Maar nog akeliger was het gezicht van den last dien twee Arabieren torschten. Bladz. 128.Maar nog akeliger was het gezicht van den last dien twee Arabieren torschten.Bladz. 128.
Maar nog akeliger was het gezicht van den last dien twee Arabieren torschten.Bladz. 128.
Eene rilling doorliep het geheele gezelschap, en men haastte zich voort te komen. Een weinig verder kwam men langs de twee kolossale moskeeën, die van El-Karoeïn en Moelei Edris. Ongelukkig kon men van deze twee beroemde kerken niets zien dan de met fraaie Moorsche bogen prijkende voorhoven, eene menigte pilaren en fraaie met mozaïek versierde deuren, daar het den Christenen verboden is de moskeeën te betreden, en Aroesi was ondanks zijne vriendschap voor de Christenen en zijne meerdere beschaving toch een te goed Muzelman om een Christen in de moskee te brengen.
Wederom kwam men in drukke straten, waar aan beide zijden bazaars waren van allerlei zaken. De straten waren vol volk; Arabieren in hunne lange, witte kapmantels, die onhoorbaar voortgingen als waren zij geesten, kolossale negers, Mooren in schilderachtige kostuums, Joden die schuw voortsluipend zich snel voortspoedden, geldwisselaars, die op den grond zaten met groote hoopen van dat zware zwarte geld, dat zóó weinig waarde heeft, dat men om een paar gulden te wisselen een kruier zou noodig hebben om het te dragen, en oude Arabische vrouwen met ontbloote borst, doch zorgvuldig gesluierd.
En na de drukke straten geraakte men weder in de doode, stille, tusschen hooge muren ingesloten achterstraten, waar de paarden bijna uitgleden over den kleverigen grond of struikelden over doode honden of katten, waar een ondragelijke stank heerschte en men bestormd werd door dikke wolken van vliegen.
Midden in die straat kwam men weder een heilige tegen, die spiernaakt was en op eene wandelende ton geleek. De walgelijke kerel had het hoofd getooid met bloemen en vederen, alsof hij ter feest moest gaan. Een knuppel, dien hij nauwelijks kon torschen, droeg hij over den schouder. Hij liep waggelend als een beschonkene, en hield tusschenbeide stil om zijnen zegen uit te spreken tegen de naakte muren of, voor zoover zijne walgelijke dikte het hem toeliet, een paar bokkensprongen te maken. En onder alles door liet de kerel aanhoudend een eentonig gezang hooren. Hij ging ons gezelschap voorbij zonder er eens acht op te slaan, voortwaggelend en zingende. Een paar honderd passen verder vlijdede heilige man zich in den modder neder om een middagdutje te doen, vlak naast een half vergaan paard, aan welks stinkend lijk zich een troep ratten en kraaien vergastte.
—Nu, zeide Dries tegen Selam, die met hem den kerel had nagekeken, deze is wel degelijk gek, hoor!
—Ja, zeide Selam, Allah heeft hem het verstand benomen ten teeken zijner liefde. Nu is hij heilig.
—Een rare Allah, mompelde Dries. Ik kan niet zeggen, dat ik erg gesteld zou zijn op eene dergelijke voorkeur.
Eindelijk zag men eene poort voor zich en die doorgegaan zijnde, kwam men buiten de stad.
Hier eerst ademde men weder vrij. Want de tooneelen, van welke men getuige was geweest, hadden een diepen indruk op het gezelschap gemaakt. Als men daarbij nog de vrees voegt van herkend te worden door eenig niet te voorzien toeval, dan begrijpt men wat de kapitein zeide, toen men buiten de stad was gekomen:—'t Is alsof mij een mes van de keel wordt genomen, waarvan ik sedert eenige uren de punt heb gevoeld!
Na nog een eind weegs te zijn medegegaan, nam Aroesi afscheid, echter niet zonder beloofd te hebben hen den volgenden dag vroegtijdig te zullen komen afhalen om de wapenschouwing te zien, die de Sultan drie malen in de week over de troepen houdt, na wier afloop Aroesi hen uitnoodigde zijne woning te bezoeken en daar het middagmaal te gebruiken.
Het spreekt vanzelf, dat men dit aanbod van den gullen, beminlijken gastheer met graagte aannam, en nadat men hem hartelijk had dankgezegd, reed Aroesi heen en sloegen onze vrienden den weg naar het kamp in.
Zooals sedert vele dagen, was Fez ook thans het onderwerp van het gesprek tusschen den luitenant en den kapitein, toen men des avonds onder een schoonen sterrenhemel, onder het gemurmel van den Paarlstroom vóór de geopende tent zat te praten, en Dries was de aandachtige toehoorder.
—Fez, zeide de kapitein op eene aanmerking van den luitenant, is evenals Tanger een uitgestorven vervallen stad. Wanneer wij hare geschiedenis nagaan, bemerken we dat duidelijk. Hare stichting dagteekent reeds van het einde der achtste eeuw. Omstreeks dien tijd ontstond er, waardoor weet ik niet, eene scheuring tusschen de Abbassiden, die zich in twee partijen verdeelden en elkaar bevochten.
—Tot de partij, die het onderspit delfde, behoorde een zekerevorst, Edris-ebn-Abd-Allah, die, om zijn leven te redden, vluchtte naar Magreb, hier in den omtrek. Deze Edris begon nu een kluizenaarsleven te leiden, en werd buitengewoon vroom. De roep van zijne vroomheid bewoog de bewoners dezer streek, de Berbers, hem tot opperhoofd te kiezen. Thans vatte Edris ondanks zijne vroomheid de wapenen op, en begon hij zijn gezag overal te vestigen. Maar zijne vroomheid ging hand aan hand met zijne krijgstochten en al wat hij onderwierp, Joden, Christenen of Heidenen, werd gedwongen den Mahomedaanschen godsdienst aan te nemen. De fortuin begunstigde hem en zijne macht steeg met elken dag.
—Dit beviel echter den Oosterschen Kalif Haroen-al-Reschidin het geheel niet, en om een einde aan de macht van Edris en tevens aan zijn leven te maken, zond hij een persoon af, die zich onder de vermomming van geneesheer toegang tot Edris wist te verschaffen en hem vergiftigde.
—Doch Haroen-al-Reschid had er niet veel bij gewonnen. De Berbers toch hadden hun vorst te hoog vereerd om hem te vergeten. Zij bezorgden hem eene schitterende begrafenis en riepen zijn zoon Edris-ebn-Edris als Kalif uit en deze, even dapper en ondernemend als zijn vader, breidde de macht van zijn vader nog meer uit en werd de stichter van het Rijk van Marokko.
—Het was deze Edris, die den 3denFebruari 808 den grondslag der stad Fez legde.
—Omtrent den oorsprong van den naam bestaan verschillende overleveringen. Zoo verhaalt men, dat zij dien naam heeft ontvangen naar eene kolossale bijl (eene bijl heet in het Arabisch fez) van zestig ponden zwaar, die men daar bij het graven vond. Eene andere overlevering verhaalt, dat de Kalif als een gewoon werkman medewerkte aan de stichting der stad en dat zijn volk hem uit dankbaarheid eene bijl ten geschenke aanbood, van goud en zilver vervaardigd, naar welke Edris uit dankbaarheid de nieuwe stad noemde.
—Weder anderen verhalen, dat er in zeer oude tijden op die plaats eene groote stad lag, die Zef heette, en dat Edris de stad den omgekeerden naam gaf. Ten slotte zegt eene vierde overlevering, dat de secretaris van den Kalif, zijnen vorst gevraagd hebbende, hoe de nieuwe stad zou heeten, ten antwoord kreeg, dat zij zou genoemd worden naar den eersten man, die men zou ontmoeten. De eerste persoon, dien men op straat ontmoette, werd naar zijn naam gevraagd. Deze man heette Ferez, doch daar hij hakkelde, kon hij zijn naam niet goed uitspreken en men verstond, dat hijFez heette. Men doopte dus de stad Fez. De nieuwe stad breidde zich intusschen snel uit, zoodat zij reeds in de dertiende eeuw met de beroemde groote stad Bagdad gelijkstond.
