XX.

HET SPRINKHANENLEGER.

Onder zeer treurige omstandigheden trok men den volgenden dag verder. In den afgeloopen nacht namelijk had Dries eene hevige wondkoorts gekregen. Men had zijne wonden onderzocht, en hoewel niet gevaarlijk, waren zij talrijk, en hij had veel bloed verloren. Het ergste was zijn hoofd. Behalve dat de luipaard hem een oor had afgescheurd, waren op den schedel en in den nek allerwege de sporen van de tanden te vinden; en door een paar beten in het gelaat had Dries een stuk of vijf tanden verloren. Daarbij waren zijne schouders geheel ontvleescht. Het een kwam bij het ander. Eerst de val van zijn paard, dat de luipaard had gerokenen daarom geweigerd had voort te gaan, daarna de worsteling, de val in de kloof, de afmatting van den zwaren arbeid om in den brandende zon zich naar boven te werken; dat alles had den wakkeren knaap zeer aangegrepen.

't Was gedurende de ziekte van Dries, dat men eerst recht verheugd was eene vrouw bij het gezelschap te hebben. Rebecca toch, de schoone Jodin, was het, die hem onverpoosd oppaste, zijne wonden telkens wiesch en verbond, hem allerlei versterkende middelen klaar maakte, kortom, die hem verzorgde, zooals alleen eene vrouw dat kan.

Zoo goed en zoo kwaad als het ging, had men een rustbed vervaardigd, dat tusschen de twee muilezels van Selam en Mohammed was opgehangen, waardoor de patiënt een gemaklijk leger had en niet blootgesteld was aan schokken. Scheen de zon te fel, dan spreidde men op een paar voet boven hem een stuk doek uit, en zoo lag Dries zoo goed het maar kon.

Met dat al was het treurig, zoo bijna aan het einde der reis, na tal van avonturen en na den dood meer dan eenmaal onder de oogen te hebben gezien, nog in zoo'n verschriklijken toestand te komen. De anders zoo vroolijke knaap lag nu stil daar neder, en 't was net of met hem ook al de vroolijkheid was geweken. Wel poogde de kapitein hem nu en dan door een of anderen geestigen zet wat op te beuren; doch wanneer dit al geschiedde, was het toch slechts voor weinige oogenblikken.

Zoo reed men treurig voort, zoolang de hitte en de toestand van den zieke het gedoogden, en tegen den middag hielt men halt in eene met welig groen bedekte vallei, waar men tot aan den avond zou blijven, want Selam had het gezelschap aangekondigd, dat men binnen een paar uren aan de groote kale vlakte van den Seboe, in het land der Beni-Hassen, zou zijn, en het was wel zaak eerst door eenige uren rust, en een flink diner zich wat te verfrisschen.

Men sloeg de tenten op, en na het maal gebruikt te hebben, gaf men zich in de schaduw van het geboomte aan een zalig nietsdoen over.

Doch die rust zou niet lang duren, want Selam, die reeds eenigen tijd met een onrustbarend gezicht naar den horizont had gekeken, kwam toen hard aanloopen onder het geroep van: »de sprinkhanen! de sprinkhanen!”

Iedereen sprong bij het vernemen van deze Jobstijding op.

—Waar ziet ge ze? vroeg de luitenant.

—Daar bij den ingang van den bergpas van Beb-el-Tinea, zeideSelam, ziet ge die wolk die zich hierheen beweegt? Dat zijn ze.

Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Bladz. 193.Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer.Bladz. 193.

Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer.Bladz. 193.

Het geheele gezelschap tuurde uit naar de aanwijzing van Selam.

Inderdaad zag men heel in de verte eene ontzaglijke donkere wolk, die uit het zuiden van de vlakte van den Seboe kwam opdagen.

—Zij komen recht op ons aan, want deoostenwinddrijft ze hierheen, zeide Selam op angstigen toon.

—Welnu, zeide de kapitein, vertrekken we. Het wordt tijd. Ik ken dat goedje.

—Vertrekken, vroeg Dries, die in de schaduw lag uitgestrekt, vertrekken, en waarom dan?

—Waarom, antwoordde de kapitein, omdat straks over een uur, een half, een kwartier misschien reeds, die wolk zal neerdalen in deze met welig groen bedekte vallei en alles zal bedekken, het gras, de planten, de boomen, kortom alles, en, nadat het al wat maar plant is, zal hebben opgegeten, ons zal overstelpen.

—Ja, zeide de luitenant, komaan Selam, maak voort.

Dat behoefde voor Selam niet herhaald te worden. In een oogenblik was alles gereed, en eer een kwartier was verloopen, reed men voort naar den bergpas van Beb-el-Tinea.

Maar het sprinkhanenleger was sneller in zijne bewegingen dan men had gedacht, en reeds zag men ze met schrik naderen. 't Was eene wolk van ontzettenden omvang. Zij kwam al nader en nader. Op eens hoorde men een gefluit als dat hetwelk een storm voorafgaat, vermengd met een geloei en gedruisch als van een woedenden orkaan. Op hetzelfde oogenblik werd het duister, alsof de nacht inviel. De levende wolk bevond zich voor de zon en onderschepte haar licht. Menschen en dieren werden door ontzetting aangegrepen. De kameelen begonnen te brullen, de paarden brieschten van vrees, en steigerden en sloegen woedend om zich heen. Gelukkig waren de twee muilezels, tusschen welke Dries op zijn rustbed lag, te stevig aan elkaar gekoppeld om zich los te rukken, maar de beesten stonden nu op de vóór- dan op de achterpooten, en Dries kon zich niet anders dan door zich stevig vast te klampen, voor vallen behoeden. Om de verwarring te vermeerderen begon de levende wolk te dalen.

Selam stiet een angstkreet uit, en zijnen ezel aansporend schreeuwde hij:—Vooruit, vooruit, naar den pas!

Iedereen poogde hem te volgen en spoorde zijn viervoeter aan, maar het was reeds te laat. Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Boom en plant, menschen dier waren in een oogwenk door dat heir van ongedierte overdekt en het was onmogelijk verder te komen. Toen werden de dieren opeens als door eene verlammende vrees overvallen en bleven staan. Geen sporen, geen zweepslagen, niets hielp. En dat wriemelende ongedierte overdekte alles, kroop in de mouwen en plooien der kleederen, in de ooren der paarden, in den loop der buksen zoodat men geen handen genoeg had om zich dat tuig van het lijf te houden.

Binnen weinig tijds was de geheele omtrek kaal gegeten. Daar vóór hen uit kwam het leger, steeds opmarcheerende, recht op hen aan. Het was een groen veld, dat zich voortbewoog. Met eene wanhopige poging gelukte het eindelijk de dieren voort te krijgen, en men galoppeerde over dien beweegbaren bodem. Het kraakte en piepte onder de hoeven der paarden, en telkens gleden zij uit zoodat zij bijna vielen. Dan bleven de dieren weer een oogenblik als versuft staan, maar de sporen en stokslagen dreven hen verder.

Eindelijk, na een half uur in woedenden galop te zijn voortgegaan, was men ter linkerzijde buiten den grooten hoop gekomen. Hier waren nog slechts enkele afgedwaalden. Toen hield ons gezelschap halt, schudde en sloeg de dieren van zich af, en bleef een oogenblik uitblazen om den voortgang van dat verwoestende heir gade te slaan.

En het was waarlijk een merkwaardig schouwspel, dat vernielende leger te aanschouwen. Allengs trok de massa zich samen en vormde eene kolonne, wier lengte niet juist te bepalen was en ter breedte van 10 à 20 voeten. In geregelde orde marcheerde deze kolonne voort door de vallei, hier zich verspreidend, daar, waar den bodem zandig of steenachtig was, zich samentrekkend, en toen men den bergpas van Beb-el-Tinea bereikt had, na een rit van drie uren, zag men eerst de achterhoede van dat geduchte leger.

