III.De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meestegitanosvan Sevilla wonen, al is het dan ook maarbijnaam, onbekend is. DebarriovanTriana, die een vrij belangrijk gedeelte der hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden, die voor ruim twintig jaren de schipbrug, depuente de barcas, vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wilTrajanageheeten, is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; vanTrajanazouden de ArabierenTarayonagemaakt hebben, waarvan laterTrianageworden is.De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome deTrastevereis, is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelleRinconete y Cortadilloverheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars,rateros barateros,majos; te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, eenTriana, waaruit bij massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:Hay en Sevilla un TrianaDonde nacen á moutonesLos bizarros valentonesCon ardiente corazon.Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op denSacro Montete Grenada.Het algemeene voorkomen vanTrianais ellendig, zelfs in de voornaamste straat, die men deCalle de Castillaheet; de monumenten zijn er schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna, ten tijde van AlonzoEl Sabiogebouwd, en dat veel rijker is aan goede schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal uitgezonderd.De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje, vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië; maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd; de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is muilezelscheerder; eenigen zijntoreros(stierenbevechters). Geheel in tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook hoefsmeden aan.Wat de vrouwen betreft, deze zijncgarreras, danseressen, waarzegsters, en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der stratenmorcillas de sangre(bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes.Een zeker aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar handel, in Sevillacachirulosgeheeten, te drijven, weten zij zich behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam vanditerasgeeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij de maand betaald worden.Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; deGachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken dersaineteshebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden. In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden zij evenmin gespaard: wij zullen alleen denPasillo divertido entre Mazapan y Chicharronaanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel), bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—eenduelo de gitanos.Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft, deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of door vrij watcopetas de aguardienteter nagedachtenis van den afgestorvenen naar binnen te sturen; want deGachéshebben hun, terecht of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in water hebben.Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te kunnen uitzuigen.”Un Gitano se murió,Y dejó en el testamento,Que le enterrasen en vina,Para chupar los sarmientos.[85]Een duelo (rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).[86]Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.…met vier paar muilezels aan het eind.”Gitano, por qué vas preso?—Señor, por cosa ninguna:Porque he robado una soga …Con cuatro pares de mulas.Een der voornaamste straten der voorstad Triana,la calle de la Cava, of eenvoudigla Cavageheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:Si yo nací en la Cava?„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”En deze beide verzen van een volksliedje:Pa los Gitanos no me peino yo.Que me peino pa los toreros.„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijkemaja, „maar voor de toreros!”Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:Dadme las palmasY os diré los secretosDe vuestras almas.„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en ons toeriepen:La Gitana con solturaDice la buena ventura.„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden:suelta me un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is vreemder dan eenbaile de Gitanos.Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis vanla Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote schilderstukken, uitazulejosvan blauwe beschilderde tegels samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet Don Miguel Menara, bezitter van eenonmetelijkfortuin, la Caridad herbouwen. Zijn lijk rust in deCapilla mayor, waar men nog het zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen, waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden, twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaardenla sed, de dorst, genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteldPan y peces—de brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch niet zoo uitstekend[87]als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.
