar groote fluweel-oogen aan, lezend iedere aandoening op zijn vertrokken gelaat.«Och Oom!..» zegt ze.«Ja … ’t is nu weer wat over … maar, zie je, de dokter heeft me ook nog een half jaar gegeven.» Weer dat gelaten lachje, dat Marta door de ziel snijdt. «Toch kan ’t ook … zoo … zoo met me gedaan zijn. Daarom …»«Maar Oom, en dan die lange reis … in de winter!..»«Och, wat zal ik je zeggen? Ik moest wel … ikmoest, zie je.» Zijn blik gaat beurtelings van Marta naar Frans.«Ik wou je nog zien vóor … mijn dood..: schuld vereffenen.»«Kom, Oom», hervat Marta met tranen in haar stem en in streelende klankgolving. «Laten we niet meer aan ’t verleden denken …» En ze grijpt zijn hand, die slap langs de leuning van de stoel hing.«Nee, aan ’t … heden alleen, nie’waar? Maar juist daarvoor … Had je nog verdriet … om mij?»Marta slaat de oogen neer voor zijn blik.«Altijd, Oom», zegt ze zacht schreiend. «Altijd![226]Ik heb altijd met liefde aan u gedacht … En dan begrijpt u …»De oude man blijft haar liefdevol gadeslaan. «Mijn lief braaf … goed kind», gaat hij voort.«Net mijn onvergetelijke zuster … je moeder.»Alle drie zwijgen, aangedaan. Frans kijkt stroef.«Nu, Marta, dan moest het je toch … smarten, nie’waar, dat je zoo … voor goed gebroken hadt met je oom. Dat moest nu uit wezen … Ik woû je zien en spreken … ik woû je vergiffenis, Marta … Wat ben je een lieve lieve ziel … dat je me die zoo dadelijk … geschonken hebt …»Een paar tranen rollen blinkend neer uit de strakke oogen, die nu van Marta afgewend vóor zich uit staren.«Och, natuurlijk, Oom» zegt zij teeder.«En dan je man», hervat de grijsaard. «Ik woû ook mijn rekening bij hem vereffenen.» Dan kijkt hij Frans recht in ’t gelaat «Jullie zijn gelukkig, nie’waar? Is ’t niet?»Frans aarzelt even en kijkt Marta aan.«Dat moet jij zeggen, Marta», antwoordt hij dan.«Wat ons … drieën aangaat, onder ons … volkomen, Oom.»«Jullie drieën … maar er zijn meer menschen in de wereld dan jullie drieën, wil je zeggen!..»[227]Weer slaat Marta haar oogen neer vóor ’t vorschende kijken des ouden.«De wereld … och, die laat me koud», tracht ze onverschillig te antwoorden, met schuchtere oogopslag.«Dat meen je niet, Marta.»De schrandere oogen, vorschend uit de donkere diepten der kassen, vestigen zich nu ook op de jonge man. Hij wil spreken, doch bedenkt zich. Zijn brauwen fronsen zich even … «Maar», hervat hij op ietwat andere toon … «ik moet eerst over mezelf … spreken.»«Meneer Winter», valt Frans plotseling in, «hoe kon u, u, die zooveel van Marta hield,.. haar verlaten … opzulkeen oogenblik?»De oude man verschuift even in zijn stoel en zucht:«’t Heeft me … moeite gekost», antwoordt hij kalm-ernstig. «Maar juist omdat ik haar zoo hoog stelde … daarom stelde ik haar volkomen verantwoordelijk voor haar daden. Van wie—men veel verwacht—keurt men ook veel af.—Wie hoog staat—wordt streng geoordeeld.» Even een zucht. «Ik begon met Marta’s—huwelijk met Karel—verkeerd te vinden. Ze was nog veel te jong voor—zulk een stap.—Ik schreef haar op haar mededeeling—hoe ik erover dacht.—Ze[228]antwoordde met een—hooghartige brief …»Marta bloost en buigt het hoofd.«Nu ja», gaat de oude na een oogenblik voort, «dat was niet zoo heel erg.—Maar toen kwam … toen hoorde iknietstot—totdat ze me schreef, dat Karel haar in de steek gelaten had—Ik had in de tusschentijd andere berichten gekregen—ook van de kant van zijn familie.—En iedereen op de plaats sloeg er geloof aan.—Ik ook.»Dr. Winter kijkt somber vóor zich, en zijn witte baard schokt met kleine rukjes op en neer.«Maar hoe kòn u …!» breekt Frans de stilte, meer smartelijk somber dan verwijtend.«O, je weet zeker wat ze zeiden, niet? ’t Was afschuwelijk. Dat Marta ’t weer—met een ander aangelegd had—dat ze van die tweede—zoover was—zwanger.—Ik wou ’t eerst niet gelooven. Maar ik had vertrouwen in die Karel—ik meende hem te kennen—door-en-door te kennen.»De oude man hief zijn rechter hand omhoog en sloeg de oogen hoog op. «Ja … niet, dathij—me zoo iets te verstaan gaf …»«Nou ja», valt Frans in, «daar zorgden zijn familie en vrienden wel voor …»«Ik schreef Marta weer», hervat de oude man.«Mijn toon was misschien … beleedigend …»«O ja, Oom!» roept Marta heftig en op schreierige[229]toon. «Ik kon niet verdragen, dat u een oogenblik aan mijn eergevoel twijfelde. Ik woû me niet rechtvaardigen.»«Ja—en je schreef me, dat de kwestie—wie de vader van je kind was—alleen jou—en de vader zelf aanging.»«Dat deed ik», stamelt Marta, «maar ik was ook haast gek van ellende.»«Dat begrijp ik—nu—en ik zeg ’t ook niet als—een verwijt. Ik heb je immers gezegd—ik kom om je vergiffenis.»«Och Oom …»«Ik ben ten slotte tot inkeer gekomen … Weet je waardoor. Frans? Ten minste, wat de—stoot gegeven heeft?»De jonge man kijkt verwonderd op.«Hoe zou ik … dat weten?»«Door een artikel van jou—in een Duitsch tijdschrift—over «vrouweneer»…»«Och!» klinkt het spontaan-kinderlijk uit twee monden.«Ja, vreemd, he? De wegen des Heeren … zeggen de geloovigen. Ja, toen ben ik gaan nadenken.