Een treurigen en ontzettenden aanblik leverde de streek op. Het was alsof men opeens in den winter was verplaatst. Geen boom, waaraan nog een blad of twijg te vinden was. Zij stonden daar als dood, hunne naakte takken ten hemel heffend, als smeekten zij om wraak over die plotselinge vernietiging; van velen was zelfs de schors afgevreten. Evenzoo het lage hout en de struiken; die bosschages, daar straks zoo dicht, zoo groen, men kon er thans doorheen zien. De planten, het gras, met één woord, alle wasdom, alle plantengroei was in eenige uren verdwenen.

Het was alsof men door eene doode landstreek trok, alsof men zich in eene woestijn bevond. Er was geen plant ofgrashalmvaneen vinger lang te vinden. Daarentegen was de aarde als overstroomd van allerlei kleine zoogdieren, kruipende dieren en insecten, die naar alle kanten een goed heenkomen zochten, opgejaagd uit hunne schuil- of woonplaatsen, en voor die allen schoot voor het meerendeel niets anders over dan de hongerdood. De eenigen, die feesthielden, waren de roof- en insecten-etende vogels, welke in groote zwermen van heinde en ver aanrukten om de achterhoede en de flanken van het sprinkhanenleger te bestoken.

—Daar gaan zij, de verwoesters tegen wie niets bestand is, zeide de luitenant; eerst de verwoesting, en daarna de hongersnood en de pest.

—Allah behoede ons land, zeide Selam! 't is een vloek des hemels, 't is eene tuchtroede die over het land komt!

—Ja, zeide de kapitein, ik heb ze meer gezien, die verwoesters, dien schrik van den landbouw. In 1845 kwam die geesel over Algiers. Daarna hoorde men er in langen tijd niets van, maar in 1866 veroorzaakten zij eene vreeslijke ramp. De sprinkhanen kwamen uit de Sahara. In de maand April begon de inval van dat ongedierte. Komende uit de bergengten en valleien van het zuiden, stortten zij zich neer in de Mitidja en den Sahel van Algiers. Zij waren in zoo'n ontzettend getal aanwezig, dat hunne wolken de zon verduisterden. Zij verslonden het koolzaad, de haver, het graan, de gerst, degroenten, kortom al wat plant was en drongen zelfs in de huizen door. De Arabieren beletten door het branden van groote vuren, die een dikken rook van zich gaven, en door een geweldig leven de sprinkhanen neder te dalen.

—Maar nog erger werd het op het einde van Juni, toen de dieren waren uitgekomen en de daardoor vermeerderde sprinkhanen zich in grooten getale overalheen verspreidden. De kanalen en zelfs de stroomen werden letterlijk door hen gedempt. De grond was er zoo mee bedekt als bij menschengeheugenis het geval niet was geweest Om de lijken der doode dieren te verwijderen, vereenigden verscheidene duizenden soldaten zich met de kolonisten en de inlanders, doch hunne pogingen stuitten af op het onnoemelijk aantal.

—Omstreeks denzelfden tijd werden de provinciën Oran en Constantine door hen bezocht. Hier vernielden zij te Sidi-Bel-Abbès, te Sidi-Brahim en te Mostaganem de tabak, den wijnstok, de vijgen en zelfs de olijven, ondanks hun bitter gebladerte. Te Pelizane en te Habra vernielden zij de katoen. De weg van Mascara tot Mostaganen was er over zijne volle lengte van 80 kilometers medeoverdekt. In de provinciën Constantine overweldigden zij het land van den Sahara tot aan de zee en van Bougie tot aan Galle, verwoestende de omstreken van Batna, Setif, Constantine, Guelma, Bona en Philippeville. Deze vreeslijke plaag veroorzaakte over dit geheele gedeelte van Barbarije een grooten hongersnood.

—Drommels, zeide Dries, ik wist niet, dat dat kleine groene beest zoo'n verschriklijke vijand is.

—Ba, zeide de kapitein, 't is een walgelijk, schandelijk ontuig, en ik weet waarachtig niet waarvoor dat goed op de wereld is.

—O, zeide de luitenant, zij zijn bekend sedert de vroegste tijden, ja, men kan zich geen nog zóó lang verleden denken, of men vindt de verwoestingen, door deze dieren aangericht, en den daarop gevolgden hongersnood en pest opgeteekend.

—Pest, zeide Dries vragend, ook dat nog? Duivels! hongersnood kan ik mij begrijpen, wijl zij alles verslinden, wat voor den mensch bestemd is, maar waardoor komt de pest, luitenant?

—'t Is heel natuurlijk, antwoordde Frank. Van die millioenen en millioenen sprinkhanen worden er ook millioenen gedood. Zij verdrinken in de stroomen en kanalen, bronnen, enz., worden vertreden en door rook verstikt. Deze doode insecten, blootgesteld aan eene brandende Afrikaansche zon, gaan spoedig tot ontbinding, tot rotting over. Een paar dezer dieren, ja een honderdtal zou nauwlijks genoeg stank verwekken om opgemerkt te worden, maar die soms meer dan eenpalmdikke laag rottende diertjes verontreinigt door den afschuwelijken stank de lucht en het water en veroorzaakt daardoor de pest.

—Dank u, zeide Dries, nu is het mij duidelijk.

—Deze vernielende sprinkhaan, aldus vervolgde de luitenant, komt gewoonlijk uit de woestijnen van Arabië en Tartarije in Azië opzetten. De oostenwinden voeren die ontzaglijke wolken hierheen. Het is gebeurd, dat schepen op 60 à 80 mijlen van de kust er mede overdekt werden. Niet alleen Afrika, maar ook Europa is meermalen door hen geteisterd. Bizonder was dit het geval in 1747, 1748 en 1749. In 1748 kwam een dier sprinkhanen-wolken tot in Engeland. Gij hebt straks gezien, hoe zij onzen marsch vertraagden; welnu, ik zal u een nog erger staaltje noemen van hetgeen zij vermogen. Toen Karel XII, de dappere, avontuurlijke, maar ongelukkige Zweedsche Vorst, nog slechts 27 jaar oud, na de Denen, de Russen en de Polen overwonnen te hebben, opnieuw den oorlog met de Russen begon om de Ukraine te veroveren, werd hij voor 't eerst overwonnen door de Russen onder Czaar Peter I, die doorde ondervonden nederlagen het oorlog voeren beter had geleerd. Dat was op den 2denJuli 1709 en de nederlaag van Pultawa, waar de Zweden door de overmacht der Russen werden verpletterd, was oorzaak, dat Karel op Turksch grondgebied de wijk moest nemen. Het was toen, op dezen terugtocht in Bessarabië, dat het leger, zich in een bergpas bevindende, werd overvallen door de sprinkhanen, die met een geweld als van een orkaan kwamen aanzetten, de zon verduisterden en een geluid maakten als het geloei van de verbolgen zee. Het geheele leger werd een tijdlang hierdoor opgehouden.

—Parbleu!zeide de kapitein, men moet respect voor dat ongedierte hebben.

