[Inhoud]HOOFDSTUK I.Hij zou stellig komen: ze had er zoo’n idee van. ’t Was immers een Woensdag, en die had hij tot nog toe nooit overgeslagen … En als hij kwam, zou ze hem niets zeggen van haar verjaardag. Waarom zou ze? Wat had hij er eigenlijk mee te maken? En toch … ’t zou wel aardig zijn, als hij ’t wist, als hij daarom kwam …Ze zat vóor haar schrijftafel, met de eene hand onder ’t hoofd, te staren. ’t Was een fijne tengere gestalte. Het welbesneden ovale gezichtje met de groote donkere oogen en het weelderige iet of wat kroezend zwart haar, met de matbleeke tint, de spitse eenigzins gebogen neus en de dunne goedsluitende lippen van de kleine mond, spraken van jeugdige ernst, maar ook van veel ingehouden hartstocht, van groote schranderheid en verstandsleven naast hoog-ontwikkeld vrouwelijk gevoel.Ze droeg een eenvoudig grijs reform-kostuum.[2]Op de schrijftafel vóor haar lagen eenige boeken en schriften. Een, opgeslagen, bevatte een werk waaraan ze bezig was. Tusschen de papieren lag een menschelijke schedel, geel glad glimmend, met de grijnzende kant naar haar toegekeerd, naast de groote zilver-en-kristallen inktpot. Vlak daarachter—er was een plaatsje voor gemaakt—stond een groen vaasje met een groote bos veldbloemen, aardig uitkomend tegen het donkergroene gordijn der boekenkast achter de schrijftafel. Even opgeschoven, vertoonde het daarachter ’t begin van rijen dikke boeken, waarvan de breede ruggen gouden glimpuntjes op hun gladzwart leder lieten zien. Daarboven op, manshoog, twee biscuit borstbeeldjes. Naast de stemmige boekenkast onder een eveneens donkergroene doek, iets op een zwart-houten voetstuk. Onderaan een ontbloot gebleven deel een menschelijk geraamte verradend.De wand tegenover de boekenkast droeg op het grauw-groene behang twee mooie omlijste staaldrukken: Christus en de rijke jongeling en Christus als knaap in de tempel. Daaronder éen portret in ronde lijst: een fraaie mannekop, met grijze baard en denkersoogen, uitgesproken Joodsch type. Aan deze wand een sofa en een paar stoelen, met een kleine tafel, waarop een aardig[3]zelfgewerkt kleedje, ’t een en ander nieuwe stijl en iets-donkerder-grauwgroen van bekleeding dan het behang. Op de vloer effen grauw zeil, waarop in ’t midden van ’t vertrek een donkergroen kleed. De beide overige wanden vertoonden groote openslaande deuren, links van de ingang leidend naar een ander vertrek en daar nu half verborgen onder een zware voorhang van dezelfde kleur als ’t kleed op de grond; rechts een balkon, uitziend op een breede straat.De zon schijnt buiten vroolijk en werpt een lange lichtstraal door ’t vertrek, zich baan brekend door de spaarzaam opengelaten witte valgordijnen en de donkergroene overgordijnen aan de balkonkant. De zonnestraal weerkaatst juist op de spiegel boven de schoorsteenmantel en speelt daar met het verguldsel van ’t staande klokje. Daarnaast werpen een paar eveneens vergulde kandelabertjes en eenige foto’s in metalen lijstjes flikkerglansjes onder de inwerking van ’t namiddaglicht.De heele inrichting der kamer heeft bij alle eenvoud een sterk persoonlijk karakter, en mist het banale der gewone huurvertrekken. Zelfs de lamp, een verguld kroontje met drie armen, zoo geheel in overeenstemming met het klokje, de spiegel en de kandelabertjes, doet denken aan eigen keuze der bewoonster.[4]Deze heeft zich weer over haar werk gebogen, en schrijft. Doch eenige oogenblikken later heeft ze ’t hoofd opgeheven, en kijkt met aandacht naar de deur. Dan, opeens legt ze de pen neer.Er is geklopt. «Binnen», roeptMartavan Zee.«Juffrouw, daar is meneer Jensen; die vraagt, of u ook belet heeft.»«Laat meneer boven komen, Juffrouw Pieters,» antwoordt Marta schijnbaar onverschillig. Als de hospita weg is, staat ze op en kijkt even in de spiegel. Dan gaat ze weer zitten op dezelfde plaats, neemt een van de boeken, die opengeslagen op de schrijftafel liggen, en bladert afgetrokken daarin. Ze kijkt een paar maal naar de deur.Een gestommel op de trap, wat beweging op ’t portaal en een stevige tik op de deur, die van ’t portaal naar de kamer leidt, doen haar nogmaals naar de deur opkijken.«Zoo, Marta, dat doet me pleizier; ik was een oogenblik bang, je niet thuis te vinden.»Marta is opgestaan en steekt de jonge man, die binnengetreden is, de hand toe. Hij is grooter en forscher dan zij, maar in de trekken van zijn gelaat ligt minder kracht van geest en wil dan van gezondheid. Een fijn zwart snorretje geeft iets fattigs aan de gevulde lippen, waarvan de[5]onderste, ietwat uitpuilend, de uitdrukking van overmoed der heldere bruine oogen bevordert. Ook de vierkante stevige vorming der kin draagt daartoe bij. Een kortgehouden donkerbruine haardos laat eenhoog voorhoofd vrij,waarondereen paar zijige wenkbrauwen van dezelfde kleur als het haar. De vrij groote neus is van onderen wat breed en stomp. ’t Heele gelaat heeft iets voornaams, wat ook uit kleeding en houding spreekt, maar tevens iets weekelijks, iets van ’t bedorven moeders-zoontje en van de lustig en onbezorgd levende student van ’t«studentikoze» type.Een aardig tegenbeeld Marta’s gestalte daar tegenover hem. Blozend, maar hem recht in de oogen kijkend geeft zij hem de hand.«Bang, me niet thuis te vinden … Och, tegenwoordig ben ik nog al ’s hier te treffen.» Ze glimlacht even en wijst op haar werk.«Ik stoor toch niet?»«O nee, volstrekt niet. Dat kan wachten. Ga zitten, ga zitten: daar, op je gewone plaats.»«Ja, stamgast wor’ ik hier zoo langzamerhand.» Hij zet zich op een gemakkelijke stoel op zij van Marta’s schrijftafel. Marta is weer gaan zitten, maar heeft zich nu halverwege omgewend, naar haar bezoeker toe.Deze zit in ’t volle licht dat van ’t balkon binnenkomt, schuin tegenover Marta[6]met de rug naar de muur. Nauwelijks gezeten valt zijn blik op het doodshoofd bij de inktpot.«Merkwaardige combinatie, zeg, Marta,» roept hij, en neemt meteen de schedel van de schrijftafel, dat «doodshoofd met die veldbloemen! Zinnebeeld van leven en geluk bij dat van vergankelijkheid … Wat ’n leelijke grijns heeft zoo’n kop toch!»Hij bekijkt het gladde glimmende voorwerp van verschillende kanten met een speelsche spottende glimlach.Marta neemt hem de schedel af.«Foei, Frans, je moet niet spotten met zoo iets!»«Daar, ik zet het weer op zijn plaats. Daar hoort het: ik heb het noodig voor een verhandeling over schedelbreuk, waaraan ik bezig ben. Och, dat weet je trouwens: kijk.» Ze raakt even achteloos het papier aan, vóor haar op tafel. «En dan: wat die combinatie aangaat, die is zoo vreemd niet. Dood en leven komen overal naast elkaar voor.» Ze zwijgt even. «In ieder menscheleven ook … in ’t mijne … in ’t jouwe ook …»«Nou ja, maar op een meisjeskamer … Ik weet wel … maar toch … Ik kan er me zoo moeilijk indenken.»«Dat begrijp ik best. Maar och, voor ons medici[7]krijgt ’t menschelijk lichaam zoo’n heel andere beteekenis dan voor andere menschen. Dood en leven zijn voor ons ook anders … Er is eigenlijk geen dood …»«Zoo, nou, ik zou zeggen …» Frans lacht even luid.«’t Is maar net zooals je ’t opvat. Je weet immers, dat men ontdekt heeft, dat moleculaire beweging—een beweging die overal in alles is—niet qualitatief verschilt van levensbeweging … Een stuk ijzer leeft eigenlijk ook …»Er is een trek van verhoogde ernst op Marta’s gelaat.«Ho, nu wor’ je me te geleerd! ’t Eenige wat ik bedoel—ik heb je dat meer gezegd, weet je niet?—is dat ik niet vat, hoe jij met je fijn vrouwelijk gevoel zooveel akeligs—zooveel, nou.… griezeligs, vies, laat me maar zeggen, kunt aanzien. Hoe je bijvoorbeeld in de snijkamer geen walg krijgt, geen afschuw van.…»«Een kwestie van wennen.… anders niet. Heel in ’t begin ben ik er wel eens naar van geweest. Maar nu.… ’t Eenige wat me nu nog aandoet, is de gedachte aan ’t lot van de arme wezens, die daar voor onze proeven dienen, voor onze «experimenten».»«Hoe bedoel je dat? Die voelen er toch niets meer van?»[8]«Jawel, dat is zoo; maar ’t zijn zulke ongelukkige schepsels, wier lijken naar de snijkamer gaan.»Marta wendt zich naar de andere kant der schrijftafel, en wijst op ’t voorwerp met het groene dekkleed erover.«Weet je bijvoorbeeld wat datrifdaar in haar leven geweest is?»«Haar? Is dat dan van een vrouw?»Frans is opgestaan en plaatst zich bij ’t geraamte. Marta staat eveneens op, en neemt het kleed van ’t geraamte af.«Ja, van een meisje. Kijk, dat kun je toch zien! Breed bekken met de schouders vergeleken, dan kleinere gestalte.… Nou ja, dát geraamte is afkomstig van een achttienjarig meisje. Een prostituee.… In ’t ziekenhuis gestorven.…»Frans kijkt meewarig naar ’t gebeente.«Arm kind! Maar ik wist niet, dat zoo’n geraamte eerst in de snijkamer geweest was.»«O ja, altijd. Als ’t daar voldoende.… bekorven is en afgehaald, dan gaat het naar de man, die er een skelet van prepareert.»Ze zwijgt een oogenblik. Dan gaat ze voort:«Ik heb dat meisje gekend. Ik heb met haar gesproken.»Marta doet de groene doek weer over ’t geraamte[9]en gaat zitten. Frans volgt haar voorbeeld. Dan gaat ze voort met iets gewild onverschilligs in haar stem, maar toch met lichte trilling daarin:«Och de gewone geschiedenis, zie je … Toch vreeselijk, vreeselijk, altijd weer even hartverscheurend.» De ontroering wordt haar een enkel oogenblik de baas. De jonge man kijkt haar verwonderd aan.«Ja, ja, ik kan ’t me denken,» zegt hij ernstig, met veel sympathie in toon en blik; maar toch niet geheel begrijpend.«Ik heb, God dank, nooit een meisje ongelukkig gemaakt.»Marta ziet hem even vol aan. Er is een lieve streeling in haar fluweelen oogen, die vochtig glanzen.«Och ja,» gaat ze voort, «dat is ’t begin … en dan de rest. Dit was eenmooimeisje. Ze heeft tegenspoed gehad … had te veel hart … Anders was ze wel anders terechtgekomen. De harteloozen brengen ’t in zoo’n geval tot een soort van geluk, tot de «diamanten en paarlen» van Heine’s gedichtje. Die beseffen dan niet, «hoe diep ze ellendig zijn». Anderen soms ook wel … maar dat zijn uitzonderingen, groote uitzonderingen.…»Ze zwijgt en blijft in gedachten staren. Met de hand onder ’t hoofd zit ze zoo, dat Frans haar[10]fijn profiel scherp tegen de donkere achtergrond ziet uitkomen. Na eenige oogenblikken van hernieuwde verwondering, zegt hij:«Wat wou je zeggen, Marta?» Ze kijkt even op.«Och, die.… die heffen zich weer op. In armoede is dat heel moeilijk…»Weer vervalt ze in gepeins.«Kom, ik vind dit lang geen prettig onderwerp van gesprek.Nu ’swat anders, Marta, weet je nu eigenlijk wel, waarom ik bij je kom?»Marta lacht opeens. Haar oogen kijken hem helder aan. «Waarom jevandaagbij me komt? Maar, Frans, je komt bijna iederen dag!»Onwillekeurig lacht de ander mee.«Dat is.… waar. Mijn vader moest ’t ’s weten! Die denkt dat ik braaf college loop …»«Dat moest je ook …» Marta’s mond is half ernst, half spot.«Och wat! Wat kunnen mij die colleges schelen? Ik studeer hier bij jou immers ook?»Marta glimlacht weer.«Ja, dat is zoo … Maar zeg, nu weet ik nog niet, waarom je vandaag—zoo speciaal!—gekomen bent. Ook om te studeeren?»«Och, flauwe meid! Dat weet je wel beter, ben je dan niet jarig?»«Ik jarig?» Haar oogen stralen. «’t Is waar ook![11]Nu, daar let ik anders niet meer op hoor.» Dit laatste klinkt eenigszins weemoedig.«Je wordt ook zoo oud, he!» Marta lacht niet, maar blijft stroef kijken. «Nu, ik let er wèl op, en …»«Maar hoe ben jij daar eigenlijk achtergekomen?»«Nagevraagd, aan de burgerlijke stand. Een heerlijke nuttige instelling!»Marta kleurt.«Och kom! Waar jij al belang in stelt!» Toch voelt ze ze zich aangenaam verrast. Frans kijkt haar strak aan.«Daarvoor had de huisjuffrouw immers die bloemen daar klaargezet.»Marta antwoordt kwazi-verwonderd:«O zoo.»«Nou ja, van mij heb je niets gekregen. Je wil niets hebben, trouwens: je wil nooit wat van me hebben. Maar nu wil ik wat van jou hebben, versta je? Ik wil ’s op je gezondheid drinken.»Zijn gastvrouw lacht verlegen.«Ik heb niets in huis. Je weet, ik gebruik nooit wat. Niet omdat ik afschafster ben … Maar ik bedenk me daar: ik heb toch misschien nog wat. Ik heb laatst bezoek gehad van … mijn oom … mijn voogd …»Marta kleurt weer en zoekt naar haar woorden, doch Frans komt haar onwillekeurig te hulp.[12]«Je voogd? Je vroegere voogd dan toch: je wordt vandaag een-en-twintig.»Marta kleurt nog sterker. Dan antwoordt ze kwazi-natuurlijk, en vroolijk: «Juist, ook mooi nageplozen …»«Nu, wat heb je? Vooruit ermee!»Beiden staan op. Marta gaat naar een kast in de achterwand, die ze opent.«Kom, meezoeken» noodt ze lachend.«Potstausend! Houdt je ploerterij dat zoo netjes?»«M’n wat?»«Je ploerterij.»«M’n huisjuffrouw, wil je zeggen? Een heel best braaf mensch, waar je met eerbied over spreken moet … maar dat gaat jou niet aan, zoek jij maar.»«Ik vind niets, als jij me in de weg staat! Ik zie alleen dat je mooi glaswerk hebt … En zilver ook, keurig …»«Maar niets erin … Kom, in de anderenog ’skijken.»«Even nog!»«Och, doe die kast nu dicht. Je hebt er niets mee te maken verder.»Ondertusschen heeft Marta een andere muurkast opengemaakt.