—Dat is wel eene snelle ontwikkeling, merkte de luitenant op.
—Ja, zeide de kapitein, en om u een staaltje te geven van hare grootte en macht, zal ik aanvoeren, dat zij naar het verhaal vijf honderdduizend inwoners had, bestaande uit Mooren, Arabieren, Berbers, Joden, Negers, Turken en Christenen. Zij had dertig voorsteden en achthonderd moskeeën, waaronder zich de twee beroemde moskeeën bevonden, die wij heden hebben gezien. El-Karoeïn was en is nog de grootste moskee van Afrika. De fondamenten dezer moskee werden gelegd in het jaar 859 na Christus'geboorte op den eersten sabbath van Ramadan. De eerste kosten werden gedragen door eene vrome vrouw. Het was toen slechts eene kleine moskee, die echter later hoe langer hoe meer verfraaid en uitgebreid werd. Elke volgende Emir, Gouverneur of Sultan bracht iets bij tot hare vergrooting en verfraaiing.
—Men verhaalt betreffende haar rijkdom, dat op den spits van de minaret een gouden bal stond, versierd met paarlen en edelgesteenten, en in dien kostbaren bal stak het zwaard van den stichter van Fez, Edris-ebn-Edris. Binnen in de kerk hingen allerlei talismans tegen schorpioenen, ratten en slangen. Een spreekgestoelte was met ebbenhout ingelegd en versierd met ivoor en edelgesteenten. De talrijke bogen werden geschraagd door 270 kolommen; zij vormden zestien schepen, elk van een en twintig bogen. Er waren zeventien deuren, vijftien groote voor de mannen en twee kleine voor de vrouwen, en er waren zeventienhonderd lampen, die alleen in den nacht van den 27enRamadan 3½ centenaars olie verbrandden. Kortom, de pracht van deze moskee was zoo oogverblindend, dat zij den geloovige te veel afleiding gaf. Vooral was dit het geval met een zekere nis, die naar Mekka gekeerd is. De Iman liet daarom deze nis witten. Deze moskee moet de ontzaggeljke hoeveelheid van 22700 personen hebben kunnen bevatten.
—Hoe jammer, zeide de luitenant, dat we er niet in kunnen komen.
—Pardieu!'t is een vervelend volk, die Mooren en Arabieren, zeide de kapitein. Wat hindert het hun, of wij hunne kerken bezoeken.
—Welnu, laten wij er ingaan, zeide Dries, elkeen zal ons voor echte geloovigen aanzien in onze Moorsche kleeding.
—Ik zou het niet gaarne wagen, zeide de kapitein, want wijzouden ons zelven verraden door onze handelingen. Niemand weet hoe een Mahomedaan zich gedraagt in zijne moskee; neen, mijn vriend de waaghals! dat is eene onmogelijkheid.
—De andere moskee, vervolgde de kapitein, de moskee van Edris, is de meest geëerde van geheel Afrika. De pelgrimstochten naar deze moskee waren voorheen even talrijk als die naar Mekka. Voorts had de stad Fez 90.000 huizen, 10.000 winkels en 86 poorten. Zij bezat groote en goed ingerichte hospitalen, prachtige baden, eene kostbare bibliotheek en scholen voor alle vakken van wetenschap, waar geleerden uit alle landen van Europa en uit het Oosten kwamen studeeren. Toen heerschte in de stad meer beschaving dan thans. Door hare handel en hare markten, waar de producten van drie werelddeelen, Europa, Azië en Afrika samenstroomden, kwam het in aanraking met geheel Europa. En wat is Fez thans. Eene vervallen, barbaarsche stad, die geen schaduw meer van hare vroegere grootheid heeft behouden.
—'t Is het lot van velen, zeide de luitenant. Groote en machtige steden en rijken verdwijnen, en onbekende worden daarentegen groot en machtig.
—Laat ik u ten slotte nog eenige staaltjes mededeelen van de familie van den regeerenden sultan, zeide de kapitein, want deze stamt niet van Edris af, en ik ben zeker, dat, wanneer gij hem morgen bij de wapenschouwing zult zien, zijn persoon er in uw oog te aantrekkelijker door zal worden, wanneer gij weet van welke familie hij afstamt.
—Laat hooren! zeide de luitenant.
—In het kort laten zich de grootste verdiensten van zijne voorgangers samenvatten in de woorden: dweepzucht en wreedheid, en de daaruit voortkomende wandaden.
—Verduiveld! zei Dries, eene leelijke beschuldiging, die ik niet gaarne van mijn vader of grootvader zou hooren.
—De familie of het geslacht van Fileli stamt af uit de provincie Tafilet aan de woestijn. Voor jaar en dag gingen eenige bewoners van Tafilet naar Mekka, en kwamen terug met een zekeren sherif Ali, een afstammeling van Mahomed. Korten tijd nadat deze Ali in Tafilet was aangekomen, werd het land zeer vruchtbaar en het klimaat gunstiger, zoodat onder anderen de dadels in buitengewone grootte en getal werden geoogst. Men schreef dezen zegen aan Ali toe en uit dankbaarheid koos men hem tot koning, onder den naam van Moelei Sherif. Zijne opvolgers wisten hun gebied hoe langer hoe meer uit te breiden en namen onder anderen ook Fez in. Zij verjoegende regeerende dynastie, en sinds dien tijd hebben hunne nakomelingen over Marokko geregeerd.
—Luister nu, vervolgde de kapitein, welke beminnelijke vorsten zooal over Marokko hebben geregeerd.
—Moelei Sherif en zijn zoon regeerden beiden met wijsheid, doch daarna kwam eene reeks van vorsten, de een al wreeder dan de ander. Daar hebben wij in de eerste plaats de opvolger van Moelei Sherifs zoon, El-Reschid, een eerste moordenaar, die zelf het werk van den beul verrichtte en de vrouwen onder de afschuwlijkste mishandelingen dwong om de schatten hunner mannen aan te wijzen. Vervolgens Moelei-Ismaël, een even groot ellendeling als wellusteling, die gedurende zijne regeering tien duizend hoofden liet afslaan; die vader was van twaalfhonderd zonen, en, niet tevreden met zijne acht duizend vrouwen, aan Lodewijk XIV de dochter van de Hertogin de la Valière tot vrouw liet vragen.
—Verduiveld, zeide de luitenant, het zijn prachtexemplaren, uwe Sultans.
—Vind ge? vroeg de kapitein. Welnu, heb nog een oogenblik geduld, ik heb er nog meer en nog ergere.
—Sakkerloot! zeide Dries, ik dacht, dat het zoo al wèl was.
—Moelei-Achmed-el-Dehebi, vervolgde de kapitein, was even gierig als wreed en dronk zooveel wijn, dat hij bijna gelijk stond met een dier. Hij stal de juweelen van zijns vaders vrouwen, vermaakte zich door zijne eigene bijzitten de tanden te laten uittrekken, en liet een slaaf, die het ongeluk had zijne pijp te stijf te stoppen, het hoofd afslaan. Nog grooter fielt, en misschien de ergste van allen, was Moelei-Abd-Allah, die uit woede dat zijn leger door de Berbers verslagen was, de overgebleven officieren liet onthoofden en zelf medehielp, en de inwoners van Mechinez liet worgen. Daarmede nog niet tevreden, liet hij de menschen in een opengesneden stier naaien en zoo sterven.
—Ba, wat een schoft! riep Dries uit.
