“Dat treft nu heusch al zoo gelukkig mogelijk, dat die kinderen juist nu de mazelen krijgen,” zei Meta op zekeren dag in April, terwijl ze, omringd door haar zusjes, in haar kamer een koffer stond te pakken.
“En zoo lief van Annie Moffat, dat ze haar belofte niet heeft vergeten. Lekker hoor, zoo veertien dagen lang plezier te gaan maken,” antwoordde Jo, die wel een windmolen leek, zooals ze daar, met uitgespreide armen, rokken stond op te vouwen.
“En zulk heerlijk weer, daar benikzoo blij om,” voegde Bets er bij, die zorgvuldig ceintuurs en haarlinten sorteerde en wegbergdein haar mooiste doos, die ze Meta voor de gewichtige gelegenheid geleend had.
“Ik wou, dat ik zoo’n prettigen tijd te gemoet ging, en al die mooie dingen mocht dragen,” zei Amy met haar mond vol spelden, om het kussen van de gelukkige smaakvol en kunstig te gaan besteken.
“O, ik wou dat jullie allemaal meegingen, maar daar dat nu niet kan, zal ik mijn wederwaardigheden goed onthouden en jullie alles vertellen, als ik terugkom. Dat is ook al het minste, wat ik doen kan, nu jullie allemaal zoo lief zijn geweest om mij allerlei te leenen en in orde te helpen brengen,” zei Meta, rondziende naar de eenvoudige kleeren, die in haar oogen bijna volmaakt waren.
“Wat heeft Moeder je uit de schatkist gegeven?” vroeg Amy, die er niet bij tegenwoordig was geweest, toen een zeker cederhouten kastje openging, waarin mevrouw March enkele overblijfselen van vroegere weelde bewaarde, als geschenken voor haar meisjes, wanneer de geschikte tijd daarvoor gekomen zou zijn.
“Een paar zijden kousen, dien mooi gesneden waaier, en een beeldig, blauw ceintuur. Ik had ook zoo graag die blauwe zijden japon gehad, maar er is geen tijd meer om hem te vermaken en ik moet dus maar tevreden zijn met mijn oude alpaca.”
“Mijn nieuwe neteldoekje zal je ook keurig staan en het lange zijden ceintuur zal alles zoo opvroolijken. Ik wou, dat ik mijn bloedkoralen armband niet kapot gegooid had, dan hadt je hem met plezier kunnen krijgen,” zei Jo, die gaarne iets gaf of uitleende, maar wier bezittingen gewoonlijk te verminkt waren om nog tot eenig nut te zijn.
“Er is in de “schatkist” een beelderig, ouderwetsch stel paarlen, maar Moeder zei, dat levende bloemen het mooiste sieraad zijn voor een jong meisje, en Laurie beloofde me te zullen zenden, wat ik noodig heb,” antwoordde Meta. “Nu, laat eens zien, hier is mijn nieuw, grijs wandelpakje—och, Bets, krul de veer van mijn hoed eens wat op,—dan mijn alpaca voor Zondags en de kleine partij—het is wel wat zwaar voor het voorjaar, vind je niet? het blauwe zijdje zou zoo netjes staan; och hemel ja!”
“O kom, je hebt de neteldoeksche voor de groote partij, en als je in ’t wit bent, zie je er altijd engelachtig uit,” zei Amy, heelemaal verdiept in den kleinen voorraad opschik, waar haar hart zoo naar uitging.
“Die heeft geen lagen hals en geen sleep, maar het zal zoo wel moeten. Mijn blauwe huisjapon ziet er zoo netjes uit, nu hij gekeerd en nieuw opgemaakt is, dat het net een nieuwe lijkt. Jammer, mijn mantel is lang niet naar de laatste mode, en mijn hoed heeft niets van dien van Sallie. Ik heb maar niets gezegd, maar ik was ook vreeselijk teleurgesteld over mijn parapluie. Ik had Moeder verteld dat ik liefst een zwarte met een witten stok wou hebben, maar ze vergat het en kocht er een met een leelijken geelachtigenstok. Hij is sterk en netjes, dus moet ik niet klagen, maar ik weet dat ik er verlegen over zal zijn, als ik Annie’s zijden parapluie met een gouden knop er naast zie,” zuchtte Meta en bekeek met grooten tegenzin het kleine regenscherm.
“Ruil hem,” raadde Jo.
“Neen, dat zou flauw zijn, en ik wil Moeders gevoel ook niet kwetsen, nadat ze zooveel moeite gedaan heeft om alles voor me in orde te krijgen. Het is heel laf van me, dat ik er over denk, en ik ben niet van plan er aan toe te geven. Mijn zijden kousen en twee paar nieuwe handschoenen troosten me in mijn leed. Erg lief van je, Jo, dat je mij de jouwe wilt leenen. Ik voel me zoo rijk en deftig met twee nieuwe paren en de ouwe gewasschen voor dagelijksch gebruik;” en Meta nam een hartversterkend kijkje in haar handschoenendoos.
“Annie Moffat heeft blauwe en rose lintjes in haar onderlijfjes; zou jij er ook niet een paar door de mijne willen rijgen?” vroeg ze, toen Bets met een berg schoon strijkgoed, versch uit Hanna’s handen, kwam aandragen.
“Hé, neen, dat zou ik niet doen; de lintjes zouden niet in overeenstemming zijn met je eenvoudige lijfjes, waaraan maar een onnoozel kantje zit. Arme menschen moeten zich niet opdirken,” zei Jo beslist.
“Ik zou wel eens willen weten, of ikooitzoo gelukkig zal zijn omechtekant aan mijn ondergoed te hebben?” riep Meta wrevelig.
“Laatst zei je, dat je volmaakt gelukkig zou zijn, als je maar bij Annie Moffat kon gaan logeeren,” merkte Bets op haar bedaarde manier aan.
“Dat heb ik ook gezegd! O, ikbenook wel gelukkig, en ik wil niet zeuren, maar het is toch net, of je meer verlangt, naarmate je meer krijgt; vindt jullie niet? Ziezoo, de bak is klaar en alles is er in, behalve mijn baljapon, die ik maar voor Moeder zal laten,” zei Meta opvroolijkend, toen ze van den halfgevulden koffer naar het keurig gestreken neteldoekje keek, dat ze zeer gewichtig haar “baljapon” noemde.