«Zeg, kom je nu? Daar is niets in, zeg ik je».[13]«Best, best, ik geloof je. Is dat weer zoo’n wonderkastje?» Frans sluit de eene kast en komt bij de andere staan.Marta, die onderwijl aan ’t zoeken gegaan is, schiet op eens in een lach.«Och, wat moetje daar? Dat’s mijn tafelgoed.»«Je vraagt me om mee te zoeken!»«Ja, maar wat dacht je? Dat het hier was als bij een van je vrienden? Alles heeft zijn plaats.»«O ja, natuurlijk. Alles keurig, dat zie ik.»Eindelijk vindt Marta een karafje. Ze neemt het eruit.«Daar!» roept Frans zegevierend.«Och nee, dat’s te gek.» Haar lach klinkt helder door ’t vertrek. «Dat kan ik je niet aanbieden! Nu herinner ik me: ’t is cognac. De man … mijn oom woû een glas cognac drinken, en ik heb toen een half fleschje laten halen.» Ze zet het karafje weer weg. «Ik dacht, dat ik nog wat witte port had … Maar dat’s niets …» Ze gaat naar de schel in een hoek van de kamer, en wil de juffrouw laten komen. Frans is haar vóor.«Wat, wil je nu wat laten halen? Nee, maar … nu zal je me toch onbescheiden vinden.» Hij wil haar beletten op de knop van de electrische schel te drukken. Ze weert hem af door een tik op de hand.[14]«Nu zál je wat drinken. Trouwens, ik ben hier de baas.»«Bazin, wil je zeggen. Dat heb je met al je feminisme nog niet anders kunnen krijgen. De taal wijst het uit.»«Wat een pedanterie! Baas of bazin: dat is ’t zelfde.»«Dat denk je maar: een bazin veronderstelt altijd eenbaas, en die is toch in allen geval hooger.»«Dat is nu weer zoo’n muggezifterij van een rechtsgeleerde.»Er wordt geklopt.«Binnen!» roept Marta. Frans is weer gaan zitten, en slaat dan de beide vrouwen gade.«Juffrouw», zegt Marta vriendelijk. «Wil u even een half fleschje port laten halen? Van de beste, hoor, en dan hier klaar zetten met twee glazen. Hier is een leeg karafje.»«Goed, juffrouw,» antwoordt de toegesprokene, terwijl ze het kristallen karafje aanneemt. «Heeftunog wat?»«Nee, danku.»De magere gestalte, in vaal zwart gekleed, beweegt zich even bedaard als ze gekomen is, weer naar de deur. ’t Is een vrouw van wellicht vijftig jaar, scherpe hoekige trekken en reeds[15]grijzend haar. Als ze vlak bij de deur is, werpt ze Frans een schuine blik toe, en verdwijnt.«Mijn sympathie niet, die Juffrouw,» zegt Frans tot zijn vriendin, die weer op haar stoel aan de schrijftafel is gaan zitten.«Nou ja, dat weet ik. Een best mensch, zeg ik je: ik ken haar beter dan jij.»«Een kaketoe. En kijkt ook even nijdig.»«Verbeelding!»«Nou, ze keek zooeven met een blik naar me. Zeg, in ernst, zou ze ’t niet raar vinden, dat je me hier op je kamer port schenkt?»Marta haalt de schouders op.«Och, daar stoor ik me wat aan! Je bent een vriend van me. Ik ontvang mijn vriendinnen—mijn kennissen, wil ik zeggen—hier immers ook wel.»«Nu ja, meisjes als jij …»«Dat is voor mij volkomen ’t zelfde.» Er is meer ernst in haar stem dan ’t gezegde schijnt noodig te maken.«Maar, zeg, Marta,» hervat Frans na een oogenblik zwijgen, «nu we toch op onze manier gaan fuiven,—er is nog iets waarom ik me vandaag zoo bizonder in mijn schik voel.»«Nu?»«We kennen elkaar vandaag juisteen half jaar.»[16]Hij kijkt haar vol innigheid aan.«Merkwaardig feit.»«Ja, zeker, voor mij wel. Weet je nog, die eerste keer, toen ik je ontmoette aan ’t Station Weesperpoort? ’t Regende dat het goot. Je hadt geen paraplu bij je. En je scheen ook geen geld bij je te hebben. Weet je nog, dat we van Breukelen samengereisd hadden?»«O, ik herinner ’t me alsof ’t gisteren was.»«We hadden al heel gauw een gesprek aangeknoopt.»«Dat wil zeggen, jij praatte nogal.»«Nou ja, je antwoordde me toch. In dat opzicht was je toch anders dan de meeste jonge dames, die je op reis ontmoet: die vinden ’t gewoonlijk vreeselijk met een onbekende een gesprek te beginnen … Of ze doen ten minste zoo.»«Och, jij zag er nogal betrouwbaar uit. En dan.»«Nogal! Die vind ik heerlijk.»Frans lacht hartelijk. Marta glimlacht en beantwoordt zijn aanhoudend sterk sprekend aankijken met een blik vol kalme haast weemoedige vriendelijkheid.«Nou, Marta, ik vond dat jij er niet alleenheelbetrouwbaar, maar ook heel aantrekkelijk uitzag.»«Zoo, zoo. ’t Laatste was natuurlijk voor jou[17]verreweg ’t voornaamste: je woû’s een gijntje met me hebben.»«Een wat?»«Een gijntje …»«Mooi woord. Is dat speciaal Amsterdamsch? Grapje, bedoel je? Och nee, ik vond je belangwekkend.»«Jawel, en later toen ik je bij ’t uitstappen ontweek, was je zoo vrij me te volgen.»«Weer pure belangstelling. Als ik dat niet gedaan had, had ik je mijn diensten ook niet kunnen aanbieden. Dan was je druipnat thuis gekomen, of je hadt aan ’t station kunnen wachten.»«Eeuwig dankbaar, hoor. ’t Was bepaald een ridderlijk gijntje van je … Ja, hoe gek, he, dat ik geen cent bij me had.» Ze zwijgt even, in gedachten. Dan:«Ja, ik had alles uitgegeven, omdat ik dacht dat ik het niet meer noodig zou hebben.»«Maar, zeg, waar kwam je toen vandaan?»De vraag doet Marta opschrikken.«Waarvandaan? Och, ik was even naar Utrecht geweest».«Daar heb je familie wonen, niet?»Met een lichte blos en afgewende oogen zegt ze ontwijkend:«Nee, ik ben uit Limburg, dat weet je. Nee,[18]och, eenpatiëntjeuit onze kliniek van vroeger, waar ik nogal belang in stelde.»Marta zwijgt verlegen. De jonge man hult haar in zijn bewonderende innige blikken. Een enkele maal geeft ze hem die terug, met een mengeling van schuwheid en vriendelijkheid. De blos op haar wangen is donkerder dan tevoren.«Zoo,» zegt ze «dus al een halfjaar. Wel, ’t lijkt me zoo kort.»«Zeg, Marta, je hoeft niet te kleuren: ik vind die toewijding van je allerliefst.»«Och, schei uit.»«Ik meen ’t … Een half jaar ja, mij lijkt het ook veel korter.» Er is juiching in zijn stem. «En toch! ’t Is net alsof ik je mijn heele leven gekend had. Jammer dat het niet zoo is.»Marta zucht.«Ja, dat vind ik ook,» zegt ze zacht. «Je moest mijn broer wezen.»«Je broer! Nou ja, of je vriend. We zijn nu toch vrienden, hoop ik.»Weer kijkt hij haar sterk aan.«Zoo iets vraag je niet.»«Nu, ik wel.»«Goed: vrienden zijn we.» Ze geeft hem de hand over de schrijftafel heen. De jonge man[19]neemt die gretig aan. Toch spreekt er eenige teleurstelling uit zijn wezen.«Wat heeft het me een moeite gekost, je na onze eerste ontmoeting terug te zien!» gaat hij voort. «Eindelijk hoor, weet je nog: bij Kras?»Marta knikt.«Ik at dien dag met een paar vrienden. Daar zag ik je, hoor: moederziel alleen aan een tafeltje kalm bezig met een biefstukje met aardappelen.»«Ja, en wat keek je telkens onhebbelijk naar me! Hebben je vrienden dat toen niet gemerkt?»«Och, nee. Ik heb ook niet zoo sterk gekeken.»«Nou, ik merkte het dadelijk!»«Wat heb ik toen die vrienden in mijn hart weggewenscht. Zoo’n eenige gelegenheid moest ik voorbij laten gaan.»«Daarom was je natuurlijk de volgende dag weer bij Kras.»«En jij ook!»«Nou ja, ik at daar toen iederen dag.»«Ik niet. En ik kwam dien dag een half uur te laat thuis eten. Vader was razend, natuurlijk. Een tooneel van woede. Moeder aan het huilen.»Het binnenkomen van de hospita brengt even stoornis. Zwijgend gaat ze naar de kast, giet de inhoud van ’t fleschje, dat ze bij zich heeft, in een[20]ledige karaf, en zet deze met twee glazen op de tafel neer. Weer merkt Frans een zekere onwil en onvriendelijkheid in haar wezen op. Maar hij bepaalt zich tot even opkijken.«Hier is de port. Had uwes nog iets, juffrouw?» Met een leege blik ziet ze Marta aan, terwijl ze de deurknop reeds in de hand heeft. Haar wenkbrauwen zijn hoog opgetrokken en haar lippen staan eenigszins vaneen.«Nee, dank u,» zegt Marta, die nu ook iets hinderlijks in de houding der hospita bespeurd heeft, en graag gauw van haar af is.«Ziezoo, nu kunnen we’s drinken. Ik zal meedoen, om je genoegen te doen. Jullie mannen drinken niet graag alleen, wel? Mag ik ’s inschenken?»«Gaarne.»«O ja, dat ’s waar ook: je rookt.…. Jullie mannen hebben toch heel wat noten op je zang.….!»Er is iets bizonder druks in Marta’s praten: ’t is of ze daardoor gedachten verdrijven wil.«Och, hoû me nu niet voor de gek, Marta!» valt de ander haar in de rede. «Op jouw kamer rook ik immers nooit. ’t Is wat anders in ’t restaurant: daar heb je gezien, dat ik ’t na ’t eten wel deed.»«Nou ja.… Heusch, ’t spijt me: ik zou je nu zoo[21]graag een goeie sigaar willen bezorgen. Had ik nu maar aan die juffrouw.…»«Och maar, Marta, je zeurt,neem me niet kwalik. Ik zou hier niet durven rooken.» Meteen sipt hij aan zijn glas en tuurt naar ’t balkon, alsof hij aan heel andere dingen denkt.«Om de lui beneden zeker, om de ploerterij,zooals jij zegt.Ook een reden!» Beiden zwijgen even.«Dat moet je niet zeggen,» zegt Frans en wendt zich weer naar zijn gastvrouw. Er is een toon van groote ernst in zijn stem. «’t Is al mooi, dat je me ontvangt. De menschen kletsen er toch al over, geloof me.»«Laat ze gerust! Ik heb er maling aan. De menschen, wat kunnen mij de menschen schelen! Ik doe mijn plicht en verder laat ik ze leuteren zooveel als ze willen. De menschen!» Ze zwijgt een oogenblik, en dan op heel andere toon: «Nee, werkelijk, ik woû dat ik een goeie sigaar voor je had.»Frans lacht.«Je bent toch een origineel schepsel! Nu, ik heb ze wel bij me. Ik zal er dan een rooken, om jou plezier te doen.»Hij haalt een keurig bruin lederen sigarenkokertje voor den dag, kijkt erin, en biedt haar dan een[22]kleine sigaar aan, die hij onder de grootere gevonden heeft.«Kom, jij dat kleintje», zegt hij lachend. «Of rook je niet?»«Och, loop heen! Zoo graag als ik een man een goeie sigaar zie rooken, zoo afschuwelijk vind ik ’t voor een vrouw het zelf te doen. Dàt vind ik nu eens iets echt onvrouwelijks. Jullie praten anders altijd over«onvrouwelijk», als je tegen de feministen uitvaart.»«Onvrouwelijk? Och wat!» Hij steekt zelf op. Marta staat op en geeft hem een schoteltje voor aschbakje.«Mooi zoo. Onvrouwelijk, zeg je? Is dat nu onvrouwelijker dan lijkeschennis op de snijkamer?» Luchtig blaast hij een rookwolkje van zich af.«Frans!» roept Marta.«Neem me niet kwalijk.… Ik leuter ook eigenlijk maar wat. En toch begrijp ik niet, waarom jij als arts niet zou kunnen rooken. Bijvoorbeeld als ontsmettings-middel.»«Een mooi ding. Op een ziekekamer zeker! O jullie rechtsgeleerden! Maar komaan, op je.….» Ze neemt haar glas op, waaraan ze nog niet de mond gezet heeft.«Op jouw gezondheid!» valt Frans in. «En van harte gelukgewenscht ook in andere opzichten,[23]alle mogelijke opzichten! Ik feliciteer mezelf ook, dat ik je al een half jaar ken.»Weer stoort een kloppen aan de deur hun gesprek.«Wat is dat nou weer?» roept de jonge man kregelig.Weer vertoont zich de hospita, met hetzelfde humeurige gezicht van te voren.«Juffrouw, daar is een meneer, die vraagt naar meneer Hensen, of die ook hier is.»Frans kijkt eerst Marta en dan de huisjuffrouw verwonderd aan.«Die ben ik,» zegt hij ontstemd. «Ik heet ten minsteJensen, juffrouw. Dat wist u trouwens. Hoe zag die meneer eruit? Heeft hij geen kaartje afgegeven?»De aangesprokene wendt zich half tot Frans, en antwoordt met kleurlooze stem, eigenlijk tot Marta sprekend.«Nee. ’t Is een heer met een zwarte baard. Een beetje grijs. Draagt een bril.… of lorniët, of hoe heet zoo’n ding? Hij heeft een hooge hoed op.»Daar, nou weet je ’t, schijnen haar oogen erbij te voegen.Frans schrikt.«Heeft u gezegd, dat ik er was?»[24]De hospita blijft in een houding alsof ze tot Marta spreekt.«Hoe kon ik dat nou zegge?» geeft ze terug. «Ik heb gezegd, dat ik ’s kijke zou, maar dat ik van niks wis. Die meneer zei, dat meneer Hensen hiermoeswezen.»Dit laatste is onmiskenbaar tot de jonge man gericht.Frans kijkt weer vragend naar zijn vriendin. Er is onrust in haar trekken: ze heeft blijkbaar begrepen, wie de bezoeker is. Hij tracht haar met een bedekt gebaar te kennen te geven, dat ze hem niet toelaten kan, in geen geval. Doch Marta let daar niet op. Ze snijdt hem het woord af, als hij wat zeggen wil, en beveelt kort en beslist:«Juffrouw, laat meneer bovenkomen.»De hospita glijdt zwijgend de kamer uit.«Maar Marta!» roept Frans opgewonden, als ze nauwelijks de deur gesloten heeft.«Wil je nu mijnvaderhier binnenlaten? ’t Is mijn vader, ik weet het zeker.… Je vat toch, dat hij niets goeds in ’t zin kan hebben.»«Dat kan me niet schelen. Dacht je soms, dat ik me schaamde, jou hier te ontvangen? Ik ben hier opmijnkamer, en ik ontvang hier wie ik wil.»’t Besliste en kalme in Marta’s toon maakt de ander eenigszins verlegen.[25]«Je hebt gelijk, je hebt gelijk,» zegt hij zenuwachtig. «Maar … je weet hoe mijn vader is. Ik heb je dat immers al zoo vaak verteld.»«Als hij me hier beleedigt … Nou ja, maar dat zal hij niet doen. Och, ik kan mijn woord wel doen, als ’t noodig is …» Ze glimlacht even.Wat is ze mooi! denkt Frans. En wat is ze flink!«Dat begrijp ik,» antwoordt hij minder zenuwachtig. «Hoor eens, dat zouikniet toelaten, hoor, Marta. Mijn vader jou beleedigen! ’t Is alleen, dat ik …»Een eenigszins driftige tik op de deur doet hem afbreken. Op Marta’s «Binnen!» komt de verwachte de kamer in.[26]