—Zoo kreeg elk land, elk werelddeel zijne beurt, vervolgde de luitenant. In Indië, in de landen van de Mahratten, zegt men eene kolonne gezien te hebben van 80 mijlen lang en verscheidene voeten breed, die vast aaneengesloten, alles verwoestende, voortrokken.In 1835 werd China door deze plaag bezocht. Zon en maan werden door hunne wolken verduisterd. Het geheele plantenrijk niet alleen, maar zelfs de oogst in de voorraadschuren en de kleederen in de woningen werden verslonden. Den inwoners sloeg de schrik om het hart, en men vluchtte naar het gebergte.BarrowenLevaillantverhalen, dat hunne verwoestingen in Zuid-Afrika ontzettend zijn en alle beschrijving te boven gaan. De rivieren en stroomen vonden zij er als het ware door gedempt, en het land was niet alleen kaal maar zag er uit, als ware het geëgd. Hier in Marokko veroorzaakten zij in 1780 een vreeslijken hongersnood.

—Ja, zeideAroesi, 't is waar. Allah heeft ons arm land toen zwaar bezocht. Er heerschte zoo'n nood, dat men van de opgegraven wortelen leefde. De armen zochten degraankorrelsuit den drek der kameelen, om zich er mede te voeden.

—Vreeslijk, zeide de kapitein, verschriklijk!

—Ja, wel verschriklijk, antwoordde de luitenant. In Senegal werd op het einde van 1864 de geheele aanplant der koffie door hen verwoest, en men nam waar, dat hunne voorhoede eene wolk vormde van vijftien mijlen lengte. En generaalLevaillantheeft tePhilippevilleeene wolk gezien, die 3 à 4myriameterlang was, en toen deze nederstreek, vormde zij eene laag van 3palmdikte.

—'t Is waarlijk niet te verwonderen, zeide Dries, dat er de pest door ontstaat.

—De eenige voldoening, die men er nog van heeft, zeide de kapitein, is, dat men wraak op hen kan nemen door ze te eten.

—Eet men dat tuig? vroeg Dries. Nu spot ge zeker, kapitein!

—Neen, waarlijk ik spot in het geheel niet, antwoordde de kapitein. De Bedouïnen,3)de Kabylen,4)de Mooren en de negers eten ze. De gewone soort van sprinkhaan, door de inlanders djerab-el-arbi genaamd, wordt veel door hen gegeten. Zij snijden den kop af onder het prevelen van Bism-Allah (in den naam van God). Daarna rukken zij ze de vlerken en de lange pooten uit en eten het lichaam met een weinig zout.

—Een lekker kostje, zeide Dries. Ba! als ik er om denk,wordik misselijk. Hoe is het mogelijk zulk walgelijk ongedierte te eten.

—Nu, onaangenaam smaken ze niet, antwoordde de kapitein. Ik heb ze geproefd; zij smaken eenigszins als kreeften.

—Wel moge 't u bekomen! zei Dries, maar ik dank er voor.

—Ja, zeide de luitenant, ik bewonder uw moed, maar hoe hartstochtelijk minnaar van insecten ik ben, geloof ik toch niet, dat ik den moed zou hebben ze te eten. Overigens zijn het niet alleen de Arabieren en Mooren, die ze als voedsel gebruiken; in alle Oostersche landen is dat gebruiklijk. Men kookt en braadt ze, en discht ze zelfs in de koffiehuizen op als dessert en lekkernij.

—De Arabische vrouwen en kinderen rijgen ze aan een draad even als een rozenkrans, en brengen ze na ze gedroogd te hebben in den handel. Ook in Zuid-Afrika worden zij door de inwoners niet versmaad; de Hottentotten houden er veel van, en als het land, zooals nu hier het geval is, door sprinkhanen-zwermen wordt overstroomd, verzamelen zij ze en zouten ze in aarden potten in, om ze te kunnen bewaren.

—Maar is er geen middel op, om dat gevaarlijk insect te verdelgen? vroeg Rebecca.

—Wat zal ik u daarop antwoorden, zeide de luitenant, men heeft nu en dan maatregelen daartoe genomen. Reeds bij de oude Grieken bestond eene wet, die in zoodanig geval elken burger verplichtte een zeker getal maten sprinkhanen te leveren. Somtijds heeft men er premiën uitgeloofd voor het opzoeken der eieren. Zoo gaf men in 1613 in Provence voor een kilogram eieren ongeveer 25 cents en voor een gelijk gewicht sprinkhanen de helft. Marseille gaf toen aan premiën 20.000 francs en Arles 25.000 francs uit, en nog kort geleden betaalde men in dezelfde streken aan premiën in verschillende jaren van 2200 tot 6200 francs per jaar.

—Dat heeft men in onze kolonie (Algerië) ook gedaan, zeidede kapitein. In 1850 betaalde het gouvernement voor een zak sprinkhanen ongeveer 12 cents en er werden zoovele zakken aangebracht, dat men telkens eene partij van 30 à 40kameelenvrachtennaar Medeah bracht.

—Maar, dat moetenmillioenenen millioenen geweest zijn, zeide Dries.

—Ja, zeide de kapitein, men kan van hen met recht zeggen: zij zijn ontelbaar als de zandkorrels in de woestijn en als de sterren aan den hemel.

—Neem nu eens in aanmerking, zeide de luitenant, dat de sprinkhanen ongeveer 40 eieren leggen. Men kan dan een weinig begrijpen, vanwaar die ontelbare massa dieren komt.

—Behalve het zoeken naar eieren, om die te verbranden, is er al heel weinig tegen hen te doen. Het eenige, dat met succes gedaan wordt, is, ze met groote goed rookende vuren te beletten om neder te dalen. De negers in Midden-Afrika beproeven dit ook door een oorverscheurend concert van helsch gekrijsch aan te heffen. Hierdoor doet men echter natuurlijk niets anders dan de ramp verplaatsen; ge jaagt ze daardoor van uw land naar dat van uwen buurman en hierdoor ontstaan meermalen bloedige oorlogen. In Hongarije moet men eens beproefd hebben ze te verjagen door middel van kanonschoten, en het moet geholpen hebben ook.

—'t Is een vloek! mompelde Aroesi.

—Ja, zei Selam, een vloek, verwoesting, ellende, hongersnood, dood en pest. Toorn van den Profeet. Allah behoede ons arm land!

Intusschen had men het sprinkhanen-leger uit het gezicht verloren en trok men den bergpas in. De geheele weg, dien men langs kwam, was dor en als uitgestorven; geen plant, geen grasje bespeurde men. Gelukkig dat men voeder voor de beesten had, anders zou men gevaar hebben geloopen, dat ze van honger waren omgekomen. Den bergpas uitkomende, zag men opeens weder de uitgestrekte vlakte van den Seboe voor zich, en men sloeg daar het kamp op, om den anderen morgen vroeg de vlakte te betreden onder eene hitte van 45 graden Celsius. Na een rit van vier uren werd het kamp aan den oever van den Seboe opgeslagen, want het was onmogelijk onder de hitte, die toen reeds tot 47° was gestegen, voort te gaan. Ook hier vond men de sporen van den doortocht der sprinkhanen, en de oppervlakte van den Seboe was zoodanig overdekt met de drijvende lijken, dat het water er groen van zag als ware het een groen veld.

3)Bedouïnen of zwervende Arabieren zijn de bewoners der vlakten, die een nomadenleven leiden.

4)Kabylen zijn de bergbewoners in Algerië.

ARABISCHE VERTELLINGEN.

Het was geen uitlokkend terrein, waar men dien middag kampeerde. De kale bodem was vol scheuren en gaten, waar de hagedissen in de zon lagen te blakeren om de kleine vliegende insecten te snappen, en verschillende kleine slangen nu en dan uit de scheuren kwamen kijken. Na eenige uren in eene onbeschrijflijke hitte te hebben doorgebracht, trok men tegen den avond evenals op de heenreis op eene oude schuit den Seboe over; daar het een zeer lichte avond was, besloot men door te marcheeren om den anderen dag te kunnen rusten en de hitte des daags te ontgaan, en na een aangenamen rit kwam men tegen den morgenstond, naKaria-el-Abbassigepasseerd te zijn, op een paar uren afstand van Larasch aan, waar het kamp werd geplaatst en allen weldra in diepe rust waren verzonken.