Den volgenden dag was het mooi weer, en Meta vertrok, behoorlijk toegerust, om veertien dagen van ongekend genot tegemoet te gaan. Mevrouw March had met eenigen tegenzin haar toestemming tot het uitstapje gegeven, vreezende, dat Meta ontevredener dan ze nu soms al was, zou terugkomen. Maar ze had er zoo om gebedeld, en Sallie had beloofd goed voor haar te zullen zorgen, en een kleine uitspanning scheen, na een zwaren winter, zoo begeerlijk, dat de moeder zich liet overhalen, en de dochter haar eerste proefje ging nemen van het leven in de “uitgaande kringen.”
De Moffats leefden op grooten voet, en de eenvoudige Meta was in het begin min of meer overbluft door de pracht van het huis en de elegante kleeding der bewoners. Maar het waren vriendelijke menschen, in weerwil van hun beuzelachtig leven, en ze zettenhun gast spoedig op haar gemak. Misschien gevoelde Meta wel, zonder precies te weten waarom, dat het geen bijzonder knappe of schrandere menschen waren, en dat al het verguldsel de gewone stof, waarvan ze gemaakt waren, niet kon verbergen. Het was zeker heel plezierig, lekker te eten, in een mooi rijtuig te rijden, elken dag haar beste japon te dragen en niets te doen, dan zich aangenaam bezig te houden. Zooiets viel echt in haar smaak, en het duurde niet lang, of zij begon de manieren en gesprekken van haar nieuwe omgeving na te volgen, nam kleine airs en gewoonten aan, gebruikte Fransche woorden, crêpeerde haar haar, nam haar japonnen in, en praatte zoo goed ze kon mee over de modes.
Hoe meer ze zag van Annie Moffat’s mooie dingen, hoe meer ze haar benijdde en smachtte naar rijkdom. Thuis scheen haar nu alles in de herinnering kaal en somber toe; te moeten werken, werd harder dan ooit, en Meta vond, dat ze een heel arm en slecht bedeeld meisje was, in weerwil van de handschoenen en de zijden kousen.
Ze had echter niet veel tijd om te treuren, want de drie meisjes maakten het zich heel druk met allerlei pretjes. Ze winkelden, wandelden, reden, en legden elken dag bezoeken af; gingen naar de comedie en de opera, of hadden ’s avonds thuis plezier, want Annie had veel vriendinnen en wist ze aardig bezig te houden. Haar oudere zusters waren mooie jonge dames, en een van hen was geëngageerd, wat in Meta’s oog bizonder interessant en romantisch was. Mijnheer Moffat was een dik, vroolijk oud heer, die haar vader wel kende; en mevrouw Moffat, een gezette, vroolijke oude dame, die evenals haar dochter groote genegenheid opvatte voor Meta. Iedereen haalde haar aan, en men was mooi op weg “Daisy”, zooals ze haar noemden, het hoofd op hol te brengen. Toen de avond voor de “kleine partij” aanbrak, merkte ze dat er van het alpaca’tje volstrekt geen sprake kon zijn, want de andere meisjes deden dunne japonnen aan en maakten veel toilet; dus haalde ze de witte voor den dag, die er naast Sallie’s nieuwe japon, eenvoudiger uitzag dan ooit tevoren. Meta zag, hoe de meisjes er naar keken en haar wangen begonnen te gloeien; want ze was met al haar zachtheid toch heel trotsch. Niemand zei er een enkel woord over, maar Sallie bood aan haar haar op te maken, en Annie haar ceintuur te strikken, en Belle, de geëngageerde zuster, prees haar blanke armen. In al die vriendelijkheid zag Meta slechts medelijden met haar armoede, en haar hart was zwaar, toen de andere meisjes zoo lachten en praatten, zich coquet kapten, en als vluchtige vlinders heen en weer vlogen. Het harde, bittere gevoel was tot een aanmerkelijke hoogte gestegen, toen een der dienstmeisjes een doos met bloemen binnenbracht. Voor Meta nog iets kon zeggen, had Annie er het deksel reeds afgenomen, en allen bewonderden luide de prachtige rozen en andere bloemen.
“Dat is natuurlijk voor Belle. George stuurt haar altijd bloemen,maar deze zijn welbuitengewoonmooi!” riep Annie, de geur diep inademend.
“Ze zijn voor Juffrouw March, werd er bij gezegd. En hier is een briefje,” zei het meisje, het Meta overreikend.
“Wat aardig! Van wien zijn zij? Ik wist niet, dat jij een aanbidder hadt!” riepen de meisjes en fladderden in de grootste nieuwsgierigheid en verbazing om Meta heen.
“Het briefje is van Moeder, en de bloemen zijn van Laurie,” zei Meta eenvoudig, maar toch zeer gestreeld dat hij haar niet vergeten had.
“Zoo!” zei Annie met een spottenden blik, toen Meta het briefje in den zak stak, als een soort van talisman tegen afgunst, ijdelheid en valschen trots; want die enkele teedere woorden hadden haar goed gedaan, en de prachtige bloemen vroolijkten haar op.
Ze voelde zich bijna weer gelukkig en legde een paar rozen en wat groen voor zichzelf op zijde, terwijl ze haastig van de overschietende bloemen allerliefste kleine bouquetjes maakte voor het haar, of het ceintuur van haar vriendinnen, en ze zoo vriendelijk aanbood, dat Clara, de oudere zuster, zei, dat ze het “aardigste kleine ding was dat ze ooit gezien had,” en allen zeer ingenomen waren met die attentie. De vriendelijke daad maakte een einde aan haar neerslachtigheid, en toen allen gezamenlijk naar beneden gingen, om zich aan mevrouw Moffat te vertoonen, zag ze, toen ze voor den spiegel stond en de bloemen in haar golvend haar stak, een gelukkig gezichtje met schitterende oogen, terwijl de japon, door de rozen versierd, haar nu niet meer zoo eenvoudig toescheen. Ze had dien avond veel plezier, want ze danste naar hartelust; allen waren even vriendelijk voor haar, en ze kreeg twee complimentjes. Annie verzocht haar wat te zingen, en een der gasten maakte de opmerking, dat ze een bijzonder lieve stem had; majoor Lincoln vroeg “wie dat frissche, aardige meisje met de mooie oogen was!” Alles te zamen genomen had ze dus een recht prettigen avond, totdat ze een gedeelte van een gesprek hoorde, dat haar geheel van streek maakte. Ze zat juist in de serre te wachten, tot haar cavalier een portie ijs bracht, toen ze aan den anderen kant van een bloemen- en groenversiering een stem hoorde vragen:
“Hoe oud is ze?”
