X. De hinderlaag.

X. De hinderlaag.Weldra verzamelden de mannen zich op de aangegeven plaats. Ook vele vrouwen hadden zich bij hen gevoegd, nieuwsgierig om te hooren, wat er gezegd zou worden.Toen de vergadering genoegzaam voltallig was, trad Kees naar voren en sprak:»Mannen van de Kenjaoe! Ge hebt allen het verhaal gehoord der vluchtelingen, die tot ons gekomenzijn. De Sibaoe’s hebben hun vrouwen en kinderen gedood. Ook vele mannen zijn reeds onder hun slagen bezweken. De hoofden der vermoorden dienen nu als zegeteekenen voor uwe vijanden. Vermoedelijk trekken deze nu op naar de andere dorpen. Menschen zullen ze daar nu wel niet meer vinden. Deze zijn gewaarschuwd en gevlucht. Doch dan zullen ze hun wraak koelen aan uw huizen en aan uw vee. Over eenigen tijd, als uw vijanden het land verlaten hebben, zult gij naar uw dorpen terug willen keeren. Dan vindt ge uw ladangs verwoest, uw woningen verbrand, uw varkens geroofd. Wilt ge dit toelaten?”Een dof gemompel ging op uit de rijen der mannen.»Ik heb gehoord, dat het aantal der Sibaoe’s slechts een honderdtal bedraagt. En hier zijn wel meer dan honderd en vijftig goed weerbare mannen. Indien ge wilt, zouden we den strijd kunnen wagen. Wanneer het ons gelukt, de Sibaoe’s te verslaan, zouden uwe bezittingen gespaard blijven. En tevens zoudt gij wraak kunnen nemen voor den hoon, dien zij u hebben aangedaan. Of wilt ge u hier liever als laffe vrouwen, blijven verstoppen en uw parangs en lansen laten rusten?”Weer klonk een dreigend gemompel.Kees vervolgde met vuur:»Laat ons vechten, mannen! De antoe’s helpen ons, als we maar dapper strijden! Wat zeggen de mannen van de Kenjaoe nu?”Een druk gepraat ging door de rijen. Enkele jonge mannen stieten oorlogskreten uit. Anderen sloegen op hun schilden. De meesten echter wachtten met ingespannenverwachting, wat de oudsten en hoofden zouden zeggen.Een der oudere mannen stond op en nam het woord:»Hoe zullen wij ooit kunnen vechten tegen de Sibaoe’s? Zij zijn veel behendiger in den strijd dan wij. Zij beschikken over allerlei tooverkunsten. Zij hebben machtiger antoe’s. Naar mijn meening is het beter, in dit kamp de gebeurtenissen af te wachten.”Kees gaf nu Petinggi Datoek een wenk. Deze trad naar voren.»Mannen,” zei hij, »onze blanke vriend hier, die ons nog net vroeg genoeg heeft gewaarschuwd, meent het goed met de Kenjaoe-dajaks. Hij heeft medelijden met de arme vrouwen en kinderen, die hier in het bosch in grooten getale sterven. Zijn hart is ziek bij het zien van al die ellende. Hij heeft een plan bedacht, om de Sibaoe’s te bestrijden en ik geloof, dat het een goed plan is.”Zich tot Kees wendende vervolgde hij:»Wilt u het plan nòg eens verklaren, heer? Dan kunnen alle mannen het hooren. Want al is een oorlogsplan goed voor de blanke menschen, het kan wel minder goed zijn voor domme Dajaks. Als u het ons uitlegt, kan iedereen hooren, dat het overeenkomt met de strijdwijze der Dajaks.”»Welnu,” riep Kees,»luistert goed toe. Dan kunt ge allen uw oordeel vormen.Wij zijn met ongeveer honderd en vijftig mannen, van wie de meesten geweren bezitten. De anderen zijn goed bewapend met lansen en mandau’s. Ik stel voor om een paar vlugge jonge mannen vooruit tezenden, die als spionnen moeten gaan verkennen, langs welken weg de Sibaoe’s oprukken. Zoodra we dat precies weten, gaan de mannen, die geweren hebben, langs dien weg in hinderlaag liggen. De anderen stellen zich verdekt op in het bosch en laten den vijand eerst ongemoeid langs zich heen trekken.Zoodra ze nu de hinderlaag genaderd zijn, zal ik, ten teeken van aanval, mijn geweer afschieten. Daarop schieten al de anderen hun geweer ook af en stormen vervolgens met de parang op den vijand in. Als deze dan in verwarring terugtrekt, vallen plotseling de anderen hem aan van uit het bosch en snijden hem den terugweg af. Zoo mòet het dunkt me gelukken, den vijand gevoelige verliezen toe te brengen. Alles komt echter op de verrassing aan. De plek voor de hinderlaag moet dus zorgvuldig gekozen worden.”Er ging onder de Dajaks een algemeen gejuich op. Velen sloegen op hun lansen en schilden. Kees, door deze gunstige gezindheid aangemoedigd, ging voort:»Ge zult een groot aantal koppen buit maken. Uw parangs zult ge versieren met het haar uwer vijanden. We zullen een groot feest vieren, als we terugkeeren!”Een wild geschreeuw steeg op.»Wij willen vechten! Wij willen de koppen der Sibaoe’s!”»Dat is goed, mannen!” riep Kees uit. »Maar dan moet er onmiddellijk worden gehandeld. Dadelijk moeten de verkenners er op uit. Wie biedt zich daartoe aan?”Een aantal jonge mannen trad naar voren. Met behulp van Petinggi Datoek zocht Kees er een viertal uit. Deze kregen nog eenige aanwijzingen en maaktenzich gereed om op staanden voet te vertrekken.Vervolgens wist Kees het stamhoofd te overtuigen, dat het beter was, dat alle strijdbare mannen zich naar Tapang begaven. Vandaar uit konden ze vlugger de te kiezen hinderlaag bereiken. De vrouwen en kinderen konden dan onder bewaking van een klein aantal mannen op den Boekit Seloewa achterblijven.Den volgenden dag vertrok de strijdmacht der Kenjaoe’s naar Tapang. Na een tocht van drie dagen kwam men aldaar aan. Daar men zich vleide met de hoop op eene schitterende overwinning, werd er een feest aangericht, waarbij door een deel der mannen een groote hoeveelheid toewak werd gedronken. De angst van vroeger maakte bijna plaats voor dollen overmoed.Enkele der Dajaks zochten een aantal tawak-tawak1bijeen, die ze wenschten mee te nemen in den strijd. Kees verzette zich hier tegen. Hij was bang, dat deze trommen hen ontijdig zouden verraden. Maar de Kenjaoe’s hielden vol, dat het geluid der trommen hun moed zou verlevendigen en bovendien de antoe’s zou oproepen, om hen te helpen in den strijd. Ten slotte moest Kees er dan ook in berusten.Reeds den volgenden dag kwamen de verkenners melden, dat de bala2der Sibaoe’s naderde en den dag daarop reeds verwacht kon worden uit de richting van een dorp, genaamd Seboeloeh.Onmiddellijk toog Kees met Petinggi Datoek enanderen er op uit, om langs dit pad een geschikte plek voor een hinderlaag te zoeken.Op ongeveer twee uren afstands van Tapang vond men een uitstekende plaats. Het pad was daar smal en omgeven door dicht struikgewas. Heuveltjes in het bosch gaven een mooie gelegenheid om de reserve-afdeeling te verbergen. Deze zou den vijand, wanneer hij in verwarring gebracht was, den genadeslag geven.Toen men de plek goed had vastgesteld, ging een der mannen terug, om de overige Kenjaoe’s te halen. Men zou in de nabijheid der hinderlaag overnachten om vroegtijdig op post te kunnen zijn.Ter plaatse aangekomen, werd de geheele macht in twee afdeelingen gesplitst. De eene afdeeling, hoofdzakelijk met geweren bewapend, legerde zich langs het pad. De andere stelde zich meer in de richting van den vijand op, doch wat dieper in het bosch, achter de heuvels.Allen tintelden van strijdlust. Allen waren bezield met een onwankelbaar vertrouwen op den goeden afloop.Een der strijders werd als verkenner langs het pad vooruit gezonden, om tijdig te kunnen waarschuwen. Hij mocht bij het terugkeeren niet blijven stilstaan bij de hinderlaag; maar moest doorloopen in de richting van Tapang, om de opstelling niet te verraden, indien de Sibaoe’s hem vlak op de hielen volgden.Kees zou het waarschuwingsschot geven, dat het sein voor den algemeenen aanval zou zijn.Marti lag naast Kees in het struikgewas verscholen. Hij was bewapend met de revolver van zijn meesteren bovendien nog met een zware Dajaksche oorlogsparang.De mannen, die de tawak-tawak zouden slaan, hadden zich met hun instrumenten dieper in het bosch opgesteld, om daar gedurende het gevecht ongestoord er op los te kunnen trommelen.Zoo lagen de mannen, geheel gereed voor den komenden strijd, op den vijand te wachten. Doodstil moest men blijven liggen. Geen struik mocht verdacht ritselen; geen woord mocht gesproken worden. Het wachten in deze hinderlaag was een ware geduldproef. Kees had al zijn zelfbeheersching noodig, om rustig op zijn plaats te blijven liggen. Meermalen stond hij op het punt, eens te zien, of de verkenner nog niet terugkeerde. Telkens moest hij zich weer voorhouden, dat het bevredigen van deze verklaarbare nieuwsgierigheid noodlottige gevolgen kon hebben. Zoo wist hij zich ten slotte te bedwingen en bleef onbeweeglijk de wacht houden.Hij wist, dat er veel, ja, dat zijn leven op het spel stond. Het was waar: de Kenjaoe’s hadden veel voordeelen aan hun zijde. Maar het was ook waar, dat de Sibaoe’s ervaren strijders en geduchte vijanden waren.Ook Marti was vervuld van ernstige overpeinzingen. Hij kon het maar niet van zich afzetten, dat hij slechte voorteekenen gezien had, toen ze hun tocht begonnen waren. Die droom van bloed en vuur deed hem nog steeds het ergste vreezen. Dat zijn heer ook zoo eigenzinnig was! Marti kon zich die avontuurlijke dwaasheden van de blanke menschen maar niet indenken!Enkele uren verliepen.Plotseling schrikten de mannen in de hinderlaag op door het geluid van vlugge voetstappen langs het pad. Ieder spande zich in iets te hooren. Scherp spiedde men tusschen de struiken door.... Het was de verkenner, die vlug de opstellingsplaats voorbij liep.In ’t voorbijgaan zei hij:»Ze komen!”Spoedig was hij langs het pad verdwenen. De spanning steeg tot den hoogsten graad. Weldra zouden de geduchte vijanden er zijn.... spoedig zou alles beslist zijn. Nu overwinnen of.... de dood.Kees luisterde ongeduldig in hevige spanning. Nu en dan schrikte hij op. Daar waren ze—neen! toch niet! Herhaaldelijk speelde zijn verbeelding hem parten!Maar hoor!—Wat was dat?Duidelijk hoorde Kees het geluid van menschelijke stemmen. Daar naderden voetstappen! Dáár waren ze! Hij zag de eerste Sibaoe’s. Het hoofddeksel versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel; de borst bedekt met soelauwbaadjes; zwaar bewapend met geweren, lansen en parangs. Niets kwaads vermoedende, liepen de krijgers in groepjes van vijf of zes man langs het pad. Zonder argwaan gingen ze hun verderf tegemoet. Ouder gewoonte rekenden ze er op, dat de Kenjaoe’s diep in de bosschen waren gevlucht.Weldra waren er een veertigtal gepasseerd. Daar zag Kees het hoofd der Sibaoe’s, den valschen Senawa. Hij was in druk gesprek met een reusachtigen Dajak, die vlak achter hem liep.»Het geluk is mij gunstig,” mompelde Kees.Hij legde aan op Senawa. Een schot klonk daverend door het bosch; een salvo van twintig, dertig schoten volgde. Onder woedend gehuil en geschreeuw sprongen de Kenjaoe’s te voorschijn; met opgeheven parangs stormden zij wild op den vijand in. Ook Kees was door de struiken gedrongen, gevolgd door Marti. Senawa was onmiddellijk doodelijk getroffen neergestort. Nu stond hij echter tegenover den reusachtigen Dajak. Met moeite ontweek hij diens geweldige parangslagen. Daar was echter de trouwe Marti naast zijn meester gesprongen en weldra lag de Sibaoe zieltogend ter aarde.Kees had geen gelegenheid gehad naar de andere Kenjaoe’s om te zien. Nu twee dooden aan zijn voeten lagen, keek hij rond. De strijd was al bijna afgeloopen; een groot aantal doode of zwaar gewonde Sibaoe’s lag over het pad verspreid. De aanval was schitterend geslaagd. De Kenjaoe’s hadden met hun vlijmscherpe parangs en lansen onbarmhartig huisgehouden onder de Sibaoe’s, die verschrikt waren door den plotselingen overval.Wel hadden ze spoedig hun tegenwoordigheid van geest teruggekregen en duchtig trachtten ze zich te weren. Hun rijen waren echter te zeer gedund om nog met succes weerstand te bieden.Van uit het bosch klonk intusschen nog steeds het opwindend geroffel der keteltrommen, dat de krijgers tot grooter dapperheid aanspoorde.tegenover den reusachtigen Dajak.tegenover den reusachtigen Dajak.Terwijl het voorste gedeelte van de bala der Sibaoe’s door de Kenjaoe’s werd afgemaakt, haastte de achterhoedezich verschrikt, terug te trekken. Het pad was niet breed en de overhaaste terugtocht veroorzaakte ook hier verwarring. Van dezen toestand maakte de reserve der Kenjaoe’s gebruik, om de overgeblevenen van achteren aan te vallen.Onder leiding van Petinggi Datoek stormden zij te voorschijn. Vol ongeduld hadden zij liggen wachten, tot hùn oogenblik gekomen was. En nu zagen ze hun kans schoon. Het tijdstip was inderdaad gunstig gekozen.Groot was de ontsteltenis onder de Sibaoe’s. Nieuwe drommen vijanden rukten van den tegengestelden kant aan. Voor ze zich herstellen konden van hun ontzetting, waren velen met parang en lans neergeveld; slechts een klein deel, waarvan de meesten nog wonden had bekomen, wist door het struikgewas aan de wraak der Kenjaoe’s te ontkomen.Kees, Marti en een aantal Dajaks, die de vluchtende achterhoede gevolgd waren, kwamen te laat, om nog aan het gevecht deel te nemen; de lichamen van doode en gewonde Sibaoe’s bedekten ook hier den grond.Nu begon een weerzinwekkend tooneel. De Kenjaoe’s begonnen hun gevallen vijanden te snellen. Ook voor gewonden was geen genade.Kees wendde zich vol afgrijzen af. Hij ging terug naar de plaats der eerste hinderlaag; doch ook daar wachtte hem hetzelfde afschuwelijke schouwspel. Ook daar waren de Kenjaoe’s bezig, met hun scherpe wapenen de hoofden der gevallenen van de lichamen te scheiden.Een der Dajaks kwam vroolijk op hem toeloopen, een gesnelde kop omhoog houdend.»Deze is van u, heer! U heeft hem neergeschoten!”Kees herkende het hoofd van Senawa. Huiverend van afschuw wendde hij zich af. Zonder een woord te spreken, verliet hij deze plaats. De Dajak stond verstomd over de eigenaardige manieren van de blanke menschen. Als Kees zijn rechtmatig eigendom dan niet op prijs stelde, dan zou hij het maar behouden.Marti deed niet mede aan het bloedig bedrijf. Toch versierde hij zijn parang met eenige haarlokken. En Kees moest toelaten, dat hij diens wapen ook versierde met een haarlok van Senawa.Het bleek, dat men in ’t geheel ruim een vijftigtal koppen had buitgemaakt. De Kenjaoe’s waren dol van opwinding over zulk een succes. Zelf hadden ze een tiental dooden te betreuren en een twaalftal der hunnen waren gewond.De geheele bala der Kenjaoe’s keerde nu terug naar Tapang. De gewonden werden meegevoerd op ruwe, van takken vervaardigde, draagbaren.Weldra was het overwinningsfeest in vollen gang. De vreugdekreten schalden; de keteltrommen dreunden; het was een oorverdoovend lawaai. Inmiddels zond Petinggi Datoek een paar boodschappers naar den Boekit Seloewa. De vijand was verslagen; nu kon men dus ongehinderd naar de dorpen terugtrekken.Het groote feest in Tapang werd steeds woester. Groote hoeveelheden toewak verhitten de hoofden; steeds wilder en hartstochtelijker werden de krijgsdansen om de op staken geplaatste hoofden der verslagen Sibaoe’s.In deze heidensche vermaken kon Kees geen behagen scheppen. Hij trok zich terug in een der lawangs en probeerde, ondanks het toenemend feestrumoer, wat uit te rusten.En in die afzondering zweefde hem alweer een nieuw plan voor den geest.1keteltrommen.2strijdmacht.XI. Het geheim der Sibaoe-dajaks.Korten tijd, nadat Kees zich teruggetrokken had in één der kamertjes, voegde zich Marti bij hem.»Wel Marti, moet je niet mee feestvieren?”»Neen, heer! ik heb het eens aangezien; maar het bevalt me toch niet meer.”»Dat is goed Marti. Daaruit kan ik zien, dat je geen Dajak meer bent. Heb je ook gehoord, wat de Kenjaoe’s verder van plan zijn?”»De meesten willen na het feest naar huis gaan. Enkelen, waaronder de jonge mannen, willen met alle geweld de Sibaoe’s nog vervolgen.”»Daar dacht ik ook over, Marti. Het is toch eigenlijk jammer, de overgeblevenen ongemoeid te laten ontsnappen. Maar dan moeten we dadelijk op weg. Dan kunnen we ze misschien nog inhalen. Als ze dan nog eens klop krijgen, zullen ze het voorloopig niet weer in hun hoofd halen, een inval in dit land te doen.”»Maar dat ligt toch niet op uw weg, heer?” riep Marti verschrikt. Zou zijn blanke meester dan nooit ophouden het gevaar te zoeken?»Waarom niet? Alles is uitstekend afgeloopen. Ik heb veel lust, nog verder deel te nemen aan dezen oorlog.”»Wij deden verstandiger, om nu eindelijk eens naar huis terug te keeren, heer. Allah heeft ons tot dusverre geholpen; maar we moeten niet moedwillig het gevaar tarten,” sprak Marti ernstig.»Dat is zoo, Marti. Doch er is nog iets anders, dat mijn gedachten bezig houdt.—Als we de Sibaoe’s zoo spoedig mogelijk vervolgen, ontdekken we misschien, op welke geheimzinnige wijze zij telkens in dit land plegen te komen. Indien we dáár achter kwamen, zouden we met de bala een krijgstocht in hun land kunnen wagen. Dat zou een mooie overwinning voor onze vrienden, de Kenjaoe’s, zijn. Bovendien zou ik misschien gelegenheid hebben, nog een appeltje te schillen met dien valschen Amat. En ten slotte zouden de diamanten wellicht toch nog in mijn handen vallen.”»Denkt u nog altijd aan die diamanten, heer? Die heeft Amat waarschijnlijk al lang weggehaald.”»Dat is mogelijk. Maar is hij er ook in geslaagd, het land der Sibaoe’s te verlaten? Dat is de groote vraag. Is hij er nog, dan krijg ik de diamanten.”»Ik vrees, dat u te laat zult komen, heer!” Marti vroeg zich bekommerd af, welke ellende ze nu weer zouden beleven.»Kom,” hernam Kees, »ik ga dadelijk naar Petinggi Datoek, om hem voor te stellen, de Sibaoe’s te vervolgen.”Hij sprong op en verliet de lawang.»Allah helpe ons!” zuchtte Marti: »Dat ontbreekt er nog maar aan.”Petinggi Datoek was echter druk aan ’t feestvieren, en een feestvierende Dajak is er moeilijk toe te brengen, zijn belangstelling aan andere zaken te wijden. Toch gelukte het Kees ten slotte hem even alleen te spreken.Nu bleek echter, dat Petinggi Datoek zelf reeds met andere hoofden over de vervolging der Sibaoe’s had gesproken. Tot hun spijt was echter het grootste gedeelte der mannen tevreden met de overwinning. Petinggi zou daarentegen heel graag een veldtocht ondernemen naar ’t Sibaoe-land. Hij was blij, dat hij een bondgenoot in Kees vond.Beiden begaven ze zich nu tusschen de opgewonden menigte. Het kostte groote moeite, hieruit een aantal bijeen te krijgen voor een vergadering, waar men het nieuwe krijgsplan kon bespreken. Eindelijk kon Kees het woord nemen. Hij begon met een herinnering aan de behaalde zege. Maar hiermee was de taak der Kenjaoe’s niet afgedaan. De antoe’s hadden hen geholpen. Door nieuwe heldendaden moesten zij nu de antoe’s hun dankbaarheid toonen. Dan zouden de antoe’s groote vriendschap voor de Kenjaoe’s gaan koesteren. Ook hadden ze enkele dooden te betreuren. Die mocht men niet ongewroken laten. De Dajaks mochten hun eigen wetten van de bloedwraak niet verachten.Kees eindigde ten slotte:»Gij hebt u heden veel roem verworven. Maar onvergelijkelijk grooter zal uw roem zijn, wanneer gij in het land der Soengei-Sibaoe doordringt. Dan zult gij daar de koppen uwer vijanden uit hun eigen dorpen halen. De naam der Kenjaoe’s zal dan bekend engeëerd worden onder alle Dajakstammen tot ver in Serawak en in het land der groote Batang-Loepars!”Opgewonden juichten de toch al door den feestroes verhitte mannen deze toespraak toe. Onmiddellijk zou men tot de vervolging overgaan.Petinggi Datoek zond eenige vlugge jonge mannen uit. Hun taak was, de Sibaoe’s op te sporen en te blijven volgen; door teekens aan de boomen te kappen zouden ze hun den weg wijzen. De bala kon dan den volgenden dag zonder moeite volgen.Aan de feestvreugde werd nu dadelijk een einde gemaakt, want men moest zich gereedmaken voor een langdurigen tocht.Vele Kenjaoe’s versierden hun rottan hoofddeksels met de veeren, welke eens de Sibaoekoppen hadden getooid. Ze vonden, dat ze er nu veel krijgshaftiger uitzagen.Den volgenden morgen ging men op marsch. Wijselijk besloot men niet alleen op het pad te loopen, doch ook er naast in het bosch. Dan was de kans, om in hinderlaag te vallen, zoo goed als uitgesloten.De dag ging voorbij zonder eenig voorval van belang. Tegen den avond echter hoorde men in de verte de herkenningsroep van een der verspieders. Van den verkenner hoorden ze, dat ze hun vijanden reeds vrij dicht op de hielen zaten. De Sibaoe’s kwamen niet snel vooruit, daar ze een groot aantal gewonden mee moesten voeren. Deze mededeelingen vermeerderden den strijdlust der Kenjaoe’s. Er moest echter halt gehouden worden om te overnachten. In de legerplaats weerklonk nog geruimen tijd het geroezemoesvan opgewonden stemmen. Men prikkelde elkanders verbeelding met fantastische verhalen over te bedrijven heldendaden.Reeds vroeg in den ochtend brak de bala op, om met groote snelheid verder te trekken.Nadat men ruim een uur had geloopen, bleven de voorste Dajaks plotseling staan. Kees spoedde zich naar hun toe en vroeg:»Wat is er? Ziet ge vijanden?”»Neen, heer! doch er is een slecht voorteeken geweest. We kunnen onmogelijk verder trekken.”»Wat was er dan?”»Een kiekendief vloog ons tegemoet, heer. Dat is een zeer ongunstig teeken.”De andere Dajaks, die intusschen naderbij gekomen waren, bespraken het geval in den breede, en zetten bedenkelijke gezichten. Het algemeen gevoelen was, dat het hoogst onvoorzichtig zou zijn, den tocht dadelijk voort te zetten.Kees was wrevelig. Daar zou het geheele plan schipbreuk lijden op die domme bijgeloovigheid. Het was toch al twijfelachtig, of men de Sibaoe’s op tijd zou inhalen. Als de bala zich hier lang ophield, kwam men stellig te laat.Hij wilde de Kenjaoe’s het dwaze van hun vrees duidelijk maken. Maar al zijn redeneerkunst mocht niets baten. Geen Dajak zou den moed bezitten moedwillig een slecht voorteeken te minachten. Er moest eerst weer een goed voorteeken komen. Dan zouden ze verder gaan.Kees zat vol spijtige woede op een boomstamte wachten en verwenschte dat heidensche bijgeloof.Plotseling schoot hem een gelukkige gedachte door ’t hoofd. Hij zou zelf een voorteeken bedenken.Scherp luisterde hij, of hij niet een opvallende vogelstem in het bosch hoorde. Nauwelijks deed zich een eenigszins schel gefluit vernemen, of hij sprong op met teekenen van blijdschap. Hij beval de Dajaks goed toe te luisteren. Deze vroegen hem de beteekenis van het gefluit.»Dat is de waarzeggende vogel der blanken. Die zegt mij, dat het gevaar geweken is en dat we verder kunnen gaan,” zei Kees.De Dajaks vertrouwden de zaak niet erg. Ze maakten eenige tegenwerpingen. Doch toen liet dezelfde vogel weer zijn schrille fluittoon hooren. Nu verklaarde Kees, dat hij na deze waarschuwing niet langer op die plek durfde te blijven. Hij zou dan liever alleen vooruit gaan. De antoe’s zouden hem zeker helpen.Als de blanke man zoo zeker van zijn zaak was, besloten de Dajaks maar te volgen. En zoo zette men den pas er weer in.Gelukkig bleef men gedurende het verdere verloop van den dag bewaard voor zulke ongunstige teekens. Toch leefde Kees onophoudelijk in zorg, dat zich meer dergelijke ongewenschte stoornissen zouden voordoen, die den tocht zeker zouden doen mislukken.Den volgenden dag passeerde de bala de afgebrande woning van een tiental Dajaksche families. Dit was het dorp Seboeloeh, dat door de Sibaoe’s verwoest was. Een paar bewoners van het dorp bevonden zich bij de bala. Het gezicht op hun verbrande bezittingendeed de wraakzucht weer opvlammen, welk gevoel zich aan de andere Kenjaoe’s mededeelde. Tegen den avond vond men twee mannen aan den kant van den weg zitten. Het waren twee der verkenners. Een van hen verscheen onmiddellijk voor Kees en Petinggi Datoek, om verslag van zijn bevindingen te doen.»We hebben de Sibaoe’s voortdurend op den voet gevolgd en hun bewegingen bespied. Ze vermoeden waarschijnlijk niet, dat ze gevolgd worden. Toch schijnen ze voor alle zekerheid maatregelen te nemen; mijn makker, die daar zit, heeft vanmiddag in een randjoe getrapt. Hij kon niet verder gaan. Het voorwerp was daar zeker door de Sibaoe’s neergezet.”»En waar zijn de Sibaoe’s?” vroeg Kees.»Eenige uren voor u uit, heer. Morgen kunt u ze inhalen.”Voorloopig besloot men op deze plek te overnachten en dan den anderen morgen met versnelden pas de vervolging voort te zetten. Toch was voorzichtigheid geboden, want men vond langs het pad verscheidene randjoe’s, scherp aangepunte bamboestokjes, met de punt naar boven in den grond gestoken.Voor hij dien avond in slaap viel, overdacht Kees nog eens het doel van dezen tocht. Was het wel verstandig, de Sibaoe’s den volgenden dag aan te vallen? Dan zouden ze natuurlijk in verschillende richtingen vluchten en zich verbergen in het oerwoud. En dan zou men er zeer moeilijk, misschien in ’t geheel niet, in slagen uit te vorschen, langs welken weg ze in het land der Kenjaoe’s gekomen waren.Zou het niet beter zijn, ze ongemerkt te blijvenachtervolgen? Dan bestond er groote kans op het ontdekken van hun geheimen weg. Dan kon men in hun land doordringen.