DE ONTMOETING.
De ruiter naderde snel. Allen waren opgestaan om te zien, welke persoon daar recht op hen aankwam; allen trachtten den ruiter te herkennen en schatten den afstand, die hem nog van hen scheidde, en volgden met groote spanning zijn dollen rit.
Intusschen kwam hij al nader en nader, zijn paard aanhoudendaansporend. Toen kon men zien, dat het een Arabier was. De witte kapmantel fladderde achter hem aan, de lange buks lag dwars voor hem over den zadel; aan zijne zijde kletterde de Turksche sabel. Zijn paard, een prachtig koolzwart dier, was met schuim overdekt; de geheele breede borst was met vlokken trillend schuim bespat en de wijd opgesperde neusgaten trilden verschrikkelijk. Onophoudelijk zette de Arabier zijn ros aan. De naakte bruine beenen bewogen zich telkens om het edele dier de scherpe punt van de schoenen der stijgbeugels te doen gevoelen, die de Arabieren als sporen gebruiken. De fraaie zwarte huidkleur was met bloed besmet.
Opeens, op ongeveer honderd pas van de legerplaats verwijderd, bleef het dier trillend staan. De ruiter was met één sprong van zijn paard, en nauwelijks had hij den grond bereikt, of het paard, begon over alle leden hevig te beven en stortte neer.
Toen trad de Arabier, zijn geweer op den rug werpend, met een vredelievend gebaar nader, en de handen over de borst kruisend, boog hij onder het uitspreken van den gebruikelijken groet: »Vrede zij op uw weg!”
Onze kapitein, meer gewoon met Arabieren om te gaan, beantwoordde den groet en noodigde hem uit plaats te nemen. Het was een jong man van ongemeene schoonheid. Zijne bruine gelaatstrekken, de zwarte knevel en baard, en de stoute oogen gaven hem een belangwekkend voorkomen. Zijn gelaat teekende moed en vastberadenheid; om den mond speelde een stroeve trotsche trek.
Hij zette zich op den grond neder, nam met de grootste beleefdheid de sigaar aan, die de kapitein hem aanbood, en zeide, nadat hij eenige oogenblikken met welbehagen den geurigen rook had opgesnoven, in tamelijk goed Fransch:—Ik kom van Tanger en moet nog verder gaan. Ik dacht op mijn paard te kunnen vertrouwen, maar ik zie, dat ik te veel van zijne krachten heb gevergd. Zoudt ge mij niet een uwer paarden ter leen willen afstaan? Het leven van honderden brave, dappere menschen hangt er van af, dat ik mijne reis kan vervolgen.
De kapitein en de luitenant, ja zelfs het geheele gezelschap stond een oogenblik sprakeloos van verbazing, ten eerste over de beschaafde manieren van den Arabier en zijne bekendheid met de Fransche taal, alsook over het vreemde verzoek.
De kapitein was de eerste, die het stilzwijgen verbrak:
—Hoewel u niet kennende, zeide hij, zouden wij u gaarne helpen, maar gij vraagt het onmogelijke, mijn vriend! Wij hebben slechts drie paarden en twee muilezels; dat is juist genoeg voorons gebruik. Gij begrijpt dus, dat we onze eigen paarden niet kunnen afstaan aan den eersten den beste, die er om vraagt. We zouden zoo doende zelf verplicht zijn te voet te reizen.
—Ik doe een bijna onmogelijk verzoek, zeide de Arabier kalm, dat is waar; doch als ge wist, wat er van het voortzetten van mijn rit afhangt, dan geloof ik, dat gij het niet zoudt weigeren.
—Ik herhaal, zeide de kapitein op overredenden toon, dat gij het onmogelijke vraagt. Wij moeten morgen weder voort, en gij begrijpt, dat wij dus geen enkel onzer paarden kunnen afstaan.
—Goed, zeide de Arabier, gij moet morgen bij het krieken van den dag weder voort, geef mij een uwer paarden, vóór zonsopgang zal een versch paard voor u gereedstaan.
De kapitein haalde ongeloovig en ongeduldig de schouders op.
—Gij gelooft mij niet, zeide de Arabier. O, ik dacht bij Christenen meer hulp te vinden! Ik bid u, geef mij een paard. Waartoe zou ik het ook verzwijgen, vervolgde hij als tot zichzelven sprekende. Bij Allah, den eenigen God! help mij; ik word vervolgd. Ge ziet het, mijn prachtig paard is dood; het kan mij niet verder brengen. Ik heb twee uren op mijne vervolgers voor.
—Gij wordt vervolgd, zeide de luitenant; misschien hebt ge eene misdaad gepleegd en komt gij onze hulp inroepen om aan den arm der wet te ontkomen?
—Eene misdaad? zeide de Arabier verwonderd en tevens beleedigd; neen, nimmer heeft mijne hand zulk eene laagheid bedreven. Wraakzucht van een bloedvijand is het, die mij vervolgt. Doch waartoe langer met u onderhandeld, wat misschien tot niets leidt. Maar luistert, ik stel vertrouwen in u; gij zijt Christenen en bovendien, zeide hij, terwijl een flauwen glimlach om zijn mond speelde, ik waag er niets bij. Ik zal u alles verhalen, doch beloof mij, dat gij mij geduldig zult aanhooren en daarna, als gij mij zult gehoord hebben, te zullen handelen naar de ingeving van uw hart zooals uwe edelmoedigheid u dat voorschrijft. Ik heb twee uren vóór op mijne vervolgers. Dat is tijd genoeg om u mijn verhaal te doen en mij daarna aan mijne vervolgers te onttrekken.
En de Arabier begon, alsof hij niets te duchten had, met de grootste kalmte zijn verhaal.
—Ik had de betrekking van koerier van den Sultan tusschen Tanger en Fez, en was gelukkig tot vóór korten tijd. Toen gebeurde het, dat mijn hart werd getroffen door Rahmana, de dochter van mijns vaders vriend. Rahmana was schoon, schoon als de houri's uit het Paradijs. Zij bezat den slanken vorm der gazelle, de vlugheidvan het paard en den moed van den leeuw. Rahmana beminde mij en ik haar; onze genegenheid dagteekende reeds van onze kindsheid. Bij al mijn werken, bij mijn hard lot was zij het eenige, dat mij kracht gaf tot het volbrengen van mijn plicht, Rahmana, naar wier bezit ik haakte, gelijk een goed Mahomedaan naar het Paradijs. De tijd door haar vader voor ons huwelijk bepaald naderde snel, en welhaast zou ik mijne bruid als echtgenoote naar mijne woning voeren.
—Toentertijd woonde te Tanger een rijke Moor, Sid-Moessa genaamd. Hij was een rijke wellusteling, die zijn harem opvulde met alle schoone meisjes die hij maar kon machtig worden. De vader van Rahmana, die van Sid-Moessa afhankelijk was, had dikwijls gesproken over de schoonheid zijner dochter, en dit was door het een of ander toeval aan Sid-Moessa ter oore gekomen. Op zekeren dag liet hij Rahmana's vader bij zich ontbieden, en zeide hem dat hij zijne dochter van hem wenschte te koopen. Rahmana's vader ontstelde en deelde Sid-Moessa mede, dat zijne dochter met mij verloofd was en spoedig hoopte te trouwen. Maar Sid-Moessa wilde van niets weten en Rahmana werd door haar flauwhartigen vader naar Sid-Moessa gevoerd. Zij wierp zich voor de voeten van Sid-Moessa neder en bad en smeekte hem haar te laten gaan; ook haar vader paarde zijne bede aan de hare, doch niets mocht baten. Rahmana werd in de vertrekken van den schurk gevoerd, en haar vader ontving voor zijn tegenstreven een zoo geducht pak stokslagen, dat hij, na acht dagen ziek te zijn geweest, aan de gevolgen bezweek.