—Na zooveel ellende, vervolgde de kapitein, kwam er een zonnestraal over het land door de regeering van Sidi-Mohammed, die zich beijverde de Christenen in Marokko te doen komen en zijn volk vrede en beschaving te geven. Jammer genoeg was dit van korten duur, want op hem volgde Moelei-Yezid, die, om zijne soldaten te betalen, hen de jodenbuurten in geheel Marokko liet plunderen. Moelei-Soliman veinsde vriendschap jegens het Christendom, maar dwong alle Joden om Mahomedaan te worden, en liet hen, zoo hun slechts een woord van berouw ontviel, onthoofden. Abd-er-Rhaman,die door onzen dapperen maarschalkBugeaudbijIslyoverwonnen werd, liet een troep samenzweerders levend verbranden. En ten slotte hebben wij Sidi-Mohammed, bij Tetuan eveneens overwonnen, die door alle steden de hoofden zijner overwonnen vijanden op de geweren zijner soldaten liet ronddragen. Ziedaar, dus eindigde de kapitein, eenige bizonderheden uit de geschiedenis van dat verschrikkelijke land.
—Eene aaneenschakeling van bloed en moord, zeide de luitenant. Maar gij hebt gelijk, ik ben nu nieuwsgieriger dan ooit om den Sultan te zien, die zulke vrome en beminlijke voorvaderen heeft gehad.
—Het zal wel eene rechte galgentronie zijn, zei Dries.
—Wie weet, zeide de kapitein, we zullen zien!
DE WAPENSCHOUWING.
Ondanks de vrees van Selam en Dries ging de nacht zonder stoornis voorbij, en eerst toen de opkomende zon den horizont met een vurigen rooden gloed bedekte, legde de trouwe Selam zich te ruste.
Selam's vrees was intusschen maar al te gegrond; de scherpzinnige Moor had goed gezien, want de gewaande heilige van Fez was niemand anders dan de bedoelde roover, die uit wraak over den dood van zijnen broeder de karavaan was gevolgd. Hij was het geweest, die de Beni-Hassen tot den aanval op de karavaan had aangezet en hij had zich ook onder de aanvallers bevonden. Daar echter de onverwachte hulp van Sid-Abd-Allah zijn wel beraamd plan in duigen had doen vallen, had hij hen weder gevolgd en zich, ten einde door hen niet herkend te worden, voorgedaan als een der waanzinnige heiligen, waarvan Marokko wemelt. Volkomen bekend met hunne legerplaats had hij hen op behoorlijken afstand gadegeslagen van het oogenblik, dat zij het kamp aan de oevers van den Paarlstroom hadden opgericht. Begrijpende, dat zijne vijanden het hun toegedachte lot bij een aanval in de vlakte,hetzij des daags of des nachts, door hunne dapperheid licht konden ontgaan, had hij besloten hen op eene meer zekere manier te treffen, en wij zullen zien dat zijne plannen goed waren genomen.
Nog vóór dat Aroesi onze vrienden kwam afhalen om naar de wapenschouwing te gaan, had Dries aan den luitenant en den kapitein den argwaan van Selam jegens den vermeenden heilige medegedeeld.
Ongelukkig echter twijfelden de luitenant en de kapitein zeer aan de juistheid van Selam's vermoedens en geloofden zij, dat hij door eene toevallige gelijkenis was bedrogen.
—In ieder geval, zeide de luitenant, zullen we ons heden geducht wapenen, en mocht gij den kerel wederzien, tracht dan ons er ongemerkt kennis van te geven. Vinden wij reden om aan uwen argwaan geloof te slaan, dan zullen wij spoedig genoeg maatregelen kunnen nemen om den kerel onschadelijk te maken. In het ergste geval jaag ik hem bij de minste beweging, die ik merk dat de kerel maakt om ons incognito te verraden, een kogel door den kop. Voor het overige moeten wij vertrouwen op ons goed gesternte en onze wapenen. Voorloopig moeten wij het voor Aroesi maar verzwijgen, het is niet noodig hem zonder bepaalde reden te verontrusten.
Hiermede was de zaak voorloopig afgedaan en een paar uren daarna was ons gezelschap weder op weg naar Fez.
Het terrein, waar de wapenschouwing plaats had, was een groot rechthoekig plein buiten eene poort, die den zonderlingen naam van de »Poort van de boternis” draagt, aan den oever van den Paarlstroom. Drie zijden van dat plein werden begrensd door hooge witte muren met torens en tinnen, terwijl de vierde zijde begrensd werd door den Paarlstroom. Achter die muren bevonden zich de tuinen van den Sultan.
Op den anderen oever van den Paarlstroom kon men dat plein geheel overzien. Eene menigte toeschouwers was daar verzameld; Mooren en Arabieren, Negers uit het hart van Afrika, brons- en chocoladekleurigen en geheel zwarten. Tusschen die bonte menigte namen onze vrienden plaats, en gezeten op hunne paarden en ezels, konden zij gemakkelijk over de dichte rijen toeschouwers heenzien.
Had men zich eenige voorstelling van eene wapenschouwing gemaakt gelijk die in Europa, dan had men zich deerlijk bedrogen. Het tooneel toch, dat zich aan de oogen onzer vrienden voordeed, was zoo geheel verschillend van wat men had verwacht, dat de luitenant en den kapitein onwillekeurig uitriepen:—Is dat eene wapenschouwing, is dat eene legerafdeeling?
Op het plein bevond zich eene menigte soldaten, die groepsgewijs waren verspreid. Die soldaten, bestaande uit jongens, volwassen mannen en grijsaards, waren allen in het rood gekleed, afgedragen uniformrokken der Engelsche soldaten, die te Gibraltar worden opgekocht. Voeg daarbij naakte beenen in gele pantoffels gestoken en een tulband op het hoofd geplaatst, en ge kunt u eenig begrip maken van hun bespottelijk voorkomen. Zij waren gewapend met de bekende lange geweren, die er allen even roestig en onbruikbaar uitzagen en waarop zij bajonetten droegen van alle mogelijke modellen. Bovendien waren vele van diebajonettenkrom of verbogen. Aan de zijde van het plein vanwaar de Sultan moest komen, stond eene lange rij soldaten op tamelijken afstand van elkaar, allen in de positie die hun het best voorkwam. Er was volstrekt geen orde of regelmaat. De een stond met het geweer in den arm, een ander had de handen over de tromp saamgevouwen en liet de kin op de handen rusten, een derde, met de beenen wijd uit elkaar gezet, teekende met de bajonet lijnen in het zand. Velen hadden de slip van hunne openhangende jas over het hoofd geslagen om zich tegen de brandende zon te beschermen.
Op de lengte dermilitairenwas evenmin gelet als op den afstand, zoodat reusachtige kerels naast kleine jongens stonden, die nauwelijks in staat waren het geweer te dragen. Kortom, het was een troep, die elken officier tot wanhoop zou hebben gebracht, en nadat onze vrienden van hunne bevreemding bekomen waren, begonnen zij eens hartelijk te lachen.
In de schaduw bij een der muren bevonden zich eenige tamboers en trompetters en een vijftal vaandeldragers, die roode, gele, witte, groene en oranjekleurige vaandels droegen.
In het midden van het plein was de artillerie opgesteld, die uit vier kanonnen bestond, elk omgeven door een troep soldaten. Men was aan het schijfschieten. De artillerie scheen echter niet voltallig te zijn, want op een afstand was een troep soldaten bezig met een stuk geschut, waarvoor twee muilezels waren gespannen, naar het plein te rijden.
Dit ging echter niet gemakkelijk. De muildieren, onder veel geschreeuw voortgedreven, bleven niet altijd in die verlangde richting en dan was het een schreeuwen en ranselen, dat er hooren en zien van verging. De arme dieren waren mager als geraamten, en de bebloede ruggestrengen toonden de hoeveelheid slagen aan waarop zij werden onthaald. Langer dan een halfuur duurde het eer de afstand, een paar honderd pas slechts, was afgelegd en het stuk bij de anderen stond.