[Inhoud]HOOFDSTUK I.Hij zou stellig komen: ze had er zoo’n idee van. ’t Was immers een Woensdag, en die had hij tot nog toe nooit overgeslagen … En als hij kwam, zou ze hem niets zeggen van haar verjaardag. Waarom zou ze? Wat had hij er eigenlijk mee te maken? En toch … ’t zou wel aardig zijn, als hij ’t wist, als hij daarom kwam …Ze zat vóor haar schrijftafel, met de eene hand onder ’t hoofd, te staren. ’t Was een fijne tengere gestalte. Het welbesneden ovale gezichtje met de groote donkere oogen en het weelderige iet of wat kroezend zwart haar, met de matbleeke tint, de spitse eenigzins gebogen neus en de dunne goedsluitende lippen van de kleine mond, spraken van jeugdige ernst, maar ook van veel ingehouden hartstocht, van groote schranderheid en verstandsleven naast hoog-ontwikkeld vrouwelijk gevoel.Ze droeg een eenvoudig grijs reform-kostuum.[2]Op de schrijftafel vóor haar lagen eenige boeken en schriften. Een, opgeslagen, bevatte een werk waaraan ze bezig was. Tusschen de papieren lag een menschelijke schedel, geel glad glimmend, met de grijnzende kant naar haar toegekeerd, naast de groote zilver-en-kristallen inktpot. Vlak daarachter—er was een plaatsje voor gemaakt—stond een groen vaasje met een groote bos veldbloemen, aardig uitkomend tegen het donkergroene gordijn der boekenkast achter de schrijftafel. Even opgeschoven, vertoonde het daarachter ’t begin van rijen dikke boeken, waarvan de breede ruggen gouden glimpuntjes op hun gladzwart leder lieten zien. Daarboven op, manshoog, twee biscuit borstbeeldjes. Naast de stemmige boekenkast onder een eveneens donkergroene doek, iets op een zwart-houten voetstuk. Onderaan een ontbloot gebleven deel een menschelijk geraamte verradend.De wand tegenover de boekenkast droeg op het grauw-groene behang twee mooie omlijste staaldrukken: Christus en de rijke jongeling en Christus als knaap in de tempel. Daaronder éen portret in ronde lijst: een fraaie mannekop, met grijze baard en denkersoogen, uitgesproken Joodsch type. Aan deze wand een sofa en een paar stoelen, met een kleine tafel, waarop een aardig[3]zelfgewerkt kleedje, ’t een en ander nieuwe stijl en iets-donkerder-grauwgroen van bekleeding dan het behang. Op de vloer effen grauw zeil, waarop in ’t midden van ’t vertrek een donkergroen kleed. De beide overige wanden vertoonden groote openslaande deuren, links van de ingang leidend naar een ander vertrek en daar nu half verborgen onder een zware voorhang van dezelfde kleur als ’t kleed op de grond; rechts een balkon, uitziend op een breede straat.De zon schijnt buiten vroolijk en werpt een lange lichtstraal door ’t vertrek, zich baan brekend door de spaarzaam opengelaten witte valgordijnen en de donkergroene overgordijnen aan de balkonkant. De zonnestraal weerkaatst juist op de spiegel boven de schoorsteenmantel en speelt daar met het verguldsel van ’t staande klokje. Daarnaast werpen een paar eveneens vergulde kandelabertjes en eenige foto’s in metalen lijstjes flikkerglansjes onder de inwerking van ’t namiddaglicht.De heele inrichting der kamer heeft bij alle eenvoud een sterk persoonlijk karakter, en mist het banale der gewone huurvertrekken. Zelfs de lamp, een verguld kroontje met drie armen, zoo geheel in overeenstemming met het klokje, de spiegel en de kandelabertjes, doet denken aan eigen keuze der bewoonster.[4]Deze heeft zich weer over haar werk gebogen, en schrijft. Doch eenige oogenblikken later heeft ze ’t hoofd opgeheven, en kijkt met aandacht naar de deur. Dan, opeens legt ze de pen neer.Er is geklopt. «Binnen», roeptMartavan Zee.«Juffrouw, daar is meneer Jensen; die vraagt, of u ook belet heeft.»«Laat meneer boven komen, Juffrouw Pieters,» antwoordt Marta schijnbaar onverschillig. Als de hospita weg is, staat ze op en kijkt even in de spiegel. Dan gaat ze weer zitten op dezelfde plaats, neemt een van de boeken, die opengeslagen op de schrijftafel liggen, en bladert afgetrokken daarin. Ze kijkt een paar maal naar de deur.Een gestommel op de trap, wat beweging op ’t portaal en een stevige tik op de deur, die van ’t portaal naar de kamer leidt, doen haar nogmaals naar de deur opkijken.«Zoo, Marta, dat doet me pleizier; ik was een oogenblik bang, je niet thuis te vinden.»Marta is opgestaan en steekt de jonge man, die binnengetreden is, de hand toe. Hij is grooter en forscher dan zij, maar in de trekken van zijn gelaat ligt minder kracht van geest en wil dan van gezondheid. Een fijn zwart snorretje geeft iets fattigs aan de gevulde lippen, waarvan de[5]onderste, ietwat uitpuilend, de uitdrukking van overmoed der heldere bruine oogen bevordert. Ook de vierkante stevige vorming der kin draagt daartoe bij. Een kortgehouden donkerbruine haardos laat eenhoog voorhoofd vrij,waarondereen paar zijige wenkbrauwen van dezelfde kleur als het haar. De vrij groote neus is van onderen wat breed en stomp. ’t Heele gelaat heeft iets voornaams, wat ook uit kleeding en houding spreekt, maar tevens iets weekelijks, iets van ’t bedorven moeders-zoontje en van de lustig en onbezorgd levende student van ’t«studentikoze» type.Een aardig tegenbeeld Marta’s gestalte daar tegenover hem. Blozend, maar hem recht in de oogen kijkend geeft zij hem de hand.«Bang, me niet thuis te vinden … Och, tegenwoordig ben ik nog al ’s hier te treffen.» Ze glimlacht even en wijst op haar werk.«Ik stoor toch niet?»«O nee, volstrekt niet. Dat kan wachten. Ga zitten, ga zitten: daar, op je gewone plaats.»«Ja, stamgast wor’ ik hier zoo langzamerhand.» Hij zet zich op een gemakkelijke stoel op zij van Marta’s schrijftafel. Marta is weer gaan zitten, maar heeft zich nu halverwege omgewend, naar haar bezoeker toe.Deze zit in ’t volle licht dat van ’t balkon binnenkomt, schuin tegenover Marta[6]met de rug naar de muur. Nauwelijks gezeten valt zijn blik op het doodshoofd bij de inktpot.«Merkwaardige combinatie, zeg, Marta,» roept hij, en neemt meteen de schedel van de schrijftafel, dat «doodshoofd met die veldbloemen! Zinnebeeld van leven en geluk bij dat van vergankelijkheid … Wat ’n leelijke grijns heeft zoo’n kop toch!»Hij bekijkt het gladde glimmende voorwerp van verschillende kanten met een speelsche spottende glimlach.Marta neemt hem de schedel af.«Foei, Frans, je moet niet spotten met zoo iets!»«Daar, ik zet het weer op zijn plaats. Daar hoort het: ik heb het noodig voor een verhandeling over schedelbreuk, waaraan ik bezig ben. Och, dat weet je trouwens: kijk.» Ze raakt even achteloos het papier aan, vóor haar op tafel. «En dan: wat die combinatie aangaat, die is zoo vreemd niet. Dood en leven komen overal naast elkaar voor.» Ze zwijgt even. «In ieder menscheleven ook … in ’t mijne … in ’t jouwe ook …»«Nou ja, maar op een meisjeskamer … Ik weet wel … maar toch … Ik kan er me zoo moeilijk indenken.»«Dat begrijp ik best. Maar och, voor ons medici[7]krijgt ’t menschelijk lichaam zoo’n heel andere beteekenis dan voor andere menschen. Dood en leven zijn voor ons ook anders … Er is eigenlijk geen dood …»«Zoo, nou, ik zou zeggen …» Frans lacht even luid.«’t Is maar net zooals je ’t opvat. Je weet immers, dat men ontdekt heeft, dat moleculaire beweging—een beweging die overal in alles is—niet qualitatief verschilt van levensbeweging … Een stuk ijzer leeft eigenlijk ook …»Er is een trek van verhoogde ernst op Marta’s gelaat.«Ho, nu wor’ je me te geleerd! ’t Eenige wat ik bedoel—ik heb je dat meer gezegd, weet je niet?—is dat ik niet vat, hoe jij met je fijn vrouwelijk gevoel zooveel akeligs—zooveel, nou.… griezeligs, vies, laat me maar zeggen, kunt aanzien. Hoe je bijvoorbeeld in de snijkamer geen walg krijgt, geen afschuw van.…»«Een kwestie van wennen.… anders niet. Heel in ’t begin ben ik er wel eens naar van geweest. Maar nu.… ’t Eenige wat me nu nog aandoet, is de gedachte aan ’t lot van de arme wezens, die daar voor onze proeven dienen, voor onze «experimenten».»«Hoe bedoel je dat? Die voelen er toch niets meer van?»[8]«Jawel, dat is zoo; maar ’t zijn zulke ongelukkige schepsels, wier lijken naar de snijkamer gaan.»Marta wendt zich naar de andere kant der schrijftafel, en wijst op ’t voorwerp met het groene dekkleed erover.«Weet je bijvoorbeeld wat datrifdaar in haar leven geweest is?»«Haar? Is dat dan van een vrouw?»Frans is opgestaan en plaatst zich bij ’t geraamte. Marta staat eveneens op, en neemt het kleed van ’t geraamte af.«Ja, van een meisje. Kijk, dat kun je toch zien! Breed bekken met de schouders vergeleken, dan kleinere gestalte.… Nou ja, dát geraamte is afkomstig van een achttienjarig meisje. Een prostituee.… In ’t ziekenhuis gestorven.…»Frans kijkt meewarig naar ’t gebeente.«Arm kind! Maar ik wist niet, dat zoo’n geraamte eerst in de snijkamer geweest was.»«O ja, altijd. Als ’t daar voldoende.… bekorven is en afgehaald, dan gaat het naar de man, die er een skelet van prepareert.»Ze zwijgt een oogenblik. Dan gaat ze voort:«Ik heb dat meisje gekend. Ik heb met haar gesproken.»Marta doet de groene doek weer over ’t geraamte[9]en gaat zitten. Frans volgt haar voorbeeld. Dan gaat ze voort met iets gewild onverschilligs in haar stem, maar toch met lichte trilling daarin:«Och de gewone geschiedenis, zie je … Toch vreeselijk, vreeselijk, altijd weer even hartverscheurend.» De ontroering wordt haar een enkel oogenblik de baas. De jonge man kijkt haar verwonderd aan.«Ja, ja, ik kan ’t me denken,» zegt hij ernstig, met veel sympathie in toon en blik; maar toch niet geheel begrijpend.«Ik heb, God dank, nooit een meisje ongelukkig gemaakt.»Marta ziet hem even vol aan. Er is een lieve streeling in haar fluweelen oogen, die vochtig glanzen.«Och ja,» gaat ze voort, «dat is ’t begin … en dan de rest. Dit was eenmooimeisje. Ze heeft tegenspoed gehad … had te veel hart … Anders was ze wel anders terechtgekomen. De harteloozen brengen ’t in zoo’n geval tot een soort van geluk, tot de «diamanten en paarlen» van Heine’s gedichtje. Die beseffen dan niet, «hoe diep ze ellendig zijn». Anderen soms ook wel … maar dat zijn uitzonderingen, groote uitzonderingen.…»Ze zwijgt en blijft in gedachten staren. Met de hand onder ’t hoofd zit ze zoo, dat Frans haar[10]fijn profiel scherp tegen de donkere achtergrond ziet uitkomen. Na eenige oogenblikken van hernieuwde verwondering, zegt hij:«Wat wou je zeggen, Marta?» Ze kijkt even op.«Och, die.… die heffen zich weer op. In armoede is dat heel moeilijk…»Weer vervalt ze in gepeins.«Kom, ik vind dit lang geen prettig onderwerp van gesprek.Nu ’swat anders, Marta, weet je nu eigenlijk wel, waarom ik bij je kom?»Marta lacht opeens. Haar oogen kijken hem helder aan. «Waarom jevandaagbij me komt? Maar, Frans, je komt bijna iederen dag!»Onwillekeurig lacht de ander mee.«Dat is.… waar. Mijn vader moest ’t ’s weten! Die denkt dat ik braaf college loop …»«Dat moest je ook …» Marta’s mond is half ernst, half spot.«Och wat! Wat kunnen mij die colleges schelen? Ik studeer hier bij jou immers ook?»Marta glimlacht weer.«Ja, dat is zoo … Maar zeg, nu weet ik nog niet, waarom je vandaag—zoo speciaal!—gekomen bent. Ook om te studeeren?»«Och, flauwe meid! Dat weet je wel beter, ben je dan niet jarig?»«Ik jarig?» Haar oogen stralen. «’t Is waar ook![11]Nu, daar let ik anders niet meer op hoor.» Dit laatste klinkt eenigszins weemoedig.«Je wordt ook zoo oud, he!» Marta lacht niet, maar blijft stroef kijken. «Nu, ik let er wèl op, en …»«Maar hoe ben jij daar eigenlijk achtergekomen?»«Nagevraagd, aan de burgerlijke stand. Een heerlijke nuttige instelling!»Marta kleurt.«Och kom! Waar jij al belang in stelt!» Toch voelt ze ze zich aangenaam verrast. Frans kijkt haar strak aan.«Daarvoor had de huisjuffrouw immers die bloemen daar klaargezet.»Marta antwoordt kwazi-verwonderd:«O zoo.»«Nou ja, van mij heb je niets gekregen. Je wil niets hebben, trouwens: je wil nooit wat van me hebben. Maar nu wil ik wat van jou hebben, versta je? Ik wil ’s op je gezondheid drinken.»Zijn gastvrouw lacht verlegen.«Ik heb niets in huis. Je weet, ik gebruik nooit wat. Niet omdat ik afschafster ben … Maar ik bedenk me daar: ik heb toch misschien nog wat. Ik heb laatst bezoek gehad van … mijn oom … mijn voogd …»Marta kleurt weer en zoekt naar haar woorden, doch Frans komt haar onwillekeurig te hulp.[12]«Je voogd? Je vroegere voogd dan toch: je wordt vandaag een-en-twintig.»Marta kleurt nog sterker. Dan antwoordt ze kwazi-natuurlijk, en vroolijk: «Juist, ook mooi nageplozen …»«Nu, wat heb je? Vooruit ermee!»Beiden staan op. Marta gaat naar een kast in de achterwand, die ze opent.«Kom, meezoeken» noodt ze lachend.«Potstausend! Houdt je ploerterij dat zoo netjes?»«M’n wat?»«Je ploerterij.»«M’n huisjuffrouw, wil je zeggen? Een heel best braaf mensch, waar je met eerbied over spreken moet … maar dat gaat jou niet aan, zoek jij maar.»«Ik vind niets, als jij me in de weg staat! Ik zie alleen dat je mooi glaswerk hebt … En zilver ook, keurig …»«Maar niets erin … Kom, in de anderenog ’skijken.»«Even nog!»«Och, doe die kast nu dicht. Je hebt er niets mee te maken verder.»Ondertusschen heeft Marta een andere muurkast opengemaakt.