Chapter 6

Waterdraagsters te Shimvah.Waterdraagsters te Shimvah.Het waterhalen is vaak geen sinecure. Als de put in of bij het dorp is, kan het wel aardig zijn, daar het een uitstekende gelegenheid biedt, om de dorpspraatjes te hooren; maar op sommige plaatsen, zooals bij voorbeeld in Marwat in den zomer, is het naaste water zes of zeven of zelfs tien mijlen ver te halen, en de reis heen en terug moet minstens om den anderen dag worden gedaan. In Marwat pakken de vrouwen op haar ezeltjes de lederen fleschen van geitevel en gaan lang vóór het aanbreken van den dag heen, zoodat de nachtelijke reiziger soms lange rijen van die dieren ontmoet, die op den heen- of den terugweg zijn naar de wel, onder de hoede van een aantal meisjes of vrouwen. De ezels moeten zich dan tevreden stellen met wat ze kunnen drinken op de plaats van de bron.Als de vrouwen thuis komen, is het vaak nauwelijks dag, en nu begint nog de drukke tijd, die voor haar tot den middag duurt. Vooreerst moet er graan worden gemalen in handmolens; dan moet de melk van den vorigen dag worden gekarnd, de koeien en geiten moeten worden gemolken, het eten moet gekookt, het huis opgeknapt, en honderd-en-één andere plichten moeten worden verricht, die alleen een vrouw zou kunnen beschrijven.Op reis zijn de vrouwen altijd zwaar beladen. Menziet ze vaak niet alleen de kinderen dragen en allerlei huisraad, maar ook nog de vrachtdieren drijven, terwijl de prinselijke echtgenooten niets dan hun geweer hebben, of hoogstens een van de kinderen voor hunne rekening nemen. Het gebeurt niet, omdat de mannen zoo hardvochtig zijn; maar omdat het eenmaal gewoonte is. Hun vaders en de voorvaderen deden hetzelfde, en de vrouwen zouden de eersten zijn, om een jonge vrouw hard te vallen, als zij klaagde of zich verzette.Veel vrouwen, vooral die van den Povindah-stam, zijn prachtexemplaren van haar sekse. Die menschen leggen honderden mijlen af van Khorassan naar Indië en nemen hun hebben en houden mee, kinderen en have en goed. De vrouwen kunnen de kameelen even goed pakken en drijven als de mannen en dragen de lasten handiger. Het leven in de open lucht met altijd druk werk heeft ze gezond en gespierd gemaakt en sterk, en ze zien er knap uit, al duurt de schoonheid niet zoo lang, als ’t geval zou wezen, wanneer het leven minder zwaar voor ze was.Als er een kleintje is, begint het lijden het ergst te drukken. De karavaan kan zich niet ophouden, en zelden is er een os of kameel beschikbaar, waar de vrouw op kan rijden. Ze moet meestal reeds den volgenden dag mee marcheeren met baby in haar armen of hangend op haar rug, alsof er niets was gebeurd. Dan lijden ze veel en doen kwalen op, die haar bij ons in het hospitaal brengen, vaak voor het leven tot sukkelen gedoemd. Als er geen hospitaal is, moeten ze maar in stilte lijden of bezwijken.Een mohammedaansche fakir.Een mohammedaansche fakir.De afghaansche adel handhaaft de strengste parda of afzondering voor de vrouwen, die eentonig haar dagen slijten achter de gordijnen en jaloezieën van de paleisachtige gevangenissen, met weinig anders te doen dan te praten over kleêren en juweelen en te lasteren. Afghaansche jongens van goede familie worden er zedelijk niet beter op door de opvoeding in de verweekelijkte, weelderige omgeving van die vrouwenverblijven of zenana’s. De armere klassen kunnen zich de weelde niet veroorloven, hun vrouwen op te sluiten, en zij trachten de deugd bij de vrouwen en meisjes te handhaven door barbaarsche straffen, niet enkel voor wezenlijke onzedelijkheid, maar ook al voor elke inbreuk op het decorum.Een hoofd van een der grensstammen, dien ik ken, vond op een dag bij zijn thuis komen onverwachts zijn vrouw in gesprek met een buurman bij den muur van zijn tuin. Zijn zwaard trekkend in een vlaag van jaloezie, sloeg hij haar het hoofd af en wierp het over den muur, roepend tot den man: “Daar! Je bent zoo verliefd op mijn vrouw, je kunt haar krijgen.” De buurman ging beschaamd in een ander dorp wonen.De gewone straf in zoo’n geval van te groote familiariteit is het afsnijden van den neus der vrouw en, zoo mogelijk, ook van den man. Dit hoofd ging in zijn woede verder dan zijn rechten toelieten. Als hij een eenvoudig burger was geweest, en als de vrouw invloedrijke betrekkingen had gehad zou hij er misschien voor hebben moeten boeten. In den regel heeft de vrouw geen kans op recht; zij is het eigendom van den man, en een man mag doen, wat hij wil, met wat van hem is. Dit is het algemeen gevoelen, en niemand zou op het denkbeeld komen of er lust in hebben, zich met iemands huiselijke aangelegenheden te bemoeien. Een man koopt zijn vrouw en onderhandelt erover met haar vader ofals die dood is, met haar broeder, en de vader heeft verder weinig macht, die hij zou kunnen gebruiken, om haar te beschermen, aangezien hij haar prijs in den zak heeft gestoken.Een uitzondering in dezen is het huwelijk door ruil. Veronderstel, dat er in ieder van twee families een ongetrouwde zoon is en een ongetrouwde dochter, dan wordt er vaak tot een onderling dubbel huwelijk besloten zonder eenige betaling. In die gevallen is de positie van de vrouwen een weinig, een klein weinig maar, beter dan bij een huwelijk door koop. Als een man en een vrouw onzedelijkheid plegen, mag de echtgenoot beiden dooden; maar als hij den man laat ontsnappen, mag hij hem later niet in koelen bloede vermoorden. Doet hij het toch, dan is dat reden voor een bloedveete, en de betrekkingen van den vermoorden man mogen wettig wraak nemen of hij moet het verschil betalen tusschen den prijs van eens mans leven en dien van de eer eener vrouw. In de praktijk wordt dikwijls een man vermoord, als naar het gebruik van den stam het genoeg zou zijn geweest, indien zijn neus werd afgesneden; maar het is vaak gemakkelijker voor den verontwaardigden echtgenoot in hinderlaag te gaan liggen en hem onverwacht dood te schieten, dan hem zoo volkomen te vermeesteren, dat de neus kan worden afgesneden.Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.Elk jaar krijgen wij in het hospitaal een aantal gevallen, meer vrouwen dan mannen, wier neus glad met een mes is afgesneden. Daar het al een heel oude, indische manier is van schending van het aangezicht, bedachten de menschen al eeuwen geleden een operatie, om het euvel te verhelpen, waarbij een stuk van het voorhoofdsvel naar onder wordt gebracht en op de wond wordt bevestigd, en nog gebruiken wij die operatie met enkele wijzigingen in de bij ons gebrachte gevallen. Twee jaar her bracht een niet zeer gunstig eruit ziend Afghaan zijn vrouw in het zendingshospitaal van Bannoe. In een vlaag van jaloezie had hij haar den neus afgesneden; maar toen hij op een kalmer oogenblik nadacht en overwoog, dat hij een goede som voor haar had betaald en alleen zijn eigen bezitting had geschonden, speet het hem en bracht haar bij ons, om haar weer op te knappen. Zij had een laag voorhoofd, dat voor de gewone operatie niet kon dienen, en dus zei ik tot den man, dat ik niet dacht, een volkomen succes te bereiken; maar dat, als hij den prijs wou betalen, ik wel een kunstneus uit Engeland kon laten komen, die, al werd de vrouw niet zoo mooi als te voren, de misvormdheid toch geheel zou doen verdwijnen.“Hoeveel moet dat kosten?” vroeg de Afghaan.“Ongeveer dertig roepijen”.Er was een oogenblik stilte, en hij werd blijkbaar geslingerd tusschen tegenstrijdige gevoelens.