“Zestien of zeventien denk ik,” antwoordde een andere stem.
“Het zou een buitenkansje zijn voor een van die meisjes, zou het niet? Sallie zegt, dat zij heel intiem zijn, en de oude heer vreeselijk van hen houdt.”
“Mevrouw M. heeft haar plannen, wed ik, en zal haar spel wel goed spelen, al is het ook nog wat vroeg. Het meisje heeft er klaarblijkelijk geen idee van,” zei mevrouw Moffat.
“Ze vertelde dat leugentje omtrent haar mama anders, alsof zij er wel iets van wist, en kreeg een kleur, toen de bloemen kwamen.”
“Arm kind, ze zou er heel aardig uitzien als ze maar naar de mode gekleed was. Denkt u, dat ze beleedigd zou zijn, als we aanboden haar een japon voor Donderdag te leenen?” vroeg weer een andere stem.
“Ze is trotsch, maar ik geloof niet, dat ze er tegen zou hebben, want ze heeft niets dan dat simpele neteldoekje. Misschien krijgt zij er van avond wel een scheur in, dat zou een goed voorwendsel zijn om haar een andere aan te bieden.”
“We zullen zien; ik zal dien Laurence een uitnoodiging zenden om haar een beleefdheid aan te doen, en dan kunnen we er later pret over maken.”
Hier verscheen Meta’s partner met het ijs; zij zag er verhit en zenuwachtig uit. Haar “trots” kwam haar nu goed te pas, om haar verontwaardiging, haar woede en verdriet, over wat ze juist gehoord had, te verbergen; want hoe onschuldig en onergdenkend ze ook was, dit kon niet beletten, dat ze de praatjes van haar vrienden begreep. Ze deed haar best alles van zich af te zetten, maar het baatte niet, want gedurig herhaalde ze bij zichzelf: “Mevrouw M. heeft haar plannen,” “dat leugentje omtrent haar mama” en “simpel neteldoekje”, tot ze op het punt was te gaan schreien, en gaarne naar huis gevlogen zou zijn, om al haar verdriet te vertellen en om raad te vragen. Daar dit onmogelijk was, deed zij haar best vroolijk te schijnen, en dank zij haar zenuwachtige opgewondenheid, slaagde ze daar zoo goed in, dat niemand vermoeden kon, hoeveel inspanning het haar kostte. Wat was ze dankbaar toen alles was afgeloopen en ze rustig in het bed lag, waar ze kon denken en zich verbazen en woedend zijn, totdat haar hoofd scheen te zullen barsten en haar gloeiende wangen afgekoeld werden door een stroom van tranen.
Die dwaze, maar toch goed gemeende woorden, hadden een nieuwe wereld voor Meta ontsloten, en den vrede van de oude wereld, waarin ze tot nu toe zoo gelukkig als een kind had geleefd, verstoord. Haar onschuldige vriendschap met Laurie was bedorven door de dwaze praatjes, die ze afgeluisterd had; haar vertrouwen in haar moeder even geschokt door de wereldsche plannen, haar toegeschreven door mevrouw Moffat, die anderen naar zichzelf beoordeelde; en het verstandig besluit om tevreden te zijn met de eenvoudige kleeren, die aan de dochter van arme ouders voegden, aan het wankelen gebracht door het onnoodig medelijden van eenige meisjes, die meenden dat een niet modieuse japon een der grootste levensrampen was. De arme Meta had een onrustigen nacht en stond met zware oogen en diep ongelukkig op, half knorrig op haar vriendinnen, half beschaamd over zichzelf, dat zij niet ronduit alles vertelde en de zaak in orde bracht. Ieder verbeuzelde dien morgen en het werd middag, eer de meisjes lust genoeg konden verzamelen om zelfs maar een handwerkje op te nemen. Er was iets in de houding van haar kennisjes, dat dadelijk Meta’s aandachttrok; ze meende, dat ze haar met meer onderscheiding behandelden, buitengewoon veel belangstelling toonden in alles, wat ze zei, en haar met nieuwsgierige blikken aankeken. Dit alles verwonderde en vleide haar, hoewel ze het niet begreep, totdat Belle van haar schrijftafel opzag en heel sentimenteel zei:
“Daisy, ik heb een uitnoodiging gestuurd voor Donderdagavond aan je vriend Laurence. We zouden hem graag eens leeren kennen, en het zou voor jou heel aardig zijn, als hij kwam.”
Meta bloosde, maar een ondeugende inval om de meisjes te plagen, deed haar heel stemmig antwoorden:
“Heel vriendelijk, maar ik vrees, dat hij niet zal komen.”
“Waarom niet?” vroeg Belle.
“Hij is te oud.”
“Kind, wat bedoel je? Hoe oud is hij dan wel?” riep Clara.
“Bijna zeventig, geloof ik,” antwoordde Meta, steken tellende, om den opkomenden lach te verbergen.
“Ondeugd! wij bedoelen natuurlijk het jongemensch Laurence,” zei Belle lachend.
“Die bestaat niet; Laurie is nog maar een jongen,” en Meta lachte ook om den verbaasden blik, dien de zusters met elkander wisselden, toen zij haar onderstelden aanbidder zoo beschreef.
“Zoowat van jouw leeftijd?” vroeg Nan.
“Meer van dien van Jo;ikword al zeventien in Augustus,” antwoordde Meta, het hoofd achterover werpend.
“Aardig van hem je bloemen te sturen, vind je niet?” vroeg Annie en keek alsof ze iets heel gewichtigs zei.
“Ja, hij stuurt ze ons dikwijls, want zij hebben er zoo’n massa, en wij houden er zooveel van. Moeder en de oude heer Laurence zijn vrienden, dus is het heel natuurlijk, dat wij, kinderen, samen spelen,” en Meta hoopte, dat ze er hu over zwijgen zouden.