«Zeg, kom je nu? Daar is niets in, zeg ik je».[13]«Best, best, ik geloof je. Is dat weer zoo’n wonderkastje?» Frans sluit de eene kast en komt bij de andere staan.Marta, die onderwijl aan ’t zoeken gegaan is, schiet op eens in een lach.«Och, wat moetje daar? Dat’s mijn tafelgoed.»«Je vraagt me om mee te zoeken!»«Ja, maar wat dacht je? Dat het hier was als bij een van je vrienden? Alles heeft zijn plaats.»«O ja, natuurlijk. Alles keurig, dat zie ik.»Eindelijk vindt Marta een karafje. Ze neemt het eruit.«Daar!» roept Frans zegevierend.«Och nee, dat’s te gek.» Haar lach klinkt helder door ’t vertrek. «Dat kan ik je niet aanbieden! Nu herinner ik me: ’t is cognac. De man … mijn oom woû een glas cognac drinken, en ik heb toen een half fleschje laten halen.» Ze zet het karafje weer weg. «Ik dacht, dat ik nog wat witte port had … Maar dat’s niets …» Ze gaat naar de schel in een hoek van de kamer, en wil de juffrouw laten komen. Frans is haar vóor.«Wat, wil je nu wat laten halen? Nee, maar … nu zal je me toch onbescheiden vinden.» Hij wil haar beletten op de knop van de electrische schel te drukken. Ze weert hem af door een tik op de hand.[14]«Nu zál je wat drinken. Trouwens, ik ben hier de baas.»«Bazin, wil je zeggen. Dat heb je met al je feminisme nog niet anders kunnen krijgen. De taal wijst het uit.»«Wat een pedanterie! Baas of bazin: dat is ’t zelfde.»«Dat denk je maar: een bazin veronderstelt altijd eenbaas, en die is toch in allen geval hooger.»«Dat is nu weer zoo’n muggezifterij van een rechtsgeleerde.»Er wordt geklopt.«Binnen!» roept Marta. Frans is weer gaan zitten, en slaat dan de beide vrouwen gade.«Juffrouw», zegt Marta vriendelijk. «Wil u even een half fleschje port laten halen? Van de beste, hoor, en dan hier klaar zetten met twee glazen. Hier is een leeg karafje.»«Goed, juffrouw,» antwoordt de toegesprokene, terwijl ze het kristallen karafje aanneemt. «Heeftunog wat?»«Nee, danku.»De magere gestalte, in vaal zwart gekleed, beweegt zich even bedaard als ze gekomen is, weer naar de deur. ’t Is een vrouw van wellicht vijftig jaar, scherpe hoekige trekken en reeds[15]grijzend haar. Als ze vlak bij de deur is, werpt ze Frans een schuine blik toe, en verdwijnt.«Mijn sympathie niet, die Juffrouw,» zegt Frans tot zijn vriendin, die weer op haar stoel aan de schrijftafel is gaan zitten.«Nou ja, dat weet ik. Een best mensch, zeg ik je: ik ken haar beter dan jij.»«Een kaketoe. En kijkt ook even nijdig.»«Verbeelding!»«Nou, ze keek zooeven met een blik naar me. Zeg, in ernst, zou ze ’t niet raar vinden, dat je me hier op je kamer port schenkt?»Marta haalt de schouders op.«Och, daar stoor ik me wat aan! Je bent een vriend van me. Ik ontvang mijn vriendinnen—mijn kennissen, wil ik zeggen—hier immers ook wel.»«Nu ja, meisjes als jij …»«Dat is voor mij volkomen ’t zelfde.» Er is meer ernst in haar stem dan ’t gezegde schijnt noodig te maken.«Maar, zeg, Marta,» hervat Frans na een oogenblik zwijgen, «nu we toch op onze manier gaan fuiven,—er is nog iets waarom ik me vandaag zoo bizonder in mijn schik voel.»«Nu?»«We kennen elkaar vandaag juisteen half jaar.»[16]Hij kijkt haar vol innigheid aan.«Merkwaardig feit.»«Ja, zeker, voor mij wel. Weet je nog, die eerste keer, toen ik je ontmoette aan ’t Station Weesperpoort? ’t Regende dat het goot. Je hadt geen paraplu bij je. En je scheen ook geen geld bij je te hebben. Weet je nog, dat we van Breukelen samengereisd hadden?»«O, ik herinner ’t me alsof ’t gisteren was.»«We hadden al heel gauw een gesprek aangeknoopt.»«Dat wil zeggen, jij praatte nogal.»«Nou ja, je antwoordde me toch. In dat opzicht was je toch anders dan de meeste jonge dames, die je op reis ontmoet: die vinden ’t gewoonlijk vreeselijk met een onbekende een gesprek te beginnen … Of ze doen ten minste zoo.»«Och, jij zag er nogal betrouwbaar uit. En dan.»«Nogal! Die vind ik heerlijk.»Frans lacht hartelijk. Marta glimlacht en beantwoordt zijn aanhoudend sterk sprekend aankijken met een blik vol kalme haast weemoedige vriendelijkheid.«Nou, Marta, ik vond dat jij er niet alleenheelbetrouwbaar, maar ook heel aantrekkelijk uitzag.»«Zoo, zoo. ’t Laatste was natuurlijk voor jou[17]verreweg ’t voornaamste: je woû’s een gijntje met me hebben.»«Een wat?»«Een gijntje …»«Mooi woord. Is dat speciaal Amsterdamsch? Grapje, bedoel je? Och nee, ik vond je belangwekkend.»«Jawel, en later toen ik je bij ’t uitstappen ontweek, was je zoo vrij me te volgen.»«Weer pure belangstelling. Als ik dat niet gedaan had, had ik je mijn diensten ook niet kunnen aanbieden. Dan was je druipnat thuis gekomen, of je hadt aan ’t station kunnen wachten.»«Eeuwig dankbaar, hoor. ’t Was bepaald een ridderlijk gijntje van je … Ja, hoe gek, he, dat ik geen cent bij me had.» Ze zwijgt even, in gedachten. Dan:«Ja, ik had alles uitgegeven, omdat ik dacht dat ik het niet meer noodig zou hebben.»«Maar, zeg, waar kwam je toen vandaan?»De vraag doet Marta opschrikken.«Waarvandaan? Och, ik was even naar Utrecht geweest».«Daar heb je familie wonen, niet?»Met een lichte blos en afgewende oogen zegt ze ontwijkend:«Nee, ik ben uit Limburg, dat weet je. Nee,[18]och, eenpatiëntjeuit onze kliniek van vroeger, waar ik nogal belang in stelde.»Marta zwijgt verlegen. De jonge man hult haar in zijn bewonderende innige blikken. Een enkele maal geeft ze hem die terug, met een mengeling van schuwheid en vriendelijkheid. De blos op haar wangen is donkerder dan tevoren.«Zoo,» zegt ze «dus al een halfjaar. Wel, ’t lijkt me zoo kort.»«Zeg, Marta, je hoeft niet te kleuren: ik vind die toewijding van je allerliefst.»«Och, schei uit.»«Ik meen ’t … Een half jaar ja, mij lijkt het ook veel korter.» Er is juiching in zijn stem. «En toch! ’t Is net alsof ik je mijn heele leven gekend had. Jammer dat het niet zoo is.»Marta zucht.«Ja, dat vind ik ook,» zegt ze zacht. «Je moest mijn broer wezen.»«Je broer! Nou ja, of je vriend. We zijn nu toch vrienden, hoop ik.»Weer kijkt hij haar sterk aan.«Zoo iets vraag je niet.»«Nu, ik wel.»«Goed: vrienden zijn we.» Ze geeft hem de hand over de schrijftafel heen. De jonge man[19]neemt die gretig aan. Toch spreekt er eenige teleurstelling uit zijn wezen.«Wat heeft het me een moeite gekost, je na onze eerste ontmoeting terug te zien!» gaat hij voort. «Eindelijk hoor, weet je nog: bij Kras?»Marta knikt.«Ik at dien dag met een paar vrienden. Daar zag ik je, hoor: moederziel alleen aan een tafeltje kalm bezig met een biefstukje met aardappelen.»«Ja, en wat keek je telkens onhebbelijk naar me! Hebben je vrienden dat toen niet gemerkt?»«Och, nee. Ik heb ook niet zoo sterk gekeken.»«Nou, ik merkte het dadelijk!»«Wat heb ik toen die vrienden in mijn hart weggewenscht. Zoo’n eenige gelegenheid moest ik voorbij laten gaan.»«Daarom was je natuurlijk de volgende dag weer bij Kras.»«En jij ook!»«Nou ja, ik at daar toen iederen dag.»«Ik niet. En ik kwam dien dag een half uur te laat thuis eten. Vader was razend, natuurlijk. Een tooneel van woede. Moeder aan het huilen.»Het binnenkomen van de hospita brengt even stoornis. Zwijgend gaat ze naar de kast, giet de inhoud van ’t fleschje, dat ze bij zich heeft, in een[20]ledige karaf, en zet deze met twee glazen op de tafel neer. Weer merkt Frans een zekere onwil en onvriendelijkheid in haar wezen op. Maar hij bepaalt zich tot even opkijken.«Hier is de port. Had uwes nog iets, juffrouw?» Met een leege blik ziet ze Marta aan, terwijl ze de deurknop reeds in de hand heeft. Haar wenkbrauwen zijn hoog opgetrokken en haar lippen staan eenigszins vaneen.«Nee, dank u,» zegt Marta, die nu ook iets hinderlijks in de houding der hospita bespeurd heeft, en graag gauw van haar af is.«Ziezoo, nu kunnen we’s drinken. Ik zal meedoen, om je genoegen te doen. Jullie mannen drinken niet graag alleen, wel? Mag ik ’s inschenken?»«Gaarne.»«O ja, dat ’s waar ook: je rookt.…. Jullie mannen hebben toch heel wat noten op je zang.….!»Er is iets bizonder druks in Marta’s praten: ’t is of ze daardoor gedachten verdrijven wil.«Och, hoû me nu niet voor de gek, Marta!» valt de ander haar in de rede. «Op jouw kamer rook ik immers nooit. ’t Is wat anders in ’t restaurant: daar heb je gezien, dat ik ’t na ’t eten wel deed.»«Nou ja.… Heusch, ’t spijt me: ik zou je nu zoo[21]graag een goeie sigaar willen bezorgen. Had ik nu maar aan die juffrouw.…»«Och maar, Marta, je zeurt,neem me niet kwalik. Ik zou hier niet durven rooken.» Meteen sipt hij aan zijn glas en tuurt naar ’t balkon, alsof hij aan heel andere dingen denkt.«Om de lui beneden zeker, om de ploerterij,zooals jij zegt.Ook een reden!» Beiden zwijgen even.«Dat moet je niet zeggen,» zegt Frans en wendt zich weer naar zijn gastvrouw. Er is een toon van groote ernst in zijn stem. «’t Is al mooi, dat je me ontvangt. De menschen kletsen er toch al over, geloof me.»«Laat ze gerust! Ik heb er maling aan. De menschen, wat kunnen mij de menschen schelen! Ik doe mijn plicht en verder laat ik ze leuteren zooveel als ze willen. De menschen!» Ze zwijgt een oogenblik, en dan op heel andere toon: «Nee, werkelijk, ik woû dat ik een goeie sigaar voor je had.»Frans lacht.«Je bent toch een origineel schepsel! Nu, ik heb ze wel bij me. Ik zal er dan een rooken, om jou plezier te doen.»Hij haalt een keurig bruin lederen sigarenkokertje voor den dag, kijkt erin, en biedt haar dan een[22]kleine sigaar aan, die hij onder de grootere gevonden heeft.«Kom, jij dat kleintje», zegt hij lachend. «Of rook je niet?»«Och, loop heen! Zoo graag als ik een man een goeie sigaar zie rooken, zoo afschuwelijk vind ik ’t voor een vrouw het zelf te doen. Dàt vind ik nu eens iets echt onvrouwelijks. Jullie praten anders altijd over«onvrouwelijk», als je tegen de feministen uitvaart.»«Onvrouwelijk? Och wat!» Hij steekt zelf op. Marta staat op en geeft hem een schoteltje voor aschbakje.«Mooi zoo. Onvrouwelijk, zeg je? Is dat nu onvrouwelijker dan lijkeschennis op de snijkamer?» Luchtig blaast hij een rookwolkje van zich af.«Frans!» roept Marta.«Neem me niet kwalijk.… Ik leuter ook eigenlijk maar wat. En toch begrijp ik niet, waarom jij als arts niet zou kunnen rooken. Bijvoorbeeld als ontsmettings-middel.»«Een mooi ding. Op een ziekekamer zeker! O jullie rechtsgeleerden! Maar komaan, op je.….» Ze neemt haar glas op, waaraan ze nog niet de mond gezet heeft.«Op jouw gezondheid!» valt Frans in. «En van harte gelukgewenscht ook in andere opzichten,[23]alle mogelijke opzichten! Ik feliciteer mezelf ook, dat ik je al een half jaar ken.»Weer stoort een kloppen aan de deur hun gesprek.«Wat is dat nou weer?» roept de jonge man kregelig.Weer vertoont zich de hospita, met hetzelfde humeurige gezicht van te voren.«Juffrouw, daar is een meneer, die vraagt naar meneer Hensen, of die ook hier is.»Frans kijkt eerst Marta en dan de huisjuffrouw verwonderd aan.«Die ben ik,» zegt hij ontstemd. «Ik heet ten minsteJensen, juffrouw. Dat wist u trouwens. Hoe zag die meneer eruit? Heeft hij geen kaartje afgegeven?»De aangesprokene wendt zich half tot Frans, en antwoordt met kleurlooze stem, eigenlijk tot Marta sprekend.«Nee. ’t Is een heer met een zwarte baard. Een beetje grijs. Draagt een bril.… of lorniët, of hoe heet zoo’n ding? Hij heeft een hooge hoed op.»Daar, nou weet je ’t, schijnen haar oogen erbij te voegen.Frans schrikt.«Heeft u gezegd, dat ik er was?»[24]De hospita blijft in een houding alsof ze tot Marta spreekt.«Hoe kon ik dat nou zegge?» geeft ze terug. «Ik heb gezegd, dat ik ’s kijke zou, maar dat ik van niks wis. Die meneer zei, dat meneer Hensen hiermoeswezen.»Dit laatste is onmiskenbaar tot de jonge man gericht.Frans kijkt weer vragend naar zijn vriendin. Er is onrust in haar trekken: ze heeft blijkbaar begrepen, wie de bezoeker is. Hij tracht haar met een bedekt gebaar te kennen te geven, dat ze hem niet toelaten kan, in geen geval. Doch Marta let daar niet op. Ze snijdt hem het woord af, als hij wat zeggen wil, en beveelt kort en beslist:«Juffrouw, laat meneer bovenkomen.»De hospita glijdt zwijgend de kamer uit.«Maar Marta!» roept Frans opgewonden, als ze nauwelijks de deur gesloten heeft.«Wil je nu mijnvaderhier binnenlaten? ’t Is mijn vader, ik weet het zeker.… Je vat toch, dat hij niets goeds in ’t zin kan hebben.»«Dat kan me niet schelen. Dacht je soms, dat ik me schaamde, jou hier te ontvangen? Ik ben hier opmijnkamer, en ik ontvang hier wie ik wil.»’t Besliste en kalme in Marta’s toon maakt de ander eenigszins verlegen.[25]«Je hebt gelijk, je hebt gelijk,» zegt hij zenuwachtig. «Maar … je weet hoe mijn vader is. Ik heb je dat immers al zoo vaak verteld.»«Als hij me hier beleedigt … Nou ja, maar dat zal hij niet doen. Och, ik kan mijn woord wel doen, als ’t noodig is …» Ze glimlacht even.Wat is ze mooi! denkt Frans. En wat is ze flink!«Dat begrijp ik,» antwoordt hij minder zenuwachtig. «Hoor eens, dat zouikniet toelaten, hoor, Marta. Mijn vader jou beleedigen! ’t Is alleen, dat ik …»Een eenigszins driftige tik op de deur doet hem afbreken. Op Marta’s «Binnen!» komt de verwachte de kamer in.[26]
HOOFDSTUK I.