—Een man die zulke idees verkondigde—kon niet slecht zijn—moest het hart op de rechte plaats hebben.—En ik wist—», hier een fijne lieve glimlach—«dat de schrijver dezelfde[230]was als—degeen—die ik voor Marta’sderdeminnaar hield!—Ik kwam achter allerlei bizonderheden—later meer.—En zoo—langzamerhand—ben ik tot inzicht—tot inkeer ook!—gekomen. En hier ben ik nu …»Marta kust hem innig de hand.«Mijn hart zei me», brengt ze uit, «dat u nog eenmaal … weer dezelfde zou worden …»«Dezelfde! Ik woû dat het waar was, kind.—En toch—in zeker opzicht niet.» De eene magere hand gaat weer omhoog met groot gebaar. «Maar ik ben niet daarvoor—alleen hier gekomen.»«Maar Oom, voor u verder gaat, waar logeert u?» valt Marta in.«O, ik ben afgestapt—ik heb me in een goed hotel laten brengen.—Ik heb mijn rijtuig buiten laten wachten—een tien minuten rijden van hier.—Ik ben net anderhalf uur—hier op de plaats.»En Marta weer:«U moet hier logeeren—morgen dadelijk al, wil u? We hebben een goeje logeerkamer.» ’t Was een klein leugentje, maar ze hadden immers een kamer, die er voor in te richten was …«Zeker, Meneer Winter», vindt Frans noodig aan te dringen, «’t is beter bij ons.»«Meneer Winter! Zeg jij maar oom, m’n jongen.[231]Je zult het toch niet lang hoeven te zeggen.—Als je er niet tegen hebt.»«Wat zou ik daar tegen kunnen hebben?»«Maar—dat is dan afgesproken», hervat de oude met een lange blik op het gezicht van Frans, die hem ditmaal met trouwe oog-opslag de blik teruggeeft. ’t Laatste spoor van onvriendelijkheid is van Frans’ trekken verdwenen, en de uitdrukking van zijn gezicht beantwoordt nu geheel aan de drang van zijn hart.«Ik kom dus morgen bij jullie.—Maar—laat me nu ’s zeggen—waarvoor ik nog meer gekomen ben.»—Frans en Marta kijken beiden vragend.«Om jullie tot andere gedachten te brengen.»«Wat bedoelt u?» vraagt de jonge vrouw onthutst, en haar streel-oogen gaan beurtelings van haar oom naar Frans. Deze schijnt begrepen te hebben, wacht af in spanning, en wil niets zeggen; laat eerst die twee uitspreken, denkt hij.«Om fatsoenlijk—burgermans-fatsoenlijk—je aan te raden, om—je verbintenis—je samenleven—te bekrachtigen door—een huwelijks-voltrekking—op de gewone manier …»Marta aarzelt, voordat ze antwoordt:«Maar Oom, onze verbintenis heeft zoo iets niet noodig: die is zonder dat immers even krachtig … En dat u ons zoo iets aan kan raden! Meent u[232]dat?… U die dezelfde denkbeelden over … die zaken … over sexueele verhoudingen heeft als ik …»«Nee, Marta—jij wasplus royaliste que le roi: de leerlingen gaan dikwijls—verder dan de meesters …»«Dus u vindt …?»«Ik vind, m’n lieve kind, datvrije liefdeeen—heel mooi ding is—voor hoogstaande menschen …»«Maar zijn wij dan..?»«Laat me uitspreken.—Een heel mooi iets, zeg ik, in een hoogstaande maatschappij—een wereld van engelen.—En de meeste menschen—dat zul je wel toegeven—zijn nog niet zoover.—Zoo iets is voor een—ideale samenleving—niet voor de onze.—Nu heeft men verplichtingen tegenover—zijn medemenschen, de wereld waarin men leeft.»De oude man zwijgt even nadenkend. Zijn edel profiel komt scherp uit tegen de donker-beschaduwde achtergrond van ’t behang. Ook Marta en Frans zwijgen. Met groote aandacht, als wachtten ze iets beslissends, staren ze hem beiden aan. Plotseling wendt de grijsaard ’t hoofd naar hen.«Zeg, vertel me’s, Marta», zegt hij weer met zijn in-vriendelijke glimlach, «als jij—een huis koopt—van iemand—dan is dat een zaak tusschen jou en die iemand, niet?»[233]«Ja, natuurlijk …», antwoordt Marta.«En toch moet je—wil je je rechten later—laten gelden—een koop-contract opmaken—Niet?—Dat moet voor een huis.—Goed.—Vin’ je dan—waar je eigen persoon erin gemoeid is—vin’ je dan zoo’n contract—zoo’n wettiging tegenover derden—onnoodig?»«Die derden hebben er niets mee te maken …» zegt de jonge vrouw met zwak protest.«Evenmin als met het huis, dat je koopt!» hervat Dr. Winter onverstoord en steeds met zijn beminnelijk lachje.«Ze hebben er wèl mee te maken—zeg ik je. De maatschappij heeft het recht—waarborgen te eischen.—Ja, ja, waarborgen—voor iedereen—voor goeden en kwaden—en de goeden moeten zich—onderwerpen, omdat er—kwaden zijn.—En de zwakken onder de «goeden»… tegenover die ook …»Als Marta niet dadelijk antwoordt, zegt Frans gretig:«Ik vind eigenlijk, dat u gelijk heeft … Ik heb heb er ook dikwijls op aangedrongen … Marta woû niet …»«O, hadden jullie dan eerst—plan gehad om te trouwen?»«O ja … ik vond het noodig voor de kleine[234]jongen.—Maar u begrijpt: mijn vader woû van geen toestemming weten.»«Je bent in onmin gescheiden—is ’t niet zoo?»«O, had u daarvan gehoord? Nu, Marta vond het toen een naar idee, mijn vader door de rechter tot toestemming te dwingen—zooals zij ’t noemde. Door een akte van eerbied, u weet wel. Overdreven, vindt u nu ook niet?»