Breda en Omstreken.

Breda en Omstreken.I. Het Liesbosch en Prinsenhage.Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje “Lies”, iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in ’t jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.In ’t blonde bosch, in ’t groene boschVol wiegelende, wuivende ranken,Vol vluchtige schaduw en biegegonsEn weemlende vonken op stammenbronsEn pluimige varens en mossendons,Zwol ’t hart mij van jublende klanken.In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,Waar speelzieke windekens zweven,Is ’t harte opnieuw mij opengegaan...’k Zag alles in lentezonneglans staan,En ’t lentezonnetje lachte mij aan:Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!Marie Boddaert.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel ’s Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijkaanzien. De villa’s in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.II. De Stad Breda.Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit inhet zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannentusschen 840–845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19eeeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aanhet stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij ’s lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel—en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld—publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24enNov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd.Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt menportretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indischewapenen enz.Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende “Spanjaardsgat”, de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.Gezicht op het Spanjaardsgat.Gezicht op het Spanjaardsgat.Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.Wij gaan thans de oude stad nader bezien.Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, dieaan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij “Lieve Vrouwekerk” werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de “Blijde Boodschap”, op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.Groote Markt te Breda.Groote Markt te Breda.Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15eeeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe.Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16enFebr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19eeeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is ’t er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig “geld te maken”. Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden.Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.III. Naar Oosterhout.Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen.Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheidbloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.De Heuvel te Oosterhout.De Heuvel te Oosterhout.Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de “Koppelpaarden”, met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige, landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het “Hôtel Hildebrand”, waar Keetje van der Made, “het Brabantsche meisje”, woonde, door Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op haar 88stenjaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift, door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig aandenken bewaard wordt.Groote kerk te Oosterhout.Groote kerk te Oosterhout.Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk “Achter de Slotjes” genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa’s in prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland, dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288 werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda, voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken stond hij het klooster toe.De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda, het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop der tijden gewijzigd is.De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672 moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd worden; dezusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het bestaan tot den huidigen dag.Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren, die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk, zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een steen met het opschrift:“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIeeeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude Huis van Strijen, ook wel het “Kasteel van Oosterhout” genoemd, was opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van “hooge heerlijkheid”. Willem van Duivenvoorde had bij het huis een schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch, waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was bekend als “het Slotbosch”, “het Rutselbosch”, “het Schotverenbosch” en “het Schapenbosch”. Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen en staat de ruïne eenzaam en verlaten.Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder weinig belangrijks te zien geeft.IV. Naar Ginneken en het Mastbosch.Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming van KoningLeopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond “de Brug” genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel bezochte plek.Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid, om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats, waar nu de brug ligt.Duivelsbrug te Ginneken.Duivelsbrug te Ginneken.Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14eeeuw een zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en naareen kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde, greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen zomeravond. Maarwie bij onweer of orkaanDe Duivelsbrug moet overgaan,Die stopt zijn vingers in de oorenEn roept zijn heilige aan,schertst Heye omtrent deze brug.Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen.En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes, die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot, door een flinke poort afgesloten.Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den eenen kant door onderscheidene villa’s en hôtels begrensd; men vindt er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den besten toegang van het Mastbosch.Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik, Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen, stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige der steile, roodbruine mastboomen.Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men aan het “Eeuwige laantje”, dat onder dichteschaduw in rechte lijn tot in ’t hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.Boschreuke, boomreuke,balsem aan ’t hert;dragen en schragen aan balke en aan berd:kappen en kervenen vellen omver;ruischend en bruischend ge-wir en gewer,zie ’k, daar al zittende—ofhoore ik—in ’t mos,ruw is het leven envrij in den bosch!Guido Gezelle.Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon, afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen donkere meertjes of vennen vormend.O, horizons van stille landlijkheid,Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.Op een savane, geelheibruin, omrijdDoor boschtheaters, beurend hoogHun hoogsten top: ’t was, of daar minder woogWat als een steen vaak op het harte leit.Albert Rehm.Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden, de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven, om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.