Hij zou stellig komen: ze had er zoo’n idee van. ’t Was immers een Woensdag, en die had hij tot nog toe nooit overgeslagen … En als hij kwam, zou ze hem niets zeggen van haar verjaardag. Waarom zou ze? Wat had hij er eigenlijk mee te maken? En toch … ’t zou wel aardig zijn, als hij ’t wist, als hij daarom kwam …Ze zat vóor haar schrijftafel, met de eene hand onder ’t hoofd, te staren. ’t Was een fijne tengere gestalte. Het welbesneden ovale gezichtje met de groote donkere oogen en het weelderige iet of wat kroezend zwart haar, met de matbleeke tint, de spitse eenigzins gebogen neus en de dunne goedsluitende lippen van de kleine mond, spraken van jeugdige ernst, maar ook van veel ingehouden hartstocht, van groote schranderheid en verstandsleven naast hoog-ontwikkeld vrouwelijk gevoel.Ze droeg een eenvoudig grijs reform-kostuum.[2]Op de schrijftafel vóor haar lagen eenige boeken en schriften. Een, opgeslagen, bevatte een werk waaraan ze bezig was. Tusschen de papieren lag een menschelijke schedel, geel glad glimmend, met de grijnzende kant naar haar toegekeerd, naast de groote zilver-en-kristallen inktpot. Vlak daarachter—er was een plaatsje voor gemaakt—stond een groen vaasje met een groote bos veldbloemen, aardig uitkomend tegen het donkergroene gordijn der boekenkast achter de schrijftafel. Even opgeschoven, vertoonde het daarachter ’t begin van rijen dikke boeken, waarvan de breede ruggen gouden glimpuntjes op hun gladzwart leder lieten zien. Daarboven op, manshoog, twee biscuit borstbeeldjes. Naast de stemmige boekenkast onder een eveneens donkergroene doek, iets op een zwart-houten voetstuk. Onderaan een ontbloot gebleven deel een menschelijk geraamte verradend.De wand tegenover de boekenkast droeg op het grauw-groene behang twee mooie omlijste staaldrukken: Christus en de rijke jongeling en Christus als knaap in de tempel. Daaronder éen portret in ronde lijst: een fraaie mannekop, met grijze baard en denkersoogen, uitgesproken Joodsch type. Aan deze wand een sofa en een paar stoelen, met een kleine tafel, waarop een aardig[3]zelfgewerkt kleedje, ’t een en ander nieuwe stijl en iets-donkerder-grauwgroen van bekleeding dan het behang. Op de vloer effen grauw zeil, waarop in ’t midden van ’t vertrek een donkergroen kleed. De beide overige wanden vertoonden groote openslaande deuren, links van de ingang leidend naar een ander vertrek en daar nu half verborgen onder een zware voorhang van dezelfde kleur als ’t kleed op de grond; rechts een balkon, uitziend op een breede straat.De zon schijnt buiten vroolijk en werpt een lange lichtstraal door ’t vertrek, zich baan brekend door de spaarzaam opengelaten witte valgordijnen en de donkergroene overgordijnen aan de balkonkant. De zonnestraal weerkaatst juist op de spiegel boven de schoorsteenmantel en speelt daar met het verguldsel van ’t staande klokje. Daarnaast werpen een paar eveneens vergulde kandelabertjes en eenige foto’s in metalen lijstjes flikkerglansjes onder de inwerking van ’t namiddaglicht.De heele inrichting der kamer heeft bij alle eenvoud een sterk persoonlijk karakter, en mist het banale der gewone huurvertrekken. Zelfs de lamp, een verguld kroontje met drie armen, zoo geheel in overeenstemming met het klokje, de spiegel en de kandelabertjes, doet denken aan eigen keuze der bewoonster.[4]Deze heeft zich weer over haar werk gebogen, en schrijft. Doch eenige oogenblikken later heeft ze ’t hoofd opgeheven, en kijkt met aandacht naar de deur. Dan, opeens legt ze de pen neer.Er is geklopt. «Binnen», roeptMartavan Zee.«Juffrouw, daar is meneer Jensen; die vraagt, of u ook belet heeft.»«Laat meneer boven komen, Juffrouw Pieters,» antwoordt Marta schijnbaar onverschillig. Als de hospita weg is, staat ze op en kijkt even in de spiegel. Dan gaat ze weer zitten op dezelfde plaats, neemt een van de boeken, die opengeslagen op de schrijftafel liggen, en bladert afgetrokken daarin. Ze kijkt een paar maal naar de deur.Een gestommel op de trap, wat beweging op ’t portaal en een stevige tik op de deur, die van ’t portaal naar de kamer leidt, doen haar nogmaals naar de deur opkijken.«Zoo, Marta, dat doet me pleizier; ik was een oogenblik bang, je niet thuis te vinden.»Marta is opgestaan en steekt de jonge man, die binnengetreden is, de hand toe. Hij is grooter en forscher dan zij, maar in de trekken van zijn gelaat ligt minder kracht van geest en wil dan van gezondheid. Een fijn zwart snorretje geeft iets fattigs aan de gevulde lippen, waarvan de[5]onderste, ietwat uitpuilend, de uitdrukking van overmoed der heldere bruine oogen bevordert. Ook de vierkante stevige vorming der kin draagt daartoe bij. Een kortgehouden donkerbruine haardos laat eenhoog voorhoofd vrij,waarondereen paar zijige wenkbrauwen van dezelfde kleur als het haar. De vrij groote neus is van onderen wat breed en stomp. ’t Heele gelaat heeft iets voornaams, wat ook uit kleeding en houding spreekt, maar tevens iets weekelijks, iets van ’t bedorven moeders-zoontje en van de lustig en onbezorgd levende student van ’t«studentikoze» type.Een aardig tegenbeeld Marta’s gestalte daar tegenover hem. Blozend, maar hem recht in de oogen kijkend geeft zij hem de hand.«Bang, me niet thuis te vinden … Och, tegenwoordig ben ik nog al ’s hier te treffen.» Ze glimlacht even en wijst op haar werk.«Ik stoor toch niet?»«O nee, volstrekt niet. Dat kan wachten. Ga zitten, ga zitten: daar, op je gewone plaats.»«Ja, stamgast wor’ ik hier zoo langzamerhand.» Hij zet zich op een gemakkelijke stoel op zij van Marta’s schrijftafel. Marta is weer gaan zitten, maar heeft zich nu halverwege omgewend, naar haar bezoeker toe.Deze zit in ’t volle licht dat van ’t balkon binnenkomt, schuin tegenover Marta[6]met de rug naar de muur. Nauwelijks gezeten valt zijn blik op het doodshoofd bij de inktpot.«Merkwaardige combinatie, zeg, Marta,» roept hij, en neemt meteen de schedel van de schrijftafel, dat «doodshoofd met die veldbloemen! Zinnebeeld van leven en geluk bij dat van vergankelijkheid … Wat ’n leelijke grijns heeft zoo’n kop toch!»Hij bekijkt het gladde glimmende voorwerp van verschillende kanten met een speelsche spottende glimlach.Marta neemt hem de schedel af.«Foei, Frans, je moet niet spotten met zoo iets!»«Daar, ik zet het weer op zijn plaats. Daar hoort het: ik heb het noodig voor een verhandeling over schedelbreuk, waaraan ik bezig ben. Och, dat weet je trouwens: kijk.» Ze raakt even achteloos het papier aan, vóor haar op tafel. «En dan: wat die combinatie aangaat, die is zoo vreemd niet. Dood en leven komen overal naast elkaar voor.» Ze zwijgt even. «In ieder menscheleven ook … in ’t mijne … in ’t jouwe ook …»«Nou ja, maar op een meisjeskamer … Ik weet wel … maar toch … Ik kan er me zoo moeilijk indenken.»«Dat begrijp ik best. Maar och, voor ons medici[7]krijgt ’t menschelijk lichaam zoo’n heel andere beteekenis dan voor andere menschen. Dood en leven zijn voor ons ook anders … Er is eigenlijk geen dood …»«Zoo, nou, ik zou zeggen …» Frans lacht even luid.«’t Is maar net zooals je ’t opvat. Je weet immers, dat men ontdekt heeft, dat moleculaire beweging—een beweging die overal in alles is—niet qualitatief verschilt van levensbeweging … Een stuk ijzer leeft eigenlijk ook …»Er is een trek van verhoogde ernst op Marta’s gelaat.«Ho, nu wor’ je me te geleerd! ’t Eenige wat ik bedoel—ik heb je dat meer gezegd, weet je niet?—is dat ik niet vat, hoe jij met je fijn vrouwelijk gevoel zooveel akeligs—zooveel, nou.… griezeligs, vies, laat me maar zeggen, kunt aanzien. Hoe je bijvoorbeeld in de snijkamer geen walg krijgt, geen afschuw van.…»«Een kwestie van wennen.… anders niet. Heel in ’t begin ben ik er wel eens naar van geweest. Maar nu.… ’t Eenige wat me nu nog aandoet, is de gedachte aan ’t lot van de arme wezens, die daar voor onze proeven dienen, voor onze «experimenten».»«Hoe bedoel je dat? Die voelen er toch niets meer van?»[8]«Jawel, dat is zoo; maar ’t zijn zulke ongelukkige schepsels, wier lijken naar de snijkamer gaan.»Marta wendt zich naar de andere kant der schrijftafel, en wijst op ’t voorwerp met het groene dekkleed erover.«Weet je bijvoorbeeld wat datrifdaar in haar leven geweest is?»«Haar? Is dat dan van een vrouw?»Frans is opgestaan en plaatst zich bij ’t geraamte. Marta staat eveneens op, en neemt het kleed van ’t geraamte af.«Ja, van een meisje. Kijk, dat kun je toch zien! Breed bekken met de schouders vergeleken, dan kleinere gestalte.… Nou ja, dát geraamte is afkomstig van een achttienjarig meisje. Een prostituee.… In ’t ziekenhuis gestorven.…»Frans kijkt meewarig naar ’t gebeente.«Arm kind! Maar ik wist niet, dat zoo’n geraamte eerst in de snijkamer geweest was.»«O ja, altijd. Als ’t daar voldoende.… bekorven is en afgehaald, dan gaat het naar de man, die er een skelet van prepareert.»Ze zwijgt een oogenblik. Dan gaat ze voort:«Ik heb dat meisje gekend. Ik heb met haar gesproken.»Marta doet de groene doek weer over ’t geraamte[9]en gaat zitten. Frans volgt haar voorbeeld. Dan gaat ze voort met iets gewild onverschilligs in haar stem, maar toch met lichte trilling daarin:«Och de gewone geschiedenis, zie je … Toch vreeselijk, vreeselijk, altijd weer even hartverscheurend.» De ontroering wordt haar een enkel oogenblik de baas. De jonge man kijkt haar verwonderd aan.«Ja, ja, ik kan ’t me denken,» zegt hij ernstig, met veel sympathie in toon en blik; maar toch niet geheel begrijpend.«Ik heb, God dank, nooit een meisje ongelukkig gemaakt.»Marta ziet hem even vol aan. Er is een lieve streeling in haar fluweelen oogen, die vochtig glanzen.«Och ja,» gaat ze voort, «dat is ’t begin … en dan de rest. Dit was eenmooimeisje. Ze heeft tegenspoed gehad … had te veel hart … Anders was ze wel anders terechtgekomen. De harteloozen brengen ’t in zoo’n geval tot een soort van geluk, tot de «diamanten en paarlen» van Heine’s gedichtje. Die beseffen dan niet, «hoe diep ze ellendig zijn». Anderen soms ook wel … maar dat zijn uitzonderingen, groote uitzonderingen.…»Ze zwijgt en blijft in gedachten staren. Met de hand onder ’t hoofd zit ze zoo, dat Frans haar[10]fijn profiel scherp tegen de donkere achtergrond ziet uitkomen. Na eenige oogenblikken van hernieuwde verwondering, zegt hij:«Wat wou je zeggen, Marta?» Ze kijkt even op.«Och, die.… die heffen zich weer op. In armoede is dat heel moeilijk…»Weer vervalt ze in gepeins.«Kom, ik vind dit lang geen prettig onderwerp van gesprek.Nu ’swat anders, Marta, weet je nu eigenlijk wel, waarom ik bij je kom?»Marta lacht opeens. Haar oogen kijken hem helder aan. «Waarom jevandaagbij me komt? Maar, Frans, je komt bijna iederen dag!»Onwillekeurig lacht de ander mee.«Dat is.… waar. Mijn vader moest ’t ’s weten! Die denkt dat ik braaf college loop …»«Dat moest je ook …» Marta’s mond is half ernst, half spot.«Och wat! Wat kunnen mij die colleges schelen? Ik studeer hier bij jou immers ook?»Marta glimlacht weer.«Ja, dat is zoo … Maar zeg, nu weet ik nog niet, waarom je vandaag—zoo speciaal!—gekomen bent. Ook om te studeeren?»«Och, flauwe meid! Dat weet je wel beter, ben je dan niet jarig?»«Ik jarig?» Haar oogen stralen. «’t Is waar ook![11]Nu, daar let ik anders niet meer op hoor.» Dit laatste klinkt eenigszins weemoedig.«Je wordt ook zoo oud, he!» Marta lacht niet, maar blijft stroef kijken. «Nu, ik let er wèl op, en …»«Maar hoe ben jij daar eigenlijk achtergekomen?»«Nagevraagd, aan de burgerlijke stand. Een heerlijke nuttige instelling!»Marta kleurt.«Och kom! Waar jij al belang in stelt!» Toch voelt ze ze zich aangenaam verrast. Frans kijkt haar strak aan.«Daarvoor had de huisjuffrouw immers die bloemen daar klaargezet.»Marta antwoordt kwazi-verwonderd:«O zoo.»«Nou ja, van mij heb je niets gekregen. Je wil niets hebben, trouwens: je wil nooit wat van me hebben. Maar nu wil ik wat van jou hebben, versta je? Ik wil ’s op je gezondheid drinken.»Zijn gastvrouw lacht verlegen.«Ik heb niets in huis. Je weet, ik gebruik nooit wat. Niet omdat ik afschafster ben … Maar ik bedenk me daar: ik heb toch misschien nog wat. Ik heb laatst bezoek gehad van … mijn oom … mijn voogd …»Marta kleurt weer en zoekt naar haar woorden, doch Frans komt haar onwillekeurig te hulp.[12]«Je voogd? Je vroegere voogd dan toch: je wordt vandaag een-en-twintig.»Marta kleurt nog sterker. Dan antwoordt ze kwazi-natuurlijk, en vroolijk: «Juist, ook mooi nageplozen …»«Nu, wat heb je? Vooruit ermee!»Beiden staan op. Marta gaat naar een kast in de achterwand, die ze opent.«Kom, meezoeken» noodt ze lachend.«Potstausend! Houdt je ploerterij dat zoo netjes?»«M’n wat?»«Je ploerterij.»«M’n huisjuffrouw, wil je zeggen? Een heel best braaf mensch, waar je met eerbied over spreken moet … maar dat gaat jou niet aan, zoek jij maar.»«Ik vind niets, als jij me in de weg staat! Ik zie alleen dat je mooi glaswerk hebt … En zilver ook, keurig …»«Maar niets erin … Kom, in de anderenog ’skijken.»«Even nog!»«Och, doe die kast nu dicht. Je hebt er niets mee te maken verder.»Ondertusschen heeft Marta een andere muurkast opengemaakt.«Zeg, kom je nu? Daar is niets in, zeg ik je».[13]«Best, best, ik geloof je. Is dat weer zoo’n wonderkastje?» Frans sluit de eene kast en komt bij de andere staan.Marta, die onderwijl aan ’t zoeken gegaan is, schiet op eens in een lach.«Och, wat moetje daar? Dat’s mijn tafelgoed.»«Je vraagt me om mee te zoeken!»«Ja, maar wat dacht je? Dat het hier was als bij een van je vrienden? Alles heeft zijn plaats.»