X.Het was een poos later. ’t Was een heete dag geweest en vóór de avond viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage rommelen van ’t onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende luikendicht en openstaande ramen.Bloempottenwoeien om. De menschen op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en weer gezwiept in ’t gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog een jonge boeraanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijdekaars, die op een luchter geplaatst werd en ontstoken.“Kinderen,” zei ze, “haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het wordt een zwaar weer.”Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun vurig verschieten om strijd.“Ik zal hem halen” zei Jansen en ging.Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.“Heb je hem?” riep moeder bij de trap.“Ja,” antwoordde hij, “ik kom.”“Goddank,” dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.“Wij zijn in Gods hand” zeide zij altijd.“Over het veld is heel de lucht één vuur,” zei Jansen, binnenkomend met heel den bos. ’t Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij ’t kruid van den dorren tuil likten.De bliksemstralen liepen rondom ’t huis, alsof zij er door heen voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers mokerden de donderslagen.Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer even onderbroken, wanneer één diergeweldige slagen viel, die het heele huis aan ’t dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks hoorbaar antwoordden de meisjes het: “Heilige Maria, Moeder Gods....”Dan zeide vrouw Jansen weer: “och-arme, die arme menschen die daar nu in zijn!” De regen gudste nu.“Het wordt nog altijd erger,” zei de man bezorgd.Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was ingestort. “God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den schoorsteenmantel, dat we Sint Jan’s Evangelie bidden....”“Vader,” zei Lize, “ik hoor kloppen aan de deur.”Een nieuwe geweldige slag loeidelos, over het dorp heen daverend.Vrouw Jansen hoorde het ook: “Er is iemand aan de deur.”Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen.Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den weg waar geen huis is.“Zwaar weertje” zeiden ze. “Is me dat iets?”Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en met de meisjes verdween de moeder in de keuken.“Geef ons een borrel,” vroeg Willem.Het noodweer liet geen oogwenk af.“Wij zaten te bidden,” zei Jansen. “Ik heb u niet binnen gelaten dat gij drinken zoudt. Bij zoo’n weer laat eenkristelijk mensch zelfs geen hond op straat. Dáárom!”Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen.Stoffels vloekte binnensmonds.“In den naam van God, barstte Jansen uit, daar wordt hier niet gevloekt, verstaan jullie.”Een krakend geluid viel over ’t huis neer, en een ander geluid rinkelde in het huis zelf. Met een slag stortte in de voorkamer een groot schilderij van den wand en ’t glas er van viel aan stukken.Doodsbleek kwam moeder Jansen toegeschoten.“Heere,” zei de herbergier,”het ‘Hart Jesus’ is van den muur gevallen. Geheel aan stukken....”“God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk....”Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten, zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. “Het is over,” zei hij. De arbeiders hadden stil samen zitten praten.“Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken” grinnikte de oudere der twee.“Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?” verstoutte zich Willem Stoffels. “Waar is ze?”“Hoor hier,” beet Jansen toe, getergd en grimmig “als het niet geweest was om ’t noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn voet over den drempel gezet! En alles wat ik je te zeggen heb, is: dat dáár de deur is.”“Hola, hola,” bracht de ander in het midden.“Spreek ik tot dooven?” tierde Jansen.Als geranselde doggen dropen zij af.—“Ik heb ze aan de deur gezet,” zei Jansen in de keuken.Anna boog zwijgend het hoofd.“Als ik die den rooden haan niet een keer op het dak jaag,” zei Willem Stoffels tot zijn kameraad, met een vloek als naar gewoonte,“dan wil ik stikken!”Zoo ging hij zijns weegs, het donker in.XI.Den eerst volgenden keer toen Hary Gerards in Brunssum terug kwam, was ’t weer zomer-vakantie. Hij zou ’t dorp niet weer verlaten nu, daar hij als onderwijzer was benoemd in de school, die zijn vader zoo vele jaren had bestierd. Hij werd zijn opvolger. Hary zag nieuwe kimmen rijzen.Vader Jansen was blij. Hary Gerards was een belofte in zijn oog. “Die kan nog een boel goed doen in de gemeente, meende hij. Het gaat nog eerst erg worden hier!”“Ja,” zei Hary, “wanneer de landbouwende bevolking plotseling veranderd wordt tot een nijverheidsvolk, en de loonen stijgen, dan stijgen de uitgaven ook. Maar allen die niet geheven worden door ’t nieuwe tij, moeten er in verzinken.Dan gaan de boeren onder, wanneer de lasten stijgen boven hun draagkracht.”“En de boeren begrijpen niet, dat organisatie ze alleen nog redden kan!” was Jansen’s overtuiging.“Organisatie gesteund door ontwikkeling. Waar kennis ontbreekt, stort alles in, gelijk een huis op drijfzand. En waar het juiste inzicht faalt, faalt ook het vertrouwen.”“Een vreemd volkje hier,” zei Jansen. “Als negen mannen, die het goed meenen, het volk hebben duidelijk gemaakt in ernst, wat er noodig is voor hun bestwil, wat er te doen is voor hun welzijn,—laat heel de boel zich opruien, wanneer er éen tiende komt die alles belachelijk maakt. De menschen hier lachen altijd met de lachers.”“Daar helpt alleen onderwijs, entucht misschien, voor zoover dat een gebrek verbeteren kan. Zoo was ’t van ouds hier gesteld! Doch ’t nieuwe geslacht heeft zich dronken gezopen aan zijn vrijheid.”“Ja, dat vrije leven!—De kinderen maken zich van de ouders los, betalen een mager kostgeld van hun zwaar loon....”“De parochies maken zich los van de pastoors.”“Waar de socialisten het op aanleggen!”“Wat moet er komen van een volk zonder God?”“Een zwijnenstal, meester.”De beide mannen zwegen.“En wat hadden de boeren gelukkig kunnen zijn!” ging Hary voort met een zucht.“Ja, die van den ouden tijd waren gelukkigen.”“Een man, wien zijn veld zijn wereld is, die zijn leven leeft zonder vrees en zonder verlangen, maar tevreden met God,—want godsdienst is niet vrees maar liefde,—die naar zijn akker schrijdt met de vogels over hem heen, en van zijn arbeid keert met de sterren boven zijn hoofd, die man gevoelt, te midden der wonderen van de natuur die hem omgeeft, van wasdom en groeikracht, dat God wandelt aan zijn zijde....”Lize riep haar zusje buiten onder ’t open raam.“Hoor ’s,” zei ze. “Hary Gerards! Die zit vandaag op zijn praatstoel; God nog ’s toe. Hij spreekt als een boek.”“Geef hem een eigen akker, een eigen huis, een bezorgde huisvrouw die zijn gedachten deelt en kinderen die aan zijn knieën spelen, geeft hem vreugdin zijn arbeid, vertrouwen in zijn werk, geef hem liefde en hoop in ’t hart, en eene ziel die zich op natuurlijke wijze tot haar Schepper keert, met simpele gebeden, eenvoudig als zijne gevoelens,—en er zal eene schoonheid in zulk een leven zijn als door geen andere levenden daarbuiten in de stad benaderd wordt.—Kan deze bevroeden dat er ongeloovigen zijn? Hij bemint God met den natuurlijken drang naar liefde die in zijn hart gelegd is, en deze liefde staat boven de kim zijns levens als de rijzende zon aan den heuvelrand. Heel de wereld en heel zijn ziel liggen in haar glans en luister. Dáár is Religie leven, en Leven poëzie.”Hary liet zich meeslepen door zijn eigen woorden. Jansen hoorde hem aan met klimmende verbazing.“Het is niet mogelijk niet van God te houden, ging Gerards voort, wanneer het leven een voortdurende zegening is. Het is het eenvoudige leven van den landman, dat het leven is waarin de kunstenaars de schoonheid vinden uitgedrukt. Het moderne leven baart onrust en verlangen. Den schoonen vrede vinden de menschen eerst op het land. Op het land is God alom. De natuur openbaart Hem. Laat de boer onontwikkeld heeten, wanneer hij slechts deze wijsheid bezit! Doe de vooruitgang zijn deur ook niet aan; in zijn bestaan is verwerkelijkt de hoogste schoonheid voor alle tijden: het eenvoudige, oprechte leven....”Jansen knikte toestemmend, woordeloos.“Ik vrees, glimlachte Hary, dat ’k hier zit te preeken.”“Zoo heb ik den pastoor zelf nooit gehoord,” gaf Jansen toe.“Dag meester,” zei Lize binnenkomend. “Heeft vader u al eens onze rozen laten kijken?” En zonder antwoord af te wachten: “Kom u eens mee naar den tuin. Ze zijn prachtig van ’t jaar, niewaar vader? Anna is er ook.”“Ja, ga eens mee,” zei vader.“Anna zou er juist gaan plukken,” voegde ze er aan toe; maar Hary voelde niet dat hare stem eventjes onzeker trilde.Anna bloosde toen zij hem den tuin zag binnen komen en tusschen de rozelaars het pad opgaan, recht naar haar toe.“Wij stonden onder het raam,” zei Lize, “toen gij met vader bezig waart, zoo juist. Wacht even,” zei ze, “ik haalgauw een mesje om een mooien knop voor u af te snijden.”Anna zweeg en wachtend pluisde zij een paar groen ombolsterde rozenknopjes en ontdeed ze van de groene bladluizen die ze er zocht.Lize kwam niet gauw terug, gelijk ze had verzekerd.“Het is mooi weer vandaag”, begon de redenaar van straks.“Ja,” antwoordde Anna, “mooi.”Gelijkelijk groeide de verlegenheid in beiden. Wat te zeggen, dacht hij, en vergat daarbij dat hij spreken moest. Hij raakte niet uitgedacht.“Het koren zal nu wel gauw bloeien,” zei hij eindelijk weer.“De appelbloei was mooi van ’t jaar” antwoordde ze.“Gij houdt van bloemen?”“Ja, veel....”“Van de rozen hier?”“Van de rozen, ja: maar ook van de veldbloemen.”“Werkelijk,” vroeg hij, “van ’t veld?”“En van de wei! Waarom dan niet?....”“Ik heb altijd,” zei Hary als in gedachten, “veel gehouden van de heide.”Er ging een horizont open met dat woord voor beiden. Het was hem onbewust op de lippen gekomen. Maar nu gevoelde hij wat zij denken moest: die kermisavond, de overval waarbij de ander zich gewroken had: Willem Stoffels stond tusschen hen beiden.“Ik hou meer van ’t veld,” zeide ze. “Daar is leven.”“Op de heide,” sprak hij haar gedachte aanvullend, “is droom.”“Ja,” zeide Anna, “maar men leeft niet lang met zijn droomen.”Lize kwam eindelijk. Zij gaf Anna ’t mesje. “Snij er een heel mooie af!” En lachend voegde ze er bij: “ik mag immers niet, daar ’k verloofd ben.”“Wanneer zult ge trouwen?” vroeg Hary.“O, nog lang! Maar gij dan, meester?....”“Daar behooren er twee toe,” antwoordde hij.“Hebt gij die tweede dan nog niet gevonden?”“Een goede vrouw wordt niet zoo maar gevonden, meen ik,” zeide hij nadenkend; “zij wordt verdiend.”En hij nam de roos uit Anna’s hand die de oogen neersloeg.Op een morgen dat Anna niets vermoedend uit de eerste mis kwam, op een zondag was ’t, voegde Willem zich bij haar. Hij had haar opgewacht; hij was er gekomen om haar te treffen. Zonder verklaring liep hij mee met haar en wachtte wat zij zeggen zou. Maar voor zich kijkend, gaf zij taal noch teeken.“Hoor eens,” zeide hij, “men begint over je te praten in ’t dorp, over jou met Hary van den meester. Maar ik wilde je maar eens zeggen, dat dát zoo niet verder gaan kan. Mij heb je den trouw beloofd en ik wil dus....”“Wat zou je zeggen?”, riep Anna verontwaardigd.“Zou je ’t heeten liegen soms?”“Ja,” zei ze, “leugenaar die je ben, wat bezielt je?”“Dat het je niet goed zal gaan, als je van mij af wil zijn.”“Ik heb nooit wat met je te maken gehad, en zal nooit iets met je hebben uit te staan. En laat me gaan....”Toen begon hij te vleien en te bezweren.Maar zij wilde geen antwoord meer geven, al wist ze dat alles tusschen hen gedaan zou wezen na dit oogenblik.Doch wát was er geweest,—méér dan een droom of de herinnering van een droom, in duigen gestort voor den adem der werkelijkheid?“Heb je Hary Gerards wat beloofd?”“Heb jij daar mee te maken?”“Het zal jou ongeluk zijn en het zijne.”Zij zag hem verachtelijk in ’t gezicht.“O, je ben te trotsch, he, te grootsch voor éen als ik, omdat je vader geld heeft en je moeder kan pronken metwat ze te veel heeft. Doch drijf me maar tot het uiterste!”....