“Het is duidelijk te merken, dat Daisy nog niet uitgaat,” zei Clara met een knikje tegen Belle.
“Heusch een idyllische eenvoud,” antwoordde juffrouw Belle schouderophalend.
“Ik ga uit om een paar kleinigheden voor de meisjes te koopen; kan ik ook iets voor jullie meebrengen, jonge dames?” vroeg mevrouw Moffat, als een schip met volle zeilen de kamer binnenkomende, sierlijk uitgedost in zijde en kant.
“Neen, dank u, mevrouw,” antwoordde Sallie; “ik heb mijn nieuwe roze zijdje voor Donderdag en heb verder niets noodig.
“Ik ook niet—” begon Meta, maar zweeg, omdat het haar inviel, dat zijwelverscheiden dingen noodig had, maar ze niet kon krijgen.
“Wat doe jij aan?” vroeg Sallie.
“Mijn oude witte weer, als ik die ten minste goed kan verstellen; ik heb den rok den vorigen keer erg gescheurd,” zei Meta, en ze deed haar best kalm te spreken, hoewel ze alles behalve op haar gemak was.
“Waarom schrijf je niet naar huis om een andere?” zei Sallie, die niet bijzonder slim was uitgevallen.
“Ik heb geen andere.” Het kostte Meta moeite dit te zeggen, maar Sallie merkte niets en riep in naïve verbazing:
“Niets dan die eene! Wat grappig—” Ze eindigde haar zin niet, want Belle schudde het hoofd en viel haar vriendelijk in de rede:
“Volstrekt niet grappig; waarom zou Daisy veel japonnen hebben, als ze nog niet uitgaat? Er is niets geen reden om naar huis te schrijven, Daisy, zelfs al had j’ er een dozijn, want ik heb een keurig blauw zijdje, dat ik niet dragen kan, omdat het mij wat nauw is, en jij zult het wel willen aandoen om mij te plezieren.”
“Het is heel vriendelijk van je, maar ik vind het niets naar om mijn witte japon weer aan te trekken, als het jullie hetzelfde is; die is goed genoeg voor mij,” zei Meta.
“Kom, laat ik nu eens het plezier hebben je netjes aan te kleeden. Ik vind het zoo prettig en je zou heusch eene kleine beauté zijn, als er hier en daar maar een kleinigheidje werd aangebracht. Ik zal je aan niemand laten zien, voordat je kant en klaar bent, en dan komen we opeens voor den dag, zooals Asschepoetster en haar petemoei, toen zij naar het bal gingen,” zei Belle overredend.
Meta kon het zoo vriendelijk gedane aanbod niet weerstaan; de begeerte om zelf te zien, of ze “een kleine beauté” zou zijn, als ze wat opgekleed was, drong haar toe te geven, en al haar vroegere, onaangename gevoelens jegens de Moffats te vergeten. Toen de Donderdagavond daar was, sloot Belle zich op met haar kamenier, en die twee veranderden Meta in eene elegante jonge dame.
Ze crêpeerden en krulden haar haar, poederden hals en armen, gaven haar lippen een mooie roode kleur, door er iets koraalzalf op te smeren, en Hortense, de kamenier, zou er graagun soupçon de rouge”aan toegevoegd hebben, als Meta er zich niet tegen verzet had. Het lichtblauwe japonnetje zat zoo strak, dat ze nauwelijks kon ademhalen, en was zoo laag uitgesneden, dat de zedige Meta over zichzelf bloosde, toen ze in den spiegel keek. Verder haalde Belle een fijn zilver kettinkje voor den dag, armbanden, speldjes en al wat er meer noodig bleek. Een toef theerozenknoppen en een ruche om den hals van haar japon verzoenden Meta met het tentoonstellen van haar welgevormde, blanke schouders, en een paar hooggehakte, blauw zijden schoentjes vervulden haar laatsten hartewensch. Eindelijk voltooiden een kanten zakdoek, een veeren waaier en een bouquet in een zilveren houder haar toilet, en Belle bekeek haar met de voldoening, waarmee een klein meisje een nieuw aangekleede pop beschouwt.
“Mademoiselle est charmante, très joli, n’est-ce-pas?” riep Hortense, met gemaakte verrukking de handen in elkander slaande.
“Kom nu mee om je te vertoonen,” zei Belle, en ging haar vooruit naar de kamer, waar de anderen zaten te wachten. Toen Meta ritselend volgde met haar langen sleep, haar rinkelende armbanden, gefriseerdeharen en kloppend hart, had zij een gevoel, alsof de “pret” nu pas wezenlijk zou beginnen, want de spiegel had haar duidelijk gezegd, dat ze een kleine beautéwas. Haar vrienden herhaalden die streelende uitdrukking met warmte, en gedurende verscheidene oogenblikken stond Meta, als de kraai in de fabel, te genieten van haar geleende veeren, terwijl de anderen als een troep eksters om haar heen kakelden.
“Nan, wil jij haar, terwijl ik mij kleed, eens een lesje geven, hoe ze haar sleep moet hanteeren, en oppassen met die Fransche hakken; anders kon ze zoo licht haar voet verstuiken. Steek dat zilveren kapelletje in de ruche van voren en haal dat krulletje aan den linkerkant van haar hoofd nog wat uit, Clara, en laat niemand uwer het bekoorlijke werk mijner handen verstoren,” eindigde Belle plechtig, terwijl ze haastig de kamer uitvloog, zeer voldaan over den goeden uitslag van haar pogingen.
“Ik durf haast niet naar beneden, ik voel me zoo stijf en vreemd, en net of ik maar half ben aangekleed,” zei Meta tegen Sallie, toen de bel luidde en mevrouw Moffat een boodschap zond of de jonge dames dadelijk wilden komen.
“Je lijkt niets op jezelf, maar je ziet er echt elegant uit. Ik ben niets, bij jou vergeleken, want Belle heeft ontzettend veel smaak, en jij bent precies een Françaisetje, heusch! Laat je bloemen gerust wat hangen, je moet er niet zoo bezorgd over zijn, en pas op, dat je niet zwikt,” zei Sallie, die haar best deed niet jaloersch te zijn, dat Meta mooier was dan zij.