III.De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meestegitanosvan Sevilla wonen, al is het dan ook maarbijnaam, onbekend is. DebarriovanTriana, die een vrij belangrijk gedeelte der hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden, die voor ruim twintig jaren de schipbrug, depuente de barcas, vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wilTrajanageheeten, is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; vanTrajanazouden de ArabierenTarayonagemaakt hebben, waarvan laterTrianageworden is.De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome deTrastevereis, is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelleRinconete y Cortadilloverheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars,rateros barateros,majos; te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, eenTriana, waaruit bij massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:Hay en Sevilla un TrianaDonde nacen á moutonesLos bizarros valentonesCon ardiente corazon.Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op denSacro Montete Grenada.Het algemeene voorkomen vanTrianais ellendig, zelfs in de voornaamste straat, die men deCalle de Castillaheet; de monumenten zijn er schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna, ten tijde van AlonzoEl Sabiogebouwd, en dat veel rijker is aan goede schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal uitgezonderd.De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje, vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië; maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd; de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is muilezelscheerder; eenigen zijntoreros(stierenbevechters). Geheel in tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook hoefsmeden aan.Wat de vrouwen betreft, deze zijncgarreras, danseressen, waarzegsters, en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der stratenmorcillas de sangre(bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes.Een zeker aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar handel, in Sevillacachirulosgeheeten, te drijven, weten zij zich behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam vanditerasgeeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij de maand betaald worden.Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; deGachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken dersaineteshebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden. In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden zij evenmin gespaard: wij zullen alleen denPasillo divertido entre Mazapan y Chicharronaanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel), bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—eenduelo de gitanos.Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft, deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of door vrij watcopetas de aguardienteter nagedachtenis van den afgestorvenen naar binnen te sturen; want deGachéshebben hun, terecht of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in water hebben.Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te kunnen uitzuigen.”Un Gitano se murió,Y dejó en el testamento,Que le enterrasen en vina,Para chupar los sarmientos.[85]Een duelo (rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).[86]Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.…met vier paar muilezels aan het eind.”Gitano, por qué vas preso?—Señor, por cosa ninguna:Porque he robado una soga …Con cuatro pares de mulas.Een der voornaamste straten der voorstad Triana,la calle de la Cava, of eenvoudigla Cavageheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:Si yo nací en la Cava?„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”En deze beide verzen van een volksliedje:Pa los Gitanos no me peino yo.Que me peino pa los toreros.„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijkemaja, „maar voor de toreros!”Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:Dadme las palmasY os diré los secretosDe vuestras almas.„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en ons toeriepen:La Gitana con solturaDice la buena ventura.„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden:suelta me un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is vreemder dan eenbaile de Gitanos.Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis vanla Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote schilderstukken, uitazulejosvan blauwe beschilderde tegels samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet Don Miguel Menara, bezitter van eenonmetelijkfortuin, la Caridad herbouwen. Zijn lijk rust in deCapilla mayor, waar men nog het zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen, waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden, twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaardenla sed, de dorst, genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteldPan y peces—de brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch niet zoo uitstekend[87]als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.
III.De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meestegitanosvan Sevilla wonen, al is het dan ook maarbijnaam, onbekend is. DebarriovanTriana, die een vrij belangrijk gedeelte der hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden, die voor ruim twintig jaren de schipbrug, depuente de barcas, vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wilTrajanageheeten, is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; vanTrajanazouden de ArabierenTarayonagemaakt hebben, waarvan laterTrianageworden is.De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome deTrastevereis, is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelleRinconete y Cortadilloverheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars,rateros barateros,majos; te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, eenTriana, waaruit bij massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:Hay en Sevilla un TrianaDonde nacen á moutonesLos bizarros valentonesCon ardiente corazon.Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op denSacro Montete Grenada.Het algemeene voorkomen vanTrianais ellendig, zelfs in de voornaamste straat, die men deCalle de Castillaheet; de monumenten zijn er schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna, ten tijde van AlonzoEl Sabiogebouwd, en dat veel rijker is aan goede schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal uitgezonderd.De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje, vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië; maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd; de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is muilezelscheerder; eenigen zijntoreros(stierenbevechters). Geheel in tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook hoefsmeden aan.Wat de vrouwen betreft, deze zijncgarreras, danseressen, waarzegsters, en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der stratenmorcillas de sangre(bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes.Een zeker aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar handel, in Sevillacachirulosgeheeten, te drijven, weten zij zich behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam vanditerasgeeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij de maand betaald worden.Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; deGachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken dersaineteshebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden. In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden zij evenmin gespaard: wij zullen alleen denPasillo divertido entre Mazapan y Chicharronaanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel), bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—eenduelo de gitanos.Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft, deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of door vrij watcopetas de aguardienteter nagedachtenis van den afgestorvenen naar binnen te sturen; want deGachéshebben hun, terecht of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in water hebben.Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te kunnen uitzuigen.”Un Gitano se murió,Y dejó en el testamento,Que le enterrasen en vina,Para chupar los sarmientos.[85]Een duelo (rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).[86]Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.…met vier paar muilezels aan het eind.”Gitano, por qué vas preso?—Señor, por cosa ninguna:Porque he robado una soga …Con cuatro pares de mulas.Een der voornaamste straten der voorstad Triana,la calle de la Cava, of eenvoudigla Cavageheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:Si yo nací en la Cava?„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”En deze beide verzen van een volksliedje:Pa los Gitanos no me peino yo.Que me peino pa los toreros.„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijkemaja, „maar voor de toreros!”Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:Dadme las palmasY os diré los secretosDe vuestras almas.„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en ons toeriepen:La Gitana con solturaDice la buena ventura.„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden:suelta me un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is vreemder dan eenbaile de Gitanos.Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis vanla Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote schilderstukken, uitazulejosvan blauwe beschilderde tegels samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet Don Miguel Menara, bezitter van eenonmetelijkfortuin, la Caridad herbouwen. Zijn lijk rust in deCapilla mayor, waar men nog het zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen, waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden, twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaardenla sed, de dorst, genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteldPan y peces—de brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch niet zoo uitstekend[87]als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.
III.De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meestegitanosvan Sevilla wonen, al is het dan ook maarbijnaam, onbekend is. DebarriovanTriana, die een vrij belangrijk gedeelte der hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden, die voor ruim twintig jaren de schipbrug, depuente de barcas, vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wilTrajanageheeten, is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; vanTrajanazouden de ArabierenTarayonagemaakt hebben, waarvan laterTrianageworden is.De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome deTrastevereis, is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelleRinconete y Cortadilloverheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars,rateros barateros,majos; te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, eenTriana, waaruit bij massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:Hay en Sevilla un TrianaDonde nacen á moutonesLos bizarros valentonesCon ardiente corazon.Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op denSacro Montete Grenada.Het algemeene voorkomen vanTrianais ellendig, zelfs in de voornaamste straat, die men deCalle de Castillaheet; de monumenten zijn er schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna, ten tijde van AlonzoEl Sabiogebouwd, en dat veel rijker is aan goede schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal uitgezonderd.De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje, vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië; maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd; de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is muilezelscheerder; eenigen zijntoreros(stierenbevechters). Geheel in tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook hoefsmeden aan.Wat de vrouwen betreft, deze zijncgarreras, danseressen, waarzegsters, en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der stratenmorcillas de sangre(bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes.Een zeker aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar handel, in Sevillacachirulosgeheeten, te drijven, weten zij zich behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam vanditerasgeeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij de maand betaald worden.Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; deGachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken dersaineteshebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden. In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden zij evenmin gespaard: wij zullen alleen denPasillo divertido entre Mazapan y Chicharronaanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel), bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—eenduelo de gitanos.Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft, deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of door vrij watcopetas de aguardienteter nagedachtenis van den afgestorvenen naar binnen te sturen; want deGachéshebben hun, terecht of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in water hebben.Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te kunnen uitzuigen.”Un Gitano se murió,Y dejó en el testamento,Que le enterrasen en vina,Para chupar los sarmientos.[85]Een duelo (rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).[86]Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.…met vier paar muilezels aan het eind.”Gitano, por qué vas preso?—Señor, por cosa ninguna:Porque he robado una soga …Con cuatro pares de mulas.Een der voornaamste straten der voorstad Triana,la calle de la Cava, of eenvoudigla Cavageheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:Si yo nací en la Cava?„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”En deze beide verzen van een volksliedje:Pa los Gitanos no me peino yo.Que me peino pa los toreros.„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijkemaja, „maar voor de toreros!”Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:Dadme las palmasY os diré los secretosDe vuestras almas.„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en ons toeriepen:La Gitana con solturaDice la buena ventura.„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden:suelta me un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is vreemder dan eenbaile de Gitanos.Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis vanla Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote schilderstukken, uitazulejosvan blauwe beschilderde tegels samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet Don Miguel Menara, bezitter van eenonmetelijkfortuin, la Caridad herbouwen. Zijn lijk rust in deCapilla mayor, waar men nog het zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen, waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden, twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaardenla sed, de dorst, genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteldPan y peces—de brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch niet zoo uitstekend[87]als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.