“Ik drijf je tot niets en vraag je alleen mij verder gerust te laten. Ik ben je vreemd en verder heb ’k je niets te zeggen.”“Valsche kat,” vlijmde hij. “Je moet niet denken dat er geen anderen zijn als jij, en je hoeft me niet te behandelen als een bedelaar: want ik verteer tienmaal meer in één week, dan je vader in een heel jaar.”Zij ging steeds voort, en hij volgde haar steeds.Onrust woelde in haar binnenste en de verontwaardiging deed haar wangen gloeien.“Scheer je weg,” riep ze luide, want ze dacht wel dat menschen volgden op de straat.“Anna, Anna, begon hij te biddenop smeekenden toon. Als je toch maar verstaan kon, hoeveel ik van je houd....”Maar hij was voor haar niets anders dan de aanrander van Hary.“Zie,” ging hij voort, “ik was soms bang dat ik je niet kon te spreken krijgen dezen morgen en daarom schreef ik je dezen brief. Daar, lees dien; ik geef hem je nu toch maar! En schrijf dan terug. Dan ga ik nu verder. Zul je ’t doen?”En werktuigelijk had ze zich het papier in de handen laten stoppen.’s Avonds in den maanlichten nacht, overzag zij de regels van zijn brief waarin hij zeide:“Anna, als je met een ander trouwen zoudt, zou je mij den dood aandoen. Doch je zult ’t laten, als je je eigen leven lief is....”Ze verfrommelde het schrijven onwillig.Dan ging zij voor de tafel zitten en schreef met potlood:“Ik geloof niets van alles wat gij zegt. Laat mij in vrede. En verder ga ’t u wel....”En ze zat in gedachten en beet op het potlood zonder het te weten.Toen stond zij plotseling op, greep beide papieren, scheurde ze in lange reepen, streek een lucifer aan en verbrandde ze buiten het venster op ’t raamkozijn. Ze zag de vlammetjes na in hun kronkelen en blies de asch weg in den wind en den nacht.“Ik zal niets antwoorden.”En zoo blies zij alles weg wat “hij” niet was, de eenige dien zij lief kon hebben.XII.“Wat zeg je van ’t nieuws?”“Wat?” vroeg Willem Stoffels zijn kameraad.“Wel, van Anneke van Jansen en Hary van den meester.”“Wat zou daarmee?”“Daar zou mee, dat jij je dat voor je neus hebt laten kapen.”“Kapen? Dat zou wat!”“En je had zooveel praats dien keer, toen de oude je de deur wees.”De groote kameraad lachte schamper.“Zijn schuur staat er nog altijd zooals ze er altijd gestaan heeft. Je ben me wel een held.”“Laat hem dan maar eens eerst zijn oogst binnen hebben!”De mijnwerkers traden in de grooteruimte waar zij wisselen van kleederen. Buiten namen zij ieder hunne koperen mijnlamp en gereedschap en wachtten, op den grond gehurkt in groepjes of bij elkander staande, hun beurt af om neer gelaten te worden in de diepte. Slechts weinigen hadden zich verzameld tot het gemeen gebed, bij ’t teeken van den opzichter. Daar was een ander vertrek, met een kruisbeeld in een altaarnis, dat tot kapel dienst deed.Willem Stoffels zag zijn betere mede-arbeiders gaan en weer terug komen. “Onnoozele halzen” noemde hij ze.De mijnput had opgehouden indruk op hem te maken. Toen hij den eersten keer in de ijzeren kooi gekropen was en op dat zwevend voertuig in de diepte van den steenen nacht was neergezonken, had een nijpende angst hem beslopen. Het was een hellevaart. Bij ’t schijnsel zijnerlamp had hij de drie kerels, in de kooi met hem aanwezig, voor duivels gehouden. Het oogenblik dier nederdaling had een dag geschenen. Hij zag het wit der oogen in de bleeke troniën der mannen, die met opgetrokken knieën tegenover hem daar zaten neergehurkt. Het was als eene verlossing toen de kooi stokte; doch daar begon eerst de verschrikking weer opnieuw. Het was de onveranderlijke, onvermurwbare nacht van steenen stilte.Met zijn bengelend licht was hij door de lage gaanderijen gekropen; dan had hij over zijn rug moeten glijden langs een steile helling, waar de losse steenkool wegschoot onder zijn voet. De bedrijvige arbeiders bij hun werk in den afgrond, hadden een ijzingwekkend voorkomen, wanneer men ze plotseling onderscheiden kon tegen het zwarte duister.Dan was het alsof de nacht er vorm aannam in hunne krommende lijven die daar zwoegden. Het zwarte stof maskerde hunne bezweette gezichten, waarin het wit der oogen feller schitterde bij ’t schemerige, rosse lamplicht. Het ronkend gerij der kolenwagentjes, die van alle verdiepingen en gangen langs glooiende gelijdingen van ijzer neergleden en beneden door paarden werden vervoerd, vervulde de doodsche stilte met een gedempten donder van geluid. Het klonk telkens als van ver-af naderend onweer.Door plassen water had hij er gewaad; door gangen was hij heengegaan, waar ijzeren buizen langs de wanden liepen voor den aanvoer van versche lucht, en door andere gangen die geheel geschraagd werden door palen, palissaden van hout over honderden meters. Hij zag de palenen steunsels bedekt met schimmelplanten als met een vuil schuim,—het eenige dat niet zwart was in den eeuwigen nacht der aarde.Wanneer dat nu eens week en toegaf aan den druk der steenen zoldering, had hij gedacht; wanneer de kooi eens ophield te zinken of te stijgen?Hij had den man zien staan bij de machine, die het groot geheel van riemen en raderen alléén drijft en duizend menschenlevens in zijn handen houdt. Als deze eens dood neerstortte?...Toen had hij angst gekend.“Glück auf” zeiden de werkers bij het elkaar ontmoeten.“Waarom die groet in de mijn?” had hij eens hooren vragen door een bezoeker. Iemand had er op geantwoord:“Het “goede morgen” zou ze dendag herinneren, en hier moet dat alles, licht en zon vergeten blijven, om den nacht niet smartelijker te gevoelen.”Soms had hij zijn houweel en schop wel willen wegslingeren; hij had kunnen uitbreken en vluchten uit de grafstilte omhoog, uit den dood en de donkerte.“Glück auf!”, zóó prikkel je de zucht die ze gedreven heeft in deze uiterste duisternis, de zucht naar geld en goud.Spreek niet van den “goeden dag” tot deze mannen der donkere daad.Hij had dit leven onder den grond als een last gedragen.Half bedolven tusschen het donkere gesteente, in nieuw gegraven beddingen sloofden de arbeiders voort, somber zwijgend. Het was gevaarlijk te spreken of te zingen, daar het oor steeds waakzaam zijn moest: elk oogenblikkon ’t signaal weerklinken, dat steeds als het luiden van den dood is. Anderen duwden wagentjes voort, anderen zaten intusschen neer in afwachting. Zij zwoegden er soms halfnaakt, met openhangend hemd en bloote armen, of in hun baaitje alleen. Het zweet droop van het glimmend zwarte aangezicht. Hoe had hij gegruwd van hen.Maar al die verschrikkingen gingen voorbij. Dat was de vroegere kinderachtigheid die uitgeroeid moest worden. Daarvoor kwam overmoed in de plaats,—de overmoed der brutale kracht. Wij zijn de toekomst, want de arbeid is koning! Wij zijn de ijzeren steunpilaren, die de menschheid torschen! En voor dien arbeid het volle leven in vrijheid en vreugd. Hoog de schuimende kroezen! Lachend in dien roes den dood gedronken....Willem Stoffels had de spade opgenomen en begon den leegen bak te vullen met zware brokken. Zij bonsden in de wagentjes neer. Zoo rolden ze voort met eentonig dof gedonder, af en aan, weggestuwd en weer aangevoerd onophoudelijk in den onveranderlijken nacht der acht lange werkuren. Soms sloeg de verre donder eener ontploffende mijn een zwaarderen slag, die aan bange echo’s geluid gaf in de holle aarde. En steeds klonk het ijzeren geronk der kipkarretjes en het gebons van ’t laden voort, als het zware ademen des levens in het blinde donker, de bloedsomloop door de holle pijpen en ingewanden van het steenen aardelijf.Willem Stoffels arbeidde voort, sprakeloos, werktuigelijk. Bijna was de helft van den arbeidsduur verstreken. Weldra zou hij neerzitten bij zijn werk, temidden der losgewoelde steenbrokken, met de overigen hun brood etend uit de zwarte handen, koffie drinkend uit de blikken bussen die ze meevoerden op den rug.Toen, gelijk een bliksem valt, plotseling! Hij hoorde het scheurend gekraak. Angstgegil steeg van vertwijfelde stemmen. Het stervensgekreun stierf weg in ’t gedonder van ’t verstervend gedreun. Waar de opgejaagde arbeiders in wilde vertwijfeling vluchtend elkander verdrongen, duisterde een zware stof damp, die opgolfde van de instorting.“Moeder,” kuchte de pastoor van Brunssum, toen hij over den drempel van de hut trad waar Stoffels woonde.De vrouw kwam hem te gemoet in stomme verbazing.“Gij moet niet schrikken,” zeide hij geruststellend.“Mijnheer pastoor, ’t is lang geleden dat gij hier geweest zijt,” klonk het berouwvol.“Luister eens moeder, zet u eens bij mij neer.”“Beteekent het ongeluk, dat gij tot ons komt,” vroeg zij deemoedig en schuchter.“Alles komt uit Gods hand, moeder; het een zoowel als het andere. Ook de beproevingen.—Is Stoffels thuis?”“Neen, mijnheer pastoor, hij is uit werken, op de heide. Doch wat is er?”“En Willem?....”“Is ook niet thuis. Hij komt van avond terug om acht uur.”“Moeder....” de pastoor zocht naar woorden. “Gij hebt nog niets gehoord, van wat er gebeurd is?”“Och God” zei ze. “Daar heb je ’t al. Is het iets ergs?”“Ja,” zeide de pastoor, haar onderzoekenden blik ontwijkend.“Wat is het dan? O, ik voel wat het is....”“Welnu dan, ja. Er is een ongeluk gebeurd.”“Toch niet op de mijn?.....”“Te Amstenrade. Er zijn gewonden, verschillende....”“God in den hemel, mijn jongen! Willem. Zeg het me, wat is er!”“Verschillenden zijn er getroffen, ook van Brunssum. Maar....”“Waarom zoudt gij hier komen als er niets was? O, mijnheer pastoor. Is er iets met Willem? Is hij erg....?”De vrouw verborg het gelaat in de handen.“Moeder, als er nu eens wat gebeurdwas met Willem, zoudt gij u dan overgeven in Gods heiligen Wil?”Zij snikte zonder te antwoorden.“Zeg nu eerst eens met mij: Gods Wil geschiedde. Alles wat gij doet, o Heer, is welgedaan.”“Hij heeft zijn Paschen niet gehouden,” kreunde zij.“Moeder, Gods barmhartigheid is immers oneindig.”“Hij is dood, niet-waar? Zeg het me dan toch!”“Ja,” antwoordde de priester met ontroering. “Zoo is het.”Zij wrong de handen en viel op hare knieën neer waar zij stond.“Help, o God, mijn jongen!”.... De woorden gingen verloren in den vloed der huilende jammerklachten, die geen troost van menschen stelpen kon.Stoffels kwam binnen op dat oogenblik.Het toeval scheen hem naar huis gedreven te hebben, zoo ’t niet de stem des bloeds geweest was, die luide werd in zijn borst.“Willem, Willem!” kreet de moeder toen zij hem zag.Zwijgend knikte de pastoor, bevestigend.“Wat? vroeg hij.—Een ongeluk? Toch niet dood?”En de man zonk gebroken neer.Toen de pastoor de hut der ongelukkigen verliet, lag de heide, in de laatste gulden glorie van den zonnedag, zoo vredig en gerust, dat het den grijsaard door de ziel ging. Daarbinnen jammerde de tragedie der menschelijke ellende. Was de rust der natuur in hare kalme grootschheid er niet de bespotting van?Toch liever dood blijven onder den open hemel, dacht de pastoor. Van den put der mijn is de weg naar de hel de kortste.... de heuvelen zijn God het dichst nabij.Dien nacht op den Heksenberg vierden, met duizelenden dans in het donker, de zwarte wijven hare duivelsche vreugde.XIII.“Anna, Anna, gauw, kom ’s hier!”Anna vond haar zusje met het tijdschrift van den Volkszang in de voorkamer. Lize legde ’t bandje op tafel, legde er de hand op bij een bepaald punt en riep triomfantelijk: “lees!”Anna begreep niet waar ’t heen moest.“Lees,” zei Lize gebiedend en lachend.Anna over haar heengebogen, gehoorzaamde. Het was een gedicht, en Lize bedekte den naam van den schrijver. Zij lazen. “Lotharingen” heette het.“Wat is Lotharingen?” vroeg Lize.“Dat weet ik niet,” zei Anna. “Laat me nu maar eens eerst lezen. Is het iets van den oorlog van zeventig?”Zij begon:Daar was eens een koning in het land,Het land van Lotharingen;Hij was zoo lustig en galantEn wist zoo fijn te zingen.Hij was zoo blijde wijl hij zong;Hij zong wijl hij zoo jong was.Hij had een stem gelijk een gong,Een stem die als een gong was.«Wie zit daar treurend op den steenEn wil niet lachen of zingen?”—«O God, ik ben zoo heel alleenIn ’t land van Lotharingen!Ik minde mijnen vedelaar:Zijn stem gelijk een gong was.Nu schrei ik sinds en jammer maar;Ik lachte toen ik jong was.»