Breda en Omstreken.I. Het Liesbosch en Prinsenhage.Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje “Lies”, iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in ’t jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.In ’t blonde bosch, in ’t groene boschVol wiegelende, wuivende ranken,Vol vluchtige schaduw en biegegonsEn weemlende vonken op stammenbronsEn pluimige varens en mossendons,Zwol ’t hart mij van jublende klanken.In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,Waar speelzieke windekens zweven,Is ’t harte opnieuw mij opengegaan...’k Zag alles in lentezonneglans staan,En ’t lentezonnetje lachte mij aan:Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!Marie Boddaert.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel ’s Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijkaanzien. De villa’s in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.II. De Stad Breda.Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit inhet zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannentusschen 840–845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19eeeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aanhet stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij ’s lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel—en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld—publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24enNov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd.Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt menportretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indischewapenen enz.Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende “Spanjaardsgat”, de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.Gezicht op het Spanjaardsgat.Gezicht op het Spanjaardsgat.Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.Wij gaan thans de oude stad nader bezien.Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, dieaan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij “Lieve Vrouwekerk” werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de “Blijde Boodschap”, op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.Groote Markt te Breda.Groote Markt te Breda.Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15eeeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe.Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16enFebr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19eeeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is ’t er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig “geld te maken”. Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden.Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.III. Naar Oosterhout.Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen.Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheidbloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.De Heuvel te Oosterhout.De Heuvel te Oosterhout.Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de “Koppelpaarden”, met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige, landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het “Hôtel Hildebrand”, waar Keetje van der Made, “het Brabantsche meisje”, woonde, door Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op haar 88stenjaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift, door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig aandenken bewaard wordt.Groote kerk te Oosterhout.Groote kerk te Oosterhout.Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk “Achter de Slotjes” genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa’s in prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland, dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288 werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda, voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken stond hij het klooster toe.De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda, het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop der tijden gewijzigd is.De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672 moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd worden; dezusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het bestaan tot den huidigen dag.Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren, die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk, zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een steen met het opschrift:“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIeeeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude Huis van Strijen, ook wel het “Kasteel van Oosterhout” genoemd, was opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van “hooge heerlijkheid”. Willem van Duivenvoorde had bij het huis een schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch, waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was bekend als “het Slotbosch”, “het Rutselbosch”, “het Schotverenbosch” en “het Schapenbosch”. Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen en staat de ruïne eenzaam en verlaten.Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder weinig belangrijks te zien geeft.IV. Naar Ginneken en het Mastbosch.Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming van KoningLeopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond “de Brug” genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel bezochte plek.Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid, om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats, waar nu de brug ligt.Duivelsbrug te Ginneken.Duivelsbrug te Ginneken.Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14eeeuw een zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en naareen kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde, greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen zomeravond. Maarwie bij onweer of orkaanDe Duivelsbrug moet overgaan,Die stopt zijn vingers in de oorenEn roept zijn heilige aan,schertst Heye omtrent deze brug.Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen.En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes, die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot, door een flinke poort afgesloten.Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den eenen kant door onderscheidene villa’s en hôtels begrensd; men vindt er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den besten toegang van het Mastbosch.Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik, Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen, stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige der steile, roodbruine mastboomen.Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men aan het “Eeuwige laantje”, dat onder dichteschaduw in rechte lijn tot in ’t hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.Boschreuke, boomreuke,balsem aan ’t hert;dragen en schragen aan balke en aan berd:kappen en kervenen vellen omver;ruischend en bruischend ge-wir en gewer,zie ’k, daar al zittende—ofhoore ik—in ’t mos,ruw is het leven envrij in den bosch!Guido Gezelle.Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon, afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen donkere meertjes of vennen vormend.O, horizons van stille landlijkheid,Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.Op een savane, geelheibruin, omrijdDoor boschtheaters, beurend hoogHun hoogsten top: ’t was, of daar minder woogWat als een steen vaak op het harte leit.Albert Rehm.Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden, de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven, om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.