—Het was tijdens de laatste oogenblikken van Rahmana's vader, dat ik terugkeerde van mijne reis naar Fez en het huis van mijne aanstaande betrad. Helaas! wat hoorde ik daar. Toen ik alles had vernomen, zwoer ik een duren eed, dat Rahmana de mijne zou worden en ik haar vader, haar en mijzelven vreeslijk zou wreken. Ik begroef mijn ouden vriend en begon daarna met de uitvoering mijner wraakneming.
—Mijn vroeger beroep vaarwel zeggend, nam ik mijn geweer en sabel mede en vertrok uit Tanger, zonder aan iemand iets te zeggen. Ik ging naar de bergen en voegde mij bij eene rooverbende, die voor niets terugdeinsde, doch er bestond onder hen weinig of geen tucht. Ik deed hun den voorslag het huis van Sid-Moessa te plunderen en beloofde tot gids te zullen strekken. Mijn voorslag, hoe stout ook, werd door deze lieden met gejuich begroet en op een der eerstvolgende nachten brachten wij het plan ten uitvoer. Met de geheele bende, wel vijftig man sterk, drong ik des nachtsin de stad en in het huis van Sid-Moessa. Dit werd geheel uitgeplunderd en uit den harem namen mijne woeste metgezellen de vrouwen mede, die hun bekoorden. Ikzelf ontvoerde dien nacht mijne Rahmana. Dit was het begin mijner wraak.
—Deze welgeslaagde expeditie had mij in de schatting mijner makkers zóózeer doen rijzen, dat ik door hen tot hun hoofdman werd verkozen. Van nu af aan bracht ik orde en tucht onder mijn volk, en verbood ten strengste het noodelooze moorden. Onze aanvallen waren voornamelijk gemunt op die lieden, die hunnen rijkdom en macht op allerhande wijze misbruikten. Weldra was dan ook mijn naam, die overal vrees en ontzag inboezemde, de schrik van geheel Marokko geworden. Het slagen van onze ondernemingen en de juiste aanwijzingen was men aan mij verplicht. Vermomd in alle gedaanten was ik overal tegenwoordig, drong overal in en kwam alles te weten.
—Zoo was ik, de arme koerier, opeens de alom gevreesde rooverhoofdman geworden, voor wien elke rijke ellendeling beefde. Sid-Moessa, die in den nacht, dat wij zijn huis plunderden, tot zijn geluk was ontvlucht, had ik sinds dien tijd te vergeefs getracht in handen te krijgen; telkens ontsnapte hij mij.
—Het is nu ongeveer twee jaren geleden, dat wij op zekeren dag plotseling in onze schuilplaats in het gebergte werden overvallen. Een van onze bende had zich door het goud van Sid-Moessa laten verleiden en onze verblijfplaats verraden. De ellendeling kwam met eene afdeeling soldaten en den Kaïd om ons te overrompelen, en hij had zijne voorzorgen goed genomen. Midden in onze ontspanningen werden wij op eens door een salvo van vijftig geweerschoten begroet, die men op ons loste uit het bosch, dat onze uitspanningsplaats omringde, en dat men in alle stilte had omsingeld nà de nachtposten gedood te hebben. Ik bleef ongedeerd, maar ik zag mijne geliefde Rahmana vallen, door een kogel in het hoofd getroffen. Met de snelheid van den bliksem tilde ik haar op, sprong in den zadel, brak door de soldaten heen en bereikte onder een kogelregen eene andere schuilplaats in het gebergte. Ik dacht, dat mijne geliefde slechts gewond zou zijn, doch zij was dood.
De Arabier zeide dit laatste op doffen toon, als ware hem de keel toegeknepen, en zijn lichaam schokte en trilde zenuwachtig bij de herinnering aan zijn leed. Doch niemand viel hem in de rede; men was te veel verbaasd over het verhaal van dezen zonderlingen man om er den loop van te storen.
—Allah wilde niet, dat ik gelukkig zou zijn, vervolgde hij;het zij zoo, maar toen ik haar die ik zóó lief had, om wien ik een roover was geworden, ontzield in mijne armen klemde, toen mijne wanhopige kreten wegstierven in de eenzaamheid en ik te vergeefs beproefde haar in het leven terug te roepen, toen besloot ik maatregelen te nemen om mijn vijand te treffen en zwoer ik, dat mijne wraak verschrikkelijk zou zijn.
—In sombere gemoedsstemming, met de dolzinnigste gedachten in het hoofd, vertrok ik tot het ergste besloten. Ik sloeg den weg in naar het tooneel van den strijd en reed voort zonder eenige voorzorg te nemen. Ik zocht mijn vijand op, en ik mocht hem vinden.
—Met mijne sabel in de vuist gekneld, reed ik voort. Mijn getrouw ros vloog als de wind over rotsige paden, over rotskloven en rotsblokken, doch zonder ergens voor te vreezen zette ik mijn tocht voort. De nacht begon te vallen, toen ik een eind voor mij uit de soldaten bemerkte, die ons hadden overvallen. De hoefslag van mijn paard had hun op hun hoede doen zijn en toen ik verscheen, weergalmde dadelijk de kreet: »Grijpt hem! grijpt hem!” Ik zocht mijn aartsvijand. Hij was daar, de lafaard, verscholen achter de soldaten. Ik gaf mijn edel ros de sporen en mijne sabel boven het hoofd zwaaiend, deed ik mijn paard een sprong nemen als een panter en stortte mij midden tusschen de soldaten. Links en rechts, voor en achter daalde en verhief zich bliksemsnel mijne sabel en met elken slag wondde of doodde ik een mijner vijanden. Ik was als krankzinnig en ontwikkelde de kracht van een waanzinnige. Men wilde op mij vuren, doch Sid-Moessa riep: »Niet vuren! men moet den hond levend vangen!” Eindelijk brak mijn zwaard; ik had een dozijn soldaten gedood of zwaar gewond. De overblijvenden wierpen zich op mij als aangehitste honden op het wild en daar ik ontwapend was, gelukte het hun mij, ondanks mijn tegenstand, van het paard te sleuren en zich van mij meester te maken. Men bond mij met koorden, zóó vast, dat zij in mijn vleesch drongen en mijne huid openscheurden. Zoo werd ik overgelaten aan de macht van mijn vijand.
—Ik begreep, dat ik het ergste had te duchten, en bereidde mij er op voor. Met een verachtelijk stilzwijgen beantwoordde ik den lafaard zijne gemeene, lage scheldwoorden en uittartingen. De ellendeling sloeg en spuwde mij in het aangezicht, en liet mij daarna onder groot gejuich der soldaten, onder welke hij zijn geld mildelijk uitstrooide, de tanden uit den mond slaan.
—De ellendeling! riepen de kapitein en de luitenant als uit één mond.
—Dat was het begin zijner wraak, vervolgde de Arabier. Nadat men hierover genoeg pret had gehad, liet hij mij de teenen van den linkervoet afsnijden. Zie slechts, zeide hij, en hij toonde hun den misvormden van teenen beroofden voet en den tandeloozen mond.
—God, God hoe is het mogelijk! riep de luitenant. O! had ik dien ellendeling hier.
