[Inhoud]HOOFDSTUK VII.«Daar is Dientje met de thee» hervat Mevrouw Jensen.«O» zegt de ander gemelijk.Een oude dienstbode, stemmig bleek en verflenst als haar meesteres, maar heel wat lijviger dan deze, komt geruischloos binnen. In haar handen draagt ze een groot blad met de«theeboel», waaraan ze een kolossale theemuts laat neerbengelen. Met de grootste bedaardheid zet ze het een en ander op de groote eikenhouten tafel, en dan de theemuts op de trekpot. Daarna zegt ze zacht, bijna fluisterend, alsof ze bang was, iemand wakker te maken, en zeer zelfvoldaan:«Mevrouw, hier is de thee. Ik heb ze maar vast gezet, weet u.» Ze kijkt nog even, verzet een kopje, geeft een tikje aan de theemuts. Haar meesteres ziet even op.«Meneer heb me gezegd, dat ie z’n thee op[83]z’n studeerkamer woû hebbe», hervat de gedienstige. «Zal ik maar een koppie inschenke?» Dralend blijft ze staan.«Goed, Dientje, ga je gang.»De oude dienstbode schenkt een groote porseleinen kop—«Meneer’s» kop—vol, doet er met afgemeten wel-overdachte stille bewegingen suiker en melk in, en wil dan met de kop thee heengaan.«Nee, Dientje,» valt Mevrouw in «je kunt gaan: ik zal de thee zelf wel aan Meneer brengen.»Dientje blijft nog dralen.«O ja,» zegt ze «dat’s waar ook: Meneer heb me ook gezegd, dat ik de jonge meneer moest roepe.» Even een moederlijke blik naar Frans: er is wat gaande, hoor—dat weet ze zoo vast «as ies». «Of de jonge meneer op de studeerkamer woû komme.»De bedoelde trekt zijn schouders op, en geeft een teeken aan zijn moeder.«Goed, Dientje, je kunt gaan», zegt de laatste.De oude dienstbode verdwijnt, niet zonder een meewarig hoofdschudden.«Daar heb je ’t al: vader wil me spreken!» roept de jonge man, als de deur achter Dientje dicht gegaan is.«Ik dacht al, dat het mis was», antwoordt zijn[84]moeder.«Als hij zijn thee op zijn studeerkamer wil hebben, weet ik al hoe laat het is.»«Ja maar, moeder, ik kan nu niet gaan! Ik wil vader nu nog niet over die zaak spreken. Ik ben met u nog niet klaar …»Mevrouw Jensen zucht diep.«Och jongen, wat heb je nu toch nog te zeggen? Ik weet immers alles!»«Nee, moeder, u heeft me nog lang niet laten uitspreken. En dan: ik zal me niet kunnen inhouden. Vader is zoo heftig: hij is dadelijk klaar met zijn beleedigingen. En dat kan ik niet uitstaan, moeder. Nu niet, in Gods naam nu niet!»«Goed, ik zal ’t hem zeggen. Goed, hoor, ik ga naar hem toe.»«Als ’t u belieft, moeder!… Morgen zal ik bedaarder wezen. Morgen …»Mevrouw Jensen staat op en neemt de volgeschonken kop van de tafel.«Goed, goed, ik zal mijn best doen. Ofschoon …»Zonder uit te spreken gaat ze de kamer uit.Frans staat van zijn stoel op, en begint heen en weer te stappen, nu en dan stilstaande, met hangend hoofd en de handen in zijn broekzakken.«Wat zal ’t geven?» denkt hij in arren moede. «Ik moet eraan gelooven. Die goeie moeder! Die maakt zich nog altijd illuzies met vader,[85]denkt nog altijd dat ze wat op hem uitwerken kan … Ellendige geschiedenis! Toch moet ik zien, dat ik kalm blijf, er hangt voor mij zooveel van af. En mijn tanden laten zien … ’t Is mijn vader, anders zou ik hem wel anders trakteeren. Die arme moeder laat zich altijd overdonderen. Als ze die man behoorlijk aanpakte, als ze niet zoo gedwee was, zou hij wel in zijn schulp kruipen … Ook een huwelijksleven dat van mijn ouders!»Onwillekeurig valt zijn oog op de portretten van beiden, in olieverf, nog uit de eerste tijden van hun huwelijk. Het zachte, vertrouwelijke gelaat zijner moeder, en het zoetsappige mooi-doenerige gezicht van haar echtgenoot daartegenover, doen hem thans de oogen afwenden, als deed het vereenigen dier twee beeltenissen in zijn blik hem zeer.«Hemel, als dat«heilige banden»zijn», peinst hij, «dan drukken ze wel zwaar.… op mijn moeder ten minste! En geven een erbarmelijk beetje zegen aan beiden!.…»Een gerucht van stemmen in de gang, die langs de huiskamer loopt, stoort hem even in zijn onrustige gedachten. Hij luistert, en hoort heftig redetwisten. Vooral de stem van zijn vader hoort hij erboven uit.[86]«Daar heb je ’t al!» mompelt hij, en zet zich weer op zijn vorige plaats, kwazi onverschillig, maar vol bange voorgevoelens, ondanks de inspanning, die hij zich geeft, om zich schrap te zetten tegen al wat er dreigt.De heer Jensen treedt bruusk binnen, onmiddellijk gevolgd door mevrouw, die zwijgend naar haar plaats bij de theeboel gaat. Nauw in de kamer wendt de eerste zich tot zijn zoon:«Wat hoor ik, Frans, dat je weigert bij me te komen?»Mevrouw Jensen, die, met haar rug naar haar man, bezig is op zenuwachtige wijze kopjes te verzetten en met lepeltjes te rinkelen, draait zich om.«Och, dat heeft-i niet gezegd, Jensen,» zegt ze klagerig.«Nee, vader,» valt de beschuldigde zelf in «ik had alleenverzocht, of u ons gesprek tot morgen woû uitstellen. Ik voel me wat van streek vandaag.…»In Frans’ toon klinkt duidelijk iets van zelfbedwang, om niet onvriendelijk te wezen.«Zoo», antwoordt zijn vader na een oogenblik zwijgen, nog steeds bij de deur en in staande houding. «Geen wonder, waarachtig! Maar je zult het nòg wel meer worden, dat beloof ik je.»[87]Er is iets sarrend scherps en kalms in zijn woorden.Frans, die zich niet verroerd heeft, kijkt voor ’t eerst zijn vader aan: wantrouwig van terzijde.«Wil u dan.…?» begint hij. Maar de ander laat hem niet uitspreken.«Ik wil jou leeren je vader te dwarsboomen» roept Jensen iets minder gemaakt-kalm. «Je vertikt het om bij me te komen. Dan kom ik hier. Maar hooren zul je wat ik te zeggen heb. Ik had het je moeder willen besparen; maar laat ze er nu maar bij zijn.… ’t Is eigenlijk wel goed, dat ze ’s alles hoort.»Frans haalt de schouders op; bijna onmerkbaar, zoodat het Jensen ontgaat. Deze neemt een stoel, en zet zich bij zijn zoon aan de tafel, met de beenen over elkaar. Vergeefs tracht hij diens blik te vangen: Frans kijkt vóor zich met gefronste wenkbrauwen, somber en in zichzelf gekeerd.Mevrouw Jensen voelt blijkbaar de electriciteit, die er in de lucht staat ontwikkeld te worden: ze is onrustig als een meeuw vóor de storm.«Zal ik je nog een kop thee inschenken, Jensen?.… en jij Frans, wil jij ook een kopje?» Ze weet nauwelijks wat ze zegt, is opgestaan en dribbelt en schokkelt nu langs het theeblad, laat een lepeltje vallen. Jensen, die er vlak bij zit,[88]laat het haar met een zware zucht oprapen.«Och, laat die thee maar,» zegt hij knorrig, «’t thee-uurtje wordt me hier nogal smakelijk gemaakt. Jij ook al met dat gezeur over Frans! Ik waarschuw je nu: geen woord tusschenbeide.» Hij kijkt scherp naar zijn vrouw, die hem de blik niet terug durft te geven. «Frans en ik hebben hier wat af te handelen, anders niemand. Jij luistert, nie’waar?»«Och moeder, laat u ons maar alleen,» zegt Frans meewarig en met verbeten ergernis.«Geen kwestie van,» valt Jensen in «Je blijft hier, erbij. Hier, ga hier zitten.» Hij wijst naar de sofa aan de andere kant van de tafel.Frans kijkt zijn vader met opgetrokken wenkbrauwen aan.Mevrouw Jensen gehoorzaamt makjes, zonder een woord; weer zwaar zuchtend. Haar echtgenoot wendt zich tot de mismoedige gestalte naast hem.«Ziezoo. Laat me nu’s hooren, veelbelovende zoon. Verklaar je nu’s.»«Ik heb niets te verklaren, vader», antwoordt de toegesprokene dof en zonder opkijken. «U hadmijiets te zeggen.…»«Best. Je ziet: ik ben meegaand genoeg. En toch zul je me nu’s moeten uitleggen, wat die[89]vriendschap»—hier een schamper lachje—«met die juffrouw Van Zee beteekent.»Frans slaat de blik op, hard koud en onverschrokken.«Die beteekent, dat ik juffrouw Van Zee hoogacht en liefheb, vader», zegt hij met groote ernst.Frans’ oogen hinderen Jensen, en hij tracht zijn ongemakkelijkheid onder een glimlachje te verbergen. Zijn toon wordt iets spottender.«Jawel, dat heb ik zoo begrepen. Jawel. En nu wil je’r zeker trouwen, niet?»«Dat is mijn wensch, vader, zeker. Dat is mijn vurigste wensch.» De woorden komen er met eenige ontroering uit.«En daarvoor reken je dan zeker op mijn medewerking en goedkeuring?» hervat Jensen.«Uw toon geeft me weinig hoop op iets daarvan. Toch wil ik u niet ontkennen, dat uw toestemming tot dat huwelijk me heel veel waard is.»Frans verschuift op zijn stoel, maakt een schraapgeluidje met zijn keel, en verzet zijn voeten op ’t tapijt.