—Kees zag in zijn verbeelding de diamanten reeds in zijn bezit.Zoodra de dag aanbrak, ging Kees met Petinggi Datoek overleggen.Petinggi verlangde echter naar dappere daden en voelde niet veel voor dat werkeloos volgen van den vijand. Toen Kees hem echter duidelijk maakte, dat hij dan misschien de kans verbeurde, in het stroomgebied der Soengei Sibaoe te komen, begon hij te weifelen.»Denk er eens aan, Petinggi, dat het u volgens mijn krijgsplan misschien gelukken zal, uw mannen in het land van den vijand te voeren. Dat is in geen jaren gebeurd! Als het gelukt, zal het uw naam even beroemd maken als die van Rimaoe, het groote opperhoofd der Kenjaoe’s, waarvan ge mij hebt verteld. Dan zal men over vele jaren ook het heldengraf van Petinggi Datoek kunnen aanwijzen. En uw naam zal met eerbied worden genoemd door vele geslachten.”Dit beroep op de ijdelheid van den Dajak miste zijn uitwerking niet. Petinggi was nu overtuigd van de voortreffelijkheid der wijziging van het veldtochtplan.Zonder overijling werd nu de tocht voortgezet. Door de nasporingen der vooruitgezonden mannen wist men, dat men de Sibaoe’s dicht op de hielen zat. In den loop van dien dag passeerde men het dorp, dat het eerst door de Sibaoe’s overvallen was. Slechts eenige verkoolde palen staken nog omhoog; al het andere was weggebrand. In de nabijheid lagen nog de afschuwelijkverminkte overblijfselen van eenige der vermoorde bewoners. Op dit gezicht laaide de wilde strijdlust weer op; onwillekeurig zou men de tocht in versneld tempo voortzetten, en daardoor de zaak weer bederven. Het kostte Kees moeite, de vechtlustige Dajaks te kalmeeren.Een eind voorbij dit dorp splitste de weg zich. De inkepingen in de boomen wezen echter het goede spoor.In den namiddag hielden de voorste Dajaks plotseling halt. Ze verzamelden zich, luid pratende, om iets, dat op den weg lag. Wat zou er nu weer zijn? Weldra bemerkten Kees en Petinggi Datoek, dat het de lichamen van twee Sibaoe’s waren, maar zonder hoofd.»Onze mannen hebben zeker deze vijanden gesneld,” zei een der Dajaks lachend.»Het zullen gewonden of zieken zijn geweest, die onderweg bezweken zijn,” meende een ander.Later bleek, dat de vooruitgezonden verkenners deze lijken al zonder hoofd hadden gevonden. Vermoedelijk hadden de Sibaoe’s zelf de koppen meegenomen, opdat ze niet in ’s vijands handen zouden vallen.Intusschen naderde men het gebergte. De bodem begon te stijgen en werd rotsachtig. Bij een oude, vervallen ladang, welke men passeerde, hield het pad, dat men tot dusverre had kunnen volgen, plotseling op. Men moest zich nu uitsluitend richten naar enkele teekens en de sporen der Sibaoe’s.Kees begon een gesprek met een der mannen uit het verwoeste dorp in de nabijheid.»Ben je hier bekend?”»Ja, heer, ik heb hier veel gejaagd.”»Hoe ver ging je, om te jagen?”»Tot den voet van het hooggebergte, heer, waar de rotsen steil opstijgen.”»En heb je daar nooit iets opgemerkt, dat op een pad of een weg geleek?”»Nooit, heer! Ik begrijp ook niet waar die Sibaoe’s eigenlijk heen willen. Denkelijk zullen ze morgen voor de rotsen staan, en ons daar in handen vallen.... tenzij ze vliegen kunnen,zooals de oude menschen vertellen.”»Heb jij ooit menschen zien vliegen?”»Neen, heer, maar al heb ik het nooit gezien, daarom zou het toch wel kunnen zijn?”Tegen deze opmerking kon Kees niet veel inbrengen en hij volstond met te zeggen:»We zullen het morgen wel zien.”Dit gesprek was door anderen gedeeltelijk aangehoord. Het zette de verbeelding in vlam en weldra kwamen de tongen weer los. De Sibaoe’s bezaten tooverkrachten. Ze werden door machtige antoe’s geholpen. Ze konden over de bergen vliegen.Kees trachtte die verhalen te ontzenuwen.»Waar de Sibaoe’s langs kunnen, daar kunnen wij ook langs,” zei hij.»We zullen zien, heer! We zullen zien!” zei een bedachtzaam oud man.»Dàt zullen we! Het zal er mee gaan als met het gevecht. Eerst heette het, dat de Kenjaoe’s nooit de Sibaoe’s zouden kunnen verslaan. En toch hebben ze hen verslagen en ze vluchten voor ons uit, zoo hard ze maar kunnen.”»Dat is waar! Dat is waar!” riepen verschillende stemmen.»Laat ons den dag van morgen afwachten. Dan praten we weer!” riep Kees vol vertrouwen.»We zullen ze wel krijgen, heer!” zei een der jongere mannen vroolijk.»Juist! Als de verkenners maar zorgen, dat zij ze geen oogenblik uit het oog verliezen.”Toen de avond viel was de bala reeds dicht aan den voet van het hooggebergte. De grijze rotsmassa’s leken hier al even ontoegankelijk als die van den eigenlijken Goenoeng Lawit. Met beklemming dacht Kees een oogenblik terug aan wat hij daar ondervonden had, waar de kaken des doods hem van alle zijden aangrijnsden. Hier leek het al niet veel beter.Op deze plaats werd een vrij goede gelegenheid voor nachtkwartier gevonden.Den volgenden morgen beklom men een heuvelrug, welke rechtstandig op het gebergte aanliep. Hoe meer men dit naderde, des te beter zag men, dat zich overal loodrechte rotswanden verhieven, die volkomen onbeklimbaar waren.Kees begreep er niets van. Hij werd ongerust. Van de Dajaksche tooververhalen geloofde hij geen woord. Toch vreesde hij voor een raadsel te zullen komen, dat hij misschien niet kon oplossen. Zijn eenige hoop was gevestigd op de handigheid en de slimheid der verkenners. Wanneer deze de Sibaoe’s geen moment uit het oog verloren, bestond er kans, dat ze ook den geheimen weg zouden ontdekken.Plotseling werd hij opgeschrikt door een zacht geroepuit de verte. Petinggi luisterde en herhaalde het onmiddellijk.»Wat is dat, Petinggi?”»Een van onze mannen, heer!”»Zeker bericht over de Sibaoe’s.”»Als het maar goed bericht is, heer!”Een eind verder zat de verkenner verscholen in het struikgewas.De bala hield halt en Kees en Petinggi Datoek begaven zich naar den verkenner.»Wat nieuws?” vroeg Kees haastig.»Slecht nieuws, heer!”»Hoe zoo? Waar zijn de Sibaoe’s?”»Verdwenen, heer! Ze zijn in de lucht verdwenen.”Kees stampte op den grond. Petinggi Datoek stiet een kreet van bijgeloovige angst uit.»Waar zijn de andere verkenners?” vroeg Kees eindelijk.»Die zijn aan den voet der rotsen gebleven, heer. Zij wachten, waar we de Sibaoe’s zagen verdwijnen.”»Heb je ze zien verdwijnen?” vroeg Kees met de grootste verbazing.»Ja, heer; we waren een paar honderd depa1van hen af. Toen verdwenen ze in het kreupelhout aan den voet der rotsen. Na eenigen tijd slopen we vooruit, om te zien waar ze gebleven waren. Maar toen we in het kreupelhout kwamen, was er niets meer te bespeuren.”»En waarheen liepen de sporen?”»Die waren er niet, heer!”»Wàt zeg je? Geen sporen?”Kees schudde het hoofd over de domheid der Dajaks en Petinggi sloeg in de uiterste verbazing de handen ineen.»Er wàren geen sporen, heer!”»Je bazelt, man!” riep Kees driftig.»Neen, heer, ik heb alles goed gezien. In het kreupelhout kon men duidelijk zien, dat de Sibaoe’s daar gestaan en geloopen hadden. Maar er was geen spoor van den verderen weg.”»Dan hebben ze je bedrogen en hun spoor onherkenbaar gemaakt. De Sibaoe’s zijn slimmer dan de Kenjaoe’s. Ze hebben jelui als vrouwen om den tuin geleid.”»Het beste is, dat u zelf eens gaat kijken, heer,” zei de Dajak droogjes.»Dat zal ik doen, en dan zal ik je toonen, dat een blanke beter sporen kan zoeken, dan een Kenjaoe-dajak,” vervolgde Kees, die steeds boozer werd.Petinggi Datoek gaf een teeken aan de bala. Deze naderde en men ging weer vooruit.De Dajaks omringden nu den verkenner. Zij moesten er het hunne van hebben en weldra klonken allerlei uitroepen van schrik, angst en verbazing door de lucht.»Vooruit!” riep Kees, »wijs ons liever den weg. Met oudewijvenpraatjes komen we niet verder.”»Het zijn geen praatjes, heer!” verdedigde zich de Dajak.»Welzeker zijn het praatjes! De Kenjaoe’s zijn oudevrouwen, die gelooven, dat menschen in vogels kunnen veranderen.”»Ik heb u toch gezegd, heer, dat de Sibaoe’s altijd bekend zijn geweest om hun tooverkunsten. U heeft het nooit willen gelooven en nu ziet u het toch,” waagde Petinggi Datoek schuchter op te merken.»Zwijg, Petinggi!” beval Kees op barschen toon. »Ik geloof het niet en zal het nooit gelooven!”Men naderde ondertusschen het kreupelbosch, dat aan den voet der rotsen groeide.»Laat ons hier het hout onderzoeken!” zei Kees terwijl hij het bosch betrad.Slechts zeer enkele Dajaks volgden hem. De meesten bleven beangst en schuw op eenigen afstand staan wachten.In het hout vond Kees de drie andere mannen, die de verklaringen van hun makker geheel bevestigden.»Wijs me de plek, waar ge de Sibaoe’s het laatst gezien hebt.”»Daar ginds, heer, waar u ook het hout is binnengekomen.”»En hier zie ik duidelijk hun sporen,” zei Kees op den bodem wijzende.»Hier nog wel, heer; maar verder op, vlak bij den rotswand, is een open plek. Daar houden de sporen op.”Kees begaf zich naar de aangeduide plek en was weldra druk bezig een vervolg van de sporen te zoeken. Alles tevergeefs. Hij vond niets anders, dan wat de verkenners al hadden medegedeeld. Hier hadden een aantal menschen bijeengestaan. Zij hadden wat heen en weer geloopen, maar er was geen enkele aanwijzing,die aangaf, naar welken kant zij die open plek hadden verlaten.Langzamerhand kwamen er meer Dajaks in het kreupelhout. Ieder zocht, maar niemand vond, wat hij wenschte.Kees was in een buitengewoon slecht humeur. Hij meende op het gezicht der verkenners te lezen, dat ze zich heimelijk verheugden over de onmacht van den blanke. Dit prikkelde hem, te meer, daar hij weer een druk gemompel hoorde over de raadselachtige tooverkunsten der Sibaoe’s. Raadselachtig was de toestand inderdaad. Maar hij zou en hij moest het geheim onthullen. Hij snuffelde de geheele open plek nog eens na en daar hij last had van de Dajaks, beval hij dezen terug te gaan in het hout. Slechts Petinggi Datoek, Marti en één der verkenners hield hij bij zich, om hem zoo noodig te helpen.De vier mannen stelden nu een nauwgezet onderzoek in. Na eenigen tijd kwamen ze tot het besluit, dat er twee soorten sporen waren, namelijk geheel versche, die hoogstens eenige uren oud konden zijn en ook oudere, die niet van de laatste dagen konden zijn.»De nieuwe sporen zijn van vandaag, de oude van verscheidene dagen geleden,” merkte Marti op.»Die zijn van den dag, waarop de Sibaoe’s dit land zijn binnen gevallen,” vooronderstelde Kees.»Dat moet wel, heer, maar waar is hun weg!” riep Petinggi Datoek uit.Marti had intusschen met den anderen Dajak nauwkeurig den bodem onderzocht. Eensklaps riep hij: »Hier is een gat, alsof er een paal heeft gestaan.”Werkelijk was de grond daar ter plaatse losgewoeld.»En hier heeft men de paal langs gesleept,” riep Petinggi Datoek opgewonden.»Dan zijn ze hier langs een paal naar boven geklommen,” zei Kees. »En die ladder hebben ze omhooggetrokken, toen ze allen boven waren. Er is geen andere mogelijkheid,” riep Kees.»Hier is een gat.”»Hier is een gat.”Allen keken opwaarts. Voor hen verhief zich de steile rotswand.»Dat kan niet, heer; de rots is veel te hoog, zulke lange palen zijn er niet,” zei de Dajak.»Neen, het is te hoog,” erkende Kees nadenkend. »En toch is er geen andere mogelijkheid!”Hij trad een eind achteruit om den steilen wand eens goed te bekijken. Nu trof het hem, dat men een deel van den rotswand niet kon overzien. Daar sprong een klip een eind naar voren.Hij wilde niets onbeproefd laten, om het geheim der Sibaoe’s te ontdekken.»Zoek een langen en dunnen boomstam uit en kap dien!” beval hij aan een paar Dajaks. Toen aan zijn verlangen voldaan was, liet hij den stam schuinbij wijzevan ladder tegen den rotswand zetten. Daarna gelastte hij een der Dajaks, om naar boven te klimmen.Nauwelijks had de man het uitstekende gedeelte van de rotsen bereikt, of hij riep:»Hier is een hol!”»Ha, hier hebben we eindelijk de oplossing van het raadsel!” riep Kees opgewonden.Er ontstond nu een geweldig tumult onder de verzamelde Dajaks. Daar moesten ze meer van hebben en de achtergeblevenen snelden toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen.»Tracht door het gat te kruipen!” riep Kees.»Ja, heer, maar het is lastig! het is niet wijd!” Men wachtte eenige oogenblikken vol inspanning. Daar klonk de stem van den Dajak, maar nu van achter de vooruitstekende rotsen:»Het gat loopt verder door. Laat nog een paar mannen hier komen! Ik durf alleen niet verder gaan!”Kees besloot zichzelf op de hoogte te stellen. Hij klom naar boven, gevolgd door een der Dajaks, die inkepingen in het hout maakte om het klimmen voor de anderen gemakkelijker te maken.Boven gekomen zag Kees, dat het gat juist groot genoeg was, om één man kruipend door te laten. Niet zonder moeite gelukte het hem, zich van den boom op de rots te werken en zich daarna door het gat te wringen. Toen hij in het hol doordrong, bemerkte hij, dat dit weldra wijder en hoogerwerd. Na een vijftigtal meters gekropen te hebben, kon hij opstaan en loopende zijn weg vervolgen. Een eind verder vond hij den Dajak, die ’t eerst naar boven was gegaan, op hem wachten.Het was vrij donker in deze onderaardsche ruimte. Toch zag men aan het andere einde de schemering van het licht. Daar moest dus de andere uitgang zijn.Weldra hadden zich nog een tiental mannen bij hen gevoegd. Nu ging men weer verder, om te zien, waar de gang uitkwam. Bij den uitgang zagen ze een diep ravijn voor zich en in de verte overal de steile rotswanden van het Lawit-gebergte. In het fijne zand op den bodem, waarop ze stonden, waren duidelijk de voetsporen der Sibaoe’s afgeteekend.Ten overvloede kwamen eenige Dajaks met een paar tot ruwe ladders bewerkte boomstammen aansleepen, die ze juist in ’t hol hadden gevonden.Nu was de laatste vrees der Kenjaoe’s voor hun oude vijanden geheel verdwenen. Ze zagen in, dat ze zich altijd door de listige Sibaoe’s hadden laten verschalken.Alle tooververhalen bleken nu ineens volkomen onwaar te zijn.Maar hoe waren de Sibaoe’s nu in het ravijn gekomen? Ook dat pad werd weldra ontdekt. Nu begonnen ze naar beneden af te dalen. Gemakkelijk was dat niet; hier en daar moesten de mannen gebruik maken van tegen de rotsen geplaatste boomstammen.Het duurde verscheidene uren voor de bala in zijn geheel in het diepe ravijn was aangekomen. Toen kon men den tocht voortzetten. Het ravijn kronkelde als een holle weg tusschen de hooge en steile rotswanden door. Het leed geen twijfel, of men was op den goeden weg, die rechtstreeks naar het land der Sibaoe’s voerde.De vreugde en de opgewondenheid onder de Kenjaoe’s was groot. Ook Kees uitte zijn blijde tevredenheid; hij kwam meer nader bij zijn doel: de Soengei Sibaoe, waar de schat der diamanten verborgen lag.1vademen.XII. Terug in het land der Sibaoe-dajaks.Door het lange oponthoud van den vorigen dag was men de Sibaoe’s geheel kwijt geraakt. De sporen van hun voetstappen waren echter duidelijk. Men was op den goeden weg.Bizonder snel ging men evenwel niet voorwaarts, daar de bodem van het ravijn oneffen en veelal moeilijk begaanbaar was.»Nu zijn we voor den tweeden keer in het landder Sibaoe’s, Marti!” zei Kees vroolijk tot zijn trouwen reisgezel, die als gewoonlijk vlak bij hem liep.»Ja, heer! maar het is te hopen, dat het beter afloopt.”»Ben je weer beangst, Marti? We zijn nù toch heel sterk. De heele bala der Kenjaoe’s is immers bij ons!”»Maar de Sibaoe’s zijn in hun eigen land sterk genoeg, om den bala te verslaan. Zij kunnen ons ook in een hinderlaag lokken en dan is ’t met ons gedaan.”»Dat is waar, Marti; maar je hebt toch gezien, dat de Sibaoe’s niet de minste moeite hebben gedaan, om hun sporen te verbergen. Ze denken in ’t geheel niet, dat wij hen volgen. Indien ze ons hadden willen verslaan, zouden ze dat heel gemakkelijk hebben kunnen doen in het rotshol. Ze denken zonder twijfel, dat ze veilig zijn en keeren naar hun dorpen terug.”»Het is mogelijk heer; doch ik zou toch liever zien, dat de bala wat voorzichtiger vooruitging. Hier tusschen die rotsen en dat dichte struikgewas kunnen enkele mannen ons reeds geduchte verliezen bezorgen.”»Zeg dat even aan Petinggi Datoek,” raadde Kees.Marti begaf zich naar het hoofd en besprak de zaak met dezen. Hij nam onmiddellijk maatregelen voor meerdere veiligheid en zond enkele verkenners vooruit.Kees liep intusschen weer te denken over andere dingen. Het verlangen, om de diamanten te bezitten, werd, nu hij dichter bij zijn doel kwam, steeds heviger. Hoe zou hij ze in zijn handen krijgen? Had Amat ze niet reeds lang weggehaald? En op welke manier zou hij met den trouweloozen Maleier afrekenen?»Het eenige middel is, een paar Sibaoe’s te ondervragen,” overlei hij in zich zelf. »Maar hoe krijg ikdat gedaan? De Kenjaoe’s maken geen gevangenen. Die snellen onmiddellijk alles wat in hun handen komt. Ik zal er eens met Petinggi over spreken. Die moet mij helpen, om een paar Sibaoe’s levend in handen te krijgen.”Hij wendde zich tot het Dajaksch hoofd: »Zeg Petinggi, weet je nog wel, dat ik het geweest ben, die je aangeraden heb, om den strijd met de Sibaoe’s te aanvaarden?”»Zeker, heer! Uw raad was goed!”»Herinner je je ook, dat ik het was, die volhield dat er een geheime weg moest zijn? En is het zoo niet uitgekomen? En hebben we daardoor den vijand niet kunnen blijven volgen?”»Ja, heer! Ik en alle Kenjaoe’s weten dat, en wij allen zijn u dankbaar. Uw naam zal bekend blijven, zoolang er mannen van onzen stam leven.”Petinggi keek Kees intusschen met klimmende verwondering aan. Wat bedoelde de blanke man met al zijn vragen?»Dat is goed, Petinggi!” zei Kees en vervolgde toen: »Nu wilde ik vragen, of de Kenjaoe’s ook iets voor mij zouden willen doen.”»Natuurlijk, heer! als het in onze macht ligt.”»O, het is heel gemakkelijk, Petinggi!”»Dan zal het gebeuren, heer!”»Welnu, Petinggi, je weet, dat ik vroeger ook al in dit land geweest ben. Het was mijn doel te zoeken naar de Soengei Tekoeng. Het is je bekend, dat ik toen mijn doel niet bereikt heb. Ik moest vluchten voor de verraderlijke plannen der Sibaoe’s. Nu benik weer terug in dit land en ik wilde gaarne mijn oorspronkelijk plan uitvoeren. Maar ik weet hier den weg niet. Ook wil ik berichten inwinnen omtrent den Maleier Amat, die mij verraden heeft, zooals je weet.”»Hij moet zijn straf hebben!” riep de Dajak.»Juist! Maar daartoe is noodig, dat ik een paar Sibaoe’s kan ondervragen. Die alleen kunnen mij helpen.”»Dat begrijp ik, heer! Maar wat is nu uw wensch?”»Mijn wensch is, dat de Kenjaoe’s een paar Sibaoe’s sparen, indien wij in gevecht komen, en dat ze de gevangenen aan mij afstaan.”»O, dat is goed, heer! Die kunt u krijgen! Wij krijgen koppen genoeg, als we de huizen overvallen. U kunt wel een paar Sibaoe’s krijgen. Bovendien kunnen we ze later altijd nog snellen.”»Neen, Petinggi, dat wil ik niet! Het is mijn bedoeling, die menschen geheel voor mij zelf te houden. En als ze mij goede diensten bewijzen, geef ik ze de vrijheid terug.”De Dajak zette een verwonderd gezicht. Dat was zeker weer een zonderlinge gewoonte van de blanken; koppen te kunnen krijgen en ze toch niet snellen. Het was vreemd!Petinggi hield echter zijn opmerkingen voor zich en zei alleen:»Zooals u wilt, heer! Wij zijn u veel dank verschuldigd en zullen doen, wat u verlangt. Ik zal aan de Kenjaoe’s zeggen, dat ze degenen, die levend in onze handen vallen, moeten sparen. Dan kunt u die menschen ondervragen. Die u dan gebruiken kunt, mag u houden.”»Goed zoo!” riep Kees tevreden.Eenigen tijd liepen ze zwijgend verder. Toen vroeg Petinggi Datoek plotseling:»Wat wilt u toch eigenlijk zoeken bij die Soengei Tekoeng?”»Dat kan ik je niet zeggen, Petinggi! Het is een geheim en niet eens van me zelf, doch van een ander, zoodat ik er zeker niet over spreken mag.”»Dat is zoo, heer,” zei de Dajak en vervolgde toen droogjes:»Meestal is het de blanke menschen, die zoo diep in het land der Dajaks doordringen, te doen om het gele goud, of om de kleine, witte, glinsterende steentjes in de rivieren. Maar u zult ongetwijfeld wel een ander doel hebben.”Half nieuwsgierig, half spottend keek hij Kees van terzijde aan.»Laat het genoeg zijn, Petinggi!” zei Kees, lichtelijk verstoord.Alsof hij dat niet bemerkte, vervolgde de Dajak:»Wij, Dajaks, dragen geen diamanten. Die brengen altijd ongeluk. Ons volksgeloof zegt, dat het gestolde tranen zijn van een godin, die heel lang geleden op aarde leefde, en die, volgens de verhalen, veel verdriet heeft gehad.”Kees achtte het verstandig, op deze en andere opmerkingen het zwijgen te bewaren, ten einde niets van zijn plannen te laten blijken.Men had den geheelen dag noodig om door het gebergte te trekken. Van de Sibaoe’s bemerkte men niets anders dan de sporen, welke ze hadden achtergelaten op den bodem.Den volgenden dag wezen verschillende kenteekenen er op, dat men bewoonde streken naderde. Men vond een oud voetpad. Hier hadden jagers springlansen opgesteld, om groot wild te verschalken. Groote voorzichtigheid was soms noodig, om niet door deze lansen in de beenen getroffen te worden.Het pad werd steeds beter en vertoonde meer sporen van gebruik. In den namiddag kwam de bala op een punt, waar de weg zich splitste. De vooruitgezonden verkenners hadden echter door teekens in de boomen aangegeven, welke der beide paden men moest volgen. Eenigen tijd later ontdekten de voorste mannen een ladang, waarop men echter geen teeken van leven bespeurde. Verder op werd echter een huis waargenomen. Zeer voorzichtig, verborgen door het bosch, trachtte men deze woning te naderen Nu zag men een klein dorp op een open, vrij hoogen heuvel.»We kunnen dit huis niet naderenzonder ontdektte worden,” zei Kees.»Neen, heer! We moeten ons in het bosch verschuilen tot den nanacht en dan het huis omsingelen.”Weldra was de geheele bala in het struikgewas verdwenen. Niets duidde het vreeselijk gevaar aan, dat den dorpelingen zoo onmiddellijk bedreigde.Scherp werd dien nacht de wacht gehouden. Niemand sliep. Ieder verkeerde in spanning en luisterde scherp, of zich geen verdachte geruchten deden hooren. Er bestond in dit vreemde land altijd kans, ontdekt te worden.Te middernacht schrokken ze plotseling op door het gejank van een hond in de richting van het huis.»We zijn ontdekt!” fluisterde Kees tot Petinggi.»Ik geloof het niet, heer! De wind is hierheen; die hond kan ons niet geroken hebben.”Kort daarop zweeg het gejank en ofschoon de Dajaks lang luisterden, bleek Petinggi gelijk te hebben gehad. Enkele uren na middernacht achtte het hoofd den tijd gekomen, om aan te vallen.Voorzichtig sloop men tot den rand van het bosch. Daar lag het open terrein. Flauw begon de schemering de oosterkim te kleuren. Het was dus hoog tijd. Een twintigtal mannen schoof als slangen langs den grond naar het huis toe. De anderen verspreidden zich in kleine groepjes langs den boschrand om zoo de open plek geheel te omsingelen.Kees stond in de nabijheid van het bosch en kon alles goed overzien.Een tiental mannen kroop onder het huis. De anderen stelden zich bij de ingangen op. Plotseling gaf één der mannen een schreeuw. Zij, die onder het huis stonden, staken met hun scherpe lansen door den uit latten bestaanden vloer, waarop de slapende bewoners lagen. Onmiddellijk klonk een hevig gekerm en geschreeuw uit het huis, dat weldra werd overstemd door het oorlogsgehuil der Kenjaoe’s, die nu wisten, dat hun toeleg gelukt was.Daar stoof een Sibaoe met een parang in de hand de ladder af. Hij had den grond nog niet bereikt, of hij stortte door een speerstoot getroffenlevenloos neer. Een oogenblik later volgden aan de beide uitgangen nog een drietal mannen en een vrouw. Ook deze werden opgevangen door hun moordenaars en lagen weldra ontzield ter aarde.In het huis klonk nog gekerm en geschreeuw en de Kenjaoe’s onder de woning beijverden zich, de ongelukkigen, die volmaakt weerloos waren, met lanssteken af te maken.Tenslotte stormden een paar aanvallers de ladders op en betraden het huis om in de lawangs hun bloedig bedrijf te voltooien. In een oogwenk was alles afgeloopen en onmiddellijk daarop werden alle slachtoffers gesneld.Kees was ondertusschen genaderd. Hem ergerde deze gruwelijke moordpartij en hij kon zijn afgrijzen niet bedwingen.»Vindt u ’t niet goed, heer?” vroeg een der Dajaks, die zag, hoe ontdaan Kees was.»Neen, zoo’n moord op slapende menschen kan ik niet goedkeuren. Aan een eerlijk gevecht doe ik zelf graag mee; maar dit vind ik afschuwelijk.”»U moet niet vergeten, dat de Sibaoe’s altijd gewoon waren, onze dorpen op deze manier uit te moorden! We hebben dus geen enkele reden, hen te sparen. En bovendien: koppen zijn koppen, heer. Of ze van vrouwen, kinderen of mannen zijn, dat doet er niet toe. De antoe’s zijn er tevreden mee en aan de bloedwraak is voldaan,” antwoordde de Dajak.Kees kon er niet veel tegen in brengen. Dajaks zijn nu eenmaal Dajaks. Zij redeneeren niet volgens de begrippen der blanken.Plotseling schoot hem te binnen, dat hij geen gevangenen gezien had. Vermoedelijk hadden de Kenjaoe’s in hun wraakzucht niet aan hun belofte gedacht. Verstoord ging hij naar Petinggi en vroeg:»Heeft men nu enkele der mannen voor mij gespaard, zooals afgesproken was?”De Dajak schrok en riep beschaamd uit:»Neen, heer! Dat hebben we vergeten. U moet niet denken, dat de Kenjaoe’s ondankbaar zijn; doch het genot, eindelijk eens wraak te kunnen nemen, doet ons alles vergeten.”»Dus krijg ik geen gevangenen?” vroeg Kees scherp.»Den volgenden keer zult u ze hebben! Ik sta er voor in, heer!”»Ik moet het eerst zien, voor ik het geloof, Petinggi!”»U heeft het recht zoo te spreken, heer!”Kees verwijderde zich, doch nam zich voor, zelf voor gevangenen te zorgen, door zich met Marti in den strijd te mengen. Toen de bala verder trok, bemerkte Kees, dat de Dajaks het uitgemoorde dorp in brand hadden gestoken. Luid klonk het gebrul der vlammen. Ze vonden een gemakkelijk voedsel in de hoogst brandbare materialen, waarvan een Dajaksch huis is opgetrokken. Tusschen het geloei der vlammen klonken hevige knallen als kanonschoten door het springen der dikke bamboegeledingen. Het was een helsch lawaai.Een dichte rookwolk dreef over het bosch.»Het is zeer dom, dit huis te verbranden. Die rookwolk kan ons verraden,” zei Kees tot Petinggi.»Dat is wel zoo, heer! Maar we moeten de huizen der Sibaoe’s verbranden. Ze hebben de onze ook verbrand.”»Doe het dan liever op den terugweg; dan levert het minder gevaar op. Bovendien kunnen we er dan in slapen. Dat is beter, dan altijd in het bosch te overnachten.”De Dajak schrok.»Dat kan niet, heer! We kunnen niet slapen in huizen, waar de gedoode Sibaoe’s in hebben gelegen. De antoe’s zouden ons dat niet toestaan.”Een dichte rookwolk dreef over het bosch.Een dichte rookwolk dreef over het bosch.Het was vruchteloos hier iets tegen in te brengen. Voor de zooveelste maal verwenschte Kees de bijgeloovigheid der Dajaks.Langzaam en voorzichtig trok de bala verder. In den middag trok men voorbij een ladang waaropeen huisje stond, dat echter geheel verlaten bleek.Tegen den avond echter ontdekten de verkenners een groote ladang. Toen men deze was omgetrokken, zag men het dak van een groot huis boven het geboomte uitsteken. Op dezelfde wijze als den vorigen avond werd de bala in het bosch verdekt opgesteld. Ook nu wilde men onder begunstiging van de duisternis het huis besluipen. Dit dorp was echter veel grooter, zoodat er heel wat meer mannen onder het paalwerk moesten kruipen. Dat ging nu minder vlot, want onder de woning waren varkensstallen afgeschut, waarin een groote menigte krulstaarten verblijf hield. Enkele van de opgeschikte dieren begonnen te knorren. Onmiddellijk klonk er een woedend hondengeblaf uit de woning. Daar binnen was in een oogwenk alles in rep en roer. Vrouwen en kinderen gilden; dreigende mannenstemmen brulden van woede. Weldra sprongen een aantal goed gewapende Sibaoe’s door de uitgangen aan het eind en door openingen in de zijwanden naar buiten.Een hevig gevecht volgde en van alle zijden snelden de Kenjaoe’s toe. Dat was hoog tijd, want zij, die vooruit gegaan waren, kregen het geducht te kwaad.Nu echter was de overmacht te groot en de Sibaoe’s werden overwonnen. Verscheidene bewoners van het huis hadden in de verwarring weten te ontsnappen en waren in het bosch gevlucht. De Kenjaoe’s zelf hadden ook verliezen geleden; eenige hunner waren gedood en ook enkelen gewond.Bij het begin van het gevecht had Kees zich met behulp van Marti meester gemaakt van een der Sibaoe’s. Ze ontwapenden hem en hielden hem stevig vast, totdatde strijd beslist was. Tot groot genoegen van Kees kwam ook Petinggi Datoek met een gevangene bij hem.»In het huis ligternog een vastgebonden, heer!” zei de Dajak, zeer voldaan, dat hij nu woord had kunnen houden.Kees prees hem en vervolgde:»Mooi, nu heb ik er drie!”»Misschien kunt u van deze mannen alles vernemen, wat u weten wilt.”»Ik hoop het. Laat een paar mannen de gevangenen stevig binden en voor mij bewaken. Dan wil ik ze straks ondervragen.”»Ik zal er voor zorgen, heer!”De Dajak verwijderde zich, om aan het verzoek te voldoen.Weldra waren de drie Sibaoe’s behoorlijk verzekerd en zaten voor Kees op den grond. Zelf nam hij op een boomstam plaats.De menschen verkeerden in grooten angst en verwonderden zich waarschijnlijk, dat hun hoofd nog tusschen de schouders stond.»Wees niet bevreesd! Ik ben een blanke en zal je niet dooden. Ge hebt alleen op al mijn vragen te antwoorden. Als ge juiste antwoorden geeft, zal ik u verder beschermen en misschien wel geheel vrij laten.”De Sibaoe’s zeiden niets. Uit hun oogen sprak echter duidelijk wantrouwen in de bedoelingen van den blanken man. Ze konden zich niet voorstellen, dat deze hen zou laten leven. Was dat misschien nog niet veel erger? Zouden ze niet gemarteld en gepijnigd worden? Dan verkozen ze nog liever een snellen dood!»Hebt ge mij verstaan en goed begrepen?” vroeg Kees, hen één voor één in de oogen ziende.De mannen knikten.»Welnu, luistert dan! Hoe heet dit dorp?”»Seboedoet, heer!” antwoordde een der mannen.»Welk water drinken de menschen van Seboedoet?”»Het water van de Soengei Pejang, heer!”Kees had moeite zijn vreugde te verbergen, toen hij dezen naam hoorde.»De Soengei Pejang is een zijrivier van de Soengei Sibaoe, nietwaar?”»Ja, heer.”»Kent ge een tak van de Pejang, die de Soengei Tekoeng heet?”»Die kennen we, heer.”»Is dat hier ver vandaan?”»Neen, heer; één dag de rivier op ligt de monding van de Tekoeng.”Kees trilde van opwinding, doch het was noodig dat hij zich beheerschte.»Dus, gijlieden kunt mij daarheen den weg wijzen?”»Ja, heer, ik heb daar vaak gevischt,” zei één der gevangenen.»Is hier wel eens meer een blanke geweest?” De Dajaks zwegen op deze vraag, doch keken elkaar tersluiks even aan.»Denk aan mijn woorden! Alleen indien ge naar waarheid antwoordt op mijn vragen, kunt ge op mijn hulp rekenen. Anders lever ik u over aan de Kenjaoe’s!”Dit dreigement was voldoende om de menschen weer aan ’t praten te krijgen.»Een paar rijstoogsten geleden is hier ook een blanke geweest. Hij zwierf hier het land rond; niemand wist, wat hij deed. Slechts een paar onzer mannen vergezelden hem als dragers. Op zekeren dag bemerkten deze, dat hij diamanten zocht. Dat brengt ongeluk en daarom wilden de mannen hem niet verder volgen. Wat er met hem gebeurd is, weet ik niet. De dragers zeiden, dat hij in den nacht verdwenen was. Doch wij geloofden het niet. Vermoedelijk hebben ze hem gedood, om de antoe’s te bevredigen. Daar het een blanke was, durfden ze dat waarschijnlijk niet vertellen.”»En waar zou dat gebeurd zijn?”»Aan de Soengei Tekoeng, heer,” was het aarzelend bescheid.»Die man was een vriend van mij en ik kom berichten omtrent hem inwinnen,” vervolgde Kees.»Komt u om zijn dood te wreken, heer?”»Het is nog niet zeker, dat hij dood is. Nu wil ik nog weten, of ge een Maleier, Amat genaamd, hebt gezien.”»Ja, heer; die is hier kort geleden geweest. Hij heeft één nacht in Seboedoet geslapen en is toen weer verder gereisd.”»Was hij alleen?”»Hij had één drager bij zich; een man uit Metoedjoe.”»En is die niet teruggekeerd? Heeft hij niet gezegd, waar hij heenging?”»Neen, heer; hij is in de richting van het hooggebergte gegaan en we hebben hem niet teruggezien.”»Het is goed. Voorloopig blijven jelui mijn gevangenen. Tracht niet te ontvluchten; want dan wordt ge gedood.”Kees stond op en begaf zich naar de bala. Deze maakte zich reeds gereed om te vertrekken, na het huis weer in brand te hebben gestoken.»Petinggi, laat de mannen nog een oogenblik wachten. Ik moet met je praten.”Petinggi volgde.Intusschen stond het dorp Seboedoet in lichte laaie. De vlammen gierden met rosse tongen omhoog en verkondigden de zegepraal der Kenjaoe-dajaks.

