Veere.Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen1, bij eenevergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als “de geliefde markies” werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14eeeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16eeeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.Groote Kerk te Veere.Groote Kerk te Veere.’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag.194) die van Veere uitging.Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote vanHugo de Groot (zie pag.135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:Hef van uit de Zeeuwsche stroomenVrij de grijze kruin omhoog!Wat de tijd u hebbe ontnomen,Wat hij wreed aan u onttoog,Nog versiert u eeuwige eer,Klein en nederig ter Veer!Vlissingen moog’ Ruiter roemen,Brouwershaven praal’ met Cats,Goes moog’ op een zanger roemen,Stout, oorspronklijk vol van schats;U versiert nog hooger eer,Klein en nederig ter Veer!De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.Het Lammetje van Veere uit de 16eeeuw.Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15eeeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indrukmaken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16eeeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.Arnemuiden.Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14eeeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15eeeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15eeeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16eeeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17eeeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs denweg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valtmoeielijkte begrijpen.Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijkgerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.Vlissingen.Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19eeeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. TenO.hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd,thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18eeeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.In de 19eeeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.O Vlissingen! de breede NoordzeebarenBesproeien trotsch uw welgelegen wal;’t Is grootsch, haar gang en golving aan te starenEn haar gedruisch te hooren overal.Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,Zij zingt van heil, van handel en vertier,En gij, gij hoort aandachtig naar die woordenEn heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:Een handelsschat uit verre zee en ouwen,Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.Mercurius vliegt ijlings naar uw wallenEn plant zijn staf op uw gewenschte ree:Daar zal het lied der koopvaardije schallen,Elk groet u daar als koningin der zee.Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,Opdat de vloot der wereld tot u koomt,Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,De winst geniet, waarvan de handel droomt.Niets hindert u; geen barre wintervlagen,Geen wind noch storm versperren uwen wal;O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,Die Middelburg met u vereenen zal.Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe.En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17eeeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedemptevesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,Stervende plotseling na zijn geboort;Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,Dat niet op deze ruwe aard behoort.Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.Ik min het schuim der zee, millioene atomen,Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!Dat zijn aaneengebonden ziels-atomenVan heilge kindren uit Mysteries bleek.W. van Weide.Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.Het strand en badhuis te Vlissingen.Het strand en badhuis te Vlissingen.Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinkenmet witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.Over het Eiland.Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7enSept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15envan Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15eeeuw.Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14eeeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op eenplein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19eeeuw op Walcheren het leven lieten.Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, dietamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.West-Kapelle.West-Kapelle.Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel Vaangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijkbereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17eeeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.Kasteel Westhoven.Kasteel Westhoven.Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13eeeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19eeeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeeltevan Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,Het kunsttrezoor er overvloei’Van altijd nieuwe meesterstukken;Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haarOp ’t hoofd, zoo ongebogen,Nog lang den gloed van ’t leven paar’,Dat tintelt in zijn oogen.Bij zooveel keurigs, zooveel schats,Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,Verhoog’ nog steeds iets nieuws van CatsVan zijn verzameling2de waarde;Cats’ hooge leeftijd, blijde moedEn hoop op beter leven,Meer waard dan al der wereld goed,Zij rijklijk hem gegeven.Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; “met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen” enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± ƒ 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichtingin het laatst der 18eeeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa’s, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa’s en gebouwen verstrooid staan.Blonde duinen, weest gegroet!Scheidsmuur tusschen land en stroomen,Blauwe golven, groene boomen,Samenkomende aan uw voet!’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,Wentlen zich de wilde baren;En ter slinke rijpen d’ airen,Wachtende op des maaiers hand.Grootsche tweeklank, die hier klinkt!Ginds ’t gebruis der groote waatren,Die een dondrend loflied klaatren;Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.O! wat liefelijk akkoordVormt die twee verscheiden galmenTot den heerlijksten der psalmenVoor den Bouwheer van dit oord!Hasebroek.Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687–1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners “poorters”. Het was een “smalstad”, die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.Gezicht op het duin te Domburg.Gezicht op het duin te Domburg.Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd.In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meercomfortabelbadhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa’s meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:De zilvren wolken zijn als cherubijnen,Die spelemeien in de blauwe lucht.In teeder amethyst van mistgordijnenWijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,En luister naar het ruischen van den zuchtDer blanke zee, waar pareltinten kwijnen,Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,Veraf geruisch en een glimp van de zee,Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauwLanger kan zien in hun spreidend geel-wit,Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.Helm, op de hellingen wuivend in wind,Dartelend huppelt hij rond als een kind,Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,Overal stoeiend met lentegeblaas.Luisterend lig ik in ’t mollige zand,Hoor de geluiden van zee en van land,Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. ’t Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.Een oud binnenhuis bij Domburg.Een oud binnenhuis bij Domburg.Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18eeeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy’s schoone beschrijving van deze visscherij.Daar leeft in Zeeland aan het strandEen kleine, ronde visch,Die naar der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidewindLangs kleene golven speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,Des nijvren landmans streelt,Dan gaat de jeugd met spade en ploegNaar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch,En dikwijls is de vlugste handTe traag bij dezen visch.Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:Intusschen speelt en stoeit de jeugdEn fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee,Het meisje roept en wringt vergeefs,Hij draagt haar mede in zee.De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij hetstra-rijdengewoonte was, het volgende verhaal:Een ridder uit het BrittenlandGing dwalen aan het Zeeuwsche strandEn hadde (zoo het scheen) gezien,Hoe dat aldaar de jongelienZich gaan vermaken in de zee,Niet verre buiten Zieriksee.Hij zag het als een zeldzaam ding,Dat vrij wat uit de regel ging;En daarom heeft hij ’t ons vertelt,Gelijk hier onder is gesteld.Ik kwam eens treden op het strandDaar ik veel jongelieden vand;Ik zag er zes of zeven paar,Den eenen hier, den andren daer,Maar bovenal zoo was er twee,Die gingen vaardig naar de zee;Een ieder had een jonge maagd,Die hij tot in het water draagt;En of de vrijster vreeze kreeg,Ja, schier van angst ter neder zeeg,Ook hem met bleeke lippen bad,Nog ging hij dieper in het nat,Totdat het water werd gezien,Tot aan, ja, boven hare knien.En nog is ’t niet genoeg gedaan:Het moest er vrij wat holder gaan;Ten leste neemt de losse kwantEn giet ook water metter hand,Juist als Diana voortijds plag,Als zij Acteon bij haar zag:Hij goot het water hier en daarTot in haar schoon gekreukeld haar,Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,Geleek een natten waterhond.Ten lesten, als de jonker zag,Dat hij niet hooger op en mag,Zoo keert hij weder naar het droog,Want hij zag tranen in haar oog;Maar straks, zoo loopt hij naar het strandEn trekt haar naar het mulle zand;Hij legt haar op een hoogen duinEn rolt dan van een steile kruin,Tot onder in het lage dal,En daar eens even weder mal:Hij zout haar in het gulle zandEn strooit het stof aan alle kant;Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,En dat zij nauw een mensch gelijkt.Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:Het is, vermits hij daaruit ziet,Hoe zich een jonge vrijster heeft,Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;Of zij dan ook een jonkman viert,Dan of ze lui en leelijk tiert,En of haar eertijds zoet gestelVerandert in een norsch gezwel.En als het eens is uitgemald,Dan ziet hij, hoe zij hem bevaltEn of hij verder dient te gaan,Dan of zijn vrijen heeft gedaan.Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofdengraaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijningEn zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.W. Kloos.Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:Uw vette klei zij meer en meerMet voedzaam goud beladen;Uw handel bloei’, gelijk weleer,Langs nieuw beproefde paden;De ronde Zeeuw veroudre nooit;De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;En al wat Zeeuwsch is tooneDen glans van ’t Goede en Schoone.
Veere.Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen1, bij eenevergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als “de geliefde markies” werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14eeeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16eeeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.Groote Kerk te Veere.Groote Kerk te Veere.’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag.194) die van Veere uitging.Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote vanHugo de Groot (zie pag.135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:Hef van uit de Zeeuwsche stroomenVrij de grijze kruin omhoog!Wat de tijd u hebbe ontnomen,Wat hij wreed aan u onttoog,Nog versiert u eeuwige eer,Klein en nederig ter Veer!Vlissingen moog’ Ruiter roemen,Brouwershaven praal’ met Cats,Goes moog’ op een zanger roemen,Stout, oorspronklijk vol van schats;U versiert nog hooger eer,Klein en nederig ter Veer!De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.Het Lammetje van Veere uit de 16eeeuw.Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15eeeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indrukmaken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16eeeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.Arnemuiden.Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14eeeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15eeeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15eeeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16eeeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17eeeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs denweg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valtmoeielijkte begrijpen.Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijkgerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.Vlissingen.Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19eeeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. TenO.hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd,thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18eeeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.In de 19eeeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.O Vlissingen! de breede NoordzeebarenBesproeien trotsch uw welgelegen wal;’t Is grootsch, haar gang en golving aan te starenEn haar gedruisch te hooren overal.Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,Zij zingt van heil, van handel en vertier,En gij, gij hoort aandachtig naar die woordenEn heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:Een handelsschat uit verre zee en ouwen,Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.Mercurius vliegt ijlings naar uw wallenEn plant zijn staf op uw gewenschte ree:Daar zal het lied der koopvaardije schallen,Elk groet u daar als koningin der zee.Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,Opdat de vloot der wereld tot u koomt,Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,De winst geniet, waarvan de handel droomt.Niets hindert u; geen barre wintervlagen,Geen wind noch storm versperren uwen wal;O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,Die Middelburg met u vereenen zal.Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe.En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17eeeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedemptevesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,Stervende plotseling na zijn geboort;Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,Dat niet op deze ruwe aard behoort.Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.Ik min het schuim der zee, millioene atomen,Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!Dat zijn aaneengebonden ziels-atomenVan heilge kindren uit Mysteries bleek.W. van Weide.Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.Het strand en badhuis te Vlissingen.Het strand en badhuis te Vlissingen.Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinkenmet witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.Over het Eiland.Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7enSept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15envan Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15eeeuw.Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14eeeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op eenplein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19eeeuw op Walcheren het leven lieten.Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, dietamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.West-Kapelle.West-Kapelle.Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel Vaangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijkbereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17eeeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.Kasteel Westhoven.Kasteel Westhoven.Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13eeeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19eeeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeeltevan Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,Het kunsttrezoor er overvloei’Van altijd nieuwe meesterstukken;Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haarOp ’t hoofd, zoo ongebogen,Nog lang den gloed van ’t leven paar’,Dat tintelt in zijn oogen.Bij zooveel keurigs, zooveel schats,Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,Verhoog’ nog steeds iets nieuws van CatsVan zijn verzameling2de waarde;Cats’ hooge leeftijd, blijde moedEn hoop op beter leven,Meer waard dan al der wereld goed,Zij rijklijk hem gegeven.Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; “met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen” enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± ƒ 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichtingin het laatst der 18eeeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa’s, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa’s en gebouwen verstrooid staan.Blonde duinen, weest gegroet!Scheidsmuur tusschen land en stroomen,Blauwe golven, groene boomen,Samenkomende aan uw voet!’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,Wentlen zich de wilde baren;En ter slinke rijpen d’ airen,Wachtende op des maaiers hand.Grootsche tweeklank, die hier klinkt!Ginds ’t gebruis der groote waatren,Die een dondrend loflied klaatren;Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.O! wat liefelijk akkoordVormt die twee verscheiden galmenTot den heerlijksten der psalmenVoor den Bouwheer van dit oord!Hasebroek.Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687–1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners “poorters”. Het was een “smalstad”, die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.Gezicht op het duin te Domburg.Gezicht op het duin te Domburg.Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd.In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meercomfortabelbadhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa’s meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:De zilvren wolken zijn als cherubijnen,Die spelemeien in de blauwe lucht.In teeder amethyst van mistgordijnenWijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,En luister naar het ruischen van den zuchtDer blanke zee, waar pareltinten kwijnen,Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,Veraf geruisch en een glimp van de zee,Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauwLanger kan zien in hun spreidend geel-wit,Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.Helm, op de hellingen wuivend in wind,Dartelend huppelt hij rond als een kind,Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,Overal stoeiend met lentegeblaas.Luisterend lig ik in ’t mollige zand,Hoor de geluiden van zee en van land,Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. ’t Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.Een oud binnenhuis bij Domburg.Een oud binnenhuis bij Domburg.Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18eeeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy’s schoone beschrijving van deze visscherij.Daar leeft in Zeeland aan het strandEen kleine, ronde visch,Die naar der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidewindLangs kleene golven speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,Des nijvren landmans streelt,Dan gaat de jeugd met spade en ploegNaar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch,En dikwijls is de vlugste handTe traag bij dezen visch.Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:Intusschen speelt en stoeit de jeugdEn fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee,Het meisje roept en wringt vergeefs,Hij draagt haar mede in zee.De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij hetstra-rijdengewoonte was, het volgende verhaal:Een ridder uit het BrittenlandGing dwalen aan het Zeeuwsche strandEn hadde (zoo het scheen) gezien,Hoe dat aldaar de jongelienZich gaan vermaken in de zee,Niet verre buiten Zieriksee.Hij zag het als een zeldzaam ding,Dat vrij wat uit de regel ging;En daarom heeft hij ’t ons vertelt,Gelijk hier onder is gesteld.Ik kwam eens treden op het strandDaar ik veel jongelieden vand;Ik zag er zes of zeven paar,Den eenen hier, den andren daer,Maar bovenal zoo was er twee,Die gingen vaardig naar de zee;Een ieder had een jonge maagd,Die hij tot in het water draagt;En of de vrijster vreeze kreeg,Ja, schier van angst ter neder zeeg,Ook hem met bleeke lippen bad,Nog ging hij dieper in het nat,Totdat het water werd gezien,Tot aan, ja, boven hare knien.En nog is ’t niet genoeg gedaan:Het moest er vrij wat holder gaan;Ten leste neemt de losse kwantEn giet ook water metter hand,Juist als Diana voortijds plag,Als zij Acteon bij haar zag:Hij goot het water hier en daarTot in haar schoon gekreukeld haar,Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,Geleek een natten waterhond.Ten lesten, als de jonker zag,Dat hij niet hooger op en mag,Zoo keert hij weder naar het droog,Want hij zag tranen in haar oog;Maar straks, zoo loopt hij naar het strandEn trekt haar naar het mulle zand;Hij legt haar op een hoogen duinEn rolt dan van een steile kruin,Tot onder in het lage dal,En daar eens even weder mal:Hij zout haar in het gulle zandEn strooit het stof aan alle kant;Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,En dat zij nauw een mensch gelijkt.Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:Het is, vermits hij daaruit ziet,Hoe zich een jonge vrijster heeft,Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;Of zij dan ook een jonkman viert,Dan of ze lui en leelijk tiert,En of haar eertijds zoet gestelVerandert in een norsch gezwel.En als het eens is uitgemald,Dan ziet hij, hoe zij hem bevaltEn of hij verder dient te gaan,Dan of zijn vrijen heeft gedaan.Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofdengraaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijningEn zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.W. Kloos.Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:Uw vette klei zij meer en meerMet voedzaam goud beladen;Uw handel bloei’, gelijk weleer,Langs nieuw beproefde paden;De ronde Zeeuw veroudre nooit;De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;En al wat Zeeuwsch is tooneDen glans van ’t Goede en Schoone.
