Hoofdstuk XXI.

Het was den volgenden dag de moeite waard Jo’s gezicht te zien, want het geheim drukte haar en ze kon de verzoeking bijna niet weerstaan, zich geheimzinnig en gewichtig voor te doen. Meta bemerkte dit wel, maar nam de moeite niet haar te ondervragen, bij ondervinding wetende, dat ze Jo het eerst tot iets kreeg als ze er zich onverschillig voor toonde; ze rekende er dus vast op, dat ze alles hooren zou, wanneer ze maar niets vroeg. Het verwonderde haar dan ook geducht, dat het stilzwijgen niet werd opgeheven en Jo een beschermende houding tegenover haar aannam, iets wat Meta in de hoogste mate ergerde, zoodat zij op haar beurt zich in een wolk van waardige terughoudendheid hulde en zich geheel aan haar moeder wijdde. Daardoor was Jo aan zichzelf overgelaten, want mevrouw March had haar plaats als verpleegster ingenomen, en haar geraden, na de lange opsluiting inde ziekenkamer, eens goed uit te rusten, beweging buiten te nemen en zich te ontspannen. Nu Amy van huis was, bleef Laurie haar eenige toevlucht: maar hoe graag Jo ook met hem samen was, zou ze hem juist nu liever minder gezien hebben, want hij was een onverbeterlijke plaaggeest en ze vreesde, dat hij haar ’t geheim nog zou ontfutselen.

En daar had ze gelijk in; want niet zoodra kreeg het jongemensch de lucht van een geheim, of hij zette er zich toe om het uit te visschen en liet Jo rust noch duur. Hij probeerde het op alle manieren: door vleien, omkoopen, bespotten, dreigen en opspelen; hij wendde onverschilligheid voor, om bij verrassing achter de waarheid te komen; verklaarde nu eens dat hij alles wist en dan weer dat hij er niets om gaf, en ontdekte ten laatste, als vrucht van zijne onverpoosde volharding, dat het Meta en Brooke betrof. Verontwaardigd, dat hij niet door zijn goeverneur in vertrouwen was genomen, spande hij nu al zijn vernuft in om een geschikte wraakoefening voor deze beleediging uit te denken.

Meta had intusschen schijnbaar alles vergeten, en was verdiept in de toebereidselen voor haar vaders thuiskomst; maar plotseling kwam er een volslagen verandering in haar, en gedurende een paar dagen was zij heel anders dan gewoonlijk. Ze schrikte als ze aangesproken werd, bloosde wanneer men haar aankeek, was bizonder stil, en zat met een bedeesd en ernstig gezicht te naaien. Op de bezorgde vragen van haar moeder antwoordde zij, dat ze volkomen wel was, en ze bracht Jo tot zwijgen, door het verzoek zichalstjeblieftniet met haar te bemoeien.

“Ze voelt, dat het in de lucht zit—liefde, meen ik—en ze gaat al hard vooruit. De meeste kenteekenen zijn er al; ze is kribbig en knorrig, eet niet, ligt ’s nachts wakker en zit in hoeken te peinzen. Ik betrap haar telkens op het neuriën van sentimenteele liedjes, en eens zei ze “John” net als u, en werd toen zoo rood als een biet. Wàt zullen we nou beginnen?” zei Jo, met een gezicht, alsof ze zelfs voor de meest krasse middelen niet zou terugdeinzen.

“Kalm afwachten! Laat haar met rust, wees vriendelijk en geduldig en als Vader thuis is, zal alles wel terecht komen,” antwoordde mevrouw March.

“Hier is een brief voor je, Meta, met vijf lakken. Wat raar! Teddy verzegelt de mijne nooit,” zei Jo den volgenden dag, toen ze den inhoud van de postbus verdeelde.

Mevrouw March en Jo waren beiden verdiept in hun eigen bezigheden, toen een kreet van Meta hen deed opzien, en daar stond ze met verschrikte oogen op haar briefje te staren.

“Kind, wat is er?” riep haar moeder naar haar toegaande, terwijl Jo het velletje, dat die uitwerking had gehad, trachtte te grijpen.

“Het was een vergissing—het wàs niet van hem—o Jo, hoe kon jezooietsdoen?” en Meta verborg haar gezicht in haar handen, en schreide alsof haar hart zou breken.

“Ik? Ik heb niets gedaan! Waar praat ze toch over?” riep Jo verbijsterd uit.

Meta’s vriendelijke oogen schoten vuur, toen zij een verkreukeld briefje uit haar zak haalde, het Jo toewierp en op verwijtenden toon zei:

“Jij hebt dit geschreven, en die akelige jongen heeft je geholpen. Hoe konden jullie zoo ruw, zoo min en zoo wreed jegens ons beiden handelen?”

Jo hoorde nauwelijks wat ze zei, want ze was bezig met haar moeder het briefje te lezen, waarin, met een eigenaardige hand geschreven, stond:

Mijn liefste Meta.Ik kan mijn gevoel niet langer bedwingen en moet de beslissing van mijn lot weten, voor ik terugkom. Ik durf nog niet met uw ouders spreken, maar ik geloof wel dat ze hun toestemming zullen geven, wanneer ze weten, dat wij elkander liefhebben. De oude heer Laurence zal mij wel aan een goede betrekking helpen en dan, mijn lief meisje, zul je mij gelukkig maken, is ’t niet? Ik smeek je nog niets aan je familie te zeggen, maar door Laurie een enkel hoopgevend woord te zenden aan jezoo innig liefhebbendenJohn.

Mijn liefste Meta.

Ik kan mijn gevoel niet langer bedwingen en moet de beslissing van mijn lot weten, voor ik terugkom. Ik durf nog niet met uw ouders spreken, maar ik geloof wel dat ze hun toestemming zullen geven, wanneer ze weten, dat wij elkander liefhebben. De oude heer Laurence zal mij wel aan een goede betrekking helpen en dan, mijn lief meisje, zul je mij gelukkig maken, is ’t niet? Ik smeek je nog niets aan je familie te zeggen, maar door Laurie een enkel hoopgevend woord te zenden aan je

zoo innig liefhebbenden

John.

“O, die leelijke jongen! Op die manier dacht hij me dus te straffen, omdat ik mijn woord aan Moeder niet wou breken. Ik zal hem een stevige schrobbeering geven, en hem meebrengen om vergeving te vragen,” riep Jo, van verlangen brandende, om snel recht te doen. Maar haar moeder riep haar terug, terwijl ze met een blik, die zelden op haar gelaat gezien werd, zei:

“Wacht, Jo, je moet eerst rekenschap geven van je gedrag. Je hebt zoo veel guitenstreken uitgevoerd, dat ik vrees, dat je ook hierin de hand gehad hebt.”