Dien dag bleef men daar halt houden en het was tegen den avond, dat Selam het gezelschap amuseerde met een paar verhalen, die ik hier laat volgen.

DE TWEE BROEDERS.

Eens, reeds eeuwen geleden,woondener te Larasch twee broeders. Zij waren arm en hadden geen ouders. De jongste Hamet, was een stille goede knaap; de oudste Saladin, een driftige, wreede en boosaardige jongen. Beiden waren visschers en brachten het grootste gedeelte van hun tijd door op de Bahr-el-Dholma5)(de zee der duisternis), waarbij echter Hamet steeds het meeste werk deed en Saladin zich vergenoegde met lui in de boot te liggen, zijne armoede, die hem tot gemeenen handenarbeid dwong, verwenschende. Als dat gebeurde, zag Hamet zijnen broeder bestraffend en bedroefd aan, herinnerde hem aan hunnen gestorven vader, die zijn geheele leven visscher en evenwel een gelukkig man was geweest, die door geheel Larasch als een braaf, werkzaam en rechtvaardig man bekend stond. Maar dat werkte op Saladin zoo goed als niets uit, en met het grootste leedwezen zag Hamet, hoe dieafkeer van werken hoe langer hoe meer bij Saladin toenam en al zijne vermaningen en zijn goed voorbeeld vruchteloos bleven.

en van zijne vederen straalde een schitterend licht. Bladz. 201.en van zijne vederen straalde een schitterend licht.Bladz. 201.

en van zijne vederen straalde een schitterend licht.Bladz. 201.

Wanneer de broeders hun dagwerk volbracht en hunne visschen verkocht hadden, nam Saladin het grootste gedeelte van het geld en gaf zich aan allerlei luidruchtige ongebonden vermaken en uitspattingen over, terwijl Hamet, wiens grootste vermaak in leeren bestond, zich naar een heiligen man begaf, die op een uur afstands van Larasch in de bergen der kust woonde, en ontving van dezen, tegen eene kleine vergoeding in eetwaren, onderricht in het lezen en schrijven. De heilige kluizenaar verklaarde hem de wonderen der natuur en wekte in het gemoed van Hamet een onleschbaren dorst naar kennis op.

Zoo was het leven der broeders, toen opeens een wonder eene groote verandering daarin bracht.

Op zekeren dag waren zij weder te zamen uitgegaan om te visschen, en nadat zij een voldoenden voorraad hadden gevangen, lagen zij met de boot stil op het watervlak een weinig uit te rusten. Hamet over den rand der boot gebogen, zocht de geheimenissen der zee te doorgronden en verdiepte zich in gedachten, terwijl Saladin lusteloos achterover liggend naar den blauwen hemel keek en ouder gewoonte zijne armoede verwenschte.

Opeens zag men aan den horizont eene nauw merkbare stip verschijnen, die nader komende een groote zeearend bleek te zijn, welke zich met snelle vleugelslagen dicht over den waterspiegel in hunne richting voortspoedde. Maar hoe ontstelden de twee broeders, toen zij zagen dat de vederen van den vogel geheel van goud waren. Het zonlicht gleed fonkelend over de gouden pluimage en deed den vogel op een wezen van glansende stralen gelijken.

Verwonderd en bevreesd tevens waren de twee broeders opgesprongen, en staarden zij met blikken, waaruit ontzetting sprak, op deze wonderbare verschijning.

Saladin was de eerste, die het zwijgen verbrak.

—Hamet, zeide hij, Hamet mijn broeder, als we dien vogel konden bemachtigen, waren wij rijk. Wij bezaten dan gouds genoeg om ons er een paleis van te bouwen en ons in weelde te baden.

—Hoe, zoudt ge dien vogel willen vangen? zeide Hamet; 't is geen dier van deze aarde, 't is een afgezant van den Profeet, een dienaar uit het Paradijs. Bezondig u niet tegen den grooten Profeet door zulke gedachten, strek de hand niet uit naar iets wat heilig is; Allah zou u straffen!

—Gij zeurt, zeide Saladin wrevelig, zie, had ik mijn goed geweerhier, ik schoot hem neer zoo waar als ik hoop in het Paradijs te komen.

Hamet antwoordde niet, maar keek naar den vogel, die steeds naderde en zich ten laatste op de punt der boot nederzette.

Hamet kruiste de armen over de borst, viel op de knieën en boog het hoofd voor de als diamanten schitterende oogen van den adelaar.

En Saladin, door vrees aangegrepen, viel insgelijks neder.

Toen zeide de vogel:—Vreest niet, o Hamet! ik ben afgezonden door den Profeet om u gelukkig te maken.

Hamet en Saladin hieven verheugd het hoofd op.

—Allah is groot en Mahomed is zijn Profeet, zeide Hamet. Ik weet niet welk geluk voor mij is weggelegd, maar ongelukkig ben ik niet.

—Wat praat ge toch voor zotteklap! zeide Saladin. Noemt ge onze armoede dan geen ongeluk? Zie, wij werken in het zweet onzes aanschijns en we verdienen nog ternauwernood genoeg om het leven te behouden.

—Laat uw mond geen leugentaal spreken, zeide de vogel. De Profeet heeft u beiden gadegeslagen. Hij heeft gezien, hoe gij u tijd doorbracht met luieren en twisten, terwijl uw broeder werkte en kennis vergaarde; hoe gij het geld, door uw broeder in harden arbeid verdiend, met kwistige hand doorbracht in losbandige vermaken, die den braven Muzelman niet passen.

—Reken het hem niet te zwaar toe, o gezant van den profeet, zeide Hamet biddend, hij wist niet wat hij deed.

—Welnu, zeide de vogel, ik zal ook u helpen ter wille van uw broeder. Denk er aan, dat welk geluk u beschoren zal zijn, gij het aan hem te danken hebt.

—Wat moeten wij doen? vroeg Saladin begeerig.

—Volgt mij slechts, zeide de vogel, en ik zal u naar eene plaats voeren, waar gij de keuze van uwe toekomst zelven kunt doen.

En als door eene onzichtbare macht voortbewogen, gleed de boot over de golven, en daarboven voor de boot uit zweefde de gouden adelaar en wierp eene ontzaglijke schaduw over de beide broeders, die van de felle hitte niets te lijden hadden.

Na een half uur in de grootste spanning te hebben doorgebracht, kwam men aan den ingang van eene grot, die men binnenvoer.

Het was eene lange, breede en hooge grot, van binnen boogvormig gewelfd. Er heerschte eene diepe duisternis, maar de vogel bleef steeds boven de boot op korten afstand voortzweven en vanzijne vederen straalde een schitterend licht, dat op de boot afdaalde en de rotswanden verlichtte, die uit een ruwe zwarte marmersoort met roode aderen bestonden. Aan het einde der grot stuitte men op een hoogen rotsmuur, die de grot scheen af te sluiten. De twee broeders keken elkaar verwonderd aan.

—Dit is de eenige hinderpaal, dien gij op dezen weg hebt te overwinnen, zeide de vogel. Onder dezen muur moet gij doorduiken om verder te kunnen gaan. Hebt ge er den moed toe, zoo ga!

En de vogel, opstijgend tot bijna aan het gewelf der grot verdween door eene opening boven in den muur.