«O ja, natuurlijk. Alles keurig, dat zie ik.»Eindelijk vindt Marta een karafje. Ze neemt het eruit.«Daar!» roept Frans zegevierend.«Och nee, dat’s te gek.» Haar lach klinkt helder door ’t vertrek. «Dat kan ik je niet aanbieden! Nu herinner ik me: ’t is cognac. De man … mijn oom woû een glas cognac drinken, en ik heb toen een half fleschje laten halen.» Ze zet het karafje weer weg. «Ik dacht, dat ik nog wat witte port had … Maar dat’s niets …» Ze gaat naar de schel in een hoek van de kamer, en wil de juffrouw laten komen. Frans is haar vóor.«Wat, wil je nu wat laten halen? Nee, maar … nu zal je me toch onbescheiden vinden.» Hij wil haar beletten op de knop van de electrische schel te drukken. Ze weert hem af door een tik op de hand.[14]«Nu zál je wat drinken. Trouwens, ik ben hier de baas.»«Bazin, wil je zeggen. Dat heb je met al je feminisme nog niet anders kunnen krijgen. De taal wijst het uit.»«Wat een pedanterie! Baas of bazin: dat is ’t zelfde.»«Dat denk je maar: een bazin veronderstelt altijd eenbaas, en die is toch in allen geval hooger.»«Dat is nu weer zoo’n muggezifterij van een rechtsgeleerde.»Er wordt geklopt.«Binnen!» roept Marta. Frans is weer gaan zitten, en slaat dan de beide vrouwen gade.«Juffrouw», zegt Marta vriendelijk. «Wil u even een half fleschje port laten halen? Van de beste, hoor, en dan hier klaar zetten met twee glazen. Hier is een leeg karafje.»«Goed, juffrouw,» antwoordt de toegesprokene, terwijl ze het kristallen karafje aanneemt. «Heeftunog wat?»«Nee, danku.»De magere gestalte, in vaal zwart gekleed, beweegt zich even bedaard als ze gekomen is, weer naar de deur. ’t Is een vrouw van wellicht vijftig jaar, scherpe hoekige trekken en reeds[15]grijzend haar. Als ze vlak bij de deur is, werpt ze Frans een schuine blik toe, en verdwijnt.«Mijn sympathie niet, die Juffrouw,» zegt Frans tot zijn vriendin, die weer op haar stoel aan de schrijftafel is gaan zitten.«Nou ja, dat weet ik. Een best mensch, zeg ik je: ik ken haar beter dan jij.»«Een kaketoe. En kijkt ook even nijdig.»«Verbeelding!»«Nou, ze keek zooeven met een blik naar me. Zeg, in ernst, zou ze ’t niet raar vinden, dat je me hier op je kamer port schenkt?»Marta haalt de schouders op.«Och, daar stoor ik me wat aan! Je bent een vriend van me. Ik ontvang mijn vriendinnen—mijn kennissen, wil ik zeggen—hier immers ook wel.»«Nu ja, meisjes als jij …»«Dat is voor mij volkomen ’t zelfde.» Er is meer ernst in haar stem dan ’t gezegde schijnt noodig te maken.«Maar, zeg, Marta,» hervat Frans na een oogenblik zwijgen, «nu we toch op onze manier gaan fuiven,—er is nog iets waarom ik me vandaag zoo bizonder in mijn schik voel.»«Nu?»«We kennen elkaar vandaag juisteen half jaar.»[16]Hij kijkt haar vol innigheid aan.«Merkwaardig feit.»«Ja, zeker, voor mij wel. Weet je nog, die eerste keer, toen ik je ontmoette aan ’t Station Weesperpoort? ’t Regende dat het goot. Je hadt geen paraplu bij je. En je scheen ook geen geld bij je te hebben. Weet je nog, dat we van Breukelen samengereisd hadden?»«O, ik herinner ’t me alsof ’t gisteren was.»«We hadden al heel gauw een gesprek aangeknoopt.»«Dat wil zeggen, jij praatte nogal.»«Nou ja, je antwoordde me toch. In dat opzicht was je toch anders dan de meeste jonge dames, die je op reis ontmoet: die vinden ’t gewoonlijk vreeselijk met een onbekende een gesprek te beginnen … Of ze doen ten minste zoo.»«Och, jij zag er nogal betrouwbaar uit. En dan.»«Nogal! Die vind ik heerlijk.»Frans lacht hartelijk. Marta glimlacht en beantwoordt zijn aanhoudend sterk sprekend aankijken met een blik vol kalme haast weemoedige vriendelijkheid.«Nou, Marta, ik vond dat jij er niet alleenheelbetrouwbaar, maar ook heel aantrekkelijk uitzag.»«Zoo, zoo. ’t Laatste was natuurlijk voor jou[17]verreweg ’t voornaamste: je woû’s een gijntje met me hebben.»«Een wat?»«Een gijntje …»«Mooi woord. Is dat speciaal Amsterdamsch? Grapje, bedoel je? Och nee, ik vond je belangwekkend.»«Jawel, en later toen ik je bij ’t uitstappen ontweek, was je zoo vrij me te volgen.»«Weer pure belangstelling. Als ik dat niet gedaan had, had ik je mijn diensten ook niet kunnen aanbieden. Dan was je druipnat thuis gekomen, of je hadt aan ’t station kunnen wachten.»«Eeuwig dankbaar, hoor. ’t Was bepaald een ridderlijk gijntje van je … Ja, hoe gek, he, dat ik geen cent bij me had.» Ze zwijgt even, in gedachten. Dan:«Ja, ik had alles uitgegeven, omdat ik dacht dat ik het niet meer noodig zou hebben.»«Maar, zeg, waar kwam je toen vandaan?»De vraag doet Marta opschrikken.«Waarvandaan? Och, ik was even naar Utrecht geweest».«Daar heb je familie wonen, niet?»Met een lichte blos en afgewende oogen zegt ze ontwijkend:«Nee, ik ben uit Limburg, dat weet je. Nee,[18]och, eenpatiëntjeuit onze kliniek van vroeger, waar ik nogal belang in stelde.»Marta zwijgt verlegen. De jonge man hult haar in zijn bewonderende innige blikken. Een enkele maal geeft ze hem die terug, met een mengeling van schuwheid en vriendelijkheid. De blos op haar wangen is donkerder dan tevoren.«Zoo,» zegt ze «dus al een halfjaar. Wel, ’t lijkt me zoo kort.»«Zeg, Marta, je hoeft niet te kleuren: ik vind die toewijding van je allerliefst.»«Och, schei uit.»«Ik meen ’t … Een half jaar ja, mij lijkt het ook veel korter.» Er is juiching in zijn stem. «En toch! ’t Is net alsof ik je mijn heele leven gekend had. Jammer dat het niet zoo is.»Marta zucht.«Ja, dat vind ik ook,» zegt ze zacht. «Je moest mijn broer wezen.»«Je broer! Nou ja, of je vriend. We zijn nu toch vrienden, hoop ik.»Weer kijkt hij haar sterk aan.«Zoo iets vraag je niet.»«Nu, ik wel.»«Goed: vrienden zijn we.» Ze geeft hem de hand over de schrijftafel heen. De jonge man[19]neemt die gretig aan. Toch spreekt er eenige teleurstelling uit zijn wezen.«Wat heeft het me een moeite gekost, je na onze eerste ontmoeting terug te zien!» gaat hij voort. «Eindelijk hoor, weet je nog: bij Kras?»Marta knikt.«Ik at dien dag met een paar vrienden. Daar zag ik je, hoor: moederziel alleen aan een tafeltje kalm bezig met een biefstukje met aardappelen.»«Ja, en wat keek je telkens onhebbelijk naar me! Hebben je vrienden dat toen niet gemerkt?»«Och, nee. Ik heb ook niet zoo sterk gekeken.»«Nou, ik merkte het dadelijk!»«Wat heb ik toen die vrienden in mijn hart weggewenscht. Zoo’n eenige gelegenheid moest ik voorbij laten gaan.»«Daarom was je natuurlijk de volgende dag weer bij Kras.»«En jij ook!»«Nou ja, ik at daar toen iederen dag.»«Ik niet. En ik kwam dien dag een half uur te laat thuis eten. Vader was razend, natuurlijk. Een tooneel van woede. Moeder aan het huilen.»Het binnenkomen van de hospita brengt even stoornis. Zwijgend gaat ze naar de kast, giet de inhoud van ’t fleschje, dat ze bij zich heeft, in een[20]ledige karaf, en zet deze met twee glazen op de tafel neer. Weer merkt Frans een zekere onwil en onvriendelijkheid in haar wezen op. Maar hij bepaalt zich tot even opkijken.«Hier is de port. Had uwes nog iets, juffrouw?» Met een leege blik ziet ze Marta aan, terwijl ze de deurknop reeds in de hand heeft. Haar wenkbrauwen zijn hoog opgetrokken en haar lippen staan eenigszins vaneen.«Nee, dank u,» zegt Marta, die nu ook iets hinderlijks in de houding der hospita bespeurd heeft, en graag gauw van haar af is.«Ziezoo, nu kunnen we’s drinken. Ik zal meedoen, om je genoegen te doen. Jullie mannen drinken niet graag alleen, wel? Mag ik ’s inschenken?»«Gaarne.»«O ja, dat ’s waar ook: je rookt.…. Jullie mannen hebben toch heel wat noten op je zang.….!»Er is iets bizonder druks in Marta’s praten: ’t is of ze daardoor gedachten verdrijven wil.«Och, hoû me nu niet voor de gek, Marta!» valt de ander haar in de rede. «Op jouw kamer rook ik immers nooit. ’t Is wat anders in ’t restaurant: daar heb je gezien, dat ik ’t na ’t eten wel deed.»«Nou ja.… Heusch, ’t spijt me: ik zou je nu zoo[21]graag een goeie sigaar willen bezorgen. Had ik nu maar aan die juffrouw.…»«Och maar, Marta, je zeurt,neem me niet kwalik. Ik zou hier niet durven rooken.» Meteen sipt hij aan zijn glas en tuurt naar ’t balkon, alsof hij aan heel andere dingen denkt.«Om de lui beneden zeker, om de ploerterij,zooals jij zegt.Ook een reden!» Beiden zwijgen even.«Dat moet je niet zeggen,» zegt Frans en wendt zich weer naar zijn gastvrouw. Er is een toon van groote ernst in zijn stem. «’t Is al mooi, dat je me ontvangt. De menschen kletsen er toch al over, geloof me.»«Laat ze gerust! Ik heb er maling aan. De menschen, wat kunnen mij de menschen schelen! Ik doe mijn plicht en verder laat ik ze leuteren zooveel als ze willen. De menschen!» Ze zwijgt een oogenblik, en dan op heel andere toon: «Nee, werkelijk, ik woû dat ik een goeie sigaar voor je had.»Frans lacht.«Je bent toch een origineel schepsel! Nu, ik heb ze wel bij me. Ik zal er dan een rooken, om jou plezier te doen.»Hij haalt een keurig bruin lederen sigarenkokertje voor den dag, kijkt erin, en biedt haar dan een[22]kleine sigaar aan, die hij onder de grootere gevonden heeft.«Kom, jij dat kleintje», zegt hij lachend. «Of rook je niet?»«Och, loop heen! Zoo graag als ik een man een goeie sigaar zie rooken, zoo afschuwelijk vind ik ’t voor een vrouw het zelf te doen. Dàt vind ik nu eens iets echt onvrouwelijks. Jullie praten anders altijd over«onvrouwelijk», als je tegen de feministen uitvaart.»«Onvrouwelijk? Och wat!» Hij steekt zelf op. Marta staat op en geeft hem een schoteltje voor aschbakje.«Mooi zoo. Onvrouwelijk, zeg je? Is dat nu onvrouwelijker dan lijkeschennis op de snijkamer?» Luchtig blaast hij een rookwolkje van zich af.«Frans!» roept Marta.«Neem me niet kwalijk.… Ik leuter ook eigenlijk maar wat. En toch begrijp ik niet, waarom jij als arts niet zou kunnen rooken. Bijvoorbeeld als ontsmettings-middel.»«Een mooi ding. Op een ziekekamer zeker! O jullie rechtsgeleerden! Maar komaan, op je.….» Ze neemt haar glas op, waaraan ze nog niet de mond gezet heeft.«Op jouw gezondheid!» valt Frans in. «En van harte gelukgewenscht ook in andere opzichten,[23]alle mogelijke opzichten! Ik feliciteer mezelf ook, dat ik je al een half jaar ken.»Weer stoort een kloppen aan de deur hun gesprek.«Wat is dat nou weer?» roept de jonge man kregelig.Weer vertoont zich de hospita, met hetzelfde humeurige gezicht van te voren.«Juffrouw, daar is een meneer, die vraagt naar meneer Hensen, of die ook hier is.»Frans kijkt eerst Marta en dan de huisjuffrouw verwonderd aan.«Die ben ik,» zegt hij ontstemd. «Ik heet ten minsteJensen, juffrouw. Dat wist u trouwens. Hoe zag die meneer eruit? Heeft hij geen kaartje afgegeven?»De aangesprokene wendt zich half tot Frans, en antwoordt met kleurlooze stem, eigenlijk tot Marta sprekend.«Nee. ’t Is een heer met een zwarte baard. Een beetje grijs. Draagt een bril.… of lorniët, of hoe heet zoo’n ding? Hij heeft een hooge hoed op.»Daar, nou weet je ’t, schijnen haar oogen erbij te voegen.Frans schrikt.«Heeft u gezegd, dat ik er was?»[24]De hospita blijft in een houding alsof ze tot Marta spreekt.«Hoe kon ik dat nou zegge?» geeft ze terug. «Ik heb gezegd, dat ik ’s kijke zou, maar dat ik van niks wis. Die meneer zei, dat meneer Hensen hiermoeswezen.»Dit laatste is onmiskenbaar tot de jonge man gericht.Frans kijkt weer vragend naar zijn vriendin. Er is onrust in haar trekken: ze heeft blijkbaar begrepen, wie de bezoeker is. Hij tracht haar met een bedekt gebaar te kennen te geven, dat ze hem niet toelaten kan, in geen geval. Doch Marta let daar niet op. Ze snijdt hem het woord af, als hij wat zeggen wil, en beveelt kort en beslist:«Juffrouw, laat meneer bovenkomen.»De hospita glijdt zwijgend de kamer uit.«Maar Marta!» roept Frans opgewonden, als ze nauwelijks de deur gesloten heeft.«Wil je nu mijnvaderhier binnenlaten? ’t Is mijn vader, ik weet het zeker.… Je vat toch, dat hij niets goeds in ’t zin kan hebben.»«Dat kan me niet schelen. Dacht je soms, dat ik me schaamde, jou hier te ontvangen? Ik ben hier opmijnkamer, en ik ontvang hier wie ik wil.»’t Besliste en kalme in Marta’s toon maakt de ander eenigszins verlegen.[25]«Je hebt gelijk, je hebt gelijk,» zegt hij zenuwachtig. «Maar … je weet hoe mijn vader is. Ik heb je dat immers al zoo vaak verteld.»«Als hij me hier beleedigt … Nou ja, maar dat zal hij niet doen. Och, ik kan mijn woord wel doen, als ’t noodig is …» Ze glimlacht even.Wat is ze mooi! denkt Frans. En wat is ze flink!«Dat begrijp ik,» antwoordt hij minder zenuwachtig. «Hoor eens, dat zouikniet toelaten, hoor, Marta. Mijn vader jou beleedigen! ’t Is alleen, dat ik …»Een eenigszins driftige tik op de deur doet hem afbreken. Op Marta’s «Binnen!» komt de verwachte de kamer in.[26]
Hij zou stellig komen: ze had er zoo’n idee van. ’t Was immers een Woensdag, en die had hij tot nog toe nooit overgeslagen … En als hij kwam, zou ze hem niets zeggen van haar verjaardag. Waarom zou ze? Wat had hij er eigenlijk mee te maken? En toch … ’t zou wel aardig zijn, als hij ’t wist, als hij daarom kwam …
Ze zat vóor haar schrijftafel, met de eene hand onder ’t hoofd, te staren. ’t Was een fijne tengere gestalte. Het welbesneden ovale gezichtje met de groote donkere oogen en het weelderige iet of wat kroezend zwart haar, met de matbleeke tint, de spitse eenigzins gebogen neus en de dunne goedsluitende lippen van de kleine mond, spraken van jeugdige ernst, maar ook van veel ingehouden hartstocht, van groote schranderheid en verstandsleven naast hoog-ontwikkeld vrouwelijk gevoel.