X. De hinderlaag.Weldra verzamelden de mannen zich op de aangegeven plaats. Ook vele vrouwen hadden zich bij hen gevoegd, nieuwsgierig om te hooren, wat er gezegd zou worden.Toen de vergadering genoegzaam voltallig was, trad Kees naar voren en sprak:»Mannen van de Kenjaoe! Ge hebt allen het verhaal gehoord der vluchtelingen, die tot ons gekomenzijn. De Sibaoe’s hebben hun vrouwen en kinderen gedood. Ook vele mannen zijn reeds onder hun slagen bezweken. De hoofden der vermoorden dienen nu als zegeteekenen voor uwe vijanden. Vermoedelijk trekken deze nu op naar de andere dorpen. Menschen zullen ze daar nu wel niet meer vinden. Deze zijn gewaarschuwd en gevlucht. Doch dan zullen ze hun wraak koelen aan uw huizen en aan uw vee. Over eenigen tijd, als uw vijanden het land verlaten hebben, zult gij naar uw dorpen terug willen keeren. Dan vindt ge uw ladangs verwoest, uw woningen verbrand, uw varkens geroofd. Wilt ge dit toelaten?”Een dof gemompel ging op uit de rijen der mannen.»Ik heb gehoord, dat het aantal der Sibaoe’s slechts een honderdtal bedraagt. En hier zijn wel meer dan honderd en vijftig goed weerbare mannen. Indien ge wilt, zouden we den strijd kunnen wagen. Wanneer het ons gelukt, de Sibaoe’s te verslaan, zouden uwe bezittingen gespaard blijven. En tevens zoudt gij wraak kunnen nemen voor den hoon, dien zij u hebben aangedaan. Of wilt ge u hier liever als laffe vrouwen, blijven verstoppen en uw parangs en lansen laten rusten?”Weer klonk een dreigend gemompel.Kees vervolgde met vuur:»Laat ons vechten, mannen! De antoe’s helpen ons, als we maar dapper strijden! Wat zeggen de mannen van de Kenjaoe nu?”Een druk gepraat ging door de rijen. Enkele jonge mannen stieten oorlogskreten uit. Anderen sloegen op hun schilden. De meesten echter wachtten met ingespannenverwachting, wat de oudsten en hoofden zouden zeggen.Een der oudere mannen stond op en nam het woord:»Hoe zullen wij ooit kunnen vechten tegen de Sibaoe’s? Zij zijn veel behendiger in den strijd dan wij. Zij beschikken over allerlei tooverkunsten. Zij hebben machtiger antoe’s. Naar mijn meening is het beter, in dit kamp de gebeurtenissen af te wachten.”Kees gaf nu Petinggi Datoek een wenk. Deze trad naar voren.»Mannen,” zei hij, »onze blanke vriend hier, die ons nog net vroeg genoeg heeft gewaarschuwd, meent het goed met de Kenjaoe-dajaks. Hij heeft medelijden met de arme vrouwen en kinderen, die hier in het bosch in grooten getale sterven. Zijn hart is ziek bij het zien van al die ellende. Hij heeft een plan bedacht, om de Sibaoe’s te bestrijden en ik geloof, dat het een goed plan is.”Zich tot Kees wendende vervolgde hij:»Wilt u het plan nòg eens verklaren, heer? Dan kunnen alle mannen het hooren. Want al is een oorlogsplan goed voor de blanke menschen, het kan wel minder goed zijn voor domme Dajaks. Als u het ons uitlegt, kan iedereen hooren, dat het overeenkomt met de strijdwijze der Dajaks.”»Welnu,” riep Kees,»luistert goed toe. Dan kunt ge allen uw oordeel vormen.Wij zijn met ongeveer honderd en vijftig mannen, van wie de meesten geweren bezitten. De anderen zijn goed bewapend met lansen en mandau’s. Ik stel voor om een paar vlugge jonge mannen vooruit tezenden, die als spionnen moeten gaan verkennen, langs welken weg de Sibaoe’s oprukken. Zoodra we dat precies weten, gaan de mannen, die geweren hebben, langs dien weg in hinderlaag liggen. De anderen stellen zich verdekt op in het bosch en laten den vijand eerst ongemoeid langs zich heen trekken.Zoodra ze nu de hinderlaag genaderd zijn, zal ik, ten teeken van aanval, mijn geweer afschieten. Daarop schieten al de anderen hun geweer ook af en stormen vervolgens met de parang op den vijand in. Als deze dan in verwarring terugtrekt, vallen plotseling de anderen hem aan van uit het bosch en snijden hem den terugweg af. Zoo mòet het dunkt me gelukken, den vijand gevoelige verliezen toe te brengen. Alles komt echter op de verrassing aan. De plek voor de hinderlaag moet dus zorgvuldig gekozen worden.”Er ging onder de Dajaks een algemeen gejuich op. Velen sloegen op hun lansen en schilden. Kees, door deze gunstige gezindheid aangemoedigd, ging voort:»Ge zult een groot aantal koppen buit maken. Uw parangs zult ge versieren met het haar uwer vijanden. We zullen een groot feest vieren, als we terugkeeren!”Een wild geschreeuw steeg op.»Wij willen vechten! Wij willen de koppen der Sibaoe’s!”»Dat is goed, mannen!” riep Kees uit. »Maar dan moet er onmiddellijk worden gehandeld. Dadelijk moeten de verkenners er op uit. Wie biedt zich daartoe aan?”Een aantal jonge mannen trad naar voren. Met behulp van Petinggi Datoek zocht Kees er een viertal uit. Deze kregen nog eenige aanwijzingen en maaktenzich gereed om op staanden voet te vertrekken.Vervolgens wist Kees het stamhoofd te overtuigen, dat het beter was, dat alle strijdbare mannen zich naar Tapang begaven. Vandaar uit konden ze vlugger de te kiezen hinderlaag bereiken. De vrouwen en kinderen konden dan onder bewaking van een klein aantal mannen op den Boekit Seloewa achterblijven.Den volgenden dag vertrok de strijdmacht der Kenjaoe’s naar Tapang. Na een tocht van drie dagen kwam men aldaar aan. Daar men zich vleide met de hoop op eene schitterende overwinning, werd er een feest aangericht, waarbij door een deel der mannen een groote hoeveelheid toewak werd gedronken. De angst van vroeger maakte bijna plaats voor dollen overmoed.Enkele der Dajaks zochten een aantal tawak-tawak1bijeen, die ze wenschten mee te nemen in den strijd. Kees verzette zich hier tegen. Hij was bang, dat deze trommen hen ontijdig zouden verraden. Maar de Kenjaoe’s hielden vol, dat het geluid der trommen hun moed zou verlevendigen en bovendien de antoe’s zou oproepen, om hen te helpen in den strijd. Ten slotte moest Kees er dan ook in berusten.Reeds den volgenden dag kwamen de verkenners melden, dat de bala2der Sibaoe’s naderde en den dag daarop reeds verwacht kon worden uit de richting van een dorp, genaamd Seboeloeh.Onmiddellijk toog Kees met Petinggi Datoek enanderen er op uit, om langs dit pad een geschikte plek voor een hinderlaag te zoeken.Op ongeveer twee uren afstands van Tapang vond men een uitstekende plaats. Het pad was daar smal en omgeven door dicht struikgewas. Heuveltjes in het bosch gaven een mooie gelegenheid om de reserve-afdeeling te verbergen. Deze zou den vijand, wanneer hij in verwarring gebracht was, den genadeslag geven.Toen men de plek goed had vastgesteld, ging een der mannen terug, om de overige Kenjaoe’s te halen. Men zou in de nabijheid der hinderlaag overnachten om vroegtijdig op post te kunnen zijn.Ter plaatse aangekomen, werd de geheele macht in twee afdeelingen gesplitst. De eene afdeeling, hoofdzakelijk met geweren bewapend, legerde zich langs het pad. De andere stelde zich meer in de richting van den vijand op, doch wat dieper in het bosch, achter de heuvels.Allen tintelden van strijdlust. Allen waren bezield met een onwankelbaar vertrouwen op den goeden afloop.Een der strijders werd als verkenner langs het pad vooruit gezonden, om tijdig te kunnen waarschuwen. Hij mocht bij het terugkeeren niet blijven stilstaan bij de hinderlaag; maar moest doorloopen in de richting van Tapang, om de opstelling niet te verraden, indien de Sibaoe’s hem vlak op de hielen volgden.Kees zou het waarschuwingsschot geven, dat het sein voor den algemeenen aanval zou zijn.Marti lag naast Kees in het struikgewas verscholen. Hij was bewapend met de revolver van zijn meesteren bovendien nog met een zware Dajaksche oorlogsparang.De mannen, die de tawak-tawak zouden slaan, hadden zich met hun instrumenten dieper in het bosch opgesteld, om daar gedurende het gevecht ongestoord er op los te kunnen trommelen.Zoo lagen de mannen, geheel gereed voor den komenden strijd, op den vijand te wachten. Doodstil moest men blijven liggen. Geen struik mocht verdacht ritselen; geen woord mocht gesproken worden. Het wachten in deze hinderlaag was een ware geduldproef. Kees had al zijn zelfbeheersching noodig, om rustig op zijn plaats te blijven liggen. Meermalen stond hij op het punt, eens te zien, of de verkenner nog niet terugkeerde. Telkens moest hij zich weer voorhouden, dat het bevredigen van deze verklaarbare nieuwsgierigheid noodlottige gevolgen kon hebben. Zoo wist hij zich ten slotte te bedwingen en bleef onbeweeglijk de wacht houden.Hij wist, dat er veel, ja, dat zijn leven op het spel stond. Het was waar: de Kenjaoe’s hadden veel voordeelen aan hun zijde. Maar het was ook waar, dat de Sibaoe’s ervaren strijders en geduchte vijanden waren.Ook Marti was vervuld van ernstige overpeinzingen. Hij kon het maar niet van zich afzetten, dat hij slechte voorteekenen gezien had, toen ze hun tocht begonnen waren. Die droom van bloed en vuur deed hem nog steeds het ergste vreezen. Dat zijn heer ook zoo eigenzinnig was! Marti kon zich die avontuurlijke dwaasheden van de blanke menschen maar niet indenken!Enkele uren verliepen.Plotseling schrikten de mannen in de hinderlaag op door het geluid van vlugge voetstappen langs het pad. Ieder spande zich in iets te hooren. Scherp spiedde men tusschen de struiken door.... Het was de verkenner, die vlug de opstellingsplaats voorbij liep.In ’t voorbijgaan zei hij:»Ze komen!”Spoedig was hij langs het pad verdwenen. De spanning steeg tot den hoogsten graad. Weldra zouden de geduchte vijanden er zijn.... spoedig zou alles beslist zijn. Nu overwinnen of.... de dood.Kees luisterde ongeduldig in hevige spanning. Nu en dan schrikte hij op. Daar waren ze—neen! toch niet! Herhaaldelijk speelde zijn verbeelding hem parten!Maar hoor!—Wat was dat?Duidelijk hoorde Kees het geluid van menschelijke stemmen. Daar naderden voetstappen! Dáár waren ze! Hij zag de eerste Sibaoe’s. Het hoofddeksel versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel; de borst bedekt met soelauwbaadjes; zwaar bewapend met geweren, lansen en parangs. Niets kwaads vermoedende, liepen de krijgers in groepjes van vijf of zes man langs het pad. Zonder argwaan gingen ze hun verderf tegemoet. Ouder gewoonte rekenden ze er op, dat de Kenjaoe’s diep in de bosschen waren gevlucht.Weldra waren er een veertigtal gepasseerd. Daar zag Kees het hoofd der Sibaoe’s, den valschen Senawa. Hij was in druk gesprek met een reusachtigen Dajak, die vlak achter hem liep.»Het geluk is mij gunstig,” mompelde Kees.Hij legde aan op Senawa. Een schot klonk daverend door het bosch; een salvo van twintig, dertig schoten volgde. Onder woedend gehuil en geschreeuw sprongen de Kenjaoe’s te voorschijn; met opgeheven parangs stormden zij wild op den vijand in. Ook Kees was door de struiken gedrongen, gevolgd door Marti. Senawa was onmiddellijk doodelijk getroffen neergestort. Nu stond hij echter tegenover den reusachtigen Dajak. Met moeite ontweek hij diens geweldige parangslagen. Daar was echter de trouwe Marti naast zijn meester gesprongen en weldra lag de Sibaoe zieltogend ter aarde.Kees had geen gelegenheid gehad naar de andere Kenjaoe’s om te zien. Nu twee dooden aan zijn voeten lagen, keek hij rond. De strijd was al bijna afgeloopen; een groot aantal doode of zwaar gewonde Sibaoe’s lag over het pad verspreid. De aanval was schitterend geslaagd. De Kenjaoe’s hadden met hun vlijmscherpe parangs en lansen onbarmhartig huisgehouden onder de Sibaoe’s, die verschrikt waren door den plotselingen overval.Wel hadden ze spoedig hun tegenwoordigheid van geest teruggekregen en duchtig trachtten ze zich te weren. Hun rijen waren echter te zeer gedund om nog met succes weerstand te bieden.Van uit het bosch klonk intusschen nog steeds het opwindend geroffel der keteltrommen, dat de krijgers tot grooter dapperheid aanspoorde.tegenover den reusachtigen Dajak.tegenover den reusachtigen Dajak.Terwijl het voorste gedeelte van de bala der Sibaoe’s door de Kenjaoe’s werd afgemaakt, haastte de achterhoedezich verschrikt, terug te trekken. Het pad was niet breed en de overhaaste terugtocht veroorzaakte ook hier verwarring. Van dezen toestand maakte de reserve der Kenjaoe’s gebruik, om de overgeblevenen van achteren aan te vallen.Onder leiding van Petinggi Datoek stormden zij te voorschijn. Vol ongeduld hadden zij liggen wachten, tot hùn oogenblik gekomen was. En nu zagen ze hun kans schoon. Het tijdstip was inderdaad gunstig gekozen.Groot was de ontsteltenis onder de Sibaoe’s. Nieuwe drommen vijanden rukten van den tegengestelden kant aan. Voor ze zich herstellen konden van hun ontzetting, waren velen met parang en lans neergeveld; slechts een klein deel, waarvan de meesten nog wonden had bekomen, wist door het struikgewas aan de wraak der Kenjaoe’s te ontkomen.Kees, Marti en een aantal Dajaks, die de vluchtende achterhoede gevolgd waren, kwamen te laat, om nog aan het gevecht deel te nemen; de lichamen van doode en gewonde Sibaoe’s bedekten ook hier den grond.Nu begon een weerzinwekkend tooneel. De Kenjaoe’s begonnen hun gevallen vijanden te snellen. Ook voor gewonden was geen genade.Kees wendde zich vol afgrijzen af. Hij ging terug naar de plaats der eerste hinderlaag; doch ook daar wachtte hem hetzelfde afschuwelijke schouwspel. Ook daar waren de Kenjaoe’s bezig, met hun scherpe wapenen de hoofden der gevallenen van de lichamen te scheiden.Een der Dajaks kwam vroolijk op hem toeloopen, een gesnelde kop omhoog houdend.»Deze is van u, heer! U heeft hem neergeschoten!”Kees herkende het hoofd van Senawa. Huiverend van afschuw wendde hij zich af. Zonder een woord te spreken, verliet hij deze plaats. De Dajak stond verstomd over de eigenaardige manieren van de blanke menschen. Als Kees zijn rechtmatig eigendom dan niet op prijs stelde, dan zou hij het maar behouden.Marti deed niet mede aan het bloedig bedrijf. Toch versierde hij zijn parang met eenige haarlokken. En Kees moest toelaten, dat hij diens wapen ook versierde met een haarlok van Senawa.Het bleek, dat men in ’t geheel ruim een vijftigtal koppen had buitgemaakt. De Kenjaoe’s waren dol van opwinding over zulk een succes. Zelf hadden ze een tiental dooden te betreuren en een twaalftal der hunnen waren gewond.De geheele bala der Kenjaoe’s keerde nu terug naar Tapang. De gewonden werden meegevoerd op ruwe, van takken vervaardigde, draagbaren.Weldra was het overwinningsfeest in vollen gang. De vreugdekreten schalden; de keteltrommen dreunden; het was een oorverdoovend lawaai. Inmiddels zond Petinggi Datoek een paar boodschappers naar den Boekit Seloewa. De vijand was verslagen; nu kon men dus ongehinderd naar de dorpen terugtrekken.Het groote feest in Tapang werd steeds woester. Groote hoeveelheden toewak verhitten de hoofden; steeds wilder en hartstochtelijker werden de krijgsdansen om de op staken geplaatste hoofden der verslagen Sibaoe’s.In deze heidensche vermaken kon Kees geen behagen scheppen. Hij trok zich terug in een der lawangs en probeerde, ondanks het toenemend feestrumoer, wat uit te rusten.En in die afzondering zweefde hem alweer een nieuw plan voor den geest.1keteltrommen.2strijdmacht.