«Ik woû me niet met geweld in zijn familie dringen», valt Marta eenigszins verlegen in. «Dat kòn ik toch niet …»«Maar, Marta, begrijp je dan niet, dat Frans zijn vader—juist doordat jullie—je bij zijn weigering hebben neergelegd—een min idee gekregen heeft—van je verhouding?—Hij houdt je nu immers—voor een avonturierster …»Marta laat het hoofd zinken, haar blik zwichtend voor die wonderlijk doordringende zoek-oogen.De oude schudt onderwijl langzaam zijn teekenachtige kop. En ’t is haar, als hoorde ze hem weer als in haar kinderjaren haar vermanen met zijn: «Meisje, meisje!» en die zelfde glimlach.«Nee, geloof me, m’n kind», hervat Dr. Winter, «doe wat ik je zeg.—Zie zoo gauw mogelijk—toestemming te krijgen—hoe dan ook.»«Langs minnelijke weg is niet meer mogelijk … Ik weet van de laatste brief van mijn moeder …[235]dat mijn vader zijn oude standpunt blijft innemen … Trouwens, ik had niet anders verwacht.»«Nu, dan door zoo’n—akte vaneerbied.—Je bent toch lang meerderjarig—formeeletoestemming heb je immers niet noodig.—Maar trouwen moeten jullie—voor je eigen geluk—dat kàn niet volkomen zijn zonder—de achting van diezelfde wereld—waar je beweert zoo onverschillig voor te zijn—Marta …»«Maar dat bèn ik, Oom», verzet zich de jonge vrouw, met een vergeefsch poginkje om haar oogen opgeslagen te houden.«Och wat! Larie!—In zake je wetenschappelijke werk—he?—ben jenietonverschillig voor—goed- of afkeuring van de wereld.—Frans evenmin—als hij een artikel geschreven heeft.—En wie zijn vaak die—beoordelaars—om wier opinie je zooveel geeft …? Immers heel dikwijls—meestal zelfs—menschen die beneden je staan!—Publiek, ik veracht jeis een fraze—van verwaande ijdeltuitige ingebeelde en behaagzieke kwasten—kwasten bij al hun genie.—Ze zijn als beeldmooie jongemeisjes—die koket verklaren—dat ze alle mannen verachten.—Dat staat machtig voornaam.—Maar ’t is larie, hoor.—Ze meenen er niets van, die meisjes—en ze zouden ’t diep treurig vinden—als alleen hun spiegel[236]hun vertelde—dat ze zoo mooi zijn.—Zou je niet denken?» Weer verlicht de in-goedig-verstandige zacht-ironische glimlach ’t gelaat van de grijsaard. «Dat laatste zou—trouwens, onmogelijk zijn, want—zoo’n meisje weet pas—dat ze mooi is—wanneer andere menschen—mannen vooral—het haar gezegd hebben.—Nee nee, je hebt de menschen noodig.—Kom daar nu maar voor uit: je zult wel onaangename ervaringen hebben opgedaan.»Even zwijgen alle drie, de oude om op adem te komen. Dan gaat deze voort, weer met zijn zoek-oogen op Marta:«Sedert je samenzijn—je samenleven met Frans—bedoel ik?»«O ja, maar …» stamelt de jonge vrouw.«Daar kom je tegen op—om ’t beginsel—jawel.—Maar ondertusschen—wordt je geluk er door bedreigd—ondermijnd.—Je kunt niet volkomen gelukkig zijn—zoo.»«U slaat de spijker op de kop!» roept Frans, als kwam hij nu eerst recht los. «Ik heb al ellende genoeg doorleefd …»«Als er geen martelaren waren», zegt Marta op gloedlooze overtuigings-toon, «zou er geen enkele goede zaak, geen enkel nieuw denkbeeld ingang kunnen vinden. Het hooggeroemde kristendom[237]was zonder martelaren ook niet doorgedrongen …»Dr. Winter’s glimlach verbreedt zich, en zijn wijd geopende oogen schieten ironische lachvonkjes.«Marta, Marta—wat ’n logica!» zegt hij met opgeheven wiegelende rechterhand. «Wat war jij de dingen door elkaar!—In mijn tijd leerden we nog logica—nu promoveeren ze tot doctor—en kunnen de jonge menschen nog niet zelf denken—als ze geroepen zijn—om anderen te leeren denken.—Ja, ja—.»«De martelaren waar je van spreekt—zijn gestorven voor een zaak—die ze voor goddelijk hielden—» hervat hij.«Als er iets goddelijks is, dan is ’t de Liefde,» antwoordt Marta met eigenaardige nadruk.De oude man herinnert zich zijn eigen woorden, hier door zijn discipel trouw herhaald: zoo’n heksje!«Nu goed—best—maar nu verwar je twee dingen.Liefdeenhuwelijkheeten ze,—Mevrouw mijn leerlinge.—De maatschappij heeft zich niet te bemoeien—heeft niets—niets te eischen of te bedillen—in zake deliefde tusschen man en vrouw.—Wèl mag ze eischen, dat hunsamenlevingmet de mogelijke gevolgen—aan behoorlijke regelen gebonden zij.» De oud-rector vergiste zich nooit met zijn aan voegende wijs—en ’t was hem nog altijd een genot, de zelftucht der logisch voortrollende[238]Latijnsche periode op zijn moedertaal aan te passen. «Leef in een liefdesbetrekking met elkaar—als je dat met je geweten—met God!—overeen kunt brengen—maar verlang niet van de maatschappij—dat ze je samenzijn—als een huwelijk beschouwe—als ’t geen huwelijk is—dat wil zeggen—als je je niet behoorlijk tegenover die maatschappij—verbonden hebt.—De liefde is een gewetenszaak—het huwelijk is een maatschappelijke verbintenis.»—Hij zwijgt enkele oogenblikken, de uitwerking zijner woorden bespiedend. «Maar ik zie—dat je niet overtuigd bent», hervat hij leepjes—een spotvonkje in de diepe oogen. «We zullen er wel’s op terugkomen. Ik ben wat moe—ik verlang naar mijn bed, kinderen.»