“Neen, heusch niet, Moeder, op mijn woord van eer. Ik heb dat briefje nooit gezien, en ik weet er niets van, zoo waar ik leef!” betuigde Jo zóó ernstig, dat mevrouw March haar geloofde. “Als ik er de hand in gehadhad, zou ik het beter gedaan en een verstandiger briefje geschreven hebben. Me dunkt, Meta, dat je wel had kunnen begrijpen, dat Brooke niet zulken onzin schrijven zou,” voegde ze er bij, het papier verachtelijk op den grond gooiende.

“Het is precies zijn schrift,” stamelde Meta, terwijl ze het vergeleek met het briefje, dat ze nog in de hand hield.

“O, Meta, je hebt er toch niet op geantwoord?” riep mevrouw March verschrikt uit.

“Ja, dat heb ik wel,” en diep beschaamd verborg Meta haar gezicht weer.

“Dat is een gek geval! O, laat me toch dien ellendigen jongenhier halen, om alles uit te leggen en zijn portie te krijgen! Ik heb geen rust, voor ik hem hier heb,” en Jo stapte weer naar de deur.

“Stil, ik zal de zaak behandelen, want het is erger, dan ik dacht. Meta, vertel mij de heele geschiedenis,” beval mevrouw March, terwijl zij naast Meta ging zitten, maar Jo bij de hand hield, uit vrees, dat ze weg zou vliegen.

“Den eersten brief kreeg ik door Laurie, die er uitzag, alsof hij van niets wist,” begon Meta, zonder op te zien.

“Eerst bezwaarde het mij en wou ik het u vertellen; toen bedacht ik, hoeveel u van Brooke houdt, en meende dus dat u er niets tegen zou hebben, dat ik mijn geheim nog een paar dagen bewaarde. Ik was zoo flauw het aardig te vinden, dat niemand er iets van wist; en terwijl ik er over dacht, welk antwoord ik geven zou, voelde ik mij net als de meisjes in boeken, die zulke dingen ondervinden. O, Moeder, ik ben er wel voor gestraft; ik durf hem nooit weer aan te zien.”

“Wat heb je hem geantwoord?” vroeg mevrouw March.

“Ik heb alleen gezegd, dat ik nog te jong was om aan zulke dingen te denken; dat ik geen geheimen voor u wou hebben, en dat hij met Vader spreken moest. Dat ik hem heel dankbaar was voor zijn goede opinie, en dat ik graag zijn vriendin wou zijn, maar vooreerst niets meer.”

Mevrouw March glimlachte tevreden en Jo klapte in de handen, terwijl ze lachend uitriep:

“Je bent bijna een Caroline Percy, dat beroemde model van voorzichtigheid! Verder Meta. Wat antwoordde hij daarop?”

“Hij schrijft nu op een totaal anderen toon; zegt dat hij mij nooit een brief geschreven heeft, en dat het hem zeer spijt, dat mijn ondeugende zuster Jo zich zulke vrijheden met onze namen veroorloofd heeft. De brief is heel vriendelijk en beleefd, maar o, denkt u eenshoeverschrikkelijk het voor me is.”

Meta leunde tegen haar moeder aan als een toonbeeld van wanhoop, en Jo liep de kamer op en neer, terwijl ze Laurie voor alles uitmaakte. Opeens stond ze stil, nam de beide briefjes op, en na ze nauwkeurig vergeleken te hebben, zei ze beslist: “Ik geloof niet dat Brooke ooit één van deze beide briefjes gezien heeft. Teddy heeft ze allebei geschreven, en het jouwe gehouden om over mij te triomfeeren, omdat ik hem mijn geheim niet wou vertellen.”

“Heb maar liever geen geheimen, Jo; vertel alles aan Moeder en houd je buiten alle gezeur, zooals ik gedaan moest hebben,” zei Meta waarschuwend.

“Hemel kind, Moeder heeft het mezelf verteld.”

“Genoeg, Jo. Ik zal Meta zien te troosten, terwijl jij Laurie gaat halen. We zullen deze zaak tot den bodem toe onderzoeken, en aan zulke grappen voorgoed een einde maken.”

Weg draafde Jo, en mevrouw March vertelde Meta voorzichtig den waren toestand van Brooke’s gevoelens. “En nu mijn kind,hoe staat het met jezelf? Heb je hem lief genoeg, om te wachten, tot hij je een tehuis kan verschaffen, of verlang je nog geheel vrij te blijven?”

“Ik ben zoo kwaad en verdrietig, dat ik er vooreerst heelemaal niet meer aan denken wil, en misschien wel nooit meer,” antwoordde Meta kregel. “Als Johnwezenlijkniets van die zotte geschiedenis weet, vertel het hem dan niet, en laten Jo en Laurie hun mond houden. Ik wil niet bedrogen en geplaagd en voor den gek gehouden worden—’t is schande!”

Daar mevrouw March zag, dat de gewoonlijk zoo zachte Meta nu bepaald innig gegriefd was, en in haar trots gekwetst door de ongepaste grap, trachtte ze haar te kalmeeren met beloften van volslagen stilzwijgen en groote bescheidenheid voor het vervolg. Zoodra Laurie’s stap in de gang gehoord werd, vluchtte Meta in de studeerkamer, en mevrouw March ontving den schuldige alleen. Jo had hem niet verteld waarom hij komen moest, uit vrees dat hij dan niet zou willen, maar hij wist het, zoodra hij het gezicht van mevrouw March zag, en stond zijn hoed rond te draaien met een beschaamd gezicht, dat duidelijk van zijn schuld getuigde. Jo werd weggezonden, maar bleef als een schildwacht in de gang op en neer stappen, uit vrees, dat de gevangene mocht willen vluchten. Gedurende een half uur hoorde ze het geluid van stemmen in de huiskamer, maar wat bij dat onderhoud voorviel, kwamen de meisjes nooit te weten.

Toen zij binnen werden geroepen, stond Laurie met zoo’n berouwvol gezicht bij hun moeder, dat Jo hem onmiddellijk vergaf, hoewel ze het niet raadzaam vond dit te laten blijken. Meta nam zijn nederige verontschuldigingen genadig aan, en voelde zich zeer gerustgesteld door de verzekering, dat Brooke niets van de grap wist.