Weldra verzamelden de mannen zich op de aangegeven plaats. Ook vele vrouwen hadden zich bij hen gevoegd, nieuwsgierig om te hooren, wat er gezegd zou worden.

Toen de vergadering genoegzaam voltallig was, trad Kees naar voren en sprak:

»Mannen van de Kenjaoe! Ge hebt allen het verhaal gehoord der vluchtelingen, die tot ons gekomenzijn. De Sibaoe’s hebben hun vrouwen en kinderen gedood. Ook vele mannen zijn reeds onder hun slagen bezweken. De hoofden der vermoorden dienen nu als zegeteekenen voor uwe vijanden. Vermoedelijk trekken deze nu op naar de andere dorpen. Menschen zullen ze daar nu wel niet meer vinden. Deze zijn gewaarschuwd en gevlucht. Doch dan zullen ze hun wraak koelen aan uw huizen en aan uw vee. Over eenigen tijd, als uw vijanden het land verlaten hebben, zult gij naar uw dorpen terug willen keeren. Dan vindt ge uw ladangs verwoest, uw woningen verbrand, uw varkens geroofd. Wilt ge dit toelaten?”

Een dof gemompel ging op uit de rijen der mannen.

»Ik heb gehoord, dat het aantal der Sibaoe’s slechts een honderdtal bedraagt. En hier zijn wel meer dan honderd en vijftig goed weerbare mannen. Indien ge wilt, zouden we den strijd kunnen wagen. Wanneer het ons gelukt, de Sibaoe’s te verslaan, zouden uwe bezittingen gespaard blijven. En tevens zoudt gij wraak kunnen nemen voor den hoon, dien zij u hebben aangedaan. Of wilt ge u hier liever als laffe vrouwen, blijven verstoppen en uw parangs en lansen laten rusten?”

Weer klonk een dreigend gemompel.

Kees vervolgde met vuur:

»Laat ons vechten, mannen! De antoe’s helpen ons, als we maar dapper strijden! Wat zeggen de mannen van de Kenjaoe nu?”

Een druk gepraat ging door de rijen. Enkele jonge mannen stieten oorlogskreten uit. Anderen sloegen op hun schilden. De meesten echter wachtten met ingespannenverwachting, wat de oudsten en hoofden zouden zeggen.

Een der oudere mannen stond op en nam het woord:

»Hoe zullen wij ooit kunnen vechten tegen de Sibaoe’s? Zij zijn veel behendiger in den strijd dan wij. Zij beschikken over allerlei tooverkunsten. Zij hebben machtiger antoe’s. Naar mijn meening is het beter, in dit kamp de gebeurtenissen af te wachten.”

Kees gaf nu Petinggi Datoek een wenk. Deze trad naar voren.

»Mannen,” zei hij, »onze blanke vriend hier, die ons nog net vroeg genoeg heeft gewaarschuwd, meent het goed met de Kenjaoe-dajaks. Hij heeft medelijden met de arme vrouwen en kinderen, die hier in het bosch in grooten getale sterven. Zijn hart is ziek bij het zien van al die ellende. Hij heeft een plan bedacht, om de Sibaoe’s te bestrijden en ik geloof, dat het een goed plan is.”

Zich tot Kees wendende vervolgde hij:

»Wilt u het plan nòg eens verklaren, heer? Dan kunnen alle mannen het hooren. Want al is een oorlogsplan goed voor de blanke menschen, het kan wel minder goed zijn voor domme Dajaks. Als u het ons uitlegt, kan iedereen hooren, dat het overeenkomt met de strijdwijze der Dajaks.”

»Welnu,” riep Kees,»luistert goed toe. Dan kunt ge allen uw oordeel vormen.

Wij zijn met ongeveer honderd en vijftig mannen, van wie de meesten geweren bezitten. De anderen zijn goed bewapend met lansen en mandau’s. Ik stel voor om een paar vlugge jonge mannen vooruit tezenden, die als spionnen moeten gaan verkennen, langs welken weg de Sibaoe’s oprukken. Zoodra we dat precies weten, gaan de mannen, die geweren hebben, langs dien weg in hinderlaag liggen. De anderen stellen zich verdekt op in het bosch en laten den vijand eerst ongemoeid langs zich heen trekken.

Zoodra ze nu de hinderlaag genaderd zijn, zal ik, ten teeken van aanval, mijn geweer afschieten. Daarop schieten al de anderen hun geweer ook af en stormen vervolgens met de parang op den vijand in. Als deze dan in verwarring terugtrekt, vallen plotseling de anderen hem aan van uit het bosch en snijden hem den terugweg af. Zoo mòet het dunkt me gelukken, den vijand gevoelige verliezen toe te brengen. Alles komt echter op de verrassing aan. De plek voor de hinderlaag moet dus zorgvuldig gekozen worden.”

Er ging onder de Dajaks een algemeen gejuich op. Velen sloegen op hun lansen en schilden. Kees, door deze gunstige gezindheid aangemoedigd, ging voort:

»Ge zult een groot aantal koppen buit maken. Uw parangs zult ge versieren met het haar uwer vijanden. We zullen een groot feest vieren, als we terugkeeren!”

Een wild geschreeuw steeg op.

»Wij willen vechten! Wij willen de koppen der Sibaoe’s!”

»Dat is goed, mannen!” riep Kees uit. »Maar dan moet er onmiddellijk worden gehandeld. Dadelijk moeten de verkenners er op uit. Wie biedt zich daartoe aan?”

Een aantal jonge mannen trad naar voren. Met behulp van Petinggi Datoek zocht Kees er een viertal uit. Deze kregen nog eenige aanwijzingen en maaktenzich gereed om op staanden voet te vertrekken.

Vervolgens wist Kees het stamhoofd te overtuigen, dat het beter was, dat alle strijdbare mannen zich naar Tapang begaven. Vandaar uit konden ze vlugger de te kiezen hinderlaag bereiken. De vrouwen en kinderen konden dan onder bewaking van een klein aantal mannen op den Boekit Seloewa achterblijven.

Den volgenden dag vertrok de strijdmacht der Kenjaoe’s naar Tapang. Na een tocht van drie dagen kwam men aldaar aan. Daar men zich vleide met de hoop op eene schitterende overwinning, werd er een feest aangericht, waarbij door een deel der mannen een groote hoeveelheid toewak werd gedronken. De angst van vroeger maakte bijna plaats voor dollen overmoed.

Enkele der Dajaks zochten een aantal tawak-tawak1bijeen, die ze wenschten mee te nemen in den strijd. Kees verzette zich hier tegen. Hij was bang, dat deze trommen hen ontijdig zouden verraden. Maar de Kenjaoe’s hielden vol, dat het geluid der trommen hun moed zou verlevendigen en bovendien de antoe’s zou oproepen, om hen te helpen in den strijd. Ten slotte moest Kees er dan ook in berusten.

Reeds den volgenden dag kwamen de verkenners melden, dat de bala2der Sibaoe’s naderde en den dag daarop reeds verwacht kon worden uit de richting van een dorp, genaamd Seboeloeh.

Onmiddellijk toog Kees met Petinggi Datoek enanderen er op uit, om langs dit pad een geschikte plek voor een hinderlaag te zoeken.

Op ongeveer twee uren afstands van Tapang vond men een uitstekende plaats. Het pad was daar smal en omgeven door dicht struikgewas. Heuveltjes in het bosch gaven een mooie gelegenheid om de reserve-afdeeling te verbergen. Deze zou den vijand, wanneer hij in verwarring gebracht was, den genadeslag geven.

Toen men de plek goed had vastgesteld, ging een der mannen terug, om de overige Kenjaoe’s te halen. Men zou in de nabijheid der hinderlaag overnachten om vroegtijdig op post te kunnen zijn.

Ter plaatse aangekomen, werd de geheele macht in twee afdeelingen gesplitst. De eene afdeeling, hoofdzakelijk met geweren bewapend, legerde zich langs het pad. De andere stelde zich meer in de richting van den vijand op, doch wat dieper in het bosch, achter de heuvels.

Allen tintelden van strijdlust. Allen waren bezield met een onwankelbaar vertrouwen op den goeden afloop.

Een der strijders werd als verkenner langs het pad vooruit gezonden, om tijdig te kunnen waarschuwen. Hij mocht bij het terugkeeren niet blijven stilstaan bij de hinderlaag; maar moest doorloopen in de richting van Tapang, om de opstelling niet te verraden, indien de Sibaoe’s hem vlak op de hielen volgden.

Kees zou het waarschuwingsschot geven, dat het sein voor den algemeenen aanval zou zijn.

Marti lag naast Kees in het struikgewas verscholen. Hij was bewapend met de revolver van zijn meesteren bovendien nog met een zware Dajaksche oorlogsparang.

De mannen, die de tawak-tawak zouden slaan, hadden zich met hun instrumenten dieper in het bosch opgesteld, om daar gedurende het gevecht ongestoord er op los te kunnen trommelen.

Zoo lagen de mannen, geheel gereed voor den komenden strijd, op den vijand te wachten. Doodstil moest men blijven liggen. Geen struik mocht verdacht ritselen; geen woord mocht gesproken worden. Het wachten in deze hinderlaag was een ware geduldproef. Kees had al zijn zelfbeheersching noodig, om rustig op zijn plaats te blijven liggen. Meermalen stond hij op het punt, eens te zien, of de verkenner nog niet terugkeerde. Telkens moest hij zich weer voorhouden, dat het bevredigen van deze verklaarbare nieuwsgierigheid noodlottige gevolgen kon hebben. Zoo wist hij zich ten slotte te bedwingen en bleef onbeweeglijk de wacht houden.

Hij wist, dat er veel, ja, dat zijn leven op het spel stond. Het was waar: de Kenjaoe’s hadden veel voordeelen aan hun zijde. Maar het was ook waar, dat de Sibaoe’s ervaren strijders en geduchte vijanden waren.

Ook Marti was vervuld van ernstige overpeinzingen. Hij kon het maar niet van zich afzetten, dat hij slechte voorteekenen gezien had, toen ze hun tocht begonnen waren. Die droom van bloed en vuur deed hem nog steeds het ergste vreezen. Dat zijn heer ook zoo eigenzinnig was! Marti kon zich die avontuurlijke dwaasheden van de blanke menschen maar niet indenken!

Enkele uren verliepen.

Plotseling schrikten de mannen in de hinderlaag op door het geluid van vlugge voetstappen langs het pad. Ieder spande zich in iets te hooren. Scherp spiedde men tusschen de struiken door.... Het was de verkenner, die vlug de opstellingsplaats voorbij liep.

In ’t voorbijgaan zei hij:

»Ze komen!”

Spoedig was hij langs het pad verdwenen. De spanning steeg tot den hoogsten graad. Weldra zouden de geduchte vijanden er zijn.... spoedig zou alles beslist zijn. Nu overwinnen of.... de dood.

Kees luisterde ongeduldig in hevige spanning. Nu en dan schrikte hij op. Daar waren ze—neen! toch niet! Herhaaldelijk speelde zijn verbeelding hem parten!

Maar hoor!—Wat was dat?

Duidelijk hoorde Kees het geluid van menschelijke stemmen. Daar naderden voetstappen! Dáár waren ze! Hij zag de eerste Sibaoe’s. Het hoofddeksel versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel; de borst bedekt met soelauwbaadjes; zwaar bewapend met geweren, lansen en parangs. Niets kwaads vermoedende, liepen de krijgers in groepjes van vijf of zes man langs het pad. Zonder argwaan gingen ze hun verderf tegemoet. Ouder gewoonte rekenden ze er op, dat de Kenjaoe’s diep in de bosschen waren gevlucht.

Weldra waren er een veertigtal gepasseerd. Daar zag Kees het hoofd der Sibaoe’s, den valschen Senawa. Hij was in druk gesprek met een reusachtigen Dajak, die vlak achter hem liep.

»Het geluk is mij gunstig,” mompelde Kees.

Hij legde aan op Senawa. Een schot klonk daverend door het bosch; een salvo van twintig, dertig schoten volgde. Onder woedend gehuil en geschreeuw sprongen de Kenjaoe’s te voorschijn; met opgeheven parangs stormden zij wild op den vijand in. Ook Kees was door de struiken gedrongen, gevolgd door Marti. Senawa was onmiddellijk doodelijk getroffen neergestort. Nu stond hij echter tegenover den reusachtigen Dajak. Met moeite ontweek hij diens geweldige parangslagen. Daar was echter de trouwe Marti naast zijn meester gesprongen en weldra lag de Sibaoe zieltogend ter aarde.

Kees had geen gelegenheid gehad naar de andere Kenjaoe’s om te zien. Nu twee dooden aan zijn voeten lagen, keek hij rond. De strijd was al bijna afgeloopen; een groot aantal doode of zwaar gewonde Sibaoe’s lag over het pad verspreid. De aanval was schitterend geslaagd. De Kenjaoe’s hadden met hun vlijmscherpe parangs en lansen onbarmhartig huisgehouden onder de Sibaoe’s, die verschrikt waren door den plotselingen overval.

Wel hadden ze spoedig hun tegenwoordigheid van geest teruggekregen en duchtig trachtten ze zich te weren. Hun rijen waren echter te zeer gedund om nog met succes weerstand te bieden.

Van uit het bosch klonk intusschen nog steeds het opwindend geroffel der keteltrommen, dat de krijgers tot grooter dapperheid aanspoorde.

tegenover den reusachtigen Dajak.tegenover den reusachtigen Dajak.

tegenover den reusachtigen Dajak.

Terwijl het voorste gedeelte van de bala der Sibaoe’s door de Kenjaoe’s werd afgemaakt, haastte de achterhoedezich verschrikt, terug te trekken. Het pad was niet breed en de overhaaste terugtocht veroorzaakte ook hier verwarring. Van dezen toestand maakte de reserve der Kenjaoe’s gebruik, om de overgeblevenen van achteren aan te vallen.

Onder leiding van Petinggi Datoek stormden zij te voorschijn. Vol ongeduld hadden zij liggen wachten, tot hùn oogenblik gekomen was. En nu zagen ze hun kans schoon. Het tijdstip was inderdaad gunstig gekozen.

Groot was de ontsteltenis onder de Sibaoe’s. Nieuwe drommen vijanden rukten van den tegengestelden kant aan. Voor ze zich herstellen konden van hun ontzetting, waren velen met parang en lans neergeveld; slechts een klein deel, waarvan de meesten nog wonden had bekomen, wist door het struikgewas aan de wraak der Kenjaoe’s te ontkomen.

Kees, Marti en een aantal Dajaks, die de vluchtende achterhoede gevolgd waren, kwamen te laat, om nog aan het gevecht deel te nemen; de lichamen van doode en gewonde Sibaoe’s bedekten ook hier den grond.

Nu begon een weerzinwekkend tooneel. De Kenjaoe’s begonnen hun gevallen vijanden te snellen. Ook voor gewonden was geen genade.

Kees wendde zich vol afgrijzen af. Hij ging terug naar de plaats der eerste hinderlaag; doch ook daar wachtte hem hetzelfde afschuwelijke schouwspel. Ook daar waren de Kenjaoe’s bezig, met hun scherpe wapenen de hoofden der gevallenen van de lichamen te scheiden.

Een der Dajaks kwam vroolijk op hem toeloopen, een gesnelde kop omhoog houdend.

»Deze is van u, heer! U heeft hem neergeschoten!”

Kees herkende het hoofd van Senawa. Huiverend van afschuw wendde hij zich af. Zonder een woord te spreken, verliet hij deze plaats. De Dajak stond verstomd over de eigenaardige manieren van de blanke menschen. Als Kees zijn rechtmatig eigendom dan niet op prijs stelde, dan zou hij het maar behouden.

Marti deed niet mede aan het bloedig bedrijf. Toch versierde hij zijn parang met eenige haarlokken. En Kees moest toelaten, dat hij diens wapen ook versierde met een haarlok van Senawa.

Het bleek, dat men in ’t geheel ruim een vijftigtal koppen had buitgemaakt. De Kenjaoe’s waren dol van opwinding over zulk een succes. Zelf hadden ze een tiental dooden te betreuren en een twaalftal der hunnen waren gewond.

De geheele bala der Kenjaoe’s keerde nu terug naar Tapang. De gewonden werden meegevoerd op ruwe, van takken vervaardigde, draagbaren.