—De nacht maakte een einde aan de marteling, vervolgde de Arabier. Mijne koelbloedigheid en vasten wil, die mij hadden weerhouden een kreet te uiten gedurende de pijniging, hadden mijn vijand slechts te meer verbitterd en hem doen besluiten den volgenden dag de marteling voort te zetten, alvorens mij het leven te benemen.
—Maar Allah had het anders besloten. Van mijne bende waren er eenigen gevangengenomen en een tiental gedood, doch de rest van den troep had zich door eene snelle vlucht, en gebruikmakende van hunne bekendheid met alle holen en paden, weten te redden.
—Het was een heldere nacht. De sterren schitterden aan den hemel, en ik lag gebonden op den rug in eene tent, bloedende aan mijne wonden en gemarteld door de vreeslijkste pijnen. Opeenshoordeik het hinniken van mijn ros. Dat verwonderde mij, want ik dacht dat mijn paard dood was. In het volgende oogenblik echter hoorde ik een paar doffe slagen en dadelijk daarop werd het voorhang der tent opgeheven en trad mijn onder-hoofdman binnen. In een oogwenk had hij de koorden, waarmede ik gebonden was, doorgesneden en mij eene sabel in de vuist gedrukt.
»Volg mij, hoofdman!” zeide hij, »gij zijt gered. Wij hebben de posten overrompeld en neergestooten; zij zijn gestorven zonder een kik te geven. Ook de andere gevangenen zijn vrij. Alle buitenposten der legerplaats zijn gedood, en de overigen liggen gerust te slapen; zij zijn in onze macht; zoo gij het wilt, zullen wij ze allen dooden.”
»Volg mij,” zeide ik, »laat den kaïd en de soldaten het leven, maar volg mij naar Sid-Moessa.”
—Wij drongen in zijne tent door. Daar lag mijn doodvijand gerust te slapen. Ik bukte mij en mijn mond aan zijn oor brengend donderde ik hem te gemoet: »Wees gegroet, Sid-Moessa! Hier ben ik!”
—De ellendeling sprong verschrikt op, en wilde om hulp roepen, doch op hetzelfde oogenblik zette ik hem de punt mijner sabel op de keel.»Blijf rustig liggen, o Sid-Moessa,” zeide ik, »zoo ge u beweegt, dood ik u.”
»O! dood mij niet,” riep de ellendeling, »genade in den naam van Allah!”
»Genade!” vroeg ik en mijn lichaam trilde van woede. »Genade! Hebt gij genade betoond, toen ge Rahmana liet dooden en toen ge haar vader liet doodgeeselen?”
»Genade,” smeekte de lafaard nogmaals, »genade! Ik zal u al mijn goud geven en mijne schoonste vrouw, maar spaar mijn leven.”
»Zwijg!” brulde ik woedend, »of bij Allah en den grooten Profeet ik dood u, ellendeling die gij zijt! Luister, o Sid-Moessa! Gij hebt mij gehoond, beleedigd. Gij hebt mij in het gezicht geslagen en gespuwd. Gij hebt mij de tanden laten uitbreken en de teenen laten afsnijden. De wet van den Profeet zegt: oog om oog, tand om tand.”
—Ik wenkte mijnen makker, die bij den ingang der tent dit tooneel stond aan te zien. »Zet hem de punt van eene sabel op de borst, en als hij een woord of kreet uit, stoot dan toe.”
—En terwijl hij de punt der sabel op de ontbloote borst van mijne vijand zette, zeide ik:
»Oog om oog, tand om tand, Sid-Moessa! Gij hebt mij met de linkerhand in het aangezicht geslagen en van den linkervoet de teenen afgesneden, ik neem uwe linkerhand geheel.” En met een enkele slag van mijn zwaard scheidde ik de hand van den arm.
—De ellendeling kermde en kreunde in stilte en wrong zich op zijne legerstede, doch het koude lemmer op zijn borst voelend, dorst hij geen kreet te uiten.
»Gij hebt mij de tanden uitgebroken en mij in het aangezicht gewond,” vervolgde ik. »Ik zal het u insgelijks doen.” En ik sneed hem neus en ooren af.
»Wees gegroet, Sid-Moessa!” zeide ik tegen den kreunenden lafaard, »wacht op mij tot ik om uw leven kom.” En wij verlieten de tent.
—Daar buiten stond mijn ros, ik besteeg het en voort gingen wij als de wind.
—Sedert dien tijd heb ik Sid-Moessa onophoudelijk met mijne wraak vervolgd. Hij is rijk en drijft grooten handel. Elke karavaan, die hij afzond, viel mij in handen. Ik nam zijne kameelen en goederen, schonk den drijvers het leven en de vrijheid en verdeelde zijne rijkdommen onder de behoeftigen in den omtrek. Thans heb ik hem zoover gebracht, dat hij van een rijk een bijna arm man is geworden, en weldra zal de tijd komen, dat ik zijn hoofd ga halen.
—Het laatste wat hij bezat te gelde makend, heeft Sid-Moessathans voor dat geld van den Kaïd een troep soldaten gekregen. Het lange vruchtelooze vervolgen moede, dat hij telkens met eenige manschappen ondernam, heeft hij besloten mij ginds in de bergen op te sporen. Hiervan kreeg ik eerst heden morgen vroeg de tijding, tegelijk met het bericht dat hij reeds op weg was gegaan. Daar er mij alles aan gelegen is vóór Sid-Moessa bij mijn volk aan te komen, dat hij anders wellicht overrompelen zou, ging ik dadelijk op weg, vertrouwende op de snelheid van mijn paard. Op den namiddag bereikte ik een nauwen bergpas, die mij wel bekend was. Mijn weg voerde daardoor. Doch toen ik de engte uitkwam, stuitte ik opeens op den troep van Sid-Moessa. Er schoot mij geen andere weg over; terug kon ik niet; ikmoestnaar mijn volk. Ik trok mijn zwaard, en wierp mij op de soldaten, sabelde neer wat mij wilde tegenhouden, en slaagde er na een korten tegenstand in mij door hen heen te slaan. Ik snelde voort, maar hoorde achter mij de stem van Sid-Moessa, die zijne soldaten tot de vervolging aanspoorde, hun alles belovende zoo zij mij gevangennamen, hetzij levend of dood. Ik behoefde mijn paard niet aan te sporen, het edele dier liep als een razende. Mijne vervolgers gaven het op, de een na den ander; eindelijk floten mij een paar kogels om de ooren. Het was de afscheidsgroet van den laatsten vervolger, die de onmogelijkheid om mij levend gevangen nemen inzag, en mij nu toch gaarne dood zou hebben overgeleverd.
—Ik hield een oogenblik mijn paard in, wendde mij om, legde op hem aan en doodde zijn paard. Nu kon ik onbezorgd mijn rit voortzetten, doch helaas! mijn arm paard kon niet verder; het overige weet gij.
—Thans kent gij mij, aldus besloot de Arabier zijn verhaal, beschouwt gij mij als een misdadiger? Vertrouwt gij mij? Wilt gij mij helpen?
—Ja, zeide de luitenant hem de hand reikend, ik wil u helpen; neen, ik zie in u geen misdadiger. Ik zie in uwe daden slechts de door uwe wetten en zeden gerechtvaardigde wraak op den laaghartigen vijand.
Ook de kapitein reikte hem de hand.—Vergeef mij, zeide hij, dat ik u een oogenblik heb willen wantrouwen. Schoon ik weet, dat het niet edel is wraak te nemen, geloof ik toch, dat ik in uwe plaats eveneens zou gehandeld hebben.
—Draal nu niet langer, zeide de luitenant; reeds zijn meer dan anderhalf uur verstreken en uw vijand nadert. Daar, neem mijn paard, en verwijder u zoo spoedig gij kunt.