De waarschuwing getrouw ter harte nemende, kwam Meta goed en wel beneden en landde in de salon aan, waar de Moffats en enkele vroege gasten reeds verzameld waren. Dadelijk ontdekte ze dat er een soort van aantrekkingskracht in mooie kleeren steekt, ten minste voor een zeker soort van menschen. Verscheiden jonge dames, die den vorigen keer volstrekt niet op haar gelet hadden, werden plotseling zeer hartelijk; verscheiden jongeheeren, die haar bij de eerste partij alleen maar aangestaard hadden, lieten het nu niet bij staren, maar kwamen om aan haar voorgesteld te worden en zeiden haar allerlei dwaze, maar toch aangename dingen; en verscheiden oude dames, die op hun gemak de rest van ’t gezelschap zaten te beoordeelen, vroegen met belangstelling, wie ze was. Eens hoorde ze mevrouw Moffat antwoorden:
“Meta March—de vader is kolonel in het leger—een van onze eerste families, maar ziet u, financieele klappen gehad; intieme vrienden van de Laurences; een allerliefst schepseltje, wezenlijk, mijn Ned dweept met haar!”
“Zoo!” zei de oude dame, haar lorgnet gebruikende om Meta nog eens goed op te nemen, die haar best deed er uit te zien, alsof ze niets gehoord had, maar zich ergerde over Mevrouw Moffat’s leugentje.
Het “rare gevoel” ging niet over, maar ze verbeeldde zich maar,dat ze de rol van “uitgaand meisje” speelde, en dat ging haar nog al goed af, hoewel de nauwe japon haar een steek in de zij bezorgde, de sleep telkens onder haar voeten kwam, en ze in gestadige vrees was, dat haar “sieradiën” afvliegen, en verloren zouden raken. Juist speelde ze met haar waaier, lachend over de flauwe aardigheden van een jongmensch, dat geestig wilde zijn, toen ze eensklaps beschaamd met lachen ophield, want recht tegenover haar stond Laurie. Hij keek haar met ongeveinsde verbazing, en, zooals zij meende, afkeurend aan; want hoewel hij boog en tegen haar glimlachte, was er toch iets in zijn eerlijke oogen, dat haar deed blozen en wenschen, dat ze haar eigen japon aan had. Om haar verlegenheid nog grooter te maken, zag ze, dat Belle een wenk gaf aan Annie, waarop beiden van haar naar Laurie keken, die er tot haar blijdschap echt jongensachtig en verlegen uitzag.
“Malle wezens, om zulke gedachten in mijn hoofd te brengen! Ik ben niet van plan er me iets aan te storen, of er eenigszins anders om te zijn,” dacht Meta, en ruischte de kamer door om haar vriend een hand te geven.
“Ik ben blij, dat je gekomen bent, want ik was bang, dat je niet zoudt kunnen,” zei ze zoo damesachtig mogelijk.
“Jo wou graag dat ik ging, om haar te vertellen, hoe je er uitzag,” zei Laurie zonder haar aan te zien, daar hij lachen moest om haar moederlijken toon.
“En wat zul je haar vertellen?” vroeg Meta, brandend nieuwsgierig zijn meening omtrent haar te hooren, en toch voor het eerst niet heelemaal met hem op haar gemak.
“Ik zal zeggen, dat ik je niet herkende, want je ziet er zoo deftig en ongewoon uit, dat ik haast bang voor je ben,” zei hij, en frommelde aan het knoopje van zijn handschoen.
“Bespottelijk! de meisjes kleedden mij voor de aardigheid zoo mooi aan, en ik vind het wel prettig. Zou Jo niet vreemd opkijken, als ze me zag?” vroeg Meta, vast besloten van hem te hooren, of hij haar mooier vond dan anders of niet.
“Ja, dat zou ze zeker,” antwoordde Laurie ernstig.
“Vind jij niet, dat ik er zoo aardig uitzie?” vroeg Meta.
“Neen,” was het openhartig antwoord.
“Waarom niet?” klonk het op bezorgden toon.
Hij zag naar haar gekapt hoofd, bloote schouders en druk gegarneerde japon met een uitdrukking, die haar nog meer terneersloeg dan zijn antwoord, dat geen greintje van zijn gewone beleefdheid bevatte.
“Ik hou niet van al dat lawaai.”
Dat was ál te erg van een jongen, jonger dan zij zelf, en Meta stapte weg, na hem op beleedigden toon toegevoegd te hebben:
“Je bent de onhebbelijkste jongen, dien ik ooit gezien heb.”
Zeer ontstemd ging ze naar een rustig hoekje bij een open raam om haar wangen wat te verkoelen, want de nauwe japon bezorgdehaar een lastig hoogen blos. Terwijl ze daar stond, ging majoor Lincoln voorbij, en hoorde ze hem een oogenblik later tegen zijn moeder zeggen:
“Ze maken een zottin van dat kleine meisje: ik had haar u zoo graag eens laten zien, maar ze hebben haar hier totaal bedorven; ze is van avond niets dan een pop.”
“Och!” zuchtte Meta, “ik wou, dat ik maar verstandig was geweest en mijn eigen japon gedragen had; dan zouden andere menschen niet ’t land aan me hebben gekregen en had ik mezelf niet zoo onplezierig en beschaamd gevoeld.”
Met haar voorhoofd tegen het koele glas, stond ze half verborgen door de gordijnen, zonder er zich om te bekommeren, dat haar geliefkoosde wals een aanvang had genomen, toen iemand haar aanraakte. Zich omkeerende, zag ze Laurie staan; met een schuldig gezicht en zijn allerdiepste buiging zei hij, haar de hand toestekend:
“Vergeef me als’tjeblieft mijn onbeleefdheid en kom met mij dansen.”
“Ik ben bang, dat het al te onplezierig voor je zal zijn,” zei Meta, haar best doende beleedigd te kijken, wat haar echter volkomen mislukte.
“Volstrekt niet, iksterfvan verlangen. Kom, ik zal braaf zijn, ik vind je japon akelig, maar je bent anders—prachtig;” en hij maakte een handbeweging, alsof woorden ontbraken om zijn bewondering lucht te geven.
Meta glimlachte, gaf toe en fluisterde, terwijl ze even wachtten om in de maat te komen:
“Pas op, dat mijn sleep niet onder je voeten komt, hij is de plaag van mijn leven; en ik was een eend, dat ik die japon ooit heb willen aandoen.”