Weldra was het overwinningsfeest in vollen gang. De vreugdekreten schalden; de keteltrommen dreunden; het was een oorverdoovend lawaai. Inmiddels zond Petinggi Datoek een paar boodschappers naar den Boekit Seloewa. De vijand was verslagen; nu kon men dus ongehinderd naar de dorpen terugtrekken.

Het groote feest in Tapang werd steeds woester. Groote hoeveelheden toewak verhitten de hoofden; steeds wilder en hartstochtelijker werden de krijgsdansen om de op staken geplaatste hoofden der verslagen Sibaoe’s.

In deze heidensche vermaken kon Kees geen behagen scheppen. Hij trok zich terug in een der lawangs en probeerde, ondanks het toenemend feestrumoer, wat uit te rusten.

En in die afzondering zweefde hem alweer een nieuw plan voor den geest.

1keteltrommen.2strijdmacht.

1keteltrommen.

2strijdmacht.

XI. Het geheim der Sibaoe-dajaks.Korten tijd, nadat Kees zich teruggetrokken had in één der kamertjes, voegde zich Marti bij hem.»Wel Marti, moet je niet mee feestvieren?”»Neen, heer! ik heb het eens aangezien; maar het bevalt me toch niet meer.”»Dat is goed Marti. Daaruit kan ik zien, dat je geen Dajak meer bent. Heb je ook gehoord, wat de Kenjaoe’s verder van plan zijn?”»De meesten willen na het feest naar huis gaan. Enkelen, waaronder de jonge mannen, willen met alle geweld de Sibaoe’s nog vervolgen.”»Daar dacht ik ook over, Marti. Het is toch eigenlijk jammer, de overgeblevenen ongemoeid te laten ontsnappen. Maar dan moeten we dadelijk op weg. Dan kunnen we ze misschien nog inhalen. Als ze dan nog eens klop krijgen, zullen ze het voorloopig niet weer in hun hoofd halen, een inval in dit land te doen.”»Maar dat ligt toch niet op uw weg, heer?” riep Marti verschrikt. Zou zijn blanke meester dan nooit ophouden het gevaar te zoeken?»Waarom niet? Alles is uitstekend afgeloopen. Ik heb veel lust, nog verder deel te nemen aan dezen oorlog.”»Wij deden verstandiger, om nu eindelijk eens naar huis terug te keeren, heer. Allah heeft ons tot dusverre geholpen; maar we moeten niet moedwillig het gevaar tarten,” sprak Marti ernstig.»Dat is zoo, Marti. Doch er is nog iets anders, dat mijn gedachten bezig houdt.—Als we de Sibaoe’s zoo spoedig mogelijk vervolgen, ontdekken we misschien, op welke geheimzinnige wijze zij telkens in dit land plegen te komen. Indien we dáár achter kwamen, zouden we met de bala een krijgstocht in hun land kunnen wagen. Dat zou een mooie overwinning voor onze vrienden, de Kenjaoe’s, zijn. Bovendien zou ik misschien gelegenheid hebben, nog een appeltje te schillen met dien valschen Amat. En ten slotte zouden de diamanten wellicht toch nog in mijn handen vallen.”»Denkt u nog altijd aan die diamanten, heer? Die heeft Amat waarschijnlijk al lang weggehaald.”»Dat is mogelijk. Maar is hij er ook in geslaagd, het land der Sibaoe’s te verlaten? Dat is de groote vraag. Is hij er nog, dan krijg ik de diamanten.”»Ik vrees, dat u te laat zult komen, heer!” Marti vroeg zich bekommerd af, welke ellende ze nu weer zouden beleven.»Kom,” hernam Kees, »ik ga dadelijk naar Petinggi Datoek, om hem voor te stellen, de Sibaoe’s te vervolgen.”Hij sprong op en verliet de lawang.»Allah helpe ons!” zuchtte Marti: »Dat ontbreekt er nog maar aan.”Petinggi Datoek was echter druk aan ’t feestvieren, en een feestvierende Dajak is er moeilijk toe te brengen, zijn belangstelling aan andere zaken te wijden. Toch gelukte het Kees ten slotte hem even alleen te spreken.Nu bleek echter, dat Petinggi Datoek zelf reeds met andere hoofden over de vervolging der Sibaoe’s had gesproken. Tot hun spijt was echter het grootste gedeelte der mannen tevreden met de overwinning. Petinggi zou daarentegen heel graag een veldtocht ondernemen naar ’t Sibaoe-land. Hij was blij, dat hij een bondgenoot in Kees vond.Beiden begaven ze zich nu tusschen de opgewonden menigte. Het kostte groote moeite, hieruit een aantal bijeen te krijgen voor een vergadering, waar men het nieuwe krijgsplan kon bespreken. Eindelijk kon Kees het woord nemen. Hij begon met een herinnering aan de behaalde zege. Maar hiermee was de taak der Kenjaoe’s niet afgedaan. De antoe’s hadden hen geholpen. Door nieuwe heldendaden moesten zij nu de antoe’s hun dankbaarheid toonen. Dan zouden de antoe’s groote vriendschap voor de Kenjaoe’s gaan koesteren. Ook hadden ze enkele dooden te betreuren. Die mocht men niet ongewroken laten. De Dajaks mochten hun eigen wetten van de bloedwraak niet verachten.Kees eindigde ten slotte:»Gij hebt u heden veel roem verworven. Maar onvergelijkelijk grooter zal uw roem zijn, wanneer gij in het land der Soengei-Sibaoe doordringt. Dan zult gij daar de koppen uwer vijanden uit hun eigen dorpen halen. De naam der Kenjaoe’s zal dan bekend engeëerd worden onder alle Dajakstammen tot ver in Serawak en in het land der groote Batang-Loepars!”Opgewonden juichten de toch al door den feestroes verhitte mannen deze toespraak toe. Onmiddellijk zou men tot de vervolging overgaan.Petinggi Datoek zond eenige vlugge jonge mannen uit. Hun taak was, de Sibaoe’s op te sporen en te blijven volgen; door teekens aan de boomen te kappen zouden ze hun den weg wijzen. De bala kon dan den volgenden dag zonder moeite volgen.Aan de feestvreugde werd nu dadelijk een einde gemaakt, want men moest zich gereedmaken voor een langdurigen tocht.Vele Kenjaoe’s versierden hun rottan hoofddeksels met de veeren, welke eens de Sibaoekoppen hadden getooid. Ze vonden, dat ze er nu veel krijgshaftiger uitzagen.Den volgenden morgen ging men op marsch. Wijselijk besloot men niet alleen op het pad te loopen, doch ook er naast in het bosch. Dan was de kans, om in hinderlaag te vallen, zoo goed als uitgesloten.De dag ging voorbij zonder eenig voorval van belang. Tegen den avond echter hoorde men in de verte de herkenningsroep van een der verspieders. Van den verkenner hoorden ze, dat ze hun vijanden reeds vrij dicht op de hielen zaten. De Sibaoe’s kwamen niet snel vooruit, daar ze een groot aantal gewonden mee moesten voeren. Deze mededeelingen vermeerderden den strijdlust der Kenjaoe’s. Er moest echter halt gehouden worden om te overnachten. In de legerplaats weerklonk nog geruimen tijd het geroezemoesvan opgewonden stemmen. Men prikkelde elkanders verbeelding met fantastische verhalen over te bedrijven heldendaden.Reeds vroeg in den ochtend brak de bala op, om met groote snelheid verder te trekken.Nadat men ruim een uur had geloopen, bleven de voorste Dajaks plotseling staan. Kees spoedde zich naar hun toe en vroeg:»Wat is er? Ziet ge vijanden?”»Neen, heer! doch er is een slecht voorteeken geweest. We kunnen onmogelijk verder trekken.”»Wat was er dan?”»Een kiekendief vloog ons tegemoet, heer. Dat is een zeer ongunstig teeken.”De andere Dajaks, die intusschen naderbij gekomen waren, bespraken het geval in den breede, en zetten bedenkelijke gezichten. Het algemeen gevoelen was, dat het hoogst onvoorzichtig zou zijn, den tocht dadelijk voort te zetten.Kees was wrevelig. Daar zou het geheele plan schipbreuk lijden op die domme bijgeloovigheid. Het was toch al twijfelachtig, of men de Sibaoe’s op tijd zou inhalen. Als de bala zich hier lang ophield, kwam men stellig te laat.Hij wilde de Kenjaoe’s het dwaze van hun vrees duidelijk maken. Maar al zijn redeneerkunst mocht niets baten. Geen Dajak zou den moed bezitten moedwillig een slecht voorteeken te minachten. Er moest eerst weer een goed voorteeken komen. Dan zouden ze verder gaan.Kees zat vol spijtige woede op een boomstamte wachten en verwenschte dat heidensche bijgeloof.Plotseling schoot hem een gelukkige gedachte door ’t hoofd. Hij zou zelf een voorteeken bedenken.Scherp luisterde hij, of hij niet een opvallende vogelstem in het bosch hoorde. Nauwelijks deed zich een eenigszins schel gefluit vernemen, of hij sprong op met teekenen van blijdschap. Hij beval de Dajaks goed toe te luisteren. Deze vroegen hem de beteekenis van het gefluit.»Dat is de waarzeggende vogel der blanken. Die zegt mij, dat het gevaar geweken is en dat we verder kunnen gaan,” zei Kees.De Dajaks vertrouwden de zaak niet erg. Ze maakten eenige tegenwerpingen. Doch toen liet dezelfde vogel weer zijn schrille fluittoon hooren. Nu verklaarde Kees, dat hij na deze waarschuwing niet langer op die plek durfde te blijven. Hij zou dan liever alleen vooruit gaan. De antoe’s zouden hem zeker helpen.Als de blanke man zoo zeker van zijn zaak was, besloten de Dajaks maar te volgen. En zoo zette men den pas er weer in.Gelukkig bleef men gedurende het verdere verloop van den dag bewaard voor zulke ongunstige teekens. Toch leefde Kees onophoudelijk in zorg, dat zich meer dergelijke ongewenschte stoornissen zouden voordoen, die den tocht zeker zouden doen mislukken.Den volgenden dag passeerde de bala de afgebrande woning van een tiental Dajaksche families. Dit was het dorp Seboeloeh, dat door de Sibaoe’s verwoest was. Een paar bewoners van het dorp bevonden zich bij de bala. Het gezicht op hun verbrande bezittingendeed de wraakzucht weer opvlammen, welk gevoel zich aan de andere Kenjaoe’s mededeelde. Tegen den avond vond men twee mannen aan den kant van den weg zitten. Het waren twee der verkenners. Een van hen verscheen onmiddellijk voor Kees en Petinggi Datoek, om verslag van zijn bevindingen te doen.»We hebben de Sibaoe’s voortdurend op den voet gevolgd en hun bewegingen bespied. Ze vermoeden waarschijnlijk niet, dat ze gevolgd worden. Toch schijnen ze voor alle zekerheid maatregelen te nemen; mijn makker, die daar zit, heeft vanmiddag in een randjoe getrapt. Hij kon niet verder gaan. Het voorwerp was daar zeker door de Sibaoe’s neergezet.”»En waar zijn de Sibaoe’s?” vroeg Kees.»Eenige uren voor u uit, heer. Morgen kunt u ze inhalen.”Voorloopig besloot men op deze plek te overnachten en dan den anderen morgen met versnelden pas de vervolging voort te zetten. Toch was voorzichtigheid geboden, want men vond langs het pad verscheidene randjoe’s, scherp aangepunte bamboestokjes, met de punt naar boven in den grond gestoken.Voor hij dien avond in slaap viel, overdacht Kees nog eens het doel van dezen tocht. Was het wel verstandig, de Sibaoe’s den volgenden dag aan te vallen? Dan zouden ze natuurlijk in verschillende richtingen vluchten en zich verbergen in het oerwoud. En dan zou men er zeer moeilijk, misschien in ’t geheel niet, in slagen uit te vorschen, langs welken weg ze in het land der Kenjaoe’s gekomen waren.Zou het niet beter zijn, ze ongemerkt te blijvenachtervolgen? Dan bestond er groote kans op het ontdekken van hun geheimen weg. Dan kon men in hun land doordringen.—Kees zag in zijn verbeelding de diamanten reeds in zijn bezit.Zoodra de dag aanbrak, ging Kees met Petinggi Datoek overleggen.Petinggi verlangde echter naar dappere daden en voelde niet veel voor dat werkeloos volgen van den vijand. Toen Kees hem echter duidelijk maakte, dat hij dan misschien de kans verbeurde, in het stroomgebied der Soengei Sibaoe te komen, begon hij te weifelen.»Denk er eens aan, Petinggi, dat het u volgens mijn krijgsplan misschien gelukken zal, uw mannen in het land van den vijand te voeren. Dat is in geen jaren gebeurd! Als het gelukt, zal het uw naam even beroemd maken als die van Rimaoe, het groote opperhoofd der Kenjaoe’s, waarvan ge mij hebt verteld. Dan zal men over vele jaren ook het heldengraf van Petinggi Datoek kunnen aanwijzen. En uw naam zal met eerbied worden genoemd door vele geslachten.”Dit beroep op de ijdelheid van den Dajak miste zijn uitwerking niet. Petinggi was nu overtuigd van de voortreffelijkheid der wijziging van het veldtochtplan.Zonder overijling werd nu de tocht voortgezet. Door de nasporingen der vooruitgezonden mannen wist men, dat men de Sibaoe’s dicht op de hielen zat. In den loop van dien dag passeerde men het dorp, dat het eerst door de Sibaoe’s overvallen was. Slechts eenige verkoolde palen staken nog omhoog; al het andere was weggebrand. In de nabijheid lagen nog de afschuwelijkverminkte overblijfselen van eenige der vermoorde bewoners. Op dit gezicht laaide de wilde strijdlust weer op; onwillekeurig zou men de tocht in versneld tempo voortzetten, en daardoor de zaak weer bederven. Het kostte Kees moeite, de vechtlustige Dajaks te kalmeeren.Een eind voorbij dit dorp splitste de weg zich. De inkepingen in de boomen wezen echter het goede spoor.In den namiddag hielden de voorste Dajaks plotseling halt. Ze verzamelden zich, luid pratende, om iets, dat op den weg lag. Wat zou er nu weer zijn? Weldra bemerkten Kees en Petinggi Datoek, dat het de lichamen van twee Sibaoe’s waren, maar zonder hoofd.»Onze mannen hebben zeker deze vijanden gesneld,” zei een der Dajaks lachend.»Het zullen gewonden of zieken zijn geweest, die onderweg bezweken zijn,” meende een ander.Later bleek, dat de vooruitgezonden verkenners deze lijken al zonder hoofd hadden gevonden. Vermoedelijk hadden de Sibaoe’s zelf de koppen meegenomen, opdat ze niet in ’s vijands handen zouden vallen.Intusschen naderde men het gebergte. De bodem begon te stijgen en werd rotsachtig. Bij een oude, vervallen ladang, welke men passeerde, hield het pad, dat men tot dusverre had kunnen volgen, plotseling op. Men moest zich nu uitsluitend richten naar enkele teekens en de sporen der Sibaoe’s.Kees begon een gesprek met een der mannen uit het verwoeste dorp in de nabijheid.»Ben je hier bekend?”»Ja, heer, ik heb hier veel gejaagd.”»Hoe ver ging je, om te jagen?”»Tot den voet van het hooggebergte, heer, waar de rotsen steil opstijgen.”»En heb je daar nooit iets opgemerkt, dat op een pad of een weg geleek?”»Nooit, heer! Ik begrijp ook niet waar die Sibaoe’s eigenlijk heen willen. Denkelijk zullen ze morgen voor de rotsen staan, en ons daar in handen vallen.... tenzij ze vliegen kunnen,zooals de oude menschen vertellen.”»Heb jij ooit menschen zien vliegen?”»Neen, heer, maar al heb ik het nooit gezien, daarom zou het toch wel kunnen zijn?”Tegen deze opmerking kon Kees niet veel inbrengen en hij volstond met te zeggen:»We zullen het morgen wel zien.”Dit gesprek was door anderen gedeeltelijk aangehoord. Het zette de verbeelding in vlam en weldra kwamen de tongen weer los. De Sibaoe’s bezaten tooverkrachten. Ze werden door machtige antoe’s geholpen. Ze konden over de bergen vliegen.Kees trachtte die verhalen te ontzenuwen.»Waar de Sibaoe’s langs kunnen, daar kunnen wij ook langs,” zei hij.»We zullen zien, heer! We zullen zien!” zei een bedachtzaam oud man.»Dàt zullen we! Het zal er mee gaan als met het gevecht. Eerst heette het, dat de Kenjaoe’s nooit de Sibaoe’s zouden kunnen verslaan. En toch hebben ze hen verslagen en ze vluchten voor ons uit, zoo hard ze maar kunnen.”»Dat is waar! Dat is waar!” riepen verschillende stemmen.»Laat ons den dag van morgen afwachten. Dan praten we weer!” riep Kees vol vertrouwen.»We zullen ze wel krijgen, heer!” zei een der jongere mannen vroolijk.»Juist! Als de verkenners maar zorgen, dat zij ze geen oogenblik uit het oog verliezen.”Toen de avond viel was de bala reeds dicht aan den voet van het hooggebergte. De grijze rotsmassa’s leken hier al even ontoegankelijk als die van den eigenlijken Goenoeng Lawit. Met beklemming dacht Kees een oogenblik terug aan wat hij daar ondervonden had, waar de kaken des doods hem van alle zijden aangrijnsden. Hier leek het al niet veel beter.Op deze plaats werd een vrij goede gelegenheid voor nachtkwartier gevonden.Den volgenden morgen beklom men een heuvelrug, welke rechtstandig op het gebergte aanliep. Hoe meer men dit naderde, des te beter zag men, dat zich overal loodrechte rotswanden verhieven, die volkomen onbeklimbaar waren.Kees begreep er niets van. Hij werd ongerust. Van de Dajaksche tooververhalen geloofde hij geen woord. Toch vreesde hij voor een raadsel te zullen komen, dat hij misschien niet kon oplossen. Zijn eenige hoop was gevestigd op de handigheid en de slimheid der verkenners. Wanneer deze de Sibaoe’s geen moment uit het oog verloren, bestond er kans, dat ze ook den geheimen weg zouden ontdekken.Plotseling werd hij opgeschrikt door een zacht geroepuit de verte. Petinggi luisterde en herhaalde het onmiddellijk.»Wat is dat, Petinggi?”»Een van onze mannen, heer!”»Zeker bericht over de Sibaoe’s.”»Als het maar goed bericht is, heer!”Een eind verder zat de verkenner verscholen in het struikgewas.De bala hield halt en Kees en Petinggi Datoek begaven zich naar den verkenner.»Wat nieuws?” vroeg Kees haastig.»Slecht nieuws, heer!”»Hoe zoo? Waar zijn de Sibaoe’s?”»Verdwenen, heer! Ze zijn in de lucht verdwenen.”Kees stampte op den grond. Petinggi Datoek stiet een kreet van bijgeloovige angst uit.»Waar zijn de andere verkenners?” vroeg Kees eindelijk.»Die zijn aan den voet der rotsen gebleven, heer. Zij wachten, waar we de Sibaoe’s zagen verdwijnen.”»Heb je ze zien verdwijnen?” vroeg Kees met de grootste verbazing.»Ja, heer; we waren een paar honderd depa1van hen af. Toen verdwenen ze in het kreupelhout aan den voet der rotsen. Na eenigen tijd slopen we vooruit, om te zien waar ze gebleven waren. Maar toen we in het kreupelhout kwamen, was er niets meer te bespeuren.”»En waarheen liepen de sporen?”»Die waren er niet, heer!”»Wàt zeg je? Geen sporen?”Kees schudde het hoofd over de domheid der Dajaks en Petinggi sloeg in de uiterste verbazing de handen ineen.»Er wàren geen sporen, heer!”»Je bazelt, man!” riep Kees driftig.»Neen, heer, ik heb alles goed gezien. In het kreupelhout kon men duidelijk zien, dat de Sibaoe’s daar gestaan en geloopen hadden. Maar er was geen spoor van den verderen weg.”»Dan hebben ze je bedrogen en hun spoor onherkenbaar gemaakt. De Sibaoe’s zijn slimmer dan de Kenjaoe’s. Ze hebben jelui als vrouwen om den tuin geleid.”»Het beste is, dat u zelf eens gaat kijken, heer,” zei de Dajak droogjes.»Dat zal ik doen, en dan zal ik je toonen, dat een blanke beter sporen kan zoeken, dan een Kenjaoe-dajak,” vervolgde Kees, die steeds boozer werd.Petinggi Datoek gaf een teeken aan de bala. Deze naderde en men ging weer vooruit.De Dajaks omringden nu den verkenner. Zij moesten er het hunne van hebben en weldra klonken allerlei uitroepen van schrik, angst en verbazing door de lucht.»Vooruit!” riep Kees, »wijs ons liever den weg. Met oudewijvenpraatjes komen we niet verder.”»Het zijn geen praatjes, heer!” verdedigde zich de Dajak.»Welzeker zijn het praatjes! De Kenjaoe’s zijn oudevrouwen, die gelooven, dat menschen in vogels kunnen veranderen.”»Ik heb u toch gezegd, heer, dat de Sibaoe’s altijd bekend zijn geweest om hun tooverkunsten. U heeft het nooit willen gelooven en nu ziet u het toch,” waagde Petinggi Datoek schuchter op te merken.»Zwijg, Petinggi!” beval Kees op barschen toon. »Ik geloof het niet en zal het nooit gelooven!”Men naderde ondertusschen het kreupelbosch, dat aan den voet der rotsen groeide.»Laat ons hier het hout onderzoeken!” zei Kees terwijl hij het bosch betrad.Slechts zeer enkele Dajaks volgden hem. De meesten bleven beangst en schuw op eenigen afstand staan wachten.In het hout vond Kees de drie andere mannen, die de verklaringen van hun makker geheel bevestigden.»Wijs me de plek, waar ge de Sibaoe’s het laatst gezien hebt.”»Daar ginds, heer, waar u ook het hout is binnengekomen.”»En hier zie ik duidelijk hun sporen,” zei Kees op den bodem wijzende.»Hier nog wel, heer; maar verder op, vlak bij den rotswand, is een open plek. Daar houden de sporen op.”Kees begaf zich naar de aangeduide plek en was weldra druk bezig een vervolg van de sporen te zoeken. Alles tevergeefs. Hij vond niets anders, dan wat de verkenners al hadden medegedeeld. Hier hadden een aantal menschen bijeengestaan. Zij hadden wat heen en weer geloopen, maar er was geen enkele aanwijzing,die aangaf, naar welken kant zij die open plek hadden verlaten.Langzamerhand kwamen er meer Dajaks in het kreupelhout. Ieder zocht, maar niemand vond, wat hij wenschte.Kees was in een buitengewoon slecht humeur. Hij meende op het gezicht der verkenners te lezen, dat ze zich heimelijk verheugden over de onmacht van den blanke. Dit prikkelde hem, te meer, daar hij weer een druk gemompel hoorde over de raadselachtige tooverkunsten der Sibaoe’s. Raadselachtig was de toestand inderdaad. Maar hij zou en hij moest het geheim onthullen. Hij snuffelde de geheele open plek nog eens na en daar hij last had van de Dajaks, beval hij dezen terug te gaan in het hout. Slechts Petinggi Datoek, Marti en één der verkenners hield hij bij zich, om hem zoo noodig te helpen.De vier mannen stelden nu een nauwgezet onderzoek in. Na eenigen tijd kwamen ze tot het besluit, dat er twee soorten sporen waren, namelijk geheel versche, die hoogstens eenige uren oud konden zijn en ook oudere, die niet van de laatste dagen konden zijn.»De nieuwe sporen zijn van vandaag, de oude van verscheidene dagen geleden,” merkte Marti op.»Die zijn van den dag, waarop de Sibaoe’s dit land zijn binnen gevallen,” vooronderstelde Kees.»Dat moet wel, heer, maar waar is hun weg!” riep Petinggi Datoek uit.Marti had intusschen met den anderen Dajak nauwkeurig den bodem onderzocht. Eensklaps riep hij: »Hier is een gat, alsof er een paal heeft gestaan.”Werkelijk was de grond daar ter plaatse losgewoeld.»En hier heeft men de paal langs gesleept,” riep Petinggi Datoek opgewonden.»Dan zijn ze hier langs een paal naar boven geklommen,” zei Kees. »En die ladder hebben ze omhooggetrokken, toen ze allen boven waren. Er is geen andere mogelijkheid,” riep Kees.»Hier is een gat.”»Hier is een gat.”Allen keken opwaarts. Voor hen verhief zich de steile rotswand.»Dat kan niet, heer; de rots is veel te hoog, zulke lange palen zijn er niet,” zei de Dajak.»Neen, het is te hoog,” erkende Kees nadenkend. »En toch is er geen andere mogelijkheid!”Hij trad een eind achteruit om den steilen wand eens goed te bekijken. Nu trof het hem, dat men een deel van den rotswand niet kon overzien. Daar sprong een klip een eind naar voren.Hij wilde niets onbeproefd laten, om het geheim der Sibaoe’s te ontdekken.»Zoek een langen en dunnen boomstam uit en kap dien!” beval hij aan een paar Dajaks. Toen aan zijn verlangen voldaan was, liet hij den stam schuinbij wijzevan ladder tegen den rotswand zetten. Daarna gelastte hij een der Dajaks, om naar boven te klimmen.Nauwelijks had de man het uitstekende gedeelte van de rotsen bereikt, of hij riep:»Hier is een hol!”»Ha, hier hebben we eindelijk de oplossing van het raadsel!” riep Kees opgewonden.Er ontstond nu een geweldig tumult onder de verzamelde Dajaks. Daar moesten ze meer van hebben en de achtergeblevenen snelden toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen.»Tracht door het gat te kruipen!” riep Kees.»Ja, heer, maar het is lastig! het is niet wijd!” Men wachtte eenige oogenblikken vol inspanning. Daar klonk de stem van den Dajak, maar nu van achter de vooruitstekende rotsen:»Het gat loopt verder door. Laat nog een paar mannen hier komen! Ik durf alleen niet verder gaan!”Kees besloot zichzelf op de hoogte te stellen. Hij klom naar boven, gevolgd door een der Dajaks, die inkepingen in het hout maakte om het klimmen voor de anderen gemakkelijker te maken.Boven gekomen zag Kees, dat het gat juist groot genoeg was, om één man kruipend door te laten. Niet zonder moeite gelukte het hem, zich van den boom op de rots te werken en zich daarna door het gat te wringen. Toen hij in het hol doordrong, bemerkte hij, dat dit weldra wijder en hoogerwerd. Na een vijftigtal meters gekropen te hebben, kon hij opstaan en loopende zijn weg vervolgen. Een eind verder vond hij den Dajak, die ’t eerst naar boven was gegaan, op hem wachten.Het was vrij donker in deze onderaardsche ruimte. Toch zag men aan het andere einde de schemering van het licht. Daar moest dus de andere uitgang zijn.Weldra hadden zich nog een tiental mannen bij hen gevoegd. Nu ging men weer verder, om te zien, waar de gang uitkwam. Bij den uitgang zagen ze een diep ravijn voor zich en in de verte overal de steile rotswanden van het Lawit-gebergte. In het fijne zand op den bodem, waarop ze stonden, waren duidelijk de voetsporen der Sibaoe’s afgeteekend.Ten overvloede kwamen eenige Dajaks met een paar tot ruwe ladders bewerkte boomstammen aansleepen, die ze juist in ’t hol hadden gevonden.Nu was de laatste vrees der Kenjaoe’s voor hun oude vijanden geheel verdwenen. Ze zagen in, dat ze zich altijd door de listige Sibaoe’s hadden laten verschalken.Alle tooververhalen bleken nu ineens volkomen onwaar te zijn.Maar hoe waren de Sibaoe’s nu in het ravijn gekomen? Ook dat pad werd weldra ontdekt. Nu begonnen ze naar beneden af te dalen. Gemakkelijk was dat niet; hier en daar moesten de mannen gebruik maken van tegen de rotsen geplaatste boomstammen.Het duurde verscheidene uren voor de bala in zijn geheel in het diepe ravijn was aangekomen. Toen kon men den tocht voortzetten. Het ravijn kronkelde als een holle weg tusschen de hooge en steile rotswanden door. Het leed geen twijfel, of men was op den goeden weg, die rechtstreeks naar het land der Sibaoe’s voerde.De vreugde en de opgewondenheid onder de Kenjaoe’s was groot. Ook Kees uitte zijn blijde tevredenheid; hij kwam meer nader bij zijn doel: de Soengei Sibaoe, waar de schat der diamanten verborgen lag.1vademen.