“Ik zal het hem niet vertellen, nooit, al werd ik er ook voor op de pijnbank gelegd; vergeef ’t me dus maar, Meta; ik zal alles doen om je te toonen, hoe ontzettend het mij spijt,” voegde hij er beschaamd bij.

“Ik zal het probeeren, maar het was min van je, zooiets te doen. Ik dacht niet, dat je zoo geslepen en slecht kon zijn, Laurie,” antwoordde Meta, die haar verlegenheid onder een ernstig verwijtende houding trachtte te verbergen.

“Ja, het was min, en ik verdien, dat je in een maand niet tot mij spreekt; maar dat zul je toch wel, hé?” en Laurie vouwde de handen met zulk een comisch smeekend gebaar, wendde de oogen zoo aandoenlijk ten hemel, en sprak op zoo’n onweerstaanbaar overredenden toon, dat het, ondanks zijn afkeurenswaardig gedrag, onmogelijk was hem langer kwaad aan te zien. Meta vergaf hem, en hoewel mevrouw March haar best deed ernstig te blijven, verloor haar gelaat toch iets van zijn strengheid, toen ze hem hoorde verklaren, dat hij bereid was zich alle mogelijke penitentiën voorzijn euveldaden te laten welgevallen, en dat hij zich als een worm in het stof voor de beleedigde jonkvrouw wilde vernederen.

Jo bleef intusschen zeer statig staan en trachtte haar hart tegen hem te verharden, maar het lukte haar alleen een heel verontwaardigd gezicht te zetten. Laurie zag haar een paar maal aan, maar toen ze geen blijk van toenadering gaf, voelde hij zich beleedigd en keerde haar den rug toe, tot de anderen hem genoeg gekapitteld hadden, waarna hij een diepe buiging voor haar maakte, en zonder verder een woord te spreken, verdween.

Zoodra hij weg was, wenschte ze dat zij meer vergevensgezind geweest was; en toen Meta en haar moeder naar boven gingen, voelde ze zich erg eenzaam en verlangde naar Teddy. Na een poos vruchteloos tegen dit verlangen gestreden te hebben, gaf ze er aan toe en ging naar het groote huis, gewapend met een boek, dat ze geleend had en nu terug kon brengen.

“Is mijnheer thuis?” vroeg Jo aan een der dienstboden, die juist de trap afkwam.

“Ja, juffrouw, maar ik geloof niet, dat hij op het oogenblik te spreken is.”

“Waarom niet, is hij ziek?”

“O, heden neen, juffrouw; maar er schijnt wat voorgevallen tusschen hem en jongeheer Laurie, die zeker weer het een of ander uitgevoerd heeft. De oude heer was tenminste bar uit zijn humeur. Ik durf dus niet naar hem toegaan.”

“Waar is Laurie?”

“Die heeft zich in zijn kamer opgesloten, en wou niet antwoorden toen ik klopte. Ik weet niet wat er van het eten moet worden, want het staat klaar en niemand komt beneden.”

“Ik zal eens gaan kijken wat er aan scheelt. Ik ben voor geen van beiden bang.”

Jo wipte naar boven, en klopte luid op de deur van Laurie’s zitkamertje.

“Schei uit, of ik zal open doen, en ’t je afleeren!” riep het jongemensch op dreigenden toon.

Aanstonds ging Jo weer aan het bonzen; de deur vloog open, en zij was binnen, eer Laurie van zijn verbazing bekomen kon. Toen Jo, die wel wist hoe ze met hem om moest springen, zag dat hij wezenlijk kwaad was, nam ze een boetvaardige houding aan, en plechtstatig voor hem op de knieën neerzinkende, zei ze zachtzinnig: “Vergeef me, dat ik zoo geweest ben. Ik kwam hier om het weer goed te maken en ik ga niet weg, voor het in orde is.”

“Mooi! maar sta nu maar op, en wees geen eend, Jo,” was het ridderlijke antwoord op haar smeekbede.

“Dank je, ’k zal zoo vrij zijn. Zou ik mogen vragen wat er aan scheelt? Je ziet er niet bepaald opgeruimd uit.”

“Ik ben door elkander geschud, en dat verdráág ik niet,” snauwde Laurie verontwaardigd.

“Door wien?” vroeg Jo.

“Door Grootvader; als iemand anders het geprobeerd had, zou ik hem—” en de beleedigde jonge held eindigde den volzin met een sprekende beweging van den rechterarm.

“Wat zou het? ik schud je zoo dikwijls door elkaar en daar geef je niets om,” zei Jo om hem te bedaren.

“Och wat, jij bent een meisje, en dan is het voor de grap; maar ik sta geen man toemijdoor elkaar te schudden.”

“Ik denk, dat niemand er lust in zou hebben, wanneer je er uitziet als een donderwolk, zooals nu. Waarom was het?”

“Alleen omdat ik niet zeggen wou, waarom je moeder mij liet roepen. Ik had beloofd, dat ik het niet vertellen zou, en wou dus natuurlijk mijn woord niet breken.”

“Kon je je grootvader niet op een andere manier tevreden stellen?”

“Neen, hij eischte de volle waarheid; ik zou hem mijn aandeel in de zaak wel verteld hebben, als ik het had kunnen doen, zonder Meta er bij te pas te brengen. Nu dit niet kon, hield ik mijn mond, en verdroeg het standje tot de ouwe heer me bij den kraag pakte. Toen werd ik driftig en liep naar mijn kamer, want ik was bang, dat ik mij zelf vergeten zou.”

“Ja, aardig was ’t niet, maar het spijt hem nu stellig al, dat weet ik; ga dus naar beneden en maak het uit de wereld.”

“Ik mag gehangen worden, als ik het doe! Ik bedank er voor, om door iedereen bepreekt en geslagen te worden, alleen om een grap. Het speet mijwerkelijkom Meta; daarom heb ik haar als een man vergeving gevraagd, maar dat verdraai ik, als ik geen ongelijk heb.”

“Maar dat wist je grootpapa niet.”

“Hij moest mij vertrouwen, en niet doen, of ik een klein kind was. Het geeft niets, Jo; hij moet leeren, dat ik voor mezelf kan zorgen, en niet altijd aan iemands leiband verlang te loopen.”

“Jullie zijn een paar echte vaatjes buskruit,” zuchtte Jo. “Hoe denk je de zaak nu weer in orde te brengen?”

“Wel, hij moet mij om vergeving vragen, en mij gelooven, als ik zeg, dat ik niet vertellen kan wat er aan de hand was.”

“Genade! dat zal hij nooit doen!”

“Ik ga niet naar beneden, voor hij ’t doet.”