“Wel, vriend, hoe denk je erover. Zal het gebeuren of niet?”“Ik dacht erover na, Sahib,” antwoordde hij, “dat u zegt, mij voor dertig roepijen te kunnen helpen, en ik kan een nieuwe vrouw krijgen voor tachtig roepijen.”En dit werd gezegd in de tegenwoordigheid van het arme slachtoffer, zonder dat uit iets bleek, dat hij meende, iets bijzonders te hebben gezegd! Het verheugt mij, te kunnen meedeelen, dat hij ten slotte besloot, de eerste vrouw op te knappen, dat hij het geld betaalde en ik hem het artikel uit Engeland bezorgde. Het was volkomen naar den zin, en denlaatsten keer, dat ik van hen hoorde, leefden ze gelukkig samen. Misschien zal hij nog eens dreigen, dat hij haar neus zal opbergen, als ze hem mishaagt, nu hij weet, dat hij dien kan verwijderen, zoo vaak hij wil, zonder opnieuw dertig roebels te moeten betalen.De twee grootste sociale euvelen, waar de afghaansche vrouwen onder lijden, zijn de koop van de vrouwen en de gemakkelijkheid van de scheiding. Ik zou er nog een derde bij kunnen noemen, namelijk de veelwijverij; maar al is dat een kwaad, het komt niet algemeen voor, en alleen rijke mannen kunnen zich de weelde van meer dan één vrouw veroorloven. De Mohammedanen zelf beginnen het verkeerde in te zien en leggen den Koran zóó uit, dat het eigenlijk niet mag, door te zeggen, dat er een voorwaarde bij wordt gemaakt. Een man zou namelijk slechts dan meer dan één vrouw mogen huwen, als hij jegens allen volkomen onpartijdig kan zijn, en daar dat niet mogelijk is, wordt monogamie de wet voor gewone stervelingen.Het volgende, dat onder mijn oogen plaats had, toont aan, hoeveel kwaad voortvloeit uit scheiding en polygamie. Er waren drie broeders, die wij Abraham, Sandullah enFathzullen noemen, allen gelukkig getrouwd, ieder met één vrouw. Abraham, de oudste broer, stierf. De tweede broer mocht nu de weduwe trouwen; maar ze hield niet van hem, terwijl ze zich sterk aangetrokken voelde tot den jongsten broeder, Fath. Ze haatte echter Faths vrouw en was vast besloten, niet als tweede vrouw onder haar te staan. Fath liet zich meesleepen door de bekoring van de weduwe en stemde erin toe, zich van zijn vrouw te laten scheiden op voorwaarde, dat de weduwe met hem zou huwen. Zij stemde toe en zwoer, dat ze nooit Sandullahs vrouw zou worden, en daarop liet Fath zijn huwelijk ontbinden. Maar Sandullah stond op zijn recht en dwong de weduwe tot een huwelijk met hem, waarin zij moest berusten. Ze wist echter ontmoetingen met Fath te hebben en toen, wat gaat de dwaze Sandullah doen? Hij trouwt de gescheiden vrouw van Fath. Nu was de weduwe woedend; zij had geweigerd, den man, van wien ze hield, te trouwen, tenzij hij van de vrouw scheidde, en nu is ze getrouwd met den man, dien ze niet begeerde, en heeft de gehate als mede-echtgenoote op den koop toe.Er was een man van een heftig karakter in het dorp, die geboeid was door de bekoorlijkheden der weduwe. Zij had al zijn smeekingen weerstaan; maar nu zei ze hem, om haar zin te krijgen, dat, als hij zijn doel wilde bereiken, hij eerst haar tegenwoordigen echtgenoot moest dooden. Dat vond de minnaar geen bezwaar en met medewerking van de vrouw werd de man naar een afgelegen korenveld gelokt en daar geworgd door den minnaar, die echter gevat werd en tot dwangarbeid veroordeeld, terwijl de veelbegeerde nu den jongsten broeder, Fath, kon trouwen, dien ze liefhad.Ondanks den staat van dienstbaarheid, waarin de vrouwen worden gehouden en ondanks haar onwetendheid en haar bijgeloof hebben ze in den huiselijken kring grooten invloed en ze vormen de karakters van het opkomend geslacht in veel sterkere mate, dan de mannen doen.Dat trof mij op een dag sterk in de school. Er moest een onderwerp worden gekozen voor een debatavond, en verschillende onderwerpen waren voorgesteld en verworpen. Ik gaf aan de hand: “Wie heeft den meesten invloed op de vorming onzer karakters, onze vaders of onze moeders?”“Hoe kunnen wij nu zulk een eenzijdig debat vaststellen?” was de vraag, die dadelijk door wel een dozijn leerlingen werd gesteld. “Wie zou er willen pleiten voor de vaders! Natuurlijk gaat de grootste invloed van onze moeders uit.”Wat is het dus belangrijk voor de toekomst van het volk, dat er iets gedaan wordt, om de moeders der natie te verheffen en te ontwikkelen en hooggestemd te doen zijn.Een pelgrimstocht, met een mijner leerlingen ondernomen, als bedelmonniken of sadoe’s, leverde heel wat belangwekkende incidenten en droeg er niet weinig toe bij, onze kennis van het volk uit te breiden. Daar wij zonder eenig geld reisden, waren we afhankelijk van wat men ons gaf, niet enkel voor de betaling van ons dagelijksch voedsel, maar ook voor zulke uitgaven als de vracht bij het overzetten der rivieren en den toegang tot de bruggen van de vijf groote stroomen in Pendsjab.Onze eerste rivier was de Indus, en daar er over dat deel der rivier geen brug was, gingen wij er in veerbooten over. Wij hadden er geen moeite mee, want we waren hier bekend, en een van mijn leerlingen bediende zelf de boot en zette ons over. Maar het was niet zoo gemakkelijk bij de Jhelumrivier. Toen wij het westelijk uiteinde van de brug bereikten, hield de tolwachter ons aan om betaling. Ik zei hem, dat ik een christelijke sadoe was, die naar Hindostan reisde en dat wij hoegenaamd geen geld bij ons hadden. Hij geloofde ons of hij deed het niet; maar te oordeelen naar den blik, dien hij op de fietsen wierp, was hij waarschijnlijk ongeloovig. In elk geval, hij zei ons ronduit, dat geen penningen, geen passage, en geen uiteenzetting van de bijzondere voorrechten van een sadoe hem konden doen afwijken van het practisch geldelijk inzicht in de quaestie, dus konden wij niet anders doen, dan maar stil zitten wachten aan den weg en zien, wat er zou gebeuren.Even daarna kwam een gezelschap Hindoes aanzetten op hun weg naar de morgenwasschingen in de rivier en keek ook verbaasd bij de vreemde samenvoeging van sadoe’s en fietsen. Dit leidde tot een gesprek, in den loop waarvan wij hun de bedoeling van onzen tocht meedeelden en de reden van ons stilzitten. Ze beproefden toen met grooten ernst, ons af te brengen van het prediken van het Evangelie, om de leer der Veda’s te verkondigen, en boden zelfs aan, de anna’s te betalen voor den tol, als wij hun plan wilden volgen. Dit gaf mij de gelegenheid, de schoonheid van Jezus’ leer aan te toon en en erop te wijzen, dat wie eenmaal voor haar gewonnen was, haar nooit weer verliet.Zij kleedden hun minachting voor de leer van het kruis in hun medelijden voor onze prediking, die ons niets hielp, “want”, zeiden ze, “er zijn hier geen Christenen, om u over te zetten, en het is niet waarschijnlijk, dat Hindoes of Mohammedanen u voor zulk een zending zullen willen helpen.” Ik antwoordde, dat ik er vrede mee had, aan den weg te wachten, tot hulp kwam opdagen, en dat ik dacht, niet lang meer te moeten wachten.