«Ik ben de knapste soldenierAan ’t hof van Lotharingen;Het geeft voor ’t leven meer plezierZijn lied getwee te zingen!....”De meid bij hem in ’t zadel sprong,Hoe hoog voor haar de sprong was.Nu lachte zij weer, en hupte en zong,En lachte als toen zij jong was.Hij nam haar handjen in zijn handEn gaf haar spelden en ringen.Hij was de koning van het land,Het land van Lotharingen....—Mij liet mijn liefste zoo alleen;Zijn stem gelijk een gong was.Weet gij soms den weg niet naar Loth’ringen heen?....Ik wist hem toen ik jong was.“Is ’t daarmee uit?”, vroeg Anna.“En weet jij nu wat Lotharingen is?”“Nee,” antwoordde ze.“Merkelbeek” zei Lize met gewicht.“Dáár!” en zij nam de hand weg van de rest van ’t blad. En Anna las er den naam van Hary Gerards, en bloosde.Anna was nadenkend gebleven heel den dag. In den namiddag hadden zij gehoord wat er te Amstenrade was voorgevallen. Een half uur later was ’t bekend geworden in het dorp, dat ook de jonge Stoffels van Brunssum verongelukt was bij de instorting. Hij behoorde tot de vermisten. ’s Anderdaags groef men zijn lijk op.Twee maanden later zat zij met Hary Gerards als naar gewoonte in het priëeltje.“Hary,” zei Anna. “Hoe kan er iets worden tusschen ons? Het kan niet, onmogelijk.”“Maar Anneke, schrok hij verbaasdop. Wat is er dan? Ik versta je niet. Ik begrijp er niets van.”“Er rust een zware schuld op mij,” en zij boog ’t hoofd.De jonge man nam hare hand in de zijne en streelde ze zachtjes.“Kun je je niet verklaren?” vroeg hij.“Ik had hem kunnen redden, en nu is hij door mijne schuld verloren gegaan, zuchtte zij. Hary, ik hing aan jou, en hem heb ik ongelukkig gemaakt. Als ik gewild hadde, ware hij een beter mensch geworden. Ik had me moeten offeren voor zijn geluk en zijn ommekeer. Ik achtte het niet. Nu is het te laat.”Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken.“Anna”, fluisterde hij, haar troostend.“Wat moet ik doen?”“Kom,” zeide hij, “spreek eens uit. Wat was er dan tusschen jou en hem? Meen je Stoffels?”“Hary,” zeide ze, “zoowaar als ik hier zit, er was niets tusschen ons. Wij zagen elkaar als kinderen. We waren éénmaal samen uit. Je weet zelf wel, dien avond. Het was toen. Anders niet. Maar ik had me iets gedroomd, ik weefde fantasieën; ik dacht aan hem voortdurend. Het was mij altijd, als moest er tusschen hem en mij iets gebeuren, als moest er iets wonderlijks komen van geluk en—ik weet niet wat. Ik zag hem nooit gelijk hij werkelijk was, maar altijd anders. Ik zag alleen maar moois, en mooier dan het bestaande. Maar toen ik begon te begrijpen, toen ik inzag en alles doorschouwde, ja—toen hield het nog niet op, toen was hetnog niet uit. Ik verdroeg zijn gezicht wel niet meer, ik ging hem haten; ik haatte hem sinds dien avond dat hij zich aan jou vergreep; maar het scheen alsof er een ander gekomen was naast hem. Toch bleef ik hem zien zooals ik hem in mijn droomen gezien had,—als behoorde hij niet tot de hut. Het was alsof die ander, die vloekte en laag werd, alleen de wolk was die voor de zon gegleden kwam. En ’k bleef mijn droom gelooven, gelooven en zien, tot....”“Tot het einde?”“Ja, tot alles ophield. Dat is het einde mijner jeugd geweest.”“En nù de werkelijkheid, Anna!”Zij sprak niet een lange poos.“Kind-lief,” zei hij, “wij dragen allen den rouw onzer jeugdillusies het leven door en leggen dien sluier niet af,zelfs niet bij de hoogefeesten onzer beste vreugde.”“Was ik niet slecht?” vroeg zij in vertrouwvolle overgave.“Kind,” zeide hij, “slechts weinigen zijn er geroepen tot heldhaftigheid. Je eigen geluk offeren voor het heil van een ander, is het bewonderenswaardige dat alleen buitengewone menschen kunnen. Het is bijna bovenmenschelijk. Je hebt je waarlijk niets te verwijten. Doch zoo je werkelijk misdaan had door het goede te verzuimen, dan ware er altijd nog gelegenheid om dat goed te maken door goed te doen.”“Wat kan ik doen?” vroeg ze hem.Hij sloeg zijn arm om haar heen.“Ik ken iemand,”zeide hij, “die na een leven van dicht en droom, een leven van daad wil gaan beginnen.Het is mooi met schoone dingen bezig te zijn in zijn gedachten; maar het is beter goede dingen te doen. Schoon Limburg ligt te zieltogen; maar het volk onzer gouwen, het wel en het wee der menschen, dat is méér. Het heden eischt onze zorgen en bemoeiingen, offer en bekommernis, en de toewijding van brein en bloed. De sociale strijd is begonnen in dezen overgangstijd tusschen oud en nieuw. Den man is het voorbehouden de kling te zwaaien; maar het is der vrouw weggelegd den man te gorden met moed en kracht, hem te steunen met haar troost, hem te schutten met hare liefde.”“Anna” ging hij voort,—want zij zweeg steeds—“ons land behoeft alle jonge krachten: doch zóó ook behoeven mijne jonge krachten u....”Rondom schetterden de vinken het lied des levens vroolijk uit.Weer zaten zij in ’t priëeltje samen.“Was die droefheid niet de schemering van een beter verblijden?”, vroeg hij haar met innigheid.Zij glimlachte weemoedig.“En toch kan ik niet juichend blijde zijn en lachen als een gelukkige bruid.”“Zie,” zeide hij, “dat is de stilte van den rijpenden zomer: het is de stemming ook van ons eigen lieve land. Het was voor jou een kinderdroom, een jeugdillusie, wat voor ons arme Limburg de lente was van een patriarchalen, gelukkigen tijd. De droom van schoonheid is verstoord, de bloesems vallen. Maar wij gaan den tijd tegemoet die oogst geeft en vruchten. Voortaan zal ergewerkt moeten worden voor het behoud van Limburg’s volk en zijn ouden aard. Daarbij nu zullen wij getweeën zijn! En getwee zullen wij bouwen tevens aan ons eigen geluk.”“Je moet mij nog veel leeren,” zeide zij.Zoo legden zij de handen in elkaar.“Waar zullen wij zoo onzen eigen haard bouwen?” vroeg hij.“Waar korenvelden zijn,” antwoordde ze, “weidebloemen voor de deur, vruchtboomen over het dak en leeuwerikken.”“Eens droomde ik,” zeide hij in gedachten, “het zou aan den rand der groote, roerlooze, roode heide zijn. Doch de heide moeten wij laten varen met onze droomen, nu de arbeid roept. Het zal wezen gelijk je zegt,—en onder den rook der mijn.”
X.Het was een poos later. ’t Was een heete dag geweest en vóór de avond viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage rommelen van ’t onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende luikendicht en openstaande ramen.Bloempottenwoeien om. De menschen op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en weer gezwiept in ’t gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog een jonge boeraanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijdekaars, die op een luchter geplaatst werd en ontstoken.“Kinderen,” zei ze, “haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het wordt een zwaar weer.”Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun vurig verschieten om strijd.“Ik zal hem halen” zei Jansen en ging.Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.“Heb je hem?” riep moeder bij de trap.“Ja,” antwoordde hij, “ik kom.”“Goddank,” dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.“Wij zijn in Gods hand” zeide zij altijd.“Over het veld is heel de lucht één vuur,” zei Jansen, binnenkomend met heel den bos. ’t Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij ’t kruid van den dorren tuil likten.De bliksemstralen liepen rondom ’t huis, alsof zij er door heen voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers mokerden de donderslagen.Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer even onderbroken, wanneer één diergeweldige slagen viel, die het heele huis aan ’t dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks hoorbaar antwoordden de meisjes het: “Heilige Maria, Moeder Gods....”Dan zeide vrouw Jansen weer: “och-arme, die arme menschen die daar nu in zijn!” De regen gudste nu.“Het wordt nog altijd erger,” zei de man bezorgd.Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was ingestort. “God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den schoorsteenmantel, dat we Sint Jan’s Evangelie bidden....”“Vader,” zei Lize, “ik hoor kloppen aan de deur.”Een nieuwe geweldige slag loeidelos, over het dorp heen daverend.Vrouw Jansen hoorde het ook: “Er is iemand aan de deur.”Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen.Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den weg waar geen huis is.“Zwaar weertje” zeiden ze. “Is me dat iets?”Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en met de meisjes verdween de moeder in de keuken.“Geef ons een borrel,” vroeg Willem.Het noodweer liet geen oogwenk af.“Wij zaten te bidden,” zei Jansen. “Ik heb u niet binnen gelaten dat gij drinken zoudt. Bij zoo’n weer laat eenkristelijk mensch zelfs geen hond op straat. Dáárom!”Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen.Stoffels vloekte binnensmonds.“In den naam van God, barstte Jansen uit, daar wordt hier niet gevloekt, verstaan jullie.”Een krakend geluid viel over ’t huis neer, en een ander geluid rinkelde in het huis zelf. Met een slag stortte in de voorkamer een groot schilderij van den wand en ’t glas er van viel aan stukken.Doodsbleek kwam moeder Jansen toegeschoten.“Heere,” zei de herbergier,”het ‘Hart Jesus’ is van den muur gevallen. Geheel aan stukken....”“God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk....”Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten, zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. “Het is over,” zei hij. De arbeiders hadden stil samen zitten praten.“Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken” grinnikte de oudere der twee.“Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?” verstoutte zich Willem Stoffels. “Waar is ze?”“Hoor hier,” beet Jansen toe, getergd en grimmig “als het niet geweest was om ’t noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn voet over den drempel gezet! En alles wat ik je te zeggen heb, is: dat dáár de deur is.”“Hola, hola,” bracht de ander in het midden.“Spreek ik tot dooven?” tierde Jansen.Als geranselde doggen dropen zij af.—“Ik heb ze aan de deur gezet,” zei Jansen in de keuken.Anna boog zwijgend het hoofd.“Als ik die den rooden haan niet een keer op het dak jaag,” zei Willem Stoffels tot zijn kameraad, met een vloek als naar gewoonte,“dan wil ik stikken!”Zoo ging hij zijns weegs, het donker in.
Het was een poos later. ’t Was een heete dag geweest en vóór de avond viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage rommelen van ’t onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende luikendicht en openstaande ramen.Bloempottenwoeien om. De menschen op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en weer gezwiept in ’t gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog een jonge boeraanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.
Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijdekaars, die op een luchter geplaatst werd en ontstoken.
“Kinderen,” zei ze, “haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het wordt een zwaar weer.”
Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.
De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun vurig verschieten om strijd.
“Ik zal hem halen” zei Jansen en ging.
Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.
De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.
“Heb je hem?” riep moeder bij de trap.
“Ja,” antwoordde hij, “ik kom.”
“Goddank,” dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.
“Wij zijn in Gods hand” zeide zij altijd.
“Over het veld is heel de lucht één vuur,” zei Jansen, binnenkomend met heel den bos. ’t Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij ’t kruid van den dorren tuil likten.
De bliksemstralen liepen rondom ’t huis, alsof zij er door heen voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers mokerden de donderslagen.
Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer even onderbroken, wanneer één diergeweldige slagen viel, die het heele huis aan ’t dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks hoorbaar antwoordden de meisjes het: “Heilige Maria, Moeder Gods....”
Dan zeide vrouw Jansen weer: “och-arme, die arme menschen die daar nu in zijn!” De regen gudste nu.
“Het wordt nog altijd erger,” zei de man bezorgd.
Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was ingestort. “God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den schoorsteenmantel, dat we Sint Jan’s Evangelie bidden....”
“Vader,” zei Lize, “ik hoor kloppen aan de deur.”
Een nieuwe geweldige slag loeidelos, over het dorp heen daverend.
Vrouw Jansen hoorde het ook: “Er is iemand aan de deur.”
Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen.
Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den weg waar geen huis is.
“Zwaar weertje” zeiden ze. “Is me dat iets?”
Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en met de meisjes verdween de moeder in de keuken.
“Geef ons een borrel,” vroeg Willem.
Het noodweer liet geen oogwenk af.
“Wij zaten te bidden,” zei Jansen. “Ik heb u niet binnen gelaten dat gij drinken zoudt. Bij zoo’n weer laat eenkristelijk mensch zelfs geen hond op straat. Dáárom!”
Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen.
Stoffels vloekte binnensmonds.
“In den naam van God, barstte Jansen uit, daar wordt hier niet gevloekt, verstaan jullie.”
Een krakend geluid viel over ’t huis neer, en een ander geluid rinkelde in het huis zelf. Met een slag stortte in de voorkamer een groot schilderij van den wand en ’t glas er van viel aan stukken.
Doodsbleek kwam moeder Jansen toegeschoten.
“Heere,” zei de herbergier,”het ‘Hart Jesus’ is van den muur gevallen. Geheel aan stukken....”
“God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk....”
Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten, zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. “Het is over,” zei hij. De arbeiders hadden stil samen zitten praten.
“Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken” grinnikte de oudere der twee.
“Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?” verstoutte zich Willem Stoffels. “Waar is ze?”
“Hoor hier,” beet Jansen toe, getergd en grimmig “als het niet geweest was om ’t noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn voet over den drempel gezet! En alles wat ik je te zeggen heb, is: dat dáár de deur is.”
“Hola, hola,” bracht de ander in het midden.
“Spreek ik tot dooven?” tierde Jansen.
Als geranselde doggen dropen zij af.—
“Ik heb ze aan de deur gezet,” zei Jansen in de keuken.
Anna boog zwijgend het hoofd.
“Als ik die den rooden haan niet een keer op het dak jaag,” zei Willem Stoffels tot zijn kameraad, met een vloek als naar gewoonte,“dan wil ik stikken!”
Zoo ging hij zijns weegs, het donker in.
XI.Den eerst volgenden keer toen Hary Gerards in Brunssum terug kwam, was ’t weer zomer-vakantie. Hij zou ’t dorp niet weer verlaten nu, daar hij als onderwijzer was benoemd in de school, die zijn vader zoo vele jaren had bestierd. Hij werd zijn opvolger. Hary zag nieuwe kimmen rijzen.Vader Jansen was blij. Hary Gerards was een belofte in zijn oog. “Die kan nog een boel goed doen in de gemeente, meende hij. Het gaat nog eerst erg worden hier!”“Ja,” zei Hary, “wanneer de landbouwende bevolking plotseling veranderd wordt tot een nijverheidsvolk, en de loonen stijgen, dan stijgen de uitgaven ook. Maar allen die niet geheven worden door ’t nieuwe tij, moeten er in verzinken.Dan gaan de boeren onder, wanneer de lasten stijgen boven hun draagkracht.”“En de boeren begrijpen niet, dat organisatie ze alleen nog redden kan!” was Jansen’s overtuiging.“Organisatie gesteund door ontwikkeling. Waar kennis ontbreekt, stort alles in, gelijk een huis op drijfzand. En waar het juiste inzicht faalt, faalt ook het vertrouwen.”“Een vreemd volkje hier,” zei Jansen. “Als negen mannen, die het goed meenen, het volk hebben duidelijk gemaakt in ernst, wat er noodig is voor hun bestwil, wat er te doen is voor hun welzijn,—laat heel de boel zich opruien, wanneer er éen tiende komt die alles belachelijk maakt. De menschen hier lachen altijd met de lachers.”“Daar helpt alleen onderwijs, entucht misschien, voor zoover dat een gebrek verbeteren kan. Zoo was ’t van ouds hier gesteld! Doch ’t nieuwe geslacht heeft zich dronken gezopen aan zijn vrijheid.”“Ja, dat vrije leven!—De kinderen maken zich van de ouders los, betalen een mager kostgeld van hun zwaar loon....”“De parochies maken zich los van de pastoors.”“Waar de socialisten het op aanleggen!”“Wat moet er komen van een volk zonder God?”“Een zwijnenstal, meester.”De beide mannen zwegen.“En wat hadden de boeren gelukkig kunnen zijn!” ging Hary voort met een zucht.“Ja, die van den ouden tijd waren gelukkigen.”“Een man, wien zijn veld zijn wereld is, die zijn leven leeft zonder vrees en zonder verlangen, maar tevreden met God,—want godsdienst is niet vrees maar liefde,—die naar zijn akker schrijdt met de vogels over hem heen, en van zijn arbeid keert met de sterren boven zijn hoofd, die man gevoelt, te midden der wonderen van de natuur die hem omgeeft, van wasdom en groeikracht, dat God wandelt aan zijn zijde....”Lize riep haar zusje buiten onder ’t open raam.“Hoor ’s,” zei ze. “Hary Gerards! Die zit vandaag op zijn praatstoel; God nog ’s toe. Hij spreekt als een boek.”“Geef hem een eigen akker, een eigen huis, een bezorgde huisvrouw die zijn gedachten deelt en kinderen die aan zijn knieën spelen, geeft hem vreugdin zijn arbeid, vertrouwen in zijn werk, geef hem liefde en hoop in ’t hart, en eene ziel die zich op natuurlijke wijze tot haar Schepper keert, met simpele gebeden, eenvoudig als zijne gevoelens,—en er zal eene schoonheid in zulk een leven zijn als door geen andere levenden daarbuiten in de stad benaderd wordt.—Kan deze bevroeden dat er ongeloovigen zijn? Hij bemint God met den natuurlijken drang naar liefde die in zijn hart gelegd is, en deze liefde staat boven de kim zijns levens als de rijzende zon aan den heuvelrand. Heel de wereld en heel zijn ziel liggen in haar glans en luister. Dáár is Religie leven, en Leven poëzie.”Hary liet zich meeslepen door zijn eigen woorden. Jansen hoorde hem aan met klimmende verbazing.“Het is niet mogelijk niet van God te houden, ging Gerards voort, wanneer het leven een voortdurende zegening is. Het is het eenvoudige leven van den landman, dat het leven is waarin de kunstenaars de schoonheid vinden uitgedrukt. Het moderne leven baart onrust en verlangen. Den schoonen vrede vinden de menschen eerst op het land. Op het land is God alom. De natuur openbaart Hem. Laat de boer onontwikkeld heeten, wanneer hij slechts deze wijsheid bezit! Doe de vooruitgang zijn deur ook niet aan; in zijn bestaan is verwerkelijkt de hoogste schoonheid voor alle tijden: het eenvoudige, oprechte leven....”Jansen knikte toestemmend, woordeloos.“Ik vrees, glimlachte Hary, dat ’k hier zit te preeken.”“Zoo heb ik den pastoor zelf nooit gehoord,” gaf Jansen toe.“Dag meester,” zei Lize binnenkomend. “Heeft vader u al eens onze rozen laten kijken?” En zonder antwoord af te wachten: “Kom u eens mee naar den tuin. Ze zijn prachtig van ’t jaar, niewaar vader? Anna is er ook.”“Ja, ga eens mee,” zei vader.“Anna zou er juist gaan plukken,” voegde ze er aan toe; maar Hary voelde niet dat hare stem eventjes onzeker trilde.Anna bloosde toen zij hem den tuin zag binnen komen en tusschen de rozelaars het pad opgaan, recht naar haar toe.“Wij stonden onder het raam,” zei Lize, “toen gij met vader bezig waart, zoo juist. Wacht even,” zei ze, “ik haalgauw een mesje om een mooien knop voor u af te snijden.”Anna zweeg en wachtend pluisde zij een paar groen ombolsterde rozenknopjes en ontdeed ze van de groene bladluizen die ze er zocht.Lize kwam niet gauw terug, gelijk ze had verzekerd.“Het is mooi weer vandaag”, begon de redenaar van straks.“Ja,” antwoordde Anna, “mooi.”Gelijkelijk groeide de verlegenheid in beiden. Wat te zeggen, dacht hij, en vergat daarbij dat hij spreken moest. Hij raakte niet uitgedacht.“Het koren zal nu wel gauw bloeien,” zei hij eindelijk weer.“De appelbloei was mooi van ’t jaar” antwoordde ze.“Gij houdt van bloemen?”“Ja, veel....”“Van de rozen hier?”“Van de rozen, ja: maar ook van de veldbloemen.”“Werkelijk,” vroeg hij, “van ’t veld?”“En van de wei! Waarom dan niet?....”“Ik heb altijd,” zei Hary als in gedachten, “veel gehouden van de heide.”Er ging een horizont open met dat woord voor beiden. Het was hem onbewust op de lippen gekomen. Maar nu gevoelde hij wat zij denken moest: die kermisavond, de overval waarbij de ander zich gewroken had: Willem Stoffels stond tusschen hen beiden.“Ik hou meer van ’t veld,” zeide ze. “Daar is leven.”“Op de heide,” sprak hij haar gedachte aanvullend, “is droom.”“Ja,” zeide Anna, “maar men leeft niet lang met zijn droomen.”Lize kwam eindelijk. Zij gaf Anna ’t mesje. “Snij er een heel mooie af!” En lachend voegde ze er bij: “ik mag immers niet, daar ’k verloofd ben.”“Wanneer zult ge trouwen?” vroeg Hary.“O, nog lang! Maar gij dan, meester?....”“Daar behooren er twee toe,” antwoordde hij.“Hebt gij die tweede dan nog niet gevonden?”“Een goede vrouw wordt niet zoo maar gevonden, meen ik,” zeide hij nadenkend; “zij wordt verdiend.”En hij nam de roos uit Anna’s hand die de oogen neersloeg.Op een morgen dat Anna niets vermoedend uit de eerste mis kwam, op een zondag was ’t, voegde Willem zich bij haar. Hij had haar opgewacht; hij was er gekomen om haar te treffen. Zonder verklaring liep hij mee met haar en wachtte wat zij zeggen zou. Maar voor zich kijkend, gaf zij taal noch teeken.“Hoor eens,” zeide hij, “men begint over je te praten in ’t dorp, over jou met Hary van den meester. Maar ik wilde je maar eens zeggen, dat dát zoo niet verder gaan kan. Mij heb je den trouw beloofd en ik wil dus....”“Wat zou je zeggen?”, riep Anna verontwaardigd.“Zou je ’t heeten liegen soms?”“Ja,” zei ze, “leugenaar die je ben, wat bezielt je?”“Dat het je niet goed zal gaan, als je van mij af wil zijn.”“Ik heb nooit wat met je te maken gehad, en zal nooit iets met je hebben uit te staan. En laat me gaan....”Toen begon hij te vleien en te bezweren.Maar zij wilde geen antwoord meer geven, al wist ze dat alles tusschen hen gedaan zou wezen na dit oogenblik.Doch wát was er geweest,—méér dan een droom of de herinnering van een droom, in duigen gestort voor den adem der werkelijkheid?“Heb je Hary Gerards wat beloofd?”“Heb jij daar mee te maken?”“Het zal jou ongeluk zijn en het zijne.”Zij zag hem verachtelijk in ’t gezicht.“O, je ben te trotsch, he, te grootsch voor éen als ik, omdat je vader geld heeft en je moeder kan pronken metwat ze te veel heeft. Doch drijf me maar tot het uiterste!”....“Ik drijf je tot niets en vraag je alleen mij verder gerust te laten. Ik ben je vreemd en verder heb ’k je niets te zeggen.”“Valsche kat,” vlijmde hij. “Je moet niet denken dat er geen anderen zijn als jij, en je hoeft me niet te behandelen als een bedelaar: want ik verteer tienmaal meer in één week, dan je vader in een heel jaar.”Zij ging steeds voort, en hij volgde haar steeds.Onrust woelde in haar binnenste en de verontwaardiging deed haar wangen gloeien.“Scheer je weg,” riep ze luide, want ze dacht wel dat menschen volgden op de straat.“Anna, Anna, begon hij te biddenop smeekenden toon. Als je toch maar verstaan kon, hoeveel ik van je houd....”Maar hij was voor haar niets anders dan de aanrander van Hary.“Zie,” ging hij voort, “ik was soms bang dat ik je niet kon te spreken krijgen dezen morgen en daarom schreef ik je dezen brief. Daar, lees dien; ik geef hem je nu toch maar! En schrijf dan terug. Dan ga ik nu verder. Zul je ’t doen?”En werktuigelijk had ze zich het papier in de handen laten stoppen.’s Avonds in den maanlichten nacht, overzag zij de regels van zijn brief waarin hij zeide:“Anna, als je met een ander trouwen zoudt, zou je mij den dood aandoen. Doch je zult ’t laten, als je je eigen leven lief is....”Ze verfrommelde het schrijven onwillig.Dan ging zij voor de tafel zitten en schreef met potlood:“Ik geloof niets van alles wat gij zegt. Laat mij in vrede. En verder ga ’t u wel....”En ze zat in gedachten en beet op het potlood zonder het te weten.Toen stond zij plotseling op, greep beide papieren, scheurde ze in lange reepen, streek een lucifer aan en verbrandde ze buiten het venster op ’t raamkozijn. Ze zag de vlammetjes na in hun kronkelen en blies de asch weg in den wind en den nacht.“Ik zal niets antwoorden.”En zoo blies zij alles weg wat “hij” niet was, de eenige dien zij lief kon hebben.