Als visschers waren Saladin en Hamet ook uitstekende duikers, en om onder dezen muur door te duiken was voor hen geen zware taak. Beiden, aangevuurd door hunne nieuwsgierigheid om te weten wat er aan de andere zijde van den muur zou zijn, wierpen zich na eenige oogenblikken aarzelens in den stroom. Op eene manslengte diep vonden zij eene groote opening,en toen zij na eenige seconden aan de andere zijde van den rotsmuur boven water kwamen en zich het vocht uit de oogen wreven, zweefde daar weder de adelaar om hun den weg te wijzen. Tot hunne verbazing zagen Hamet en Saladin, dat zij dicht bij het strand waren. De plaats waar zij waren opgedoken met een paar fiksche slagen verlatende, voelde zij weldra den zandigen bodem onder hunne voeten en betraden na eenige oogenblikken het strand.

Toen daalde de adelaar neder en op hetzelfde oogenblik, dat hij het zand aanraakte, veranderde hij als door een tooverslag van gedaante en voor de twee verbaasde en verschrikte broeders, stond een wijze, een Derwisch, in een lang kerskleurig gewaad, en met langen golvenden baard en haren.

Toen deze zag hoe de broeders ontzet bleven stilstaan, zeide hij:

—Wat vreest gij? Slechts de boozen hebben te vreezen. Volgt mij, u zal geen leed geschieden.

Gerustgesteld door deze woorden traden Hamet en Saladin voort en volgden den Derwisch over de smalle strook van het strand, dat met allerlei prachtige horens en schelpen was bezaaid. Zij hadden dit strand nooit gezien, hoe menigvuldige tochten zij ook langs de kusten hadden gedaan.

Na een paar honderd pas landwaarts in te zijn gegaan, zag men twee kleine heuvelen, welke verbonden waren door een muur, waarin zich eene ontzettend groote en zware poort bevond.

De Derwisch strekte met een gebiedend gebaar de hand uit naar deze poort, en door eene onzichtbare macht geopend, draaide zijonhoorbaarop hare scharnieren en de broeders gingen door de poort.

De plaats, die men binnentrad, was eene groote kamer in de rotsen uitgehouwen, hetgeen men gemakkelijk aan de wanden en het gewelf kon zien. De vloer bestond uit wit marmer met hemelsblauwe aderen. In het midden was eene fontein, die een dikken waterstraal omhoogspoot, welke klaterend in het bekken neerviel, zoodat het water over den rand stroomde in een bekken op den grond. Deze fontein en de bekkens waren van zilver en maakten met de blauwwitte en donkere kleur der rotswanden eene verbazend schoone uitwerking. In het midden hing aan kettingen van zilver een diamanten bol van ontzettenden omvang, die de geheele kamer met zijn glans verlichtte. Ter linker- en ter rechterzijdebevondzich in de wanden der kamers eene deur; die ter rechterzijde was wit als sneeuw, die ter linkerzijde zwart als ebbenhout.

Sprakeloos van verwondering blikten de beide broeders eene wijle rond en sloegen toen het oog op den Derwisch.

—Knielt neder! zeide deze op een ernstigen indrukwekkenden toon. Knielt neder, ontdoet u van uwe kleederen en wascht en reinigt u van het stof der aarde, van de besmetting der wereld, want de grond, dien gij gaat betreden, is heilige grond.

Hamet en Saladin traden naar de fontein, ontdeden zich van hunne kleederen en dompelden zich in het welriekende frissche water.

—En zegt mij thans, zeide de Derwisch, wat gij begeert. Wat wenscht gij op aarde te zijn? Maar bedenkt u goed!

—Ik wensch roem en eer,rijkdomen macht! zeide Saladin stout.

De Derwisch zag hemdroevigaan.—Weder een eerzuchtige, zeide hij, weder een dierijkdomen macht verlangt. Er zijn vele wegen, die u hierheen voeren; welken weg kiest gij?

—Dien van den krijgsman, antwoordde Saladin zonder aarzelen. Geef mij een paard, dat onvermoeid, onbevreesd en onkwetsbaar is, een zwaard, dat altijd scherp blijft en steeds treft, en maak mijzelf onkwetsbaar.

—Dwaas, die gij zijt! zeide de Derwisch; gij verlangt uw eigen ondergang, want wie bloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden. Maar het zij zoo, gij zult hebben wat gij verlangt!

—En gij, vroeg de Derwisch, zich tot Hamet wendende, wat wenscht gij, wilt gij deelen in den wensch uws broeders?

—Neen, zeide Hamet. Ik ben geen man des gewelds en des doods, en hij blikte somber in het vroolijke gelaat van zijn broeder. Wat ik wensch, dat is verstand en kennis.

—Ha! riep de Derwisch verheugd uit, er is toch eindelijk een verstandig mensch gevonden. Kom, volg mij, en hij trad op de deur toe, die zich ter rechterzijde bevond en welke op een wenk van hem openging.

Toen trad men binnen eene ruime grot, waar alles, de wanden, het verwulf, de vloer wit waren als sneeuw. In het midden dezer schitterend witte zaal stond op een zilveren voet een kristallen koffer en op den achtergrond der grot bestond de wand uit één grooten spiegel.

De Derwisch trad op dezen spiegel toe en zich tot de broeders wendende zeide hij:—Ziet!

Toen strekte hij de hand gebiedend uit naar den kolossalen spiegel, en terstond zag men daar wolken en damp te voorschijn komen; het was als een chaos.

—Dit is de wording der wereld, zeide de Derwisch.

Opeens veranderde het tooneel, en men zag de aarde woest en ledig, maar allengs begon er beweging in het tafereel te komen. Men zag den sterrenhemel; bergen verrezen, valleien zonken neder, zeeën, stroomen, meren, planten en boomen kwamen te voorschijn.

Toen verschenen er ook levende wezens; eerst kleine nauwlijks zichtbare dieren, deze verdwenen allengs en zoo zag men trapsgewijze insecten, vogels, zoogdieren en eindelijk den mensch verrijzen. Alles werd duidelijker. Men zag geheele landstreken. Hier vertoonden zich berglanden met rookende vulkanen, daar woestenijen, gindsch welige landauwen, bosschen en zoo voorts.

—O, hoe schoon! riep Hamet uit, op de knieën vallende, geef mij kennis, schenk mij wetenschap.

—Gij hebt gekozen, zeide de Derwisch, wees een wijze, mijn zoon! En de hand uitstrekkende hief hij Hamet op, en tegelijk verdween alles en zag men niets meer, uitgenomen den spiegel.

Een wenk van den Derwisch riep Hamet naar den kristallen koffer, en deze openende haalde hij er een boek uit.

Het was geheel wit en op den rug stond in zilveren letters te lezen: »In mij is de wetenschap, de waarheid, de wijsheid. Wie mij bezit zal gelukkig zijn tot het einde zijner dagen.”

Met bevende handen vatte Hamet het boek aan en deed het open. Maar teleurgesteld keek hij den Derwisch aan, toen hij slechts witte perkamenten bladen zag.

De Derwisch glimlachte.—Wees gerust, mijn zoon! zeide hij; wanneer gij uw boek wenscht te gebruiken, hebt gij slechts te zeggen: »In den naam van de waarheid, de wetenschap en het verstand,onderricht mij!” en het zal zich openen, uwe gedachte van wat gij weten wilt radende, en op deze witte bladen zult gij lezen wat gij verlangt.

En Hamet, opgetogen van vreugde, viel neder voor den Derwisch en kuste den zoom van zijn kleed.

—Sta op, zeide de Derwisch, en volgt mij beiden.

Men ging weder terug, de witte deur opende zich, en men bevond zich andermaal in den voorhof.