“Speld het ding om je hals, dan doet het nog nut,” zie Laurie, naar de kleine, blauwe schoentjes kijkende, die hij klaarblijkelijk goedkeurde.
Weg vlogen ze, licht en bevallig; want daar ze zich thuis dikwijls geoefend hadden, kwamen zij goed bij elkander, en het vroolijke jonge paar, dat daar zoo opgewekt ronddraaide,—na hun kleinen twist vriendschappelijker dan ooit gestemd—maakte op ieder een prettigen indruk.
“Laurie, wil je me een plezier doen?” vroeg Meta, toen hij haar moest “bewaaien”, omdat ze dien avond zoo bizonder gauw buiten adem was, hoewel zij het niet wilde erkennen.
“Zeker!” riep Laurie bereidwillig.
“Vertel ze dan als’tjeblieft thuis niets van deze japon. Ze zouden er de aardigheid niet van begrijpen, en het zou Moeder hinderen.”
“Waarom deed je het dan?” vroegen Laurie’s oogen zoo duidelijk, dat Meta er haastig bijvoegde:
“Ik zal het zelf wel vertellen en aan Moeder zeggen hoe dwaas ik geweest ben. Maar ik doe het liever zelf; dus jij houdt je mond, hè?”
“Ik geef je mijn woord, dat ik zwijgen zal, maar wat moet ik zeggen, als ze er mij naar vragen?”
“Zeg maar, dat ik er lief uitzag, en veel plezier had.”
“Het eerste wil ik met alle genoegen zeggen, maar wat het andere betreft? Je ziet er niet uit, alsof je veel plezier hebt,” en Laurie zag haar aan met een uitdrukking, die haar fluisterend deed antwoorden:
“Neen, vanavond niet. Vind me nu maar niet afschuwelijk, ik verlangde naar wat plezier, maar dit soort valt toch niet mee en ik heb er nu al genoeg van.”
“Daar komt Ned Moffat, wat moet die?” vroeg Laurie, terwijl hij zijn zwarte wenkbrauwen samentrok, alsof hij zijn jongen gastheer geen aangename vermeerdering van het gezelschap vond.
“Hij heeft zich voor drie dansen ingeschreven, en ik vermoed, dat hij daarom komt; wat vervelend!” zuchtte Meta, met een gemaakt, kwijnend lachje, dat Laurie allervermakelijkst vond.
Hij sprak haar niet meer tot na het souper, toen hij haar champagne zag drinken met Ned en zijn vriend Fisher, die zich als een “paar gekken aanstelden,” zooals Laurie bij zichzelf zei, want hij voelde een soort van broederlijk recht om over de Marches te waken en voor hen op te komen, zoodra ze een verdediger noodig hadden.
“Je zult morgen geduchte hoofdpijn hebben, als je daar veel van drinkt. Ik zou het niet doen, Meta, je moeder vindt het niet goed, dat weet je wel,” fluisterde hij over haar stoel gebogen, toen Ned zich omdraaide om haar glas weer te vullen, en Fisher zich bukte om haar waaier op te rapen.
“Ik ben van avond “Meta” niet; ik ben “een pop”, die allerlei dwaze dingen doet. Morgen doe ik al “dat lawaai” af en ben weer wanhopig braaf,” antwoordde ze met een gemaakt lachje.
“Ik wou dan maar, dat het morgen was,” mompelde Laurie, weinig gesticht over de verandering, die hij in haar opmerkte.
Meta danste en coquetteerde, babbelde en gichelde, precies als de andere meisjes. Na het souper deed ze mee aan een nieuwen dans, hoewel ze er niets van kende, liet haar heer bijna vallen over haar lange japon en gedroeg zich op een manier, waarover Laurie, die toekeek, zich schaamde, zoodat hij zich voornam haar de les eens te lezen. Maar hij zag geen kans het zoover te brengen, want Meta hield zich op een afstand, tot hij afscheid van haar kwam nemen.
“Denk er aan!” zei ze, met moeite glimlachend, want de zware hoofdpijn liet zich reeds voelen.
“Silence à la mort,” antwoordde Laurie met een sierlijke buiging.
Dit apartje wekte Annie’s nieuwsgierigheid op; maar Meta was te moe om napraatjes te houden en ging naar bed, met een gevoel, alsof zij op een maskerade was geweest en niet zooveel plezier had gehad, als ze zich had voorgesteld. Den volgenden dag was ze ziek en Zaterdags ging ze naar huis, door en door vermoeid van deprettige dagen, en overtuigd, dat ze lang genoeg “in den schoot der weelde” had geleefd.
“Heerlijk, hier weer eens rustig te zitten en niet den heelen tijd zoo opgeschroefd te moeten doen. Het is thuis toch welergprettig, al is het er lang niet zoo prachtig als bij de Moffats,” zei Meta, vroolijk rondziende, toen ze Zondagsavonds met haar moeder en Jo gezellig zat te praten.
“Ik ben blij, dat ik je dat hoor zeggen, mijn kind, want ik was bang, dat het je hier te saai en te eenvoudig zou toeschijnen, na al het moois, dat je daar gezien hebt,” antwoordde haar moeder, die haar oudste dien dag menigmaal bezorgd had aangezien, want moederoogen zien dadelijk de minste verandering op het gezicht hunner kinderen.
Meta had haar wederwaardigheden vroolijk verteld, en meer dan eens gezegd, dat ze zoo’n heerlijken tijd had gehad, maar het scheen alsof haar nog iets op het hart lag, en toen de jongere meisjes naar bed waren, zat ze peinzend in ’t vuur te staren, zei weinig en zag er verdrietig uit. Toen het negen uur sloeg en Jo al voorstelde ook naar boven te gaan, stond Meta plotseling van haar stoel op, nam Bets’ bankje, steunde de ellebogen op haar moeders schoot en begon zoo kordaat mogelijk:
“Moeder, ik moet u wat vertellen.”
“Dat dacht ik wel. Wat is het, lieveling?”
“Zal ik verdwijnen?” vroeg Jo bescheiden.
“Natuurlijk niet, ik vertelde immers altijd alles? Ik schaamde er mij over om het te vertellen, terwijl de kleintjes er nog waren, maar ik wou, dat u al de schandelijke dingen wist, die ik bij de Moffats gedaan heb.”