Den eerst volgenden keer toen Hary Gerards in Brunssum terug kwam, was ’t weer zomer-vakantie. Hij zou ’t dorp niet weer verlaten nu, daar hij als onderwijzer was benoemd in de school, die zijn vader zoo vele jaren had bestierd. Hij werd zijn opvolger. Hary zag nieuwe kimmen rijzen.
Vader Jansen was blij. Hary Gerards was een belofte in zijn oog. “Die kan nog een boel goed doen in de gemeente, meende hij. Het gaat nog eerst erg worden hier!”
“Ja,” zei Hary, “wanneer de landbouwende bevolking plotseling veranderd wordt tot een nijverheidsvolk, en de loonen stijgen, dan stijgen de uitgaven ook. Maar allen die niet geheven worden door ’t nieuwe tij, moeten er in verzinken.Dan gaan de boeren onder, wanneer de lasten stijgen boven hun draagkracht.”
“En de boeren begrijpen niet, dat organisatie ze alleen nog redden kan!” was Jansen’s overtuiging.
“Organisatie gesteund door ontwikkeling. Waar kennis ontbreekt, stort alles in, gelijk een huis op drijfzand. En waar het juiste inzicht faalt, faalt ook het vertrouwen.”
“Een vreemd volkje hier,” zei Jansen. “Als negen mannen, die het goed meenen, het volk hebben duidelijk gemaakt in ernst, wat er noodig is voor hun bestwil, wat er te doen is voor hun welzijn,—laat heel de boel zich opruien, wanneer er éen tiende komt die alles belachelijk maakt. De menschen hier lachen altijd met de lachers.”
“Daar helpt alleen onderwijs, entucht misschien, voor zoover dat een gebrek verbeteren kan. Zoo was ’t van ouds hier gesteld! Doch ’t nieuwe geslacht heeft zich dronken gezopen aan zijn vrijheid.”
“Ja, dat vrije leven!—De kinderen maken zich van de ouders los, betalen een mager kostgeld van hun zwaar loon....”
“De parochies maken zich los van de pastoors.”
“Waar de socialisten het op aanleggen!”
“Wat moet er komen van een volk zonder God?”
“Een zwijnenstal, meester.”
De beide mannen zwegen.
“En wat hadden de boeren gelukkig kunnen zijn!” ging Hary voort met een zucht.
“Ja, die van den ouden tijd waren gelukkigen.”
“Een man, wien zijn veld zijn wereld is, die zijn leven leeft zonder vrees en zonder verlangen, maar tevreden met God,—want godsdienst is niet vrees maar liefde,—die naar zijn akker schrijdt met de vogels over hem heen, en van zijn arbeid keert met de sterren boven zijn hoofd, die man gevoelt, te midden der wonderen van de natuur die hem omgeeft, van wasdom en groeikracht, dat God wandelt aan zijn zijde....”
Lize riep haar zusje buiten onder ’t open raam.
“Hoor ’s,” zei ze. “Hary Gerards! Die zit vandaag op zijn praatstoel; God nog ’s toe. Hij spreekt als een boek.”
“Geef hem een eigen akker, een eigen huis, een bezorgde huisvrouw die zijn gedachten deelt en kinderen die aan zijn knieën spelen, geeft hem vreugdin zijn arbeid, vertrouwen in zijn werk, geef hem liefde en hoop in ’t hart, en eene ziel die zich op natuurlijke wijze tot haar Schepper keert, met simpele gebeden, eenvoudig als zijne gevoelens,—en er zal eene schoonheid in zulk een leven zijn als door geen andere levenden daarbuiten in de stad benaderd wordt.—Kan deze bevroeden dat er ongeloovigen zijn? Hij bemint God met den natuurlijken drang naar liefde die in zijn hart gelegd is, en deze liefde staat boven de kim zijns levens als de rijzende zon aan den heuvelrand. Heel de wereld en heel zijn ziel liggen in haar glans en luister. Dáár is Religie leven, en Leven poëzie.”
Hary liet zich meeslepen door zijn eigen woorden. Jansen hoorde hem aan met klimmende verbazing.
“Het is niet mogelijk niet van God te houden, ging Gerards voort, wanneer het leven een voortdurende zegening is. Het is het eenvoudige leven van den landman, dat het leven is waarin de kunstenaars de schoonheid vinden uitgedrukt. Het moderne leven baart onrust en verlangen. Den schoonen vrede vinden de menschen eerst op het land. Op het land is God alom. De natuur openbaart Hem. Laat de boer onontwikkeld heeten, wanneer hij slechts deze wijsheid bezit! Doe de vooruitgang zijn deur ook niet aan; in zijn bestaan is verwerkelijkt de hoogste schoonheid voor alle tijden: het eenvoudige, oprechte leven....”
Jansen knikte toestemmend, woordeloos.
“Ik vrees, glimlachte Hary, dat ’k hier zit te preeken.”
“Zoo heb ik den pastoor zelf nooit gehoord,” gaf Jansen toe.
“Dag meester,” zei Lize binnenkomend. “Heeft vader u al eens onze rozen laten kijken?” En zonder antwoord af te wachten: “Kom u eens mee naar den tuin. Ze zijn prachtig van ’t jaar, niewaar vader? Anna is er ook.”
“Ja, ga eens mee,” zei vader.
“Anna zou er juist gaan plukken,” voegde ze er aan toe; maar Hary voelde niet dat hare stem eventjes onzeker trilde.
Anna bloosde toen zij hem den tuin zag binnen komen en tusschen de rozelaars het pad opgaan, recht naar haar toe.
“Wij stonden onder het raam,” zei Lize, “toen gij met vader bezig waart, zoo juist. Wacht even,” zei ze, “ik haalgauw een mesje om een mooien knop voor u af te snijden.”
Anna zweeg en wachtend pluisde zij een paar groen ombolsterde rozenknopjes en ontdeed ze van de groene bladluizen die ze er zocht.
Lize kwam niet gauw terug, gelijk ze had verzekerd.
“Het is mooi weer vandaag”, begon de redenaar van straks.
“Ja,” antwoordde Anna, “mooi.”
Gelijkelijk groeide de verlegenheid in beiden. Wat te zeggen, dacht hij, en vergat daarbij dat hij spreken moest. Hij raakte niet uitgedacht.
“Het koren zal nu wel gauw bloeien,” zei hij eindelijk weer.
“De appelbloei was mooi van ’t jaar” antwoordde ze.
“Gij houdt van bloemen?”
“Ja, veel....”
“Van de rozen hier?”
“Van de rozen, ja: maar ook van de veldbloemen.”
“Werkelijk,” vroeg hij, “van ’t veld?”
“En van de wei! Waarom dan niet?....”
“Ik heb altijd,” zei Hary als in gedachten, “veel gehouden van de heide.”
Er ging een horizont open met dat woord voor beiden. Het was hem onbewust op de lippen gekomen. Maar nu gevoelde hij wat zij denken moest: die kermisavond, de overval waarbij de ander zich gewroken had: Willem Stoffels stond tusschen hen beiden.
“Ik hou meer van ’t veld,” zeide ze. “Daar is leven.”
“Op de heide,” sprak hij haar gedachte aanvullend, “is droom.”
“Ja,” zeide Anna, “maar men leeft niet lang met zijn droomen.”
Lize kwam eindelijk. Zij gaf Anna ’t mesje. “Snij er een heel mooie af!” En lachend voegde ze er bij: “ik mag immers niet, daar ’k verloofd ben.”
“Wanneer zult ge trouwen?” vroeg Hary.
“O, nog lang! Maar gij dan, meester?....”
“Daar behooren er twee toe,” antwoordde hij.
“Hebt gij die tweede dan nog niet gevonden?”
“Een goede vrouw wordt niet zoo maar gevonden, meen ik,” zeide hij nadenkend; “zij wordt verdiend.”
En hij nam de roos uit Anna’s hand die de oogen neersloeg.
Op een morgen dat Anna niets vermoedend uit de eerste mis kwam, op een zondag was ’t, voegde Willem zich bij haar. Hij had haar opgewacht; hij was er gekomen om haar te treffen. Zonder verklaring liep hij mee met haar en wachtte wat zij zeggen zou. Maar voor zich kijkend, gaf zij taal noch teeken.
“Hoor eens,” zeide hij, “men begint over je te praten in ’t dorp, over jou met Hary van den meester. Maar ik wilde je maar eens zeggen, dat dát zoo niet verder gaan kan. Mij heb je den trouw beloofd en ik wil dus....”
“Wat zou je zeggen?”, riep Anna verontwaardigd.
“Zou je ’t heeten liegen soms?”
“Ja,” zei ze, “leugenaar die je ben, wat bezielt je?”
“Dat het je niet goed zal gaan, als je van mij af wil zijn.”
“Ik heb nooit wat met je te maken gehad, en zal nooit iets met je hebben uit te staan. En laat me gaan....”
Toen begon hij te vleien en te bezweren.
Maar zij wilde geen antwoord meer geven, al wist ze dat alles tusschen hen gedaan zou wezen na dit oogenblik.
Doch wát was er geweest,—méér dan een droom of de herinnering van een droom, in duigen gestort voor den adem der werkelijkheid?
“Heb je Hary Gerards wat beloofd?”
“Heb jij daar mee te maken?”
“Het zal jou ongeluk zijn en het zijne.”
Zij zag hem verachtelijk in ’t gezicht.
“O, je ben te trotsch, he, te grootsch voor éen als ik, omdat je vader geld heeft en je moeder kan pronken metwat ze te veel heeft. Doch drijf me maar tot het uiterste!”....
“Ik drijf je tot niets en vraag je alleen mij verder gerust te laten. Ik ben je vreemd en verder heb ’k je niets te zeggen.”
“Valsche kat,” vlijmde hij. “Je moet niet denken dat er geen anderen zijn als jij, en je hoeft me niet te behandelen als een bedelaar: want ik verteer tienmaal meer in één week, dan je vader in een heel jaar.”
Zij ging steeds voort, en hij volgde haar steeds.
Onrust woelde in haar binnenste en de verontwaardiging deed haar wangen gloeien.
“Scheer je weg,” riep ze luide, want ze dacht wel dat menschen volgden op de straat.
“Anna, Anna, begon hij te biddenop smeekenden toon. Als je toch maar verstaan kon, hoeveel ik van je houd....”
Maar hij was voor haar niets anders dan de aanrander van Hary.
“Zie,” ging hij voort, “ik was soms bang dat ik je niet kon te spreken krijgen dezen morgen en daarom schreef ik je dezen brief. Daar, lees dien; ik geef hem je nu toch maar! En schrijf dan terug. Dan ga ik nu verder. Zul je ’t doen?”
En werktuigelijk had ze zich het papier in de handen laten stoppen.
’s Avonds in den maanlichten nacht, overzag zij de regels van zijn brief waarin hij zeide:
“Anna, als je met een ander trouwen zoudt, zou je mij den dood aandoen. Doch je zult ’t laten, als je je eigen leven lief is....”
Ze verfrommelde het schrijven onwillig.
Dan ging zij voor de tafel zitten en schreef met potlood:
“Ik geloof niets van alles wat gij zegt. Laat mij in vrede. En verder ga ’t u wel....”
En ze zat in gedachten en beet op het potlood zonder het te weten.
Toen stond zij plotseling op, greep beide papieren, scheurde ze in lange reepen, streek een lucifer aan en verbrandde ze buiten het venster op ’t raamkozijn. Ze zag de vlammetjes na in hun kronkelen en blies de asch weg in den wind en den nacht.
“Ik zal niets antwoorden.”
En zoo blies zij alles weg wat “hij” niet was, de eenige dien zij lief kon hebben.