«Jawel» gaat de andere spreker voort «ze is je zooveel waard als ik je mee zou geven met je trouwen.»Tegen ’t sarrend bedaarde van zijn vaders toon geeft Frans kalmte terug, hoeveel zelfbeheersching[90]het hem ook kost. ’t Is om Marta, om Marta! Zijn hart bonst.«Dat is lang niet het voornaamste, vader», zegt hij toch met ietwat trillende stem.«Zoo, wat dan? Woû je beweren, dat je om ’t andere nog iets gaf? Je bent meerderjarig! Als je je nog iets aan mijn oordeel gestoord hadt, zou je die fraaievriendschap»—weer die spottende nadruk—«niet zes maanden voor mij verborgen gehouden hebben.»«Dat weet u wel precies. Ik kòn u daarover niet spreken. Ik zou maar onaangenaamheden met u gekregen hebben: u is dadelijk zoo heftig. En dan ook: ik woû niet, dat u leelijke veronderstellingen zou gaan maken over onze omgang.»«O juist. Dus je wil daarmee zeggen, dat die omgang onberispelijk was.»«Zonder twijfel. En dat was-ie.»Weer die koude rustige blik van Frans.Jensen slaat met de hand op zijn rechterknie.«En dat met zoo iemand!» roept hij gemaakt vroolijk. «Nee maar! Ha, ha, ha!»Bevend antwoordt Frans, worstelend met zijn toorn:«Vader, ik verzoek u dringend, me niet te kwetsen met uw spot. Als u mijn woorden niet[91]gelooft, hoef ik verder niets meer te zeggen.» Meteen wendt hij zich half om, van zijn vader af.Jensen acht het geraden, wat bij te draaien, en zijn toon wat minder scherp makend, antwoordt hij:«Je hebt gelijk: ik zal niet meer lachen.—We zullen nu ’s aannemen, dat je met die vriendin van je steeds op voet van zuivere vriendschap bent omgegaan …»«Datmoetu aannemen, vader!» roept Frans, zeer driftig.«Ik neem aan wat ik verkies. Of woû je soms, dat ik bij jou in de leer ging, ommenschenkennisop te doen?»«Waar ’t iemand geldt, dieik kenen u niet, zeker. Ik zeg u, dat er tusschen Juffrouw Van Zee en mij niets, hoegenaamdnietsbestaan heeft wat haar of mij tot een verwijt zou kunnen strekken.»«Nu goed, best. Je zult me dan toch toegeven, dat haar verleden er niet naar is, om je hooge gedachten van haar te geven?»De vraag, zoo schamper gesteld, brengt de jonge man een oogenblik in verlegenheid. Jensen ziet het met welgevallen.«Nou?» vraagt hij met een glimlach, die Frans onuitstaanbaar vindt, als deze niet dadelijk antwoordt.«Wat … weet u dan van haar?» brengt Frans uit.[92]Jensen leunt achterover in zijn stoel, en terwijl hij met de eene hand zijn gouden horloge-ketting spelend heen en weer beweegt en de andere tegen zijn kin houdt, zegt hij losweg en telkens afbrekend:«Wel, dit. Dat ze van de eerste dag af, dat ze in Luik studeerde een liefdesbetrekking had met een jongmensch van goeden huize—zij zelf is dat niet—dat ze zich door dat jongemensch heeft laten onderhouden—dat ze op een goeien dag van hem weggeloopen is—hm—en, toen ze later merkte»—hier kijkt de spreker in de lucht, over Frans’ hoofd heen—«dat ze inongezegende omstandigheden was, weer naar hem terugwoû—wat begrijpelijker wijze niet in de smaak viel van haar vroegerevriend,..Et il y avait de quoi!»Frans staart zijn vader aan. Het valt hem zelf op, dat hij nog nooit te voren zóó naar zijn vader gekeken heeft. Iedere trek van dat gelaat, hem toch zoo welbekend, schijnt hem nieuw—hatelijk nieuw: het hooge gladde voorhoofd met de ivoren welving daarboven en ’t schrale zorgvuldig gekamde sluike zwarte haar, grijs aan de slapen, de kleine bewegelijke donkere oogen, de dunne donkere wenkbrauwen, de welgedane blozende wangen, de scherpe neus, waarvan de neusvleugels mee schijnen te doen met de opwaartsche[93]spottrek der bovenlip, de vochtig glimmende roode onderlip, de glanzige knevel, nog zwart evenals de goed onderhouden puntbaard, de kleine platte ooren. Een geheel van banale mooiheid, van wereldsche zelfzorg, van mephisto-achtig cynisme …De vallende schemering bevordert een waarneming van Jensen’s uiterlijk, die ietwat vrij spel laat aan de verbeelding, al zit hij ook naar ’t vensterlicht gekeerd.Om zich een houding van welberaden bedaardheid te geven, neemt Jensen zijn lorgnet af en begint de glazen achteloos met zijn zakdoek te wrijven.Een flauwzoete geur walmt de jonge man in de neus.«Komaan, nu jij,» zegt zijn vader, druk wrijvend.«Vader, dat is van a tot z leugen en laster» brengt Frans eindelijk uit, met trillende stem, maar ieder woord onderschrappend. Zijn wenkbrauwen zijn strak-gefronst, en in ’t halve duister, dat zijn hoofd verdoezelt, vonken zijn oogen den ander tegen.«Dat beweer jij», hervat deze kalm «jij die de inlichtingen van haar zelf hebt …»«Ik kon ze van niemand beter krijgen, vader. Juffrouw Van Zee is de eerlijkheid zelf: ze heeft me vrijwillig alles verteld.»[94]«Zoo, laat ’s hooren.»«Dat ze die liefdesbetrekking gehad heeft, is waar, maar die kwam pas aan, toen ze een tijdje student was. Dan was die verhouding in haar oog eenhuwelijk, even heilig als eenig ander.»«Dan toch altijd een concubinaat. Hm.»«In haar opvatting niet, zeg ik u. En ook de man, die met haar ging samenleven beweerde die … opvatting als hooge ernst te beschouwen. Hij is gebleken een bedrieger en wellusteling te wezen. Een egoïst die niet anders zocht dan zijn genoegen.»Onrustig beweegt Frans zich op zijn stoel. Hij voelt zijn wangen gloeien.Jensen haalt de schouders op.«Zooals vanzelf spreekt», zegt hij achteloos, en zet zijn lorgnet weer op.«Zoo, vindt u dat?» antwoordt Frans met minachtende nadruk. «Ook als die man een huisvriend van haar voogd was—van haar oom? En zij voor die oom een onbeperkte vereering had? Die man had haar zulke idees gegeven.»«Dat maakt de zaak wel iets anders. Nu ja, maar …»Frans gaat onverschrokken voort: laat me uitspreken! raast het in hem.«Toen ze zag, dat ze … moeder zou worden,[95]heeft die «vriend» haar verlaten—de man, die ze als haar echtgenoot beschouwde. En nu onderhoudt ze haar kind zelf. Ze heeft en had eigen middelen, was volstrekt niet afhankelijk van de man met wie … ze leefde.»«Ze had niets op hem te verhalen: ’t was haar man niet.»«Maar, vader, een man van eer zal toch niet zoo een meisje in de steek laten, zelfs al had hij nooit van een huwelijk gesproken, in welke zin van ’t woord ook.»Jensen kijkt weer in de lucht.«Dat kan eraan liggen,» zegt hij.Frans verschuift driftig zijn eene voet. Dan, met groote stelligheid en nadruk, als uitdagend, antwoordt hij:«Een man, die een meisje zwanger maakt, draagt de verantwoordelijkheid voor zijn kind. Anders is ’t een ploert. Ik ken daar geen uitzondering op …»Jensen wendt even zijn blik naar zijn zoons gelaat, haalt de schouders op en glimlacht spottend. Dan kijkt hij naar zijn vrouw. Deze zit onderwijl met neergeslagen oogen, bleeker dan ooit, zenuwachtig druk te borduren, haar werkje dicht bij de oogen houdend om ’t schaarsche licht.Terwijl hij de beenen over elkaar slaat en naar[96]de wiebelende punt van zijn eene «molière» staart, hervat de advokaat:«Over jouw rechts-opvattingen zullen we ’t nu maar ’s niet hebben. Ik vind—en dat is hier de hoofdzaak—dat een vrouw als Juffrouw Van Zee.… geen partij voor jou is, om het zacht te zeggen. In geen geval, al is alles waar wat jij me van haar vertelt.»«Maar zeg u me nu toch ’s waarom!»Jensen staat driftig op.«Waarom? Waarom?» roept hij, «Wel, beroerde jongen, omdat ik ’t niet wil hebben, dat je met een hoer trouwt.»Mevrouw Jensen kijkt verschrikt eerst naar haar man, dan naar Frans.«Vader!» barst de laatste uit, eveneens opstaande. «Ik verzoek u dat woord onmiddellijk in te trekken» roept hij dreigend.«Groote God, dat wordt moord en doodslag!» mompelt zijn moeder huilerig.«Of?» sart Jensen.«Of.…» hervat Frans woest, met bliksemende oogen, bevend en rood van toorn «.… of ik sla u in uw gezicht!» Meteen brengt hij de rechterhand achteruit.Mevrouw Jensen springt op, en plaatst zich tusschen de mannen in:[97]«Frans, hoû je kalm!» jammert ze. «In Gods naam: vergeet niet, dat je je vader vóor je hebt!»«Goed, moeder, om u.… maar die man maakt me razend.» Dan weer tot de ander zegt hij iets kalmer:«Blijft u bij wat u gezegd heeft?»Jensen is onwillekeurig een pas achteruit gegaan.«Natuurlijk» antwoordt hij. «Maar dit mooie gesprek moet uit zijn. Ga naar je kamer.» En hij wijst naar de deur.De jonge man let er niet op.«Vader» zegt hij zich bedwingend, «’t spijt me, dat ik u in mijn drift beleedigd heb. Maar u beleedigt ook het liefste dat ik heb.… Wil u me nog even te woord staan?»[98]