“Kom, Teddy, wees verstandig, laat dit nu maar passeeren, en ik zal hem zooveel mogelijk alles ophelderen. Je kunt hier toch niet altijd blijven; dus wat helpt het je, of je nu al theatraal doet.”

“Ik denk hier ook niet lang te blijven. Ik ga er stil vandoor, maak een reisje hier of daar naar toe, en als de ouwe heer me mist, zal hij gauw genoeg bijdraaien.”

“Misschien wel, maar je mag hem dat verdriet niet aandoen.”

“Preek als ’t je belieft niet. Ik zal eens naar Washington gaanen Brooke opzoeken; het is daar vroolijk, en ik wil na al dat gezanik eens wat pret maken.”

“Dat zou heerlijk voor je zijn! Ik wou dat ik ook weg kon loopen!” zei Jo, die haar rol van Mentor vergat, bij de gedachte aan het interessante krijgsleven in de hoofdstad.

“Ga mee! Waarom niet? Jij gaat je vader verrassen en ik ga Brooke eens opfrisschen. Het zou echt leuk zijn; toe laten we ’t doen, Jo! Wij zullen een brief achterlaten, om te zeggen dat alles goed in orde is en dadelijk opmarcheeren. Ik heb geld genoeg; het zal jou goed doen, en er is geen kwaad bij, omdat je naar je vader gaat.”

Eén oogenblik keek Jo alsof ze zou toegeven; want juist omdat het zoo’n ongewoon plan was, beviel het haar. Ze had genoeg van de zorg en van ’t in huis zitten, verlangde naar een verandering, en de gedachte aan haar vader vermengde zich op verleidelijke wijze met de onbekende bekoorlijkheden van legerplaatsen en hospitalen, vrijheid en pret. Haar oogen glinsterden, terwijl ze verlangend uit het venster keek, maar toen haar blik op het huis tegenover haar viel, schudde ze het hoofd met treurige beslistheid.

“Als ik een jongen was, konden we samen wegloopen en plezier maken; maar daar ik het ongeluk heb een meisje te zijn, moet ik me kalm en behoorlijk gedragen en thuis blijven. Breng me niet in verzoeking, Teddy, het is een onwijs plan.”

“Dat is er juist het aardige van!” begon Laurie, die in een opgewonden bui was en volstrekt op de een of andere manier uit den band wilde springen.

“Houd je mond!” riep Jo, haar ooren toestoppende. “Tobben en zwoegen is mijn noodlot, en daar moet ik me maar eens voor al aan onderwerpen. Ik kwam hier om zedelessen uit te deelen, maar niet om over dingen te praten, die mij uit mijn vel doen springen, als ik er van hoor.”

“Ik wist wel, dat Meta dadelijk den domper op zoo’n plan zou zetten, maar ik dacht dat jij meer durf in je had,” begon Laurie overredend.

“Wees stil, akelige jongen! Ga liever over je eigen zonden zitten nadenken, en haal mij niet over om de mijne nog te vermeerderen. Als ik je grootvader er toe breng, zich te verontschuldigen over dat door elkander schudden, zul je dan je idee om weg te loopen opgeven?” vroeg Jo ernstig.

“Ja, maar je krijgt het niet gedaan,” antwoordde Laurie, die verlangde de zaak uit te maken, maar zijn beleedigde waardigheid eerst bevredigd wilde zien.

“Als ik ’t met den jongen kan klaarspelen, kan ik het ook wel met den ouden,” mompelde Jo, die al wegliep, Laurie achterlatende, gebogen over een spoorwegkaart en met de beide handen onder het hoofd.

“Binnen!” en de barsche stem van den heer Laurence klonk barscher dan ooit, toen Jo aan zijn deur klopte.

“Ik ben het maar, mijnheer, ik kom u een boek terugbrengen,” zei Jo bedaard, terwijl ze binnentrad.

“Wil je een ander hebben?” vroeg de oude heer, die er knorrig en ontstemd uitzag, maar zijn best deed het niet te toonen.

“Ja, als ’t u belieft, ik houd zooveel van den ouden Sam Johnson, dat ik het tweede deel ook wel eens wil inzien,” antwoordde Jo, in de hoop hem zachter te stemmen door het aannemen van een tweede dosis “Boswell’s Johnson,” daar hij haar dit onderhoudend werk had aangeraden.

De zware wenkbrauwen ontspanden zich even, toen hij het trapje naar de kast rolde, waar de Johnsonboeken stonden. Jo klom er op, en op de bovenste trede gezeten deed ze, alsof ze naar het boek zocht, maar zat eigenlijk na te denken, hoe ze het gevaarlijk doel van haar bezoek zou ter sprake brengen. Mijnheer Laurence scheen te gissen, dat ze iets in haar schild voerde, want nadat hij eenige malen driftig de kamer op en neer had gestapt, stond hij eensklaps bij haar stil, en sprak haar zoo onverwacht aan, dat Jo “Rasselas” van schrik open op den grond liet vallen.

“Wat heeft de rakker uitgevoerd? Tracht hem nu niet te verontschuldigen! Ik weet, dat hij iets kwaads gedaan heeft, door de manier waarop hij thuis kwam. Ik kan geen woord uit hem krijgen, en toen ik hem dreigde, dat ik de waarheid wel uit hem schudden zou, vloog hij weg en sloot zich in zijn kamer op.”

“Hij had iets verkeerds gedaan; maar we hebben het hem vergeven, en allen beloofd, dat we er tegen niemand een woord van spreken zouden,” begon Jo langzaam.

“Dat gaat niet; hij mag zich niet verschuilen achter een belofte van een paar teerhartige meisjes. Als hij iets verkeerds gedaan heeft, moet hij het erkennen, vergeving vragen en gestraft worden. Voor den dag er mee, Jo! ik wil niet in onwetendheid gehouden worden.”

Mijnheer Laurence zag er zoo grimmig uit en sprak zoo heftig, dat Jo graag weggeloopen zou zijn, als ze maar gekund had, maar ze zat daar boven op het trapje, en hij stond er voor als een leeuw op haar pad. Ze moest dus wel blijven en zich er door heen slaan.

“Heusch, mijnheer, ik kan het u niet vertellen; Moeder heeft het verboden. Laurie heeft al schuld bekend en vergiffenis gevraagd, en hij is al genoeg gestraft. We zwijgen niet om hem, maar om iemand anders, en de zaak zou veel erger worden, wanneer u er u mee inliet. Doe het als ’t u belieft niet; het was gedeeltelijk mijn schuld, maar nu is alles in orde; laten we ’t dus maar vergeten en wat over boeken praten of over iets anders prettigs.”