XII.“Wat zeg je van ’t nieuws?”“Wat?” vroeg Willem Stoffels zijn kameraad.“Wel, van Anneke van Jansen en Hary van den meester.”“Wat zou daarmee?”“Daar zou mee, dat jij je dat voor je neus hebt laten kapen.”“Kapen? Dat zou wat!”“En je had zooveel praats dien keer, toen de oude je de deur wees.”De groote kameraad lachte schamper.“Zijn schuur staat er nog altijd zooals ze er altijd gestaan heeft. Je ben me wel een held.”“Laat hem dan maar eens eerst zijn oogst binnen hebben!”De mijnwerkers traden in de grooteruimte waar zij wisselen van kleederen. Buiten namen zij ieder hunne koperen mijnlamp en gereedschap en wachtten, op den grond gehurkt in groepjes of bij elkander staande, hun beurt af om neer gelaten te worden in de diepte. Slechts weinigen hadden zich verzameld tot het gemeen gebed, bij ’t teeken van den opzichter. Daar was een ander vertrek, met een kruisbeeld in een altaarnis, dat tot kapel dienst deed.Willem Stoffels zag zijn betere mede-arbeiders gaan en weer terug komen. “Onnoozele halzen” noemde hij ze.De mijnput had opgehouden indruk op hem te maken. Toen hij den eersten keer in de ijzeren kooi gekropen was en op dat zwevend voertuig in de diepte van den steenen nacht was neergezonken, had een nijpende angst hem beslopen. Het was een hellevaart. Bij ’t schijnsel zijnerlamp had hij de drie kerels, in de kooi met hem aanwezig, voor duivels gehouden. Het oogenblik dier nederdaling had een dag geschenen. Hij zag het wit der oogen in de bleeke troniën der mannen, die met opgetrokken knieën tegenover hem daar zaten neergehurkt. Het was als eene verlossing toen de kooi stokte; doch daar begon eerst de verschrikking weer opnieuw. Het was de onveranderlijke, onvermurwbare nacht van steenen stilte.Met zijn bengelend licht was hij door de lage gaanderijen gekropen; dan had hij over zijn rug moeten glijden langs een steile helling, waar de losse steenkool wegschoot onder zijn voet. De bedrijvige arbeiders bij hun werk in den afgrond, hadden een ijzingwekkend voorkomen, wanneer men ze plotseling onderscheiden kon tegen het zwarte duister.Dan was het alsof de nacht er vorm aannam in hunne krommende lijven die daar zwoegden. Het zwarte stof maskerde hunne bezweette gezichten, waarin het wit der oogen feller schitterde bij ’t schemerige, rosse lamplicht. Het ronkend gerij der kolenwagentjes, die van alle verdiepingen en gangen langs glooiende gelijdingen van ijzer neergleden en beneden door paarden werden vervoerd, vervulde de doodsche stilte met een gedempten donder van geluid. Het klonk telkens als van ver-af naderend onweer.Door plassen water had hij er gewaad; door gangen was hij heengegaan, waar ijzeren buizen langs de wanden liepen voor den aanvoer van versche lucht, en door andere gangen die geheel geschraagd werden door palen, palissaden van hout over honderden meters. Hij zag de palenen steunsels bedekt met schimmelplanten als met een vuil schuim,—het eenige dat niet zwart was in den eeuwigen nacht der aarde.Wanneer dat nu eens week en toegaf aan den druk der steenen zoldering, had hij gedacht; wanneer de kooi eens ophield te zinken of te stijgen?Hij had den man zien staan bij de machine, die het groot geheel van riemen en raderen alléén drijft en duizend menschenlevens in zijn handen houdt. Als deze eens dood neerstortte?...Toen had hij angst gekend.“Glück auf” zeiden de werkers bij het elkaar ontmoeten.“Waarom die groet in de mijn?” had hij eens hooren vragen door een bezoeker. Iemand had er op geantwoord:“Het “goede morgen” zou ze dendag herinneren, en hier moet dat alles, licht en zon vergeten blijven, om den nacht niet smartelijker te gevoelen.”Soms had hij zijn houweel en schop wel willen wegslingeren; hij had kunnen uitbreken en vluchten uit de grafstilte omhoog, uit den dood en de donkerte.“Glück auf!”, zóó prikkel je de zucht die ze gedreven heeft in deze uiterste duisternis, de zucht naar geld en goud.Spreek niet van den “goeden dag” tot deze mannen der donkere daad.Hij had dit leven onder den grond als een last gedragen.Half bedolven tusschen het donkere gesteente, in nieuw gegraven beddingen sloofden de arbeiders voort, somber zwijgend. Het was gevaarlijk te spreken of te zingen, daar het oor steeds waakzaam zijn moest: elk oogenblikkon ’t signaal weerklinken, dat steeds als het luiden van den dood is. Anderen duwden wagentjes voort, anderen zaten intusschen neer in afwachting. Zij zwoegden er soms halfnaakt, met openhangend hemd en bloote armen, of in hun baaitje alleen. Het zweet droop van het glimmend zwarte aangezicht. Hoe had hij gegruwd van hen.Maar al die verschrikkingen gingen voorbij. Dat was de vroegere kinderachtigheid die uitgeroeid moest worden. Daarvoor kwam overmoed in de plaats,—de overmoed der brutale kracht. Wij zijn de toekomst, want de arbeid is koning! Wij zijn de ijzeren steunpilaren, die de menschheid torschen! En voor dien arbeid het volle leven in vrijheid en vreugd. Hoog de schuimende kroezen! Lachend in dien roes den dood gedronken....Willem Stoffels had de spade opgenomen en begon den leegen bak te vullen met zware brokken. Zij bonsden in de wagentjes neer. Zoo rolden ze voort met eentonig dof gedonder, af en aan, weggestuwd en weer aangevoerd onophoudelijk in den onveranderlijken nacht der acht lange werkuren. Soms sloeg de verre donder eener ontploffende mijn een zwaarderen slag, die aan bange echo’s geluid gaf in de holle aarde. En steeds klonk het ijzeren geronk der kipkarretjes en het gebons van ’t laden voort, als het zware ademen des levens in het blinde donker, de bloedsomloop door de holle pijpen en ingewanden van het steenen aardelijf.Willem Stoffels arbeidde voort, sprakeloos, werktuigelijk. Bijna was de helft van den arbeidsduur verstreken. Weldra zou hij neerzitten bij zijn werk, temidden der losgewoelde steenbrokken, met de overigen hun brood etend uit de zwarte handen, koffie drinkend uit de blikken bussen die ze meevoerden op den rug.Toen, gelijk een bliksem valt, plotseling! Hij hoorde het scheurend gekraak. Angstgegil steeg van vertwijfelde stemmen. Het stervensgekreun stierf weg in ’t gedonder van ’t verstervend gedreun. Waar de opgejaagde arbeiders in wilde vertwijfeling vluchtend elkander verdrongen, duisterde een zware stof damp, die opgolfde van de instorting.“Moeder,” kuchte de pastoor van Brunssum, toen hij over den drempel van de hut trad waar Stoffels woonde.De vrouw kwam hem te gemoet in stomme verbazing.“Gij moet niet schrikken,” zeide hij geruststellend.“Mijnheer pastoor, ’t is lang geleden dat gij hier geweest zijt,” klonk het berouwvol.“Luister eens moeder, zet u eens bij mij neer.”“Beteekent het ongeluk, dat gij tot ons komt,” vroeg zij deemoedig en schuchter.“Alles komt uit Gods hand, moeder; het een zoowel als het andere. Ook de beproevingen.—Is Stoffels thuis?”“Neen, mijnheer pastoor, hij is uit werken, op de heide. Doch wat is er?”“En Willem?....”“Is ook niet thuis. Hij komt van avond terug om acht uur.”“Moeder....” de pastoor zocht naar woorden. “Gij hebt nog niets gehoord, van wat er gebeurd is?”“Och God” zei ze. “Daar heb je ’t al. Is het iets ergs?”“Ja,” zeide de pastoor, haar onderzoekenden blik ontwijkend.“Wat is het dan? O, ik voel wat het is....”“Welnu dan, ja. Er is een ongeluk gebeurd.”“Toch niet op de mijn?.....”“Te Amstenrade. Er zijn gewonden, verschillende....”“God in den hemel, mijn jongen! Willem. Zeg het me, wat is er!”“Verschillenden zijn er getroffen, ook van Brunssum. Maar....”“Waarom zoudt gij hier komen als er niets was? O, mijnheer pastoor. Is er iets met Willem? Is hij erg....?”De vrouw verborg het gelaat in de handen.“Moeder, als er nu eens wat gebeurdwas met Willem, zoudt gij u dan overgeven in Gods heiligen Wil?”Zij snikte zonder te antwoorden.“Zeg nu eerst eens met mij: Gods Wil geschiedde. Alles wat gij doet, o Heer, is welgedaan.”“Hij heeft zijn Paschen niet gehouden,” kreunde zij.“Moeder, Gods barmhartigheid is immers oneindig.”“Hij is dood, niet-waar? Zeg het me dan toch!”“Ja,” antwoordde de priester met ontroering. “Zoo is het.”Zij wrong de handen en viel op hare knieën neer waar zij stond.“Help, o God, mijn jongen!”.... De woorden gingen verloren in den vloed der huilende jammerklachten, die geen troost van menschen stelpen kon.Stoffels kwam binnen op dat oogenblik.Het toeval scheen hem naar huis gedreven te hebben, zoo ’t niet de stem des bloeds geweest was, die luide werd in zijn borst.“Willem, Willem!” kreet de moeder toen zij hem zag.Zwijgend knikte de pastoor, bevestigend.“Wat? vroeg hij.—Een ongeluk? Toch niet dood?”En de man zonk gebroken neer.Toen de pastoor de hut der ongelukkigen verliet, lag de heide, in de laatste gulden glorie van den zonnedag, zoo vredig en gerust, dat het den grijsaard door de ziel ging. Daarbinnen jammerde de tragedie der menschelijke ellende. Was de rust der natuur in hare kalme grootschheid er niet de bespotting van?Toch liever dood blijven onder den open hemel, dacht de pastoor. Van den put der mijn is de weg naar de hel de kortste.... de heuvelen zijn God het dichst nabij.Dien nacht op den Heksenberg vierden, met duizelenden dans in het donker, de zwarte wijven hare duivelsche vreugde.
“Wat zeg je van ’t nieuws?”
“Wat?” vroeg Willem Stoffels zijn kameraad.
“Wel, van Anneke van Jansen en Hary van den meester.”
“Wat zou daarmee?”
“Daar zou mee, dat jij je dat voor je neus hebt laten kapen.”
“Kapen? Dat zou wat!”
“En je had zooveel praats dien keer, toen de oude je de deur wees.”
De groote kameraad lachte schamper.
“Zijn schuur staat er nog altijd zooals ze er altijd gestaan heeft. Je ben me wel een held.”
“Laat hem dan maar eens eerst zijn oogst binnen hebben!”
De mijnwerkers traden in de grooteruimte waar zij wisselen van kleederen. Buiten namen zij ieder hunne koperen mijnlamp en gereedschap en wachtten, op den grond gehurkt in groepjes of bij elkander staande, hun beurt af om neer gelaten te worden in de diepte. Slechts weinigen hadden zich verzameld tot het gemeen gebed, bij ’t teeken van den opzichter. Daar was een ander vertrek, met een kruisbeeld in een altaarnis, dat tot kapel dienst deed.
Willem Stoffels zag zijn betere mede-arbeiders gaan en weer terug komen. “Onnoozele halzen” noemde hij ze.
De mijnput had opgehouden indruk op hem te maken. Toen hij den eersten keer in de ijzeren kooi gekropen was en op dat zwevend voertuig in de diepte van den steenen nacht was neergezonken, had een nijpende angst hem beslopen. Het was een hellevaart. Bij ’t schijnsel zijnerlamp had hij de drie kerels, in de kooi met hem aanwezig, voor duivels gehouden. Het oogenblik dier nederdaling had een dag geschenen. Hij zag het wit der oogen in de bleeke troniën der mannen, die met opgetrokken knieën tegenover hem daar zaten neergehurkt. Het was als eene verlossing toen de kooi stokte; doch daar begon eerst de verschrikking weer opnieuw. Het was de onveranderlijke, onvermurwbare nacht van steenen stilte.
Met zijn bengelend licht was hij door de lage gaanderijen gekropen; dan had hij over zijn rug moeten glijden langs een steile helling, waar de losse steenkool wegschoot onder zijn voet. De bedrijvige arbeiders bij hun werk in den afgrond, hadden een ijzingwekkend voorkomen, wanneer men ze plotseling onderscheiden kon tegen het zwarte duister.Dan was het alsof de nacht er vorm aannam in hunne krommende lijven die daar zwoegden. Het zwarte stof maskerde hunne bezweette gezichten, waarin het wit der oogen feller schitterde bij ’t schemerige, rosse lamplicht. Het ronkend gerij der kolenwagentjes, die van alle verdiepingen en gangen langs glooiende gelijdingen van ijzer neergleden en beneden door paarden werden vervoerd, vervulde de doodsche stilte met een gedempten donder van geluid. Het klonk telkens als van ver-af naderend onweer.