Breda en Omstreken.I. Het Liesbosch en Prinsenhage.Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje “Lies”, iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in ’t jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.In ’t blonde bosch, in ’t groene boschVol wiegelende, wuivende ranken,Vol vluchtige schaduw en biegegonsEn weemlende vonken op stammenbronsEn pluimige varens en mossendons,Zwol ’t hart mij van jublende klanken.In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,Waar speelzieke windekens zweven,Is ’t harte opnieuw mij opengegaan...’k Zag alles in lentezonneglans staan,En ’t lentezonnetje lachte mij aan:Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!Marie Boddaert.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel ’s Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijkaanzien. De villa’s in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.II. De Stad Breda.Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit inhet zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannentusschen 840–845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19eeeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aanhet stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij ’s lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel—en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld—publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24enNov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd.Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt menportretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indischewapenen enz.Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende “Spanjaardsgat”, de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.Gezicht op het Spanjaardsgat.Gezicht op het Spanjaardsgat.Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.Wij gaan thans de oude stad nader bezien.Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, dieaan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij “Lieve Vrouwekerk” werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de “Blijde Boodschap”, op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.Groote Markt te Breda.Groote Markt te Breda.Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15eeeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe.Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16enFebr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19eeeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is ’t er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig “geld te maken”. Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden.Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.III. Naar Oosterhout.Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen.Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheidbloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.De Heuvel te Oosterhout.De Heuvel te Oosterhout.Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de “Koppelpaarden”, met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige, landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het “Hôtel Hildebrand”, waar Keetje van der Made, “het Brabantsche meisje”, woonde, door Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op haar 88stenjaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift, door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig aandenken bewaard wordt.Groote kerk te Oosterhout.Groote kerk te Oosterhout.Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk “Achter de Slotjes” genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa’s in prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland, dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288 werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda, voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken stond hij het klooster toe.De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda, het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop der tijden gewijzigd is.De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672 moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd worden; dezusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het bestaan tot den huidigen dag.Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren, die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk, zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een steen met het opschrift:“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIeeeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude Huis van Strijen, ook wel het “Kasteel van Oosterhout” genoemd, was opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van “hooge heerlijkheid”. Willem van Duivenvoorde had bij het huis een schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch, waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was bekend als “het Slotbosch”, “het Rutselbosch”, “het Schotverenbosch” en “het Schapenbosch”. Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen en staat de ruïne eenzaam en verlaten.Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder weinig belangrijks te zien geeft.IV. Naar Ginneken en het Mastbosch.Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming van KoningLeopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond “de Brug” genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel bezochte plek.Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid, om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats, waar nu de brug ligt.Duivelsbrug te Ginneken.Duivelsbrug te Ginneken.Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14eeeuw een zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en naareen kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde, greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen zomeravond. Maarwie bij onweer of orkaanDe Duivelsbrug moet overgaan,Die stopt zijn vingers in de oorenEn roept zijn heilige aan,schertst Heye omtrent deze brug.Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen.En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes, die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot, door een flinke poort afgesloten.Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den eenen kant door onderscheidene villa’s en hôtels begrensd; men vindt er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den besten toegang van het Mastbosch.Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik, Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen, stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige der steile, roodbruine mastboomen.Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men aan het “Eeuwige laantje”, dat onder dichteschaduw in rechte lijn tot in ’t hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.Boschreuke, boomreuke,balsem aan ’t hert;dragen en schragen aan balke en aan berd:kappen en kervenen vellen omver;ruischend en bruischend ge-wir en gewer,zie ’k, daar al zittende—ofhoore ik—in ’t mos,ruw is het leven envrij in den bosch!Guido Gezelle.Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon, afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen donkere meertjes of vennen vormend.O, horizons van stille landlijkheid,Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.Op een savane, geelheibruin, omrijdDoor boschtheaters, beurend hoogHun hoogsten top: ’t was, of daar minder woogWat als een steen vaak op het harte leit.Albert Rehm.Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden, de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven, om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.

I. Het Liesbosch en Prinsenhage.Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje “Lies”, iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in ’t jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.In ’t blonde bosch, in ’t groene boschVol wiegelende, wuivende ranken,Vol vluchtige schaduw en biegegonsEn weemlende vonken op stammenbronsEn pluimige varens en mossendons,Zwol ’t hart mij van jublende klanken.In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,Waar speelzieke windekens zweven,Is ’t harte opnieuw mij opengegaan...’k Zag alles in lentezonneglans staan,En ’t lentezonnetje lachte mij aan:Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!Marie Boddaert.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel ’s Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijkaanzien. De villa’s in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.

Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje “Lies”, iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in ’t jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.

In ’t blonde bosch, in ’t groene boschVol wiegelende, wuivende ranken,Vol vluchtige schaduw en biegegonsEn weemlende vonken op stammenbronsEn pluimige varens en mossendons,Zwol ’t hart mij van jublende klanken.

In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch

Vol wiegelende, wuivende ranken,

Vol vluchtige schaduw en biegegons

En weemlende vonken op stammenbrons

En pluimige varens en mossendons,

Zwol ’t hart mij van jublende klanken.

In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,Waar speelzieke windekens zweven,Is ’t harte opnieuw mij opengegaan...’k Zag alles in lentezonneglans staan,En ’t lentezonnetje lachte mij aan:Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!