III.De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.
De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.
De voorstad Triana en hare inwoners.—Degitanos; hun bedrijf en gewoonten.—De waarzegsters: deCaridad.—De meesterstukken van Murillo:Mozes, water uit de rots slaandeen devermenigvuldiging der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.
Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meestegitanosvan Sevilla wonen, al is het dan ook maarbijnaam, onbekend is. DebarriovanTriana, die een vrij belangrijk gedeelte der hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden, die voor ruim twintig jaren de schipbrug, depuente de barcas, vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wilTrajanageheeten, is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; vanTrajanazouden de ArabierenTarayonagemaakt hebben, waarvan laterTrianageworden is.De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome deTrastevereis, is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelleRinconete y Cortadilloverheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars,rateros barateros,majos; te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, eenTriana, waaruit bij massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:Hay en Sevilla un TrianaDonde nacen á moutonesLos bizarros valentonesCon ardiente corazon.Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op denSacro Montete Grenada.Het algemeene voorkomen vanTrianais ellendig, zelfs in de voornaamste straat, die men deCalle de Castillaheet; de monumenten zijn er schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna, ten tijde van AlonzoEl Sabiogebouwd, en dat veel rijker is aan goede schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal uitgezonderd.De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje, vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië; maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd; de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is muilezelscheerder; eenigen zijntoreros(stierenbevechters). Geheel in tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook hoefsmeden aan.Wat de vrouwen betreft, deze zijncgarreras, danseressen, waarzegsters, en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der stratenmorcillas de sangre(bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes.Een zeker aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar handel, in Sevillacachirulosgeheeten, te drijven, weten zij zich behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam vanditerasgeeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij de maand betaald worden.Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; deGachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken dersaineteshebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden. In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden zij evenmin gespaard: wij zullen alleen denPasillo divertido entre Mazapan y Chicharronaanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel), bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—eenduelo de gitanos.Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft, deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of door vrij watcopetas de aguardienteter nagedachtenis van den afgestorvenen naar binnen te sturen; want deGachéshebben hun, terecht of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in water hebben.Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te kunnen uitzuigen.”Un Gitano se murió,Y dejó en el testamento,Que le enterrasen en vina,Para chupar los sarmientos.[85]Een duelo (rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).[86]Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.…met vier paar muilezels aan het eind.”Gitano, por qué vas preso?—Señor, por cosa ninguna:Porque he robado una soga …Con cuatro pares de mulas.Een der voornaamste straten der voorstad Triana,la calle de la Cava, of eenvoudigla Cavageheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:Si yo nací en la Cava?„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”En deze beide verzen van een volksliedje:Pa los Gitanos no me peino yo.Que me peino pa los toreros.„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijkemaja, „maar voor de toreros!”Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:Dadme las palmasY os diré los secretosDe vuestras almas.„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en ons toeriepen:La Gitana con solturaDice la buena ventura.„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden:suelta me un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is vreemder dan eenbaile de Gitanos.Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis vanla Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote schilderstukken, uitazulejosvan blauwe beschilderde tegels samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet Don Miguel Menara, bezitter van eenonmetelijkfortuin, la Caridad herbouwen. Zijn lijk rust in deCapilla mayor, waar men nog het zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen, waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden, twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaardenla sed, de dorst, genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteldPan y peces—de brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch niet zoo uitstekend[87]als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.
Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meestegitanosvan Sevilla wonen, al is het dan ook maarbijnaam, onbekend is. DebarriovanTriana, die een vrij belangrijk gedeelte der hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden, die voor ruim twintig jaren de schipbrug, depuente de barcas, vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wilTrajanageheeten, is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; vanTrajanazouden de ArabierenTarayonagemaakt hebben, waarvan laterTrianageworden is.
De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome deTrastevereis, is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelleRinconete y Cortadilloverheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars,rateros barateros,majos; te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, eenTriana, waaruit bij massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:
Hay en Sevilla un TrianaDonde nacen á moutonesLos bizarros valentonesCon ardiente corazon.
Hay en Sevilla un Triana
Donde nacen á moutones
Los bizarros valentones
Con ardiente corazon.
Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op denSacro Montete Grenada.
Het algemeene voorkomen vanTrianais ellendig, zelfs in de voornaamste straat, die men deCalle de Castillaheet; de monumenten zijn er schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna, ten tijde van AlonzoEl Sabiogebouwd, en dat veel rijker is aan goede schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal uitgezonderd.
De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje, vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië; maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd; de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is muilezelscheerder; eenigen zijntoreros(stierenbevechters). Geheel in tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook hoefsmeden aan.
Wat de vrouwen betreft, deze zijncgarreras, danseressen, waarzegsters, en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der stratenmorcillas de sangre(bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes.Een zeker aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar handel, in Sevillacachirulosgeheeten, te drijven, weten zij zich behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam vanditerasgeeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij de maand betaald worden.
Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; deGachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken dersaineteshebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden. In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden zij evenmin gespaard: wij zullen alleen denPasillo divertido entre Mazapan y Chicharronaanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel), bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—eenduelo de gitanos.
Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft, deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of door vrij watcopetas de aguardienteter nagedachtenis van den afgestorvenen naar binnen te sturen; want deGachéshebben hun, terecht of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in water hebben.
Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te kunnen uitzuigen.”
Un Gitano se murió,Y dejó en el testamento,Que le enterrasen en vina,Para chupar los sarmientos.
Un Gitano se murió,
Y dejó en el testamento,
Que le enterrasen en vina,
Para chupar los sarmientos.
[85]
Een duelo (rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).
Eenduelo(rouwklacht) van gitanos (voorstad van Triana).
[86]
Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:
„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”
„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.…met vier paar muilezels aan het eind.”
Gitano, por qué vas preso?—Señor, por cosa ninguna:Porque he robado una soga …Con cuatro pares de mulas.
Gitano, por qué vas preso?
—Señor, por cosa ninguna:
Porque he robado una soga …
Con cuatro pares de mulas.
Een der voornaamste straten der voorstad Triana,la calle de la Cava, of eenvoudigla Cavageheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:
Si yo nací en la Cava?
Si yo nací en la Cava?
„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”
Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”
En deze beide verzen van een volksliedje:
Pa los Gitanos no me peino yo.Que me peino pa los toreros.
Pa los Gitanos no me peino yo.
Que me peino pa los toreros.
„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijkemaja, „maar voor de toreros!”
Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:
Dadme las palmasY os diré los secretosDe vuestras almas.
Dadme las palmas
Y os diré los secretos
De vuestras almas.
„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”
Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en ons toeriepen:
La Gitana con solturaDice la buena ventura.
La Gitana con soltura
Dice la buena ventura.
„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”
Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden:suelta me un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.
De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is vreemder dan eenbaile de Gitanos.
Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis vanla Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote schilderstukken, uitazulejosvan blauwe beschilderde tegels samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.
Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet Don Miguel Menara, bezitter van eenonmetelijkfortuin, la Caridad herbouwen. Zijn lijk rust in deCapilla mayor, waar men nog het zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:
Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.
Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.
„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”
„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”
In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.
Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen, waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden, twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaardenla sed, de dorst, genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.
De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteldPan y peces—de brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch niet zoo uitstekend[87]als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.