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.«Daar is Dientje met de thee» hervat Mevrouw Jensen.«O» zegt de ander gemelijk.Een oude dienstbode, stemmig bleek en verflenst als haar meesteres, maar heel wat lijviger dan deze, komt geruischloos binnen. In haar handen draagt ze een groot blad met de«theeboel», waaraan ze een kolossale theemuts laat neerbengelen. Met de grootste bedaardheid zet ze het een en ander op de groote eikenhouten tafel, en dan de theemuts op de trekpot. Daarna zegt ze zacht, bijna fluisterend, alsof ze bang was, iemand wakker te maken, en zeer zelfvoldaan:«Mevrouw, hier is de thee. Ik heb ze maar vast gezet, weet u.» Ze kijkt nog even, verzet een kopje, geeft een tikje aan de theemuts. Haar meesteres ziet even op.«Meneer heb me gezegd, dat ie z’n thee op[83]z’n studeerkamer woû hebbe», hervat de gedienstige. «Zal ik maar een koppie inschenke?» Dralend blijft ze staan.«Goed, Dientje, ga je gang.»De oude dienstbode schenkt een groote porseleinen kop—«Meneer’s» kop—vol, doet er met afgemeten wel-overdachte stille bewegingen suiker en melk in, en wil dan met de kop thee heengaan.«Nee, Dientje,» valt Mevrouw in «je kunt gaan: ik zal de thee zelf wel aan Meneer brengen.»Dientje blijft nog dralen.«O ja,» zegt ze «dat’s waar ook: Meneer heb me ook gezegd, dat ik de jonge meneer moest roepe.» Even een moederlijke blik naar Frans: er is wat gaande, hoor—dat weet ze zoo vast «as ies». «Of de jonge meneer op de studeerkamer woû komme.»De bedoelde trekt zijn schouders op, en geeft een teeken aan zijn moeder.«Goed, Dientje, je kunt gaan», zegt de laatste.De oude dienstbode verdwijnt, niet zonder een meewarig hoofdschudden.«Daar heb je ’t al: vader wil me spreken!» roept de jonge man, als de deur achter Dientje dicht gegaan is.«Ik dacht al, dat het mis was», antwoordt zijn[84]moeder.«Als hij zijn thee op zijn studeerkamer wil hebben, weet ik al hoe laat het is.»«Ja maar, moeder, ik kan nu niet gaan! Ik wil vader nu nog niet over die zaak spreken. Ik ben met u nog niet klaar …»Mevrouw Jensen zucht diep.«Och jongen, wat heb je nu toch nog te zeggen? Ik weet immers alles!»«Nee, moeder, u heeft me nog lang niet laten uitspreken. En dan: ik zal me niet kunnen inhouden. Vader is zoo heftig: hij is dadelijk klaar met zijn beleedigingen. En dat kan ik niet uitstaan, moeder. Nu niet, in Gods naam nu niet!»«Goed, ik zal ’t hem zeggen. Goed, hoor, ik ga naar hem toe.»«Als ’t u belieft, moeder!… Morgen zal ik bedaarder wezen. Morgen …»Mevrouw Jensen staat op en neemt de volgeschonken kop van de tafel.«Goed, goed, ik zal mijn best doen. Ofschoon …»Zonder uit te spreken gaat ze de kamer uit.Frans staat van zijn stoel op, en begint heen en weer te stappen, nu en dan stilstaande, met hangend hoofd en de handen in zijn broekzakken.«Wat zal ’t geven?» denkt hij in arren moede. «Ik moet eraan gelooven. Die goeie moeder! Die maakt zich nog altijd illuzies met vader,[85]denkt nog altijd dat ze wat op hem uitwerken kan … Ellendige geschiedenis! Toch moet ik zien, dat ik kalm blijf, er hangt voor mij zooveel van af. En mijn tanden laten zien … ’t Is mijn vader, anders zou ik hem wel anders trakteeren. Die arme moeder laat zich altijd overdonderen. Als ze die man behoorlijk aanpakte, als ze niet zoo gedwee was, zou hij wel in zijn schulp kruipen … Ook een huwelijksleven dat van mijn ouders!»Onwillekeurig valt zijn oog op de portretten van beiden, in olieverf, nog uit de eerste tijden van hun huwelijk. Het zachte, vertrouwelijke gelaat zijner moeder, en het zoetsappige mooi-doenerige gezicht van haar echtgenoot daartegenover, doen hem thans de oogen afwenden, als deed het vereenigen dier twee beeltenissen in zijn blik hem zeer.«Hemel, als dat«heilige banden»zijn», peinst hij, «dan drukken ze wel zwaar.… op mijn moeder ten minste! En geven een erbarmelijk beetje zegen aan beiden!.…»Een gerucht van stemmen in de gang, die langs de huiskamer loopt, stoort hem even in zijn onrustige gedachten. Hij luistert, en hoort heftig redetwisten. Vooral de stem van zijn vader hoort hij erboven uit.[86]«Daar heb je ’t al!» mompelt hij, en zet zich weer op zijn vorige plaats, kwazi onverschillig, maar vol bange voorgevoelens, ondanks de inspanning, die hij zich geeft, om zich schrap te zetten tegen al wat er dreigt.De heer Jensen treedt bruusk binnen, onmiddellijk gevolgd door mevrouw, die zwijgend naar haar plaats bij de theeboel gaat. Nauw in de kamer wendt de eerste zich tot zijn zoon:«Wat hoor ik, Frans, dat je weigert bij me te komen?»Mevrouw Jensen, die, met haar rug naar haar man, bezig is op zenuwachtige wijze kopjes te verzetten en met lepeltjes te rinkelen, draait zich om.«Och, dat heeft-i niet gezegd, Jensen,» zegt ze klagerig.«Nee, vader,» valt de beschuldigde zelf in «ik had alleenverzocht, of u ons gesprek tot morgen woû uitstellen. Ik voel me wat van streek vandaag.…»In Frans’ toon klinkt duidelijk iets van zelfbedwang, om niet onvriendelijk te wezen.«Zoo», antwoordt zijn vader na een oogenblik zwijgen, nog steeds bij de deur en in staande houding. «Geen wonder, waarachtig! Maar je zult het nòg wel meer worden, dat beloof ik je.»[87]Er is iets sarrend scherps en kalms in zijn woorden.Frans, die zich niet verroerd heeft, kijkt voor ’t eerst zijn vader aan: wantrouwig van terzijde.«Wil u dan.…?» begint hij. Maar de ander laat hem niet uitspreken.«Ik wil jou leeren je vader te dwarsboomen» roept Jensen iets minder gemaakt-kalm. «Je vertikt het om bij me te komen. Dan kom ik hier. Maar hooren zul je wat ik te zeggen heb. Ik had het je moeder willen besparen; maar laat ze er nu maar bij zijn.… ’t Is eigenlijk wel goed, dat ze ’s alles hoort.»Frans haalt de schouders op; bijna onmerkbaar, zoodat het Jensen ontgaat. Deze neemt een stoel, en zet zich bij zijn zoon aan de tafel, met de beenen over elkaar. Vergeefs tracht hij diens blik te vangen: Frans kijkt vóor zich met gefronste wenkbrauwen, somber en in zichzelf gekeerd.Mevrouw Jensen voelt blijkbaar de electriciteit, die er in de lucht staat ontwikkeld te worden: ze is onrustig als een meeuw vóor de storm.«Zal ik je nog een kop thee inschenken, Jensen?.… en jij Frans, wil jij ook een kopje?» Ze weet nauwelijks wat ze zegt, is opgestaan en dribbelt en schokkelt nu langs het theeblad, laat een lepeltje vallen. Jensen, die er vlak bij zit,[88]laat het haar met een zware zucht oprapen.«Och, laat die thee maar,» zegt hij knorrig, «’t thee-uurtje wordt me hier nogal smakelijk gemaakt. Jij ook al met dat gezeur over Frans! Ik waarschuw je nu: geen woord tusschenbeide.» Hij kijkt scherp naar zijn vrouw, die hem de blik niet terug durft te geven. «Frans en ik hebben hier wat af te handelen, anders niemand. Jij luistert, nie’waar?»«Och moeder, laat u ons maar alleen,» zegt Frans meewarig en met verbeten ergernis.«Geen kwestie van,» valt Jensen in «Je blijft hier, erbij. Hier, ga hier zitten.» Hij wijst naar de sofa aan de andere kant van de tafel.Frans kijkt zijn vader met opgetrokken wenkbrauwen aan.Mevrouw Jensen gehoorzaamt makjes, zonder een woord; weer zwaar zuchtend. Haar echtgenoot wendt zich tot de mismoedige gestalte naast hem.«Ziezoo. Laat me nu’s hooren, veelbelovende zoon. Verklaar je nu’s.»«Ik heb niets te verklaren, vader», antwoordt de toegesprokene dof en zonder opkijken. «U hadmijiets te zeggen.…»«Best. Je ziet: ik ben meegaand genoeg. En toch zul je me nu’s moeten uitleggen, wat die[89]vriendschap»—hier een schamper lachje—«met die juffrouw Van Zee beteekent.»Frans slaat de blik op, hard koud en onverschrokken.«Die beteekent, dat ik juffrouw Van Zee hoogacht en liefheb, vader», zegt hij met groote ernst.Frans’ oogen hinderen Jensen, en hij tracht zijn ongemakkelijkheid onder een glimlachje te verbergen. Zijn toon wordt iets spottender.«Jawel, dat heb ik zoo begrepen. Jawel. En nu wil je’r zeker trouwen, niet?»«Dat is mijn wensch, vader, zeker. Dat is mijn vurigste wensch.» De woorden komen er met eenige ontroering uit.«En daarvoor reken je dan zeker op mijn medewerking en goedkeuring?» hervat Jensen.«Uw toon geeft me weinig hoop op iets daarvan. Toch wil ik u niet ontkennen, dat uw toestemming tot dat huwelijk me heel veel waard is.»Frans verschuift op zijn stoel, maakt een schraapgeluidje met zijn keel, en verzet zijn voeten op ’t tapijt.