Korten tijd, nadat Kees zich teruggetrokken had in één der kamertjes, voegde zich Marti bij hem.

»Wel Marti, moet je niet mee feestvieren?”

»Neen, heer! ik heb het eens aangezien; maar het bevalt me toch niet meer.”

»Dat is goed Marti. Daaruit kan ik zien, dat je geen Dajak meer bent. Heb je ook gehoord, wat de Kenjaoe’s verder van plan zijn?”

»De meesten willen na het feest naar huis gaan. Enkelen, waaronder de jonge mannen, willen met alle geweld de Sibaoe’s nog vervolgen.”

»Daar dacht ik ook over, Marti. Het is toch eigenlijk jammer, de overgeblevenen ongemoeid te laten ontsnappen. Maar dan moeten we dadelijk op weg. Dan kunnen we ze misschien nog inhalen. Als ze dan nog eens klop krijgen, zullen ze het voorloopig niet weer in hun hoofd halen, een inval in dit land te doen.”

»Maar dat ligt toch niet op uw weg, heer?” riep Marti verschrikt. Zou zijn blanke meester dan nooit ophouden het gevaar te zoeken?

»Waarom niet? Alles is uitstekend afgeloopen. Ik heb veel lust, nog verder deel te nemen aan dezen oorlog.”

»Wij deden verstandiger, om nu eindelijk eens naar huis terug te keeren, heer. Allah heeft ons tot dusverre geholpen; maar we moeten niet moedwillig het gevaar tarten,” sprak Marti ernstig.

»Dat is zoo, Marti. Doch er is nog iets anders, dat mijn gedachten bezig houdt.—Als we de Sibaoe’s zoo spoedig mogelijk vervolgen, ontdekken we misschien, op welke geheimzinnige wijze zij telkens in dit land plegen te komen. Indien we dáár achter kwamen, zouden we met de bala een krijgstocht in hun land kunnen wagen. Dat zou een mooie overwinning voor onze vrienden, de Kenjaoe’s, zijn. Bovendien zou ik misschien gelegenheid hebben, nog een appeltje te schillen met dien valschen Amat. En ten slotte zouden de diamanten wellicht toch nog in mijn handen vallen.”

»Denkt u nog altijd aan die diamanten, heer? Die heeft Amat waarschijnlijk al lang weggehaald.”

»Dat is mogelijk. Maar is hij er ook in geslaagd, het land der Sibaoe’s te verlaten? Dat is de groote vraag. Is hij er nog, dan krijg ik de diamanten.”

»Ik vrees, dat u te laat zult komen, heer!” Marti vroeg zich bekommerd af, welke ellende ze nu weer zouden beleven.

»Kom,” hernam Kees, »ik ga dadelijk naar Petinggi Datoek, om hem voor te stellen, de Sibaoe’s te vervolgen.”

Hij sprong op en verliet de lawang.

»Allah helpe ons!” zuchtte Marti: »Dat ontbreekt er nog maar aan.”

Petinggi Datoek was echter druk aan ’t feestvieren, en een feestvierende Dajak is er moeilijk toe te brengen, zijn belangstelling aan andere zaken te wijden. Toch gelukte het Kees ten slotte hem even alleen te spreken.

Nu bleek echter, dat Petinggi Datoek zelf reeds met andere hoofden over de vervolging der Sibaoe’s had gesproken. Tot hun spijt was echter het grootste gedeelte der mannen tevreden met de overwinning. Petinggi zou daarentegen heel graag een veldtocht ondernemen naar ’t Sibaoe-land. Hij was blij, dat hij een bondgenoot in Kees vond.

Beiden begaven ze zich nu tusschen de opgewonden menigte. Het kostte groote moeite, hieruit een aantal bijeen te krijgen voor een vergadering, waar men het nieuwe krijgsplan kon bespreken. Eindelijk kon Kees het woord nemen. Hij begon met een herinnering aan de behaalde zege. Maar hiermee was de taak der Kenjaoe’s niet afgedaan. De antoe’s hadden hen geholpen. Door nieuwe heldendaden moesten zij nu de antoe’s hun dankbaarheid toonen. Dan zouden de antoe’s groote vriendschap voor de Kenjaoe’s gaan koesteren. Ook hadden ze enkele dooden te betreuren. Die mocht men niet ongewroken laten. De Dajaks mochten hun eigen wetten van de bloedwraak niet verachten.

Kees eindigde ten slotte:

»Gij hebt u heden veel roem verworven. Maar onvergelijkelijk grooter zal uw roem zijn, wanneer gij in het land der Soengei-Sibaoe doordringt. Dan zult gij daar de koppen uwer vijanden uit hun eigen dorpen halen. De naam der Kenjaoe’s zal dan bekend engeëerd worden onder alle Dajakstammen tot ver in Serawak en in het land der groote Batang-Loepars!”

Opgewonden juichten de toch al door den feestroes verhitte mannen deze toespraak toe. Onmiddellijk zou men tot de vervolging overgaan.

Petinggi Datoek zond eenige vlugge jonge mannen uit. Hun taak was, de Sibaoe’s op te sporen en te blijven volgen; door teekens aan de boomen te kappen zouden ze hun den weg wijzen. De bala kon dan den volgenden dag zonder moeite volgen.

Aan de feestvreugde werd nu dadelijk een einde gemaakt, want men moest zich gereedmaken voor een langdurigen tocht.

Vele Kenjaoe’s versierden hun rottan hoofddeksels met de veeren, welke eens de Sibaoekoppen hadden getooid. Ze vonden, dat ze er nu veel krijgshaftiger uitzagen.

Den volgenden morgen ging men op marsch. Wijselijk besloot men niet alleen op het pad te loopen, doch ook er naast in het bosch. Dan was de kans, om in hinderlaag te vallen, zoo goed als uitgesloten.

De dag ging voorbij zonder eenig voorval van belang. Tegen den avond echter hoorde men in de verte de herkenningsroep van een der verspieders. Van den verkenner hoorden ze, dat ze hun vijanden reeds vrij dicht op de hielen zaten. De Sibaoe’s kwamen niet snel vooruit, daar ze een groot aantal gewonden mee moesten voeren. Deze mededeelingen vermeerderden den strijdlust der Kenjaoe’s. Er moest echter halt gehouden worden om te overnachten. In de legerplaats weerklonk nog geruimen tijd het geroezemoesvan opgewonden stemmen. Men prikkelde elkanders verbeelding met fantastische verhalen over te bedrijven heldendaden.

Reeds vroeg in den ochtend brak de bala op, om met groote snelheid verder te trekken.

Nadat men ruim een uur had geloopen, bleven de voorste Dajaks plotseling staan. Kees spoedde zich naar hun toe en vroeg:

»Wat is er? Ziet ge vijanden?”

»Neen, heer! doch er is een slecht voorteeken geweest. We kunnen onmogelijk verder trekken.”

»Wat was er dan?”

»Een kiekendief vloog ons tegemoet, heer. Dat is een zeer ongunstig teeken.”

De andere Dajaks, die intusschen naderbij gekomen waren, bespraken het geval in den breede, en zetten bedenkelijke gezichten. Het algemeen gevoelen was, dat het hoogst onvoorzichtig zou zijn, den tocht dadelijk voort te zetten.

Kees was wrevelig. Daar zou het geheele plan schipbreuk lijden op die domme bijgeloovigheid. Het was toch al twijfelachtig, of men de Sibaoe’s op tijd zou inhalen. Als de bala zich hier lang ophield, kwam men stellig te laat.

Hij wilde de Kenjaoe’s het dwaze van hun vrees duidelijk maken. Maar al zijn redeneerkunst mocht niets baten. Geen Dajak zou den moed bezitten moedwillig een slecht voorteeken te minachten. Er moest eerst weer een goed voorteeken komen. Dan zouden ze verder gaan.

Kees zat vol spijtige woede op een boomstamte wachten en verwenschte dat heidensche bijgeloof.

Plotseling schoot hem een gelukkige gedachte door ’t hoofd. Hij zou zelf een voorteeken bedenken.

Scherp luisterde hij, of hij niet een opvallende vogelstem in het bosch hoorde. Nauwelijks deed zich een eenigszins schel gefluit vernemen, of hij sprong op met teekenen van blijdschap. Hij beval de Dajaks goed toe te luisteren. Deze vroegen hem de beteekenis van het gefluit.

»Dat is de waarzeggende vogel der blanken. Die zegt mij, dat het gevaar geweken is en dat we verder kunnen gaan,” zei Kees.

De Dajaks vertrouwden de zaak niet erg. Ze maakten eenige tegenwerpingen. Doch toen liet dezelfde vogel weer zijn schrille fluittoon hooren. Nu verklaarde Kees, dat hij na deze waarschuwing niet langer op die plek durfde te blijven. Hij zou dan liever alleen vooruit gaan. De antoe’s zouden hem zeker helpen.

Als de blanke man zoo zeker van zijn zaak was, besloten de Dajaks maar te volgen. En zoo zette men den pas er weer in.

Gelukkig bleef men gedurende het verdere verloop van den dag bewaard voor zulke ongunstige teekens. Toch leefde Kees onophoudelijk in zorg, dat zich meer dergelijke ongewenschte stoornissen zouden voordoen, die den tocht zeker zouden doen mislukken.

Den volgenden dag passeerde de bala de afgebrande woning van een tiental Dajaksche families. Dit was het dorp Seboeloeh, dat door de Sibaoe’s verwoest was. Een paar bewoners van het dorp bevonden zich bij de bala. Het gezicht op hun verbrande bezittingendeed de wraakzucht weer opvlammen, welk gevoel zich aan de andere Kenjaoe’s mededeelde. Tegen den avond vond men twee mannen aan den kant van den weg zitten. Het waren twee der verkenners. Een van hen verscheen onmiddellijk voor Kees en Petinggi Datoek, om verslag van zijn bevindingen te doen.

»We hebben de Sibaoe’s voortdurend op den voet gevolgd en hun bewegingen bespied. Ze vermoeden waarschijnlijk niet, dat ze gevolgd worden. Toch schijnen ze voor alle zekerheid maatregelen te nemen; mijn makker, die daar zit, heeft vanmiddag in een randjoe getrapt. Hij kon niet verder gaan. Het voorwerp was daar zeker door de Sibaoe’s neergezet.”

»En waar zijn de Sibaoe’s?” vroeg Kees.

»Eenige uren voor u uit, heer. Morgen kunt u ze inhalen.”

Voorloopig besloot men op deze plek te overnachten en dan den anderen morgen met versnelden pas de vervolging voort te zetten. Toch was voorzichtigheid geboden, want men vond langs het pad verscheidene randjoe’s, scherp aangepunte bamboestokjes, met de punt naar boven in den grond gestoken.

Voor hij dien avond in slaap viel, overdacht Kees nog eens het doel van dezen tocht. Was het wel verstandig, de Sibaoe’s den volgenden dag aan te vallen? Dan zouden ze natuurlijk in verschillende richtingen vluchten en zich verbergen in het oerwoud. En dan zou men er zeer moeilijk, misschien in ’t geheel niet, in slagen uit te vorschen, langs welken weg ze in het land der Kenjaoe’s gekomen waren.

Zou het niet beter zijn, ze ongemerkt te blijvenachtervolgen? Dan bestond er groote kans op het ontdekken van hun geheimen weg. Dan kon men in hun land doordringen.—Kees zag in zijn verbeelding de diamanten reeds in zijn bezit.

Zoodra de dag aanbrak, ging Kees met Petinggi Datoek overleggen.

Petinggi verlangde echter naar dappere daden en voelde niet veel voor dat werkeloos volgen van den vijand. Toen Kees hem echter duidelijk maakte, dat hij dan misschien de kans verbeurde, in het stroomgebied der Soengei Sibaoe te komen, begon hij te weifelen.

»Denk er eens aan, Petinggi, dat het u volgens mijn krijgsplan misschien gelukken zal, uw mannen in het land van den vijand te voeren. Dat is in geen jaren gebeurd! Als het gelukt, zal het uw naam even beroemd maken als die van Rimaoe, het groote opperhoofd der Kenjaoe’s, waarvan ge mij hebt verteld. Dan zal men over vele jaren ook het heldengraf van Petinggi Datoek kunnen aanwijzen. En uw naam zal met eerbied worden genoemd door vele geslachten.”

Dit beroep op de ijdelheid van den Dajak miste zijn uitwerking niet. Petinggi was nu overtuigd van de voortreffelijkheid der wijziging van het veldtochtplan.

Zonder overijling werd nu de tocht voortgezet. Door de nasporingen der vooruitgezonden mannen wist men, dat men de Sibaoe’s dicht op de hielen zat. In den loop van dien dag passeerde men het dorp, dat het eerst door de Sibaoe’s overvallen was. Slechts eenige verkoolde palen staken nog omhoog; al het andere was weggebrand. In de nabijheid lagen nog de afschuwelijkverminkte overblijfselen van eenige der vermoorde bewoners. Op dit gezicht laaide de wilde strijdlust weer op; onwillekeurig zou men de tocht in versneld tempo voortzetten, en daardoor de zaak weer bederven. Het kostte Kees moeite, de vechtlustige Dajaks te kalmeeren.

Een eind voorbij dit dorp splitste de weg zich. De inkepingen in de boomen wezen echter het goede spoor.

In den namiddag hielden de voorste Dajaks plotseling halt. Ze verzamelden zich, luid pratende, om iets, dat op den weg lag. Wat zou er nu weer zijn? Weldra bemerkten Kees en Petinggi Datoek, dat het de lichamen van twee Sibaoe’s waren, maar zonder hoofd.

»Onze mannen hebben zeker deze vijanden gesneld,” zei een der Dajaks lachend.

»Het zullen gewonden of zieken zijn geweest, die onderweg bezweken zijn,” meende een ander.

Later bleek, dat de vooruitgezonden verkenners deze lijken al zonder hoofd hadden gevonden. Vermoedelijk hadden de Sibaoe’s zelf de koppen meegenomen, opdat ze niet in ’s vijands handen zouden vallen.

Intusschen naderde men het gebergte. De bodem begon te stijgen en werd rotsachtig. Bij een oude, vervallen ladang, welke men passeerde, hield het pad, dat men tot dusverre had kunnen volgen, plotseling op. Men moest zich nu uitsluitend richten naar enkele teekens en de sporen der Sibaoe’s.

Kees begon een gesprek met een der mannen uit het verwoeste dorp in de nabijheid.

»Ben je hier bekend?”

»Ja, heer, ik heb hier veel gejaagd.”

»Hoe ver ging je, om te jagen?”

»Tot den voet van het hooggebergte, heer, waar de rotsen steil opstijgen.”

»En heb je daar nooit iets opgemerkt, dat op een pad of een weg geleek?”

»Nooit, heer! Ik begrijp ook niet waar die Sibaoe’s eigenlijk heen willen. Denkelijk zullen ze morgen voor de rotsen staan, en ons daar in handen vallen.... tenzij ze vliegen kunnen,zooals de oude menschen vertellen.”

»Heb jij ooit menschen zien vliegen?”

»Neen, heer, maar al heb ik het nooit gezien, daarom zou het toch wel kunnen zijn?”

Tegen deze opmerking kon Kees niet veel inbrengen en hij volstond met te zeggen:

»We zullen het morgen wel zien.”

Dit gesprek was door anderen gedeeltelijk aangehoord. Het zette de verbeelding in vlam en weldra kwamen de tongen weer los. De Sibaoe’s bezaten tooverkrachten. Ze werden door machtige antoe’s geholpen. Ze konden over de bergen vliegen.

Kees trachtte die verhalen te ontzenuwen.

»Waar de Sibaoe’s langs kunnen, daar kunnen wij ook langs,” zei hij.

»We zullen zien, heer! We zullen zien!” zei een bedachtzaam oud man.

»Dàt zullen we! Het zal er mee gaan als met het gevecht. Eerst heette het, dat de Kenjaoe’s nooit de Sibaoe’s zouden kunnen verslaan. En toch hebben ze hen verslagen en ze vluchten voor ons uit, zoo hard ze maar kunnen.”

»Dat is waar! Dat is waar!” riepen verschillende stemmen.

»Laat ons den dag van morgen afwachten. Dan praten we weer!” riep Kees vol vertrouwen.

»We zullen ze wel krijgen, heer!” zei een der jongere mannen vroolijk.

»Juist! Als de verkenners maar zorgen, dat zij ze geen oogenblik uit het oog verliezen.”

Toen de avond viel was de bala reeds dicht aan den voet van het hooggebergte. De grijze rotsmassa’s leken hier al even ontoegankelijk als die van den eigenlijken Goenoeng Lawit. Met beklemming dacht Kees een oogenblik terug aan wat hij daar ondervonden had, waar de kaken des doods hem van alle zijden aangrijnsden. Hier leek het al niet veel beter.

Op deze plaats werd een vrij goede gelegenheid voor nachtkwartier gevonden.

Den volgenden morgen beklom men een heuvelrug, welke rechtstandig op het gebergte aanliep. Hoe meer men dit naderde, des te beter zag men, dat zich overal loodrechte rotswanden verhieven, die volkomen onbeklimbaar waren.

Kees begreep er niets van. Hij werd ongerust. Van de Dajaksche tooververhalen geloofde hij geen woord. Toch vreesde hij voor een raadsel te zullen komen, dat hij misschien niet kon oplossen. Zijn eenige hoop was gevestigd op de handigheid en de slimheid der verkenners. Wanneer deze de Sibaoe’s geen moment uit het oog verloren, bestond er kans, dat ze ook den geheimen weg zouden ontdekken.

Plotseling werd hij opgeschrikt door een zacht geroepuit de verte. Petinggi luisterde en herhaalde het onmiddellijk.

»Wat is dat, Petinggi?”

»Een van onze mannen, heer!”

»Zeker bericht over de Sibaoe’s.”

»Als het maar goed bericht is, heer!”

Een eind verder zat de verkenner verscholen in het struikgewas.

De bala hield halt en Kees en Petinggi Datoek begaven zich naar den verkenner.

»Wat nieuws?” vroeg Kees haastig.

»Slecht nieuws, heer!”

»Hoe zoo? Waar zijn de Sibaoe’s?”

»Verdwenen, heer! Ze zijn in de lucht verdwenen.”

Kees stampte op den grond. Petinggi Datoek stiet een kreet van bijgeloovige angst uit.

»Waar zijn de andere verkenners?” vroeg Kees eindelijk.

»Die zijn aan den voet der rotsen gebleven, heer. Zij wachten, waar we de Sibaoe’s zagen verdwijnen.”

»Heb je ze zien verdwijnen?” vroeg Kees met de grootste verbazing.

»Ja, heer; we waren een paar honderd depa1van hen af. Toen verdwenen ze in het kreupelhout aan den voet der rotsen. Na eenigen tijd slopen we vooruit, om te zien waar ze gebleven waren. Maar toen we in het kreupelhout kwamen, was er niets meer te bespeuren.”

»En waarheen liepen de sporen?”

»Die waren er niet, heer!”

»Wàt zeg je? Geen sporen?”

Kees schudde het hoofd over de domheid der Dajaks en Petinggi sloeg in de uiterste verbazing de handen ineen.

»Er wàren geen sporen, heer!”

»Je bazelt, man!” riep Kees driftig.

»Neen, heer, ik heb alles goed gezien. In het kreupelhout kon men duidelijk zien, dat de Sibaoe’s daar gestaan en geloopen hadden. Maar er was geen spoor van den verderen weg.”

»Dan hebben ze je bedrogen en hun spoor onherkenbaar gemaakt. De Sibaoe’s zijn slimmer dan de Kenjaoe’s. Ze hebben jelui als vrouwen om den tuin geleid.”

»Het beste is, dat u zelf eens gaat kijken, heer,” zei de Dajak droogjes.

»Dat zal ik doen, en dan zal ik je toonen, dat een blanke beter sporen kan zoeken, dan een Kenjaoe-dajak,” vervolgde Kees, die steeds boozer werd.

Petinggi Datoek gaf een teeken aan de bala. Deze naderde en men ging weer vooruit.

De Dajaks omringden nu den verkenner. Zij moesten er het hunne van hebben en weldra klonken allerlei uitroepen van schrik, angst en verbazing door de lucht.

»Vooruit!” riep Kees, »wijs ons liever den weg. Met oudewijvenpraatjes komen we niet verder.”

»Het zijn geen praatjes, heer!” verdedigde zich de Dajak.

»Welzeker zijn het praatjes! De Kenjaoe’s zijn oudevrouwen, die gelooven, dat menschen in vogels kunnen veranderen.”

»Ik heb u toch gezegd, heer, dat de Sibaoe’s altijd bekend zijn geweest om hun tooverkunsten. U heeft het nooit willen gelooven en nu ziet u het toch,” waagde Petinggi Datoek schuchter op te merken.