“Ga naar de stad terug; daar zijn christenzendelingen, die u zullen helpen;maar niemand zal dezen kant uit komen, al wacht ge den ganschen dag.”Ik antwoordde, dat, als het de wil van Allah was, dat wij zouden gaan naar den overkant, hij ons de vereischte middelen zou verschaffen, zoowel hier als in de stad. Ik had pas uitgesproken, of wij zagen een ambtenaar met een bediende, die in de richting van de brug reden. Toen hij bij ons was, herkenden wij een officier van de grens, die naar de Jhelum was uitgezonden met een speciale opdracht. Hij herkende mij en toonde zich verbaasd, mij in zulke eigenaardige omstandigheden aan te treffen. Toen hij vernam, wat de reden onzer aanhouding was, behoefde de tolgaarder natuurlijk niet lang op zijn geld te wachten, en ik kon mijn Hindoevrienden erop wijzen, dat God niet veel tijd had noodig gehad, om ons hulp te zenden zelfs van zoo grooten afstand als Pesjawar, en wij gingen verder met een verlicht hart. Het is maar waar, dat twee anna’s in sommige gevallen meer waard kunnen zijn dan honderd roepijen in andere omstandigheden.Wij reden langs den interessanten Grooten Weg, nu eens ten noorden, dan ten zuiden van den spoorweg. De frissche morgenlucht van een winter in Pendsjab heeft een opwekkenden invloed op den eetlust, en wij vormden alleen de uitzondering, dat we wel den trek hadden, maar niets in onzen knapzak, om dien te bevredigen. Om ons nog meer te tantalizeeren, was het de feestdag na de groote mohammedaansche vasten, en in alle dorpen waren de menschen aan het feestvieren en smullen. De kinderen waren op hun mooist en hadden pret op schommels, die aan de boomen om de dorpen hingen of met spelen op den weg. Mijn afghaansche reisgenoot, die het vasten had gehad zonder het feest, ging ten laatste naar een groep vroolijke menschen, en na ze begroet te hebben met het gewone “Salam aleikum”, zei hij, dat hij honger had en heel graag een klein deel wou hebben van de Idkoeken. De toegesproken man zag ons uit de hoogte aan van het hoofd tot de voeten en zei: “O, gij noemt u fakirs, en ge rijdt op fietsen! En dan uw brood te bedelen! Foei!” en draaide ons den rug toe. Mijn metgezel wendde zich tot mij met een volstrekt niet sadoe-achtige uitdrukking op zijn gezicht en zei: “Wij, Afghanen, waren altijd gewoon te zeggen, dat Mohammedanen uit Pendsjab maar halve Mohammedanen zijn; maar nu zie ik, dat we het mis hadden; ze zijn niet eens kwart-geloovigen. In ons land noodigen we vreemdelingen binnen, en reizigers mogen aan onze maaltijden deelnemen.”Watervervoer op ezels in Shimvah.Watervervoer op ezels in Shimvah.Het was mijn gewoonte, in de meeste steden in de bazars te prediken, en gewoonlijk bood dan na de preek iemand uit het gehoor ons gastvrijheid aan. Toen we Pind Dadan Khan bereikten, was het daar echter te laat voor, daar het al donker was, en na den bazar te zijn rondgewandeld en met enkele menschen te hebben gesproken, van wie niemand ons gastvrijheid aanbood, gingen wij naar de openbare karavanserai, Victoria Ghar, waar reizigers kosteloos kunnen logeeren. Iemand had ons wat kleingeld geschonken, waar we suikerriet voor kochten, om ons maal mee te doen. Daar ik dorst had, vroeg ik een fatsoenlijken Mohammedaan, die aan het eten was, om een glas water. Hij gaf het; maar toen ik het glas aan de lippen bracht, zei hij: “Ik zou wel willen weten, wat uw godsdienst is.” Ik antwoordde: “Ik ben een christen.” Toen hij dat hoorde, nam de heer mij het glas af, zeggende: “Ik wil mijn glas niet door uw aanraking verontreinigd zien.” Dit was een graad van bijgeloof, dien ik gelukkig zelden tegenkwam, en zoo iets wordt zeker niet door den Koran geleerd, die welwillendheid predikt tegenover christenen en joden en samenwoning met hen toelaat.Na die weigering wilden wij niemand in de plaats weer om water vragen. Den volgenden dag reisden wij weer naar Khewra, en door den bazar gaande, zagen wij den gouvernementsdokter en een hindoeschen assistent van hem, die buiten hun hospitaal-patiënten ondervroegen. Hij kende ons en in plaats van water bracht hij ons melk en een ontbijt. Hoe welkom dat ook was, zijn vriendelijkheid en hartelijke begroeting deden ons nog het meeste goed.De volgende rivier, waar wij over moesten, was de Beas en toen wij er uit de richting van Gurdaspur bij kwamen op een helderen wintermorgen trof ons de schoonheid van het landschap. Links van ons was een prachtig panorama van den Himalaya, met de rijen van achter elkaâr oprijzende bergen van glinsterende sneeuw, een vizioen van verblindende witheid. En daarvóór de verscheidenheid van groen en bruin van Pendsjabs vlakte met wouden en velden, waardoor de rivier Beas haar zilveren kronkels slingerde. Tusschen den Khaiberpas in ’t noorden en de Koeramvallei in ’t zuiden vindt men in de dalen der Afridi’s met hun vriendelijke dorpen kleine molens, door de bergstroompjes gedreven. Bij Shinkiari bijvoorbeeld in het Hazaradistrict ziet men ze te midden van de rijstvelden met hun groote molensteenen in de schaduw der moerbeiboomen. Bij ’t bereiken van de rivier zagen we, dat de tolgaarder aan den anderen kant was, en dat men den stroom niet kon doorwaden. Den bootsman vragend, of wij zonder te betalen mochten worden overgebracht, daar wij dat niet konden doen, kregen we ten antwoord, dat de eenige manier was, het aan den overkant te vragen en dat één van ons dat mocht doen. Wij van onze zijde achtten het beter, als we beiden overgingen om te vragen, en daar de bootslieden er niet tegen hadden, heschen we onze machines aan boord van een der booten en werden overgezet met een aantal kameelen en ossen. Veilig aan den anderen kant gingen we naar het tolkantoor en deden, wat de oosterlingen altijd doen in een moeilijkheid, wachten, om te zien, hoe het afloopt. De ambtenaar nam onverschillig het geld voor de passage aan, voor twee- en viervoetigen gelijkelijk, keek ons streng aan, zonder te spreken, en begon zijn hoekah te rooken. Toen er wat tijd verloopen was, waren we nog allen in beschouwing verdiept, hij van de rookwolken uit zijn pijp en wij van het landschap. Zijn geduld raakte het eerst op, en hij verbrak de stilte met: “Nu, Sadoe, uw geld?”Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.“Ik heb werkelijk dat wereldsche ding niet.”“Welk recht hadt u dan de rivier over te steken in des Sarkars boot?”“Het was ons plan, een gunst van u te vragen.”“Wat verlangt de Sadoe van mij?”“Enkel dat u, daar wij een pelgrimstocht doen naar Indië, en geen geld hebben, ons toestaat geen tol te betalen. Daar u aan den overkant was en niemand onze boodschap wilde overbrengen, bleef er niets anders over, dan dat wij in persoon het verzoek deden.”“Zeer goed, Sadoe; ik sta uw verzoek toe. Wil mijner gedenken.”Van zijn broeders-zendelingen hoorde ik uiteenloopende meeningen over dat aantrekken der inlandsche kleeding. De meesten keurden het af of verwachtten er geen succes van, en één der broeders moest er lang over nadenken, of hij ons nog wel in zijn huis kon ontvangen. Hij meende, dat de afgrond tusschen Oost en West inderdaad niet te overbruggen was, en dat men er geen poging voor moest doen, want dat de verhouding van den zendeling tot de inlanders alleen patronizeerend, nooit familjaar moest zijn. Met een indischen broeder maaltijd en dak te deelen, leek hem dwaas, zelfs een hand te geven scheen hem onbehoorlijk, terwijl de Engelschman, die zich als een inlander kleedde, den britschen naam in Indië oneer aandeed, wat in zijn oogen haast gelijk stond met tornen aan het britsche bestuur. Ik had een gevestigde meening op dat punt al gauw, nadat ik in Indië was gekomen, en nooit hebben de omstandigheden daarin wijziging gebracht. De afgrond lijkt mij best te overbruggen, en hoe sneller dat gebeurt, des te beter zal het zijn voor het rijk van Christus op deze aarde.1Tekst en illustraties ontleend aan Dr.T. L. Pennell’s“Among the wild tribes of the Afghan frontier”. London,Seeley& Co.