«Jawel» gaat de andere spreker voort «ze is je zooveel waard als ik je mee zou geven met je trouwen.»Tegen ’t sarrend bedaarde van zijn vaders toon geeft Frans kalmte terug, hoeveel zelfbeheersching[90]het hem ook kost. ’t Is om Marta, om Marta! Zijn hart bonst.«Dat is lang niet het voornaamste, vader», zegt hij toch met ietwat trillende stem.«Zoo, wat dan? Woû je beweren, dat je om ’t andere nog iets gaf? Je bent meerderjarig! Als je je nog iets aan mijn oordeel gestoord hadt, zou je die fraaievriendschap»—weer die spottende nadruk—«niet zes maanden voor mij verborgen gehouden hebben.»«Dat weet u wel precies. Ik kòn u daarover niet spreken. Ik zou maar onaangenaamheden met u gekregen hebben: u is dadelijk zoo heftig. En dan ook: ik woû niet, dat u leelijke veronderstellingen zou gaan maken over onze omgang.»«O juist. Dus je wil daarmee zeggen, dat die omgang onberispelijk was.»«Zonder twijfel. En dat was-ie.»Weer die koude rustige blik van Frans.Jensen slaat met de hand op zijn rechterknie.«En dat met zoo iemand!» roept hij gemaakt vroolijk. «Nee maar! Ha, ha, ha!»Bevend antwoordt Frans, worstelend met zijn toorn:«Vader, ik verzoek u dringend, me niet te kwetsen met uw spot. Als u mijn woorden niet[91]gelooft, hoef ik verder niets meer te zeggen.» Meteen wendt hij zich half om, van zijn vader af.Jensen acht het geraden, wat bij te draaien, en zijn toon wat minder scherp makend, antwoordt hij:«Je hebt gelijk: ik zal niet meer lachen.—We zullen nu ’s aannemen, dat je met die vriendin van je steeds op voet van zuivere vriendschap bent omgegaan …»«Datmoetu aannemen, vader!» roept Frans, zeer driftig.«Ik neem aan wat ik verkies. Of woû je soms, dat ik bij jou in de leer ging, ommenschenkennisop te doen?»«Waar ’t iemand geldt, dieik kenen u niet, zeker. Ik zeg u, dat er tusschen Juffrouw Van Zee en mij niets, hoegenaamdnietsbestaan heeft wat haar of mij tot een verwijt zou kunnen strekken.»«Nu goed, best. Je zult me dan toch toegeven, dat haar verleden er niet naar is, om je hooge gedachten van haar te geven?»De vraag, zoo schamper gesteld, brengt de jonge man een oogenblik in verlegenheid. Jensen ziet het met welgevallen.«Nou?» vraagt hij met een glimlach, die Frans onuitstaanbaar vindt, als deze niet dadelijk antwoordt.«Wat … weet u dan van haar?» brengt Frans uit.[92]Jensen leunt achterover in zijn stoel, en terwijl hij met de eene hand zijn gouden horloge-ketting spelend heen en weer beweegt en de andere tegen zijn kin houdt, zegt hij losweg en telkens afbrekend:«Wel, dit. Dat ze van de eerste dag af, dat ze in Luik studeerde een liefdesbetrekking had met een jongmensch van goeden huize—zij zelf is dat niet—dat ze zich door dat jongemensch heeft laten onderhouden—dat ze op een goeien dag van hem weggeloopen is—hm—en, toen ze later merkte»—hier kijkt de spreker in de lucht, over Frans’ hoofd heen—«dat ze inongezegende omstandigheden was, weer naar hem terugwoû—wat begrijpelijker wijze niet in de smaak viel van haar vroegerevriend,..Et il y avait de quoi!»Frans staart zijn vader aan. Het valt hem zelf op, dat hij nog nooit te voren zóó naar zijn vader gekeken heeft. Iedere trek van dat gelaat, hem toch zoo welbekend, schijnt hem nieuw—hatelijk nieuw: het hooge gladde voorhoofd met de ivoren welving daarboven en ’t schrale zorgvuldig gekamde sluike zwarte haar, grijs aan de slapen, de kleine bewegelijke donkere oogen, de dunne donkere wenkbrauwen, de welgedane blozende wangen, de scherpe neus, waarvan de neusvleugels mee schijnen te doen met de opwaartsche[93]spottrek der bovenlip, de vochtig glimmende roode onderlip, de glanzige knevel, nog zwart evenals de goed onderhouden puntbaard, de kleine platte ooren. Een geheel van banale mooiheid, van wereldsche zelfzorg, van mephisto-achtig cynisme …De vallende schemering bevordert een waarneming van Jensen’s uiterlijk, die ietwat vrij spel laat aan de verbeelding, al zit hij ook naar ’t vensterlicht gekeerd.Om zich een houding van welberaden bedaardheid te geven, neemt Jensen zijn lorgnet af en begint de glazen achteloos met zijn zakdoek te wrijven.Een flauwzoete geur walmt de jonge man in de neus.«Komaan, nu jij,» zegt zijn vader, druk wrijvend.«Vader, dat is van a tot z leugen en laster» brengt Frans eindelijk uit, met trillende stem, maar ieder woord onderschrappend. Zijn wenkbrauwen zijn strak-gefronst, en in ’t halve duister, dat zijn hoofd verdoezelt, vonken zijn oogen den ander tegen.«Dat beweer jij», hervat deze kalm «jij die de inlichtingen van haar zelf hebt …»«Ik kon ze van niemand beter krijgen, vader. Juffrouw Van Zee is de eerlijkheid zelf: ze heeft me vrijwillig alles verteld.»[94]«Zoo, laat ’s hooren.»«Dat ze die liefdesbetrekking gehad heeft, is waar, maar die kwam pas aan, toen ze een tijdje student was. Dan was die verhouding in haar oog eenhuwelijk, even heilig als eenig ander.»«Dan toch altijd een concubinaat. Hm.»«In haar opvatting niet, zeg ik u. En ook de man, die met haar ging samenleven beweerde die … opvatting als hooge ernst te beschouwen. Hij is gebleken een bedrieger en wellusteling te wezen. Een egoïst die niet anders zocht dan zijn genoegen.»Onrustig beweegt Frans zich op zijn stoel. Hij voelt zijn wangen gloeien.Jensen haalt de schouders op.«Zooals vanzelf spreekt», zegt hij achteloos, en zet zijn lorgnet weer op.«Zoo, vindt u dat?» antwoordt Frans met minachtende nadruk. «Ook als die man een huisvriend van haar voogd was—van haar oom? En zij voor die oom een onbeperkte vereering had? Die man had haar zulke idees gegeven.»«Dat maakt de zaak wel iets anders. Nu ja, maar …»Frans gaat onverschrokken voort: laat me uitspreken! raast het in hem.«Toen ze zag, dat ze … moeder zou worden,[95]heeft die «vriend» haar verlaten—de man, die ze als haar echtgenoot beschouwde. En nu onderhoudt ze haar kind zelf. Ze heeft en had eigen middelen, was volstrekt niet afhankelijk van de man met wie … ze leefde.»«Ze had niets op hem te verhalen: ’t was haar man niet.»«Maar, vader, een man van eer zal toch niet zoo een meisje in de steek laten, zelfs al had hij nooit van een huwelijk gesproken, in welke zin van ’t woord ook.»Jensen kijkt weer in de lucht.«Dat kan eraan liggen,» zegt hij.Frans verschuift driftig zijn eene voet. Dan, met groote stelligheid en nadruk, als uitdagend, antwoordt hij:«Een man, die een meisje zwanger maakt, draagt de verantwoordelijkheid voor zijn kind. Anders is ’t een ploert. Ik ken daar geen uitzondering op …»Jensen wendt even zijn blik naar zijn zoons gelaat, haalt de schouders op en glimlacht spottend. Dan kijkt hij naar zijn vrouw. Deze zit onderwijl met neergeslagen oogen, bleeker dan ooit, zenuwachtig druk te borduren, haar werkje dicht bij de oogen houdend om ’t schaarsche licht.Terwijl hij de beenen over elkaar slaat en naar[96]de wiebelende punt van zijn eene «molière» staart, hervat de advokaat:«Over jouw rechts-opvattingen zullen we ’t nu maar ’s niet hebben. Ik vind—en dat is hier de hoofdzaak—dat een vrouw als Juffrouw Van Zee.… geen partij voor jou is, om het zacht te zeggen. In geen geval, al is alles waar wat jij me van haar vertelt.»«Maar zeg u me nu toch ’s waarom!»Jensen staat driftig op.«Waarom? Waarom?» roept hij, «Wel, beroerde jongen, omdat ik ’t niet wil hebben, dat je met een hoer trouwt.»Mevrouw Jensen kijkt verschrikt eerst naar haar man, dan naar Frans.«Vader!» barst de laatste uit, eveneens opstaande. «Ik verzoek u dat woord onmiddellijk in te trekken» roept hij dreigend.«Groote God, dat wordt moord en doodslag!» mompelt zijn moeder huilerig.«Of?» sart Jensen.«Of.…» hervat Frans woest, met bliksemende oogen, bevend en rood van toorn «.… of ik sla u in uw gezicht!» Meteen brengt hij de rechterhand achteruit.Mevrouw Jensen springt op, en plaatst zich tusschen de mannen in:[97]«Frans, hoû je kalm!» jammert ze. «In Gods naam: vergeet niet, dat je je vader vóor je hebt!»«Goed, moeder, om u.… maar die man maakt me razend.» Dan weer tot de ander zegt hij iets kalmer:«Blijft u bij wat u gezegd heeft?»Jensen is onwillekeurig een pas achteruit gegaan.«Natuurlijk» antwoordt hij. «Maar dit mooie gesprek moet uit zijn. Ga naar je kamer.» En hij wijst naar de deur.De jonge man let er niet op.«Vader» zegt hij zich bedwingend, «’t spijt me, dat ik u in mijn drift beleedigd heb. Maar u beleedigt ook het liefste dat ik heb.… Wil u me nog even te woord staan?»[98]
HOOFDSTUK VII.
