II. Schiedam.

II. Schiedam.Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee opde weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.Langehaven te Schiedam.Langehaven te Schiedam.Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal mende plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.Katholieke kerk te Schiedam.Katholieke kerk te Schiedam.Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in ’t bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de HeiligeLiduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.Oudevest-singel te Schiedam.Oudevest-singel te Schiedam.Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deelezeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina’s inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek “Apollo” en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in ’t bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de “gistkladders”, die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de “stukkenrollers”, die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis “te Rivier”, d. i. aan de rivier, later het “Huis van Mathenesse” genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16eeeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenalschijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16eeeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16eeeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18eeeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.III. Vlaardingen.Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als “Flardinghe” in de 10eeeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. ’t Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult.En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw’s lied zong:Triomf, de vreugde stijgt ten top,Hijsch, Holland! vlag en wimpel opEn doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand.Daar komt de kiel, met goud belaân,Zij brengt ons d’ eersten haring aan;’t Is feest in Nederland!’t Is feest in Nederland!toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers—zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet—hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: “een sein op! een sein op!”De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:“De buizen zijn binnenMet haring, zoo vet!Hoevelen beminnenDat edel banket.”Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15eJuni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het “tot weerziens!” galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren,Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op;Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren,Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop.Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten,Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld,Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroetenMet wuivend doek en hijgend ongeduld.Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken,Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt,In rij op rij, in bonten optocht naken,De zorg van ’t hart door hope weggestreeld.Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen,’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee;Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen;Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.IV. Maassluis en de Hoek van Holland.Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaanbij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.Groote Kerk te Maassluis.Groote Kerk te Maassluis.Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheidvan Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.De haven van Maassluis.De haven van Maassluis.Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa’s grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig ’s-Gravenzande bereiken.1Het spreekwoord luidde in de 16een 17eeeuw “zoo oud als de weg”: later werd er bijgevoegd: “van Rome”, “van Kralingen” enz., als om het denkbeeld van oudheid, reeds in het eerste gelegen, maar niet in ’t oogvallend, te versterken. (Stoett. Spreekwoorden.)

II. Schiedam.Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee opde weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.Langehaven te Schiedam.Langehaven te Schiedam.Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal mende plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.Katholieke kerk te Schiedam.Katholieke kerk te Schiedam.Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in ’t bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de HeiligeLiduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.Oudevest-singel te Schiedam.Oudevest-singel te Schiedam.Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deelezeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina’s inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek “Apollo” en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in ’t bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de “gistkladders”, die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de “stukkenrollers”, die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis “te Rivier”, d. i. aan de rivier, later het “Huis van Mathenesse” genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16eeeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenalschijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16eeeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16eeeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18eeeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.III. Vlaardingen.Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als “Flardinghe” in de 10eeeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. ’t Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult.En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw’s lied zong:Triomf, de vreugde stijgt ten top,Hijsch, Holland! vlag en wimpel opEn doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand.Daar komt de kiel, met goud belaân,Zij brengt ons d’ eersten haring aan;’t Is feest in Nederland!’t Is feest in Nederland!toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers—zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet—hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: “een sein op! een sein op!”De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:“De buizen zijn binnenMet haring, zoo vet!Hoevelen beminnenDat edel banket.”Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15eJuni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het “tot weerziens!” galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren,Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op;Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren,Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop.Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten,Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld,Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroetenMet wuivend doek en hijgend ongeduld.Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken,Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt,In rij op rij, in bonten optocht naken,De zorg van ’t hart door hope weggestreeld.Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen,’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee;Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen;Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.IV. Maassluis en de Hoek van Holland.Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaanbij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.Groote Kerk te Maassluis.Groote Kerk te Maassluis.Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheidvan Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.De haven van Maassluis.De haven van Maassluis.Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa’s grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig ’s-Gravenzande bereiken.1Het spreekwoord luidde in de 16een 17eeeuw “zoo oud als de weg”: later werd er bijgevoegd: “van Rome”, “van Kralingen” enz., als om het denkbeeld van oudheid, reeds in het eerste gelegen, maar niet in ’t oogvallend, te versterken. (Stoett. Spreekwoorden.)

II. Schiedam.Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee opde weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.Langehaven te Schiedam.Langehaven te Schiedam.Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal mende plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.Katholieke kerk te Schiedam.Katholieke kerk te Schiedam.Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in ’t bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de HeiligeLiduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.Oudevest-singel te Schiedam.Oudevest-singel te Schiedam.Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deelezeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina’s inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek “Apollo” en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in ’t bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de “gistkladders”, die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de “stukkenrollers”, die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis “te Rivier”, d. i. aan de rivier, later het “Huis van Mathenesse” genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16eeeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenalschijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16eeeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16eeeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18eeeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.III. Vlaardingen.Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als “Flardinghe” in de 10eeeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. ’t Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult.En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw’s lied zong:Triomf, de vreugde stijgt ten top,Hijsch, Holland! vlag en wimpel opEn doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand.Daar komt de kiel, met goud belaân,Zij brengt ons d’ eersten haring aan;’t Is feest in Nederland!’t Is feest in Nederland!toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers—zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet—hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: “een sein op! een sein op!”De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:“De buizen zijn binnenMet haring, zoo vet!Hoevelen beminnenDat edel banket.”Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15eJuni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het “tot weerziens!” galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren,Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op;Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren,Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop.Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten,Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld,Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroetenMet wuivend doek en hijgend ongeduld.Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken,Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt,In rij op rij, in bonten optocht naken,De zorg van ’t hart door hope weggestreeld.Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen,’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee;Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen;Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.IV. Maassluis en de Hoek van Holland.Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaanbij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.Groote Kerk te Maassluis.Groote Kerk te Maassluis.Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheidvan Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.De haven van Maassluis.De haven van Maassluis.Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa’s grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig ’s-Gravenzande bereiken.1Het spreekwoord luidde in de 16een 17eeeuw “zoo oud als de weg”: later werd er bijgevoegd: “van Rome”, “van Kralingen” enz., als om het denkbeeld van oudheid, reeds in het eerste gelegen, maar niet in ’t oogvallend, te versterken. (Stoett. Spreekwoorden.)