Ze droeg een eenvoudig grijs reform-kostuum.[2]
Op de schrijftafel vóor haar lagen eenige boeken en schriften. Een, opgeslagen, bevatte een werk waaraan ze bezig was. Tusschen de papieren lag een menschelijke schedel, geel glad glimmend, met de grijnzende kant naar haar toegekeerd, naast de groote zilver-en-kristallen inktpot. Vlak daarachter—er was een plaatsje voor gemaakt—stond een groen vaasje met een groote bos veldbloemen, aardig uitkomend tegen het donkergroene gordijn der boekenkast achter de schrijftafel. Even opgeschoven, vertoonde het daarachter ’t begin van rijen dikke boeken, waarvan de breede ruggen gouden glimpuntjes op hun gladzwart leder lieten zien. Daarboven op, manshoog, twee biscuit borstbeeldjes. Naast de stemmige boekenkast onder een eveneens donkergroene doek, iets op een zwart-houten voetstuk. Onderaan een ontbloot gebleven deel een menschelijk geraamte verradend.
De wand tegenover de boekenkast droeg op het grauw-groene behang twee mooie omlijste staaldrukken: Christus en de rijke jongeling en Christus als knaap in de tempel. Daaronder éen portret in ronde lijst: een fraaie mannekop, met grijze baard en denkersoogen, uitgesproken Joodsch type. Aan deze wand een sofa en een paar stoelen, met een kleine tafel, waarop een aardig[3]zelfgewerkt kleedje, ’t een en ander nieuwe stijl en iets-donkerder-grauwgroen van bekleeding dan het behang. Op de vloer effen grauw zeil, waarop in ’t midden van ’t vertrek een donkergroen kleed. De beide overige wanden vertoonden groote openslaande deuren, links van de ingang leidend naar een ander vertrek en daar nu half verborgen onder een zware voorhang van dezelfde kleur als ’t kleed op de grond; rechts een balkon, uitziend op een breede straat.
De zon schijnt buiten vroolijk en werpt een lange lichtstraal door ’t vertrek, zich baan brekend door de spaarzaam opengelaten witte valgordijnen en de donkergroene overgordijnen aan de balkonkant. De zonnestraal weerkaatst juist op de spiegel boven de schoorsteenmantel en speelt daar met het verguldsel van ’t staande klokje. Daarnaast werpen een paar eveneens vergulde kandelabertjes en eenige foto’s in metalen lijstjes flikkerglansjes onder de inwerking van ’t namiddaglicht.
De heele inrichting der kamer heeft bij alle eenvoud een sterk persoonlijk karakter, en mist het banale der gewone huurvertrekken. Zelfs de lamp, een verguld kroontje met drie armen, zoo geheel in overeenstemming met het klokje, de spiegel en de kandelabertjes, doet denken aan eigen keuze der bewoonster.[4]
Deze heeft zich weer over haar werk gebogen, en schrijft. Doch eenige oogenblikken later heeft ze ’t hoofd opgeheven, en kijkt met aandacht naar de deur. Dan, opeens legt ze de pen neer.
Er is geklopt. «Binnen», roeptMartavan Zee.
«Juffrouw, daar is meneer Jensen; die vraagt, of u ook belet heeft.»
«Laat meneer boven komen, Juffrouw Pieters,» antwoordt Marta schijnbaar onverschillig. Als de hospita weg is, staat ze op en kijkt even in de spiegel. Dan gaat ze weer zitten op dezelfde plaats, neemt een van de boeken, die opengeslagen op de schrijftafel liggen, en bladert afgetrokken daarin. Ze kijkt een paar maal naar de deur.
Een gestommel op de trap, wat beweging op ’t portaal en een stevige tik op de deur, die van ’t portaal naar de kamer leidt, doen haar nogmaals naar de deur opkijken.
«Zoo, Marta, dat doet me pleizier; ik was een oogenblik bang, je niet thuis te vinden.»
Marta is opgestaan en steekt de jonge man, die binnengetreden is, de hand toe. Hij is grooter en forscher dan zij, maar in de trekken van zijn gelaat ligt minder kracht van geest en wil dan van gezondheid. Een fijn zwart snorretje geeft iets fattigs aan de gevulde lippen, waarvan de[5]onderste, ietwat uitpuilend, de uitdrukking van overmoed der heldere bruine oogen bevordert. Ook de vierkante stevige vorming der kin draagt daartoe bij. Een kortgehouden donkerbruine haardos laat eenhoog voorhoofd vrij,waarondereen paar zijige wenkbrauwen van dezelfde kleur als het haar. De vrij groote neus is van onderen wat breed en stomp. ’t Heele gelaat heeft iets voornaams, wat ook uit kleeding en houding spreekt, maar tevens iets weekelijks, iets van ’t bedorven moeders-zoontje en van de lustig en onbezorgd levende student van ’t«studentikoze» type.
Een aardig tegenbeeld Marta’s gestalte daar tegenover hem. Blozend, maar hem recht in de oogen kijkend geeft zij hem de hand.
«Bang, me niet thuis te vinden … Och, tegenwoordig ben ik nog al ’s hier te treffen.» Ze glimlacht even en wijst op haar werk.
«Ik stoor toch niet?»
«O nee, volstrekt niet. Dat kan wachten. Ga zitten, ga zitten: daar, op je gewone plaats.»
«Ja, stamgast wor’ ik hier zoo langzamerhand.» Hij zet zich op een gemakkelijke stoel op zij van Marta’s schrijftafel. Marta is weer gaan zitten, maar heeft zich nu halverwege omgewend, naar haar bezoeker toe.Deze zit in ’t volle licht dat van ’t balkon binnenkomt, schuin tegenover Marta[6]met de rug naar de muur. Nauwelijks gezeten valt zijn blik op het doodshoofd bij de inktpot.
«Merkwaardige combinatie, zeg, Marta,» roept hij, en neemt meteen de schedel van de schrijftafel, dat «doodshoofd met die veldbloemen! Zinnebeeld van leven en geluk bij dat van vergankelijkheid … Wat ’n leelijke grijns heeft zoo’n kop toch!»
Hij bekijkt het gladde glimmende voorwerp van verschillende kanten met een speelsche spottende glimlach.
Marta neemt hem de schedel af.
«Foei, Frans, je moet niet spotten met zoo iets!»
«Daar, ik zet het weer op zijn plaats. Daar hoort het: ik heb het noodig voor een verhandeling over schedelbreuk, waaraan ik bezig ben. Och, dat weet je trouwens: kijk.» Ze raakt even achteloos het papier aan, vóor haar op tafel. «En dan: wat die combinatie aangaat, die is zoo vreemd niet. Dood en leven komen overal naast elkaar voor.» Ze zwijgt even. «In ieder menscheleven ook … in ’t mijne … in ’t jouwe ook …»
«Nou ja, maar op een meisjeskamer … Ik weet wel … maar toch … Ik kan er me zoo moeilijk indenken.»
«Dat begrijp ik best. Maar och, voor ons medici[7]krijgt ’t menschelijk lichaam zoo’n heel andere beteekenis dan voor andere menschen. Dood en leven zijn voor ons ook anders … Er is eigenlijk geen dood …»
«Zoo, nou, ik zou zeggen …» Frans lacht even luid.
«’t Is maar net zooals je ’t opvat. Je weet immers, dat men ontdekt heeft, dat moleculaire beweging—een beweging die overal in alles is—niet qualitatief verschilt van levensbeweging … Een stuk ijzer leeft eigenlijk ook …»
Er is een trek van verhoogde ernst op Marta’s gelaat.
«Ho, nu wor’ je me te geleerd! ’t Eenige wat ik bedoel—ik heb je dat meer gezegd, weet je niet?—is dat ik niet vat, hoe jij met je fijn vrouwelijk gevoel zooveel akeligs—zooveel, nou.… griezeligs, vies, laat me maar zeggen, kunt aanzien. Hoe je bijvoorbeeld in de snijkamer geen walg krijgt, geen afschuw van.…»
«Een kwestie van wennen.… anders niet. Heel in ’t begin ben ik er wel eens naar van geweest. Maar nu.… ’t Eenige wat me nu nog aandoet, is de gedachte aan ’t lot van de arme wezens, die daar voor onze proeven dienen, voor onze «experimenten».»
«Hoe bedoel je dat? Die voelen er toch niets meer van?»[8]
«Jawel, dat is zoo; maar ’t zijn zulke ongelukkige schepsels, wier lijken naar de snijkamer gaan.»
Marta wendt zich naar de andere kant der schrijftafel, en wijst op ’t voorwerp met het groene dekkleed erover.
«Weet je bijvoorbeeld wat datrifdaar in haar leven geweest is?»
«Haar? Is dat dan van een vrouw?»
Frans is opgestaan en plaatst zich bij ’t geraamte. Marta staat eveneens op, en neemt het kleed van ’t geraamte af.
«Ja, van een meisje. Kijk, dat kun je toch zien! Breed bekken met de schouders vergeleken, dan kleinere gestalte.… Nou ja, dát geraamte is afkomstig van een achttienjarig meisje. Een prostituee.… In ’t ziekenhuis gestorven.…»
Frans kijkt meewarig naar ’t gebeente.
«Arm kind! Maar ik wist niet, dat zoo’n geraamte eerst in de snijkamer geweest was.»
«O ja, altijd. Als ’t daar voldoende.… bekorven is en afgehaald, dan gaat het naar de man, die er een skelet van prepareert.»
Ze zwijgt een oogenblik. Dan gaat ze voort:
«Ik heb dat meisje gekend. Ik heb met haar gesproken.»
Marta doet de groene doek weer over ’t geraamte[9]en gaat zitten. Frans volgt haar voorbeeld. Dan gaat ze voort met iets gewild onverschilligs in haar stem, maar toch met lichte trilling daarin:
«Och de gewone geschiedenis, zie je … Toch vreeselijk, vreeselijk, altijd weer even hartverscheurend.» De ontroering wordt haar een enkel oogenblik de baas. De jonge man kijkt haar verwonderd aan.
«Ja, ja, ik kan ’t me denken,» zegt hij ernstig, met veel sympathie in toon en blik; maar toch niet geheel begrijpend.
«Ik heb, God dank, nooit een meisje ongelukkig gemaakt.»
Marta ziet hem even vol aan. Er is een lieve streeling in haar fluweelen oogen, die vochtig glanzen.
«Och ja,» gaat ze voort, «dat is ’t begin … en dan de rest. Dit was eenmooimeisje. Ze heeft tegenspoed gehad … had te veel hart … Anders was ze wel anders terechtgekomen. De harteloozen brengen ’t in zoo’n geval tot een soort van geluk, tot de «diamanten en paarlen» van Heine’s gedichtje. Die beseffen dan niet, «hoe diep ze ellendig zijn». Anderen soms ook wel … maar dat zijn uitzonderingen, groote uitzonderingen.…»
Ze zwijgt en blijft in gedachten staren. Met de hand onder ’t hoofd zit ze zoo, dat Frans haar[10]fijn profiel scherp tegen de donkere achtergrond ziet uitkomen. Na eenige oogenblikken van hernieuwde verwondering, zegt hij:
«Wat wou je zeggen, Marta?» Ze kijkt even op.
«Och, die.… die heffen zich weer op. In armoede is dat heel moeilijk…»Weer vervalt ze in gepeins.
«Kom, ik vind dit lang geen prettig onderwerp van gesprek.Nu ’swat anders, Marta, weet je nu eigenlijk wel, waarom ik bij je kom?»
Marta lacht opeens. Haar oogen kijken hem helder aan. «Waarom jevandaagbij me komt? Maar, Frans, je komt bijna iederen dag!»
Onwillekeurig lacht de ander mee.
«Dat is.… waar. Mijn vader moest ’t ’s weten! Die denkt dat ik braaf college loop …»
«Dat moest je ook …» Marta’s mond is half ernst, half spot.
«Och wat! Wat kunnen mij die colleges schelen? Ik studeer hier bij jou immers ook?»
Marta glimlacht weer.
«Ja, dat is zoo … Maar zeg, nu weet ik nog niet, waarom je vandaag—zoo speciaal!—gekomen bent. Ook om te studeeren?»
«Och, flauwe meid! Dat weet je wel beter, ben je dan niet jarig?»
«Ik jarig?» Haar oogen stralen. «’t Is waar ook![11]Nu, daar let ik anders niet meer op hoor.» Dit laatste klinkt eenigszins weemoedig.
«Je wordt ook zoo oud, he!» Marta lacht niet, maar blijft stroef kijken. «Nu, ik let er wèl op, en …»
«Maar hoe ben jij daar eigenlijk achtergekomen?»
«Nagevraagd, aan de burgerlijke stand. Een heerlijke nuttige instelling!»
Marta kleurt.
«Och kom! Waar jij al belang in stelt!» Toch voelt ze ze zich aangenaam verrast. Frans kijkt haar strak aan.
«Daarvoor had de huisjuffrouw immers die bloemen daar klaargezet.»
Marta antwoordt kwazi-verwonderd:
«O zoo.»
«Nou ja, van mij heb je niets gekregen. Je wil niets hebben, trouwens: je wil nooit wat van me hebben. Maar nu wil ik wat van jou hebben, versta je? Ik wil ’s op je gezondheid drinken.»
Zijn gastvrouw lacht verlegen.
«Ik heb niets in huis. Je weet, ik gebruik nooit wat. Niet omdat ik afschafster ben … Maar ik bedenk me daar: ik heb toch misschien nog wat. Ik heb laatst bezoek gehad van … mijn oom … mijn voogd …»
Marta kleurt weer en zoekt naar haar woorden, doch Frans komt haar onwillekeurig te hulp.[12]
«Je voogd? Je vroegere voogd dan toch: je wordt vandaag een-en-twintig.»
Marta kleurt nog sterker. Dan antwoordt ze kwazi-natuurlijk, en vroolijk: «Juist, ook mooi nageplozen …»
«Nu, wat heb je? Vooruit ermee!»
Beiden staan op. Marta gaat naar een kast in de achterwand, die ze opent.
«Kom, meezoeken» noodt ze lachend.
«Potstausend! Houdt je ploerterij dat zoo netjes?»
«M’n wat?»
«Je ploerterij.»
«M’n huisjuffrouw, wil je zeggen? Een heel best braaf mensch, waar je met eerbied over spreken moet … maar dat gaat jou niet aan, zoek jij maar.»
«Ik vind niets, als jij me in de weg staat! Ik zie alleen dat je mooi glaswerk hebt … En zilver ook, keurig …»
«Maar niets erin … Kom, in de anderenog ’skijken.»
«Even nog!»
«Och, doe die kast nu dicht. Je hebt er niets mee te maken verder.»
Ondertusschen heeft Marta een andere muurkast opengemaakt.
«Zeg, kom je nu? Daar is niets in, zeg ik je».[13]
«Best, best, ik geloof je. Is dat weer zoo’n wonderkastje?» Frans sluit de eene kast en komt bij de andere staan.
Marta, die onderwijl aan ’t zoeken gegaan is, schiet op eens in een lach.
«Och, wat moetje daar? Dat’s mijn tafelgoed.»
«Je vraagt me om mee te zoeken!»
«Ja, maar wat dacht je? Dat het hier was als bij een van je vrienden? Alles heeft zijn plaats.»
«O ja, natuurlijk. Alles keurig, dat zie ik.»