«Daar is Dientje met de thee» hervat Mevrouw Jensen.«O» zegt de ander gemelijk.Een oude dienstbode, stemmig bleek en verflenst als haar meesteres, maar heel wat lijviger dan deze, komt geruischloos binnen. In haar handen draagt ze een groot blad met de«theeboel», waaraan ze een kolossale theemuts laat neerbengelen. Met de grootste bedaardheid zet ze het een en ander op de groote eikenhouten tafel, en dan de theemuts op de trekpot. Daarna zegt ze zacht, bijna fluisterend, alsof ze bang was, iemand wakker te maken, en zeer zelfvoldaan:«Mevrouw, hier is de thee. Ik heb ze maar vast gezet, weet u.» Ze kijkt nog even, verzet een kopje, geeft een tikje aan de theemuts. Haar meesteres ziet even op.«Meneer heb me gezegd, dat ie z’n thee op[83]z’n studeerkamer woû hebbe», hervat de gedienstige. «Zal ik maar een koppie inschenke?» Dralend blijft ze staan.«Goed, Dientje, ga je gang.»De oude dienstbode schenkt een groote porseleinen kop—«Meneer’s» kop—vol, doet er met afgemeten wel-overdachte stille bewegingen suiker en melk in, en wil dan met de kop thee heengaan.«Nee, Dientje,» valt Mevrouw in «je kunt gaan: ik zal de thee zelf wel aan Meneer brengen.»Dientje blijft nog dralen.«O ja,» zegt ze «dat’s waar ook: Meneer heb me ook gezegd, dat ik de jonge meneer moest roepe.» Even een moederlijke blik naar Frans: er is wat gaande, hoor—dat weet ze zoo vast «as ies». «Of de jonge meneer op de studeerkamer woû komme.»De bedoelde trekt zijn schouders op, en geeft een teeken aan zijn moeder.«Goed, Dientje, je kunt gaan», zegt de laatste.De oude dienstbode verdwijnt, niet zonder een meewarig hoofdschudden.«Daar heb je ’t al: vader wil me spreken!» roept de jonge man, als de deur achter Dientje dicht gegaan is.«Ik dacht al, dat het mis was», antwoordt zijn[84]moeder.«Als hij zijn thee op zijn studeerkamer wil hebben, weet ik al hoe laat het is.»«Ja maar, moeder, ik kan nu niet gaan! Ik wil vader nu nog niet over die zaak spreken. Ik ben met u nog niet klaar …»Mevrouw Jensen zucht diep.«Och jongen, wat heb je nu toch nog te zeggen? Ik weet immers alles!»«Nee, moeder, u heeft me nog lang niet laten uitspreken. En dan: ik zal me niet kunnen inhouden. Vader is zoo heftig: hij is dadelijk klaar met zijn beleedigingen. En dat kan ik niet uitstaan, moeder. Nu niet, in Gods naam nu niet!»«Goed, ik zal ’t hem zeggen. Goed, hoor, ik ga naar hem toe.»«Als ’t u belieft, moeder!… Morgen zal ik bedaarder wezen. Morgen …»Mevrouw Jensen staat op en neemt de volgeschonken kop van de tafel.«Goed, goed, ik zal mijn best doen. Ofschoon …»Zonder uit te spreken gaat ze de kamer uit.Frans staat van zijn stoel op, en begint heen en weer te stappen, nu en dan stilstaande, met hangend hoofd en de handen in zijn broekzakken.«Wat zal ’t geven?» denkt hij in arren moede. «Ik moet eraan gelooven. Die goeie moeder! Die maakt zich nog altijd illuzies met vader,[85]denkt nog altijd dat ze wat op hem uitwerken kan … Ellendige geschiedenis! Toch moet ik zien, dat ik kalm blijf, er hangt voor mij zooveel van af. En mijn tanden laten zien … ’t Is mijn vader, anders zou ik hem wel anders trakteeren. Die arme moeder laat zich altijd overdonderen. Als ze die man behoorlijk aanpakte, als ze niet zoo gedwee was, zou hij wel in zijn schulp kruipen … Ook een huwelijksleven dat van mijn ouders!»Onwillekeurig valt zijn oog op de portretten van beiden, in olieverf, nog uit de eerste tijden van hun huwelijk. Het zachte, vertrouwelijke gelaat zijner moeder, en het zoetsappige mooi-doenerige gezicht van haar echtgenoot daartegenover, doen hem thans de oogen afwenden, als deed het vereenigen dier twee beeltenissen in zijn blik hem zeer.«Hemel, als dat«heilige banden»zijn», peinst hij, «dan drukken ze wel zwaar.… op mijn moeder ten minste! En geven een erbarmelijk beetje zegen aan beiden!.…»Een gerucht van stemmen in de gang, die langs de huiskamer loopt, stoort hem even in zijn onrustige gedachten. Hij luistert, en hoort heftig redetwisten. Vooral de stem van zijn vader hoort hij erboven uit.[86]«Daar heb je ’t al!» mompelt hij, en zet zich weer op zijn vorige plaats, kwazi onverschillig, maar vol bange voorgevoelens, ondanks de inspanning, die hij zich geeft, om zich schrap te zetten tegen al wat er dreigt.De heer Jensen treedt bruusk binnen, onmiddellijk gevolgd door mevrouw, die zwijgend naar haar plaats bij de theeboel gaat. Nauw in de kamer wendt de eerste zich tot zijn zoon:«Wat hoor ik, Frans, dat je weigert bij me te komen?»Mevrouw Jensen, die, met haar rug naar haar man, bezig is op zenuwachtige wijze kopjes te verzetten en met lepeltjes te rinkelen, draait zich om.«Och, dat heeft-i niet gezegd, Jensen,» zegt ze klagerig.«Nee, vader,» valt de beschuldigde zelf in «ik had alleenverzocht, of u ons gesprek tot morgen woû uitstellen. Ik voel me wat van streek vandaag.…»In Frans’ toon klinkt duidelijk iets van zelfbedwang, om niet onvriendelijk te wezen.«Zoo», antwoordt zijn vader na een oogenblik zwijgen, nog steeds bij de deur en in staande houding. «Geen wonder, waarachtig! Maar je zult het nòg wel meer worden, dat beloof ik je.»[87]Er is iets sarrend scherps en kalms in zijn woorden.Frans, die zich niet verroerd heeft, kijkt voor ’t eerst zijn vader aan: wantrouwig van terzijde.«Wil u dan.…?» begint hij. Maar de ander laat hem niet uitspreken.«Ik wil jou leeren je vader te dwarsboomen» roept Jensen iets minder gemaakt-kalm. «Je vertikt het om bij me te komen. Dan kom ik hier. Maar hooren zul je wat ik te zeggen heb. Ik had het je moeder willen besparen; maar laat ze er nu maar bij zijn.… ’t Is eigenlijk wel goed, dat ze ’s alles hoort.»Frans haalt de schouders op; bijna onmerkbaar, zoodat het Jensen ontgaat. Deze neemt een stoel, en zet zich bij zijn zoon aan de tafel, met de beenen over elkaar. Vergeefs tracht hij diens blik te vangen: Frans kijkt vóor zich met gefronste wenkbrauwen, somber en in zichzelf gekeerd.Mevrouw Jensen voelt blijkbaar de electriciteit, die er in de lucht staat ontwikkeld te worden: ze is onrustig als een meeuw vóor de storm.«Zal ik je nog een kop thee inschenken, Jensen?.… en jij Frans, wil jij ook een kopje?» Ze weet nauwelijks wat ze zegt, is opgestaan en dribbelt en schokkelt nu langs het theeblad, laat een lepeltje vallen. Jensen, die er vlak bij zit,[88]laat het haar met een zware zucht oprapen.«Och, laat die thee maar,» zegt hij knorrig, «’t thee-uurtje wordt me hier nogal smakelijk gemaakt. Jij ook al met dat gezeur over Frans! Ik waarschuw je nu: geen woord tusschenbeide.» Hij kijkt scherp naar zijn vrouw, die hem de blik niet terug durft te geven. «Frans en ik hebben hier wat af te handelen, anders niemand. Jij luistert, nie’waar?»«Och moeder, laat u ons maar alleen,» zegt Frans meewarig en met verbeten ergernis.«Geen kwestie van,» valt Jensen in «Je blijft hier, erbij. Hier, ga hier zitten.» Hij wijst naar de sofa aan de andere kant van de tafel.Frans kijkt zijn vader met opgetrokken wenkbrauwen aan.Mevrouw Jensen gehoorzaamt makjes, zonder een woord; weer zwaar zuchtend. Haar echtgenoot wendt zich tot de mismoedige gestalte naast hem.«Ziezoo. Laat me nu’s hooren, veelbelovende zoon. Verklaar je nu’s.»«Ik heb niets te verklaren, vader», antwoordt de toegesprokene dof en zonder opkijken. «U hadmijiets te zeggen.…»«Best. Je ziet: ik ben meegaand genoeg. En toch zul je me nu’s moeten uitleggen, wat die[89]vriendschap»—hier een schamper lachje—«met die juffrouw Van Zee beteekent.»Frans slaat de blik op, hard koud en onverschrokken.«Die beteekent, dat ik juffrouw Van Zee hoogacht en liefheb, vader», zegt hij met groote ernst.Frans’ oogen hinderen Jensen, en hij tracht zijn ongemakkelijkheid onder een glimlachje te verbergen. Zijn toon wordt iets spottender.«Jawel, dat heb ik zoo begrepen. Jawel. En nu wil je’r zeker trouwen, niet?»«Dat is mijn wensch, vader, zeker. Dat is mijn vurigste wensch.» De woorden komen er met eenige ontroering uit.«En daarvoor reken je dan zeker op mijn medewerking en goedkeuring?» hervat Jensen.«Uw toon geeft me weinig hoop op iets daarvan. Toch wil ik u niet ontkennen, dat uw toestemming tot dat huwelijk me heel veel waard is.»Frans verschuift op zijn stoel, maakt een schraapgeluidje met zijn keel, en verzet zijn voeten op ’t tapijt.