Ik wendde mij om, legde op hem aan en doodde zijn paard. Bladz. 72.Ik wendde mij om, legde op hem aan en doodde zijn paard.Bladz. 72.
Ik wendde mij om, legde op hem aan en doodde zijn paard.Bladz. 72.
De Arabier betuigde zijnen dank op bewogen toon. Hij trad naar het paard en bekeek het met het oog van een kenner.
—Die zal mij wel brengen waar ik moet zijn, zeide hij. Hier dicht bij heb ik vrienden, ik zal u vóór zonsopgang een paard zenden; vertrouw daarop!
Hij liep naar zijn paard, dat daar voor dood neder lag, en deed het den zadel en het tuig af om het mede te nemen. Doch opeens bewoog zich het schijnbaar doode dier. De Arabier sprong op van verbazing, en knielde bij zijn trouw ros neer. Hij klopte het op den nek, streek het over den kop en het paard, hoe langer hoe meer uit zijne verdooving ontwakende, hief den kop op en stond na eenige oogenblikken op, waggelend en sidderend aan al zijn leden.
—Geloofd zij de Profeet, riep de Arabier verheugd, het dier leeft!
—Maar vertrek dan toch, riep de luitenant, vertrek of het is te laat.
—Te laat, bij Allah, neen! dat niet, riep de Arabier, en hij sprong te paard. Ik heb niet meer noodig u een paard te zenden, zeide hij, zich goed in den zadel zettend. Geef mijn paard een goed leger en goed voeder, en morgen ochtend is het weder volkomen gezond en in staat u te dragen. Neem het van mij in gebruik, ik zal het van u opeischen in ruil voor het uwe.
—Goed, zeide de luitenant, maar vertrek. Zie, 't is reeds bijna volkomen nacht. Spoed u heen, eer het te laat is.
—Waarheen gaat ge? vroeg de Arabier.
—Naar Fez, antwoordde de luitenant.
—Naar Fez? zeide de Arabier verwonderd, goed, ik zal u binnen zeer korten tijd weerzien. Vaarwel! Allah behoede u op uw weg.
—Halt! riep de luitenant opeens, toen de Arabier op het punt was zijn paard te doen voortgaan. Hoe is uw naam?
—Mijn naam? zeide de Arabier zich voorover buigend. Ik heet Sid-Abd-Allah, men noemt mijde geweldige. En den teugel vierend, vertrok hij in galop.
DOOR INSECTEN OVERROMPELD.—DE TARANTULA.
Toen de Arabier te paard springend zijn naam noemde, maakte Selam een zoo hevig gebaar van ontzetting, dat het door allen werd opgemerkt. Doch hij was niet de eenige, die verschrikte; ook de drijvers, die op een kleinen afstand gezeten het verhaal hadden aangehoord, verbleekten en ontstelden.
—Gij ontstelt, Selam, mijn dappere, zeide de kapitein. Kent gij Sid-Abd-Allah?
—Ja heer, zeide Selam, wie zou dien naam zonder ontroering kunnen aanhooren. Hij doet iedereen ontstellen van Tanger tot Fez; door geheel Marokko wordt hij slechts fluisterend en met vreeze en dankbaarheid genoemd.
—Is die man dan zoo verschrikkelijk? vroeg de luitenant.
—Ja heer, antwoordde Selam, verschrikkelijk voor hen, die niet rechtvaardig handelen. Hij treedt overal op als een van Allah gezonden wreker. Is er een Sheik, een Kaïd, ja zelfs een Pacha, die zijne onderdanen uitzuigt en mishandelt, kortom, die niet is wat hij behoort te zijn, dan is hij zeker den een of anderen dag een bezoek van Sid-Abd-Allah te ontvangen. Menigeen heeft zijne tirannie met den dood of met verlies van have en goed betaald. En voor de armen is hij als een afgezant van Allah, als een goede geest. Waar gebrek, waar ellende heerscht, verschijnt hij en doet wel in den naam van Allah en den grooten Profeet. Wat hij den rijken dwingeland afneemt, het met bloed bevlekte geld, geeft hij den armen. Door de rijken, door de ellendige, wreede, machtige overheden van dit land wordt hij gehaat maar tevens gevreesd, door de armen wordt hij geëerd en gevreesd, zooals men Allah en den Profeet vreest.
—Kent ge ook dien Sid-Moessa? vroeg de luitenant.
—Sid-Moessa, heer! antwoordde Selam, is de booze geest van Tanger. Allah had hem met rijkdommen begunstigd, en de ellendige hond gaf den bedelaar, die voor zijn huis lag te jammeren van honger en ellende, eten, dat hij met opzet met zand liet bestrooien.
—He! wat een fielt, zei Dries met een niet te beschrijven verachtend gebaar.
—Hij kocht de schoonste jonge meisjes der armen met zijngeld, en liet hem, die zich bij hem om hulp aanmeldde of zich kwam beklagen over de eene of andere onrechtvaardige daad zijner lieden, met stokslagen wegjagen. De Kaïd, die met hem heult, is even slecht als hij en staat geheel onder den invloed van Sid-Moessa door het geld, dat hij hem verschuldigd is.
De nacht viel snel en een blik naar den horizont werpend, zag men »den geweldige”, die zich met groote snelheid voorwaarts spoedde, langzamerhand uit het gezicht verdwijnen.
Selam zorgde voor het paard van Sid-Abd-Allah en bewonderde de schoonheid van het dier, maar daar men den anderen morgen vroeg wilde vertrekken, begaf men zich spoedig ter ruste.
Vóór de luitenant de tent binnentrad, naderde Selam hem en zeide:—Heer! gij hebt wel gedaan Sid-Abd-Allah een dienst te bewijzen. Hij zal voortaan een vriend zijn en zijne vriendschap is voor ons veel waard.
—Des te beter, zeide de luitenant, des te beter. Ik hoop maar, dat hij niet te lang gedraald heeft om te ontkomen.
—O heer! wees gerust, zeide Selam. Hij zal zijnen vervolgers wel ontkomen. Eer de nacht half verstreken is, zal hij aan Karia-el-Abbassi zijn, waar hij een versch paard zal nemen en zoo verder. Bovendien, zei Selam met de meeste overtuiging, Allah beschermt hem.
De luitenant en de kapitein begaven zich in de tent, en terwijl Mohammed bleef waken, legde Selam zich insgelijks neder om de eerste uren van den nacht te rusten, waarna hij de wacht betrok tot den morgen.
Het was nog vóór het krieken van den dag. Selam zat stil bij de tenten en liet zijnen blik over de uitgestrekte vlakte weiden en over het zilveren vlak van de rivier de Koes, die zich hier tusschen het terrein slingerde als eene zilveren streep, hier verborgen door een heuvel of bosch, daar weder te voorschijn tredend.
Opeens verscheen bij een heuvel aan eene kromming van den weg een ruiter, die een los paard bij den teugel leidde. Hij naderde in vliegenden galop, hield op eenigen afstand van de legerplaats stil en naderde Selam na de paarden aan een struik te hebben vastgebonden.
Selam verroerde zich niet.
De ruiter trad nader; het was een neger. Hij bleef eerbiedig staan, met het hoofd voorovergebogen.
—Vrede zij met u! zeide hij.
—Allah behoede u! antwoordde Selam, en gaf hem tevens een wenk om zich neer te zetten.
—Vanwaar komt ge? vroeg Selam.
—Van Karia-el-Abbassi, antwoordde de neger. Sid-Abd-Allah laat de Christen-krijgslieden groeten.