»Zwijg, Petinggi!” beval Kees op barschen toon. »Ik geloof het niet en zal het nooit gelooven!”

Men naderde ondertusschen het kreupelbosch, dat aan den voet der rotsen groeide.

»Laat ons hier het hout onderzoeken!” zei Kees terwijl hij het bosch betrad.

Slechts zeer enkele Dajaks volgden hem. De meesten bleven beangst en schuw op eenigen afstand staan wachten.

In het hout vond Kees de drie andere mannen, die de verklaringen van hun makker geheel bevestigden.

»Wijs me de plek, waar ge de Sibaoe’s het laatst gezien hebt.”

»Daar ginds, heer, waar u ook het hout is binnengekomen.”

»En hier zie ik duidelijk hun sporen,” zei Kees op den bodem wijzende.

»Hier nog wel, heer; maar verder op, vlak bij den rotswand, is een open plek. Daar houden de sporen op.”

Kees begaf zich naar de aangeduide plek en was weldra druk bezig een vervolg van de sporen te zoeken. Alles tevergeefs. Hij vond niets anders, dan wat de verkenners al hadden medegedeeld. Hier hadden een aantal menschen bijeengestaan. Zij hadden wat heen en weer geloopen, maar er was geen enkele aanwijzing,die aangaf, naar welken kant zij die open plek hadden verlaten.

Langzamerhand kwamen er meer Dajaks in het kreupelhout. Ieder zocht, maar niemand vond, wat hij wenschte.

Kees was in een buitengewoon slecht humeur. Hij meende op het gezicht der verkenners te lezen, dat ze zich heimelijk verheugden over de onmacht van den blanke. Dit prikkelde hem, te meer, daar hij weer een druk gemompel hoorde over de raadselachtige tooverkunsten der Sibaoe’s. Raadselachtig was de toestand inderdaad. Maar hij zou en hij moest het geheim onthullen. Hij snuffelde de geheele open plek nog eens na en daar hij last had van de Dajaks, beval hij dezen terug te gaan in het hout. Slechts Petinggi Datoek, Marti en één der verkenners hield hij bij zich, om hem zoo noodig te helpen.

De vier mannen stelden nu een nauwgezet onderzoek in. Na eenigen tijd kwamen ze tot het besluit, dat er twee soorten sporen waren, namelijk geheel versche, die hoogstens eenige uren oud konden zijn en ook oudere, die niet van de laatste dagen konden zijn.

»De nieuwe sporen zijn van vandaag, de oude van verscheidene dagen geleden,” merkte Marti op.

»Die zijn van den dag, waarop de Sibaoe’s dit land zijn binnen gevallen,” vooronderstelde Kees.

»Dat moet wel, heer, maar waar is hun weg!” riep Petinggi Datoek uit.

Marti had intusschen met den anderen Dajak nauwkeurig den bodem onderzocht. Eensklaps riep hij: »Hier is een gat, alsof er een paal heeft gestaan.”

Werkelijk was de grond daar ter plaatse losgewoeld.

»En hier heeft men de paal langs gesleept,” riep Petinggi Datoek opgewonden.

»Dan zijn ze hier langs een paal naar boven geklommen,” zei Kees. »En die ladder hebben ze omhooggetrokken, toen ze allen boven waren. Er is geen andere mogelijkheid,” riep Kees.

»Hier is een gat.”»Hier is een gat.”

»Hier is een gat.”

Allen keken opwaarts. Voor hen verhief zich de steile rotswand.

»Dat kan niet, heer; de rots is veel te hoog, zulke lange palen zijn er niet,” zei de Dajak.

»Neen, het is te hoog,” erkende Kees nadenkend. »En toch is er geen andere mogelijkheid!”

Hij trad een eind achteruit om den steilen wand eens goed te bekijken. Nu trof het hem, dat men een deel van den rotswand niet kon overzien. Daar sprong een klip een eind naar voren.

Hij wilde niets onbeproefd laten, om het geheim der Sibaoe’s te ontdekken.

»Zoek een langen en dunnen boomstam uit en kap dien!” beval hij aan een paar Dajaks. Toen aan zijn verlangen voldaan was, liet hij den stam schuinbij wijzevan ladder tegen den rotswand zetten. Daarna gelastte hij een der Dajaks, om naar boven te klimmen.

Nauwelijks had de man het uitstekende gedeelte van de rotsen bereikt, of hij riep:

»Hier is een hol!”

»Ha, hier hebben we eindelijk de oplossing van het raadsel!” riep Kees opgewonden.

Er ontstond nu een geweldig tumult onder de verzamelde Dajaks. Daar moesten ze meer van hebben en de achtergeblevenen snelden toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen.

»Tracht door het gat te kruipen!” riep Kees.

»Ja, heer, maar het is lastig! het is niet wijd!” Men wachtte eenige oogenblikken vol inspanning. Daar klonk de stem van den Dajak, maar nu van achter de vooruitstekende rotsen:

»Het gat loopt verder door. Laat nog een paar mannen hier komen! Ik durf alleen niet verder gaan!”

Kees besloot zichzelf op de hoogte te stellen. Hij klom naar boven, gevolgd door een der Dajaks, die inkepingen in het hout maakte om het klimmen voor de anderen gemakkelijker te maken.

Boven gekomen zag Kees, dat het gat juist groot genoeg was, om één man kruipend door te laten. Niet zonder moeite gelukte het hem, zich van den boom op de rots te werken en zich daarna door het gat te wringen. Toen hij in het hol doordrong, bemerkte hij, dat dit weldra wijder en hoogerwerd. Na een vijftigtal meters gekropen te hebben, kon hij opstaan en loopende zijn weg vervolgen. Een eind verder vond hij den Dajak, die ’t eerst naar boven was gegaan, op hem wachten.

Het was vrij donker in deze onderaardsche ruimte. Toch zag men aan het andere einde de schemering van het licht. Daar moest dus de andere uitgang zijn.

Weldra hadden zich nog een tiental mannen bij hen gevoegd. Nu ging men weer verder, om te zien, waar de gang uitkwam. Bij den uitgang zagen ze een diep ravijn voor zich en in de verte overal de steile rotswanden van het Lawit-gebergte. In het fijne zand op den bodem, waarop ze stonden, waren duidelijk de voetsporen der Sibaoe’s afgeteekend.

Ten overvloede kwamen eenige Dajaks met een paar tot ruwe ladders bewerkte boomstammen aansleepen, die ze juist in ’t hol hadden gevonden.

Nu was de laatste vrees der Kenjaoe’s voor hun oude vijanden geheel verdwenen. Ze zagen in, dat ze zich altijd door de listige Sibaoe’s hadden laten verschalken.Alle tooververhalen bleken nu ineens volkomen onwaar te zijn.

Maar hoe waren de Sibaoe’s nu in het ravijn gekomen? Ook dat pad werd weldra ontdekt. Nu begonnen ze naar beneden af te dalen. Gemakkelijk was dat niet; hier en daar moesten de mannen gebruik maken van tegen de rotsen geplaatste boomstammen.

Het duurde verscheidene uren voor de bala in zijn geheel in het diepe ravijn was aangekomen. Toen kon men den tocht voortzetten. Het ravijn kronkelde als een holle weg tusschen de hooge en steile rotswanden door. Het leed geen twijfel, of men was op den goeden weg, die rechtstreeks naar het land der Sibaoe’s voerde.

De vreugde en de opgewondenheid onder de Kenjaoe’s was groot. Ook Kees uitte zijn blijde tevredenheid; hij kwam meer nader bij zijn doel: de Soengei Sibaoe, waar de schat der diamanten verborgen lag.

1vademen.

1vademen.

XII. Terug in het land der Sibaoe-dajaks.Door het lange oponthoud van den vorigen dag was men de Sibaoe’s geheel kwijt geraakt. De sporen van hun voetstappen waren echter duidelijk. Men was op den goeden weg.Bizonder snel ging men evenwel niet voorwaarts, daar de bodem van het ravijn oneffen en veelal moeilijk begaanbaar was.»Nu zijn we voor den tweeden keer in het landder Sibaoe’s, Marti!” zei Kees vroolijk tot zijn trouwen reisgezel, die als gewoonlijk vlak bij hem liep.»Ja, heer! maar het is te hopen, dat het beter afloopt.”»Ben je weer beangst, Marti? We zijn nù toch heel sterk. De heele bala der Kenjaoe’s is immers bij ons!”»Maar de Sibaoe’s zijn in hun eigen land sterk genoeg, om den bala te verslaan. Zij kunnen ons ook in een hinderlaag lokken en dan is ’t met ons gedaan.”»Dat is waar, Marti; maar je hebt toch gezien, dat de Sibaoe’s niet de minste moeite hebben gedaan, om hun sporen te verbergen. Ze denken in ’t geheel niet, dat wij hen volgen. Indien ze ons hadden willen verslaan, zouden ze dat heel gemakkelijk hebben kunnen doen in het rotshol. Ze denken zonder twijfel, dat ze veilig zijn en keeren naar hun dorpen terug.”»Het is mogelijk heer; doch ik zou toch liever zien, dat de bala wat voorzichtiger vooruitging. Hier tusschen die rotsen en dat dichte struikgewas kunnen enkele mannen ons reeds geduchte verliezen bezorgen.”»Zeg dat even aan Petinggi Datoek,” raadde Kees.Marti begaf zich naar het hoofd en besprak de zaak met dezen. Hij nam onmiddellijk maatregelen voor meerdere veiligheid en zond enkele verkenners vooruit.Kees liep intusschen weer te denken over andere dingen. Het verlangen, om de diamanten te bezitten, werd, nu hij dichter bij zijn doel kwam, steeds heviger. Hoe zou hij ze in zijn handen krijgen? Had Amat ze niet reeds lang weggehaald? En op welke manier zou hij met den trouweloozen Maleier afrekenen?»Het eenige middel is, een paar Sibaoe’s te ondervragen,” overlei hij in zich zelf. »Maar hoe krijg ikdat gedaan? De Kenjaoe’s maken geen gevangenen. Die snellen onmiddellijk alles wat in hun handen komt. Ik zal er eens met Petinggi over spreken. Die moet mij helpen, om een paar Sibaoe’s levend in handen te krijgen.”Hij wendde zich tot het Dajaksch hoofd: »Zeg Petinggi, weet je nog wel, dat ik het geweest ben, die je aangeraden heb, om den strijd met de Sibaoe’s te aanvaarden?”»Zeker, heer! Uw raad was goed!”»Herinner je je ook, dat ik het was, die volhield dat er een geheime weg moest zijn? En is het zoo niet uitgekomen? En hebben we daardoor den vijand niet kunnen blijven volgen?”»Ja, heer! Ik en alle Kenjaoe’s weten dat, en wij allen zijn u dankbaar. Uw naam zal bekend blijven, zoolang er mannen van onzen stam leven.”Petinggi keek Kees intusschen met klimmende verwondering aan. Wat bedoelde de blanke man met al zijn vragen?»Dat is goed, Petinggi!” zei Kees en vervolgde toen: »Nu wilde ik vragen, of de Kenjaoe’s ook iets voor mij zouden willen doen.”»Natuurlijk, heer! als het in onze macht ligt.”»O, het is heel gemakkelijk, Petinggi!”»Dan zal het gebeuren, heer!”»Welnu, Petinggi, je weet, dat ik vroeger ook al in dit land geweest ben. Het was mijn doel te zoeken naar de Soengei Tekoeng. Het is je bekend, dat ik toen mijn doel niet bereikt heb. Ik moest vluchten voor de verraderlijke plannen der Sibaoe’s. Nu benik weer terug in dit land en ik wilde gaarne mijn oorspronkelijk plan uitvoeren. Maar ik weet hier den weg niet. Ook wil ik berichten inwinnen omtrent den Maleier Amat, die mij verraden heeft, zooals je weet.”»Hij moet zijn straf hebben!” riep de Dajak.»Juist! Maar daartoe is noodig, dat ik een paar Sibaoe’s kan ondervragen. Die alleen kunnen mij helpen.”»Dat begrijp ik, heer! Maar wat is nu uw wensch?”»Mijn wensch is, dat de Kenjaoe’s een paar Sibaoe’s sparen, indien wij in gevecht komen, en dat ze de gevangenen aan mij afstaan.”»O, dat is goed, heer! Die kunt u krijgen! Wij krijgen koppen genoeg, als we de huizen overvallen. U kunt wel een paar Sibaoe’s krijgen. Bovendien kunnen we ze later altijd nog snellen.”»Neen, Petinggi, dat wil ik niet! Het is mijn bedoeling, die menschen geheel voor mij zelf te houden. En als ze mij goede diensten bewijzen, geef ik ze de vrijheid terug.”De Dajak zette een verwonderd gezicht. Dat was zeker weer een zonderlinge gewoonte van de blanken; koppen te kunnen krijgen en ze toch niet snellen. Het was vreemd!Petinggi hield echter zijn opmerkingen voor zich en zei alleen:»Zooals u wilt, heer! Wij zijn u veel dank verschuldigd en zullen doen, wat u verlangt. Ik zal aan de Kenjaoe’s zeggen, dat ze degenen, die levend in onze handen vallen, moeten sparen. Dan kunt u die menschen ondervragen. Die u dan gebruiken kunt, mag u houden.”»Goed zoo!” riep Kees tevreden.Eenigen tijd liepen ze zwijgend verder. Toen vroeg Petinggi Datoek plotseling:»Wat wilt u toch eigenlijk zoeken bij die Soengei Tekoeng?”»Dat kan ik je niet zeggen, Petinggi! Het is een geheim en niet eens van me zelf, doch van een ander, zoodat ik er zeker niet over spreken mag.”»Dat is zoo, heer,” zei de Dajak en vervolgde toen droogjes:»Meestal is het de blanke menschen, die zoo diep in het land der Dajaks doordringen, te doen om het gele goud, of om de kleine, witte, glinsterende steentjes in de rivieren. Maar u zult ongetwijfeld wel een ander doel hebben.”Half nieuwsgierig, half spottend keek hij Kees van terzijde aan.»Laat het genoeg zijn, Petinggi!” zei Kees, lichtelijk verstoord.Alsof hij dat niet bemerkte, vervolgde de Dajak:»Wij, Dajaks, dragen geen diamanten. Die brengen altijd ongeluk. Ons volksgeloof zegt, dat het gestolde tranen zijn van een godin, die heel lang geleden op aarde leefde, en die, volgens de verhalen, veel verdriet heeft gehad.”Kees achtte het verstandig, op deze en andere opmerkingen het zwijgen te bewaren, ten einde niets van zijn plannen te laten blijken.Men had den geheelen dag noodig om door het gebergte te trekken. Van de Sibaoe’s bemerkte men niets anders dan de sporen, welke ze hadden achtergelaten op den bodem.Den volgenden dag wezen verschillende kenteekenen er op, dat men bewoonde streken naderde. Men vond een oud voetpad. Hier hadden jagers springlansen opgesteld, om groot wild te verschalken. Groote voorzichtigheid was soms noodig, om niet door deze lansen in de beenen getroffen te worden.Het pad werd steeds beter en vertoonde meer sporen van gebruik. In den namiddag kwam de bala op een punt, waar de weg zich splitste. De vooruitgezonden verkenners hadden echter door teekens in de boomen aangegeven, welke der beide paden men moest volgen. Eenigen tijd later ontdekten de voorste mannen een ladang, waarop men echter geen teeken van leven bespeurde. Verder op werd echter een huis waargenomen. Zeer voorzichtig, verborgen door het bosch, trachtte men deze woning te naderen Nu zag men een klein dorp op een open, vrij hoogen heuvel.»We kunnen dit huis niet naderenzonder ontdektte worden,” zei Kees.»Neen, heer! We moeten ons in het bosch verschuilen tot den nanacht en dan het huis omsingelen.”Weldra was de geheele bala in het struikgewas verdwenen. Niets duidde het vreeselijk gevaar aan, dat den dorpelingen zoo onmiddellijk bedreigde.Scherp werd dien nacht de wacht gehouden. Niemand sliep. Ieder verkeerde in spanning en luisterde scherp, of zich geen verdachte geruchten deden hooren. Er bestond in dit vreemde land altijd kans, ontdekt te worden.Te middernacht schrokken ze plotseling op door het gejank van een hond in de richting van het huis.»We zijn ontdekt!” fluisterde Kees tot Petinggi.»Ik geloof het niet, heer! De wind is hierheen; die hond kan ons niet geroken hebben.”Kort daarop zweeg het gejank en ofschoon de Dajaks lang luisterden, bleek Petinggi gelijk te hebben gehad. Enkele uren na middernacht achtte het hoofd den tijd gekomen, om aan te vallen.Voorzichtig sloop men tot den rand van het bosch. Daar lag het open terrein. Flauw begon de schemering de oosterkim te kleuren. Het was dus hoog tijd. Een twintigtal mannen schoof als slangen langs den grond naar het huis toe. De anderen verspreidden zich in kleine groepjes langs den boschrand om zoo de open plek geheel te omsingelen.Kees stond in de nabijheid van het bosch en kon alles goed overzien.Een tiental mannen kroop onder het huis. De anderen stelden zich bij de ingangen op. Plotseling gaf één der mannen een schreeuw. Zij, die onder het huis stonden, staken met hun scherpe lansen door den uit latten bestaanden vloer, waarop de slapende bewoners lagen. Onmiddellijk klonk een hevig gekerm en geschreeuw uit het huis, dat weldra werd overstemd door het oorlogsgehuil der Kenjaoe’s, die nu wisten, dat hun toeleg gelukt was.Daar stoof een Sibaoe met een parang in de hand de ladder af. Hij had den grond nog niet bereikt, of hij stortte door een speerstoot getroffenlevenloos neer. Een oogenblik later volgden aan de beide uitgangen nog een drietal mannen en een vrouw. Ook deze werden opgevangen door hun moordenaars en lagen weldra ontzield ter aarde.In het huis klonk nog gekerm en geschreeuw en de Kenjaoe’s onder de woning beijverden zich, de ongelukkigen, die volmaakt weerloos waren, met lanssteken af te maken.Tenslotte stormden een paar aanvallers de ladders op en betraden het huis om in de lawangs hun bloedig bedrijf te voltooien. In een oogwenk was alles afgeloopen en onmiddellijk daarop werden alle slachtoffers gesneld.Kees was ondertusschen genaderd. Hem ergerde deze gruwelijke moordpartij en hij kon zijn afgrijzen niet bedwingen.»Vindt u ’t niet goed, heer?” vroeg een der Dajaks, die zag, hoe ontdaan Kees was.»Neen, zoo’n moord op slapende menschen kan ik niet goedkeuren. Aan een eerlijk gevecht doe ik zelf graag mee; maar dit vind ik afschuwelijk.”»U moet niet vergeten, dat de Sibaoe’s altijd gewoon waren, onze dorpen op deze manier uit te moorden! We hebben dus geen enkele reden, hen te sparen. En bovendien: koppen zijn koppen, heer. Of ze van vrouwen, kinderen of mannen zijn, dat doet er niet toe. De antoe’s zijn er tevreden mee en aan de bloedwraak is voldaan,” antwoordde de Dajak.Kees kon er niet veel tegen in brengen. Dajaks zijn nu eenmaal Dajaks. Zij redeneeren niet volgens de begrippen der blanken.Plotseling schoot hem te binnen, dat hij geen gevangenen gezien had. Vermoedelijk hadden de Kenjaoe’s in hun wraakzucht niet aan hun belofte gedacht. Verstoord ging hij naar Petinggi en vroeg:»Heeft men nu enkele der mannen voor mij gespaard, zooals afgesproken was?”De Dajak schrok en riep beschaamd uit:»Neen, heer! Dat hebben we vergeten. U moet niet denken, dat de Kenjaoe’s ondankbaar zijn; doch het genot, eindelijk eens wraak te kunnen nemen, doet ons alles vergeten.”»Dus krijg ik geen gevangenen?” vroeg Kees scherp.»Den volgenden keer zult u ze hebben! Ik sta er voor in, heer!”»Ik moet het eerst zien, voor ik het geloof, Petinggi!”»U heeft het recht zoo te spreken, heer!”Kees verwijderde zich, doch nam zich voor, zelf voor gevangenen te zorgen, door zich met Marti in den strijd te mengen. Toen de bala verder trok, bemerkte Kees, dat de Dajaks het uitgemoorde dorp in brand hadden gestoken. Luid klonk het gebrul der vlammen. Ze vonden een gemakkelijk voedsel in de hoogst brandbare materialen, waarvan een Dajaksch huis is opgetrokken. Tusschen het geloei der vlammen klonken hevige knallen als kanonschoten door het springen der dikke bamboegeledingen. Het was een helsch lawaai.Een dichte rookwolk dreef over het bosch.»Het is zeer dom, dit huis te verbranden. Die rookwolk kan ons verraden,” zei Kees tot Petinggi.»Dat is wel zoo, heer! Maar we moeten de huizen der Sibaoe’s verbranden. Ze hebben de onze ook verbrand.”»Doe het dan liever op den terugweg; dan levert het minder gevaar op. Bovendien kunnen we er dan in slapen. Dat is beter, dan altijd in het bosch te overnachten.”De Dajak schrok.»Dat kan niet, heer! We kunnen niet slapen in huizen, waar de gedoode Sibaoe’s in hebben gelegen. De antoe’s zouden ons dat niet toestaan.”Een dichte rookwolk dreef over het bosch.Een dichte rookwolk dreef over het bosch.Het was vruchteloos hier iets tegen in te brengen. Voor de zooveelste maal verwenschte Kees de bijgeloovigheid der Dajaks.Langzaam en voorzichtig trok de bala verder. In den middag trok men voorbij een ladang waaropeen huisje stond, dat echter geheel verlaten bleek.Tegen den avond echter ontdekten de verkenners een groote ladang. Toen men deze was omgetrokken, zag men het dak van een groot huis boven het geboomte uitsteken. Op dezelfde wijze als den vorigen avond werd de bala in het bosch verdekt opgesteld. Ook nu wilde men onder begunstiging van de duisternis het huis besluipen. Dit dorp was echter veel grooter, zoodat er heel wat meer mannen onder het paalwerk moesten kruipen. Dat ging nu minder vlot, want onder de woning waren varkensstallen afgeschut, waarin een groote menigte krulstaarten verblijf hield. Enkele van de opgeschikte dieren begonnen te knorren. Onmiddellijk klonk er een woedend hondengeblaf uit de woning. Daar binnen was in een oogwenk alles in rep en roer. Vrouwen en kinderen gilden; dreigende mannenstemmen brulden van woede. Weldra sprongen een aantal goed gewapende Sibaoe’s door de uitgangen aan het eind en door openingen in de zijwanden naar buiten.Een hevig gevecht volgde en van alle zijden snelden de Kenjaoe’s toe. Dat was hoog tijd, want zij, die vooruit gegaan waren, kregen het geducht te kwaad.Nu echter was de overmacht te groot en de Sibaoe’s werden overwonnen. Verscheidene bewoners van het huis hadden in de verwarring weten te ontsnappen en waren in het bosch gevlucht. De Kenjaoe’s zelf hadden ook verliezen geleden; eenige hunner waren gedood en ook enkelen gewond.Bij het begin van het gevecht had Kees zich met behulp van Marti meester gemaakt van een der Sibaoe’s. Ze ontwapenden hem en hielden hem stevig vast, totdatde strijd beslist was. Tot groot genoegen van Kees kwam ook Petinggi Datoek met een gevangene bij hem.»In het huis ligternog een vastgebonden, heer!” zei de Dajak, zeer voldaan, dat hij nu woord had kunnen houden.Kees prees hem en vervolgde:»Mooi, nu heb ik er drie!”»Misschien kunt u van deze mannen alles vernemen, wat u weten wilt.”»Ik hoop het. Laat een paar mannen de gevangenen stevig binden en voor mij bewaken. Dan wil ik ze straks ondervragen.”»Ik zal er voor zorgen, heer!”De Dajak verwijderde zich, om aan het verzoek te voldoen.Weldra waren de drie Sibaoe’s behoorlijk verzekerd en zaten voor Kees op den grond. Zelf nam hij op een boomstam plaats.De menschen verkeerden in grooten angst en verwonderden zich waarschijnlijk, dat hun hoofd nog tusschen de schouders stond.»Wees niet bevreesd! Ik ben een blanke en zal je niet dooden. Ge hebt alleen op al mijn vragen te antwoorden. Als ge juiste antwoorden geeft, zal ik u verder beschermen en misschien wel geheel vrij laten.”De Sibaoe’s zeiden niets. Uit hun oogen sprak echter duidelijk wantrouwen in de bedoelingen van den blanken man. Ze konden zich niet voorstellen, dat deze hen zou laten leven. Was dat misschien nog niet veel erger? Zouden ze niet gemarteld en gepijnigd worden? Dan verkozen ze nog liever een snellen dood!»Hebt ge mij verstaan en goed begrepen?” vroeg Kees, hen één voor één in de oogen ziende.De mannen knikten.»Welnu, luistert dan! Hoe heet dit dorp?”»Seboedoet, heer!” antwoordde een der mannen.»Welk water drinken de menschen van Seboedoet?”»Het water van de Soengei Pejang, heer!”Kees had moeite zijn vreugde te verbergen, toen hij dezen naam hoorde.»De Soengei Pejang is een zijrivier van de Soengei Sibaoe, nietwaar?”»Ja, heer.”»Kent ge een tak van de Pejang, die de Soengei Tekoeng heet?”»Die kennen we, heer.”»Is dat hier ver vandaan?”»Neen, heer; één dag de rivier op ligt de monding van de Tekoeng.”Kees trilde van opwinding, doch het was noodig dat hij zich beheerschte.»Dus, gijlieden kunt mij daarheen den weg wijzen?”»Ja, heer, ik heb daar vaak gevischt,” zei één der gevangenen.»Is hier wel eens meer een blanke geweest?” De Dajaks zwegen op deze vraag, doch keken elkaar tersluiks even aan.»Denk aan mijn woorden! Alleen indien ge naar waarheid antwoordt op mijn vragen, kunt ge op mijn hulp rekenen. Anders lever ik u over aan de Kenjaoe’s!”Dit dreigement was voldoende om de menschen weer aan ’t praten te krijgen.»Een paar rijstoogsten geleden is hier ook een blanke geweest. Hij zwierf hier het land rond; niemand wist, wat hij deed. Slechts een paar onzer mannen vergezelden hem als dragers. Op zekeren dag bemerkten deze, dat hij diamanten zocht. Dat brengt ongeluk en daarom wilden de mannen hem niet verder volgen. Wat er met hem gebeurd is, weet ik niet. De dragers zeiden, dat hij in den nacht verdwenen was. Doch wij geloofden het niet. Vermoedelijk hebben ze hem gedood, om de antoe’s te bevredigen. Daar het een blanke was, durfden ze dat waarschijnlijk niet vertellen.”»En waar zou dat gebeurd zijn?”»Aan de Soengei Tekoeng, heer,” was het aarzelend bescheid.»Die man was een vriend van mij en ik kom berichten omtrent hem inwinnen,” vervolgde Kees.»Komt u om zijn dood te wreken, heer?”»Het is nog niet zeker, dat hij dood is. Nu wil ik nog weten, of ge een Maleier, Amat genaamd, hebt gezien.”»Ja, heer; die is hier kort geleden geweest. Hij heeft één nacht in Seboedoet geslapen en is toen weer verder gereisd.”»Was hij alleen?”»Hij had één drager bij zich; een man uit Metoedjoe.”»En is die niet teruggekeerd? Heeft hij niet gezegd, waar hij heenging?”»Neen, heer; hij is in de richting van het hooggebergte gegaan en we hebben hem niet teruggezien.”»Het is goed. Voorloopig blijven jelui mijn gevangenen. Tracht niet te ontvluchten; want dan wordt ge gedood.”Kees stond op en begaf zich naar de bala. Deze maakte zich reeds gereed om te vertrekken, na het huis weer in brand te hebben gestoken.»Petinggi, laat de mannen nog een oogenblik wachten. Ik moet met je praten.”Petinggi volgde.Intusschen stond het dorp Seboedoet in lichte laaie. De vlammen gierden met rosse tongen omhoog en verkondigden de zegepraal der Kenjaoe-dajaks.