Behalve de soldaten, die op eene rij geschaard stonden, hield het overige van het leger zich bezig met wat ieder wilde. De meeste volwassen soldaten lagen op den grond met een slip der jas over het hoofd voor de felle zon. Anderen oefenden zich in het schermen, waarbij zij allerlei schrik inboezemende of belachelijke houdingen aannamen en de zotste sprongen deden. De geheele schermpartij deed denken aan eene kermisvertooning. Nog anderen ontspanden zich met dansen. Een kring van toeschouwers leverde telkens een paar nieuwe dansers. Het was een soort van dans als de negers uitvoeren onder het trekken van allerlei gezichten en het aannemen van allerlei onmogelijke houdingen, vergezeld van luidruchtige grappen, die door de omstanders met luid gelach werden begroet. De jonge soldaten deden hun jongensaard uitkomen door het spelen van krijgertje, verstoppertje of haasje-over, of zij vertoonden in kleine groepjes het uitvoeren van vonnissen, zooals het afhakken van handen en hoofden.
Aan den oever van den stroom lag een troep kerels, in de gewone witte kapmantels gehuld, onbeweeglijk bij elkaar.
—Wat is dat voor een troepje? vroeg de luitenant aan Aroesi.
—Het zijn veroordeelde misdadigers, antwoordde deze; zie slechts goed toe, en ge zult ontwaren, dat hun de armen en beenen met ketenen aan elkaar zijn geklonken.
't Was inderdaad zoo, want toen men hen met behulp van den kijker opnam, bleek het waar te zijn.
—Het leger voert steeds eenige veroordeelden mede, zeide Aroesi, om hen te pronk te stellen als een voorbeeld ten afschrik voor anderen.
—En die troep menschen van allerlei rang en landaard, vroeg de kapitein, die daar dicht bij elkaar staan bij die rij soldaten?
—Dat zijn zij, die een verzoek aan den Sultan te doen hebben, antwoordde Aroesi. De Sultan verleent bij elke wapenschouwing, dus driemalen 's weeks, audientie aan ieder zonder onderscheid van natie, rang, ouderdom of kunne.
—Een navolgenswaardig voorbeeld voor de gekroonde hoofden in Europa, merkte de luitenant aan. Heerschte dat gebruik ook bij ons, menigeen zou dan gehoor vinden op somtijds zeer rechtmatige verzoeken of klachten, die nu in den doofpot worden gestopt door de individu's, waarmede onze vorsten meestal zijn omringd.
—Onder die menschen, zeide Aroesi, zijn er somtijds die van het andere einde van Marokko komen om hier bij den Sultan recht te zoeken. En zij kunnen verzekerd zijn gehoord te zullen worden, dat verzeker ik u!
Op dit oogenblik begonnen op eens de trommen te roffelen en de trompetten te schallen. Eene plotselinge beweging beroerde het leger, een ieder vloog overeind, vatte de wapenen op en zette zich ergens neder. Eene rilling liep door de menigte, en terwijl de soldaten het geweer presenteerden, trilde over den stroom en het plein een langgerekte oorverdoovende kreet van: »Allah bescherme onzen Heer!” en te midden van dat tumult reed de Sultan met zijn gevolg het plein op.
De Sultan, dien men zich door de geschiedkundige herinneringen, welke de kapitein had verhaald, voorstelde als een woeste Arabier, was een rijzig jongman, schoon als een romanheld. Zijne lichtbruine gelaatskleur, gevoegd bij den fraaien arendsneus, de fonkelende groote oogen en den korten zwarten baard, toonde een aangenaam gelaat, dat bij het hagelwit van zijnen kapmantel, waarvan de kap over het hoofd was getrokken, scherp afstak. Zijne naakte voeten waren in fraaie geellederen pantoffels gestoken, zooals door de Arabieren algemeen worden gedragen. Hij bereed een prachtigen sneeuwwitten Arabischen hengst, welks tuig eene heldere hemelsblauwe kleur had, overal met goud afgezet. De voeten staken in gouden stijgbeugels, uit welk metaal ook het gebit was vervaardigd. Naast hen stond de parasoldrager, een forsche neger, die den Sultan voor de zon beschermde met een parasol van drie meter hoog, van fraaie zijde met figuren in gouddraad gestikt en een grooten gouden appel boven op den stok.
Het overige gevolg van den Sultan, dat bij plechtige gelegenheden zeer talrijk en schitterend is, bestond nu slechts uit enkele personen, meest Moren. Op aller gelaat was een diepe eerbied, eene grenzenloozen toewijding te lezen. Zij stonden daar als steenen beelden, als vreesden zij door de minste beweging tekort te zullen doen aan den eerbied. Geen van hen had de oogen op iets anders gericht dan op den Sultan. Het is onmogelijk meer eerbied te betoonen jegens eene godheid. De parasoldrager hield de oogen bescheiden neergeslagen, slechts tusschenbeide opziende of hij de parasol goed hield. Aan weerszijden van het paard stonden twee Mooren, welke bezig waren de vliegen te verjagen, die zich op de naakte beenen van den Sultan wilden neerzetten; terwijl een andere van tijd tot tijd met een onmogelijk te beschrijven eerbied langs den langen witten kapmantel van den Sultan streek om het stof en de verontreiniging der lucht af te wisschen.
De Sultan wendde zijn paard thans naar den troep smeekelingen en de audientie begon.
Eene hooge edele gestalte, een Arabier, met witten kapmantel trad vooruit. Met over de borst gekruiste armen boog hij voor den Sultan, bracht een knie op den grond en weder opstaande kuste hij eerbiedig den zoom van zijn kleed. Daarna bleef hij staan en zijne fiere trotsche gestalte, die niet onderdeed voor die des Sultans,trok dadelijk ieders aandacht.
—He, zeide de luitenant, 't is of ik die gestalte ken.
—O! riep Aroesi naar den Arabier turende,eensklapsop een toon van schrik, terwijl hij verbleekte.
—Wat is het? vroeg de luitenant verwonderd.
—Allah bescherme den vermetele. Zie, herkent ge hem niet? riep Aroesi zacht uit.
—Wie? vroeg de luitenant ongeduldig, wie dan?
—Sid-Abd-Allah, degeweldige, zei Aroesi op een doffen toon.
—Bij God, gij hebt gelijk, riep de kapitein, zie slechts, en hij overhandigde den luitenant den kijker.
—Mijn hemel! wat vermetel man is dat, zeide de luitenant.
—De ongelukkige! voegde de kapitein er bij. Men zal hem gevangennemen en het hoofd afslaan.
—God moge hem helpen! zeide Aroesi. Ik begrijp de zaak; daar de onderhandelingen niet vorderden, gelijk ik vernomen heb, is de dappere zelve gekomen.
—Ja, zeide de kapitein, hij heeft gezegd ons wellicht te Fez te zullen wederzien.
—Stil, zeide de luitenant, zie de Sultan praat met hem. Misschien is het juist deze vermetelheid, die hem zal redden. Een zoo ridderlijk vorst als deze, moet den moed hoogachten, zelfs in zijnen vijand.
Werkelijk onderhield de Sultan zich met Sid-Abd-Allah, en na eenige oogenblikken, die onzen ongeduldigen vrienden buitengewoon lang vielen, zag men hoe Sid-Abd-Allah, na nogmaals het kleed van den Sultan te hebben gekust, ter aarde boog en tusschen de andere verzoekers verdween.
Het geheele gezelschap haalde ruimer adem en keek elkaarverbaasdaan over zooveel stoutheid, die blijkbaar eene goede uitwerking had gehad. Doch dadelijk vestigde men de oogen weer op het plein.
Na Sid-Abd-Allah kregen alle anderen eene beurt, totdat ten laatste allen zich hadden verwijderd.