II. Schiedam.Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee opde weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.Langehaven te Schiedam.Langehaven te Schiedam.Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal mende plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.Katholieke kerk te Schiedam.Katholieke kerk te Schiedam.Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in ’t bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de HeiligeLiduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.Oudevest-singel te Schiedam.Oudevest-singel te Schiedam.Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deelezeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina’s inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek “Apollo” en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in ’t bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de “gistkladders”, die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de “stukkenrollers”, die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis “te Rivier”, d. i. aan de rivier, later het “Huis van Mathenesse” genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16eeeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenalschijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16eeeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16eeeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18eeeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.

Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.

De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee opde weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.

Langehaven te Schiedam.Langehaven te Schiedam.

Langehaven te Schiedam.

Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.

De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal mende plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.

De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.

Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.

Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.

Katholieke kerk te Schiedam.Katholieke kerk te Schiedam.

Katholieke kerk te Schiedam.

Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in ’t bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.

Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.

Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de HeiligeLiduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.

Oudevest-singel te Schiedam.Oudevest-singel te Schiedam.

Oudevest-singel te Schiedam.

Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.

Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deelezeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina’s inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.

De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek “Apollo” en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.

Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in ’t bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de “gistkladders”, die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de “stukkenrollers”, die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.

Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis “te Rivier”, d. i. aan de rivier, later het “Huis van Mathenesse” genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16eeeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenalschijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.

Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.

De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16eeeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16eeeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18eeeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.

De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.

III. Vlaardingen.Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als “Flardinghe” in de 10eeeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. ’t Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult.En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw’s lied zong:Triomf, de vreugde stijgt ten top,Hijsch, Holland! vlag en wimpel opEn doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand.Daar komt de kiel, met goud belaân,Zij brengt ons d’ eersten haring aan;’t Is feest in Nederland!’t Is feest in Nederland!toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers—zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet—hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: “een sein op! een sein op!”De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:“De buizen zijn binnenMet haring, zoo vet!Hoevelen beminnenDat edel banket.”Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15eJuni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het “tot weerziens!” galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren,Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op;Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren,Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop.Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten,Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld,Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroetenMet wuivend doek en hijgend ongeduld.Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken,Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt,In rij op rij, in bonten optocht naken,De zorg van ’t hart door hope weggestreeld.Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen,’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee;Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen;Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.

Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als “Flardinghe” in de 10eeeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.

Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.

De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. ’t Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult.En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw’s lied zong:

Triomf, de vreugde stijgt ten top,Hijsch, Holland! vlag en wimpel opEn doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand.Daar komt de kiel, met goud belaân,Zij brengt ons d’ eersten haring aan;’t Is feest in Nederland!’t Is feest in Nederland!

Triomf, de vreugde stijgt ten top,

Hijsch, Holland! vlag en wimpel op

En doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand.

Daar komt de kiel, met goud belaân,

Zij brengt ons d’ eersten haring aan;

’t Is feest in Nederland!

’t Is feest in Nederland!

toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.

Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.

Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.

In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers—zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet—hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: “een sein op! een sein op!”De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.

Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:

“De buizen zijn binnenMet haring, zoo vet!Hoevelen beminnenDat edel banket.”

“De buizen zijn binnen

Met haring, zoo vet!

Hoevelen beminnen

Dat edel banket.”

Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.

Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.

Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15eJuni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.

De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het “tot weerziens!” galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.

De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.

’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren,Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op;Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren,Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop.Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten,Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld,Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroetenMet wuivend doek en hijgend ongeduld.

’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren,

Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op;

Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren,

Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop.

Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten,

Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld,

Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroeten

Met wuivend doek en hijgend ongeduld.

Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken,Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt,In rij op rij, in bonten optocht naken,De zorg van ’t hart door hope weggestreeld.Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen,’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee;Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen;Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!

Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken,

Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt,

In rij op rij, in bonten optocht naken,

De zorg van ’t hart door hope weggestreeld.

Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen,

’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee;

Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen;

Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!

Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.

De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.

De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.

Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.

IV. Maassluis en de Hoek van Holland.Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaanbij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.Groote Kerk te Maassluis.Groote Kerk te Maassluis.Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheidvan Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.De haven van Maassluis.De haven van Maassluis.Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa’s grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig ’s-Gravenzande bereiken.

Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaanbij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.

Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.

Groote Kerk te Maassluis.Groote Kerk te Maassluis.

Groote Kerk te Maassluis.

Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.

Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.

In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheidvan Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.

De haven van Maassluis.De haven van Maassluis.

De haven van Maassluis.

Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa’s grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig ’s-Gravenzande bereiken.

1Het spreekwoord luidde in de 16een 17eeeuw “zoo oud als de weg”: later werd er bijgevoegd: “van Rome”, “van Kralingen” enz., als om het denkbeeld van oudheid, reeds in het eerste gelegen, maar niet in ’t oogvallend, te versterken. (Stoett. Spreekwoorden.)

1Het spreekwoord luidde in de 16een 17eeeuw “zoo oud als de weg”: later werd er bijgevoegd: “van Rome”, “van Kralingen” enz., als om het denkbeeld van oudheid, reeds in het eerste gelegen, maar niet in ’t oogvallend, te versterken. (Stoett. Spreekwoorden.)


Back to IndexNext