”’k Heb mijn gedachten niet bij boeken; kom eens naar beneden, meisje, en verzeker mij op je woord, dat die schavuit van een jongen niets ondankbaars of onhebbelijks heeft uitgevoerd.Alshij dat gedaan heeft, na al de vriendelijkheid, die jullie hem bewezen hebt, zal ik hem met mijn eigen handen afranselen.”

Die bedreiging klonk verschrikkelijk, maar verontrustte Jo niet in ’t minst, want zij wist, dat de driftige oude man nooit een vinger tegen zijn kleinzoon zou opheffen, wat hij ook beweren mocht. Ze daalde gehoorzaam af, en stelde het gebeurde zoo licht mogelijk voor, zonder Meta te verraden of de waarheid te kort te doen.

“Hm, ja! Nu, als de jongen zijn mond gehouden heeft, omdat hij het beloofd had en niet uit koppigheid, vergeef ik hem. Hij heeft een lastig karakter en is moeilijk te regeeren,” zei mijnheer Laurence, zijn haar opstrijkend, tot hij er uitzag of hij in een orkaan uit wandelen was geweest, en daarna met een zucht van verlichting de rimpels op zijn voorhoofd gladwrijvende.

“Dat ben ik ook, maar met een beetje vriendelijkheid kan men meer van mij gedaan krijgen, dan met een vijandig leger,” zei Jo, om een woordje voor haar vriend in het midden te brengen, die van de eene moeilijkheid in de andere scheen te vervallen.

“Je meent zeker, dat ik niet vriendelijk tegen hem ben, hè?” was het scherpe antwoord.

“O neen, mijnheer; u is soms àl te vriendelijk en dan weer een klein beetje te driftig, als hij uw geduld op de proef stelt. Vindt u zelf niet?”

Jo was vast besloten om nu maar alles te zeggen, en trachtte heel kalm te kijken, hoewel ze beefde toen ze de woorden had uitgesproken. Tot haar groote geruststelling en verwondering wierp de oude heer zijn bril rammelend op de tafel en riep openhartig uit:

“Je hebt gelijk, beste meid, dat ben ik. Ik heb den jongen lief, maar soms stelt hij mijn geduld op een zware proef, en ik weet niet hoe het moet afloopen, als we zoo voortgaan.”

“Dat kan ik u wel zeggen—hij zal wegloopen.” Zoodra Jo dit gezegd had, had zij er spijt van; ze had hem alleen maar willen waarschuwen, dat Laurie niet veel dwang dulden kon, en hoopte dat zijn grootvader verdraagzamer omtrent hem zou worden.

Het gelaat van mijnheer Laurence veranderde plotseling en op een stoel neervallend keek hij ontsteld naar het portret van een knap man, dat boven zijn schrijftafel hing. Het was de vader van Laurie, die in zijn jeugd weggeloopen en getrouwd was tegen den heerschzuchtigen wil van den ouden heer. Jo meende, dat hij aan ’t verleden dacht en dit betreurde, en ze wenschte, dat ze maar gezwegen had.

“Hij zal het niet doen, als hij niet erg geplaagd wordt; hij praat er nu en dan maar eens over als het studeeren hem verveelt. Soms bekruipt mij de lust ook wel eens, vooral nadat mijn haar afgeknipt is; wanneer u ons dus ooit mist, moet u maar voor twee jongens adverteeren en ons op een Oostindie-vaarder zoeken.”

Jo lachte, terwijl ze sprak, en de oude heer keek weer vroolijk op en beschouwde alles klaarblijkelijk als een grap.

“Ondeugd, hoe durf je zoo tegen me spreken? Waar is je eerbied voor mij en de vrucht van je goede opvoeding? Die jongens en meisjes! ze zijn de plaag van ons leven; en toch kunnen we niet buiten hen,” voegde hij er bij, met een vriendelijk kneepje in haar wang.

“Ga den jongen maar halen om te komen eten; zeg hem dat alles weer in orde is, en dat hij niet weer zoo’n houding tegenover zijn grootvader mag aannemen; dat verdraag ik niet.”

“Hij wil niet komen, mijnheer; hij is zoo gegriefd, omdat u hem niet gelooven wou, toen hij zei, dat hij het niet vertellen kon. Ik geloof, dat het door elkander schudden zijn trots erg gekwetst heeft.”

Jo trachtte hoogst ernstig te kijken, maar het scheen haar niet al te best te gelukken, want mijnheer Laurence begon te lachen, en toen wist ze dat ze haar spel gewonnen had.

“Dat spijt me, en ik moet hem zeker nog dankbaar zijn, dat hijmijniet door elkaar geschud heeft, veronderstel ik. Wat duivel verwacht die jongen van me?” en de oude heer keek wat beschaamd over zijn oploopendheid.

“Als ik u was, zou ik hem een plechtig briefje met excuses schrijven, mijnheer. Hij zegt, dat hij anders niet beneden komt; hij wil naar Washington en is erg op zijn paardje. Een formeele verontschuldiging zal hem doen zien, hoe dwaas hij is, en ik wed, dat hij daarna heel beminnelijk en handelbaar zal wezen. Probeer het eens; hij houdt van een grap en ’t is veel beter dan er lang over te praten. Ik zal het naar boven brengen en hem wel eens op zijn plaats zetten.”

Mijnheer Laurence zag haar uitvorschend aan, en zette zijn bril op, terwijl hij langzaam zei: “Jij bent een slim katje! maar ik zal er me maar in schikken, dat jij en Bets den baas over me spelen. Hier, geef mij een velletje papier en laat ons een einde aan die malligheid maken.”

Het briefje werd geschreven in bewoordingen, die de eene heer tegenover den anderen gebruiken zou, na eene zware beleediging. Jo drukte een kus op Grootvaders kale kruin, en liep naar boven om het episteltje onder Laurie’s deur te steken, terwijl ze hem door het sleutelgat aanraadde, onderworpen, beleefd, en nog een paar andere onmogelijkheden meer te zijn. Daar de deur weer op slot was, liet ze de verdere uitwerking maar aan het briefje over en ging langzaam naar beneden, toen op eens de jongeheer haar op de leuning voorbijgleed, haar onder aan de trap opwachtte, en met zijn deugdzaamste gezicht zei: “Wat ben jij toch een beste kerel, Jo! Heb je er erg van langs gehad?”

“Neen, over het geheel was hij nog al geschikt.”

“Ba, wat had ik het land, toen jij me ook afviel. Ik was waarachtigklaar om naar den duivel te loopen,” begon Laurie verontschuldigend.