“Wij luisteren,” zei mevrouw March glimlachend, maar toch wel wat bezorgd.
“Ik heb u wel verteld, dat ze mij wat opsierden, maar niet, dat ze me blanketten en inregen en friseerden, en er mij deden uitzien als een modeplaatje. Laurie vond het niet netjes; ik weet, dat hij er zoo over dacht, hoewel hij het niet zei, en een van de heeren noemde me een “pop.” Ik weet, dat het dwaas was, maar ze vleiden mij zoo en zeiden, dat ik een kleine beauté was en nog allerlei nonsens meer, en zoo liet ik met me spelen.”
“Is dat alles?” vroeg Jo, toen mevrouw March zwijgend staarde op het verlegen gezicht van haar mooi dochtertje, en niet het hart had haar te bestraffen over haar kleine dwaasheden.
“Neen, ik dronk champagne, en was veel te druk en ik flirtte, en, en—’k was in één woord onuitstaanbaar,” bekende Meta berouwvol.
“Er is nog iets meer, geloof ik,” en mevrouw March liefkoosde de zachte wang, die plotseling bloosde, toen Meta langzaam zei:
“Ja, het is heel mal, maar ik wou het toch maar vertellen, omdat ik het zoo naar vind, dat de menschen zulke dingen over ons en Laurie zeggen en denken.”
Toen deelde ze de praatjes mee, die ze bij de Moffats gehoord had, en onder het verhaal zag Jo, dat haar moeder de lippen op elkaar klemde, alsof het haar zeer onaangenaam aandeed, dat zulke gevoelens opgewekt waren in Meta’s onschuldig gemoed.
“Stel je voor! De grootste onzin, dien ik ooit gehoord heb!” riep Jo verontwaardigd. “Waarom kwam je niet dadelijk te voorschijn en bracht het hun aan het verstand?”
“Ik kon niet; het was zoo moeilijk voor me. In het begin kon ik niet helpen, dat ik het hoorde, en daarna was ik te boos en te beschaamd, om er aan te denken, dat ik behoorde heen te gaan.”
“Wacht maar, totikdie Annie Moffat eens zie, dan zal ik je eens toonen, hoe je zulke malle praatjes den kop moet indrukken. Verbeeld je, wij “plannen” hebben en vriendelijk zijn tegen Laurie, omdat hij rijk is, en mettertijd met een van ons zou kunnen trouwen! Wat zal hij lachen, als ik hem vertel, wat idiote dingen die malle menschen over ons gezegd hebben!” en Jo lachte hartelijk, alsof, bij nader inzien, de zaak haar een grap toescheen.
“Als je ’t aan Laurie vertelt, vergeef ik ’t je nooit! Ze mag het niet vertellen, wel Moeder?” zei Meta verschrikt.
“Neen, breng die dwaze praatjes niet verder en vergeet ze zoo gauw mogelijk,” zei mevrouw March ernstig. “Het was niet verstandig van me je bij menschen te laten logeeren, die ik zoo weinig ken; ze zijn zeker heel vriendelijk, maar wereldsch, niet fijnbeschaafd en vol onkiesche gedachten over jonge menschen. Het spijt me meer dan ik je zeggen kan, Meta, want dit bezoek heeft je misschien veel kwaad gedaan.”
“Trek er u maar niets van aan; ik zal zorgen, dat het mij geen kwaad doet; ik zal al het kwade vergeten, en alleen aan het goede denken, want ik heb er ook veel genoten en dank u wel, dat u mij hebt laten gaan. Ik zal niet sentimenteel of ontevreden zijn, Moeder; ik weet, dat ik dwaas gedaan heb en beter doe thuis te blijven, tot ik op mezelf kan passen. Maar hetisprettig geprezen en bewonderd te worden, en ik kan niet helpen, dat ik het vind,” zei Meta, half beschaamd over haar bekentenis.
“Dat is heel natuurlijk en onschuldig; als dat “prettig vinden” maar geen hartstocht wordt en er je toe brengt dwaze of onvrouwelijke dingen te doen. Leer den lof kennen en op prijs stellen, die waard is verdiend te worden, en streef naar de bewondering van uitnemende menschen, door zoowel natuurlijk en bescheiden als lief te zijn, Meta.”
Meta stond een oogenblik in gedachten, terwijl Jo haar, met de handen op den rug, belangstellend en verbaasd aankeek; want het was iets geheel nieuws Meta te zien blozen en praten over bewondering, aanbidders en dergelijke dingen, en Jo had een gevoel, alsof haar zuster gedurende die veertien dagen veel ouder was geworden en op het punt stond een wereld binnen te gaan, waar zij haar niet kon volgen.
“Moeder,hebtu “plannen”, zooals mevrouw Moffat zei,” vroeg Meta verlegen.
“Ja, mijn kind, een heele boel; alle moeders maken ze; maar de mijne verschillen nogal veel van die van mevrouw Moffat, denk ik. Ik zal er je een paar van vertellen, want de tijd is gekomen, dat een enkel woord dit dwepend hoofdje en hartje op een zeer gewichtig punt tot rust kan brengen. Je bent wel jong, Meta, maar niet te jong om mij te begrijpen en Moeders zijn het meest geschikt om over zulke dingen met hun meisjes te spreken. Ja, jouw tijd zal misschien ook wel eens komen, luister dus ook naar mijn “plannen,” en help me ze ten uitvoer brengen, als ze goed zijn.”