De Derwisch, gevolgd door de gebroeders, liep op de zwarte deur toe, en toen deze zich opende, bevond men zich in eene grot gelijk aan de vorige, doch hier was alles zwart als ware het met rouwfloers behangen. Aan het einde bevond zich eveneens een kolossale spiegel, en aan weerszijden waren de wanden der grot behangen met allerlei prachtige fonkelende wapens.

Evenals in de witte zaal trad de Derwisch op den spiegel toe en Saladin wenkende, zeide hij:—Zie!

Toen zag men in den spiegel opeens het tooneel van een hevigen strijd. Er werd een groote slag geleverd. De gewonden lagen bij duizenden op het slagveld, paarden zonder ruiters galoppeerden wild dooreen, en ruiters en voetknechten streden met de grootste verbittering. Het veld was doorweekt van bloed, en de gewonden staken de bloedige stompen der afgeschoten ledematen omhoog als om wraak van den hemel af te smeeken.

Hamet rilde, maar Saladin stond daar met fonkelende oogen, het tafereel als het ware verslindend.

—Zie wat het geweld is! zeide de Derwisch.

Opeens veranderde het tooneel. Men zag eene belegerde enuitgehongerdestad; de bewoners vielen als wolven op het rottend aas aan, en sloegen elkaar dood om de stukken en brokken. Zelfs de lijken der verslagenen werden opgegeten. De vrouwen hieven hunne uitgeteerde kinderen ten hemel, en doodden ze om ze niet in handen van den woesten vijand te laten vallen, kortom, het was een verschriklijk beeld van jammer en ellende.

Wederom veranderde de verschijning nu om een beeltenis te geven van een door den oorlog verwoest land, waar de pest de overgeblevenen, die het zwaard had gespaard, ten grave sleepte. Overal heerschte jammer en ellende; ingevallen huizen, verwoeste ontvolkte steden, een uitgemergelde landstreek!

Hamet, door ontzetting buiten zichzelf, wierp zich op de knieën om zijnen broeder te smeeken van zijnen wensch af te zien. Deze stond daar met bliksemende oogen, trillende neusgaten en zwoegendeborst, als een paard, dat den kruitdamp opsnuift en het krijgsrumoer aanhoort. Met eene woeste beweging duwde hij Hamet opzijde, en zich tot den Derwisch wendende, zeide hij:

—Zoo zal ik niet doen. Mijne macht zal ik niet anders aanwenden dan om den boozen te straffen. Ik zal niet anders dan rechtvaardig zijn en wensch slechts het hoofd van een machtig volk te worden, dan zal ik tevreden en gelukkig zijn. Geef, wat gij mij beloofd hebt!

Medelijdend staarde de heilige hem aan en hoofdschuddend deed hij de verschijning verdwijnen, terwijl hij zeide:

—Gij zult hebben, wat gij begeert. Gij verkiest de verwoesting, het verderf en den dood boven rustig geluk. Uw wil zal geschieden; maar, wee u! zoo gij een onrechtvaardig gebruik mocht maken van de uw gegeven macht: »Hij, die u dit door mijne hand laat geven, zal u ook weten te treffen, zoo ge een geesel voor u volk mocht worden en uwe hartstochten niet weet te bedwingen.” En naar den wand gaande, nam hij er een zwaard af, dat hij Saladin overreikte.

Dat zwaard zag er vreemd uit. De greep was zwart als ebbenhout. De kling was zoodanig overdekt met zwarte figuren en letterteekens, dat het geheel zwart scheen en de punt was rood als ware deze in bloed gedoopt.

Daarna nam de heilige een fleschje met een zwart vocht, dat hij Saladin over het hoofd uitgoot. Het vreemdste hiervan was, dat Saladin geen vochtigheid voelde en het zwarte vocht geenerlei spoor achterliet op de plaatsen waar het viel.

—Thans zijt ge onkwetsbaar, zeide de Derwisch. Nu nog uw paard, en terwijl hij de hand uitstrekte naar het einde der grot, verdween opeens de spiegel, en uit de opening, daardoor veroorzaakt, kwam een koolzwart ros aansnellen.

De oogen schoten vuur en de hoeven kletterden op den grond als waren zij van staal. Uit zijne wijd geopende neusgaten blies hij met kracht den adem bij wolken uit, die er door de roode kleur der neusgaten als vurige rookwolken uitzagen.

Het fiere ros bleef plotseling voor Saladin staan enlegdeden kop vertrouwelijk op zijnen schouder.

Een zegevierende glimlach en eene uitdrukking van onbeschrijflijken trots vlogen over Saladin's gelaat, terwijl hij den arm om den slanken hals van zijn ros sloeg en het liefkoosde.

—Volgt mij, zeide de Derwisch, en door de twee gelukkige broeders gevolgd verliet hij deze groote gewelven. Hij bracht hen aan den ingang van een diepen bergweg, die door hemelhooge rotswanden was begrensd. Dáár bleef hij staan.

—Luistert, zeide hij, zich tot de broeders wendende: U is gegeven, wat gij wenschtet; handelt naar de grootheid der u bewezen gunst. Gij, Hamet de wijze, ga heen, onderwijs uwe medemenschen van wat ras of geloof zij ook mogen zijn. Onderricht hen, scherp hun verstand, geef hun kennis, deel hun mede van uwe wetenschap. Doe dat in den naam van de kracht, die uit stof alles formeerde. Doe het in den naam van Allah!

—En gij Saladin, onkwetsbare, onverwinlijke krijger! ga gij tot hen, die onderdrukt worden door gewetenlooze tirannen, ga naar de wouden en de bergen, waar de bewoners door monsterachtige dieren gedood en verslonden worden. Ga daar henen en verschijn als een bevrijder der bedrukten. Uwe roeping is schoon, doch laat uw hoogmoed u niet verblinden; ga, en dat de goede geesten u begeleiden en bevrijd houden van de inblazingen van den booze. Op hetzelfde oogenblik kromp de hooge gestalte ineen, en terwijl de mensch verdween, verhief zich de gouden adelaar met forsche vleugelslagen in de lucht en was binnen weinige oogenblikken verdwenen.

Roerloos van verbazing stonden de beide broeders nog eene wijle, en oogden den wegsnellenden adelaar na.

—Kom, broeder! zeide Saladin ongeduldig, laten wij gaan, en hij sprong op zijn ros.

En Hamet streek zich met de hand over het gelaat, als om zich te bezinnen waar hij was; en zich omwendende, drukte hij het kostbare boek vaster tegen zich aan.

En naast hem reed Saladin op zijn vurig ros, dat sprong en trappelde, zoodat de sterke hand van Saladin moeite had het in toom te houden.

Eindelijk betrad men, uit den bergpas gekomen, eene heuvelachtige streek. De broeders zagen rond.

—Hé, zeide Saladin, zijn dat niet de heuvelen van Larasch? Zie, dat is vreemd, we hebben aan de zeezijde de stad verlaten en komen er aan de landzijde weder in.

—Inderdaad, antwoordde Hamet, het is Larasch, dat daar gindsch ligt. De betoovering is van ons geweken, broeder!

Tegelijkertijd keken zij, door dezelfde gedachte bezield, om naar den bergweg waarlangs zij gekomen waren, want geen van beiden kende dien weg. Maar wie beschrijft hunne verbazing, toen zij niets meer van dien weg gewaar werden en achter zich niets dan hooge heuvelen zagen.

—Waar gaat gij heen, broeder? zeide Saladin.

—Naar Larasch, antwoordde Hamet, en gij?

—Ik, antwoordde Saladin, ik ga naar de bergen van de kust, waar zich de roovers ophouden. Ik ga ze verdelgen om het land van die plaag te bevrijden.