“Onzin; sla een blaadje om, en begin opnieuw, Teddy, mijn zoon!”

“Ik sla al maar nieuwe blaadjes om en beklad ze telkens weer, net als vroeger mijn schriften, en ik begin zoo dikwijls van voren af aan, dat er wel nooit een eind aan komen zal,” zei Laurie somber.

“Kom, ga maar eten; daarna zul je je wel beter voelen. Mannen brommen altijd, als ze honger hebben,” en hiermee wipte ze de voordeur uit.

“Dat noem ik met “étain” van mijn “sectie” spreken,” zei Laurie, in navolging van Amy, terwijl hij naar binnen ging om ootmoedig met zijn grootvader aan tafel te gaan, die in een buitengewoon rooskleurig humeur was, en hem het overige van den dag met de grootste beleefdheid behandelde.

Iedereen dacht, dat de zaak nu uit en de kleine wolk voorbijgedreven was; maar het onheil was gesticht, wantwiede zaak vergeten mocht, Meta niet. Ze sprak nooit over een zeker persoon, maar dacht des te meer aan hem en droomde meer dan ooit, en eens vond Jo, die in den schrijflessenaar van haar zuster naar postzegels snuffelde, een stukje papier, geheel bekrabbeld met de woorden: “Mevrouw John Brooke,” waarop ze met een jammerkreet het stukje in het vuur wierp, vast overtuigd dat Laurie’s dwaasheid het kwaad verhaast had.

De weken, die nu volgden, waren als zonneschijn na den storm. De zieken namen voortdurend in beterschap toe, en mijnheer March begon er van te spreken, om in het begin van het nieuwe jaar naar huis terug te keeren. Bets was spoedig weer in staat den heelen dag op de rustbank te liggen, in het eerst spelend met de geliefde katjes, en daarna bezig met naaiwerk voor haar poppen, waarmee ze droevig ten achteren was gekomen. Haar eens zoo vlugge leden waren zoo stijf en zwak geworden, dat Jo haar dagelijks in haar sterke armen door het huis droeg, om een luchtje te scheppen. Meta verbrandde en bevuilde bereidwillig haar blanke handjes met het klaarmaken van lekkernijen voor “de lieve schat”, terwijl Amy, onder den invloed van haar ring, bij haar thuiskomst aan de zusters zooveel van haar bezittingen uitdeelde, als ze maar wilden aannemen.

Toen Kerstmis naderde, begon de gewone geheimzinnigheid inhuis te heerschen, en Jo bracht gedurig de heele familie buiten zichzelf, door het opperen van volstrekt onmogelijke en onuitvoerbare, maar prachtige en origineele feestelijkheden, waardoor dit zoo buitengewoon vroolijk Kerstfeest luister moest bijgezet worden. Laurie was even onpractisch, en zou, als hij zijn zin had gehad, vreugdevuren, vuurpijlen en eerepoorten op het programma hebben gezet. Na veel schermutselingen en tegenstand, meende men de begeerten van het eerzuchtig paar genoeg gefnuikt te hebben; ze liepen dan ook met jammerlijke gezichten rond, die evenwel niet best gerijmd konden worden met de uitbarstingen van gelach, wanneer zij bij elkaar waren.

Verscheiden buitengewoon zachte dagen gingen een prachtigen Kerstdag vooraf. Hanna “voelde het in haar botten, dat het een bijzonder feestelijke dag zou zijn,” en ze bleek een goede profetes te wezen, want alles en iedereen scheen het er op gezet te hebben mee te werken tot een heerlijk geheel. Om te beginnen: mijnheer March schreef dat hij spoedig bij hen zou zijn; dan voelde Bets zich dien morgen bijzonder wel, en werd ze, gewikkeld in de gift van haar moeder, een lekkere, roode shawl, in triomf naar het raam gedragen om het present van Jo en Laurie te aanschouwen. De “onafscheidelijken” hadden zich niet uit het veld laten slaan; als kabouters hadden ze bij nacht hun werk verricht en een grappige verrassing tot stand gebracht. Buiten in den tuin stond een prachtige sneeuwjonkvrouw, met een krans van hulst om het hoofd, in de eene hand een mandje met vruchten en bloemen, in de andere eene groote rol nieuwe muziek, en op de kille schouders een voetenzak met alle kleuren van den regenboog, terwijl op een rose strook papier, het volgende Kerstlied uit haar mond vloeide:

God zeegne u, lieve, kleine Bets

Op dezen Kerstfeestdag;

Dat heil, gezondheid, vrede en vreugd

U voortaan tegenlach’.

Zie bloemen hier en lekker fruit

Voor onze nijvre bij;

Een rol muziek, een voetenzak,

En óók wat snoeperij.

Joanna’s beeld, een meesterstuk

Van onzen Rafaël,

Die ’t maalde met de meeste zorg—

Mij dunkt, het lijkt ook wel.

Ontvang hierbij een helrood lint

Voor uw beminde kat.

Van Meta wat vanille-ijs:

Een gletscher in een vat.

Mijn makers legden in mijn borst

Van sneeuw hun warme min

Ik kom van Laurie en van Jo—

Zoo ’k hoop, u naar den zin.

Wat moest Bets lachen toen ze ’t allemaal zag?

Wat liep Laurie heen en weer om de presenten aan te brengen, en wat grappige toespraken hield Jo bij het overhandigen.

“Ik ben zoo boordevol geluk, dat er, als Vader er nu nog was, geen enkel droppeltje meer bij zou kunnen,” zei Bets, met een zucht van tevredenheid, toen Jo haar naar de studeerkamer droeg, om na al die drukte wat uit te rusten, en zich te verkwikken met een gedeelte van de heerlijke druiven, die de “Sneeuwjonkvrouw” haar gebracht had.

“Het gaat mij net zoo,” riep Jo, terwijl zij eens op den band van het zoo lang gewenschte “Undine en Sintram” klopte.

“En mij,” juichte Amy, die zat te genieten van een gravure, voorstellende de Madonna en het kind, die haar moeder haar in een mooi lijstje gegeven had.

“Mij natuurlijk ook,” riep Meta, de zilverachtige plooien van haar eerste zijden japon gladstrijkende, want mijnheer Laurence had er op gestaan haar die te geven.

“Kinderen, wat een gelukkige dag!” zei mevrouw March dankbaar, en haar oogen dwaalden van den brief van haar man naar het glimlachend gezichtje van Bets, terwijl haar hand de broche met grijs, goudblond, kastanje- en donkerbruin haar liefkoosde, die de meisjes haar juist hadden voorgespeld.