Veere.Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen1, bij eenevergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als “de geliefde markies” werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14eeeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16eeeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.Groote Kerk te Veere.Groote Kerk te Veere.’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag.194) die van Veere uitging.Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote vanHugo de Groot (zie pag.135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:Hef van uit de Zeeuwsche stroomenVrij de grijze kruin omhoog!Wat de tijd u hebbe ontnomen,Wat hij wreed aan u onttoog,Nog versiert u eeuwige eer,Klein en nederig ter Veer!Vlissingen moog’ Ruiter roemen,Brouwershaven praal’ met Cats,Goes moog’ op een zanger roemen,Stout, oorspronklijk vol van schats;U versiert nog hooger eer,Klein en nederig ter Veer!De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.Het Lammetje van Veere uit de 16eeeuw.Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15eeeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indrukmaken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16eeeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.Arnemuiden.Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14eeeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15eeeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15eeeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16eeeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17eeeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs denweg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valtmoeielijkte begrijpen.Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijkgerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.Vlissingen.Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19eeeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. TenO.hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd,thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18eeeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.In de 19eeeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.O Vlissingen! de breede NoordzeebarenBesproeien trotsch uw welgelegen wal;’t Is grootsch, haar gang en golving aan te starenEn haar gedruisch te hooren overal.Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,Zij zingt van heil, van handel en vertier,En gij, gij hoort aandachtig naar die woordenEn heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:Een handelsschat uit verre zee en ouwen,Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.Mercurius vliegt ijlings naar uw wallenEn plant zijn staf op uw gewenschte ree:Daar zal het lied der koopvaardije schallen,Elk groet u daar als koningin der zee.Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,Opdat de vloot der wereld tot u koomt,Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,De winst geniet, waarvan de handel droomt.Niets hindert u; geen barre wintervlagen,Geen wind noch storm versperren uwen wal;O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,Die Middelburg met u vereenen zal.Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe.En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17eeeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedemptevesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,Stervende plotseling na zijn geboort;Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,Dat niet op deze ruwe aard behoort.Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.Ik min het schuim der zee, millioene atomen,Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!Dat zijn aaneengebonden ziels-atomenVan heilge kindren uit Mysteries bleek.W. van Weide.Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.Het strand en badhuis te Vlissingen.Het strand en badhuis te Vlissingen.Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinkenmet witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.Over het Eiland.Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7enSept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15envan Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15eeeuw.Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14eeeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op eenplein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19eeeuw op Walcheren het leven lieten.Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, dietamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.West-Kapelle.West-Kapelle.Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel Vaangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijkbereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17eeeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.Kasteel Westhoven.Kasteel Westhoven.Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13eeeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19eeeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeeltevan Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,Het kunsttrezoor er overvloei’Van altijd nieuwe meesterstukken;Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haarOp ’t hoofd, zoo ongebogen,Nog lang den gloed van ’t leven paar’,Dat tintelt in zijn oogen.Bij zooveel keurigs, zooveel schats,Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,Verhoog’ nog steeds iets nieuws van CatsVan zijn verzameling2de waarde;Cats’ hooge leeftijd, blijde moedEn hoop op beter leven,Meer waard dan al der wereld goed,Zij rijklijk hem gegeven.Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; “met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen” enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± ƒ 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichtingin het laatst der 18eeeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa’s, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa’s en gebouwen verstrooid staan.Blonde duinen, weest gegroet!Scheidsmuur tusschen land en stroomen,Blauwe golven, groene boomen,Samenkomende aan uw voet!’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,Wentlen zich de wilde baren;En ter slinke rijpen d’ airen,Wachtende op des maaiers hand.Grootsche tweeklank, die hier klinkt!Ginds ’t gebruis der groote waatren,Die een dondrend loflied klaatren;Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.O! wat liefelijk akkoordVormt die twee verscheiden galmenTot den heerlijksten der psalmenVoor den Bouwheer van dit oord!Hasebroek.Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687–1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners “poorters”. Het was een “smalstad”, die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.Gezicht op het duin te Domburg.Gezicht op het duin te Domburg.Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd.In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meercomfortabelbadhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa’s meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:De zilvren wolken zijn als cherubijnen,Die spelemeien in de blauwe lucht.In teeder amethyst van mistgordijnenWijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,En luister naar het ruischen van den zuchtDer blanke zee, waar pareltinten kwijnen,Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,Veraf geruisch en een glimp van de zee,Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauwLanger kan zien in hun spreidend geel-wit,Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.Helm, op de hellingen wuivend in wind,Dartelend huppelt hij rond als een kind,Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,Overal stoeiend met lentegeblaas.Luisterend lig ik in ’t mollige zand,Hoor de geluiden van zee en van land,Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. ’t Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.Een oud binnenhuis bij Domburg.Een oud binnenhuis bij Domburg.Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18eeeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy’s schoone beschrijving van deze visscherij.Daar leeft in Zeeland aan het strandEen kleine, ronde visch,Die naar der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidewindLangs kleene golven speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,Des nijvren landmans streelt,Dan gaat de jeugd met spade en ploegNaar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch,En dikwijls is de vlugste handTe traag bij dezen visch.Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:Intusschen speelt en stoeit de jeugdEn fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee,Het meisje roept en wringt vergeefs,Hij draagt haar mede in zee.De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij hetstra-rijdengewoonte was, het volgende verhaal:Een ridder uit het BrittenlandGing dwalen aan het Zeeuwsche strandEn hadde (zoo het scheen) gezien,Hoe dat aldaar de jongelienZich gaan vermaken in de zee,Niet verre buiten Zieriksee.Hij zag het als een zeldzaam ding,Dat vrij wat uit de regel ging;En daarom heeft hij ’t ons vertelt,Gelijk hier onder is gesteld.Ik kwam eens treden op het strandDaar ik veel jongelieden vand;Ik zag er zes of zeven paar,Den eenen hier, den andren daer,Maar bovenal zoo was er twee,Die gingen vaardig naar de zee;Een ieder had een jonge maagd,Die hij tot in het water draagt;En of de vrijster vreeze kreeg,Ja, schier van angst ter neder zeeg,Ook hem met bleeke lippen bad,Nog ging hij dieper in het nat,Totdat het water werd gezien,Tot aan, ja, boven hare knien.En nog is ’t niet genoeg gedaan:Het moest er vrij wat holder gaan;Ten leste neemt de losse kwantEn giet ook water metter hand,Juist als Diana voortijds plag,Als zij Acteon bij haar zag:Hij goot het water hier en daarTot in haar schoon gekreukeld haar,Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,Geleek een natten waterhond.Ten lesten, als de jonker zag,Dat hij niet hooger op en mag,Zoo keert hij weder naar het droog,Want hij zag tranen in haar oog;Maar straks, zoo loopt hij naar het strandEn trekt haar naar het mulle zand;Hij legt haar op een hoogen duinEn rolt dan van een steile kruin,Tot onder in het lage dal,En daar eens even weder mal:Hij zout haar in het gulle zandEn strooit het stof aan alle kant;Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,En dat zij nauw een mensch gelijkt.Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:Het is, vermits hij daaruit ziet,Hoe zich een jonge vrijster heeft,Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;Of zij dan ook een jonkman viert,Dan of ze lui en leelijk tiert,En of haar eertijds zoet gestelVerandert in een norsch gezwel.En als het eens is uitgemald,Dan ziet hij, hoe zij hem bevaltEn of hij verder dient te gaan,Dan of zijn vrijen heeft gedaan.Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofdengraaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijningEn zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.W. Kloos.Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:Uw vette klei zij meer en meerMet voedzaam goud beladen;Uw handel bloei’, gelijk weleer,Langs nieuw beproefde paden;De ronde Zeeuw veroudre nooit;De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;En al wat Zeeuwsch is tooneDen glans van ’t Goede en Schoone.
Veere.Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen1, bij eenevergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als “de geliefde markies” werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14eeeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16eeeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.Groote Kerk te Veere.Groote Kerk te Veere.’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag.194) die van Veere uitging.Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote vanHugo de Groot (zie pag.135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:Hef van uit de Zeeuwsche stroomenVrij de grijze kruin omhoog!Wat de tijd u hebbe ontnomen,Wat hij wreed aan u onttoog,Nog versiert u eeuwige eer,Klein en nederig ter Veer!Vlissingen moog’ Ruiter roemen,Brouwershaven praal’ met Cats,Goes moog’ op een zanger roemen,Stout, oorspronklijk vol van schats;U versiert nog hooger eer,Klein en nederig ter Veer!De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.Het Lammetje van Veere uit de 16eeeuw.Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15eeeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indrukmaken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16eeeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.
Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.
Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.
Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.
Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen1, bij eenevergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als “de geliefde markies” werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.
Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14eeeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16eeeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.
Groote Kerk te Veere.Groote Kerk te Veere.
Groote Kerk te Veere.
’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag.194) die van Veere uitging.
Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote vanHugo de Groot (zie pag.135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:
Hef van uit de Zeeuwsche stroomenVrij de grijze kruin omhoog!Wat de tijd u hebbe ontnomen,Wat hij wreed aan u onttoog,Nog versiert u eeuwige eer,Klein en nederig ter Veer!
Hef van uit de Zeeuwsche stroomen
Vrij de grijze kruin omhoog!
Wat de tijd u hebbe ontnomen,
Wat hij wreed aan u onttoog,
Nog versiert u eeuwige eer,
Klein en nederig ter Veer!