«Ja Oom», valt Marta berouwvol-gedienstig in. «U praat zooveel … En ik laat u op een droogje zitten! Ik ben ook zoo in de war. Maar wat zal ik u geven? Wijn mag u niet hebben …»«Och niets—heusch niets, Marta lief—Ik heb straks al wat gebruikt: ik heb nergens behoefte aan … dan alleen wat rust. Kom …»De oude man staat ietwat moeilijk op. En ’t valt Marta nu eerst goed op, hoe veranderd de gestalte daar vóor haar is, hoe schraal die bouw, hoe diepliggend die oogen, hoe wankel die gang, als hij[239]een schreden vooruit doet. Dat dezelfde levenslustige krachtige grijsaard van toen?… Dat menschelijk wrak, waarvan alleen de oogen nog intens leven vertoonen? Maar ze heeft in haar verbijstering geen heldere gedachtengang: alleen voelt ze, dat het woelt en raast daarbinnen in haar boezem, dat er iets schrijnt en weeklaagt ook. Ze staart haar oom aan.«Nu, kindertjes—ik ga naar mijn hotel.—Goeje nacht.» En hij drukt beiden de hand met stuipig-stevige greep.«Wil u nu heusch niet hier blijven?» dringt Marta kinderlijk vleiend. «Heusch niet, Oompje? Uw logeerkamer is dadelijk in orde.»«Nee, nee—werkelijk niet.—Ik waardeer je goede bedoelingen—mijn beste meid.—Nu nogmaals: goeje nacht.—Ik kom morgen koffie drinken.—Op zijn Hollandsch—is dat goed?»«Zeker, zeker», valt Frans afgetrokken in. «Wij leven hier nog altijd op zijn Hollandsch.»«We drinken om éen uur koffie, hoor, Oom», zegt Marta met een leugentje—«neem maar goed rust—flinke nachtrust—uitslapen, hoor! Belooft u me?»Ze kust hem onhandig, en hij geeft haar op ’t voorhoofd twee innige kussen terug. Dan ziet hij haar in de oogen, diep en innig.[240]«Ja, ja», hommelt de oude in zijn baard. «Adieu, Frans.»«Slaap wel … Ik hoop u morgen wèl te zien», brengt de jonge man haperend uit.Beiden volgen hem tot onder aan de trap. Frans doet de voordeur open, roept de ingedommelde koetsier, die opschrikt uit zijn omwalling van bouffante en hooge halskraag als een tuinslak uit zijn huisje.—Nog een handdruk over en weer.—Het rijtuig rolt heen op de schaars verlichte straatweg, hol-bolderend in de stilte.«Hu! ’t is koud, hier aan de deur», zegt Frans. «Gauw maar naar binnen.»Als ze beiden het buiten trapje weer op zijn, treden ze onwillekeurig de studeerkamer binnen.En nauwelijks binnen, valt Marta Frans snikkend om de hals:«Die lieve lieve Oom! Wat heeft hij geleden! Om mij! Och, Frans, ik wil hem zijn zin doen. Ik wil hem zijn zin doen …»
Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings de deur open.
De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige» verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen.
«Ik ben hier immers wel goed terecht … nie’waar?…[221]bij Meester Jensen … Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?»
Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog onzichtbaar voor de binnentredende.
«De meid …» wil deze nog doorgaan.
«Ja, stellig … volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en vrouw snellen hem nu tegemoet.
«Och, de meid»… hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen,«ik had me vergist … ik vroeg eerst naar Juffrouw … Van Zee … Och, oude gewoonte … toen heb ik dadelijk uw naam genoemd … Dokter Jensen. Ik was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen.
En Frans: «Ja … wil u niet gaan zitten?»
Marta komt met een gemakkelijke stoel aandragen, zet die bij de kachel, waar ze even vluchtig naar kijkt; pookt erin, trekt een klep open. Haar gezicht gloeit.
«Hier, Oom, gaat u hier zitten … hier bij de kachel … die is nog aan. U schijnt erg moe. En buiten adem ook. En koud … Zal ik Uw stoel …?»
De oude heer maakt een moê gebaar van dank, en zet zich sterk hijgend neer. Dan zwijgt hij[222]eenige oogenblikken. Marta en Frans staan bij hem aan de andere zijde der kachel.
«Ik ben … blij dat ik zit … trappen-klimmen gaat me niet best meer af … op mijn jaren … al is ’t maar eenige treden.»Dan slaat hij een blik vol teederheid op naar Marta. «En Marta, mijn kind, hoe gaat het je?»
Er is een lichte trilling in zijn stem en hij heeft zijn magere armen naar de jonge vrouw uitgestrekt, met een gebaar van innige hartelijkheid.
Marta barst in zenuwachtig schreien uit, snelt op de zittende toe, en knielt bij hem neder. Dan omhelst ze hem met kinderlijkevleiing.
«Oom, lieve goeje beste Oom … Is u niet meer boos op me?»
«Boos?… Ik ben nooit boos op je geweest … Ik heb alleen verdriet gehad … Veel verdriet gehad, Marta … Om jou … Kom, ga daar bij me zitten.»
Marta zet zich naast hem, en terwijl ze haar tranen droogt, glimlacht ze verlegen. Er glanst een vroolijkheidje uit haar vochtige groote oogopslag, iets van eindelijke ontspanning. Frans blijft intusschen op een afstand op de sofa bij de bordesdeuren, waar hij is gaan zitten. Er is iets stugs in zijn trekken.
«Kom ook hier, Frans», dringt Marta, die hem[223]even gadegeslagen heeft. De aangesprokene komt aarzelend naderbij, en blijft dan staan. «Oom, dit is mijn beste man», vervolgt ze op innige toon. «Ik heb na u en mijn vader nog nooit een man zoo liefgehad … Kom, Frans, geef Oom een hand. Alles is vergeten: jij mag Oom ook geen kwaad hart toedragen.»