—Hebt gij het paard medegebracht? vroeg Selam.
De neger knikte, en opstaande liep hij naar de paarden en maakte dat van den luitenant los en bond het vast bij de andere paarden.
—Het is niet erg vermoeid, zeide de neger weder gaande zitten. Sid-Abd-Allah heeft het slechts tot Karia-el-Abbassi bereden en het goed laten voeren. Na een paar uren rust zal het even frisch zijn, alsof het den geheelen nacht had gerust. Sid-Abd-Allah heeft mij gelast u dit te zeggen.
—Het is wèl! zeide Selam, heeft de Sheik u niets anders gelast?
—Ja, antwoordde de neger. Sid-Abd-Allah zeide: Zeg aan de Christenen, dat Sheik Sid-Abd-Allah nooit een bewezen dienst vergeet.
Selam knikte goedkeurend.—Ga, mijn broeder! zeide hij, het is wèl. Selam zal uwe woorden getrouw overbrengen, wees daar gerust op.
—Vrede zij op uwen weg! zeide de neger, en te paard springend reed hij weg in zoo snellen galop, dat hij in een oogenblik uit het gezicht was, het paard van zijnen meester medevoerend, aan hetwelk geen vermoeienis was te bespeuren.
Toen de neger was vertrokken, rees Selam op en begaf zich naar het paard van den luitenant. Er was geen spoor aan het dier te zien van den verbazenden rit, dien het had afgelegd in zoo korten tijd.
—Ik wist het wel, mompelde Selam, het paard streelend. De geweldige wordt niet te vergeefs beschermd door den Profeet. Zijn paard was bijna dood en zie het herleeft opeens, en dit is even frisch alsof het in eene vette weide had geloopen in plaats van een rit te hebben gedaan naar Karia-el-Abbassi en terug. Allah heeft het dier zeker een toovermiddel gegeven.Men zegt, dat hij zijn paarden met wijn wascht en met vleesch voedt.
Een uur na zonsopgang was de karavaan, na de rivier de Koes te hebben doorwaad, weder op den weg. De luitenant en de kapitein waren in druk gesprek over het avontuur van den vorigen avond, en evenals Selam verwonderden beiden zich over de flinke houding van Frank's paard, waaraan geene gevolgen van uitgestane vermoeienis te bemerken waren.
—Die opmerking van Selam, zeide de luitenant, dat volgens geruchte onze roover-Sheik zijne paarden laat voeden met vleesch en wasschen met wijn, herinnert mij aan een verhaal dat ik eens, ik weet niet meer waar, heb gelezen van een beruchten Engelschenstruikroover, een soort van Rinaldo Rinaldini. Die avonturier werd door de politie vervolgd en had zijne ontsnapping alleen aan de vlugheid van zijn paard, dat van Arabisch bloed was, te danken. Toen hij zijne vervolgers een tamelijk eind vooruit was, gaf hij het een kwartiertje rust in eene herberg op zijnen weg. Het dier kon dan ook bijna niet meer staan van vermoeidheid. De roover liet zich een emmer wijn geven en een enormen rauwen biefstuk. In den emmer met wijn plaatste hij om beurt de pooten van zijn paard, ze zorgvuldig met den wijn wasschende. Den biefstuk lag hij tusschen de tanden van het paard, dat het stuk vleesch smakelijk uitzoog zonder het evenwel op te eten. Terwijl hij daarmede nog bezig was, kwamen de politieagenten aan om den vluchteling te vatten. Maar de roover sprong te paard en verdween snel, want het paard was door dat wijnbad en het buitengewone maal zóó versterkt, dat het nog uren ver den rit volhield en over schuttingen en muren heen sprong alsof het eerst pas op weg was gegaan.
—'t Is zonderling, zeide de kapitein, ik heb ook meer van die vertelseltjes gehoord, maar er nooit het ware van vernomen.
Men reed thans voort over eene uitgestrekte golvende vlakte, dicht begroeid met laag struikgewas en bezaaid met bloemen van allerlei kleuren.
Opeens zag men een man naderen. Het was een Arabier. Hij zag er armoedig uit, had een dikken knoestigen stok in de hand en om den hals hing een lederen zak aan een riem.
—Het is een koerier van den Sultan, zeide Selam, die naar Tanger gaat. In den leeren zak heeft hij de brieven van den Sultan en zijne ministers en van particuliere personen.
De koerier bleef, ons gezelschap genaderd zijnde, verwonderd doch eerbiedig staan. Hunne betrekking, die hen overal heen voert, doet hen veel in aanraking komen met Europeanen. Vandaar, waarom deze lieden meer met deze laatsten bekend zijn en zich ook verstandiger gedragen dan het meerendeel hunner fanatieke domme landslieden. Hij vroeg, of men ook brieven naar Tanger had mede te geven? De luitenant en de kapitein gaven den armen drommel eenig geld, waarmede hij zeer verheugd was, en na het gebruikelijke: »God behoede u op uwen weg!” ging hij verder.
—Het is een ellendig leven, zei Selam. Zij leggen den weg van Fez naar Tanger af in vier dagen. Deze loopt door eenzame woeste streken, door bosschen en dorre vlakten, over rotsige onbegaanbare paden, waar alleen zoo'n koerier kan voorkomen; zij moeten stroomen overzwemmen en hebben met den verstikkenden woestijnwindte kampen. En dan komt daar de weersgesteldheid nog bij, in den zomer brandend heet, in den winter aanhoudende gure winden en slagregens. Zij loopen dag en nacht, en slapen slechts een paar uren per dag. Om bijtijds te ontwaken binden zij zich een koord aan den voet, dat zij aan het eene eind in brand steken. Het touw heeft een paar uur noodig om af te branden, zoodra nu het vuur den voet raakt, wordt de koerier daardoor wakker. Een stuk brood en een paar vijgen is zijn eenigst voedsel op een ganschen dag en het loon, dat zij voor al die inspanning en vermoeienissen ontvangen, is zeer karig. Zij loopen gewoonlijk in een draf, en als zij te Tanger of te Fez aankomen, gaan zij kort daarna weder terug.
—Een mooi baantje, zei Dries, dat van brievenbesteller in Marokko. Ik moet het bepaald zien te worden!
—Goed, zei de kapitein, ik beloof je mijne voorspraak bij den Sultan.
—Hartelijk dank, kapitein! antwoordde Dries. Maar doe het niet al te haastig en vooral als gij het eenmaal voor mij verkregen hebt, verras er mij dan niet plotseling mede, maar zeg het mij zoo omzichtig mogelijk. Ik mocht van vreugde eens een ongeluk krijgen.
Tegen den avond sloeg men, afgemat van de hitte, het kamp op aan den voet van denheuvel.
—Weet gij wel, kapitein, zeide de luitenant, wat ik geloof?
—Als gij het mij zult gezegd hebben, zeker wel! antwoordde de kapitein droogjes.
—Ik geloof, dat we heden nacht niet veel zullen slapen, zeide de luitenant.
—En dat waarom niet? vroeg de kapitein verwonderd.
—Omdat ik, antwoordde de luitenant, de geheele vlakte, die wij zijn doorgetrokken, tot hiertoe heb zien leven van de insecten. Elke grashalm bewoog, de struiken zaten vol, de lucht is er vol van, de steenen waren er mede overdekt en het zand kan men niet zien door de menigte.
—Eene mooie tijding, voorwaar! zeide de kapitein. Welnu, ik bezweer u, dat ik zal slapen ondanks dat tuig.
—Zweer niet, waarde kapitein, zeide de luitenant lachend. Ge zoudt in het geval kunnen komen, dat ge uwen eed niet kondt houden.