Vlissingen moog’ Ruiter roemen,Brouwershaven praal’ met Cats,Goes moog’ op een zanger roemen,Stout, oorspronklijk vol van schats;U versiert nog hooger eer,Klein en nederig ter Veer!
Vlissingen moog’ Ruiter roemen,
Brouwershaven praal’ met Cats,
Goes moog’ op een zanger roemen,
Stout, oorspronklijk vol van schats;
U versiert nog hooger eer,
Klein en nederig ter Veer!
De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.
Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.Het Lammetje van Veere uit de 16eeeuw.
Het Lammetje van Veere uit de 16eeeuw.
Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.
Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.
Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15eeeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.
De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.
Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.
Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.
Stadhuis te Veere.
Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indrukmaken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.
De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16eeeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.
Arnemuiden.Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14eeeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15eeeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15eeeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16eeeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17eeeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs denweg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valtmoeielijkte begrijpen.Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijkgerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.
Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.
Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14eeeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15eeeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.
De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15eeeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16eeeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.
Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17eeeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.
De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.
De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.
Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs denweg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.
Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.
De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valtmoeielijkte begrijpen.
Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.
En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.
Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijkgerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.
Vlissingen.Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19eeeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Vlissingen, gezien van den Boulevard.Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. TenO.hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd,thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18eeeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.In de 19eeeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.O Vlissingen! de breede NoordzeebarenBesproeien trotsch uw welgelegen wal;’t Is grootsch, haar gang en golving aan te starenEn haar gedruisch te hooren overal.Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,Zij zingt van heil, van handel en vertier,En gij, gij hoort aandachtig naar die woordenEn heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:Een handelsschat uit verre zee en ouwen,Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.Mercurius vliegt ijlings naar uw wallenEn plant zijn staf op uw gewenschte ree:Daar zal het lied der koopvaardije schallen,Elk groet u daar als koningin der zee.Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,Opdat de vloot der wereld tot u koomt,Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,De winst geniet, waarvan de handel droomt.Niets hindert u; geen barre wintervlagen,Geen wind noch storm versperren uwen wal;O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,Die Middelburg met u vereenen zal.Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe.En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17eeeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedemptevesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,Stervende plotseling na zijn geboort;Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,Dat niet op deze ruwe aard behoort.Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.Ik min het schuim der zee, millioene atomen,Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!Dat zijn aaneengebonden ziels-atomenVan heilge kindren uit Mysteries bleek.W. van Weide.Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.Het strand en badhuis te Vlissingen.Het strand en badhuis te Vlissingen.Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinkenmet witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.
Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.
Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19eeeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.
Vlissingen, gezien van den Boulevard.Vlissingen, gezien van den Boulevard.
Vlissingen, gezien van den Boulevard.
Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. TenO.hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd,thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.
Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.
Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18eeeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.
In de 19eeeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.
O Vlissingen! de breede NoordzeebarenBesproeien trotsch uw welgelegen wal;’t Is grootsch, haar gang en golving aan te starenEn haar gedruisch te hooren overal.Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,Zij zingt van heil, van handel en vertier,En gij, gij hoort aandachtig naar die woordenEn heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.
O Vlissingen! de breede Noordzeebaren
Besproeien trotsch uw welgelegen wal;
’t Is grootsch, haar gang en golving aan te staren
En haar gedruisch te hooren overal.
Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,
Zij zingt van heil, van handel en vertier,
En gij, gij hoort aandachtig naar die woorden
En heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.
Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:Een handelsschat uit verre zee en ouwen,Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.Mercurius vliegt ijlings naar uw wallenEn plant zijn staf op uw gewenschte ree:Daar zal het lied der koopvaardije schallen,Elk groet u daar als koningin der zee.
Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!
Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:
Een handelsschat uit verre zee en ouwen,
Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.
Mercurius vliegt ijlings naar uw wallen
En plant zijn staf op uw gewenschte ree:
Daar zal het lied der koopvaardije schallen,
Elk groet u daar als koningin der zee.
Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,Opdat de vloot der wereld tot u koomt,Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,De winst geniet, waarvan de handel droomt.Niets hindert u; geen barre wintervlagen,Geen wind noch storm versperren uwen wal;O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,Die Middelburg met u vereenen zal.
Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,
Opdat de vloot der wereld tot u koomt,
Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,
De winst geniet, waarvan de handel droomt.
Niets hindert u; geen barre wintervlagen,
Geen wind noch storm versperren uwen wal;
O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,
Die Middelburg met u vereenen zal.
Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe.En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17eeeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.
Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.
Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.
Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.
Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedemptevesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.
Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.
Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!
Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;
Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,
En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,
Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,
Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,
Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!
Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.
Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.
Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.
Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,Stervende plotseling na zijn geboort;Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,Dat niet op deze ruwe aard behoort.
Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,
Stervende plotseling na zijn geboort;
Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,
Dat niet op deze ruwe aard behoort.
Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.
Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,
Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;
Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,
Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.
Ik min het schuim der zee, millioene atomen,Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!Dat zijn aaneengebonden ziels-atomenVan heilge kindren uit Mysteries bleek.
Ik min het schuim der zee, millioene atomen,
Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!
Dat zijn aaneengebonden ziels-atomen
Van heilge kindren uit Mysteries bleek.