Eindelijk vindt Marta een karafje. Ze neemt het eruit.
«Daar!» roept Frans zegevierend.
«Och nee, dat’s te gek.» Haar lach klinkt helder door ’t vertrek. «Dat kan ik je niet aanbieden! Nu herinner ik me: ’t is cognac. De man … mijn oom woû een glas cognac drinken, en ik heb toen een half fleschje laten halen.» Ze zet het karafje weer weg. «Ik dacht, dat ik nog wat witte port had … Maar dat’s niets …» Ze gaat naar de schel in een hoek van de kamer, en wil de juffrouw laten komen. Frans is haar vóor.
«Wat, wil je nu wat laten halen? Nee, maar … nu zal je me toch onbescheiden vinden.» Hij wil haar beletten op de knop van de electrische schel te drukken. Ze weert hem af door een tik op de hand.[14]
«Nu zál je wat drinken. Trouwens, ik ben hier de baas.»
«Bazin, wil je zeggen. Dat heb je met al je feminisme nog niet anders kunnen krijgen. De taal wijst het uit.»
«Wat een pedanterie! Baas of bazin: dat is ’t zelfde.»
«Dat denk je maar: een bazin veronderstelt altijd eenbaas, en die is toch in allen geval hooger.»
«Dat is nu weer zoo’n muggezifterij van een rechtsgeleerde.»
Er wordt geklopt.
«Binnen!» roept Marta. Frans is weer gaan zitten, en slaat dan de beide vrouwen gade.
«Juffrouw», zegt Marta vriendelijk. «Wil u even een half fleschje port laten halen? Van de beste, hoor, en dan hier klaar zetten met twee glazen. Hier is een leeg karafje.»
«Goed, juffrouw,» antwoordt de toegesprokene, terwijl ze het kristallen karafje aanneemt. «Heeftunog wat?»
«Nee, danku.»
De magere gestalte, in vaal zwart gekleed, beweegt zich even bedaard als ze gekomen is, weer naar de deur. ’t Is een vrouw van wellicht vijftig jaar, scherpe hoekige trekken en reeds[15]grijzend haar. Als ze vlak bij de deur is, werpt ze Frans een schuine blik toe, en verdwijnt.
«Mijn sympathie niet, die Juffrouw,» zegt Frans tot zijn vriendin, die weer op haar stoel aan de schrijftafel is gaan zitten.
«Nou ja, dat weet ik. Een best mensch, zeg ik je: ik ken haar beter dan jij.»
«Een kaketoe. En kijkt ook even nijdig.»
«Verbeelding!»
«Nou, ze keek zooeven met een blik naar me. Zeg, in ernst, zou ze ’t niet raar vinden, dat je me hier op je kamer port schenkt?»
Marta haalt de schouders op.
«Och, daar stoor ik me wat aan! Je bent een vriend van me. Ik ontvang mijn vriendinnen—mijn kennissen, wil ik zeggen—hier immers ook wel.»
«Nu ja, meisjes als jij …»
«Dat is voor mij volkomen ’t zelfde.» Er is meer ernst in haar stem dan ’t gezegde schijnt noodig te maken.
«Maar, zeg, Marta,» hervat Frans na een oogenblik zwijgen, «nu we toch op onze manier gaan fuiven,—er is nog iets waarom ik me vandaag zoo bizonder in mijn schik voel.»
«Nu?»
«We kennen elkaar vandaag juisteen half jaar.»[16]
Hij kijkt haar vol innigheid aan.
«Merkwaardig feit.»
«Ja, zeker, voor mij wel. Weet je nog, die eerste keer, toen ik je ontmoette aan ’t Station Weesperpoort? ’t Regende dat het goot. Je hadt geen paraplu bij je. En je scheen ook geen geld bij je te hebben. Weet je nog, dat we van Breukelen samengereisd hadden?»
«O, ik herinner ’t me alsof ’t gisteren was.»
«We hadden al heel gauw een gesprek aangeknoopt.»
«Dat wil zeggen, jij praatte nogal.»
«Nou ja, je antwoordde me toch. In dat opzicht was je toch anders dan de meeste jonge dames, die je op reis ontmoet: die vinden ’t gewoonlijk vreeselijk met een onbekende een gesprek te beginnen … Of ze doen ten minste zoo.»
«Och, jij zag er nogal betrouwbaar uit. En dan.»
«Nogal! Die vind ik heerlijk.»
Frans lacht hartelijk. Marta glimlacht en beantwoordt zijn aanhoudend sterk sprekend aankijken met een blik vol kalme haast weemoedige vriendelijkheid.
«Nou, Marta, ik vond dat jij er niet alleenheelbetrouwbaar, maar ook heel aantrekkelijk uitzag.»
«Zoo, zoo. ’t Laatste was natuurlijk voor jou[17]verreweg ’t voornaamste: je woû’s een gijntje met me hebben.»
«Een wat?»
«Een gijntje …»
«Mooi woord. Is dat speciaal Amsterdamsch? Grapje, bedoel je? Och nee, ik vond je belangwekkend.»
«Jawel, en later toen ik je bij ’t uitstappen ontweek, was je zoo vrij me te volgen.»
«Weer pure belangstelling. Als ik dat niet gedaan had, had ik je mijn diensten ook niet kunnen aanbieden. Dan was je druipnat thuis gekomen, of je hadt aan ’t station kunnen wachten.»
«Eeuwig dankbaar, hoor. ’t Was bepaald een ridderlijk gijntje van je … Ja, hoe gek, he, dat ik geen cent bij me had.» Ze zwijgt even, in gedachten. Dan:
«Ja, ik had alles uitgegeven, omdat ik dacht dat ik het niet meer noodig zou hebben.»
«Maar, zeg, waar kwam je toen vandaan?»
De vraag doet Marta opschrikken.
«Waarvandaan? Och, ik was even naar Utrecht geweest».
«Daar heb je familie wonen, niet?»
Met een lichte blos en afgewende oogen zegt ze ontwijkend:
«Nee, ik ben uit Limburg, dat weet je. Nee,[18]och, eenpatiëntjeuit onze kliniek van vroeger, waar ik nogal belang in stelde.»
Marta zwijgt verlegen. De jonge man hult haar in zijn bewonderende innige blikken. Een enkele maal geeft ze hem die terug, met een mengeling van schuwheid en vriendelijkheid. De blos op haar wangen is donkerder dan tevoren.
«Zoo,» zegt ze «dus al een halfjaar. Wel, ’t lijkt me zoo kort.»
«Zeg, Marta, je hoeft niet te kleuren: ik vind die toewijding van je allerliefst.»
«Och, schei uit.»
«Ik meen ’t … Een half jaar ja, mij lijkt het ook veel korter.» Er is juiching in zijn stem. «En toch! ’t Is net alsof ik je mijn heele leven gekend had. Jammer dat het niet zoo is.»
Marta zucht.
«Ja, dat vind ik ook,» zegt ze zacht. «Je moest mijn broer wezen.»
«Je broer! Nou ja, of je vriend. We zijn nu toch vrienden, hoop ik.»
Weer kijkt hij haar sterk aan.
«Zoo iets vraag je niet.»
«Nu, ik wel.»
«Goed: vrienden zijn we.» Ze geeft hem de hand over de schrijftafel heen. De jonge man[19]neemt die gretig aan. Toch spreekt er eenige teleurstelling uit zijn wezen.
«Wat heeft het me een moeite gekost, je na onze eerste ontmoeting terug te zien!» gaat hij voort. «Eindelijk hoor, weet je nog: bij Kras?»
Marta knikt.
«Ik at dien dag met een paar vrienden. Daar zag ik je, hoor: moederziel alleen aan een tafeltje kalm bezig met een biefstukje met aardappelen.»
«Ja, en wat keek je telkens onhebbelijk naar me! Hebben je vrienden dat toen niet gemerkt?»
«Och, nee. Ik heb ook niet zoo sterk gekeken.»
«Nou, ik merkte het dadelijk!»
«Wat heb ik toen die vrienden in mijn hart weggewenscht. Zoo’n eenige gelegenheid moest ik voorbij laten gaan.»
«Daarom was je natuurlijk de volgende dag weer bij Kras.»
«En jij ook!»
«Nou ja, ik at daar toen iederen dag.»
«Ik niet. En ik kwam dien dag een half uur te laat thuis eten. Vader was razend, natuurlijk. Een tooneel van woede. Moeder aan het huilen.»
Het binnenkomen van de hospita brengt even stoornis. Zwijgend gaat ze naar de kast, giet de inhoud van ’t fleschje, dat ze bij zich heeft, in een[20]ledige karaf, en zet deze met twee glazen op de tafel neer. Weer merkt Frans een zekere onwil en onvriendelijkheid in haar wezen op. Maar hij bepaalt zich tot even opkijken.
«Hier is de port. Had uwes nog iets, juffrouw?» Met een leege blik ziet ze Marta aan, terwijl ze de deurknop reeds in de hand heeft. Haar wenkbrauwen zijn hoog opgetrokken en haar lippen staan eenigszins vaneen.
«Nee, dank u,» zegt Marta, die nu ook iets hinderlijks in de houding der hospita bespeurd heeft, en graag gauw van haar af is.
«Ziezoo, nu kunnen we’s drinken. Ik zal meedoen, om je genoegen te doen. Jullie mannen drinken niet graag alleen, wel? Mag ik ’s inschenken?»
«Gaarne.»
«O ja, dat ’s waar ook: je rookt.…. Jullie mannen hebben toch heel wat noten op je zang.….!»
Er is iets bizonder druks in Marta’s praten: ’t is of ze daardoor gedachten verdrijven wil.
«Och, hoû me nu niet voor de gek, Marta!» valt de ander haar in de rede. «Op jouw kamer rook ik immers nooit. ’t Is wat anders in ’t restaurant: daar heb je gezien, dat ik ’t na ’t eten wel deed.»
«Nou ja.… Heusch, ’t spijt me: ik zou je nu zoo[21]graag een goeie sigaar willen bezorgen. Had ik nu maar aan die juffrouw.…»
«Och maar, Marta, je zeurt,neem me niet kwalik. Ik zou hier niet durven rooken.» Meteen sipt hij aan zijn glas en tuurt naar ’t balkon, alsof hij aan heel andere dingen denkt.
«Om de lui beneden zeker, om de ploerterij,zooals jij zegt.Ook een reden!» Beiden zwijgen even.
«Dat moet je niet zeggen,» zegt Frans en wendt zich weer naar zijn gastvrouw. Er is een toon van groote ernst in zijn stem. «’t Is al mooi, dat je me ontvangt. De menschen kletsen er toch al over, geloof me.»
«Laat ze gerust! Ik heb er maling aan. De menschen, wat kunnen mij de menschen schelen! Ik doe mijn plicht en verder laat ik ze leuteren zooveel als ze willen. De menschen!» Ze zwijgt een oogenblik, en dan op heel andere toon: «Nee, werkelijk, ik woû dat ik een goeie sigaar voor je had.»
Frans lacht.
«Je bent toch een origineel schepsel! Nu, ik heb ze wel bij me. Ik zal er dan een rooken, om jou plezier te doen.»
Hij haalt een keurig bruin lederen sigarenkokertje voor den dag, kijkt erin, en biedt haar dan een[22]kleine sigaar aan, die hij onder de grootere gevonden heeft.
«Kom, jij dat kleintje», zegt hij lachend. «Of rook je niet?»
«Och, loop heen! Zoo graag als ik een man een goeie sigaar zie rooken, zoo afschuwelijk vind ik ’t voor een vrouw het zelf te doen. Dàt vind ik nu eens iets echt onvrouwelijks. Jullie praten anders altijd over«onvrouwelijk», als je tegen de feministen uitvaart.»
«Onvrouwelijk? Och wat!» Hij steekt zelf op. Marta staat op en geeft hem een schoteltje voor aschbakje.
«Mooi zoo. Onvrouwelijk, zeg je? Is dat nu onvrouwelijker dan lijkeschennis op de snijkamer?» Luchtig blaast hij een rookwolkje van zich af.
«Frans!» roept Marta.
«Neem me niet kwalijk.… Ik leuter ook eigenlijk maar wat. En toch begrijp ik niet, waarom jij als arts niet zou kunnen rooken. Bijvoorbeeld als ontsmettings-middel.»
«Een mooi ding. Op een ziekekamer zeker! O jullie rechtsgeleerden! Maar komaan, op je.….» Ze neemt haar glas op, waaraan ze nog niet de mond gezet heeft.
«Op jouw gezondheid!» valt Frans in. «En van harte gelukgewenscht ook in andere opzichten,[23]alle mogelijke opzichten! Ik feliciteer mezelf ook, dat ik je al een half jaar ken.»
Weer stoort een kloppen aan de deur hun gesprek.
«Wat is dat nou weer?» roept de jonge man kregelig.
Weer vertoont zich de hospita, met hetzelfde humeurige gezicht van te voren.
«Juffrouw, daar is een meneer, die vraagt naar meneer Hensen, of die ook hier is.»
Frans kijkt eerst Marta en dan de huisjuffrouw verwonderd aan.
«Die ben ik,» zegt hij ontstemd. «Ik heet ten minsteJensen, juffrouw. Dat wist u trouwens. Hoe zag die meneer eruit? Heeft hij geen kaartje afgegeven?»
De aangesprokene wendt zich half tot Frans, en antwoordt met kleurlooze stem, eigenlijk tot Marta sprekend.
«Nee. ’t Is een heer met een zwarte baard. Een beetje grijs. Draagt een bril.… of lorniët, of hoe heet zoo’n ding? Hij heeft een hooge hoed op.»
Daar, nou weet je ’t, schijnen haar oogen erbij te voegen.
Frans schrikt.
«Heeft u gezegd, dat ik er was?»[24]
De hospita blijft in een houding alsof ze tot Marta spreekt.
«Hoe kon ik dat nou zegge?» geeft ze terug. «Ik heb gezegd, dat ik ’s kijke zou, maar dat ik van niks wis. Die meneer zei, dat meneer Hensen hiermoeswezen.»
Dit laatste is onmiskenbaar tot de jonge man gericht.
Frans kijkt weer vragend naar zijn vriendin. Er is onrust in haar trekken: ze heeft blijkbaar begrepen, wie de bezoeker is. Hij tracht haar met een bedekt gebaar te kennen te geven, dat ze hem niet toelaten kan, in geen geval. Doch Marta let daar niet op. Ze snijdt hem het woord af, als hij wat zeggen wil, en beveelt kort en beslist:
«Juffrouw, laat meneer bovenkomen.»
De hospita glijdt zwijgend de kamer uit.
«Maar Marta!» roept Frans opgewonden, als ze nauwelijks de deur gesloten heeft.«Wil je nu mijnvaderhier binnenlaten? ’t Is mijn vader, ik weet het zeker.… Je vat toch, dat hij niets goeds in ’t zin kan hebben.»
«Dat kan me niet schelen. Dacht je soms, dat ik me schaamde, jou hier te ontvangen? Ik ben hier opmijnkamer, en ik ontvang hier wie ik wil.»
’t Besliste en kalme in Marta’s toon maakt de ander eenigszins verlegen.[25]
«Je hebt gelijk, je hebt gelijk,» zegt hij zenuwachtig. «Maar … je weet hoe mijn vader is. Ik heb je dat immers al zoo vaak verteld.»
«Als hij me hier beleedigt … Nou ja, maar dat zal hij niet doen. Och, ik kan mijn woord wel doen, als ’t noodig is …» Ze glimlacht even.
Wat is ze mooi! denkt Frans. En wat is ze flink!
«Dat begrijp ik,» antwoordt hij minder zenuwachtig. «Hoor eens, dat zouikniet toelaten, hoor, Marta. Mijn vader jou beleedigen! ’t Is alleen, dat ik …»
Een eenigszins driftige tik op de deur doet hem afbreken. Op Marta’s «Binnen!» komt de verwachte de kamer in.[26]