Men bleef nog lang genieten van den heerlijken nacht, om zich eindelijk ter ruste te begeven. De kapitein onderwierp eerst de tent aan een streng onderzoek, doodde onmeedoogend wat hij vond en legde zich toen neder. Ook de luitenant en Dries hadden zich te slapen gelegd.
De luitenant lag nauwelijks rustig te bed, of de aanvallers begonnen zich reeds te vertoonen; maar Frank lag overal heen te kijken en sloeg ze met een stokje weg, waar zij zich in zijne nabijheid vertoonden. De kapitein, die zich goed wilde houden, bewoog zich onrustig, en nu en dan hoorde men een onderdrukten vloek.
Opeens sprong de kapitein op.—Neen, riep hij, dat is niet uit te houden! Ik geloof waarachtig, dat ze mijn veldbed willen wegslepen.
De luitenant lachte.—Wel, wat heb ik u gezegd? zeide hij.
—Vervloekt, riep de kapitein weder, ik voel ze tegen mijne beenen opkruipen. Ik hoor ze om mij heen snorren en gonzen. Wacht kanalje! ik zal je wel helpen, en hij ontstak eene kaars.
Ook Dries was nu van zijn veldbed gesprongen en zelfs de luitenant kon het ondanks zijne kalmte niet langer uithouden.
Toen er licht was ontstoken, begon men het terrein te verkennen. En het resultaat was alles behalve geruststellend. Het vermoeden van den luitenant had zich maar al te zeer bewaarheid; overal wemelde het van insecten; alles leefde als 't ware. De grond scheen zich te bewegen; de wanden der tent waren in voortdurende golving. De diertjes klommen op langs de wanden naar den top en lieten zich daar gekomen naar beneden vallen. De veldbedden en de kleedingstukken waren er dan ook geheel mede overdekt.
De slachting begon. Selam, die het gerucht hoorde, kwam te hulp; men ging aan het doodslaan, aan het verbranden, aan het verjagen, doch het hielp niets. In korten tijd was de grond bedekt met dooden, maar er kwamen steeds levenden voor in de plaats. Het was onbegrijpelijk, waar dat gedierte vandaan kwam; zooveel kon men er niet dooden, dat zij er zichtbaar door verminderden.
En intusschen was de luitenant als een ijverig insectenkundige bezig de buitengewone exemplaren in verzekerde bewaring te nemen, zonder zich overigens veel met de slachting te bemoeien.
—Ha! riep hij uit, dezen neem ik; daar hebben wecicindela campestrisof den veld-zandkever, den tijger onder de insecten.
—En hier hebt ge een reusachtigen duizendpoot, riep de kapitein!Parbleu, wat leelijk beest! En hij vertoonde een duizendpoot van een decimeter lang en bijna zoo dik als een pink, die zich woedend kronkelde.
—Mooi! zei de luitenant verheugd, geef hier!
—Ziedaar weder een andere, riep de kapitein hem toe; het beest heeft moeite om zijn dikken buik te dragen.
—Geen wonder, zeide Dries, de stumpert heeft de waterzucht, zie slechts hoe zijn buik opgezwollen is. 'k Dacht tot heden, dat alleen de menschen met die kwaal bevoorrecht waren.
—'t Ismeloe majalis, riep de luitenant; dat zijn met decicindela campestristwee insecten, die wij ook bij ons in Holland hebben.
—Verduiveld, zeide de kapitein, gij doet sterk in Latijn, maar ik maak aanspraak op eene verklaring van die namen, heer luitenant!
—Met genoegen, antwoordde deze.
—Wil mijnheer nog gediend zijn van monsterhagedissen, reusachtige sprinkhanen, kolossale krekels of iets dergelijks, riep Dries. Ik heb hier zoowat van alles. Kan ik u soms dienen met wantsen? Ik heb hier een partijtje zeer mooie groene, zoo groot als een tien-stuiverstuk, of houdt u meer van spinnen? Die heb ik in alle grootten en kleuren.
—Hier hebt ge weer zoo'n dikbuik, luitenant! riep de kapitein, wilt ge er nog meer?
—Welke hebt ge, vroeg de luitenant, die niet goed had geluisterd.
—Welke? wel drommelsdikbuikius waterzuchta, antwoordde de kapitein, ge ziet, dat ik ook Latijn ken.
—Nog rupsen, luitenant? vroeg Dries een handvol vertoonende, er zijn kale en ook die zoo dik met haar zijn bezet, dat een paruikenmaker er jaloersch op zou worden.
—Belieft mijnheer nog gedrochten of monsters? spotte de kapitein, ik zie er eenigen van afschuwelijke gedaanten rondkruipen!
—Maar het helpt niet, riep de kapitein wanhopend; zie, de grond is bezaaid met koppen, vleugels, klauwen en wat al meer, en dat tuig blijft maar vermeerderen. Ik geloof waarachtig, dat zij onzen ondergang hebben gezworen. Ho, ho, vriend! een beetje minder onbeleefd, hoor!parbleu!ge vliegt me bijna een oog uit,en hij sloeg een grooten kever tegen den grond.
—Hoor eens, kapitein! zeide Dries. Men kan zien, dat dit gespuis Marokkaansche insecten zijn.
—En waaraan kunt ge dat zien? laat eens hooren.
—Wel, dat tuig is even fanatiek en even fel op de Christenen gebeten als de bewoners van dit land.
—Juist! riep de kapitein, ik vat het; de zaak is zoo klaar als de dag, zij vallen ons aan en zijn belust op ons bloed, wijl zij Mahomedaansch zijn.
—Maar wacht, riep de kapitein opeens,parbleu!dat ik daaraan niet eer heb gedacht.
—Waaraan? vroeg Dries.
—Wel aan buskruit, antwoordde de kapitein, en hij begon buskruit op den grond te strooien.
Plotseling, terwijl de kapitein hiermede bezig was, slaakte Selam,ondanks zijn weinigen afschuw van dat heir van insecten, een onderdrukten gil en snelde de tent uit.
—Wat scheelt hem? vroeg Dries.
—Ik geloof, dat hij den duivel heeft gezien, zeide de kapitein. Komaan, laten we het kruit aansteken; ik wensch een einde te maken met dit gespuis, want ik wil slapen.
Een oogenblik daarna trad Selam weder binnen. Hij had een paar lange scherpe doornen in de hand. Een oogenblik zag hij behoedzaam rond in een hoek der tent, toen bukte hij zich en vertoonde aan den verbaasden luitenant eene tarantula, die aan een doorn zat gestoken.
Het is onmogelijk de uitdrukking van angstigen schrik en ontzetting te beschrijven, die Selams gelaat teekende, toen hij de spin, zoolang zijn arm was van zich afhoudende, den luitenant aanbood.
—Drommels! riep deze verheugd uit, eene tarantula! Bravo, Selam, dat is de beste vangst van den avond.
De kapitein en Dries kwamen nu ook nader om een kijkje te nemen van dat gevreesde dier, en men beschouwde de tarantula aandachtig. Het was eene spin van ongeveer 40 millimeter lengte, roodbruin van kleur. Op den rug had zij eenige dwarsstrepen van eene zwarte kleur met roodachtig witte randen of zoomen. Op den buik had zij eene zwarte overlangsche streep. Het zwarte borststuk prijkte met roodachtige lichte vlekken.
De luitenant raakte het dier met den vinger aan, doch Selam trok snel zijne hand weg.