Zoodra de Sultan op het plein was gekomen, waren alle soldaten, nadat de begroeting was afgeloopen, weder aan hunne vroegerebezigheden gegaan. De Sultan reed van de eene groep soldaten naar de andere, keek naar hunne werkzaamheden, maakte enkele aanmerkingen en eindelijk begonnen de troepen te defileeren.
Aan den voet van een der torens was een soort van troonhemel, met een scherm overdekt, geplaatst. Hier nam de Sultan plaats en het defileeren begon, hetwelk daarin bestond, dat alle soldaten ongewapend achter elkaar met eene tusschenruimte van ongeveer twintig pas voorbij den troon trokken, evenals de ganzen in de gerst, zouFritz Reuterzeggen.
De luitenant, de kapitein en Dries konden zich dan ook niet bedwingen om te lachen over deze zonderlinge manier van defileeren.
Hiermede was de wapenschouwing afgeloopen. Bij het geroffel der trommen en het geschetter der trompetten vertrok de Sultan onder den donderenden kreet van: »Allah bescherme onzen Heer!” uit duizenden monden geuit; een kreet, die weerklonk van den eenen oever van den Paarlstroom tot den anderen en weerkaatst werd tusschen de muren van het plein.
Toen de volksmassa zich verdeelde, wendden ook onze vrienden den teugel, om zich, ingevolge Aroesi's uitnoodiging, naar diens woning te begeven.
Nauwelijks echter had Selam mede zijn ezel gewend, of hij verschrikte zoo merkbaar, dat Dries naar de oorzaak omzag.
En ook hij verschrikte, want daar vlak voor zijn paard stond weder dezelfde heilige, de roover uit het land der Beni-Hassen.
Onwillekeurig greep hij naar zijne revolver, doch trok zijne hand weder terug toen hij zag, dat de kerel zich waggelende en zingende verwijderde.
Onmerkbaar wist hij naast den luitenant te komen en hem zijne ontdekking mede te deelen. Zich houdende alsof hij iets aan den stijgbeugel verschikte, boog de luitenant het lichaam voorover en keek omzichtig achter zich om. Zijne oogen zochten den heilige, dien hij weldra bemerkte tusschen de groepen pratende Mooren en Arabieren. Een oogenblik zag hij het gelaat van den kerel, maar dat was ook genoeg om hem te herkennen. Hij liep pratende en zegenende van de eene groep naar de andere, en toen de luitenant weder doorreed, kwam het hem voor of iedereen naar hen keek, of honderden oogen onderzoekend op hen rustten. Zijne groote tegenwoordigheid van geest deed hem echter bedaard blijven, en hij reed tusschen de verschillende groepen door om zich bij zijne vrienden te voegen, alsof hij niets bemerkte. Toch was hij bijna overtuigd reeds verraden te zijn, en een oogenblik kwam de lustbij hem op, om den heilige een kogel door de hersenen te jagen, doch hij bedacht zich, dat in dit geval eene overijlde handeling hem en zijne vrienden aan het grootste gevaar zou blootstellen.
Eenmaal uit de volksmassa zijnde, reed men in flinken draf door en had weldra de woning van Aroesi bereikt. Hier zond de luitenant Mohammed met de rijdieren naar het kamp, daar men den terugtocht te voet zou doen. Selam en Dries bleven bij hen.
Even als alle Moorsche huizen was dat van Aroesi een tamelijk groot vierkant gebouw met eene opene binnenplaats. Rondom die binnenplaats liep een soort van gaanderij door kolommen geschraagd, welke hoogte reikte tot de eerste verdieping. De vloer van het binnenhof was ingelegd met een fraai mozaïek van steentjes van allerlei kleur. De bogen tusschen de pilaren waren eveneens versierd met mozaïek en schilderwerk, waarbij de helderwitte pilaren fraai afstaken. In het midden der binnenplaats bevond zich een vijver met fontein, die eene aangename frischheid veroorzaakte. In het midden van elken boog hing eene fraai bewerkte lantaarn van verguld koper met allerlei kleuren. Van het binnenhof kwam men door eene kleine lage poort en een even lagen smallen gang in een tuin met prachtige lanen van citroen- en oranjeboomen, waar de geuren van rozen den bezoeker te gemoet kwamen, een waren lusthof. De gangen naar de verschillende afdeelingen van het huis bevonden zich allen op de binnenplaats, zoo ook enkele vensters waardoor de kamers haar licht ontvingen. De verschillende kamers waren allen aan elkaar gelijk. Fraaie vloeren van mozaïek, de wanden behangen met geborduurde tapijten; voorts bestond het ameublement slechts uit helderwitte matrassen en eene enkele sofa. Op die matrassen lagen stapels kussens, allen even fraai, en bij de deuren stonden kandelaars van wel een meter hoog met kaarsen er op geplaatst.
Men nam plaats op de matrassen, schikte op de wijze der Mooren de kussens achter zich, en de gastheer liet de thee brengen. Zij werd voor de oogen der gasten gezet en in kleine kopjes van zeer fijn porselein met goud versierd aangeboden.
Na de thee werd een recht vorstelijk maal opgedragen. Op een prachtig tapijt, dat bij de matrassen werd uitgespreid, werden de verschillende schotels geplaatst, en nadat Aroesi in een hoek bij een der vensters zijn gebed had gedaan, noodigde hij onze vrienden uit toe te tasten.
Er behoorde echter niet weinig moed toe om aan die uitnoodiging gevolg te geven, want aan alle spijzen was een zoo bijzondere geurofsmaak, dat hij, die er niet aan gewoon is, er van walgde. Bovendien waren sommige gerechten zóó sterk gekruid, dat men eene ware vuurproef moest doorstaan. De gerechten waren talrijk en goed genoeg, want er was bij voorbeeld schapenvleesch, gevogelte, wild, visch, allerlei taarten, boter, room, eieren, enz. Het meeste was echter voor den smaak van een Europeaan bedorven door de sauzen, in welke alles als het ware dreef, en die een reuk hadden als van alle parfumerieën ter wereld en zoo sterk gekruid waren, dat de mond als het ware in vuur stond.
De kapitein was het vooral, die op de pijnbank zat. De wetten der gastvrijheid eischten, dat hij alles lekker vond, en de arme kapitein zat allerlei gezichten te trekken. Het scheen, alsof hij bij het doorslikken van elken beet door hevige krampen werd overvallen, of dat hij het er op gezet scheen te hebben alle denkbare leelijke gezichten te trekken. En daarbij kwam nog, dat Aroesi telkens zijne gasten aankeek om te vragen, of de gerechten naar hun smaak waren.
—Heerlijk, zeide de kapitein dan, met een gezicht alsof hij een zenuwtoeval kreeg, delicieus, mijn vriend! en hij sloeg snel een glas wijn naar binnen om het vuur te blusschen, dat hem in de keel brandde; want schoon de Mahomedaan geen wijn mag drinken, had Aroesi dien zijne gasten aangeboden, zonder er echter zelf gebruik van te maken.
De luitenant alleen doorstond de proef met waren heldenmoed. Hij at, alsof hij al zijn leven een Moorschen kok in dienst had gehad, en de kapitein zat hem vol bewondering aan te staren.
Aroesi bood den kapitein voor de tweede maal een schotel aan, dien hij voor eene bijzondere lekkernij scheen te houden. Het was wildbraad in eene afschuwelijke dikke saus. De kapitein bedankte; hij had er reeds van geproefd. Het geleek eene sterk riekende zalf of cosmetiek met vitriool klaargemaakt.
Niet zoo de luitenant; deze nam de spijze voor de tweede maal van zijn vriendelijken gastheer aan, die opgetogen was over hem.
—Mijn God, mijn God! mompelde de kapitein, dat noem ik moed. Ik geloof, dat hij in staat zou zijn menschenvleesch lekker te vinden als het noodig was.
—Wel, vroeg de vriendelijke gastheer, wat zegt gij van den Sultan en van het Marokkaansche leger?