Waterdraagsters te Shimvah.Waterdraagsters te Shimvah.Het waterhalen is vaak geen sinecure. Als de put in of bij het dorp is, kan het wel aardig zijn, daar het een uitstekende gelegenheid biedt, om de dorpspraatjes te hooren; maar op sommige plaatsen, zooals bij voorbeeld in Marwat in den zomer, is het naaste water zes of zeven of zelfs tien mijlen ver te halen, en de reis heen en terug moet minstens om den anderen dag worden gedaan. In Marwat pakken de vrouwen op haar ezeltjes de lederen fleschen van geitevel en gaan lang vóór het aanbreken van den dag heen, zoodat de nachtelijke reiziger soms lange rijen van die dieren ontmoet, die op den heen- of den terugweg zijn naar de wel, onder de hoede van een aantal meisjes of vrouwen. De ezels moeten zich dan tevreden stellen met wat ze kunnen drinken op de plaats van de bron.Als de vrouwen thuis komen, is het vaak nauwelijks dag, en nu begint nog de drukke tijd, die voor haar tot den middag duurt. Vooreerst moet er graan worden gemalen in handmolens; dan moet de melk van den vorigen dag worden gekarnd, de koeien en geiten moeten worden gemolken, het eten moet gekookt, het huis opgeknapt, en honderd-en-één andere plichten moeten worden verricht, die alleen een vrouw zou kunnen beschrijven.Op reis zijn de vrouwen altijd zwaar beladen. Menziet ze vaak niet alleen de kinderen dragen en allerlei huisraad, maar ook nog de vrachtdieren drijven, terwijl de prinselijke echtgenooten niets dan hun geweer hebben, of hoogstens een van de kinderen voor hunne rekening nemen. Het gebeurt niet, omdat de mannen zoo hardvochtig zijn; maar omdat het eenmaal gewoonte is. Hun vaders en de voorvaderen deden hetzelfde, en de vrouwen zouden de eersten zijn, om een jonge vrouw hard te vallen, als zij klaagde of zich verzette.Veel vrouwen, vooral die van den Povindah-stam, zijn prachtexemplaren van haar sekse. Die menschen leggen honderden mijlen af van Khorassan naar Indië en nemen hun hebben en houden mee, kinderen en have en goed. De vrouwen kunnen de kameelen even goed pakken en drijven als de mannen en dragen de lasten handiger. Het leven in de open lucht met altijd druk werk heeft ze gezond en gespierd gemaakt en sterk, en ze zien er knap uit, al duurt de schoonheid niet zoo lang, als ’t geval zou wezen, wanneer het leven minder zwaar voor ze was.Als er een kleintje is, begint het lijden het ergst te drukken. De karavaan kan zich niet ophouden, en zelden is er een os of kameel beschikbaar, waar de vrouw op kan rijden. Ze moet meestal reeds den volgenden dag mee marcheeren met baby in haar armen of hangend op haar rug, alsof er niets was gebeurd. Dan lijden ze veel en doen kwalen op, die haar bij ons in het hospitaal brengen, vaak voor het leven tot sukkelen gedoemd. Als er geen hospitaal is, moeten ze maar in stilte lijden of bezwijken.Een mohammedaansche fakir.Een mohammedaansche fakir.De afghaansche adel handhaaft de strengste parda of afzondering voor de vrouwen, die eentonig haar dagen slijten achter de gordijnen en jaloezieën van de paleisachtige gevangenissen, met weinig anders te doen dan te praten over kleêren en juweelen en te lasteren. Afghaansche jongens van goede familie worden er zedelijk niet beter op door de opvoeding in de verweekelijkte, weelderige omgeving van die vrouwenverblijven of zenana’s. De armere klassen kunnen zich de weelde niet veroorloven, hun vrouwen op te sluiten, en zij trachten de deugd bij de vrouwen en meisjes te handhaven door barbaarsche straffen, niet enkel voor wezenlijke onzedelijkheid, maar ook al voor elke inbreuk op het decorum.Een hoofd van een der grensstammen, dien ik ken, vond op een dag bij zijn thuis komen onverwachts zijn vrouw in gesprek met een buurman bij den muur van zijn tuin. Zijn zwaard trekkend in een vlaag van jaloezie, sloeg hij haar het hoofd af en wierp het over den muur, roepend tot den man: “Daar! Je bent zoo verliefd op mijn vrouw, je kunt haar krijgen.” De buurman ging beschaamd in een ander dorp wonen.De gewone straf in zoo’n geval van te groote familiariteit is het afsnijden van den neus der vrouw en, zoo mogelijk, ook van den man. Dit hoofd ging in zijn woede verder dan zijn rechten toelieten. Als hij een eenvoudig burger was geweest, en als de vrouw invloedrijke betrekkingen had gehad zou hij er misschien voor hebben moeten boeten. In den regel heeft de vrouw geen kans op recht; zij is het eigendom van den man, en een man mag doen, wat hij wil, met wat van hem is. Dit is het algemeen gevoelen, en niemand zou op het denkbeeld komen of er lust in hebben, zich met iemands huiselijke aangelegenheden te bemoeien. Een man koopt zijn vrouw en onderhandelt erover met haar vader ofals die dood is, met haar broeder, en de vader heeft verder weinig macht, die hij zou kunnen gebruiken, om haar te beschermen, aangezien hij haar prijs in den zak heeft gestoken.Een uitzondering in dezen is het huwelijk door ruil. Veronderstel, dat er in ieder van twee families een ongetrouwde zoon is en een ongetrouwde dochter, dan wordt er vaak tot een onderling dubbel huwelijk besloten zonder eenige betaling. In die gevallen is de positie van de vrouwen een weinig, een klein weinig maar, beter dan bij een huwelijk door koop. Als een man en een vrouw onzedelijkheid plegen, mag de echtgenoot beiden dooden; maar als hij den man laat ontsnappen, mag hij hem later niet in koelen bloede vermoorden. Doet hij het toch, dan is dat reden voor een bloedveete, en de betrekkingen van den vermoorden man mogen wettig wraak nemen of hij moet het verschil betalen tusschen den prijs van eens mans leven en dien van de eer eener vrouw. In de praktijk wordt dikwijls een man vermoord, als naar het gebruik van den stam het genoeg zou zijn geweest, indien zijn neus werd afgesneden; maar het is vaak gemakkelijker voor den verontwaardigden echtgenoot in hinderlaag te gaan liggen en hem onverwacht dood te schieten, dan hem zoo volkomen te vermeesteren, dat de neus kan worden afgesneden.Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.Elk jaar krijgen wij in het hospitaal een aantal gevallen, meer vrouwen dan mannen, wier neus glad met een mes is afgesneden. Daar het al een heel oude, indische manier is van schending van het aangezicht, bedachten de menschen al eeuwen geleden een operatie, om het euvel te verhelpen, waarbij een stuk van het voorhoofdsvel naar onder wordt gebracht en op de wond wordt bevestigd, en nog gebruiken wij die operatie met enkele wijzigingen in de bij ons gebrachte gevallen. Twee jaar her bracht een niet zeer gunstig eruit ziend Afghaan zijn vrouw in het zendingshospitaal van Bannoe. In een vlaag van jaloezie had hij haar den neus afgesneden; maar toen hij op een kalmer oogenblik nadacht en overwoog, dat hij een goede som voor haar had betaald en alleen zijn eigen bezitting had geschonden, speet het hem en bracht haar bij ons, om haar weer op te knappen. Zij had een laag voorhoofd, dat voor de gewone operatie niet kon dienen, en dus zei ik tot den man, dat ik niet dacht, een volkomen succes te bereiken; maar dat, als hij den prijs wou betalen, ik wel een kunstneus uit Engeland kon laten komen, die, al werd de vrouw niet zoo mooi als te voren, de misvormdheid toch geheel zou doen verdwijnen.“Hoeveel moet dat kosten?” vroeg de Afghaan.“Ongeveer dertig roepijen”.Er was een oogenblik stilte, en hij werd blijkbaar geslingerd tusschen tegenstrijdige gevoelens.“Wel, vriend, hoe denk je erover. Zal het gebeuren of niet?”“Ik dacht erover na, Sahib,” antwoordde hij, “dat u zegt, mij voor dertig roepijen te kunnen helpen, en ik kan een nieuwe vrouw krijgen voor tachtig roepijen.”En dit werd gezegd in de tegenwoordigheid van het arme slachtoffer, zonder dat uit iets bleek, dat hij meende, iets bijzonders te hebben gezegd! Het verheugt mij, te kunnen meedeelen, dat hij ten slotte besloot, de eerste vrouw op te knappen, dat hij het geld betaalde en ik hem het artikel uit Engeland bezorgde. Het was volkomen naar den zin, en denlaatsten keer, dat ik van hen hoorde, leefden ze gelukkig samen. Misschien zal hij nog eens dreigen, dat hij haar neus zal opbergen, als ze hem mishaagt, nu hij weet, dat hij dien kan verwijderen, zoo vaak hij wil, zonder opnieuw dertig roebels te moeten betalen.De twee grootste sociale euvelen, waar de afghaansche vrouwen onder lijden, zijn de koop van de vrouwen en de gemakkelijkheid van de scheiding. Ik zou er nog een derde bij kunnen noemen, namelijk de veelwijverij; maar al is dat een kwaad, het komt niet algemeen voor, en alleen rijke mannen kunnen zich de weelde van meer dan één vrouw veroorloven. De Mohammedanen zelf beginnen het verkeerde in te zien en leggen den Koran zóó uit, dat het eigenlijk niet mag, door te zeggen, dat er een voorwaarde bij wordt gemaakt. Een man zou namelijk slechts dan meer dan één vrouw mogen huwen, als hij jegens allen volkomen onpartijdig kan zijn, en daar dat niet mogelijk is, wordt monogamie de wet voor gewone stervelingen.Het volgende, dat onder mijn oogen plaats had, toont aan, hoeveel kwaad voortvloeit uit scheiding en polygamie. Er waren drie broeders, die wij Abraham, Sandullah enFathzullen noemen, allen gelukkig getrouwd, ieder met één vrouw. Abraham, de oudste broer, stierf. De tweede broer mocht nu de weduwe trouwen; maar ze hield niet van hem, terwijl ze zich sterk aangetrokken voelde tot den jongsten broeder, Fath. Ze haatte echter Faths vrouw en was vast besloten, niet als tweede vrouw onder haar te staan. Fath liet zich meesleepen door de bekoring van de weduwe en stemde erin toe, zich van zijn vrouw te laten scheiden op voorwaarde, dat de weduwe met hem zou huwen. Zij stemde toe en zwoer, dat ze nooit Sandullahs vrouw zou worden, en daarop liet Fath zijn huwelijk ontbinden. Maar Sandullah stond op zijn recht en dwong de weduwe tot een huwelijk met hem, waarin zij moest berusten. Ze wist echter ontmoetingen met Fath te hebben en toen, wat gaat de dwaze Sandullah doen? Hij trouwt de gescheiden vrouw van Fath. Nu was de weduwe woedend; zij had geweigerd, den man, van wien ze hield, te trouwen, tenzij hij van de vrouw scheidde, en nu is ze getrouwd met den man, dien ze niet begeerde, en heeft de gehate als mede-echtgenoote op den koop toe.Er was een man van een heftig karakter in het dorp, die geboeid was door de bekoorlijkheden der weduwe. Zij had al zijn smeekingen weerstaan; maar nu zei ze hem, om haar zin te krijgen, dat, als hij zijn doel wilde bereiken, hij eerst haar tegenwoordigen echtgenoot moest dooden. Dat vond de minnaar geen bezwaar en met medewerking van de vrouw werd de man naar een afgelegen korenveld gelokt en daar geworgd door den minnaar, die echter gevat werd en tot dwangarbeid veroordeeld, terwijl de veelbegeerde nu den jongsten broeder, Fath, kon trouwen, dien ze liefhad.Ondanks den staat van dienstbaarheid, waarin de vrouwen worden gehouden en ondanks haar onwetendheid en haar bijgeloof hebben ze in den huiselijken kring grooten invloed en ze vormen de karakters van het opkomend geslacht in veel sterkere mate, dan de mannen doen.Dat trof mij op een dag sterk in de school. Er moest een onderwerp worden gekozen voor een debatavond, en verschillende onderwerpen waren voorgesteld en verworpen. Ik gaf aan de hand: “Wie heeft den meesten invloed op de vorming onzer karakters, onze vaders of onze moeders?”