—O, raak haar niet aan, raak haar niet aan! Zij zou u bijten, zeide hij ernstig, en dien zij bijt, o, dien moge Allah bijstaan. Hij wordt razend, lacht, weent en jammert of zingt en stelt zich aan als een kind. Anderen krijgen slaap of een onweerstaanbaren lust om te dansen, ja, men wordt er krankzinnig door.
—Dwaasheid, zei de luitenant, zie ik raak haar aan. Selam sidderde.
—En om u te bewijzen, dat haar beet niet die uitwerking heeft, ga ik mij door haar laten bijten.
—O, heer, riep Selam op de knieën vallend, doe het niet!
Het was te laat. De tarantula, door den luitenant geplaagd en bovendien reeds woedend door de pijn, die de doorn haar veroorzaakte, beet in den vinger.
Selam stiet een angstkreet uit, sloeg de handen voor het gelaat en als door ontzetting aangegrepen, vloog hij de tent uit onder het mompelen van: »Allah behoede u!”
Die hartstochtelijke ontboezeming van vrees greep nu echter ook den kapitein en Dries aan en beiden vroegen den luitenant, of hij wel zeker was van zijne zaak.
—Zeker! antwoordde deze, anders zou ik zoo iets niet doen. Het is een overal verbreid oud bijgeloof, dat aan den beet van de tarantula zulke vreeslijke gevolgen toeschrijft. Maar laten wij zien te bed te komen, ik zal u dan nog het een en ander verhalen als het u niet verveelt.
—Aangenomen, riep de kapitein, komaan, Dries! aan het werk, opdat wij kunnen slapen.
Nog altijd krioelde het van insecten. Van alle kanten kwamen zij aanzetten in geregelde troepen. Hier was het eene bende krekels, die geregeld voortmarcheerden, daar spinnen, rupsen, kortom van alles, en tot overmaat van smart kwam er eindelijk eene lange kolonne van mieren opzetten, waarvan het eind niet te zien was.
—Welja, kom vrij binnen, zeide de kapitein, hoe meer hoe liever; hoe meer zielen, hoe meer vreugd; 't is schooner de overwinning te behalen over millioenen dan over duizenden. Komaan, Dries, maken wij een begin, vuur!
Nauwelijks had hij dit gezegd, of Dries stak een hoopje kruit aan. Een vuurstraal schoot, sissend als eene slang, over den grond recht op den hoofdtroep van de aanrukkende mierenkolonne aan. Dat gaf eene groote verwarring; de voorsten werden gedood of gekwetst; de daarop volgenden wilden terugtrekken, doch werden daarin belemmerd door den ontzettenden sleep, dien zij achter zich hadden. Door de overmacht gedwongen, drongen zij weder voorwaarts.
Maar intusschen had de kapitein eene nieuwe slang van kruit gevormd, en voor de tweede maal werden de mieren door het vuur overvallen. Ditmaal greep er eene ontzettende wanorde in de gelederen plaats, en de voorste troep zocht links en rechts een goed heenkomen. De volgende achtten het nu ook geraden terug te trekken, en zoo sloeg het mierenleger in volslagen wanorde op de vlucht.
Naar alle zijden strooide men nu buskruit en stak het aan. Het gevolg bleef niet uit. Tegen dezen vijand waren zelfs de hardnekkigste, stoutste insecten niet bestand; zij vluchtten naar alle kanten de tent uit, en weldra was men van deze plaag bevrijd, doch de tent was geheel met kruitdamp gevuld.
—Zie zoo, zei de kapitein, de slag is gewonnen. Zij zullen ons nu voor van nacht wel met vrede laten. Laten we nu nog eens dapper rooken om nog de enkele gevleugelde achterblijvers te verjagen, en we kunnen ons gereed maken om eens heerlijk te slapen.Kruitdamp en tabaksrook! dat is ten minste uit te houden voor een soldaat. Het behoort tot het beroep. Maar dat kanalje! zie ik ben bont en blauw gebeten en gestoken, en dat zal mij nog wel een poosje wakker houden. Komaan, luitenant, gij zijt ons opheldering schuldig over de tarantula en die andere plagen van Marokko; begin zoo gij wilt. Als mijne sigaar op is, ga ik slapen.
Men legde zich neder en de luitenant gaf zijn verhaal ten beste.
—De tarantula, zoo begon hij, heeft haren naam, die Italiaansch is, geërfd van eene vergiftige spin, die veel voorkwam in den omtrek van Tarente of Tarento zooals de Italianen zeggen. Men noemde deze spin, naar de plaats waar zij voorkwam, tarentula. De beet dier spin had, naar men beweerde, noodlottige gevolgen. Zoo is met eene kleine wijziging in de letter de naam tarantula ontstaan.
—Dat is duidelijk, merkte de kapitein op.
—De tarantula, vervolgde de luitenant, leeft bij voorkeur op zandige plaatsen. Zij graaft op zonnige onbebouwde hellingen een gat in den grond. De opening van dat hol, dat licht zou kunnen instorten, versterkt zij door een rand van droge planten, welke zij aaneenspint. Van binnen bepleistert zij haar hol met eene stof, die door de hitte der zon zoo hard als steen wordt. Door den rand en doordat het eind van het hol opwaarts loopt, is hare woning beveiligd voor het indringen van vocht of voorwerpen, die er in konden vallen.
—Een slim dier, zei de kapitein.
—Ja, vervolgde de luitenant, dat zijn trouwens alle spinnen. De tarantula schijnt des daags te slapen; men ziet haar dan ten minste zelden. Maar zoodra de zon onder is, komt zij te voorschijn en gaat aan den ingang van haar hol op de loer liggen en als de nacht eenmaal is gevallen, verlaat zij het hol om in den omtrek rond te zwerven, loerend op buit. Heeft zij het eene of andere insect bemachtigd, dan sleept zij het in haar hol en verslindt het daar op haar gemak, terwijl zij de onverteerbare deelen weder naar buiten werpt. Deze liggen dan ook dikwijls opeen gehoopt rondom den ingang.
—Het is dus een roofdier? vroeg de kapitein.
—Dat zijn alle spinnen, antwoordde de luitenant; zij leven van kleine insecten, uitgezonderd de reusachtige vogelspin van Zuid-Amerika, die kleine vogels en andere dieren aanvalt en verslindt of uitzuigt.
—Parbleu!zeide de kapitein, die moet dan nog al wat mans zijn.
—Ja, zij is met uitgestrekte pooten zoo groot als eene hand, antwoordde de luitenant.
—Ba! zeide de kapitein, ik ril als ik er aan denk.
—Maar ik dwaal van de tarantula af. Enkel in den zomer leeft de tarantula, als ik mij zoo mag uitdrukken, want van October tot in de lente verkeert zij in een staat van verdooving of winterslaap. Zij stopt de opening van haar hol dicht met een bal, dien zij op dezelfde manier maakt, als den rand rondom den ingang. Wanneer men haar gedurende dien tijd opgraaft, is zij slaperig; loopt waggelend alsof zij dronken is, weet niet wat zij doet, en men heeft haar dan in het minste niet te vreezen. Er is geen geval bekend, dat zij gedurende dien toestand bijt.
—Aan het uiteinde van het achterlijf draagt de tarantula een witten zak zoo groot als een hazelnoot. Dat is de eierzak. In de maanden September en Augustus komen de jongen uit den zak te voorschijn. Zij zijn gewoonlijk 600 à 700 in getal.
—Wat blief, riep de kapitein, 600 à 700 jongen? Ik geloof dat ge ons fopt, luitenant!