Door het lange oponthoud van den vorigen dag was men de Sibaoe’s geheel kwijt geraakt. De sporen van hun voetstappen waren echter duidelijk. Men was op den goeden weg.

Bizonder snel ging men evenwel niet voorwaarts, daar de bodem van het ravijn oneffen en veelal moeilijk begaanbaar was.

»Nu zijn we voor den tweeden keer in het landder Sibaoe’s, Marti!” zei Kees vroolijk tot zijn trouwen reisgezel, die als gewoonlijk vlak bij hem liep.

»Ja, heer! maar het is te hopen, dat het beter afloopt.”

»Ben je weer beangst, Marti? We zijn nù toch heel sterk. De heele bala der Kenjaoe’s is immers bij ons!”

»Maar de Sibaoe’s zijn in hun eigen land sterk genoeg, om den bala te verslaan. Zij kunnen ons ook in een hinderlaag lokken en dan is ’t met ons gedaan.”

»Dat is waar, Marti; maar je hebt toch gezien, dat de Sibaoe’s niet de minste moeite hebben gedaan, om hun sporen te verbergen. Ze denken in ’t geheel niet, dat wij hen volgen. Indien ze ons hadden willen verslaan, zouden ze dat heel gemakkelijk hebben kunnen doen in het rotshol. Ze denken zonder twijfel, dat ze veilig zijn en keeren naar hun dorpen terug.”

»Het is mogelijk heer; doch ik zou toch liever zien, dat de bala wat voorzichtiger vooruitging. Hier tusschen die rotsen en dat dichte struikgewas kunnen enkele mannen ons reeds geduchte verliezen bezorgen.”

»Zeg dat even aan Petinggi Datoek,” raadde Kees.

Marti begaf zich naar het hoofd en besprak de zaak met dezen. Hij nam onmiddellijk maatregelen voor meerdere veiligheid en zond enkele verkenners vooruit.

Kees liep intusschen weer te denken over andere dingen. Het verlangen, om de diamanten te bezitten, werd, nu hij dichter bij zijn doel kwam, steeds heviger. Hoe zou hij ze in zijn handen krijgen? Had Amat ze niet reeds lang weggehaald? En op welke manier zou hij met den trouweloozen Maleier afrekenen?

»Het eenige middel is, een paar Sibaoe’s te ondervragen,” overlei hij in zich zelf. »Maar hoe krijg ikdat gedaan? De Kenjaoe’s maken geen gevangenen. Die snellen onmiddellijk alles wat in hun handen komt. Ik zal er eens met Petinggi over spreken. Die moet mij helpen, om een paar Sibaoe’s levend in handen te krijgen.”

Hij wendde zich tot het Dajaksch hoofd: »Zeg Petinggi, weet je nog wel, dat ik het geweest ben, die je aangeraden heb, om den strijd met de Sibaoe’s te aanvaarden?”

»Zeker, heer! Uw raad was goed!”

»Herinner je je ook, dat ik het was, die volhield dat er een geheime weg moest zijn? En is het zoo niet uitgekomen? En hebben we daardoor den vijand niet kunnen blijven volgen?”

»Ja, heer! Ik en alle Kenjaoe’s weten dat, en wij allen zijn u dankbaar. Uw naam zal bekend blijven, zoolang er mannen van onzen stam leven.”

Petinggi keek Kees intusschen met klimmende verwondering aan. Wat bedoelde de blanke man met al zijn vragen?

»Dat is goed, Petinggi!” zei Kees en vervolgde toen: »Nu wilde ik vragen, of de Kenjaoe’s ook iets voor mij zouden willen doen.”

»Natuurlijk, heer! als het in onze macht ligt.”

»O, het is heel gemakkelijk, Petinggi!”

»Dan zal het gebeuren, heer!”

»Welnu, Petinggi, je weet, dat ik vroeger ook al in dit land geweest ben. Het was mijn doel te zoeken naar de Soengei Tekoeng. Het is je bekend, dat ik toen mijn doel niet bereikt heb. Ik moest vluchten voor de verraderlijke plannen der Sibaoe’s. Nu benik weer terug in dit land en ik wilde gaarne mijn oorspronkelijk plan uitvoeren. Maar ik weet hier den weg niet. Ook wil ik berichten inwinnen omtrent den Maleier Amat, die mij verraden heeft, zooals je weet.”

»Hij moet zijn straf hebben!” riep de Dajak.

»Juist! Maar daartoe is noodig, dat ik een paar Sibaoe’s kan ondervragen. Die alleen kunnen mij helpen.”

»Dat begrijp ik, heer! Maar wat is nu uw wensch?”

»Mijn wensch is, dat de Kenjaoe’s een paar Sibaoe’s sparen, indien wij in gevecht komen, en dat ze de gevangenen aan mij afstaan.”

»O, dat is goed, heer! Die kunt u krijgen! Wij krijgen koppen genoeg, als we de huizen overvallen. U kunt wel een paar Sibaoe’s krijgen. Bovendien kunnen we ze later altijd nog snellen.”

»Neen, Petinggi, dat wil ik niet! Het is mijn bedoeling, die menschen geheel voor mij zelf te houden. En als ze mij goede diensten bewijzen, geef ik ze de vrijheid terug.”

De Dajak zette een verwonderd gezicht. Dat was zeker weer een zonderlinge gewoonte van de blanken; koppen te kunnen krijgen en ze toch niet snellen. Het was vreemd!

Petinggi hield echter zijn opmerkingen voor zich en zei alleen:

»Zooals u wilt, heer! Wij zijn u veel dank verschuldigd en zullen doen, wat u verlangt. Ik zal aan de Kenjaoe’s zeggen, dat ze degenen, die levend in onze handen vallen, moeten sparen. Dan kunt u die menschen ondervragen. Die u dan gebruiken kunt, mag u houden.”

»Goed zoo!” riep Kees tevreden.

Eenigen tijd liepen ze zwijgend verder. Toen vroeg Petinggi Datoek plotseling:

»Wat wilt u toch eigenlijk zoeken bij die Soengei Tekoeng?”

»Dat kan ik je niet zeggen, Petinggi! Het is een geheim en niet eens van me zelf, doch van een ander, zoodat ik er zeker niet over spreken mag.”

»Dat is zoo, heer,” zei de Dajak en vervolgde toen droogjes:

»Meestal is het de blanke menschen, die zoo diep in het land der Dajaks doordringen, te doen om het gele goud, of om de kleine, witte, glinsterende steentjes in de rivieren. Maar u zult ongetwijfeld wel een ander doel hebben.”

Half nieuwsgierig, half spottend keek hij Kees van terzijde aan.

»Laat het genoeg zijn, Petinggi!” zei Kees, lichtelijk verstoord.

Alsof hij dat niet bemerkte, vervolgde de Dajak:

»Wij, Dajaks, dragen geen diamanten. Die brengen altijd ongeluk. Ons volksgeloof zegt, dat het gestolde tranen zijn van een godin, die heel lang geleden op aarde leefde, en die, volgens de verhalen, veel verdriet heeft gehad.”

Kees achtte het verstandig, op deze en andere opmerkingen het zwijgen te bewaren, ten einde niets van zijn plannen te laten blijken.

Men had den geheelen dag noodig om door het gebergte te trekken. Van de Sibaoe’s bemerkte men niets anders dan de sporen, welke ze hadden achtergelaten op den bodem.

Den volgenden dag wezen verschillende kenteekenen er op, dat men bewoonde streken naderde. Men vond een oud voetpad. Hier hadden jagers springlansen opgesteld, om groot wild te verschalken. Groote voorzichtigheid was soms noodig, om niet door deze lansen in de beenen getroffen te worden.

Het pad werd steeds beter en vertoonde meer sporen van gebruik. In den namiddag kwam de bala op een punt, waar de weg zich splitste. De vooruitgezonden verkenners hadden echter door teekens in de boomen aangegeven, welke der beide paden men moest volgen. Eenigen tijd later ontdekten de voorste mannen een ladang, waarop men echter geen teeken van leven bespeurde. Verder op werd echter een huis waargenomen. Zeer voorzichtig, verborgen door het bosch, trachtte men deze woning te naderen Nu zag men een klein dorp op een open, vrij hoogen heuvel.

»We kunnen dit huis niet naderenzonder ontdektte worden,” zei Kees.

»Neen, heer! We moeten ons in het bosch verschuilen tot den nanacht en dan het huis omsingelen.”

Weldra was de geheele bala in het struikgewas verdwenen. Niets duidde het vreeselijk gevaar aan, dat den dorpelingen zoo onmiddellijk bedreigde.

Scherp werd dien nacht de wacht gehouden. Niemand sliep. Ieder verkeerde in spanning en luisterde scherp, of zich geen verdachte geruchten deden hooren. Er bestond in dit vreemde land altijd kans, ontdekt te worden.

Te middernacht schrokken ze plotseling op door het gejank van een hond in de richting van het huis.

»We zijn ontdekt!” fluisterde Kees tot Petinggi.

»Ik geloof het niet, heer! De wind is hierheen; die hond kan ons niet geroken hebben.”

Kort daarop zweeg het gejank en ofschoon de Dajaks lang luisterden, bleek Petinggi gelijk te hebben gehad. Enkele uren na middernacht achtte het hoofd den tijd gekomen, om aan te vallen.

Voorzichtig sloop men tot den rand van het bosch. Daar lag het open terrein. Flauw begon de schemering de oosterkim te kleuren. Het was dus hoog tijd. Een twintigtal mannen schoof als slangen langs den grond naar het huis toe. De anderen verspreidden zich in kleine groepjes langs den boschrand om zoo de open plek geheel te omsingelen.

Kees stond in de nabijheid van het bosch en kon alles goed overzien.

Een tiental mannen kroop onder het huis. De anderen stelden zich bij de ingangen op. Plotseling gaf één der mannen een schreeuw. Zij, die onder het huis stonden, staken met hun scherpe lansen door den uit latten bestaanden vloer, waarop de slapende bewoners lagen. Onmiddellijk klonk een hevig gekerm en geschreeuw uit het huis, dat weldra werd overstemd door het oorlogsgehuil der Kenjaoe’s, die nu wisten, dat hun toeleg gelukt was.

Daar stoof een Sibaoe met een parang in de hand de ladder af. Hij had den grond nog niet bereikt, of hij stortte door een speerstoot getroffenlevenloos neer. Een oogenblik later volgden aan de beide uitgangen nog een drietal mannen en een vrouw. Ook deze werden opgevangen door hun moordenaars en lagen weldra ontzield ter aarde.

In het huis klonk nog gekerm en geschreeuw en de Kenjaoe’s onder de woning beijverden zich, de ongelukkigen, die volmaakt weerloos waren, met lanssteken af te maken.

Tenslotte stormden een paar aanvallers de ladders op en betraden het huis om in de lawangs hun bloedig bedrijf te voltooien. In een oogwenk was alles afgeloopen en onmiddellijk daarop werden alle slachtoffers gesneld.

Kees was ondertusschen genaderd. Hem ergerde deze gruwelijke moordpartij en hij kon zijn afgrijzen niet bedwingen.

»Vindt u ’t niet goed, heer?” vroeg een der Dajaks, die zag, hoe ontdaan Kees was.

»Neen, zoo’n moord op slapende menschen kan ik niet goedkeuren. Aan een eerlijk gevecht doe ik zelf graag mee; maar dit vind ik afschuwelijk.”

»U moet niet vergeten, dat de Sibaoe’s altijd gewoon waren, onze dorpen op deze manier uit te moorden! We hebben dus geen enkele reden, hen te sparen. En bovendien: koppen zijn koppen, heer. Of ze van vrouwen, kinderen of mannen zijn, dat doet er niet toe. De antoe’s zijn er tevreden mee en aan de bloedwraak is voldaan,” antwoordde de Dajak.

Kees kon er niet veel tegen in brengen. Dajaks zijn nu eenmaal Dajaks. Zij redeneeren niet volgens de begrippen der blanken.

Plotseling schoot hem te binnen, dat hij geen gevangenen gezien had. Vermoedelijk hadden de Kenjaoe’s in hun wraakzucht niet aan hun belofte gedacht. Verstoord ging hij naar Petinggi en vroeg:

»Heeft men nu enkele der mannen voor mij gespaard, zooals afgesproken was?”

De Dajak schrok en riep beschaamd uit:

»Neen, heer! Dat hebben we vergeten. U moet niet denken, dat de Kenjaoe’s ondankbaar zijn; doch het genot, eindelijk eens wraak te kunnen nemen, doet ons alles vergeten.”

»Dus krijg ik geen gevangenen?” vroeg Kees scherp.

»Den volgenden keer zult u ze hebben! Ik sta er voor in, heer!”

»Ik moet het eerst zien, voor ik het geloof, Petinggi!”

»U heeft het recht zoo te spreken, heer!”

Kees verwijderde zich, doch nam zich voor, zelf voor gevangenen te zorgen, door zich met Marti in den strijd te mengen. Toen de bala verder trok, bemerkte Kees, dat de Dajaks het uitgemoorde dorp in brand hadden gestoken. Luid klonk het gebrul der vlammen. Ze vonden een gemakkelijk voedsel in de hoogst brandbare materialen, waarvan een Dajaksch huis is opgetrokken. Tusschen het geloei der vlammen klonken hevige knallen als kanonschoten door het springen der dikke bamboegeledingen. Het was een helsch lawaai.

Een dichte rookwolk dreef over het bosch.

»Het is zeer dom, dit huis te verbranden. Die rookwolk kan ons verraden,” zei Kees tot Petinggi.

»Dat is wel zoo, heer! Maar we moeten de huizen der Sibaoe’s verbranden. Ze hebben de onze ook verbrand.”

»Doe het dan liever op den terugweg; dan levert het minder gevaar op. Bovendien kunnen we er dan in slapen. Dat is beter, dan altijd in het bosch te overnachten.”

De Dajak schrok.

»Dat kan niet, heer! We kunnen niet slapen in huizen, waar de gedoode Sibaoe’s in hebben gelegen. De antoe’s zouden ons dat niet toestaan.”

Een dichte rookwolk dreef over het bosch.Een dichte rookwolk dreef over het bosch.

Een dichte rookwolk dreef over het bosch.

Het was vruchteloos hier iets tegen in te brengen. Voor de zooveelste maal verwenschte Kees de bijgeloovigheid der Dajaks.

Langzaam en voorzichtig trok de bala verder. In den middag trok men voorbij een ladang waaropeen huisje stond, dat echter geheel verlaten bleek.

Tegen den avond echter ontdekten de verkenners een groote ladang. Toen men deze was omgetrokken, zag men het dak van een groot huis boven het geboomte uitsteken. Op dezelfde wijze als den vorigen avond werd de bala in het bosch verdekt opgesteld. Ook nu wilde men onder begunstiging van de duisternis het huis besluipen. Dit dorp was echter veel grooter, zoodat er heel wat meer mannen onder het paalwerk moesten kruipen. Dat ging nu minder vlot, want onder de woning waren varkensstallen afgeschut, waarin een groote menigte krulstaarten verblijf hield. Enkele van de opgeschikte dieren begonnen te knorren. Onmiddellijk klonk er een woedend hondengeblaf uit de woning. Daar binnen was in een oogwenk alles in rep en roer. Vrouwen en kinderen gilden; dreigende mannenstemmen brulden van woede. Weldra sprongen een aantal goed gewapende Sibaoe’s door de uitgangen aan het eind en door openingen in de zijwanden naar buiten.

Een hevig gevecht volgde en van alle zijden snelden de Kenjaoe’s toe. Dat was hoog tijd, want zij, die vooruit gegaan waren, kregen het geducht te kwaad.

Nu echter was de overmacht te groot en de Sibaoe’s werden overwonnen. Verscheidene bewoners van het huis hadden in de verwarring weten te ontsnappen en waren in het bosch gevlucht. De Kenjaoe’s zelf hadden ook verliezen geleden; eenige hunner waren gedood en ook enkelen gewond.

Bij het begin van het gevecht had Kees zich met behulp van Marti meester gemaakt van een der Sibaoe’s. Ze ontwapenden hem en hielden hem stevig vast, totdatde strijd beslist was. Tot groot genoegen van Kees kwam ook Petinggi Datoek met een gevangene bij hem.

»In het huis ligternog een vastgebonden, heer!” zei de Dajak, zeer voldaan, dat hij nu woord had kunnen houden.

Kees prees hem en vervolgde:

»Mooi, nu heb ik er drie!”

»Misschien kunt u van deze mannen alles vernemen, wat u weten wilt.”

»Ik hoop het. Laat een paar mannen de gevangenen stevig binden en voor mij bewaken. Dan wil ik ze straks ondervragen.”

»Ik zal er voor zorgen, heer!”

De Dajak verwijderde zich, om aan het verzoek te voldoen.

Weldra waren de drie Sibaoe’s behoorlijk verzekerd en zaten voor Kees op den grond. Zelf nam hij op een boomstam plaats.

De menschen verkeerden in grooten angst en verwonderden zich waarschijnlijk, dat hun hoofd nog tusschen de schouders stond.

»Wees niet bevreesd! Ik ben een blanke en zal je niet dooden. Ge hebt alleen op al mijn vragen te antwoorden. Als ge juiste antwoorden geeft, zal ik u verder beschermen en misschien wel geheel vrij laten.”

De Sibaoe’s zeiden niets. Uit hun oogen sprak echter duidelijk wantrouwen in de bedoelingen van den blanken man. Ze konden zich niet voorstellen, dat deze hen zou laten leven. Was dat misschien nog niet veel erger? Zouden ze niet gemarteld en gepijnigd worden? Dan verkozen ze nog liever een snellen dood!

»Hebt ge mij verstaan en goed begrepen?” vroeg Kees, hen één voor één in de oogen ziende.

De mannen knikten.

»Welnu, luistert dan! Hoe heet dit dorp?”

»Seboedoet, heer!” antwoordde een der mannen.

»Welk water drinken de menschen van Seboedoet?”

»Het water van de Soengei Pejang, heer!”

Kees had moeite zijn vreugde te verbergen, toen hij dezen naam hoorde.

»De Soengei Pejang is een zijrivier van de Soengei Sibaoe, nietwaar?”

»Ja, heer.”

»Kent ge een tak van de Pejang, die de Soengei Tekoeng heet?”

»Die kennen we, heer.”

»Is dat hier ver vandaan?”

»Neen, heer; één dag de rivier op ligt de monding van de Tekoeng.”

Kees trilde van opwinding, doch het was noodig dat hij zich beheerschte.

»Dus, gijlieden kunt mij daarheen den weg wijzen?”

»Ja, heer, ik heb daar vaak gevischt,” zei één der gevangenen.

»Is hier wel eens meer een blanke geweest?” De Dajaks zwegen op deze vraag, doch keken elkaar tersluiks even aan.

»Denk aan mijn woorden! Alleen indien ge naar waarheid antwoordt op mijn vragen, kunt ge op mijn hulp rekenen. Anders lever ik u over aan de Kenjaoe’s!”

Dit dreigement was voldoende om de menschen weer aan ’t praten te krijgen.

»Een paar rijstoogsten geleden is hier ook een blanke geweest. Hij zwierf hier het land rond; niemand wist, wat hij deed. Slechts een paar onzer mannen vergezelden hem als dragers. Op zekeren dag bemerkten deze, dat hij diamanten zocht. Dat brengt ongeluk en daarom wilden de mannen hem niet verder volgen. Wat er met hem gebeurd is, weet ik niet. De dragers zeiden, dat hij in den nacht verdwenen was. Doch wij geloofden het niet. Vermoedelijk hebben ze hem gedood, om de antoe’s te bevredigen. Daar het een blanke was, durfden ze dat waarschijnlijk niet vertellen.”

»En waar zou dat gebeurd zijn?”

»Aan de Soengei Tekoeng, heer,” was het aarzelend bescheid.

»Die man was een vriend van mij en ik kom berichten omtrent hem inwinnen,” vervolgde Kees.

»Komt u om zijn dood te wreken, heer?”

»Het is nog niet zeker, dat hij dood is. Nu wil ik nog weten, of ge een Maleier, Amat genaamd, hebt gezien.”

»Ja, heer; die is hier kort geleden geweest. Hij heeft één nacht in Seboedoet geslapen en is toen weer verder gereisd.”

»Was hij alleen?”

»Hij had één drager bij zich; een man uit Metoedjoe.”

»En is die niet teruggekeerd? Heeft hij niet gezegd, waar hij heenging?”

»Neen, heer; hij is in de richting van het hooggebergte gegaan en we hebben hem niet teruggezien.”

»Het is goed. Voorloopig blijven jelui mijn gevangenen. Tracht niet te ontvluchten; want dan wordt ge gedood.”

Kees stond op en begaf zich naar de bala. Deze maakte zich reeds gereed om te vertrekken, na het huis weer in brand te hebben gestoken.

»Petinggi, laat de mannen nog een oogenblik wachten. Ik moet met je praten.”

Petinggi volgde.

Intusschen stond het dorp Seboedoet in lichte laaie. De vlammen gierden met rosse tongen omhoog en verkondigden de zegepraal der Kenjaoe-dajaks.


Back to IndexNext