De jonge man aarzelt nòg. Dr. Winter ziet het, en steekt hem met een spontane beweging zijn hand toe.
«Hier, jongen,bied ik je mijn hand… Wil je die aannemen? En wil je me … al ’t verdriet vergeven, dat … dat … ik je vrouw heb aangedaan? Och … als je alles wist …»
Frans grijpt, zichtbaar ontroerd, de dunne vingers van de grijsaard, en drukt die met krachtige druk, zwijgend.
«Ga daar zitten,» gaat de oude voort, terwijl hij Frans steeds aandachtig opneemt: de bewegelijke schrandere prikkelig-kijkende oogen omvorschen diens wezenstrekken, als waren de woorden, die hij spreekt, slechts enkele weerklanken van de vele gedachten, die de aanschouwing bij hem wekt. En Frans gehoorzaamt lijdzaam, sympathiek aangetrokken door de macht van die oogen, die zijn ziel schijnen te willen doorzoeken als met een elektrisch zoeklicht. Ondanks zijn vooringenomenheid[224]voelde hij iets warms in hem opkomen, een kinderlijke vertrouwelijkheids-drang, een behoefte aan uitschreien en algeheele gemoeds-uitstorting. Zoo zou een zoon zich tegenover een vereerde vader voelen, na lang leed onder vreemden.
En Marta moest wel veel van zulk een man gehouden hebben. O hoe goed begreep hij nu de machtige bekoring, die van zulk een persoonlijkheid uit moest gaan op een jong ontvankelijk meisje, leergierig als Marta!
«Ik ben erg verlangend», brengt Frans na enkele oogenblikken stilte uit, «van u te hooren, hoe alles zich toegedragen heeft … Ik heb een onbeperkt vertrouwen in … Marta, en … ik heb me altijd … ten zeerste verbaasd … verwonderd over Uw houding …»
«Best begrijpelijk. Best begrijpelijk, hoor. En je hebt ’t voor haar opgenomen, natuurlijk …»
Hij moet even ophouden, want een benauwdheid overvalt hem. Marta schrikt hevig, haalt haastig een glas water uit de naaste kamer, waarvan ze de schuifdeuren zenuwachtig open en weer dicht trekt.
De oude man neemt bevend het water aan, en drinkt een paar teugjes, het hoofd in gloed, maar toch met zachte glimlach om de dunne lippen.
«Och … ’t is niets … ik heb dat telkens … Nu van die trap zeker … toch maar een tien[225]treedjes, he …» Weer drinkt hij even. «Ja … ik ben al oud … en ik heb een hart-aandoening … een kwaal …»
Marta kijkt hem meewarig met haar groote fluweel-oogen aan, lezend iedere aandoening op zijn vertrokken gelaat.
«Och Oom!..» zegt ze.
«Ja … ’t is nu weer wat over … maar, zie je, de dokter heeft me ook nog een half jaar gegeven.» Weer dat gelaten lachje, dat Marta door de ziel snijdt. «Toch kan ’t ook … zoo … zoo met me gedaan zijn. Daarom …»
«Maar Oom, en dan die lange reis … in de winter!..»
«Och, wat zal ik je zeggen? Ik moest wel … ikmoest, zie je.» Zijn blik gaat beurtelings van Marta naar Frans.
«Ik wou je nog zien vóor … mijn dood..: schuld vereffenen.»
«Kom, Oom», hervat Marta met tranen in haar stem en in streelende klankgolving. «Laten we niet meer aan ’t verleden denken …» En ze grijpt zijn hand, die slap langs de leuning van de stoel hing.
«Nee, aan ’t … heden alleen, nie’waar? Maar juist daarvoor … Had je nog verdriet … om mij?»
Marta slaat de oogen neer voor zijn blik.
«Altijd, Oom», zegt ze zacht schreiend. «Altijd![226]Ik heb altijd met liefde aan u gedacht … En dan begrijpt u …»
De oude man blijft haar liefdevol gadeslaan. «Mijn lief braaf … goed kind», gaat hij voort.«Net mijn onvergetelijke zuster … je moeder.»
Alle drie zwijgen, aangedaan. Frans kijkt stroef.
«Nu, Marta, dan moest het je toch … smarten, nie’waar, dat je zoo … voor goed gebroken hadt met je oom. Dat moest nu uit wezen … Ik woû je zien en spreken … ik woû je vergiffenis, Marta … Wat ben je een lieve lieve ziel … dat je me die zoo dadelijk … geschonken hebt …»
Een paar tranen rollen blinkend neer uit de strakke oogen, die nu van Marta afgewend vóor zich uit staren.
«Och, natuurlijk, Oom» zegt zij teeder.
«En dan je man», hervat de grijsaard. «Ik woû ook mijn rekening bij hem vereffenen.» Dan kijkt hij Frans recht in ’t gelaat «Jullie zijn gelukkig, nie’waar? Is ’t niet?»
Frans aarzelt even en kijkt Marta aan.
«Dat moet jij zeggen, Marta», antwoordt hij dan.
«Wat ons … drieën aangaat, onder ons … volkomen, Oom.»
«Jullie drieën … maar er zijn meer menschen in de wereld dan jullie drieën, wil je zeggen!..»[227]
Weer slaat Marta haar oogen neer vóor ’t vorschende kijken des ouden.
«De wereld … och, die laat me koud», tracht ze onverschillig te antwoorden, met schuchtere oogopslag.
«Dat meen je niet, Marta.»
De schrandere oogen, vorschend uit de donkere diepten der kassen, vestigen zich nu ook op de jonge man. Hij wil spreken, doch bedenkt zich. Zijn brauwen fronsen zich even … «Maar», hervat hij op ietwat andere toon … «ik moet eerst over mezelf … spreken.»
«Meneer Winter», valt Frans plotseling in, «hoe kon u, u, die zooveel van Marta hield,.. haar verlaten … opzulkeen oogenblik?»