«Jawel» gaat de andere spreker voort «ze is je zooveel waard als ik je mee zou geven met je trouwen.»Tegen ’t sarrend bedaarde van zijn vaders toon geeft Frans kalmte terug, hoeveel zelfbeheersching[90]het hem ook kost. ’t Is om Marta, om Marta! Zijn hart bonst.«Dat is lang niet het voornaamste, vader», zegt hij toch met ietwat trillende stem.«Zoo, wat dan? Woû je beweren, dat je om ’t andere nog iets gaf? Je bent meerderjarig! Als je je nog iets aan mijn oordeel gestoord hadt, zou je die fraaievriendschap»—weer die spottende nadruk—«niet zes maanden voor mij verborgen gehouden hebben.»«Dat weet u wel precies. Ik kòn u daarover niet spreken. Ik zou maar onaangenaamheden met u gekregen hebben: u is dadelijk zoo heftig. En dan ook: ik woû niet, dat u leelijke veronderstellingen zou gaan maken over onze omgang.»«O juist. Dus je wil daarmee zeggen, dat die omgang onberispelijk was.»«Zonder twijfel. En dat was-ie.»Weer die koude rustige blik van Frans.Jensen slaat met de hand op zijn rechterknie.«En dat met zoo iemand!» roept hij gemaakt vroolijk. «Nee maar! Ha, ha, ha!»Bevend antwoordt Frans, worstelend met zijn toorn:«Vader, ik verzoek u dringend, me niet te kwetsen met uw spot. Als u mijn woorden niet[91]gelooft, hoef ik verder niets meer te zeggen.» Meteen wendt hij zich half om, van zijn vader af.Jensen acht het geraden, wat bij te draaien, en zijn toon wat minder scherp makend, antwoordt hij:«Je hebt gelijk: ik zal niet meer lachen.—We zullen nu ’s aannemen, dat je met die vriendin van je steeds op voet van zuivere vriendschap bent omgegaan …»«Datmoetu aannemen, vader!» roept Frans, zeer driftig.«Ik neem aan wat ik verkies. Of woû je soms, dat ik bij jou in de leer ging, ommenschenkennisop te doen?»«Waar ’t iemand geldt, dieik kenen u niet, zeker. Ik zeg u, dat er tusschen Juffrouw Van Zee en mij niets, hoegenaamdnietsbestaan heeft wat haar of mij tot een verwijt zou kunnen strekken.»«Nu goed, best. Je zult me dan toch toegeven, dat haar verleden er niet naar is, om je hooge gedachten van haar te geven?»De vraag, zoo schamper gesteld, brengt de jonge man een oogenblik in verlegenheid. Jensen ziet het met welgevallen.«Nou?» vraagt hij met een glimlach, die Frans onuitstaanbaar vindt, als deze niet dadelijk antwoordt.«Wat … weet u dan van haar?» brengt Frans uit.[92]Jensen leunt achterover in zijn stoel, en terwijl hij met de eene hand zijn gouden horloge-ketting spelend heen en weer beweegt en de andere tegen zijn kin houdt, zegt hij losweg en telkens afbrekend:«Wel, dit. Dat ze van de eerste dag af, dat ze in Luik studeerde een liefdesbetrekking had met een jongmensch van goeden huize—zij zelf is dat niet—dat ze zich door dat jongemensch heeft laten onderhouden—dat ze op een goeien dag van hem weggeloopen is—hm—en, toen ze later merkte»—hier kijkt de spreker in de lucht, over Frans’ hoofd heen—«dat ze inongezegende omstandigheden was, weer naar hem terugwoû—wat begrijpelijker wijze niet in de smaak viel van haar vroegerevriend,..Et il y avait de quoi!»Frans staart zijn vader aan. Het valt hem zelf op, dat hij nog nooit te voren zóó naar zijn vader gekeken heeft. Iedere trek van dat gelaat, hem toch zoo welbekend, schijnt hem nieuw—hatelijk nieuw: het hooge gladde voorhoofd met de ivoren welving daarboven en ’t schrale zorgvuldig gekamde sluike zwarte haar, grijs aan de slapen, de kleine bewegelijke donkere oogen, de dunne donkere wenkbrauwen, de welgedane blozende wangen, de scherpe neus, waarvan de neusvleugels mee schijnen te doen met de opwaartsche[93]spottrek der bovenlip, de vochtig glimmende roode onderlip, de glanzige knevel, nog zwart evenals de goed onderhouden puntbaard, de kleine platte ooren. Een geheel van banale mooiheid, van wereldsche zelfzorg, van mephisto-achtig cynisme …De vallende schemering bevordert een waarneming van Jensen’s uiterlijk, die ietwat vrij spel laat aan de verbeelding, al zit hij ook naar ’t vensterlicht gekeerd.Om zich een houding van welberaden bedaardheid te geven, neemt Jensen zijn lorgnet af en begint de glazen achteloos met zijn zakdoek te wrijven.Een flauwzoete geur walmt de jonge man in de neus.«Komaan, nu jij,» zegt zijn vader, druk wrijvend.«Vader, dat is van a tot z leugen en laster» brengt Frans eindelijk uit, met trillende stem, maar ieder woord onderschrappend. Zijn wenkbrauwen zijn strak-gefronst, en in ’t halve duister, dat zijn hoofd verdoezelt, vonken zijn oogen den ander tegen.«Dat beweer jij», hervat deze kalm «jij die de inlichtingen van haar zelf hebt …»«Ik kon ze van niemand beter krijgen, vader. Juffrouw Van Zee is de eerlijkheid zelf: ze heeft me vrijwillig alles verteld.»[94]«Zoo, laat ’s hooren.»«Dat ze die liefdesbetrekking gehad heeft, is waar, maar die kwam pas aan, toen ze een tijdje student was. Dan was die verhouding in haar oog eenhuwelijk, even heilig als eenig ander.»«Dan toch altijd een concubinaat. Hm.»«In haar opvatting niet, zeg ik u. En ook de man, die met haar ging samenleven beweerde die … opvatting als hooge ernst te beschouwen. Hij is gebleken een bedrieger en wellusteling te wezen. Een egoïst die niet anders zocht dan zijn genoegen.»Onrustig beweegt Frans zich op zijn stoel. Hij voelt zijn wangen gloeien.Jensen haalt de schouders op.«Zooals vanzelf spreekt», zegt hij achteloos, en zet zijn lorgnet weer op.«Zoo, vindt u dat?» antwoordt Frans met minachtende nadruk. «Ook als die man een huisvriend van haar voogd was—van haar oom? En zij voor die oom een onbeperkte vereering had? Die man had haar zulke idees gegeven.»«Dat maakt de zaak wel iets anders. Nu ja, maar …»Frans gaat onverschrokken voort: laat me uitspreken! raast het in hem.«Toen ze zag, dat ze … moeder zou worden,[95]heeft die «vriend» haar verlaten—de man, die ze als haar echtgenoot beschouwde. En nu onderhoudt ze haar kind zelf. Ze heeft en had eigen middelen, was volstrekt niet afhankelijk van de man met wie … ze leefde.»«Ze had niets op hem te verhalen: ’t was haar man niet.»«Maar, vader, een man van eer zal toch niet zoo een meisje in de steek laten, zelfs al had hij nooit van een huwelijk gesproken, in welke zin van ’t woord ook.»Jensen kijkt weer in de lucht.«Dat kan eraan liggen,» zegt hij.Frans verschuift driftig zijn eene voet. Dan, met groote stelligheid en nadruk, als uitdagend, antwoordt hij:«Een man, die een meisje zwanger maakt, draagt de verantwoordelijkheid voor zijn kind. Anders is ’t een ploert. Ik ken daar geen uitzondering op …»Jensen wendt even zijn blik naar zijn zoons gelaat, haalt de schouders op en glimlacht spottend. Dan kijkt hij naar zijn vrouw. Deze zit onderwijl met neergeslagen oogen, bleeker dan ooit, zenuwachtig druk te borduren, haar werkje dicht bij de oogen houdend om ’t schaarsche licht.Terwijl hij de beenen over elkaar slaat en naar[96]de wiebelende punt van zijn eene «molière» staart, hervat de advokaat:«Over jouw rechts-opvattingen zullen we ’t nu maar ’s niet hebben. Ik vind—en dat is hier de hoofdzaak—dat een vrouw als Juffrouw Van Zee.… geen partij voor jou is, om het zacht te zeggen. In geen geval, al is alles waar wat jij me van haar vertelt.»«Maar zeg u me nu toch ’s waarom!»Jensen staat driftig op.«Waarom? Waarom?» roept hij, «Wel, beroerde jongen, omdat ik ’t niet wil hebben, dat je met een hoer trouwt.»Mevrouw Jensen kijkt verschrikt eerst naar haar man, dan naar Frans.«Vader!» barst de laatste uit, eveneens opstaande. «Ik verzoek u dat woord onmiddellijk in te trekken» roept hij dreigend.«Groote God, dat wordt moord en doodslag!» mompelt zijn moeder huilerig.«Of?» sart Jensen.«Of.…» hervat Frans woest, met bliksemende oogen, bevend en rood van toorn «.… of ik sla u in uw gezicht!» Meteen brengt hij de rechterhand achteruit.Mevrouw Jensen springt op, en plaatst zich tusschen de mannen in:[97]«Frans, hoû je kalm!» jammert ze. «In Gods naam: vergeet niet, dat je je vader vóor je hebt!»«Goed, moeder, om u.… maar die man maakt me razend.» Dan weer tot de ander zegt hij iets kalmer:«Blijft u bij wat u gezegd heeft?»Jensen is onwillekeurig een pas achteruit gegaan.«Natuurlijk» antwoordt hij. «Maar dit mooie gesprek moet uit zijn. Ga naar je kamer.» En hij wijst naar de deur.De jonge man let er niet op.«Vader» zegt hij zich bedwingend, «’t spijt me, dat ik u in mijn drift beleedigd heb. Maar u beleedigt ook het liefste dat ik heb.… Wil u me nog even te woord staan?»[98]
«Daar is Dientje met de thee» hervat Mevrouw Jensen.
«O» zegt de ander gemelijk.