Door plassen water had hij er gewaad; door gangen was hij heengegaan, waar ijzeren buizen langs de wanden liepen voor den aanvoer van versche lucht, en door andere gangen die geheel geschraagd werden door palen, palissaden van hout over honderden meters. Hij zag de palenen steunsels bedekt met schimmelplanten als met een vuil schuim,—het eenige dat niet zwart was in den eeuwigen nacht der aarde.
Wanneer dat nu eens week en toegaf aan den druk der steenen zoldering, had hij gedacht; wanneer de kooi eens ophield te zinken of te stijgen?
Hij had den man zien staan bij de machine, die het groot geheel van riemen en raderen alléén drijft en duizend menschenlevens in zijn handen houdt. Als deze eens dood neerstortte?...
Toen had hij angst gekend.
“Glück auf” zeiden de werkers bij het elkaar ontmoeten.
“Waarom die groet in de mijn?” had hij eens hooren vragen door een bezoeker. Iemand had er op geantwoord:
“Het “goede morgen” zou ze dendag herinneren, en hier moet dat alles, licht en zon vergeten blijven, om den nacht niet smartelijker te gevoelen.”
Soms had hij zijn houweel en schop wel willen wegslingeren; hij had kunnen uitbreken en vluchten uit de grafstilte omhoog, uit den dood en de donkerte.
“Glück auf!”, zóó prikkel je de zucht die ze gedreven heeft in deze uiterste duisternis, de zucht naar geld en goud.
Spreek niet van den “goeden dag” tot deze mannen der donkere daad.
Hij had dit leven onder den grond als een last gedragen.
Half bedolven tusschen het donkere gesteente, in nieuw gegraven beddingen sloofden de arbeiders voort, somber zwijgend. Het was gevaarlijk te spreken of te zingen, daar het oor steeds waakzaam zijn moest: elk oogenblikkon ’t signaal weerklinken, dat steeds als het luiden van den dood is. Anderen duwden wagentjes voort, anderen zaten intusschen neer in afwachting. Zij zwoegden er soms halfnaakt, met openhangend hemd en bloote armen, of in hun baaitje alleen. Het zweet droop van het glimmend zwarte aangezicht. Hoe had hij gegruwd van hen.
Maar al die verschrikkingen gingen voorbij. Dat was de vroegere kinderachtigheid die uitgeroeid moest worden. Daarvoor kwam overmoed in de plaats,—de overmoed der brutale kracht. Wij zijn de toekomst, want de arbeid is koning! Wij zijn de ijzeren steunpilaren, die de menschheid torschen! En voor dien arbeid het volle leven in vrijheid en vreugd. Hoog de schuimende kroezen! Lachend in dien roes den dood gedronken....
Willem Stoffels had de spade opgenomen en begon den leegen bak te vullen met zware brokken. Zij bonsden in de wagentjes neer. Zoo rolden ze voort met eentonig dof gedonder, af en aan, weggestuwd en weer aangevoerd onophoudelijk in den onveranderlijken nacht der acht lange werkuren. Soms sloeg de verre donder eener ontploffende mijn een zwaarderen slag, die aan bange echo’s geluid gaf in de holle aarde. En steeds klonk het ijzeren geronk der kipkarretjes en het gebons van ’t laden voort, als het zware ademen des levens in het blinde donker, de bloedsomloop door de holle pijpen en ingewanden van het steenen aardelijf.
Willem Stoffels arbeidde voort, sprakeloos, werktuigelijk. Bijna was de helft van den arbeidsduur verstreken. Weldra zou hij neerzitten bij zijn werk, temidden der losgewoelde steenbrokken, met de overigen hun brood etend uit de zwarte handen, koffie drinkend uit de blikken bussen die ze meevoerden op den rug.
Toen, gelijk een bliksem valt, plotseling! Hij hoorde het scheurend gekraak. Angstgegil steeg van vertwijfelde stemmen. Het stervensgekreun stierf weg in ’t gedonder van ’t verstervend gedreun. Waar de opgejaagde arbeiders in wilde vertwijfeling vluchtend elkander verdrongen, duisterde een zware stof damp, die opgolfde van de instorting.
“Moeder,” kuchte de pastoor van Brunssum, toen hij over den drempel van de hut trad waar Stoffels woonde.
De vrouw kwam hem te gemoet in stomme verbazing.
“Gij moet niet schrikken,” zeide hij geruststellend.
“Mijnheer pastoor, ’t is lang geleden dat gij hier geweest zijt,” klonk het berouwvol.
“Luister eens moeder, zet u eens bij mij neer.”
“Beteekent het ongeluk, dat gij tot ons komt,” vroeg zij deemoedig en schuchter.
“Alles komt uit Gods hand, moeder; het een zoowel als het andere. Ook de beproevingen.—Is Stoffels thuis?”
“Neen, mijnheer pastoor, hij is uit werken, op de heide. Doch wat is er?”
“En Willem?....”
“Is ook niet thuis. Hij komt van avond terug om acht uur.”
“Moeder....” de pastoor zocht naar woorden. “Gij hebt nog niets gehoord, van wat er gebeurd is?”
“Och God” zei ze. “Daar heb je ’t al. Is het iets ergs?”
“Ja,” zeide de pastoor, haar onderzoekenden blik ontwijkend.
“Wat is het dan? O, ik voel wat het is....”
“Welnu dan, ja. Er is een ongeluk gebeurd.”
“Toch niet op de mijn?.....”
“Te Amstenrade. Er zijn gewonden, verschillende....”
“God in den hemel, mijn jongen! Willem. Zeg het me, wat is er!”
“Verschillenden zijn er getroffen, ook van Brunssum. Maar....”
“Waarom zoudt gij hier komen als er niets was? O, mijnheer pastoor. Is er iets met Willem? Is hij erg....?”
De vrouw verborg het gelaat in de handen.
“Moeder, als er nu eens wat gebeurdwas met Willem, zoudt gij u dan overgeven in Gods heiligen Wil?”
Zij snikte zonder te antwoorden.
“Zeg nu eerst eens met mij: Gods Wil geschiedde. Alles wat gij doet, o Heer, is welgedaan.”
“Hij heeft zijn Paschen niet gehouden,” kreunde zij.
“Moeder, Gods barmhartigheid is immers oneindig.”
“Hij is dood, niet-waar? Zeg het me dan toch!”
“Ja,” antwoordde de priester met ontroering. “Zoo is het.”
Zij wrong de handen en viel op hare knieën neer waar zij stond.
“Help, o God, mijn jongen!”.... De woorden gingen verloren in den vloed der huilende jammerklachten, die geen troost van menschen stelpen kon.
Stoffels kwam binnen op dat oogenblik.Het toeval scheen hem naar huis gedreven te hebben, zoo ’t niet de stem des bloeds geweest was, die luide werd in zijn borst.
“Willem, Willem!” kreet de moeder toen zij hem zag.
Zwijgend knikte de pastoor, bevestigend.
“Wat? vroeg hij.—Een ongeluk? Toch niet dood?”
En de man zonk gebroken neer.
Toen de pastoor de hut der ongelukkigen verliet, lag de heide, in de laatste gulden glorie van den zonnedag, zoo vredig en gerust, dat het den grijsaard door de ziel ging. Daarbinnen jammerde de tragedie der menschelijke ellende. Was de rust der natuur in hare kalme grootschheid er niet de bespotting van?
Toch liever dood blijven onder den open hemel, dacht de pastoor. Van den put der mijn is de weg naar de hel de kortste.... de heuvelen zijn God het dichst nabij.
Dien nacht op den Heksenberg vierden, met duizelenden dans in het donker, de zwarte wijven hare duivelsche vreugde.
XIII.“Anna, Anna, gauw, kom ’s hier!”Anna vond haar zusje met het tijdschrift van den Volkszang in de voorkamer. Lize legde ’t bandje op tafel, legde er de hand op bij een bepaald punt en riep triomfantelijk: “lees!”Anna begreep niet waar ’t heen moest.“Lees,” zei Lize gebiedend en lachend.Anna over haar heengebogen, gehoorzaamde. Het was een gedicht, en Lize bedekte den naam van den schrijver. Zij lazen. “Lotharingen” heette het.“Wat is Lotharingen?” vroeg Lize.“Dat weet ik niet,” zei Anna. “Laat me nu maar eens eerst lezen. Is het iets van den oorlog van zeventig?”Zij begon:Daar was eens een koning in het land,Het land van Lotharingen;Hij was zoo lustig en galantEn wist zoo fijn te zingen.Hij was zoo blijde wijl hij zong;Hij zong wijl hij zoo jong was.Hij had een stem gelijk een gong,Een stem die als een gong was.«Wie zit daar treurend op den steenEn wil niet lachen of zingen?”—«O God, ik ben zoo heel alleenIn ’t land van Lotharingen!Ik minde mijnen vedelaar:Zijn stem gelijk een gong was.Nu schrei ik sinds en jammer maar;Ik lachte toen ik jong was.»«Ik ben de knapste soldenierAan ’t hof van Lotharingen;Het geeft voor ’t leven meer plezierZijn lied getwee te zingen!....”De meid bij hem in ’t zadel sprong,Hoe hoog voor haar de sprong was.Nu lachte zij weer, en hupte en zong,En lachte als toen zij jong was.Hij nam haar handjen in zijn handEn gaf haar spelden en ringen.Hij was de koning van het land,Het land van Lotharingen....—Mij liet mijn liefste zoo alleen;Zijn stem gelijk een gong was.Weet gij soms den weg niet naar Loth’ringen heen?....Ik wist hem toen ik jong was.“Is ’t daarmee uit?”, vroeg Anna.“En weet jij nu wat Lotharingen is?”“Nee,” antwoordde ze.“Merkelbeek” zei Lize met gewicht.“Dáár!” en zij nam de hand weg van de rest van ’t blad. En Anna las er den naam van Hary Gerards, en bloosde.Anna was nadenkend gebleven heel den dag. In den namiddag hadden zij gehoord wat er te Amstenrade was voorgevallen. Een half uur later was ’t bekend geworden in het dorp, dat ook de jonge Stoffels van Brunssum verongelukt was bij de instorting. Hij behoorde tot de vermisten. ’s Anderdaags groef men zijn lijk op.Twee maanden later zat zij met Hary Gerards als naar gewoonte in het priëeltje.“Hary,” zei Anna. “Hoe kan er iets worden tusschen ons? Het kan niet, onmogelijk.”“Maar Anneke, schrok hij verbaasdop. Wat is er dan? Ik versta je niet. Ik begrijp er niets van.”“Er rust een zware schuld op mij,” en zij boog ’t hoofd.De jonge man nam hare hand in de zijne en streelde ze zachtjes.“Kun je je niet verklaren?” vroeg hij.“Ik had hem kunnen redden, en nu is hij door mijne schuld verloren gegaan, zuchtte zij. Hary, ik hing aan jou, en hem heb ik ongelukkig gemaakt. Als ik gewild hadde, ware hij een beter mensch geworden. Ik had me moeten offeren voor zijn geluk en zijn ommekeer. Ik achtte het niet. Nu is het te laat.”Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken.“Anna”, fluisterde hij, haar troostend.“Wat moet ik doen?”“Kom,” zeide hij, “spreek eens uit. Wat was er dan tusschen jou en hem? Meen je Stoffels?”“Hary,” zeide ze, “zoowaar als ik hier zit, er was niets tusschen ons. Wij zagen elkaar als kinderen. We waren éénmaal samen uit. Je weet zelf wel, dien avond. Het was toen. Anders niet. Maar ik had me iets gedroomd, ik weefde fantasieën; ik dacht aan hem voortdurend. Het was mij altijd, als moest er tusschen hem en mij iets gebeuren, als moest er iets wonderlijks komen van geluk en—ik weet niet wat. Ik zag hem nooit gelijk hij werkelijk was, maar altijd anders. Ik zag alleen maar moois, en mooier dan het bestaande. Maar toen ik begon te begrijpen, toen ik inzag en alles doorschouwde, ja—toen hield het nog niet op, toen was hetnog niet uit. Ik verdroeg zijn gezicht wel niet meer, ik ging hem haten; ik haatte hem sinds dien avond dat hij zich aan jou vergreep; maar het scheen alsof er een ander gekomen was naast hem. Toch bleef ik hem zien zooals ik hem in mijn droomen gezien had,—als behoorde hij niet tot de hut. Het was alsof die ander, die vloekte en laag werd, alleen de wolk was die voor de zon gegleden kwam. En ’k bleef mijn droom gelooven, gelooven en zien, tot....”“Tot het einde?”“Ja, tot alles ophield. Dat is het einde mijner jeugd geweest.”“En nù de werkelijkheid, Anna!”Zij sprak niet een lange poos.“Kind-lief,” zei hij, “wij dragen allen den rouw onzer jeugdillusies het leven door en leggen dien sluier niet af,zelfs niet bij de hoogefeesten onzer beste vreugde.”“Was ik niet slecht?” vroeg zij in vertrouwvolle overgave.“Kind,” zeide hij, “slechts weinigen zijn er geroepen tot heldhaftigheid. Je eigen geluk offeren voor het heil van een ander, is het bewonderenswaardige dat alleen buitengewone menschen kunnen. Het is bijna bovenmenschelijk. Je hebt je waarlijk niets te verwijten. Doch zoo je werkelijk misdaan had door het goede te verzuimen, dan ware er altijd nog gelegenheid om dat goed te maken door goed te doen.”“Wat kan ik doen?” vroeg ze hem.Hij sloeg zijn arm om haar heen.“Ik ken iemand,”zeide hij, “die na een leven van dicht en droom, een leven van daad wil gaan beginnen.Het is mooi met schoone dingen bezig te zijn in zijn gedachten; maar het is beter goede dingen te doen. Schoon Limburg ligt te zieltogen; maar het volk onzer gouwen, het wel en het wee der menschen, dat is méér. Het heden eischt onze zorgen en bemoeiingen, offer en bekommernis, en de toewijding van brein en bloed. De sociale strijd is begonnen in dezen overgangstijd tusschen oud en nieuw. Den man is het voorbehouden de kling te zwaaien; maar het is der vrouw weggelegd den man te gorden met moed en kracht, hem te steunen met haar troost, hem te schutten met hare liefde.”“Anna” ging hij voort,—want zij zweeg steeds—“ons land behoeft alle jonge krachten: doch zóó ook behoeven mijne jonge krachten u....”Rondom schetterden de vinken het lied des levens vroolijk uit.Weer zaten zij in ’t priëeltje samen.“Was die droefheid niet de schemering van een beter verblijden?”, vroeg hij haar met innigheid.Zij glimlachte weemoedig.“En toch kan ik niet juichend blijde zijn en lachen als een gelukkige bruid.”“Zie,” zeide hij, “dat is de stilte van den rijpenden zomer: het is de stemming ook van ons eigen lieve land. Het was voor jou een kinderdroom, een jeugdillusie, wat voor ons arme Limburg de lente was van een patriarchalen, gelukkigen tijd. De droom van schoonheid is verstoord, de bloesems vallen. Maar wij gaan den tijd tegemoet die oogst geeft en vruchten. Voortaan zal ergewerkt moeten worden voor het behoud van Limburg’s volk en zijn ouden aard. Daarbij nu zullen wij getweeën zijn! En getwee zullen wij bouwen tevens aan ons eigen geluk.”“Je moet mij nog veel leeren,” zeide zij.Zoo legden zij de handen in elkaar.“Waar zullen wij zoo onzen eigen haard bouwen?” vroeg hij.“Waar korenvelden zijn,” antwoordde ze, “weidebloemen voor de deur, vruchtboomen over het dak en leeuwerikken.”“Eens droomde ik,” zeide hij in gedachten, “het zou aan den rand der groote, roerlooze, roode heide zijn. Doch de heide moeten wij laten varen met onze droomen, nu de arbeid roept. Het zal wezen gelijk je zegt,—en onder den rook der mijn.”