—Goed, zeide Hamet, ga, ge zult er een goed werk mede verrichten. Maar mijn broeder, zult gij denken om de woorden van den heilige, en bovenal wordt niet hoogmoedig; stel u met uw deel tevreden en begeer niet de geheele wereld.

—Wees gerust, antwoordde Saladin, ik zal niet hoogmoedig worden; vaarwel Hamet, mijn broeder! spoedig zie ik u weder. Gij hebt een schraal deel gekozen. Ik zal u schatten komen brengen!

—Ik begeer ze niet, zeide Hamet, anders had ik ze genomen. Vaarwel broeder, wanneer gij gelukkig zijt, zal ik het dubbel zijn! En hij omarmde Saladin, die daarop te paard springend zich snel verwijderde. En Hamet, die hem naoogde, zag hoe hij voortsnelde op zijn zwart ros, als waren ruiter en paard één. De vonken sprongen uit de rotsen waar de hoeven van Saladin's paard die aanraakten, en zijn berijder, het kromme zwaard in de hand, snelde voort als een booze geest.

—Hij zal niet hoogmoedig, niet trotsch worden, mompelde Hamet, treurig het hoofd schuddend; hij heeft gelijk, want hij is het reeds! En hij verwijderde zich in de richting der stad.

Spoedig daarna weerklonken door gansch Barbarije van Marokko tot Tripoli, ja zelfs tot aan gene zijde der Sahara twee namen, die het volk niet zonder bewondering uitsprak. Het waren de namen der twee broeders.

Saladin de Zwarte, de onverwinlijke, de onkwetsbare, na de geheele kuststreek van roovers gezuiverd te hebben, trok op tegen den toenmaligen Sultan van Fez, een vreeslijk tiran. En of deze al leger op leger tegen hem afzond, het baatte niet. De uitgezogen bevolking ontving den bevrijder met open armen of sloot zich allerwegen bij hem aan. Binnen eenige weken was de legermacht van den Sultan verslagen of overgeloopen en hijzelf had zich uit wanhoop het leven benomen. De overige Sultans der Barbarijsche staten bevreesd dat hun hetzelfde lot zou ten deel vallen, verbonden zich daarop om Saladin ten onder te brengen. Doch waar de nieuwe Sultan eenmaal een slag won, wilden de soldaten niet meer tegen hem strijden, daar zij van zijne onverwinlijkheid en onkwetsbaarheid ten volle overtuigd waren. Spoedig dan ook was Saladin niet alleen Sultan van gansch Marokko, maar allengs breidde hij zijne veroveringen uit over geheel Barbarije, zoodat hij ten laatsteSultan van geheel Noord-Afrika was en de grenzen van zijn land bepaald werden door den Oceaan ten westen, ten noorden door de Middellandsche Zee, ten oosten door Egypte en ten zuiden door de woestijn de Sahara.

Maar noemde men den naam van den grooten Sultan niet zonder vreeze, niet minder geëerd en beroemd was de naam van Hamet. De roep van zijne nooit gekende wijsheid drong in het geheele land door. In eene schoone vallei bij Mechinez woonde deze in eeneeenvoudigetent, het volk leerende en onderwijzende. Van heinde en verre kwam men hem raadplegen, en Hamet sloeg slechts zijn boek open, dat, telkens als hij het noodig had, zich vanzelf opende en op de witte bladen verschenen letterteekens, welke Hamet kon lezen. De bevolking in den omtrek beijverde zich om den heiligen man van het noodige te voorzien en meer wenschte Hamet niet. Hij was tevreden en gelukkig door de vereering, die men hem toedroeg. Geen dag ging voorbij dat de vallei, waar hij woonde, niet overvol was met kameelen, paarden en ezels van de karavanen, die van oost en west, van zuid en noord kwamen om bij Hamet den heilige raad en hulp te zoeken. Men kon zeggen, dat er twee Sultans waren van Noord-Afrika, de eene gevreesd en ontzien, de andere geacht en geëerd, bijna aangebeden.

Toen Sultan Saladin zag hoe groot zijn aanzien was, begon hij zijne macht te misbruiken. Als er iemand was, die hem durfde weerstreven, liet hij hem geeselen of dooden. Was er iets dat hij begeerde en men wilde het niet afstaan, dan werd men eenvoudig opgelicht en geworgd, en de eigendommen vervielen aan den Sultan. Zijn harem bevatte de mooiste meisjes van gansch Barbarije, want geen vader dorst zich tegen de wenschen van den Sultan te verzetten. Als Saladin hem liet weten, dat hij op een bepaalden tijd zijne dochter in zijn harem begeerde te hebben, voldeed men er bereidwillig aan.

Nu gebeurde het dat Hamet, de heilige, die een jong en schoon man was, tot zichzelven zeide: Zie, ik ben gelukkig, maar ik ben alleen. En wat anders zou mijn geluk kunnen volmaken als eene vrouw en kinderen? Het is niet goed, dat de mensch alleen blijve. Hij heeft evengoed zijnen plicht, zijne bestemming te vervullen als al wat door eeuwige kracht is voortgebracht. Hij mag zich niet aan de natuurlijke eischen der maatschappij onttrekken. En Hamet nam eene der schoone en deugdzame vrouwen van Mechinez tot echtgenoote.

De geheele bevolking verheugde zich over dat besluit van Hamet,en van alle oorden waren de nieuwsgierigen saamgestroomd om getuigen van dit feest te zijn en vreugde te bedrijven.

Doch zie, op den dag dat Hamets huwelijk voltrokken was en hij zijne vrouw met zich voerde naar zijne tent, gebeurde er een verschrikkelijk ongeluk; want toen Hamet op weg was naar zijn verblijf, ontmoette hij de soldaten van den Sultan, die zijne vrouw kwamen opeischen en haar, ondanks het tegenstreven van Hamet, medevoerden.

Toen nam Hamet een paard en vertrok naar Fez naar zijnen broeder, om zijne vrouw van hem te eischen, want de arme Hamet dacht niet anders, of zijn broeder had zijne vrouw laten weghalen, zonder te weten wie haar echtgenoot was.

Hamet had nooit gezegd, dat Saladin zijn broeder was; en Saladin, te trotsch geworden om zijne geringe afkomst te willen weten, had er evenmin van gerept. Toen Hamet nu te Fez aankwam en niet werd toegelaten tot den Sultan, zeide hij, dat hij Hamet de broeder van den Sultan was. Eenige oogenblikken daarna werd hij voor den Sultan gevoerd.

Dáár op de binnenplaats, omringd door een schitterenden stoet van krijgslieden en hovelingen, zat Saladin te paard, terwijl een twaalftal soldaten een troonhemel boven hem omhooghielden, ten einde hem voor de zon te beschermen. Het was wel dezelfde Saladin, die eenmaal een arme visschersknaap was geweest. Hij zag er even fier uit als vroeger; zijn paard was hetzelfde zwarte ros en aan zijne zijde bengelde het vreeslijke kromme zwarte zwaard met de roode punt.

Hamet wilde zijnen broeder te gemoet snellen, maar de koele ontvangst, die hem te beurt viel, hield hem daarvan terug. Eene wijle stond hij als verlamd, als vernietigd naar zijnen broeder te kijken, toen verdween de verwondering allengs van zijn gelaat en op bitteren toon mompelde hij:

—'t Is mijn broeder niet meer!

—Wie is het, klonk op eens de stem van den Sultan, die zich den broeder van den Sultan durft noemen?

—'t Is Hamet van Mechinez, die vroeger visscher was te Larasch. Herinnert Saladin zich zijnen broeder niet meer, met wien hij dag aan dag ging visschen, toen wij te Larasch woonden?

Een onderdrukt gemompel van verwondering doorliep den hofstoet.

Saladin haalde de schouders op.