De oude man verschuift even in zijn stoel en zucht:
«’t Heeft me … moeite gekost», antwoordt hij kalm-ernstig. «Maar juist omdat ik haar zoo hoog stelde … daarom stelde ik haar volkomen verantwoordelijk voor haar daden. Van wie—men veel verwacht—keurt men ook veel af.—Wie hoog staat—wordt streng geoordeeld.» Even een zucht. «Ik begon met Marta’s—huwelijk met Karel—verkeerd te vinden. Ze was nog veel te jong voor—zulk een stap.—Ik schreef haar op haar mededeeling—hoe ik erover dacht.—Ze[228]antwoordde met een—hooghartige brief …»
Marta bloost en buigt het hoofd.
«Nu ja», gaat de oude na een oogenblik voort, «dat was niet zoo heel erg.—Maar toen kwam … toen hoorde iknietstot—totdat ze me schreef, dat Karel haar in de steek gelaten had—Ik had in de tusschentijd andere berichten gekregen—ook van de kant van zijn familie.—En iedereen op de plaats sloeg er geloof aan.—Ik ook.»
Dr. Winter kijkt somber vóor zich, en zijn witte baard schokt met kleine rukjes op en neer.
«Maar hoe kòn u …!» breekt Frans de stilte, meer smartelijk somber dan verwijtend.
«O, je weet zeker wat ze zeiden, niet? ’t Was afschuwelijk. Dat Marta ’t weer—met een ander aangelegd had—dat ze van die tweede—zoover was—zwanger.—Ik wou ’t eerst niet gelooven. Maar ik had vertrouwen in die Karel—ik meende hem te kennen—door-en-door te kennen.»
De oude man hief zijn rechter hand omhoog en sloeg de oogen hoog op. «Ja … niet, dathij—me zoo iets te verstaan gaf …»
«Nou ja», valt Frans in, «daar zorgden zijn familie en vrienden wel voor …»
«Ik schreef Marta weer», hervat de oude man.«Mijn toon was misschien … beleedigend …»
«O ja, Oom!» roept Marta heftig en op schreierige[229]toon. «Ik kon niet verdragen, dat u een oogenblik aan mijn eergevoel twijfelde. Ik woû me niet rechtvaardigen.»
«Ja—en je schreef me, dat de kwestie—wie de vader van je kind was—alleen jou—en de vader zelf aanging.»
«Dat deed ik», stamelt Marta, «maar ik was ook haast gek van ellende.»
«Dat begrijp ik—nu—en ik zeg ’t ook niet als—een verwijt. Ik heb je immers gezegd—ik kom om je vergiffenis.»
«Och Oom …»
«Ik ben ten slotte tot inkeer gekomen … Weet je waardoor. Frans? Ten minste, wat de—stoot gegeven heeft?»
De jonge man kijkt verwonderd op.
«Hoe zou ik … dat weten?»
«Door een artikel van jou—in een Duitsch tijdschrift—over «vrouweneer»…»
«Och!» klinkt het spontaan-kinderlijk uit twee monden.
«Ja, vreemd, he? De wegen des Heeren … zeggen de geloovigen. Ja, toen ben ik gaan nadenken.—Een man die zulke idees verkondigde—kon niet slecht zijn—moest het hart op de rechte plaats hebben.—En ik wist—», hier een fijne lieve glimlach—«dat de schrijver dezelfde[230]was als—degeen—die ik voor Marta’sderdeminnaar hield!—Ik kwam achter allerlei bizonderheden—later meer.—En zoo—langzamerhand—ben ik tot inzicht—tot inkeer ook!—gekomen. En hier ben ik nu …»
Marta kust hem innig de hand.
«Mijn hart zei me», brengt ze uit, «dat u nog eenmaal … weer dezelfde zou worden …»
«Dezelfde! Ik woû dat het waar was, kind.—En toch—in zeker opzicht niet.» De eene magere hand gaat weer omhoog met groot gebaar. «Maar ik ben niet daarvoor—alleen hier gekomen.»
«Maar Oom, voor u verder gaat, waar logeert u?» valt Marta in.
«O, ik ben afgestapt—ik heb me in een goed hotel laten brengen.—Ik heb mijn rijtuig buiten laten wachten—een tien minuten rijden van hier.—Ik ben net anderhalf uur—hier op de plaats.»
En Marta weer:
«U moet hier logeeren—morgen dadelijk al, wil u? We hebben een goeje logeerkamer.» ’t Was een klein leugentje, maar ze hadden immers een kamer, die er voor in te richten was …
«Zeker, Meneer Winter», vindt Frans noodig aan te dringen, «’t is beter bij ons.»
«Meneer Winter! Zeg jij maar oom, m’n jongen.[231]Je zult het toch niet lang hoeven te zeggen.—Als je er niet tegen hebt.»
«Wat zou ik daar tegen kunnen hebben?»
«Maar—dat is dan afgesproken», hervat de oude met een lange blik op het gezicht van Frans, die hem ditmaal met trouwe oog-opslag de blik teruggeeft. ’t Laatste spoor van onvriendelijkheid is van Frans’ trekken verdwenen, en de uitdrukking van zijn gezicht beantwoordt nu geheel aan de drang van zijn hart.
«Ik kom dus morgen bij jullie.—Maar—laat me nu ’s zeggen—waarvoor ik nog meer gekomen ben.»—Frans en Marta kijken beiden vragend.«Om jullie tot andere gedachten te brengen.»
«Wat bedoelt u?» vraagt de jonge vrouw onthutst, en haar streel-oogen gaan beurtelings van haar oom naar Frans. Deze schijnt begrepen te hebben, wacht af in spanning, en wil niets zeggen; laat eerst die twee uitspreken, denkt hij.
«Om fatsoenlijk—burgermans-fatsoenlijk—je aan te raden, om—je verbintenis—je samenleven—te bekrachtigen door—een huwelijks-voltrekking—op de gewone manier …»
Marta aarzelt, voordat ze antwoordt:
«Maar Oom, onze verbintenis heeft zoo iets niet noodig: die is zonder dat immers even krachtig … En dat u ons zoo iets aan kan raden! Meent u[232]dat?… U die dezelfde denkbeelden over … die zaken … over sexueele verhoudingen heeft als ik …»
«Nee, Marta—jij wasplus royaliste que le roi: de leerlingen gaan dikwijls—verder dan de meesters …»
«Dus u vindt …?»