Nu en dan gaat het wel eens in de wezenlijke wereld op de echte boekenmanier, en wat is dat dan heerlijk! Een half uur, nadat zij allen verklaard hadden zóó gelukkig te zijn, dat ze geen enkelen droppel meer in zich op konden nemen, kwam de droppel. Laurie opende de deur van de zitkamer en stak langzaam, bedaard het hoofd naar binnen, maar hij kon evengoed een luchtsprong gemaakt of een Indiaanschen strijdkreet aangeheven hebben, want zijn oogen verrieden zoo veel ingehouden opgewondenheid, en zijn stem was zoo verraderlijk vroolijk, dat iedereen opvloog, hoewel hij slechts op vreemden, gejaagden toon zei: “Hier is nóg een present voor de familie March.”

Eer de woorden goed en wel uit zijn mond waren, verdween hij, en in zijn plaats verscheen een lange, mannelijke gestalte tot aan de oogen ingepakt en geleund op den arm van eene andere lange, mannelijke gestalte, die iets trachtte te zeggen, maar er niet uit kon komen. Natuurlijk volgde er een algemeene agitatie; in de eerstvolgende oogenblikken scheen ieder zijn verstand verloren te hebben, want de vreemdste dingen werden gedaan, en niemand sprak een geregeld woord. Mijnheer March werd onzichtbaar in de omhelzing van vier paar liefhebbende armen; Jo beleefde de schandevan bijna flauw te vallen en werd door Laurie in de gang gecureerd; Brooke kuste Meta heelemaal bij vergissing, zooals hij eenigszins onsamenhangend verklaarde, en Amy, de welgemanierde, struikelde over een voetenbankje, en omhelsde, zonder te wachten tot ze weer stond, de laarzen van haar vader en bedauwde ze met tranen op een alleraandoenlijkste manier. Mevrouw March herstelde zich het eerst en hield haar hand op met een waarschuwend: “Stil, denk aan Bets!”

Maar het was al te laat; de deur van de studeerkamer ging open—de kleine, roode shawl verscheen op den drempel—vreugd verleende kracht aan de zwakke beenen, en Bets vloog regelrecht in haar vaders armen. Vraag maar niet wat er toen gebeurde, want de overkropte harten vloeiden over, zoodat al de bitterheid van het verleden werd uitgewischt en niets dan het blijde heden overbleef.

Het was wel niet romantisch, maar een hartelijk gelach bracht ieder weer tot zichzelf—want achter de deur stond Hanna, snikkende over den vetten kalkoen, dien zij in de haast vergeten had neer te leggen, toen zij de keuken uitstormde. Zoodra het gelach ophield, begon mevrouw March Brooke te danken voor de trouwe zorg, die hij voor haar echtgenoot gedragen had, waarop Brooke zich plotseling herinnerde, dat mijnheer March rust noodig had, en Laurie bij de hand nemende, zoo haastig mogelijk verdween. Toen werd den twee invaliden bevolen rust te nemen, hetgeen ze ook deden, door samen in één grooten stoel te zitten en zoo druk mogelijk te praten.

Mijnheer March vertelde, hoe hij verlangd had hen te verrassen, en hoe de dokter hem toegestaan had van het zachte weder gebruik te maken; hoe onschatbaar Brooke geweest was, en hoe hij in alle opzichten een hoogst achtenswaardig en ferm jongmensch was. Waarom mijnheer March juist toen een oogenblik ophield en, na een blik op Meta geworpen te hebben die hevig in het vuur stond te poken, zijn vrouw met vragend opgetrokken wenkbrauwen aanzag, laat ik aan uw verbeelding over, als ook, waarom mevrouw March zacht met het hoofd knikte en hem eenigszins plotseling vroeg, of hij niet wat te eten wilde hebben. Jo zag en begreep den blik, wandelde verontwaardigd weg om wijn en bouillon te halen en sloeg de deur vrij hard achter zich toe, bij zichzelf mompelend: “Ik háát achtenswaardige, ferme jongelui met bruine oogen!”

Nooitwas er zoo’n vroolijke maaltijd op Kerstmis als dien dag. De vette kalkoen was een lust om te zien, toen Hanna hem opgevuld, heerlijk bruin gebraden en versierd binnen bracht. De plumpudding smolt in den mond, evenals de vla en de gelei, waarvan Amy genoot als een vlieg in een stroopkan. Alles viel goed uit; hetgeen volgens Hanna een gelukkig toeval was, “want ik was zoo veraltereerd, mevrouw, dat het een wonder is, dat ik de podding niet heb gebraden, en den kalkoen met rozijnen heb opgevuld, of hem in een doek gekookt.”

Mijnheer Laurence en zijn kleinzoon dineerden bij hen, evenals Brooke, die, tot Laurie’s groot vermaak, voortdurend vijandig door Jo werd aangestaard. Twee gemakkelijke stoelen stonden naast elkander aan het boveneinde van de tafel, waarin Bets en haar vader zaten, die zich vergenoegden met een kipje en wat vruchten. Zij dronken, toastten, deden verhalen, zongen, “haalden op uit den ouden tijd,” zooals oude menschen zeggen en vierden allerheerlijkst feest. Er had een plan bestaan op een sleetochtje, maar de meisjes wilden hun vader niet verlaten; dus vertrokken de gasten vroeg, en toen de schemer inviel vereenigde zich de gelukkige familie om het vuur.

“Juist een jaar geleden zaten we te brommen over den treurigen Kerstdag, dien wij verwachtten. Weet jullie ’t nog wel?” vroeg Jo, een korte stilte afbrekende, die op een gesprek over allerlei onderwerpen gevolgd was.

“Het werd over ’t geheel tóch een goed jaar,” zei Meta, die glimlachend in het vuur staarde, en zich gelukwenschte, dat ze Brooke met waardigheid had behandeld.

”Ikvind, dat het een moeilijk jaar is geweest,” merkte Amy op, terwijl ze met peinzenden blik naar het flikkeren van het licht op haar ring keek.

“Ik ben blij, dat het om is, omdat wij u weer terug hebben,” fluisterde Bets, die op Vaders knie zat.

“Het was wel een oneffen weg voor jullie, mijn kleine pelgrims, vooral het laatste gedeelte. Maar je bent moedig voortgegaan, en ik geloof, dat de pakken mooi op weg zijn af te vallen,” zei mijnheer March, terwijl hij met vaderlijk welgevallen de vier jonge gezichtjes aankeek.