“Hoe kunnen wij nu zulk een eenzijdig debat vaststellen?” was de vraag, die dadelijk door wel een dozijn leerlingen werd gesteld. “Wie zou er willen pleiten voor de vaders! Natuurlijk gaat de grootste invloed van onze moeders uit.”Wat is het dus belangrijk voor de toekomst van het volk, dat er iets gedaan wordt, om de moeders der natie te verheffen en te ontwikkelen en hooggestemd te doen zijn.Een pelgrimstocht, met een mijner leerlingen ondernomen, als bedelmonniken of sadoe’s, leverde heel wat belangwekkende incidenten en droeg er niet weinig toe bij, onze kennis van het volk uit te breiden. Daar wij zonder eenig geld reisden, waren we afhankelijk van wat men ons gaf, niet enkel voor de betaling van ons dagelijksch voedsel, maar ook voor zulke uitgaven als de vracht bij het overzetten der rivieren en den toegang tot de bruggen van de vijf groote stroomen in Pendsjab.Onze eerste rivier was de Indus, en daar er over dat deel der rivier geen brug was, gingen wij er in veerbooten over. Wij hadden er geen moeite mee, want we waren hier bekend, en een van mijn leerlingen bediende zelf de boot en zette ons over. Maar het was niet zoo gemakkelijk bij de Jhelumrivier. Toen wij het westelijk uiteinde van de brug bereikten, hield de tolwachter ons aan om betaling. Ik zei hem, dat ik een christelijke sadoe was, die naar Hindostan reisde en dat wij hoegenaamd geen geld bij ons hadden. Hij geloofde ons of hij deed het niet; maar te oordeelen naar den blik, dien hij op de fietsen wierp, was hij waarschijnlijk ongeloovig. In elk geval, hij zei ons ronduit, dat geen penningen, geen passage, en geen uiteenzetting van de bijzondere voorrechten van een sadoe hem konden doen afwijken van het practisch geldelijk inzicht in de quaestie, dus konden wij niet anders doen, dan maar stil zitten wachten aan den weg en zien, wat er zou gebeuren.Even daarna kwam een gezelschap Hindoes aanzetten op hun weg naar de morgenwasschingen in de rivier en keek ook verbaasd bij de vreemde samenvoeging van sadoe’s en fietsen. Dit leidde tot een gesprek, in den loop waarvan wij hun de bedoeling van onzen tocht meedeelden en de reden van ons stilzitten. Ze beproefden toen met grooten ernst, ons af te brengen van het prediken van het Evangelie, om de leer der Veda’s te verkondigen, en boden zelfs aan, de anna’s te betalen voor den tol, als wij hun plan wilden volgen. Dit gaf mij de gelegenheid, de schoonheid van Jezus’ leer aan te toon en en erop te wijzen, dat wie eenmaal voor haar gewonnen was, haar nooit weer verliet.Zij kleedden hun minachting voor de leer van het kruis in hun medelijden voor onze prediking, die ons niets hielp, “want”, zeiden ze, “er zijn hier geen Christenen, om u over te zetten, en het is niet waarschijnlijk, dat Hindoes of Mohammedanen u voor zulk een zending zullen willen helpen.” Ik antwoordde, dat ik er vrede mee had, aan den weg te wachten, tot hulp kwam opdagen, en dat ik dacht, niet lang meer te moeten wachten.“Ga naar de stad terug; daar zijn christenzendelingen, die u zullen helpen;maar niemand zal dezen kant uit komen, al wacht ge den ganschen dag.”Ik antwoordde, dat, als het de wil van Allah was, dat wij zouden gaan naar den overkant, hij ons de vereischte middelen zou verschaffen, zoowel hier als in de stad. Ik had pas uitgesproken, of wij zagen een ambtenaar met een bediende, die in de richting van de brug reden. Toen hij bij ons was, herkenden wij een officier van de grens, die naar de Jhelum was uitgezonden met een speciale opdracht. Hij herkende mij en toonde zich verbaasd, mij in zulke eigenaardige omstandigheden aan te treffen. Toen hij vernam, wat de reden onzer aanhouding was, behoefde de tolgaarder natuurlijk niet lang op zijn geld te wachten, en ik kon mijn Hindoevrienden erop wijzen, dat God niet veel tijd had noodig gehad, om ons hulp te zenden zelfs van zoo grooten afstand als Pesjawar, en wij gingen verder met een verlicht hart. Het is maar waar, dat twee anna’s in sommige gevallen meer waard kunnen zijn dan honderd roepijen in andere omstandigheden.Wij reden langs den interessanten Grooten Weg, nu eens ten noorden, dan ten zuiden van den spoorweg. De frissche morgenlucht van een winter in Pendsjab heeft een opwekkenden invloed op den eetlust, en wij vormden alleen de uitzondering, dat we wel den trek hadden, maar niets in onzen knapzak, om dien te bevredigen. Om ons nog meer te tantalizeeren, was het de feestdag na de groote mohammedaansche vasten, en in alle dorpen waren de menschen aan het feestvieren en smullen. De kinderen waren op hun mooist en hadden pret op schommels, die aan de boomen om de dorpen hingen of met spelen op den weg. Mijn afghaansche reisgenoot, die het vasten had gehad zonder het feest, ging ten laatste naar een groep vroolijke menschen, en na ze begroet te hebben met het gewone “Salam aleikum”, zei hij, dat hij honger had en heel graag een klein deel wou hebben van de Idkoeken. De toegesproken man zag ons uit de hoogte aan van het hoofd tot de voeten en zei: “O, gij noemt u fakirs, en ge rijdt op fietsen! En dan uw brood te bedelen! Foei!” en draaide ons den rug toe. Mijn metgezel wendde zich tot mij met een volstrekt niet sadoe-achtige uitdrukking op zijn gezicht en zei: “Wij, Afghanen, waren altijd gewoon te zeggen, dat Mohammedanen uit Pendsjab maar halve Mohammedanen zijn; maar nu zie ik, dat we het mis hadden; ze zijn niet eens kwart-geloovigen. In ons land noodigen we vreemdelingen binnen, en reizigers mogen aan onze maaltijden deelnemen.”Watervervoer op ezels in Shimvah.Watervervoer op ezels in Shimvah.Het was mijn gewoonte, in de meeste steden in de bazars te prediken, en gewoonlijk bood dan na de preek iemand uit het gehoor ons gastvrijheid aan. Toen we Pind Dadan Khan bereikten, was het daar echter te laat voor, daar het al donker was, en na den bazar te zijn rondgewandeld en met enkele menschen te hebben gesproken, van wie niemand ons gastvrijheid aanbood, gingen wij naar de openbare karavanserai, Victoria Ghar, waar reizigers kosteloos kunnen logeeren. Iemand had ons wat kleingeld geschonken, waar we suikerriet voor kochten, om ons maal mee te doen. Daar ik dorst had, vroeg ik een fatsoenlijken Mohammedaan, die aan het eten was, om een glas water. Hij gaf het; maar toen ik het glas aan de lippen bracht, zei hij: “Ik zou wel willen weten, wat uw godsdienst is.” Ik antwoordde: “Ik ben een christen.” Toen hij dat hoorde, nam de heer mij het glas af, zeggende: “Ik wil mijn glas niet door uw aanraking verontreinigd zien.” Dit was een graad van bijgeloof, dien ik gelukkig zelden tegenkwam, en zoo iets wordt zeker niet door den Koran geleerd, die welwillendheid predikt tegenover christenen en joden en samenwoning met hen toelaat.Na die weigering wilden wij niemand in de plaats weer om water vragen. Den volgenden dag reisden wij weer naar Khewra, en door den bazar gaande, zagen wij den gouvernementsdokter en een hindoeschen assistent van hem, die buiten hun hospitaal-patiënten ondervroegen. Hij kende ons en in plaats van water bracht hij ons melk en een ontbijt. Hoe welkom dat ook was, zijn vriendelijkheid en hartelijke begroeting deden ons nog het meeste goed.De volgende rivier, waar wij over moesten, was de Beas en toen wij er uit de richting van Gurdaspur bij kwamen op een helderen wintermorgen trof ons de schoonheid van het landschap. Links van ons was een prachtig panorama van den Himalaya, met de rijen van achter elkaâr oprijzende bergen van glinsterende sneeuw, een vizioen van verblindende witheid. En daarvóór de verscheidenheid van groen en bruin van Pendsjabs vlakte met wouden en velden, waardoor de rivier Beas haar zilveren kronkels slingerde. Tusschen den Khaiberpas in ’t noorden en de Koeramvallei in ’t zuiden vindt men in de dalen der Afridi’s met hun vriendelijke dorpen kleine molens, door de bergstroompjes gedreven. Bij Shinkiari bijvoorbeeld in het Hazaradistrict ziet men ze te midden van de rijstvelden met hun groote molensteenen in de schaduw der moerbeiboomen. Bij ’t bereiken van de rivier zagen we, dat de tolgaarder aan den anderen kant was, en dat men den stroom niet kon doorwaden. Den bootsman vragend, of wij zonder te betalen mochten worden overgebracht, daar wij dat niet konden doen, kregen we ten antwoord, dat de eenige manier was, het aan den overkant te vragen en dat één van ons dat mocht doen. Wij van onze zijde achtten het beter, als we beiden overgingen om te vragen, en daar de bootslieden er niet tegen hadden, heschen we onze machines aan boord van een der booten en werden overgezet met een aantal kameelen en ossen. Veilig aan den anderen kant gingen we naar het tolkantoor en deden, wat de oosterlingen altijd doen in een moeilijkheid, wachten, om te zien, hoe het afloopt. De ambtenaar nam onverschillig het geld voor de passage aan, voor twee- en viervoetigen gelijkelijk, keek ons streng aan, zonder te spreken, en begon zijn hoekah te rooken. Toen er wat tijd verloopen was, waren we nog allen in beschouwing verdiept, hij van de rookwolken uit zijn pijp en wij van het landschap. Zijn geduld raakte het eerst op, en hij verbrak de stilte met: “Nu, Sadoe, uw geld?”Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.“Ik heb werkelijk dat wereldsche ding niet.”“Welk recht hadt u dan de rivier over te steken in des Sarkars boot?”“Het was ons plan, een gunst van u te vragen.”“Wat verlangt de Sadoe van mij?”“Enkel dat u, daar wij een pelgrimstocht doen naar Indië, en geen geld hebben, ons toestaat geen tol te betalen. Daar u aan den overkant was en niemand onze boodschap wilde overbrengen, bleef er niets anders over, dan dat wij in persoon het verzoek deden.”“Zeer goed, Sadoe; ik sta uw verzoek toe. Wil mijner gedenken.”Van zijn broeders-zendelingen hoorde ik uiteenloopende meeningen over dat aantrekken der inlandsche kleeding. De meesten keurden het af of verwachtten er geen succes van, en één der broeders moest er lang over nadenken, of hij ons nog wel in zijn huis kon ontvangen. Hij meende, dat de afgrond tusschen Oost en West inderdaad niet te overbruggen was, en dat men er geen poging voor moest doen, want dat de verhouding van den zendeling tot de inlanders alleen patronizeerend, nooit familjaar moest zijn. Met een indischen broeder maaltijd en dak te deelen, leek hem dwaas, zelfs een hand te geven scheen hem onbehoorlijk, terwijl de Engelschman, die zich als een inlander kleedde, den britschen naam in Indië oneer aandeed, wat in zijn oogen haast gelijk stond met tornen aan het britsche bestuur. Ik had een gevestigde meening op dat punt al gauw, nadat ik in Indië was gekomen, en nooit hebben de omstandigheden daarin wijziging gebracht. De afgrond lijkt mij best te overbruggen, en hoe sneller dat gebeurt, des te beter zal het zijn voor het rijk van Christus op deze aarde.1Tekst en illustraties ontleend aan Dr.T. L. Pennell’s“Among the wild tribes of the Afghan frontier”. London,Seeley& Co.