«Ik vind, m’n lieve kind, datvrije liefdeeen—heel mooi ding is—voor hoogstaande menschen …»
«Maar zijn wij dan..?»
«Laat me uitspreken.—Een heel mooi iets, zeg ik, in een hoogstaande maatschappij—een wereld van engelen.—En de meeste menschen—dat zul je wel toegeven—zijn nog niet zoover.—Zoo iets is voor een—ideale samenleving—niet voor de onze.—Nu heeft men verplichtingen tegenover—zijn medemenschen, de wereld waarin men leeft.»
De oude man zwijgt even nadenkend. Zijn edel profiel komt scherp uit tegen de donker-beschaduwde achtergrond van ’t behang. Ook Marta en Frans zwijgen. Met groote aandacht, als wachtten ze iets beslissends, staren ze hem beiden aan. Plotseling wendt de grijsaard ’t hoofd naar hen.
«Zeg, vertel me’s, Marta», zegt hij weer met zijn in-vriendelijke glimlach, «als jij—een huis koopt—van iemand—dan is dat een zaak tusschen jou en die iemand, niet?»[233]
«Ja, natuurlijk …», antwoordt Marta.
«En toch moet je—wil je je rechten later—laten gelden—een koop-contract opmaken—Niet?—Dat moet voor een huis.—Goed.—Vin’ je dan—waar je eigen persoon erin gemoeid is—vin’ je dan zoo’n contract—zoo’n wettiging tegenover derden—onnoodig?»
«Die derden hebben er niets mee te maken …» zegt de jonge vrouw met zwak protest.
«Evenmin als met het huis, dat je koopt!» hervat Dr. Winter onverstoord en steeds met zijn beminnelijk lachje.
«Ze hebben er wèl mee te maken—zeg ik je. De maatschappij heeft het recht—waarborgen te eischen.—Ja, ja, waarborgen—voor iedereen—voor goeden en kwaden—en de goeden moeten zich—onderwerpen, omdat er—kwaden zijn.—En de zwakken onder de «goeden»… tegenover die ook …»
Als Marta niet dadelijk antwoordt, zegt Frans gretig:
«Ik vind eigenlijk, dat u gelijk heeft … Ik heb heb er ook dikwijls op aangedrongen … Marta woû niet …»
«O, hadden jullie dan eerst—plan gehad om te trouwen?»
«O ja … ik vond het noodig voor de kleine[234]jongen.—Maar u begrijpt: mijn vader woû van geen toestemming weten.»
«Je bent in onmin gescheiden—is ’t niet zoo?»
«O, had u daarvan gehoord? Nu, Marta vond het toen een naar idee, mijn vader door de rechter tot toestemming te dwingen—zooals zij ’t noemde. Door een akte van eerbied, u weet wel. Overdreven, vindt u nu ook niet?»
«Ik woû me niet met geweld in zijn familie dringen», valt Marta eenigszins verlegen in. «Dat kòn ik toch niet …»
«Maar, Marta, begrijp je dan niet, dat Frans zijn vader—juist doordat jullie—je bij zijn weigering hebben neergelegd—een min idee gekregen heeft—van je verhouding?—Hij houdt je nu immers—voor een avonturierster …»
Marta laat het hoofd zinken, haar blik zwichtend voor die wonderlijk doordringende zoek-oogen.
De oude schudt onderwijl langzaam zijn teekenachtige kop. En ’t is haar, als hoorde ze hem weer als in haar kinderjaren haar vermanen met zijn: «Meisje, meisje!» en die zelfde glimlach.
«Nee, geloof me, m’n kind», hervat Dr. Winter, «doe wat ik je zeg.—Zie zoo gauw mogelijk—toestemming te krijgen—hoe dan ook.»
«Langs minnelijke weg is niet meer mogelijk … Ik weet van de laatste brief van mijn moeder …[235]dat mijn vader zijn oude standpunt blijft innemen … Trouwens, ik had niet anders verwacht.»
«Nu, dan door zoo’n—akte vaneerbied.—Je bent toch lang meerderjarig—formeeletoestemming heb je immers niet noodig.—Maar trouwen moeten jullie—voor je eigen geluk—dat kàn niet volkomen zijn zonder—de achting van diezelfde wereld—waar je beweert zoo onverschillig voor te zijn—Marta …»
«Maar dat bèn ik, Oom», verzet zich de jonge vrouw, met een vergeefsch poginkje om haar oogen opgeslagen te houden.
«Och wat! Larie!—In zake je wetenschappelijke werk—he?—ben jenietonverschillig voor—goed- of afkeuring van de wereld.—Frans evenmin—als hij een artikel geschreven heeft.—En wie zijn vaak die—beoordelaars—om wier opinie je zooveel geeft …? Immers heel dikwijls—meestal zelfs—menschen die beneden je staan!—Publiek, ik veracht jeis een fraze—van verwaande ijdeltuitige ingebeelde en behaagzieke kwasten—kwasten bij al hun genie.—Ze zijn als beeldmooie jongemeisjes—die koket verklaren—dat ze alle mannen verachten.—Dat staat machtig voornaam.—Maar ’t is larie, hoor.—Ze meenen er niets van, die meisjes—en ze zouden ’t diep treurig vinden—als alleen hun spiegel[236]hun vertelde—dat ze zoo mooi zijn.—Zou je niet denken?» Weer verlicht de in-goedig-verstandige zacht-ironische glimlach ’t gelaat van de grijsaard. «Dat laatste zou—trouwens, onmogelijk zijn, want—zoo’n meisje weet pas—dat ze mooi is—wanneer andere menschen—mannen vooral—het haar gezegd hebben.—Nee nee, je hebt de menschen noodig.—Kom daar nu maar voor uit: je zult wel onaangename ervaringen hebben opgedaan.»
Even zwijgen alle drie, de oude om op adem te komen. Dan gaat deze voort, weer met zijn zoek-oogen op Marta:
«Sedert je samenzijn—je samenleven met Frans—bedoel ik?»