—Daarop zal ik u spoedig antwoorden, zeide de luitenant. Wat uw Sultan betreft, ik zou mij een vorst wenschen als Moelei-el-Hassen. Hij schijnt mij een man te zijn, die alle goede hoedanigheden in zich vereenigt. Ik bewonder hem en ik had met diemenigte kunnen mederoepen: »Allah bescherme onzen Heer!” Maar wat uw leger aangaat, zie, hoe hoog ik het schat. Geef mij mijn Regiment Grenadiers, een paar batterijen Veld-artillerie en eenRegimentCavalerie, en ik zal uw geheel legerslaan.
Aroesi glimlachte.—Ja, zeide hij, ik weet wel dat ons leger slecht gewapend, slecht geoefend en nog slechter gedisciplineerd is, en dat het tegen over eene Europeesche strijdmacht niets beteekent.
—Ach ja, zeide de kapitein, ge hebt gelijk, en ik zou hetzelfde durven ondernemen met mijne dappere Algerijnsche troepen.
Eensklaps werd echter het gesprek afgebroken door een aanhoudend dof geluid, dat van de straat scheen te komen, en terwijl allen luisterden naar het vreemde, aanhoudend sterker wordende rumoer, stoof opeens de bediende van Aroesi de kamer binnen met een bleek verwilderd gelaat, onder den kreet van: »Vlucht, vlucht! Allah bescherme ons!”
—Wat! riep Aroesi opspringend.
—Het gepeupel komt het huis bestormen, zeide de knaap. Zij eischen de uitlevering der Christenen.
VERRADEN.—REDDE ZICH WIE KAN!
»Het gepeupel komt het huis bestormen,” had Aroesi's bediende gezegd. »Zij eischen de uitlevering der Christenen!”
Op deze woorden waren de kapitein en de luitenant, als door een electrischen schok bewogen, opgesprongen.
Achter Aroesi's bediende vertoonde zich in de opening der deur het bleeke gelaat van Selam en het door toorn hoogrood gekleurde gelaat van Dries.
—Spreek! zeide de luitenant tegen den knaap, wat is er aan de hand?
—Een groote hoop volks schoolt bijeen, zeide de knaap. Er is een heilige onder hen, die hen ophitst. Hij zegt, dat gij zijn broeder hebt gedood en eene menigte mannen van de Beni-Hassen, en dat ge spionnen zijt, die het land komen bespieden om het te veroveren en alle Mahomedanen te dooden.
—O, ik heb het wel gedacht, zeide Dries; 't is die fielt vaneen heilige, die het volk opruit; had ik hem vanmorgen maar een kogel door den kop gejaagd!
Hij greep zijn verslagen vijand bij de beenen. Bladz. 147.Hij greep zijn verslagen vijand bij de beenen.Bladz. 147.
Hij greep zijn verslagen vijand bij de beenen.Bladz. 147.
—'t Is duidelijk, zeide de luitenant. 't Is die paardendief, die zich voor heilige heeft uitgegeven. Deschoftheeft ons herkend enhitsthet volk tegen ons op. Er is niet veel noodig om de Mahomedanen tegen de Christenen aan te voeren. Wat nu te doen?
—Parbleu!riep de kapitein, laten wij een uitval doen. Met ons vieren slaan we er ons gemaklijk door. Ik kan beschikken over twaalf schoten en mijnponjaard, en gij eveneens.
—Verduiveld, zeide Dries, dat lijkt mij. Ik heb, wel is waar, slechts zes schoten en mijn mes, maar ik geloof dat het voldoende zal zijn om ten minste dien fielt van een heilige neer te leggen.
—Onmogelijk, zeide de luitenant, wij kunnen niet door die massa volks komen in die nauwe straten. Bovendien zijn wij hier niet genoeg bekend om denkortstenweg naar buiten te vinden.
—Neen, zeide Aroesi, dat plan is onuitvoerbaar; de luitenant heeft gelijk. Bovendien zal binnen een kwartier half Fez op de been zijn. Luistert slechts!
Een vreeslijk rumoer drong tot onze vrienden door, waaronder men de kreten kon onderscheiden van: »Dood aan de Nazareners!”—»Levert ze uit, die vervloekte spionnen!” En een donderend gebons op de kleine deur was een bewijs, dat het ernst was.
—Volgt mij, zeide Aroesi. We zullen door den tuin ontvluchten; slechts eenige straten scheiden mijn tuin van den Paarlstroom, die de stad doorsnijdt, zooals ge weet. Eenmaal daar zijnde, zal het u met eenige voorzichtigheid wel gelukken uwe legerplaats te bereiken.
—Vooruit dan! zeide de luitenant; maar luistert even. Voor het geval wij van elkaar mochten geraken, wat zeer wel mogelijk en misschien veiliger is, komen wij bij elkaar in den omtrek van onze legerplaats aan den oever van den Paarlstroom. Die er het eerstaankomt, brengt de dieren en de bagage in veiligheid, en wacht in de eene of andere schuilplaats daar in den omtrek de overigen af. Want misschien is deze gewaande heilige ook bekend met onze legerplaats, en in dat geval zal hij niet nalaten, als hij de vogels hier gevlogen vindt, met zijne bende daarheen te gaan. Voor het overige.....
De woorden van den luitenant werden eensklaps onhoorbaar. Een geweldig rumoer deed zich hooren; het scheen, dat men poogde de deur met bijlslagen te verbrijzelen.
—Haast u, riep Aroesi, de deur is wel sterk, maar tegen bijlslagen niet bestand.
Juist hoorde men, als om Aroesi's woorden te bevestigen, een geweldigen slag, en een woest triumfgeschrei deed hooren, dat het doel bereikt en de deur bezweken was.
—Voort! riep de luitenant, een ieder zorge voor zich en God voor allen!
In een oogenblik was men het huis uit en de binnenplaats op. Aroesi ontsloot snel de poort en men was in den tuin.
De luitenant was de laatste en juist wilde hij de poort ingaan en deze achter zich sluiten, toen de woeste troep, in huis doorgedrongen en hoorende waarheen men vluchtte, hen achtervolgde.
Het was te laat voor Frank om door den tuin te ontsnappen, dat begreep hij dadelijk, en terwijl de vluchtelingen hem nog achter zich waanden, wierp hij met een krachtigen ruk de poort in het slot, waardoor de bende reeds dacht in den tuin te komen.
Met de revolver in de hand wierp hij zich te midden van het gepeupel, dat grootendeels met dolken gewapend was, om het huis weder te bereiken en zich ergens in eene der kamers te barricadeeren, en wist werkelijk zijn doel te bereiken, nadat hij er een had neergeschoten.
In de eerste kamer, waar hij binnentrad, wierp hij de sofa in den doorgang; en zoo vervolgens door een reeks van kamers snellende en overal hinderpalen in den weg werpende, gelukte het hem den troep een eind vooruit te komen en van dat oogenblik maakte hij gebruik om zich bliksemsnel van zijne Moorsche kleeding te ontdoen, die hem thans als vermomming niet meer dienstig was en hem slechts in zijne bewegingen belemmerde. Daaronder droeg bij het klein tenue van officier.
Nauwlijks was hij daarmede klaar, of hij hoorde zijne vervolgers naderen. Hij zag een gang en aan het einde daarvan eene trap. Ha, riep Frank, die voert zeker naar het dakterras! en snel vloog hij de trappen op.
Deze trap bracht hem inderdaad op het dakterras, dat alle Moorsche huizen bezitten. Het was een groot plat, omgeven met een muur van ruim een meter hoog, waarin overal vensters of schietgaten waren aangebracht.