—Neen, zei deze, het is volkomen waar. Deze jongen komen uit den zak, klimmen op den rug der moeder en loopen daarop rond, totdat zij groot geworden zich overal heen verspreiden om een zelfstandig leven te beginnen.
—'t Moet een fraai gezicht zijn, zeide de kapitein, eene moeder wandelende met 6 à 700 kindertjes op haar rug. Zoo'n tarantula-moeder heeft een enormen rug, luitenant.
Dries lachte, dat hij schaterde.
—En om nu op de gevreesde gevolgen van haar beet te komen, zoo ik het u heden niet reeds heb bewezen, kan daartoe het volgende dienen. Sinds de vroegste tijden is dat geloof aan de noodlottige gevolgen van den beet der tarantula overal verspreid en duurt voort tot in onze eeuw. Men noemt als die gevolgen: aanhoudend zingen of lachen, weenen en jammeren, het lijden aan slaapzucht of slapeloosheid; bij anderen braking, eene razende begeerte om te dansen, uitwasemen, last van huiveringen en hartkloppingen; weder anderen kunnen sommige kleuren niet verdragen enz. Om den gebetene te genezen, speelde men hem twee melodieën voor. De patiënt begint, door de muziek opgewekt, te dansen alsof zijn leven er van afhangt. Hij raakt bezweet en vermoeid, en valt ten laatste uitgeput neder. Hij wordt nu te bed gebracht en men laat hem slapen. Als hij ontwaakt, is hij beter, doch weet niet wat er met hem is voorgevallen. Bij dat alles verhaalde men nog meer dwaasheden, o. a. dat de kwaal na zeker tijdsverloop terugkeerde, dat zij 20, 30 of soms wel meer jaren duurde, dat de beet van de eene tarantula erger gevolgen had dan die van de andere, endat deze in de hondsdagen het gevaarlijkste was, maar daarentegen onschadelijk, als men het dier naar Rome of noordelijker streken overbracht.
—Doch het onderzoek van verstandige lieden deed weldra zien, hoe weinig er van dat alles waar was.Von Borsch, een Poolsch edelman, wist door een geschenk een Napolitaan over te halen zich in zijne tegenwoordigheid door eene tarantula in den vinger te laten bijten. De man deed het en had er geen ander letsel van dan eene ontsteking in de hand; de vingers zwollen op en hij had een hevigen jeuk in de gewonde deelen, doch zij waren spoedig genezen. Twee andere natuuronderzoekers,Léon DufourenJoseph Erker, namen proeven door zichzelven te laten bijten en bewezen hiermede genoegzaam het overdrevene van dat sprookje.
—Ge ziet al weder, merkte de kapitein op, dat de leugen gemakkelijker door de wereld komt dan de waarheid. Voor het overige dank ik u wel voor uwe mededeeling, doch we zijn nog niet aan het einde. Ge hebt ons daar straks gesproken van een insect, dat gij den tijger onder de insecten noemdet. Komaan, mijn waarde, biecht op!
—O, gij bedoelt decicindela campestrisof veld-zandkever, dien als smaragdgroen glinsterenden kever met fraaie roode stippen versierd welke in de zon schitteren als vuur. Ja, dit is een merkwaardig insect. Ik noemde het den tijger onder de insecten om zijne wreedheid. Hij is een zeer roofzuchtig dier tegen hetwelk geen enkel insect bestand is. Hij snort overal rond, valt alles aan, en moordt met wellust. En zijne larve2)(rups) is even merkwaardig als hij. Deze heeft eene zeer vreemde gedaante, een platten kop en rugschild. Zij is even als de kever zeer vraatzuchtig, doch oefent de jacht op eene andere manier uit. In den zandigen bodem waarin zij leeft, graaft zij een verticalen gang, ter dikte ongeveer van een potlood. Die gang is 6 tot 18 duim lang. Het uitgegraven zand brengt zij met den platten kop en het rugschild naar boven. Is deze gang klaar, dan gaat zij er in zitten en verbergt er zich in. Alleen de platte kop komt gelijk met de opening van den gang en sluit dien als een deksel, en daar zij dezelfde kleur als het zand van den bodem heeft, is zij niet gemakkelijk te onderscheiden. Zoo blijft zij stil zitten, wacht op eenig insect en zoodra zij iets voelt op den kop, trekt zij zich plotseling terug. Het insect aldus den bodem onder zich voelende verdwijnen, stort in den kuil, waar het door de larvegegrepen, uitgezogen en geheel fijn gekauwd wordt. Het overblijvende draagt zij op den kop naar boven en werpt het buiten haar hol.
—Dat is dus een levende val en de kop is het valluik, zeide de kapitein.
—Juist, antwoordde de luitenant. In dat hol verpopt de larve ook; zij spint te dien einde de opening eenvoudig toe. De pop is te herkennen aan 12 uitsteeksels, die op doorntjes gelijken. Uit dezen pop komt onze kever te voorschijn. Ziedaar! ik hoop, dat uwe nieuwsgierigheid nu voldaan zal zijn, want ik heb slaap.
—Laat zien, zei de kapitein, er moet bepaald nog wat komen, want mijne sigaar is nog niet uitgerookt.
—Dat is zoo, zeide Dries, waar blijft de dikbuik, luitenant?
—De dikbuik? zeide deze vragend.
—Wel ja, de waterzuchtige, zeide Dries.
—Dikbuikius waterzuchta, voegde de kapitein er tot opheldering bij.
—O, riep de luitenant, ge bedoeltmeloe majalis. Dat is eene soort van Spaansche vlieg.
—Wat blief, zeide de kapitein vragend, een soort van Spaansche vlieg en het is een kever?
—Zeker, zeide de luitenant, de zoogenaamde Spaansche vlieg is ook een kevertje en allerminst eene vlieg. Hij behoort tot de blaartrekkende kevers, en de Spaansche vlieg, die wij in onze apotheken koopen, is een van die soort. Die gij mij heden hebt bezorgd, is zeer mooi. De metaalgroene en zwarte kleur steekt fraai af bij de purpere randen van het borststuk. Op de bovenzijde van ieder gedeelte van het achterlijf heeft zij eene koperkleurige glanzende vlek. De buik is lichtgroen en de voorzoom van elke geleding is koperrood. Een fraai insect, dat we ook in Holland aantreffen.
—Dat insect legt een grooten klomp oranjekleurige eieren, uit welke kleine witte larven komen, die op planten kruipen, en zich in eene bloem verbergen. Hier wacht zij tot eene bij de bloem bezoekt, dan hecht zich het kleine wormpje aan de bij en wordt door deze medegevoerd naar het nest. Zoodra de bij nu haar ei legt, laat de larve zich daarop neer en eet het op. Daarna vervelt zij en wordt eene larve zonder pooten, gebruikt als voedsel de honig uit de cel, verandert nog een paar malen van huid en gedaante tot zij eindelijk overgaat in een pop en daaruit als volkomen insect de wereld intreedt.
—Verduiveld, luitenant! zeide de kapitein, gij hebt ons zooveel verhaald, dat mij belang inboezemt, dat ik geloof zin in de insectenkunde te krijgen, en tot dank beloof ik u, dat als we eenmaalthuis teruggekeerd zullen zijn, en ik dus weder te Algiers ben, ik u eene prachtige verzameling insecten zal zenden.
—Dat neem ik aan, zeide de luitenant, maar als gij de beesten levend zendt, vergeet dan niet ze voedsel te geven. De reis is lang.
—En nu, rust wel, zeide Frank, en hij strekte zich behagelijk uit, om het overige gedeelte van den nacht eens rustig te slapen, welk goed voorbeeld ook door den kapitein en Dries werd gevolgd.