In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,

Waar speelzieke windekens zweven,

Is ’t harte opnieuw mij opengegaan...

’k Zag alles in lentezonneglans staan,

En ’t lentezonnetje lachte mij aan:

Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!

Marie Boddaert.

Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.

Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.

In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.

Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.

Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel ’s Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijkaanzien. De villa’s in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.

De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?

Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.

Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.

II. De Stad Breda.Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit inhet zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannentusschen 840–845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19eeeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aanhet stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij ’s lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel—en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld—publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24enNov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd.Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt menportretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indischewapenen enz.Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende “Spanjaardsgat”, de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.Gezicht op het Spanjaardsgat.Gezicht op het Spanjaardsgat.Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.Wij gaan thans de oude stad nader bezien.Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, dieaan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij “Lieve Vrouwekerk” werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de “Blijde Boodschap”, op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.Groote Markt te Breda.Groote Markt te Breda.Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15eeeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe.Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16enFebr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19eeeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is ’t er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig “geld te maken”. Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Postkantoor en vischmarkt te Breda.Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden.Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.

Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit inhet zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.

Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.

Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.

De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.

Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannentusschen 840–845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.

Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19eeeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.

Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.

Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.

Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.

Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aanhet stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij ’s lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.

Koninklijke Militaire Akademie te Breda.Koninklijke Militaire Akademie te Breda.

Koninklijke Militaire Akademie te Breda.

Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel—en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld—publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24enNov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd.

Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.

Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.

Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.

Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.

Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt menportretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indischewapenen enz.

Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende “Spanjaardsgat”, de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:

Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.

Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,

Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,

Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,

Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.

De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.

Gezicht op het Spanjaardsgat.Gezicht op het Spanjaardsgat.

Gezicht op het Spanjaardsgat.

Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.

Wij gaan thans de oude stad nader bezien.

Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, dieaan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij “Lieve Vrouwekerk” werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.

De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.

Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de “Blijde Boodschap”, op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.

Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.

Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt.

De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.

Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.

Groote Markt te Breda.Groote Markt te Breda.

Groote Markt te Breda.

Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15eeeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe.

Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.

Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?

De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16enFebr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19eeeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst.

Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is ’t er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig “geld te maken”. Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.

Postkantoor en vischmarkt te Breda.Postkantoor en vischmarkt te Breda.

Postkantoor en vischmarkt te Breda.

Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.

Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.

Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden.Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.

Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.

Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.

Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.

De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.

III. Naar Oosterhout.Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen.Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheidbloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.De Heuvel te Oosterhout.De Heuvel te Oosterhout.Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de “Koppelpaarden”, met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige, landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het “Hôtel Hildebrand”, waar Keetje van der Made, “het Brabantsche meisje”, woonde, door Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op haar 88stenjaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift, door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig aandenken bewaard wordt.Groote kerk te Oosterhout.Groote kerk te Oosterhout.Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk “Achter de Slotjes” genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa’s in prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland, dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288 werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda, voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken stond hij het klooster toe.De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda, het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop der tijden gewijzigd is.De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672 moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd worden; dezusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het bestaan tot den huidigen dag.Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren, die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk, zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een steen met het opschrift:“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIeeeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude Huis van Strijen, ook wel het “Kasteel van Oosterhout” genoemd, was opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van “hooge heerlijkheid”. Willem van Duivenvoorde had bij het huis een schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch, waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was bekend als “het Slotbosch”, “het Rutselbosch”, “het Schotverenbosch” en “het Schapenbosch”. Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen en staat de ruïne eenzaam en verlaten.Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder weinig belangrijks te zien geeft.

Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen.

Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.

Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.

Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.

Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.

Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.

Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.

Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheidbloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.

In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.

De Heuvel te Oosterhout.De Heuvel te Oosterhout.

De Heuvel te Oosterhout.

Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.

In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de “Koppelpaarden”, met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige, landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het “Hôtel Hildebrand”, waar Keetje van der Made, “het Brabantsche meisje”, woonde, door Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op haar 88stenjaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift, door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig aandenken bewaard wordt.

Groote kerk te Oosterhout.Groote kerk te Oosterhout.

Groote kerk te Oosterhout.

Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk “Achter de Slotjes” genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa’s in prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland, dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288 werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda, voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken stond hij het klooster toe.

De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda, het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop der tijden gewijzigd is.

De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672 moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd worden; dezusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het bestaan tot den huidigen dag.

Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren, die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk, zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een steen met het opschrift:

“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIeeeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.