Waterdraagsters te Shimvah.Waterdraagsters te Shimvah.

Waterdraagsters te Shimvah.

Het waterhalen is vaak geen sinecure. Als de put in of bij het dorp is, kan het wel aardig zijn, daar het een uitstekende gelegenheid biedt, om de dorpspraatjes te hooren; maar op sommige plaatsen, zooals bij voorbeeld in Marwat in den zomer, is het naaste water zes of zeven of zelfs tien mijlen ver te halen, en de reis heen en terug moet minstens om den anderen dag worden gedaan. In Marwat pakken de vrouwen op haar ezeltjes de lederen fleschen van geitevel en gaan lang vóór het aanbreken van den dag heen, zoodat de nachtelijke reiziger soms lange rijen van die dieren ontmoet, die op den heen- of den terugweg zijn naar de wel, onder de hoede van een aantal meisjes of vrouwen. De ezels moeten zich dan tevreden stellen met wat ze kunnen drinken op de plaats van de bron.

Als de vrouwen thuis komen, is het vaak nauwelijks dag, en nu begint nog de drukke tijd, die voor haar tot den middag duurt. Vooreerst moet er graan worden gemalen in handmolens; dan moet de melk van den vorigen dag worden gekarnd, de koeien en geiten moeten worden gemolken, het eten moet gekookt, het huis opgeknapt, en honderd-en-één andere plichten moeten worden verricht, die alleen een vrouw zou kunnen beschrijven.

Op reis zijn de vrouwen altijd zwaar beladen. Menziet ze vaak niet alleen de kinderen dragen en allerlei huisraad, maar ook nog de vrachtdieren drijven, terwijl de prinselijke echtgenooten niets dan hun geweer hebben, of hoogstens een van de kinderen voor hunne rekening nemen. Het gebeurt niet, omdat de mannen zoo hardvochtig zijn; maar omdat het eenmaal gewoonte is. Hun vaders en de voorvaderen deden hetzelfde, en de vrouwen zouden de eersten zijn, om een jonge vrouw hard te vallen, als zij klaagde of zich verzette.

Veel vrouwen, vooral die van den Povindah-stam, zijn prachtexemplaren van haar sekse. Die menschen leggen honderden mijlen af van Khorassan naar Indië en nemen hun hebben en houden mee, kinderen en have en goed. De vrouwen kunnen de kameelen even goed pakken en drijven als de mannen en dragen de lasten handiger. Het leven in de open lucht met altijd druk werk heeft ze gezond en gespierd gemaakt en sterk, en ze zien er knap uit, al duurt de schoonheid niet zoo lang, als ’t geval zou wezen, wanneer het leven minder zwaar voor ze was.

Als er een kleintje is, begint het lijden het ergst te drukken. De karavaan kan zich niet ophouden, en zelden is er een os of kameel beschikbaar, waar de vrouw op kan rijden. Ze moet meestal reeds den volgenden dag mee marcheeren met baby in haar armen of hangend op haar rug, alsof er niets was gebeurd. Dan lijden ze veel en doen kwalen op, die haar bij ons in het hospitaal brengen, vaak voor het leven tot sukkelen gedoemd. Als er geen hospitaal is, moeten ze maar in stilte lijden of bezwijken.

Een mohammedaansche fakir.Een mohammedaansche fakir.

Een mohammedaansche fakir.

De afghaansche adel handhaaft de strengste parda of afzondering voor de vrouwen, die eentonig haar dagen slijten achter de gordijnen en jaloezieën van de paleisachtige gevangenissen, met weinig anders te doen dan te praten over kleêren en juweelen en te lasteren. Afghaansche jongens van goede familie worden er zedelijk niet beter op door de opvoeding in de verweekelijkte, weelderige omgeving van die vrouwenverblijven of zenana’s. De armere klassen kunnen zich de weelde niet veroorloven, hun vrouwen op te sluiten, en zij trachten de deugd bij de vrouwen en meisjes te handhaven door barbaarsche straffen, niet enkel voor wezenlijke onzedelijkheid, maar ook al voor elke inbreuk op het decorum.

Een hoofd van een der grensstammen, dien ik ken, vond op een dag bij zijn thuis komen onverwachts zijn vrouw in gesprek met een buurman bij den muur van zijn tuin. Zijn zwaard trekkend in een vlaag van jaloezie, sloeg hij haar het hoofd af en wierp het over den muur, roepend tot den man: “Daar! Je bent zoo verliefd op mijn vrouw, je kunt haar krijgen.” De buurman ging beschaamd in een ander dorp wonen.

De gewone straf in zoo’n geval van te groote familiariteit is het afsnijden van den neus der vrouw en, zoo mogelijk, ook van den man. Dit hoofd ging in zijn woede verder dan zijn rechten toelieten. Als hij een eenvoudig burger was geweest, en als de vrouw invloedrijke betrekkingen had gehad zou hij er misschien voor hebben moeten boeten. In den regel heeft de vrouw geen kans op recht; zij is het eigendom van den man, en een man mag doen, wat hij wil, met wat van hem is. Dit is het algemeen gevoelen, en niemand zou op het denkbeeld komen of er lust in hebben, zich met iemands huiselijke aangelegenheden te bemoeien. Een man koopt zijn vrouw en onderhandelt erover met haar vader ofals die dood is, met haar broeder, en de vader heeft verder weinig macht, die hij zou kunnen gebruiken, om haar te beschermen, aangezien hij haar prijs in den zak heeft gestoken.

Een uitzondering in dezen is het huwelijk door ruil. Veronderstel, dat er in ieder van twee families een ongetrouwde zoon is en een ongetrouwde dochter, dan wordt er vaak tot een onderling dubbel huwelijk besloten zonder eenige betaling. In die gevallen is de positie van de vrouwen een weinig, een klein weinig maar, beter dan bij een huwelijk door koop. Als een man en een vrouw onzedelijkheid plegen, mag de echtgenoot beiden dooden; maar als hij den man laat ontsnappen, mag hij hem later niet in koelen bloede vermoorden. Doet hij het toch, dan is dat reden voor een bloedveete, en de betrekkingen van den vermoorden man mogen wettig wraak nemen of hij moet het verschil betalen tusschen den prijs van eens mans leven en dien van de eer eener vrouw. In de praktijk wordt dikwijls een man vermoord, als naar het gebruik van den stam het genoeg zou zijn geweest, indien zijn neus werd afgesneden; maar het is vaak gemakkelijker voor den verontwaardigden echtgenoot in hinderlaag te gaan liggen en hem onverwacht dood te schieten, dan hem zoo volkomen te vermeesteren, dat de neus kan worden afgesneden.

Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.

Dr. Pennell op reis als sadoe of bedelmonnik.

Elk jaar krijgen wij in het hospitaal een aantal gevallen, meer vrouwen dan mannen, wier neus glad met een mes is afgesneden. Daar het al een heel oude, indische manier is van schending van het aangezicht, bedachten de menschen al eeuwen geleden een operatie, om het euvel te verhelpen, waarbij een stuk van het voorhoofdsvel naar onder wordt gebracht en op de wond wordt bevestigd, en nog gebruiken wij die operatie met enkele wijzigingen in de bij ons gebrachte gevallen. Twee jaar her bracht een niet zeer gunstig eruit ziend Afghaan zijn vrouw in het zendingshospitaal van Bannoe. In een vlaag van jaloezie had hij haar den neus afgesneden; maar toen hij op een kalmer oogenblik nadacht en overwoog, dat hij een goede som voor haar had betaald en alleen zijn eigen bezitting had geschonden, speet het hem en bracht haar bij ons, om haar weer op te knappen. Zij had een laag voorhoofd, dat voor de gewone operatie niet kon dienen, en dus zei ik tot den man, dat ik niet dacht, een volkomen succes te bereiken; maar dat, als hij den prijs wou betalen, ik wel een kunstneus uit Engeland kon laten komen, die, al werd de vrouw niet zoo mooi als te voren, de misvormdheid toch geheel zou doen verdwijnen.

“Hoeveel moet dat kosten?” vroeg de Afghaan.

“Ongeveer dertig roepijen”.

Er was een oogenblik stilte, en hij werd blijkbaar geslingerd tusschen tegenstrijdige gevoelens.

“Wel, vriend, hoe denk je erover. Zal het gebeuren of niet?”

“Ik dacht erover na, Sahib,” antwoordde hij, “dat u zegt, mij voor dertig roepijen te kunnen helpen, en ik kan een nieuwe vrouw krijgen voor tachtig roepijen.”

En dit werd gezegd in de tegenwoordigheid van het arme slachtoffer, zonder dat uit iets bleek, dat hij meende, iets bijzonders te hebben gezegd! Het verheugt mij, te kunnen meedeelen, dat hij ten slotte besloot, de eerste vrouw op te knappen, dat hij het geld betaalde en ik hem het artikel uit Engeland bezorgde. Het was volkomen naar den zin, en denlaatsten keer, dat ik van hen hoorde, leefden ze gelukkig samen. Misschien zal hij nog eens dreigen, dat hij haar neus zal opbergen, als ze hem mishaagt, nu hij weet, dat hij dien kan verwijderen, zoo vaak hij wil, zonder opnieuw dertig roebels te moeten betalen.

De twee grootste sociale euvelen, waar de afghaansche vrouwen onder lijden, zijn de koop van de vrouwen en de gemakkelijkheid van de scheiding. Ik zou er nog een derde bij kunnen noemen, namelijk de veelwijverij; maar al is dat een kwaad, het komt niet algemeen voor, en alleen rijke mannen kunnen zich de weelde van meer dan één vrouw veroorloven. De Mohammedanen zelf beginnen het verkeerde in te zien en leggen den Koran zóó uit, dat het eigenlijk niet mag, door te zeggen, dat er een voorwaarde bij wordt gemaakt. Een man zou namelijk slechts dan meer dan één vrouw mogen huwen, als hij jegens allen volkomen onpartijdig kan zijn, en daar dat niet mogelijk is, wordt monogamie de wet voor gewone stervelingen.

Het volgende, dat onder mijn oogen plaats had, toont aan, hoeveel kwaad voortvloeit uit scheiding en polygamie. Er waren drie broeders, die wij Abraham, Sandullah enFathzullen noemen, allen gelukkig getrouwd, ieder met één vrouw. Abraham, de oudste broer, stierf. De tweede broer mocht nu de weduwe trouwen; maar ze hield niet van hem, terwijl ze zich sterk aangetrokken voelde tot den jongsten broeder, Fath. Ze haatte echter Faths vrouw en was vast besloten, niet als tweede vrouw onder haar te staan. Fath liet zich meesleepen door de bekoring van de weduwe en stemde erin toe, zich van zijn vrouw te laten scheiden op voorwaarde, dat de weduwe met hem zou huwen. Zij stemde toe en zwoer, dat ze nooit Sandullahs vrouw zou worden, en daarop liet Fath zijn huwelijk ontbinden. Maar Sandullah stond op zijn recht en dwong de weduwe tot een huwelijk met hem, waarin zij moest berusten. Ze wist echter ontmoetingen met Fath te hebben en toen, wat gaat de dwaze Sandullah doen? Hij trouwt de gescheiden vrouw van Fath. Nu was de weduwe woedend; zij had geweigerd, den man, van wien ze hield, te trouwen, tenzij hij van de vrouw scheidde, en nu is ze getrouwd met den man, dien ze niet begeerde, en heeft de gehate als mede-echtgenoote op den koop toe.

Er was een man van een heftig karakter in het dorp, die geboeid was door de bekoorlijkheden der weduwe. Zij had al zijn smeekingen weerstaan; maar nu zei ze hem, om haar zin te krijgen, dat, als hij zijn doel wilde bereiken, hij eerst haar tegenwoordigen echtgenoot moest dooden. Dat vond de minnaar geen bezwaar en met medewerking van de vrouw werd de man naar een afgelegen korenveld gelokt en daar geworgd door den minnaar, die echter gevat werd en tot dwangarbeid veroordeeld, terwijl de veelbegeerde nu den jongsten broeder, Fath, kon trouwen, dien ze liefhad.

Ondanks den staat van dienstbaarheid, waarin de vrouwen worden gehouden en ondanks haar onwetendheid en haar bijgeloof hebben ze in den huiselijken kring grooten invloed en ze vormen de karakters van het opkomend geslacht in veel sterkere mate, dan de mannen doen.

Dat trof mij op een dag sterk in de school. Er moest een onderwerp worden gekozen voor een debatavond, en verschillende onderwerpen waren voorgesteld en verworpen. Ik gaf aan de hand: “Wie heeft den meesten invloed op de vorming onzer karakters, onze vaders of onze moeders?”

“Hoe kunnen wij nu zulk een eenzijdig debat vaststellen?” was de vraag, die dadelijk door wel een dozijn leerlingen werd gesteld. “Wie zou er willen pleiten voor de vaders! Natuurlijk gaat de grootste invloed van onze moeders uit.”

Wat is het dus belangrijk voor de toekomst van het volk, dat er iets gedaan wordt, om de moeders der natie te verheffen en te ontwikkelen en hooggestemd te doen zijn.

Een pelgrimstocht, met een mijner leerlingen ondernomen, als bedelmonniken of sadoe’s, leverde heel wat belangwekkende incidenten en droeg er niet weinig toe bij, onze kennis van het volk uit te breiden. Daar wij zonder eenig geld reisden, waren we afhankelijk van wat men ons gaf, niet enkel voor de betaling van ons dagelijksch voedsel, maar ook voor zulke uitgaven als de vracht bij het overzetten der rivieren en den toegang tot de bruggen van de vijf groote stroomen in Pendsjab.

Onze eerste rivier was de Indus, en daar er over dat deel der rivier geen brug was, gingen wij er in veerbooten over. Wij hadden er geen moeite mee, want we waren hier bekend, en een van mijn leerlingen bediende zelf de boot en zette ons over. Maar het was niet zoo gemakkelijk bij de Jhelumrivier. Toen wij het westelijk uiteinde van de brug bereikten, hield de tolwachter ons aan om betaling. Ik zei hem, dat ik een christelijke sadoe was, die naar Hindostan reisde en dat wij hoegenaamd geen geld bij ons hadden. Hij geloofde ons of hij deed het niet; maar te oordeelen naar den blik, dien hij op de fietsen wierp, was hij waarschijnlijk ongeloovig. In elk geval, hij zei ons ronduit, dat geen penningen, geen passage, en geen uiteenzetting van de bijzondere voorrechten van een sadoe hem konden doen afwijken van het practisch geldelijk inzicht in de quaestie, dus konden wij niet anders doen, dan maar stil zitten wachten aan den weg en zien, wat er zou gebeuren.

Even daarna kwam een gezelschap Hindoes aanzetten op hun weg naar de morgenwasschingen in de rivier en keek ook verbaasd bij de vreemde samenvoeging van sadoe’s en fietsen. Dit leidde tot een gesprek, in den loop waarvan wij hun de bedoeling van onzen tocht meedeelden en de reden van ons stilzitten. Ze beproefden toen met grooten ernst, ons af te brengen van het prediken van het Evangelie, om de leer der Veda’s te verkondigen, en boden zelfs aan, de anna’s te betalen voor den tol, als wij hun plan wilden volgen. Dit gaf mij de gelegenheid, de schoonheid van Jezus’ leer aan te toon en en erop te wijzen, dat wie eenmaal voor haar gewonnen was, haar nooit weer verliet.