«O ja, maar …» stamelt de jonge vrouw.
«Daar kom je tegen op—om ’t beginsel—jawel.—Maar ondertusschen—wordt je geluk er door bedreigd—ondermijnd.—Je kunt niet volkomen gelukkig zijn—zoo.»
«U slaat de spijker op de kop!» roept Frans, als kwam hij nu eerst recht los. «Ik heb al ellende genoeg doorleefd …»
«Als er geen martelaren waren», zegt Marta op gloedlooze overtuigings-toon, «zou er geen enkele goede zaak, geen enkel nieuw denkbeeld ingang kunnen vinden. Het hooggeroemde kristendom[237]was zonder martelaren ook niet doorgedrongen …»
Dr. Winter’s glimlach verbreedt zich, en zijn wijd geopende oogen schieten ironische lachvonkjes.
«Marta, Marta—wat ’n logica!» zegt hij met opgeheven wiegelende rechterhand. «Wat war jij de dingen door elkaar!—In mijn tijd leerden we nog logica—nu promoveeren ze tot doctor—en kunnen de jonge menschen nog niet zelf denken—als ze geroepen zijn—om anderen te leeren denken.—Ja, ja—.»
«De martelaren waar je van spreekt—zijn gestorven voor een zaak—die ze voor goddelijk hielden—» hervat hij.
«Als er iets goddelijks is, dan is ’t de Liefde,» antwoordt Marta met eigenaardige nadruk.
De oude man herinnert zich zijn eigen woorden, hier door zijn discipel trouw herhaald: zoo’n heksje!
«Nu goed—best—maar nu verwar je twee dingen.Liefdeenhuwelijkheeten ze,—Mevrouw mijn leerlinge.—De maatschappij heeft zich niet te bemoeien—heeft niets—niets te eischen of te bedillen—in zake deliefde tusschen man en vrouw.—Wèl mag ze eischen, dat hunsamenlevingmet de mogelijke gevolgen—aan behoorlijke regelen gebonden zij.» De oud-rector vergiste zich nooit met zijn aan voegende wijs—en ’t was hem nog altijd een genot, de zelftucht der logisch voortrollende[238]Latijnsche periode op zijn moedertaal aan te passen. «Leef in een liefdesbetrekking met elkaar—als je dat met je geweten—met God!—overeen kunt brengen—maar verlang niet van de maatschappij—dat ze je samenzijn—als een huwelijk beschouwe—als ’t geen huwelijk is—dat wil zeggen—als je je niet behoorlijk tegenover die maatschappij—verbonden hebt.—De liefde is een gewetenszaak—het huwelijk is een maatschappelijke verbintenis.»—Hij zwijgt enkele oogenblikken, de uitwerking zijner woorden bespiedend. «Maar ik zie—dat je niet overtuigd bent», hervat hij leepjes—een spotvonkje in de diepe oogen. «We zullen er wel’s op terugkomen. Ik ben wat moe—ik verlang naar mijn bed, kinderen.»
«Ja Oom», valt Marta berouwvol-gedienstig in. «U praat zooveel … En ik laat u op een droogje zitten! Ik ben ook zoo in de war. Maar wat zal ik u geven? Wijn mag u niet hebben …»
«Och niets—heusch niets, Marta lief—Ik heb straks al wat gebruikt: ik heb nergens behoefte aan … dan alleen wat rust. Kom …»
De oude man staat ietwat moeilijk op. En ’t valt Marta nu eerst goed op, hoe veranderd de gestalte daar vóor haar is, hoe schraal die bouw, hoe diepliggend die oogen, hoe wankel die gang, als hij[239]een schreden vooruit doet. Dat dezelfde levenslustige krachtige grijsaard van toen?… Dat menschelijk wrak, waarvan alleen de oogen nog intens leven vertoonen? Maar ze heeft in haar verbijstering geen heldere gedachtengang: alleen voelt ze, dat het woelt en raast daarbinnen in haar boezem, dat er iets schrijnt en weeklaagt ook. Ze staart haar oom aan.
«Nu, kindertjes—ik ga naar mijn hotel.—Goeje nacht.» En hij drukt beiden de hand met stuipig-stevige greep.
«Wil u nu heusch niet hier blijven?» dringt Marta kinderlijk vleiend. «Heusch niet, Oompje? Uw logeerkamer is dadelijk in orde.»
«Nee, nee—werkelijk niet.—Ik waardeer je goede bedoelingen—mijn beste meid.—Nu nogmaals: goeje nacht.—Ik kom morgen koffie drinken.—Op zijn Hollandsch—is dat goed?»
«Zeker, zeker», valt Frans afgetrokken in. «Wij leven hier nog altijd op zijn Hollandsch.»
«We drinken om éen uur koffie, hoor, Oom», zegt Marta met een leugentje—«neem maar goed rust—flinke nachtrust—uitslapen, hoor! Belooft u me?»
Ze kust hem onhandig, en hij geeft haar op ’t voorhoofd twee innige kussen terug. Dan ziet hij haar in de oogen, diep en innig.[240]
«Ja, ja», hommelt de oude in zijn baard. «Adieu, Frans.»
«Slaap wel … Ik hoop u morgen wèl te zien», brengt de jonge man haperend uit.
Beiden volgen hem tot onder aan de trap. Frans doet de voordeur open, roept de ingedommelde koetsier, die opschrikt uit zijn omwalling van bouffante en hooge halskraag als een tuinslak uit zijn huisje.—Nog een handdruk over en weer.—Het rijtuig rolt heen op de schaars verlichte straatweg, hol-bolderend in de stilte.
«Hu! ’t is koud, hier aan de deur», zegt Frans. «Gauw maar naar binnen.»
Als ze beiden het buiten trapje weer op zijn, treden ze onwillekeurig de studeerkamer binnen.
En nauwelijks binnen, valt Marta Frans snikkend om de hals:
«Die lieve lieve Oom! Wat heeft hij geleden! Om mij! Och, Frans, ik wil hem zijn zin doen. Ik wil hem zijn zin doen …»