“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIeeeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.

wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude Huis van Strijen, ook wel het “Kasteel van Oosterhout” genoemd, was opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van “hooge heerlijkheid”. Willem van Duivenvoorde had bij het huis een schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch, waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was bekend als “het Slotbosch”, “het Rutselbosch”, “het Schotverenbosch” en “het Schapenbosch”. Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen en staat de ruïne eenzaam en verlaten.

Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder weinig belangrijks te zien geeft.

IV. Naar Ginneken en het Mastbosch.Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming van KoningLeopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond “de Brug” genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel bezochte plek.Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid, om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats, waar nu de brug ligt.Duivelsbrug te Ginneken.Duivelsbrug te Ginneken.Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14eeeuw een zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en naareen kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde, greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Kasteel Bouvigne te Ginneken.Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen zomeravond. Maarwie bij onweer of orkaanDe Duivelsbrug moet overgaan,Die stopt zijn vingers in de oorenEn roept zijn heilige aan,schertst Heye omtrent deze brug.Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen.En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes, die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot, door een flinke poort afgesloten.Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den eenen kant door onderscheidene villa’s en hôtels begrensd; men vindt er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den besten toegang van het Mastbosch.Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik, Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen, stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige der steile, roodbruine mastboomen.Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men aan het “Eeuwige laantje”, dat onder dichteschaduw in rechte lijn tot in ’t hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.Boschreuke, boomreuke,balsem aan ’t hert;dragen en schragen aan balke en aan berd:kappen en kervenen vellen omver;ruischend en bruischend ge-wir en gewer,zie ’k, daar al zittende—ofhoore ik—in ’t mos,ruw is het leven envrij in den bosch!Guido Gezelle.Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon, afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen donkere meertjes of vennen vormend.O, horizons van stille landlijkheid,Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.Op een savane, geelheibruin, omrijdDoor boschtheaters, beurend hoogHun hoogsten top: ’t was, of daar minder woogWat als een steen vaak op het harte leit.Albert Rehm.Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden, de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven, om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.

Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming van KoningLeopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.

Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.

Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond “de Brug” genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel bezochte plek.

Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?

Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid, om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats, waar nu de brug ligt.

Duivelsbrug te Ginneken.Duivelsbrug te Ginneken.

Duivelsbrug te Ginneken.

Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14eeeuw een zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en naareen kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde, greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.

Kasteel Bouvigne te Ginneken.Kasteel Bouvigne te Ginneken.

Kasteel Bouvigne te Ginneken.

Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen zomeravond. Maar

wie bij onweer of orkaanDe Duivelsbrug moet overgaan,Die stopt zijn vingers in de oorenEn roept zijn heilige aan,

wie bij onweer of orkaan

De Duivelsbrug moet overgaan,

Die stopt zijn vingers in de ooren

En roept zijn heilige aan,

schertst Heye omtrent deze brug.

Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen.

En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes, die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot, door een flinke poort afgesloten.

Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den eenen kant door onderscheidene villa’s en hôtels begrensd; men vindt er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den besten toegang van het Mastbosch.

Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik, Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen, stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige der steile, roodbruine mastboomen.

Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men aan het “Eeuwige laantje”, dat onder dichteschaduw in rechte lijn tot in ’t hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.

Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.

Boschreuke, boomreuke,balsem aan ’t hert;dragen en schragen aan balke en aan berd:kappen en kervenen vellen omver;ruischend en bruischend ge-wir en gewer,zie ’k, daar al zittende—ofhoore ik—in ’t mos,ruw is het leven envrij in den bosch!

Boschreuke, boomreuke,

balsem aan ’t hert;

dragen en schragen aan balke en aan berd:

kappen en kerven

en vellen omver;

ruischend en bruischend ge-

wir en gewer,

zie ’k, daar al zittende—of

hoore ik—in ’t mos,

ruw is het leven en

vrij in den bosch!

Guido Gezelle.

Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon, afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen donkere meertjes of vennen vormend.

O, horizons van stille landlijkheid,Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.

O, horizons van stille landlijkheid,

Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,

Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,

Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.

Op een savane, geelheibruin, omrijdDoor boschtheaters, beurend hoogHun hoogsten top: ’t was, of daar minder woogWat als een steen vaak op het harte leit.

Op een savane, geelheibruin, omrijd

Door boschtheaters, beurend hoog

Hun hoogsten top: ’t was, of daar minder woog

Wat als een steen vaak op het harte leit.

Albert Rehm.

Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden, de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven, om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.


Back to IndexNext