—De man is krankzinnig, zeide hij, zich tot zijne volgelingen wendende. Maar wat wilt gij? vroeg hij, zich tot Hamet wendende.

—Ik verlang de vrouw terug, die de soldaten mij hebben ontnomen,en waarmede ik juist was gehuwd. Zie, zeide Hamet, ik ben een man des vredes. Ik onderwijs het volk in de vallei van Mechinez; nooit heb ik nog eene onrechtvaardige daad begaan, noch de hand tegen iemand opgeheven. Geef mij het geluk terug, dat mij werd ontnomen. Wilt gij uwen broeder niet erkennen, o Saladin, 't zij zoo; het is er mij niet om te doen in den glans van uwe macht te verkeeren, maar geef mij ten minste mijne vrouw weder. Maar Saladin fronste de wenkbrauwen.

—Men brenge den onbeschaamde weg, die zich eerst voor mijnen broeder uitgeeft, en het daarna durft wagen de handelingen van den Sultan te beoordeelen. Men verwijdere hem en zoo hij zich weder vertoont, zal men hem het hoofd vóór de voeten leggen.

Bleek als een doode stond Hamet op en een vernietigenden blik op den Sultan werpende, zeide hij op indrukwekkenden toon: Luister, o Sultan, Saladin de groote!Hij, die u groot heeft gemaakt, zal u ook weten te treffen nu ge een geesel voor uw volk zijt geworden en uwe hartstochten niet weet te bedwingen!

Ontzet over die taal en bevreesd voor straf grepen de wachten Hamet aan en voerden hem weg.

Treurig en in diepe overpeinzingen verzonken, ging Hamet de stad uit. Hoe zou hij nu zijne geliefde, zijn geluk weerom krijgen? Met geweld viel tegen Saladin, den onkwetsbare, niets uit te richten. Met list zijne vrouw te bevrijden ging evenmin, want hoe zou het hem mogelijk zijn haar uit het sterke, door een drom van krijgers omringde en bewaakte paleis te voeren. En Hamet, de wijze, wist geen raad; hij was diep ongelukkig.

Maar opeens, toen hij buiten de stad tusschen de heuvelen was gekomen, trof een vreemd klapwiekend geluid zijne ooren en opziende, zag Hamet den gouden adelaar boven zijn hoofd zweven.

—Wees gegroet, o Hamet! gij gezegende onder uw volk. Wat is het, dat uw gelaat de uitdrukking van treurigheid heeft gegeven? zeide de vogel.

Hamet, op de knieën vallende voor zijnen weldoener, verhaalde wat er was gebeurd.

—Wees gerust, Hamet, vrees niet! Uwe vrouw is de uwe, zij zal tot u komen. Luister!

En nederdalende, veranderde de vogel in den Derwisch en zeide toen:

—De maat is vol! Uw broeder Saladin heeft geen goed gebruik gemaakt van de macht, die hem gegeven werd. Zijn rijk is uit. Hij heeft zich geneigd tot de inblazingen van den booze, die hem met eene onbegrensde eerzucht heeft vervuld. Hij heeft veroverd,verwoest en gemoord uit lust, zonder noodzaak. Reeds zou hij gevallen zijn, zoo ik niet gewacht had of hij zich nog wilde beteren. Maar helaas! hij is verstokt, en denkt dat zijne onkwetsbaarheid en onverwinlijkheid hem niet meer kunnen ontnomen worden. Thans, nu hij zelfs zijnen broeder heeft verloochend, gehoond en beroofd van zijn geluk, thans is de maat zijner euveldaden vol. Hij zal sterven.

—O neen! riep Hamet, laat hem leven om zich te beteren!

—Hij zal zich niet beteren, zeide de Derwisch. Gij weet dat ik in zijn hart kan zien. Nooit zal hij zich verbeteren. Maar om uwentwille, om den wille van uw schoon leven, dat gij zoo nuttig besteedt, om het goede dat gij gedaan hebt, wil ik u nog één gunst toestaan. Hij zal leven als hij zich betert, maar zoo hij nog eenmaal de hand tegen u, zijnen broeder, opheft, zal ik hem verdelgen van de aarde. Wacht hier eene wijle.

En na weder in een adelaar veranderd te zijn, vloog hij weg in de richting der stad.

Nauwlijks had Hamet in angst en vreeze eene poos daar vertoefd, of zie, daar zag hij den adelaar wederkeeren, maar niet alleen, want met zich voerde hij eene witte duif.

Verbaasd wachtte Hamet. De vogels kwamen al nader en nader, en streken neer bij Hamet. En op hetzelfde oogenblik, dat zij den grond raakten en de adelaar in een Derwisch veranderde, onderging ook de duif eene gedaanteverwisseling en voor den verheugden Hamet stond zijne vrouw.

Met een vreugdekreet snelden de twee geliefden elkaar in de armen.

Toen zeide de Derwisch: Ga heen, neem uwe vrouw op uw paard en verwijder u, want uw broeder komt om u te zoeken. Ik hoor reeds den hoefslag van zijn paard, doch vrees niet, ik zal over u waken.

En Hamet tilde zijnen geliefden last op het paard, sprong in den zadel en reed weg onder de zegeningen van den Derwisch.

Daar klonk opeens de kletterende hoefslag van Saladin's ros en met eene snelheid aan den bliksem gelijk kwam de woedende Sultan aanrennen, zijn verderf aanbrengend zwaard in de vuist geklemd.

—Geef over die vrouw, o Hamet! donderde hij reeds van verre den vluchtende toe, en met een paar ontzettende sprongen was hij voor hem en sneed Hamet den weg af.

—Broeder! smeekte Hamet, in den naam onzer ouders, in den naam van Allah, in den naam van hem, die u groot heeft gemaakt, laat mij door. Hef uwe hand niet tegen mij op, want het zal uw verderf zijn. Gij, die zooveel bezit, laat mij dit weinige!

—Geef over die vrouw, zeg ik u! brulde Saladin. Gij kent mijne macht, die onwederstaanbaar is; noodzaak mij niet u te dooden!

—Laat af, broeder! bad Hamet; laat af, het verderf nadert u! Laat af in den naam van haar, wier borst ons beiden heeft gezoogd.

—'t Is lang genoeg gefemeld, brulde Saladin, en zijn zwaard zwaaiend wilde hij zich op zijnen broeder werpen.

Daar klonk op eens de verschrikkelijke stem van den Derwisch: Sta Saladin! ellendige slaaf uwer hartstochten! Tiran van uw volk, die u met de booze geesten hebt verbonden.Ik, die u groot heeft gemaakt, die u de macht heeft gegeven, ontneem u die, nu ge een geesel voor uw volk zijt geworden en uwe hartstochten niet weet te bedwingen.Verga!

En op hetzelfde oogenblik opende zich de grond voor zijne voeten, en onder het slaken van een vreeslijken kreet verdwenen ros en ruiter in den afgrond.

Toen vloog Hamet, door ontzetting aangegrepen, als een pijl uit den boog voort, onder het slaken van jammerkreten over het noodlottige en verschrikkelijke einde van zijnen broeder.

Hamet kreeg na verloop van tijd de rust en den vrede weer, die hij door zijns broeders dood had verloren, daar hij dwaaslijk zichzelf als de oorzaak daarvan beschouwde. Na eenigen tijd riep het volk hem tot Sultan uit. De vrede en het geluk keerden weder in Barbarije. Hij herstelde enkele onttroonde vorsten in hunne waardigheid en regeerde nog vele jaren tot heil van zijn volk, dat hem als den grootsten heilige na den Profeet vereerde.

Aldus besloot Selam zijn eerste verhaal.


Back to IndexNext