Jo kwam op de armleuning van den stoel zitten, met een gezicht alsof ze dacht, dat het een zeer gewichtige gebeurtenis gold. Met de hand van haar dochters in de hare en de twee jeugdige gezichtjes met teederheid beschouwende, zei mevrouw March op haar ernstige, maar toch opgeruimde manier:
“Ik hoop, dat mijn dochters mooi, beschaafd en goed zullen worden; bewonderd, geliefd en geacht zullen zijn, eene onbezorgde jeugd zullen hebben, gelukkig en goed mogen trouwen, en een nuttig, aangenaam leven zullen kunnen leiden, door zoo weinig zorg en droefheid gekweld, als met Gods raad bestaanbaar is. Bemind en ten huwelijk gevraagd te worden door een goed man is het beste en liefelijkste lot, wat voor een vrouw weggelegd is, en ik hoop van harte, dat mijn meisjes die heerlijke ervaring zullen leeren kennen. Het is heel natuurlijk dat je er wel eens over denkt, Meta, volkomen geoorloofd het te hopen, en verstandig er je op voor te bereiden, zoodat je, wanneer die gelukkige tijd aanbreekt, gereed zult zijn voor de plichten, en het geluk waardig. Mijn lieve kinderen, ik stel mijn wenschen voor jullie heel hoog, maar begeer niet, dat je vooruit zoudt komen in de wereld door een rijk man te trouwen, alleen omdat hij rijk is, of een prachtig huis zoudt hebben, dat geen thuis is, omdat de liefde er ontbreekt. Geld is iets heel noodigs en begeerlijks in het leven en een zegen als het goed gebruikt wordt; maar ik zou niet willen, dat jullie het beschouwden, als den eersten of eenigen prijs, die te behalen is. Ik zou jullie liever gelukkig getrouwd zien met een arm man, dan als koningin op een troon, zonder vrede en achting voor je zelf.”
“Arme meisjes hebben geen kans, zegt Belle, als ze zich niet een beetje op den voorgrond stellen,” zuchtte Meta.
“Dan zullen wij oude vrijsters dienen te blijven,” zei Jo opgewekt.
“Goed zoo, Jo; het is beter een gelukkige, oude vrijster te zijn, dan een ongelukkige echtgenoot of onvrouwelijk meisje, dat haar best doet om een man te vinden,” zei mevrouw March.
“Maak je niet ongerust, Meta, armoede schrikt zelden een ernstig man af. Sommige der beste en meest geachte vrouwen onder mijn kennissen, waren arme meisjes, maar zoo beminnelijk, dat men ze geen gelegenheid liet oude vrijsters te worden. Laat diedingen maar over aan den tijd, maak dit thuis maar gelukkig, zoodat jullie geschikt zult zijn voor een eigen huis als het je aangeboden mocht worden, maar je hier ook tevreden gevoelen kunt, als dit niet het geval is. Onthoudt dit eene, mijn lieve kinderen, Moeder staat altijd klaar om je vertrouwde, Vader om je vriend te zijn; en wij beiden gelooven en hopen, dat onze dochters, getrouwd of ongetrouwd, de trots en vreugde van ons leven zullen uitmaken.”
“Dat zullen we, Moeder, dat zullen we!” riepen beiden uit het diepst van hun hart, toen mevrouw March hen goeden nacht kuste.
Toen de lente aanbrak, kwamen er verschillende, nieuwe vermakelijkheden aan de orde, en de lengende dagen brachten lange namiddagen voor werk en spel van allerlei aard. De tuin moest in orde gebracht worden, en ieder der meisjes had een klein lapje om mee te doen wat zij zelf wilde. Hanna zei altijd: “Ik zou je dadelijk kunnen vertellen, van wie de tuintjes waren, al zag ik ze ook in China,” en ze had gelijk, want de smaak der meisjes verschilde evenveel als hun karakters. Meta had er rozen en heliotropen, een mirthe- en een oranjeboompje in. Dat van Jo was nooit tweemaal hetzelfde, want ze probeerde telkens weer iets anders; dit jaar was het een kweekerij van zonnebloemen; van die vroolijke, hoogop strevende planten had ze het zaad tot voedsel bestemd voor “tante Kloek” en haar familie kuikentjes. Bets had ouderwetsche bloemen in haar tuin: heerlijke balsemienen en reseda, riddersporen, anjelieren, viooltjes, akeleien, muur voor haar vogel, en kattekruid voor de poesjes. Amy had een prieeltje in haar tuintje, wel klein en vol oorwurmen, maar aardig voor het oog, heelemaal overdekt met kamperfoelie en morgenschoon, die hun veelkleurige hoorntjes en klokjes in sierlijke guirlandes lieten afhangen; voorts groote witte lelies, fijne varens en zooveel schitterende, decoratieve planten als wel de goedheid wilden hebben daar te bloeien.
Tuinarbeid, wandelingen, roeitochtjes op de rivier en het verzamelen van wilde bloemen namen de mooie dagen in; en voor de regenachtige hadden ze vermakelijkheden binnenshuis, sommige oud, sommige nieuw,—alle meer of minder oorspronkelijk. Een van deze was de “P.C”, want daar geheime genootschappen in zwang waren, vonden de meisjes het noodig er ook een te hebben; en daar ze alle vier met Dickens dweepten, noemden ze zich “de Pickwick” Club. Een jaar lang hadden ze dit vrij geregeld volgehouden, en waren ze elken Zaterdagavond te zamen gekomenop den grooten zolder, welke vergaderingen met de volgende plechtigheden gepaard gingen: Drie stoelen werden op een rij achter een tafel gezet; op die tafel stond een lamp, en lagen vier witte kaartjes, de clubinsignes met een groote “P.C.” er op in vier verschillende kleuren, en het weekblad, dat de “Pickwick Portefeuille” werd genoemd, en waaraan ieder haar bijdrage moest leveren. Jo, nooit gelukkiger, dan wanneer ze pen en inkt hanteerde, was redacteur. Om zeven uur trokken de vier leden naar de vergaderzaal, bonden zich de insignes om het hoofd, en namen met groote deftigheid plaats. Meta, als de oudste, stelde Samuel Pickwick voor; Jo, als de meest literarisch ontwikkelde, Augustus Stockwall; Bets, omdat zij een blozend tonnetje was, Tracy Tupman; en Amy, die altijd probeerde te doen, wat ze toch niet kon, Nathaniël Winkle. Pickwick, de president, las het blad voor, dat gevuld was met oorspronkelijke verhalen, dichtstukjes, plaatselijk nieuws, grappige advertenties, en wenken, waarmee ze elkander op een aardige manier opmerkzaam maakten op hun gebreken en tekortkomingen. Bij een dezer gelegenheden zette de heer Pickwick zijn bril op zonder glazen, tikte op de tafel, kuchte, en begon te lezen, na eerst den heer Stockwall ernstig te hebben aangestaard, die achterover in zijn stoel gevallen was van ’t lachen, en zoo tot de orde moest geroepen worden.