De luitenant keek voorzichtig over de borstwering en vergat een oogenblik bijna, dat hij vervolgd werd, om te genieten van het verrassende gezicht, dat deze massa daken hem opleverden, die hij overal rondom zich zag. Het eene laag, het andere hoog, kleinen en grooten, en allen bevolkt met vrouwen, want de dakterrassen zijn het eigendom van den harem, waar de vrouwen der Moorenen Arabieren zich amuseeren. Overal was leven en beweging, vrouwen van allerlei ouderdom en kleur vermaakten zich als kinderen met hare dartele spelen. De meesten droegen een lang afhangend kleed, een soort van kaftan van allerlei kleuren en een gekleurden zijden doek om het hoofd gebonden, waaronder bij de meesten een paar buitengewoon lange haarvlechten te voorschijn kwamen. De kaftan was om het midden gesloten door eene hemelsblauwe of vuurroode ceintuur. Bovendien droegen zij nog een vest of jakje zonder mouwen, dat openhing. Uit de wijde mouwen van den kaftan staken de fraai gevormde armen en handen met de door middel van hennep gekleurde nagels. Onder het korte gewaad kwam de wijde broek uit; de naakte voeten, met kostbare ringen om de enkels, waren in gele pantoffels gestoken.
Dit alles zag de luitenant, en het was waarlijk geen wonder, dat hij den toestand, waarin hij was, geheel vergat. Doch hij werd al spoedig door een groot geraas op de trap uit zijne beschouwingen gewekt. Snel wendde hij zich om, juist nog bijtijds om den dolksteek van den Arabier te ontgaan, die stil achter hem geslopen was. Het was de gewaande heilige.
—Ha, ellendige sluipmoordenaar! riep de luitenant uit, op hem toespringende; ditmaal zult ge mij niet ontgaan! en terwijl zijne linkerhand den kerel de keel dichtkneep, zocht hij met de rechter zijn ponjaard.
—Sterf, vervloekte Christen! Wraak voor mijn broeder! gilde de kerel en deed een stoot naar den luitenant.
Doch op hetzelfde oogenblik dat zijn dolk den luitenant de wang schramde, stiet deze den heilige den dolk in de borst.
De kerel stortte brullende achterover, terwijl hem het bloed uit de wond vloeide.
Dit alles was sneller geschied dan het kan beschreven worden, en de luitenant had nauwlijks zijnen vijand nedergestooten, of hij hoorde de overigen van den troep naderen.
Toen kreeg Frank op eens een goeden inval. Hij greep zijn verslagen vijand bij de beenen, en hem tot aan de opening voortslepende, wierp hij hem met inspanning van alle krachten naar beneden op de opklimmende aanvallers.
Een onbeschrijflijk rumoer volgde, want het zware lichaam op den voorste neerkomende, deed dezen naar beneden tuimelen en op den volgende vallen. En de geheele troep gespuis, dat zich op de trap verdrong om naar boven te komen, stortte onder een stroom van verwenschingen en vervloekingen naar beneden.
Het gedruisch van het gevecht had intusschen de bewoners der naburige terrassen opmerkzaam gemaakt op hetgeen er gebeurde, en toen de luitenant over den muur keek om te zien hoe hij het best kon wegkomen, ontmoette zijn blik honderden schoone oogen, die op hem waren gericht.
De uitwerking zijner verschijning deed hem, ondanks het benarde van zijnen toestand, in lachen uitbarsten, want de talrijke dames, na hem eenige oogenblikken verbaasd te hebben aangestaard, vlogen eensklaps hals over kop weg en verdwenen van de terrassen.
Intusschen begreep de luitenant dat hij moest zien weg te komen, want zijne vijanden, voor eenige oogenblikken opgehouden, zouden spoedig het lijk hebben weggeruimd om verwoeder dan ooit op hem aan te vallen.
Na eenige oogenblikken te hebben rondgezien, was zijn besluit weldra genomen, en vlug sprong hij op den muur die het terras omgaf, vanwaar hij met een goed berekenden sprong het naastgelegen terras bereikte. Zoo, van het eene terras op het andere springend, zette hij zijne vlucht over de daken voort, toen hij tot zijne groote teleurstelling voor eene breede straat kwam, welker overzijde hij onmogelijk kon bereiken. Hij blikte rond en wist niet wat te beginnen—de sprong was te groot. Vooruit kon hij dus niet, teruggaan en eene andere gelegenheid opzoeken, was evenmin mogelijk, daar zijne vervolgers boven waren gekomen en besloten schenen hem te vervolgen.
In dezen nood bemerkte de luitenant een verbazend hoogen palmboom, die, op ruim een meter afstand verwijderd van de plaats waar hij stond, zich met den top een aanmerklijk eind boven het terras verhief en in den grooten tuin stond van het huis op welks dak hij zich bevond.
—Ha, riep hij verheugd, 't is mijn goed gesternte dat mij dezen weg heeft uitgevoerd, en met een flinken sprong bereikte hij den boom en klom snel naar beneden.
Hij bevond zich in een grooten tuin. Aan weerszijden liep een lange laan van oranje- en citroenboomen. Een van deze lanen liep hij in, zorgende de richting te volgen waarin Aroesi had gezegd, dat de Paarlstroom liep.
Ongemerkt snelde hij voort en stuitte aan het einde der laan op een hoogen muur. Hij heesch zich daartegen op aan de takken der boomen en keek over den muur. Een andere tuin liep dwars achter dezen. Hij liet zich behoedzaam afzakken, liep dezen tuin weder door en na vervolgens zijne vlucht op die manier te hebbenvoortgezet, bevond hij zich plotseling aan het eind van een uitgestrekten tuin, waar hij dacht een muur te vinden aan den oever van den Paarlstroom.
De vermoeide luitenant verborg zich hier in een dicht boschje om een weinig uit te rusten en te overleggen, hoe hij verder zou handelen.
Aan de overzijde van den stroom lag het nieuwe Fez. Er waren slechts twee middelen om zijne vlucht voort te zetten, namelijk den stroom over te zwemmen en zich daar een weg naar eene der poorten te zoeken, of het bijna onmogelijke en veel gevaarlijker plan om ongemerkt het huis door te komen, wat hem den overtocht over de rivier zou besparen. Voor beide wegen echter had hij de duisternis noodig, daar het onmogelijk was zich in zijne kleeding van Christen in Fez te vertoonen. Wijslijk besloot hij dus den avond af te wachten, en intusschen te overleggen welke uitweg hem het best toescheen. Hij zette zich in het dichtst van het boschje neder, en daar er geen teeken van leven in den tuin te bespeuren was, stak hij eene sigaar aan en bleef wachten.
Hoe was het intusschen met de overigen van het gezelschap gegaan?
Toen men in den tuin was gekomen, snelde een ieder naar een punt van den muur om er over te klimmen. Selam en Dries waren er in een oogenblik over. De kapitein, die aan een anderen hoek over den muur was geklommen, kwam daardoor in een anderen tuin terecht dan die, waar Dries en Selam waren. Wat Aroesi betreft, zich plotseling alleen ziende, begreep hij, dat het 't best was voor zichzelf te zorgen, en door zijne bekendheid met de naburige gebouwen was hij binnen korten tijd, na een paar muren te zijn overgeklommen, in eene naburige straat.Hij begreep echter zeer juist, dat naar huis te gaan gelijkstond met den dood te gemoet te snellen, en daar hij tevens inzag dat de stad Fez voortaan geen veilige woonplaats meer voor hem was, besloot hij zich naar het kamp bij zijne vrienden aan den oever van den Paarlstroom te begeven. Onopgemerkt wist hij de stad te verlaten en volgde toen behoedzaam den oever.
Dries en Selam, die in elkanders gezelschap bleven, wisten, dank zij Selams bekendheid met Fez, na gedurende een half uur over muren geklommen en door tuinen gedwaald te hebben, den oever van den Paarlstroom te bereiken. Toevallig waren zij een groot eind van den rechten weg afgedwaald, en kwamen zij dicht bij de wallen der stad uit. Die buitenwijk was als uitgestorven; geen levende ziel zag men in de straten en deze omstandigheid redde hen. Zonderaarzelen wierpen zij zich in den stroom en zonder gedruisch voortzwemmende, waren zij na een minuut of tien zwemmens buiten de stad. Toen snelden zij, zonder opgemerkt te zijn zoo spoedig hunne vermoeide ledematen het toelieten naar de legerplaats, in de hoop tijdig genoeg aan te komen om de rij- en lastdieren en de bagage te redden.