Een oude dienstbode, stemmig bleek en verflenst als haar meesteres, maar heel wat lijviger dan deze, komt geruischloos binnen. In haar handen draagt ze een groot blad met de«theeboel», waaraan ze een kolossale theemuts laat neerbengelen. Met de grootste bedaardheid zet ze het een en ander op de groote eikenhouten tafel, en dan de theemuts op de trekpot. Daarna zegt ze zacht, bijna fluisterend, alsof ze bang was, iemand wakker te maken, en zeer zelfvoldaan:
«Mevrouw, hier is de thee. Ik heb ze maar vast gezet, weet u.» Ze kijkt nog even, verzet een kopje, geeft een tikje aan de theemuts. Haar meesteres ziet even op.
«Meneer heb me gezegd, dat ie z’n thee op[83]z’n studeerkamer woû hebbe», hervat de gedienstige. «Zal ik maar een koppie inschenke?» Dralend blijft ze staan.
«Goed, Dientje, ga je gang.»
De oude dienstbode schenkt een groote porseleinen kop—«Meneer’s» kop—vol, doet er met afgemeten wel-overdachte stille bewegingen suiker en melk in, en wil dan met de kop thee heengaan.
«Nee, Dientje,» valt Mevrouw in «je kunt gaan: ik zal de thee zelf wel aan Meneer brengen.»
Dientje blijft nog dralen.
«O ja,» zegt ze «dat’s waar ook: Meneer heb me ook gezegd, dat ik de jonge meneer moest roepe.» Even een moederlijke blik naar Frans: er is wat gaande, hoor—dat weet ze zoo vast «as ies». «Of de jonge meneer op de studeerkamer woû komme.»
De bedoelde trekt zijn schouders op, en geeft een teeken aan zijn moeder.
«Goed, Dientje, je kunt gaan», zegt de laatste.
De oude dienstbode verdwijnt, niet zonder een meewarig hoofdschudden.
«Daar heb je ’t al: vader wil me spreken!» roept de jonge man, als de deur achter Dientje dicht gegaan is.
«Ik dacht al, dat het mis was», antwoordt zijn[84]moeder.«Als hij zijn thee op zijn studeerkamer wil hebben, weet ik al hoe laat het is.»
«Ja maar, moeder, ik kan nu niet gaan! Ik wil vader nu nog niet over die zaak spreken. Ik ben met u nog niet klaar …»
Mevrouw Jensen zucht diep.
«Och jongen, wat heb je nu toch nog te zeggen? Ik weet immers alles!»
«Nee, moeder, u heeft me nog lang niet laten uitspreken. En dan: ik zal me niet kunnen inhouden. Vader is zoo heftig: hij is dadelijk klaar met zijn beleedigingen. En dat kan ik niet uitstaan, moeder. Nu niet, in Gods naam nu niet!»
«Goed, ik zal ’t hem zeggen. Goed, hoor, ik ga naar hem toe.»
«Als ’t u belieft, moeder!… Morgen zal ik bedaarder wezen. Morgen …»
Mevrouw Jensen staat op en neemt de volgeschonken kop van de tafel.
«Goed, goed, ik zal mijn best doen. Ofschoon …»
Zonder uit te spreken gaat ze de kamer uit.
Frans staat van zijn stoel op, en begint heen en weer te stappen, nu en dan stilstaande, met hangend hoofd en de handen in zijn broekzakken.
«Wat zal ’t geven?» denkt hij in arren moede. «Ik moet eraan gelooven. Die goeie moeder! Die maakt zich nog altijd illuzies met vader,[85]denkt nog altijd dat ze wat op hem uitwerken kan … Ellendige geschiedenis! Toch moet ik zien, dat ik kalm blijf, er hangt voor mij zooveel van af. En mijn tanden laten zien … ’t Is mijn vader, anders zou ik hem wel anders trakteeren. Die arme moeder laat zich altijd overdonderen. Als ze die man behoorlijk aanpakte, als ze niet zoo gedwee was, zou hij wel in zijn schulp kruipen … Ook een huwelijksleven dat van mijn ouders!»
Onwillekeurig valt zijn oog op de portretten van beiden, in olieverf, nog uit de eerste tijden van hun huwelijk. Het zachte, vertrouwelijke gelaat zijner moeder, en het zoetsappige mooi-doenerige gezicht van haar echtgenoot daartegenover, doen hem thans de oogen afwenden, als deed het vereenigen dier twee beeltenissen in zijn blik hem zeer.
«Hemel, als dat«heilige banden»zijn», peinst hij, «dan drukken ze wel zwaar.… op mijn moeder ten minste! En geven een erbarmelijk beetje zegen aan beiden!.…»
Een gerucht van stemmen in de gang, die langs de huiskamer loopt, stoort hem even in zijn onrustige gedachten. Hij luistert, en hoort heftig redetwisten. Vooral de stem van zijn vader hoort hij erboven uit.[86]
«Daar heb je ’t al!» mompelt hij, en zet zich weer op zijn vorige plaats, kwazi onverschillig, maar vol bange voorgevoelens, ondanks de inspanning, die hij zich geeft, om zich schrap te zetten tegen al wat er dreigt.
De heer Jensen treedt bruusk binnen, onmiddellijk gevolgd door mevrouw, die zwijgend naar haar plaats bij de theeboel gaat. Nauw in de kamer wendt de eerste zich tot zijn zoon:
«Wat hoor ik, Frans, dat je weigert bij me te komen?»
Mevrouw Jensen, die, met haar rug naar haar man, bezig is op zenuwachtige wijze kopjes te verzetten en met lepeltjes te rinkelen, draait zich om.
«Och, dat heeft-i niet gezegd, Jensen,» zegt ze klagerig.
«Nee, vader,» valt de beschuldigde zelf in «ik had alleenverzocht, of u ons gesprek tot morgen woû uitstellen. Ik voel me wat van streek vandaag.…»
In Frans’ toon klinkt duidelijk iets van zelfbedwang, om niet onvriendelijk te wezen.
«Zoo», antwoordt zijn vader na een oogenblik zwijgen, nog steeds bij de deur en in staande houding. «Geen wonder, waarachtig! Maar je zult het nòg wel meer worden, dat beloof ik je.»[87]
Er is iets sarrend scherps en kalms in zijn woorden.
Frans, die zich niet verroerd heeft, kijkt voor ’t eerst zijn vader aan: wantrouwig van terzijde.
«Wil u dan.…?» begint hij. Maar de ander laat hem niet uitspreken.
«Ik wil jou leeren je vader te dwarsboomen» roept Jensen iets minder gemaakt-kalm. «Je vertikt het om bij me te komen. Dan kom ik hier. Maar hooren zul je wat ik te zeggen heb. Ik had het je moeder willen besparen; maar laat ze er nu maar bij zijn.… ’t Is eigenlijk wel goed, dat ze ’s alles hoort.»
Frans haalt de schouders op; bijna onmerkbaar, zoodat het Jensen ontgaat. Deze neemt een stoel, en zet zich bij zijn zoon aan de tafel, met de beenen over elkaar. Vergeefs tracht hij diens blik te vangen: Frans kijkt vóor zich met gefronste wenkbrauwen, somber en in zichzelf gekeerd.
Mevrouw Jensen voelt blijkbaar de electriciteit, die er in de lucht staat ontwikkeld te worden: ze is onrustig als een meeuw vóor de storm.
«Zal ik je nog een kop thee inschenken, Jensen?.… en jij Frans, wil jij ook een kopje?» Ze weet nauwelijks wat ze zegt, is opgestaan en dribbelt en schokkelt nu langs het theeblad, laat een lepeltje vallen. Jensen, die er vlak bij zit,[88]laat het haar met een zware zucht oprapen.
«Och, laat die thee maar,» zegt hij knorrig, «’t thee-uurtje wordt me hier nogal smakelijk gemaakt. Jij ook al met dat gezeur over Frans! Ik waarschuw je nu: geen woord tusschenbeide.» Hij kijkt scherp naar zijn vrouw, die hem de blik niet terug durft te geven. «Frans en ik hebben hier wat af te handelen, anders niemand. Jij luistert, nie’waar?»
«Och moeder, laat u ons maar alleen,» zegt Frans meewarig en met verbeten ergernis.
«Geen kwestie van,» valt Jensen in «Je blijft hier, erbij. Hier, ga hier zitten.» Hij wijst naar de sofa aan de andere kant van de tafel.
Frans kijkt zijn vader met opgetrokken wenkbrauwen aan.
Mevrouw Jensen gehoorzaamt makjes, zonder een woord; weer zwaar zuchtend. Haar echtgenoot wendt zich tot de mismoedige gestalte naast hem.
«Ziezoo. Laat me nu’s hooren, veelbelovende zoon. Verklaar je nu’s.»
«Ik heb niets te verklaren, vader», antwoordt de toegesprokene dof en zonder opkijken. «U hadmijiets te zeggen.…»
«Best. Je ziet: ik ben meegaand genoeg. En toch zul je me nu’s moeten uitleggen, wat die[89]vriendschap»—hier een schamper lachje—«met die juffrouw Van Zee beteekent.»
Frans slaat de blik op, hard koud en onverschrokken.
«Die beteekent, dat ik juffrouw Van Zee hoogacht en liefheb, vader», zegt hij met groote ernst.
Frans’ oogen hinderen Jensen, en hij tracht zijn ongemakkelijkheid onder een glimlachje te verbergen. Zijn toon wordt iets spottender.
«Jawel, dat heb ik zoo begrepen. Jawel. En nu wil je’r zeker trouwen, niet?»
«Dat is mijn wensch, vader, zeker. Dat is mijn vurigste wensch.» De woorden komen er met eenige ontroering uit.
«En daarvoor reken je dan zeker op mijn medewerking en goedkeuring?» hervat Jensen.
«Uw toon geeft me weinig hoop op iets daarvan. Toch wil ik u niet ontkennen, dat uw toestemming tot dat huwelijk me heel veel waard is.»
Frans verschuift op zijn stoel, maakt een schraapgeluidje met zijn keel, en verzet zijn voeten op ’t tapijt.
«Jawel» gaat de andere spreker voort «ze is je zooveel waard als ik je mee zou geven met je trouwen.»