“Hoe weet u dat? Heeft Moeder u daarvan verteld?” vroeg Jo.

“Niet veel, maar aan den weerhaan ziet men, uit welken hoek de wind waait, en ik heb vandaag verscheiden ontdekkingen gedaan.”

“O, vertel dan eens gauw wát!” riep Meta uit, die naast hem zat.

“Hier is er een!” en haar hand vattende, die op den arm van zijn stoel rustte, wees hij op den ruwen wijsvinger, een blaartje op den rug en een paar harde plekjes in de palm. “Ik herinner mij een tijd, toen dat handje wit en zacht was, en toen het je voornaamste zorg scheen, het zoo te houden. Het was toen heel mooi, maar in mijn oog is het nu mooier, want in die schijnbare ontsieringen lees ik een heele geschiedenis. De ijdelheid is opgeofferd; dit vereelte handje heeft nog iets beters dan blaren opgedaan, en ik geloof zeker, dat het naaiwerk door deze beprikte vingertjes verricht, lang zal duren, daar de steken met zooveel goeden wil gemaakt werden. Metalief, ik schat de vrouwelijke bekwaamheden, die een thuis aangenaam maken, hooger dan witte handen of fraaie talenten, ik ben er trotsch op, dat ik dit flinke, ijverige handje drukken mag, en ik hoop, dat men ons niet gauw vragen zal, het weg te geven.”

Wanneer Meta een belooning verlangd had voor uren van geduldigen arbeid, ontving ze die nu in den handdruk en den goedkeurenden glimlach van haar vader.

“Wat hebt u van Jo te zeggen? Toe, zeg iets goeds, want ze heeft zoo haar best gedaan, en ze is zoo heel, heel lief voor mij geweest,” fluisterde Bets haar vader in het oor.

Mijnheer March glimlachte en keek naar het lange meisje tegenover hem, met die ongewoon zachte uitdrukking op haar bruin gelaat.

“Ondanks den krullebol zie ik niet meer den “zoon Jo,” dien ik een paar jaar geleden achterliet,” zei mijnheer March. “Ik zie eene jonge dame, die haar kraagjes recht speldt, haar laarzen netjes toerijgt, en niet meer fluit, ruwe woorden gebruikt of languit op het haardkleed ligt, zooals vroeger. Op het oogenblik is zij vrij bleek en mager door zorg en waken; maar ik zie haar graag aan, want haar gezicht is vriendelijker en haar stem is zachter geworden; ze stampt niet meer, maar beweegt zich licht, en draagt voor zeker klein persoontje zorg op een moederlijke wijze, die ik met blijdschap opmerk. Ik mis mijn wilde meid wel min of meer, maar als ik daarvoor een sterke, behulpzame, teerhartige vrouw in de plaats krijg, zal ik meer dan voldaan zijn. Ik weet niet of ons zwart schaap door het scheren zoo bedaard is geworden, maar wel weet ik, dat ik in heel Washington niets kon vinden, mooi of goed genoeg, om er de vijfentwintig dollars voor uit te geven, die mijn dochter mij gezonden heeft.”

Jo’s heldere oogen werden een oogenblik dof, en bij het licht van het vuur zag Bets, dat haar bleeke wangen door een blos overtogen werden bij den lof van haar vader, dien zij wist, voor een deel althans, verdiend te hebben.

“Nu Bets,” zei Amy, die verlangde dat haar beurt kwam, maar bereid was te wachten.

“Er is zoo weinig van haar over, dat ik niet veel durf zeggen, uit vrees, dat zij heelemaal zal verdwijnen, hoewel ze niet meer zoo verlegen is als vroeger,” schertste haar vader vroolijk; maar bij de herinnering hoe zij hem bijna ontvallen was, sloot hij haar vast in zijn armen, legde zijn wang tegen de hare en eindigde teeder: “Hier heb ik je veilig en wel, mijn kind, en hoop je zoo te behouden, als God wil.”

Na een oogenblikje stilzwijgen keek hij naar Amy, die op een voetenbankje voor hem zat en begon, terwijl hij haar glanzend haar liefkoosde:

“Ik zag, dat Amy aan tafel de minst lekkere kluifjes nam, dat ze den heelen middag voor Moeder heen en weer liep, van avond Meta haar plaats afstond, en iedereen geduldig en vriendelijk bediend heeft. Ik merkte ook op, dat zij niet pruilde of in den spiegel keek, en dat ze geen woord gesproken heeft over het mooie ringetje, dat ze draagt; daaruit besluit ik, dat ze meer aan anderen en minderaan zichzelf heeft leeren denken en haar best gedaan om evengoed haar karakter te vormen, als haar figuurtjes van klei. Daar ben ik blij om, want, hoewel ik heel trotsch zou zijn op een mooi, door haar geboetseerd beeld, zal ik nog oneindig trotscher zijn op een lieve dochter, die de gave bezit, het leven voor anderen en voor zichzelf gelukkig te maken.”

“Waar denk je aan, Bets?” vroeg Jo, toen Amy haar vader had bedankt, en de geschiedenis van haar ring verteld had.

“Ik las vandaag in “de Pelgrimstocht”, hoe, na veel moeiten en gevaren, Christiana en Groothart aan een mooie, groene weide kwamen, waar de lelies het heele jaar door bloeiden, en dat ze daar heerlijk bleven uitrusten, zooals wij nu doen, voordat ze de reis verder voortzetten,” antwoordde Bets, en voegde er bij, terwijl ze zich langzaam losmaakte uit de armen van haar vader en naar de piano ging: “Het is tijd om te zingen, en ik verlang mijn oude plaats weer in te nemen. Ik zal probeeren het liedje van den herdersjongen te zingen, dat de Pelgrims hoorden. Ik heb de wijs voor Vader gemaakt, omdat hij zooveel van de woorden houdt.”

Bets ging voor haar piano zitten, raakte zacht de toetsen aan, en het lieve stemmetje, dat ze gevreesd hadden nimmer weer te zullen hooren, zong met eigen begeleiding het oude lied, dat zoo bijzonder op haar toepasselijk was:

Die laag staat, vreeze voor geen val,

De needrige geen trots;

Die klein van kracht is, bouwe vrij

Op God, als op een rots.

Ik ben tevreê met wat ik heb,

Of ’t veel of weinig zij:

Tevreden wíl ik zijn, o Heer:

Dezulken toch mint Gij.

Voor hen is overvloed tot last,

Wier weg naar boven leidt.

Hier weinig en hiernamaals veel

Is ’t best voor d’ eeuwigheid.


Back to IndexNext