Zij kleedden hun minachting voor de leer van het kruis in hun medelijden voor onze prediking, die ons niets hielp, “want”, zeiden ze, “er zijn hier geen Christenen, om u over te zetten, en het is niet waarschijnlijk, dat Hindoes of Mohammedanen u voor zulk een zending zullen willen helpen.” Ik antwoordde, dat ik er vrede mee had, aan den weg te wachten, tot hulp kwam opdagen, en dat ik dacht, niet lang meer te moeten wachten.“Ga naar de stad terug; daar zijn christenzendelingen, die u zullen helpen;maar niemand zal dezen kant uit komen, al wacht ge den ganschen dag.”

Ik antwoordde, dat, als het de wil van Allah was, dat wij zouden gaan naar den overkant, hij ons de vereischte middelen zou verschaffen, zoowel hier als in de stad. Ik had pas uitgesproken, of wij zagen een ambtenaar met een bediende, die in de richting van de brug reden. Toen hij bij ons was, herkenden wij een officier van de grens, die naar de Jhelum was uitgezonden met een speciale opdracht. Hij herkende mij en toonde zich verbaasd, mij in zulke eigenaardige omstandigheden aan te treffen. Toen hij vernam, wat de reden onzer aanhouding was, behoefde de tolgaarder natuurlijk niet lang op zijn geld te wachten, en ik kon mijn Hindoevrienden erop wijzen, dat God niet veel tijd had noodig gehad, om ons hulp te zenden zelfs van zoo grooten afstand als Pesjawar, en wij gingen verder met een verlicht hart. Het is maar waar, dat twee anna’s in sommige gevallen meer waard kunnen zijn dan honderd roepijen in andere omstandigheden.

Wij reden langs den interessanten Grooten Weg, nu eens ten noorden, dan ten zuiden van den spoorweg. De frissche morgenlucht van een winter in Pendsjab heeft een opwekkenden invloed op den eetlust, en wij vormden alleen de uitzondering, dat we wel den trek hadden, maar niets in onzen knapzak, om dien te bevredigen. Om ons nog meer te tantalizeeren, was het de feestdag na de groote mohammedaansche vasten, en in alle dorpen waren de menschen aan het feestvieren en smullen. De kinderen waren op hun mooist en hadden pret op schommels, die aan de boomen om de dorpen hingen of met spelen op den weg. Mijn afghaansche reisgenoot, die het vasten had gehad zonder het feest, ging ten laatste naar een groep vroolijke menschen, en na ze begroet te hebben met het gewone “Salam aleikum”, zei hij, dat hij honger had en heel graag een klein deel wou hebben van de Idkoeken. De toegesproken man zag ons uit de hoogte aan van het hoofd tot de voeten en zei: “O, gij noemt u fakirs, en ge rijdt op fietsen! En dan uw brood te bedelen! Foei!” en draaide ons den rug toe. Mijn metgezel wendde zich tot mij met een volstrekt niet sadoe-achtige uitdrukking op zijn gezicht en zei: “Wij, Afghanen, waren altijd gewoon te zeggen, dat Mohammedanen uit Pendsjab maar halve Mohammedanen zijn; maar nu zie ik, dat we het mis hadden; ze zijn niet eens kwart-geloovigen. In ons land noodigen we vreemdelingen binnen, en reizigers mogen aan onze maaltijden deelnemen.”

Watervervoer op ezels in Shimvah.Watervervoer op ezels in Shimvah.

Watervervoer op ezels in Shimvah.

Het was mijn gewoonte, in de meeste steden in de bazars te prediken, en gewoonlijk bood dan na de preek iemand uit het gehoor ons gastvrijheid aan. Toen we Pind Dadan Khan bereikten, was het daar echter te laat voor, daar het al donker was, en na den bazar te zijn rondgewandeld en met enkele menschen te hebben gesproken, van wie niemand ons gastvrijheid aanbood, gingen wij naar de openbare karavanserai, Victoria Ghar, waar reizigers kosteloos kunnen logeeren. Iemand had ons wat kleingeld geschonken, waar we suikerriet voor kochten, om ons maal mee te doen. Daar ik dorst had, vroeg ik een fatsoenlijken Mohammedaan, die aan het eten was, om een glas water. Hij gaf het; maar toen ik het glas aan de lippen bracht, zei hij: “Ik zou wel willen weten, wat uw godsdienst is.” Ik antwoordde: “Ik ben een christen.” Toen hij dat hoorde, nam de heer mij het glas af, zeggende: “Ik wil mijn glas niet door uw aanraking verontreinigd zien.” Dit was een graad van bijgeloof, dien ik gelukkig zelden tegenkwam, en zoo iets wordt zeker niet door den Koran geleerd, die welwillendheid predikt tegenover christenen en joden en samenwoning met hen toelaat.

Na die weigering wilden wij niemand in de plaats weer om water vragen. Den volgenden dag reisden wij weer naar Khewra, en door den bazar gaande, zagen wij den gouvernementsdokter en een hindoeschen assistent van hem, die buiten hun hospitaal-patiënten ondervroegen. Hij kende ons en in plaats van water bracht hij ons melk en een ontbijt. Hoe welkom dat ook was, zijn vriendelijkheid en hartelijke begroeting deden ons nog het meeste goed.

De volgende rivier, waar wij over moesten, was de Beas en toen wij er uit de richting van Gurdaspur bij kwamen op een helderen wintermorgen trof ons de schoonheid van het landschap. Links van ons was een prachtig panorama van den Himalaya, met de rijen van achter elkaâr oprijzende bergen van glinsterende sneeuw, een vizioen van verblindende witheid. En daarvóór de verscheidenheid van groen en bruin van Pendsjabs vlakte met wouden en velden, waardoor de rivier Beas haar zilveren kronkels slingerde. Tusschen den Khaiberpas in ’t noorden en de Koeramvallei in ’t zuiden vindt men in de dalen der Afridi’s met hun vriendelijke dorpen kleine molens, door de bergstroompjes gedreven. Bij Shinkiari bijvoorbeeld in het Hazaradistrict ziet men ze te midden van de rijstvelden met hun groote molensteenen in de schaduw der moerbeiboomen. Bij ’t bereiken van de rivier zagen we, dat de tolgaarder aan den anderen kant was, en dat men den stroom niet kon doorwaden. Den bootsman vragend, of wij zonder te betalen mochten worden overgebracht, daar wij dat niet konden doen, kregen we ten antwoord, dat de eenige manier was, het aan den overkant te vragen en dat één van ons dat mocht doen. Wij van onze zijde achtten het beter, als we beiden overgingen om te vragen, en daar de bootslieden er niet tegen hadden, heschen we onze machines aan boord van een der booten en werden overgezet met een aantal kameelen en ossen. Veilig aan den anderen kant gingen we naar het tolkantoor en deden, wat de oosterlingen altijd doen in een moeilijkheid, wachten, om te zien, hoe het afloopt. De ambtenaar nam onverschillig het geld voor de passage aan, voor twee- en viervoetigen gelijkelijk, keek ons streng aan, zonder te spreken, en begon zijn hoekah te rooken. Toen er wat tijd verloopen was, waren we nog allen in beschouwing verdiept, hij van de rookwolken uit zijn pijp en wij van het landschap. Zijn geduld raakte het eerst op, en hij verbrak de stilte met: “Nu, Sadoe, uw geld?”

Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.

Meelmolens bij Shinkiari in het Hazaradistrict.

“Ik heb werkelijk dat wereldsche ding niet.”

“Welk recht hadt u dan de rivier over te steken in des Sarkars boot?”

“Het was ons plan, een gunst van u te vragen.”

“Wat verlangt de Sadoe van mij?”

“Enkel dat u, daar wij een pelgrimstocht doen naar Indië, en geen geld hebben, ons toestaat geen tol te betalen. Daar u aan den overkant was en niemand onze boodschap wilde overbrengen, bleef er niets anders over, dan dat wij in persoon het verzoek deden.”

“Zeer goed, Sadoe; ik sta uw verzoek toe. Wil mijner gedenken.”

Van zijn broeders-zendelingen hoorde ik uiteenloopende meeningen over dat aantrekken der inlandsche kleeding. De meesten keurden het af of verwachtten er geen succes van, en één der broeders moest er lang over nadenken, of hij ons nog wel in zijn huis kon ontvangen. Hij meende, dat de afgrond tusschen Oost en West inderdaad niet te overbruggen was, en dat men er geen poging voor moest doen, want dat de verhouding van den zendeling tot de inlanders alleen patronizeerend, nooit familjaar moest zijn. Met een indischen broeder maaltijd en dak te deelen, leek hem dwaas, zelfs een hand te geven scheen hem onbehoorlijk, terwijl de Engelschman, die zich als een inlander kleedde, den britschen naam in Indië oneer aandeed, wat in zijn oogen haast gelijk stond met tornen aan het britsche bestuur. Ik had een gevestigde meening op dat punt al gauw, nadat ik in Indië was gekomen, en nooit hebben de omstandigheden daarin wijziging gebracht. De afgrond lijkt mij best te overbruggen, en hoe sneller dat gebeurt, des te beter zal het zijn voor het rijk van Christus op deze aarde.

1Tekst en illustraties ontleend aan Dr.T. L. Pennell’s“Among the wild tribes of the Afghan frontier”. London,Seeley& Co.

1Tekst en illustraties ontleend aan Dr.T. L. Pennell’s“Among the wild tribes of the Afghan frontier”. London,Seeley& Co.


Back to IndexNext