“Anna, Anna, gauw, kom ’s hier!”
Anna vond haar zusje met het tijdschrift van den Volkszang in de voorkamer. Lize legde ’t bandje op tafel, legde er de hand op bij een bepaald punt en riep triomfantelijk: “lees!”
Anna begreep niet waar ’t heen moest.
“Lees,” zei Lize gebiedend en lachend.
Anna over haar heengebogen, gehoorzaamde. Het was een gedicht, en Lize bedekte den naam van den schrijver. Zij lazen. “Lotharingen” heette het.
“Wat is Lotharingen?” vroeg Lize.
“Dat weet ik niet,” zei Anna. “Laat me nu maar eens eerst lezen. Is het iets van den oorlog van zeventig?”
Zij begon:
Daar was eens een koning in het land,Het land van Lotharingen;Hij was zoo lustig en galantEn wist zoo fijn te zingen.Hij was zoo blijde wijl hij zong;Hij zong wijl hij zoo jong was.Hij had een stem gelijk een gong,Een stem die als een gong was.
Daar was eens een koning in het land,
Het land van Lotharingen;
Hij was zoo lustig en galant
En wist zoo fijn te zingen.
Hij was zoo blijde wijl hij zong;
Hij zong wijl hij zoo jong was.
Hij had een stem gelijk een gong,
Een stem die als een gong was.
«Wie zit daar treurend op den steenEn wil niet lachen of zingen?”—«O God, ik ben zoo heel alleenIn ’t land van Lotharingen!Ik minde mijnen vedelaar:Zijn stem gelijk een gong was.Nu schrei ik sinds en jammer maar;Ik lachte toen ik jong was.»
«Wie zit daar treurend op den steen
En wil niet lachen of zingen?”
—«O God, ik ben zoo heel alleen
In ’t land van Lotharingen!
Ik minde mijnen vedelaar:
Zijn stem gelijk een gong was.
Nu schrei ik sinds en jammer maar;
Ik lachte toen ik jong was.»
«Ik ben de knapste soldenierAan ’t hof van Lotharingen;Het geeft voor ’t leven meer plezierZijn lied getwee te zingen!....”De meid bij hem in ’t zadel sprong,Hoe hoog voor haar de sprong was.Nu lachte zij weer, en hupte en zong,En lachte als toen zij jong was.
«Ik ben de knapste soldenier
Aan ’t hof van Lotharingen;
Het geeft voor ’t leven meer plezier
Zijn lied getwee te zingen!....”
De meid bij hem in ’t zadel sprong,
Hoe hoog voor haar de sprong was.
Nu lachte zij weer, en hupte en zong,
En lachte als toen zij jong was.
Hij nam haar handjen in zijn handEn gaf haar spelden en ringen.Hij was de koning van het land,Het land van Lotharingen....—Mij liet mijn liefste zoo alleen;Zijn stem gelijk een gong was.Weet gij soms den weg niet naar Loth’ringen heen?....Ik wist hem toen ik jong was.
Hij nam haar handjen in zijn hand
En gaf haar spelden en ringen.
Hij was de koning van het land,
Het land van Lotharingen....
—Mij liet mijn liefste zoo alleen;
Zijn stem gelijk een gong was.
Weet gij soms den weg niet naar Loth’ringen heen?....
Ik wist hem toen ik jong was.
“Is ’t daarmee uit?”, vroeg Anna.
“En weet jij nu wat Lotharingen is?”
“Nee,” antwoordde ze.
“Merkelbeek” zei Lize met gewicht.
“Dáár!” en zij nam de hand weg van de rest van ’t blad. En Anna las er den naam van Hary Gerards, en bloosde.
Anna was nadenkend gebleven heel den dag. In den namiddag hadden zij gehoord wat er te Amstenrade was voorgevallen. Een half uur later was ’t bekend geworden in het dorp, dat ook de jonge Stoffels van Brunssum verongelukt was bij de instorting. Hij behoorde tot de vermisten. ’s Anderdaags groef men zijn lijk op.
Twee maanden later zat zij met Hary Gerards als naar gewoonte in het priëeltje.
“Hary,” zei Anna. “Hoe kan er iets worden tusschen ons? Het kan niet, onmogelijk.”
“Maar Anneke, schrok hij verbaasdop. Wat is er dan? Ik versta je niet. Ik begrijp er niets van.”
“Er rust een zware schuld op mij,” en zij boog ’t hoofd.
De jonge man nam hare hand in de zijne en streelde ze zachtjes.
“Kun je je niet verklaren?” vroeg hij.
“Ik had hem kunnen redden, en nu is hij door mijne schuld verloren gegaan, zuchtte zij. Hary, ik hing aan jou, en hem heb ik ongelukkig gemaakt. Als ik gewild hadde, ware hij een beter mensch geworden. Ik had me moeten offeren voor zijn geluk en zijn ommekeer. Ik achtte het niet. Nu is het te laat.”
Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken.
“Anna”, fluisterde hij, haar troostend.
“Wat moet ik doen?”
“Kom,” zeide hij, “spreek eens uit. Wat was er dan tusschen jou en hem? Meen je Stoffels?”
“Hary,” zeide ze, “zoowaar als ik hier zit, er was niets tusschen ons. Wij zagen elkaar als kinderen. We waren éénmaal samen uit. Je weet zelf wel, dien avond. Het was toen. Anders niet. Maar ik had me iets gedroomd, ik weefde fantasieën; ik dacht aan hem voortdurend. Het was mij altijd, als moest er tusschen hem en mij iets gebeuren, als moest er iets wonderlijks komen van geluk en—ik weet niet wat. Ik zag hem nooit gelijk hij werkelijk was, maar altijd anders. Ik zag alleen maar moois, en mooier dan het bestaande. Maar toen ik begon te begrijpen, toen ik inzag en alles doorschouwde, ja—toen hield het nog niet op, toen was hetnog niet uit. Ik verdroeg zijn gezicht wel niet meer, ik ging hem haten; ik haatte hem sinds dien avond dat hij zich aan jou vergreep; maar het scheen alsof er een ander gekomen was naast hem. Toch bleef ik hem zien zooals ik hem in mijn droomen gezien had,—als behoorde hij niet tot de hut. Het was alsof die ander, die vloekte en laag werd, alleen de wolk was die voor de zon gegleden kwam. En ’k bleef mijn droom gelooven, gelooven en zien, tot....”
“Tot het einde?”
“Ja, tot alles ophield. Dat is het einde mijner jeugd geweest.”
“En nù de werkelijkheid, Anna!”
Zij sprak niet een lange poos.
“Kind-lief,” zei hij, “wij dragen allen den rouw onzer jeugdillusies het leven door en leggen dien sluier niet af,zelfs niet bij de hoogefeesten onzer beste vreugde.”
“Was ik niet slecht?” vroeg zij in vertrouwvolle overgave.
“Kind,” zeide hij, “slechts weinigen zijn er geroepen tot heldhaftigheid. Je eigen geluk offeren voor het heil van een ander, is het bewonderenswaardige dat alleen buitengewone menschen kunnen. Het is bijna bovenmenschelijk. Je hebt je waarlijk niets te verwijten. Doch zoo je werkelijk misdaan had door het goede te verzuimen, dan ware er altijd nog gelegenheid om dat goed te maken door goed te doen.”
“Wat kan ik doen?” vroeg ze hem.
Hij sloeg zijn arm om haar heen.
“Ik ken iemand,”zeide hij, “die na een leven van dicht en droom, een leven van daad wil gaan beginnen.Het is mooi met schoone dingen bezig te zijn in zijn gedachten; maar het is beter goede dingen te doen. Schoon Limburg ligt te zieltogen; maar het volk onzer gouwen, het wel en het wee der menschen, dat is méér. Het heden eischt onze zorgen en bemoeiingen, offer en bekommernis, en de toewijding van brein en bloed. De sociale strijd is begonnen in dezen overgangstijd tusschen oud en nieuw. Den man is het voorbehouden de kling te zwaaien; maar het is der vrouw weggelegd den man te gorden met moed en kracht, hem te steunen met haar troost, hem te schutten met hare liefde.”
“Anna” ging hij voort,—want zij zweeg steeds—“ons land behoeft alle jonge krachten: doch zóó ook behoeven mijne jonge krachten u....”
Rondom schetterden de vinken het lied des levens vroolijk uit.
Weer zaten zij in ’t priëeltje samen.
“Was die droefheid niet de schemering van een beter verblijden?”, vroeg hij haar met innigheid.
Zij glimlachte weemoedig.
“En toch kan ik niet juichend blijde zijn en lachen als een gelukkige bruid.”
“Zie,” zeide hij, “dat is de stilte van den rijpenden zomer: het is de stemming ook van ons eigen lieve land. Het was voor jou een kinderdroom, een jeugdillusie, wat voor ons arme Limburg de lente was van een patriarchalen, gelukkigen tijd. De droom van schoonheid is verstoord, de bloesems vallen. Maar wij gaan den tijd tegemoet die oogst geeft en vruchten. Voortaan zal ergewerkt moeten worden voor het behoud van Limburg’s volk en zijn ouden aard. Daarbij nu zullen wij getweeën zijn! En getwee zullen wij bouwen tevens aan ons eigen geluk.”
“Je moet mij nog veel leeren,” zeide zij.
Zoo legden zij de handen in elkaar.
“Waar zullen wij zoo onzen eigen haard bouwen?” vroeg hij.
“Waar korenvelden zijn,” antwoordde ze, “weidebloemen voor de deur, vruchtboomen over het dak en leeuwerikken.”
“Eens droomde ik,” zeide hij in gedachten, “het zou aan den rand der groote, roerlooze, roode heide zijn. Doch de heide moeten wij laten varen met onze droomen, nu de arbeid roept. Het zal wezen gelijk je zegt,—en onder den rook der mijn.”