Was het hun betreklijk gemaklijk gevallen om te ontsnappen, niet alzoo den kapitein. Nadat deze toch in den tuin was doorgedrongen en een paar muren overgeklommen, zag hij zich opeens, na een zeer hoogen muur met behulp van de daarbij staande boomen te zijn overgekomen, te midden van een gezelschap vrouwen, die, evenals de luitenant zulks op de daken had gezien, zich in dien tuin vermaakten met allerlei vroolijke spelen. De plotselinge verschijning van een man in den tuin van de harem deed onder de dames een grooten angst ontstaan en gillende vloden zij naar huis.
Eer de kapitein van zijne verbazing was bekomen, trad er van achter een boschje citroenboomen een Moor te voorschijn, die met den dolk in de hand op hem toesnelde. Aanstonds haalde de kapitein zijne revolver voor den dag, maar de woedende Moor deed een schel gefluit hooren, in een oogwenk verschenen drie bedienden, eveneens met dolken gewapend.
—Ha, ha! zeide de kapitein, het begint meenens te worden. Komaan schurken, uit den weg! en hij snelde naar den muur.
Doch de Mooren sprongen hem snel achterna en de kapitein had nog slechts den tijd om zich om te wenden, en zich met den rug tegen den muur plaatsende, maakte hij zich gereed tot verdediging.
De drie bedienden schenen er echter niet veel zin in te hebben om een kogel in den kop te ontvangen, althans zij bleven op een eerbiedigen afstand; maar de Moor, die klaarblijklijk de huisheer was, drong verwoed op den kapitein in.
—Het schijnt, dat gij met alle geweld een kogel wilt hebben, zeide de kapitein. Welnu, ziedaar! en hij schoot twee zijner loopen af.
De Moor liet den dolk vallen en stortte voorover.
Toen stoven de verschrikte bedienden gillend en schreeuwend uiteen, en de kapitein maakte van deze gelegenheid gebruik om snel over den muur te klimmen.
Maar het alarm achter hem bracht ook de naburige huizen in beweging, en weldra zag men overal hoofden verschijnen, die naar de oorzaak van al dat leven uitkeken.
—Mordieu!zeide de kapitein, ik geloof dat ik in een waar wespennest zit. Hoe er uit te komen? En hij klauterde weder over een tuinmuur.
Hij was er echter spoediger uit dan hij had gedacht, want nauwlijks had hij zich laten afglijden, of hij zag dat hij zich in eene straat bevond.
—Oef! zeide hij, ik ben ten minste uit die vervloekte tuinen. Zien we nu goedschiks naar eene der poorten te komen.
Maar terwijl hij zich gereedmaakte om de straat in te gaan, sprongen twee Mooren over den muur en schoten op hem toe. Men kon zien, dat zij zich in allerijl hadden gewapend, want de een was met het lange geweer, dat alle Arabieren en Mooren dragen, de andere met eene turksche kromsabel gewapend.
De kapitein weinig lust gevoelende om zich nog langer op te houden, en bovendien bevreesd om zich nog meer volk op den hals te halen door het rumoer van een gevecht, vloog de straat in. Door zijne vijanden achtervolgd, liep hij snel voort en was hun weldra een heel eind voor. Hij liep eene smalle straat rechts in, toen nog een links en weder links, ten einde zijne vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Toen hij omkeek, zag hij ze niet meer.
Hij was thans in een overdekt gedeelte van eene straat gekomen en bleef een oogenblik staan.
—Zie, zeide hij, 't is hier zoo donker als de nacht en ondanks dat alles zouden mijne vijanden mij van verre zien door dat vervloekte lichtgekleurde kostuum. Kon ik er mij maar van ontdoen!
Zoo sprekende trad hij in eene nis in den muur en ontdeed zich snel van zijne kleeding, onder welke hij evenals de luitenant zijne eenvoudige uniform droeg.
—Ziezoo, dat lucht! zeide hij, en hij wilde weder uit de nis treden, toen hij naderende stemmen vernam; hij trok zich snel terug en hield den adem in.
Een oogenblik daarna gingen de twee Mooren hem strijkelings voorbij.
—Komaan, zeide de kapitein, mijn gelukzon is nog niet ondergegaan. Had ik dat vervloekte kostuum nog aangehad, dan hadden zij me stellig gezien.
Behoedzaam keek hij rond en luisterde. Niets deed zich hooren; gerustgesteld kwam hij te voorschijn en ging de straat in die hij was afgekomen.
Op goed geluk liep hij voort, een aantal straatjes door, toen hij eindelijk niet verder kon; de straat liep dood en hij was genoodzaakt weder terug te gaan.
—Wat vervloekte stad is dit, bromde de kapitein; 't is eene aaneenschakeling van doolhoven. Men wordt er gek van. Hoe komik er ooit uit. En hij sloeg, wederom op goed geluk, een dier straatjes in.
Toen hij aan het eind kwam, hoorde hij stemmen en voor hij den tijd had zich te verbergen, kwamen twee mannen den hoek om.
De kapitein en die twee mannen bleven als versteend staan, zich aldus op eens weder tegenover elkaar ziende. Het waren de twee Mooren van daar straks, die hem ondanks zijne Europeesche kleeding herkenden. Het waren twee bloedverwanten van den Moor, dien hij had neergeschoten en den kapitein dadelijk waren achterna gesneld.
Van het oogenblik van verbazing maakte de kapitein gebruik om snel zijne revolver op hen aan te leggen.
De Franschman was woedend aldus door die kerels vervolgd te worden.
—Uit den weg, honden! schreeuwde hij, zoo ge niet wilt dat ik u dood!
In antwoord daarop spande de eene Moor den haan van zijn geweer en hief het op, doch vóór hij tijd had om te schieten lag hij, door de volle lading van des kapiteins revolver doodelijk getroffen, op den grond badende in zijn bloed.
Toen greep de kapitein zijne tweede revolver om ook den ander neer te schieten; doch deze, dien de schrik om het hart was geslagen, koos ijlings de vlucht, de straat door zijn geschreeuw in opschudding brengende.
Zonder zich een oogenblik te bedenken zette de kapitein het op een loopen en liep voort als een waanzinnige, zonder ergens op te letten. Daar hij zijn Moorsch hoofddeksel had weggeworpen, was hij blootshoofds. Bovendien was door het klimmen zijne uniform op verscheidene plaatsen gescheurd; kortom, niemand zou in dien haveloozen, met bloed en stof bedekten man een kapitein van het Fransche leger hebben herkend.
Maar na een grooten afstand aldus te hebben afgelegd, bleef de kapitein eensklaps als van den donder getroffen staan op het hooren van eene lieflijke stem, die in de Fransche taal eene bekende opera-aria zong.
Die stem kwam vanuit een kleinen tuin, aan den voet van welks muren de kapitein zich bevond.
—Sacré Dieu!riep de kapitein riep uit, eene Fransche, eene landgenoote in Fez en hij bleef eenige oogenblikken staan luisteren.
Zijn besluit was snel genomen. In een oogwenk was hij boven op den muur en sprong in den tuin neer. Maar de muur was hoogeraan de tuin dan aan de straatzijde, dat wil zeggen, de bodem van den tuin lag lager dan de straat. In zijndoodsangstwas de kapitein op den muur gekomen zonder dat hij zelf wist hoe, en zonder de hoogte te meten sprong hij driftig naar beneden en sloeg met het hoofd tegen een boomstam aan, zóó hevig, dat hij bewegingloos bleef liggen, terwijl het bloed hem uit eene wond aan het hoofd vloeide.