Tegen ’t sarrend bedaarde van zijn vaders toon geeft Frans kalmte terug, hoeveel zelfbeheersching[90]het hem ook kost. ’t Is om Marta, om Marta! Zijn hart bonst.
«Dat is lang niet het voornaamste, vader», zegt hij toch met ietwat trillende stem.
«Zoo, wat dan? Woû je beweren, dat je om ’t andere nog iets gaf? Je bent meerderjarig! Als je je nog iets aan mijn oordeel gestoord hadt, zou je die fraaievriendschap»—weer die spottende nadruk—«niet zes maanden voor mij verborgen gehouden hebben.»
«Dat weet u wel precies. Ik kòn u daarover niet spreken. Ik zou maar onaangenaamheden met u gekregen hebben: u is dadelijk zoo heftig. En dan ook: ik woû niet, dat u leelijke veronderstellingen zou gaan maken over onze omgang.»
«O juist. Dus je wil daarmee zeggen, dat die omgang onberispelijk was.»
«Zonder twijfel. En dat was-ie.»
Weer die koude rustige blik van Frans.
Jensen slaat met de hand op zijn rechterknie.
«En dat met zoo iemand!» roept hij gemaakt vroolijk. «Nee maar! Ha, ha, ha!»
Bevend antwoordt Frans, worstelend met zijn toorn:
«Vader, ik verzoek u dringend, me niet te kwetsen met uw spot. Als u mijn woorden niet[91]gelooft, hoef ik verder niets meer te zeggen.» Meteen wendt hij zich half om, van zijn vader af.
Jensen acht het geraden, wat bij te draaien, en zijn toon wat minder scherp makend, antwoordt hij:
«Je hebt gelijk: ik zal niet meer lachen.—We zullen nu ’s aannemen, dat je met die vriendin van je steeds op voet van zuivere vriendschap bent omgegaan …»
«Datmoetu aannemen, vader!» roept Frans, zeer driftig.
«Ik neem aan wat ik verkies. Of woû je soms, dat ik bij jou in de leer ging, ommenschenkennisop te doen?»
«Waar ’t iemand geldt, dieik kenen u niet, zeker. Ik zeg u, dat er tusschen Juffrouw Van Zee en mij niets, hoegenaamdnietsbestaan heeft wat haar of mij tot een verwijt zou kunnen strekken.»
«Nu goed, best. Je zult me dan toch toegeven, dat haar verleden er niet naar is, om je hooge gedachten van haar te geven?»
De vraag, zoo schamper gesteld, brengt de jonge man een oogenblik in verlegenheid. Jensen ziet het met welgevallen.
«Nou?» vraagt hij met een glimlach, die Frans onuitstaanbaar vindt, als deze niet dadelijk antwoordt.
«Wat … weet u dan van haar?» brengt Frans uit.[92]
Jensen leunt achterover in zijn stoel, en terwijl hij met de eene hand zijn gouden horloge-ketting spelend heen en weer beweegt en de andere tegen zijn kin houdt, zegt hij losweg en telkens afbrekend:
«Wel, dit. Dat ze van de eerste dag af, dat ze in Luik studeerde een liefdesbetrekking had met een jongmensch van goeden huize—zij zelf is dat niet—dat ze zich door dat jongemensch heeft laten onderhouden—dat ze op een goeien dag van hem weggeloopen is—hm—en, toen ze later merkte»—hier kijkt de spreker in de lucht, over Frans’ hoofd heen—«dat ze inongezegende omstandigheden was, weer naar hem terugwoû—wat begrijpelijker wijze niet in de smaak viel van haar vroegerevriend,..Et il y avait de quoi!»
Frans staart zijn vader aan. Het valt hem zelf op, dat hij nog nooit te voren zóó naar zijn vader gekeken heeft. Iedere trek van dat gelaat, hem toch zoo welbekend, schijnt hem nieuw—hatelijk nieuw: het hooge gladde voorhoofd met de ivoren welving daarboven en ’t schrale zorgvuldig gekamde sluike zwarte haar, grijs aan de slapen, de kleine bewegelijke donkere oogen, de dunne donkere wenkbrauwen, de welgedane blozende wangen, de scherpe neus, waarvan de neusvleugels mee schijnen te doen met de opwaartsche[93]spottrek der bovenlip, de vochtig glimmende roode onderlip, de glanzige knevel, nog zwart evenals de goed onderhouden puntbaard, de kleine platte ooren. Een geheel van banale mooiheid, van wereldsche zelfzorg, van mephisto-achtig cynisme …
De vallende schemering bevordert een waarneming van Jensen’s uiterlijk, die ietwat vrij spel laat aan de verbeelding, al zit hij ook naar ’t vensterlicht gekeerd.
Om zich een houding van welberaden bedaardheid te geven, neemt Jensen zijn lorgnet af en begint de glazen achteloos met zijn zakdoek te wrijven.
Een flauwzoete geur walmt de jonge man in de neus.
«Komaan, nu jij,» zegt zijn vader, druk wrijvend.
«Vader, dat is van a tot z leugen en laster» brengt Frans eindelijk uit, met trillende stem, maar ieder woord onderschrappend. Zijn wenkbrauwen zijn strak-gefronst, en in ’t halve duister, dat zijn hoofd verdoezelt, vonken zijn oogen den ander tegen.
«Dat beweer jij», hervat deze kalm «jij die de inlichtingen van haar zelf hebt …»
«Ik kon ze van niemand beter krijgen, vader. Juffrouw Van Zee is de eerlijkheid zelf: ze heeft me vrijwillig alles verteld.»[94]
«Zoo, laat ’s hooren.»
«Dat ze die liefdesbetrekking gehad heeft, is waar, maar die kwam pas aan, toen ze een tijdje student was. Dan was die verhouding in haar oog eenhuwelijk, even heilig als eenig ander.»
«Dan toch altijd een concubinaat. Hm.»
«In haar opvatting niet, zeg ik u. En ook de man, die met haar ging samenleven beweerde die … opvatting als hooge ernst te beschouwen. Hij is gebleken een bedrieger en wellusteling te wezen. Een egoïst die niet anders zocht dan zijn genoegen.»
Onrustig beweegt Frans zich op zijn stoel. Hij voelt zijn wangen gloeien.
Jensen haalt de schouders op.
«Zooals vanzelf spreekt», zegt hij achteloos, en zet zijn lorgnet weer op.
«Zoo, vindt u dat?» antwoordt Frans met minachtende nadruk. «Ook als die man een huisvriend van haar voogd was—van haar oom? En zij voor die oom een onbeperkte vereering had? Die man had haar zulke idees gegeven.»
«Dat maakt de zaak wel iets anders. Nu ja, maar …»
Frans gaat onverschrokken voort: laat me uitspreken! raast het in hem.
«Toen ze zag, dat ze … moeder zou worden,[95]heeft die «vriend» haar verlaten—de man, die ze als haar echtgenoot beschouwde. En nu onderhoudt ze haar kind zelf. Ze heeft en had eigen middelen, was volstrekt niet afhankelijk van de man met wie … ze leefde.»
«Ze had niets op hem te verhalen: ’t was haar man niet.»
«Maar, vader, een man van eer zal toch niet zoo een meisje in de steek laten, zelfs al had hij nooit van een huwelijk gesproken, in welke zin van ’t woord ook.»
Jensen kijkt weer in de lucht.
«Dat kan eraan liggen,» zegt hij.
Frans verschuift driftig zijn eene voet. Dan, met groote stelligheid en nadruk, als uitdagend, antwoordt hij:
«Een man, die een meisje zwanger maakt, draagt de verantwoordelijkheid voor zijn kind. Anders is ’t een ploert. Ik ken daar geen uitzondering op …»
Jensen wendt even zijn blik naar zijn zoons gelaat, haalt de schouders op en glimlacht spottend. Dan kijkt hij naar zijn vrouw. Deze zit onderwijl met neergeslagen oogen, bleeker dan ooit, zenuwachtig druk te borduren, haar werkje dicht bij de oogen houdend om ’t schaarsche licht.
Terwijl hij de beenen over elkaar slaat en naar[96]de wiebelende punt van zijn eene «molière» staart, hervat de advokaat:
«Over jouw rechts-opvattingen zullen we ’t nu maar ’s niet hebben. Ik vind—en dat is hier de hoofdzaak—dat een vrouw als Juffrouw Van Zee.… geen partij voor jou is, om het zacht te zeggen. In geen geval, al is alles waar wat jij me van haar vertelt.»
«Maar zeg u me nu toch ’s waarom!»
Jensen staat driftig op.
«Waarom? Waarom?» roept hij, «Wel, beroerde jongen, omdat ik ’t niet wil hebben, dat je met een hoer trouwt.»
Mevrouw Jensen kijkt verschrikt eerst naar haar man, dan naar Frans.
«Vader!» barst de laatste uit, eveneens opstaande. «Ik verzoek u dat woord onmiddellijk in te trekken» roept hij dreigend.
«Groote God, dat wordt moord en doodslag!» mompelt zijn moeder huilerig.
«Of?» sart Jensen.
«Of.…» hervat Frans woest, met bliksemende oogen, bevend en rood van toorn «.… of ik sla u in uw gezicht!» Meteen brengt hij de rechterhand achteruit.
Mevrouw Jensen springt op, en plaatst zich tusschen de mannen in:[97]
«Frans, hoû je kalm!» jammert ze. «In Gods naam: vergeet niet, dat je je vader vóor je hebt!»
«Goed, moeder, om u.… maar die man maakt me razend.» Dan weer tot de ander zegt hij iets kalmer:
«Blijft u bij wat u gezegd heeft?»
Jensen is onwillekeurig een pas achteruit gegaan.
«Natuurlijk» antwoordt hij. «Maar dit mooie gesprek moet uit zijn. Ga naar je kamer.» En hij wijst naar de deur.
De jonge man let er niet op.
«Vader» zegt hij zich bedwingend, «’t spijt me, dat ik u in mijn drift beleedigd heb. Maar u beleedigt ook het liefste dat ik heb.… Wil u me nog even te woord staan?»[98]