W. van Weide.
Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.
Het strand en badhuis te Vlissingen.Het strand en badhuis te Vlissingen.
Het strand en badhuis te Vlissingen.
Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.
Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinkenmet witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.
Over het Eiland.Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7enSept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15envan Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15eeeuw.Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14eeeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op eenplein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19eeeuw op Walcheren het leven lieten.Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, dietamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.West-Kapelle.West-Kapelle.Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel Vaangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Zeeuwsche wagen van den duinkant.Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijkbereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17eeeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.Kasteel Westhoven.Kasteel Westhoven.Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13eeeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19eeeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeeltevan Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,Het kunsttrezoor er overvloei’Van altijd nieuwe meesterstukken;Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haarOp ’t hoofd, zoo ongebogen,Nog lang den gloed van ’t leven paar’,Dat tintelt in zijn oogen.Bij zooveel keurigs, zooveel schats,Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,Verhoog’ nog steeds iets nieuws van CatsVan zijn verzameling2de waarde;Cats’ hooge leeftijd, blijde moedEn hoop op beter leven,Meer waard dan al der wereld goed,Zij rijklijk hem gegeven.Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; “met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen” enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± ƒ 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichtingin het laatst der 18eeeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa’s, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa’s en gebouwen verstrooid staan.Blonde duinen, weest gegroet!Scheidsmuur tusschen land en stroomen,Blauwe golven, groene boomen,Samenkomende aan uw voet!’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,Wentlen zich de wilde baren;En ter slinke rijpen d’ airen,Wachtende op des maaiers hand.Grootsche tweeklank, die hier klinkt!Ginds ’t gebruis der groote waatren,Die een dondrend loflied klaatren;Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.O! wat liefelijk akkoordVormt die twee verscheiden galmenTot den heerlijksten der psalmenVoor den Bouwheer van dit oord!Hasebroek.Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687–1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners “poorters”. Het was een “smalstad”, die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.Gezicht op het duin te Domburg.Gezicht op het duin te Domburg.Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd.In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meercomfortabelbadhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa’s meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:De zilvren wolken zijn als cherubijnen,Die spelemeien in de blauwe lucht.In teeder amethyst van mistgordijnenWijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,En luister naar het ruischen van den zuchtDer blanke zee, waar pareltinten kwijnen,Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,Veraf geruisch en een glimp van de zee,Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauwLanger kan zien in hun spreidend geel-wit,Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.Helm, op de hellingen wuivend in wind,Dartelend huppelt hij rond als een kind,Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,Overal stoeiend met lentegeblaas.Luisterend lig ik in ’t mollige zand,Hoor de geluiden van zee en van land,Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. ’t Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.Een oud binnenhuis bij Domburg.Een oud binnenhuis bij Domburg.Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18eeeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy’s schoone beschrijving van deze visscherij.Daar leeft in Zeeland aan het strandEen kleine, ronde visch,Die naar der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidewindLangs kleene golven speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,Des nijvren landmans streelt,Dan gaat de jeugd met spade en ploegNaar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch,En dikwijls is de vlugste handTe traag bij dezen visch.Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:Intusschen speelt en stoeit de jeugdEn fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee,Het meisje roept en wringt vergeefs,Hij draagt haar mede in zee.De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij hetstra-rijdengewoonte was, het volgende verhaal:Een ridder uit het BrittenlandGing dwalen aan het Zeeuwsche strandEn hadde (zoo het scheen) gezien,Hoe dat aldaar de jongelienZich gaan vermaken in de zee,Niet verre buiten Zieriksee.Hij zag het als een zeldzaam ding,Dat vrij wat uit de regel ging;En daarom heeft hij ’t ons vertelt,Gelijk hier onder is gesteld.Ik kwam eens treden op het strandDaar ik veel jongelieden vand;Ik zag er zes of zeven paar,Den eenen hier, den andren daer,Maar bovenal zoo was er twee,Die gingen vaardig naar de zee;Een ieder had een jonge maagd,Die hij tot in het water draagt;En of de vrijster vreeze kreeg,Ja, schier van angst ter neder zeeg,Ook hem met bleeke lippen bad,Nog ging hij dieper in het nat,Totdat het water werd gezien,Tot aan, ja, boven hare knien.En nog is ’t niet genoeg gedaan:Het moest er vrij wat holder gaan;Ten leste neemt de losse kwantEn giet ook water metter hand,Juist als Diana voortijds plag,Als zij Acteon bij haar zag:Hij goot het water hier en daarTot in haar schoon gekreukeld haar,Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,Geleek een natten waterhond.Ten lesten, als de jonker zag,Dat hij niet hooger op en mag,Zoo keert hij weder naar het droog,Want hij zag tranen in haar oog;Maar straks, zoo loopt hij naar het strandEn trekt haar naar het mulle zand;Hij legt haar op een hoogen duinEn rolt dan van een steile kruin,Tot onder in het lage dal,En daar eens even weder mal:Hij zout haar in het gulle zandEn strooit het stof aan alle kant;Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,En dat zij nauw een mensch gelijkt.Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:Het is, vermits hij daaruit ziet,Hoe zich een jonge vrijster heeft,Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;Of zij dan ook een jonkman viert,Dan of ze lui en leelijk tiert,En of haar eertijds zoet gestelVerandert in een norsch gezwel.En als het eens is uitgemald,Dan ziet hij, hoe zij hem bevaltEn of hij verder dient te gaan,Dan of zijn vrijen heeft gedaan.Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofdengraaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijningEn zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.W. Kloos.Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:Uw vette klei zij meer en meerMet voedzaam goud beladen;Uw handel bloei’, gelijk weleer,Langs nieuw beproefde paden;De ronde Zeeuw veroudre nooit;De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;En al wat Zeeuwsch is tooneDen glans van ’t Goede en Schoone.
Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.
Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.
Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.
Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7enSept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.
Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15envan Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:
Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.
Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,
Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?
Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,
In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.
Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15eeeuw.
Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14eeeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.
Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op eenplein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19eeeuw op Walcheren het leven lieten.
Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.
Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).
Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).
Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.
Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.
Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.
Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.
Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.
Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.
De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, dietamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.
West-Kapelle.West-Kapelle.
West-Kapelle.
Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.
Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.
Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel Vaangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.
Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.
Zeeuwsche wagen van den duinkant.Zeeuwsche wagen van den duinkant.
Zeeuwsche wagen van den duinkant.
Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijkbereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.
In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17eeeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.
Kasteel Westhoven.Kasteel Westhoven.
Kasteel Westhoven.
Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13eeeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19eeeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeeltevan Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.
De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.
Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.
Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.
De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:
Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,Het kunsttrezoor er overvloei’Van altijd nieuwe meesterstukken;Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haarOp ’t hoofd, zoo ongebogen,Nog lang den gloed van ’t leven paar’,Dat tintelt in zijn oogen.
Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,
Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,
Het kunsttrezoor er overvloei’
Van altijd nieuwe meesterstukken;
Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haar
Op ’t hoofd, zoo ongebogen,
Nog lang den gloed van ’t leven paar’,
Dat tintelt in zijn oogen.
Bij zooveel keurigs, zooveel schats,Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,Verhoog’ nog steeds iets nieuws van CatsVan zijn verzameling2de waarde;Cats’ hooge leeftijd, blijde moedEn hoop op beter leven,Meer waard dan al der wereld goed,Zij rijklijk hem gegeven.
Bij zooveel keurigs, zooveel schats,
Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,
Verhoog’ nog steeds iets nieuws van Cats
Van zijn verzameling2de waarde;
Cats’ hooge leeftijd, blijde moed
En hoop op beter leven,
Meer waard dan al der wereld goed,
Zij rijklijk hem gegeven.
Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.
Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.
Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; “met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen” enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± ƒ 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.
Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichtingin het laatst der 18eeeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.
Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.
De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.
Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa’s, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa’s en gebouwen verstrooid staan.
Blonde duinen, weest gegroet!Scheidsmuur tusschen land en stroomen,Blauwe golven, groene boomen,Samenkomende aan uw voet!’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,Wentlen zich de wilde baren;En ter slinke rijpen d’ airen,Wachtende op des maaiers hand.
Blonde duinen, weest gegroet!
Scheidsmuur tusschen land en stroomen,
Blauwe golven, groene boomen,
Samenkomende aan uw voet!
’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,
Wentlen zich de wilde baren;
En ter slinke rijpen d’ airen,
Wachtende op des maaiers hand.
Grootsche tweeklank, die hier klinkt!Ginds ’t gebruis der groote waatren,Die een dondrend loflied klaatren;Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.O! wat liefelijk akkoordVormt die twee verscheiden galmenTot den heerlijksten der psalmenVoor den Bouwheer van dit oord!
Grootsche tweeklank, die hier klinkt!
Ginds ’t gebruis der groote waatren,
Die een dondrend loflied klaatren;
Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.
O! wat liefelijk akkoord
Vormt die twee verscheiden galmen
Tot den heerlijksten der psalmen
Voor den Bouwheer van dit oord!
Hasebroek.
Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687–1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.
Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners “poorters”. Het was een “smalstad”, die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.
Gezicht op het duin te Domburg.Gezicht op het duin te Domburg.
Gezicht op het duin te Domburg.
Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.
Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd.
In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meercomfortabelbadhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa’s meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.
De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:
De zilvren wolken zijn als cherubijnen,Die spelemeien in de blauwe lucht.In teeder amethyst van mistgordijnenWijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.
De zilvren wolken zijn als cherubijnen,
Die spelemeien in de blauwe lucht.
In teeder amethyst van mistgordijnen
Wijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.
Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,En luister naar het ruischen van den zuchtDer blanke zee, waar pareltinten kwijnen,Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.
Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,
En luister naar het ruischen van den zucht
Der blanke zee, waar pareltinten kwijnen,
Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.
Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:
Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,Veraf geruisch en een glimp van de zee,Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.
Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,
’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,
Veraf geruisch en een glimp van de zee,
Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.
Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauwLanger kan zien in hun spreidend geel-wit,Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.
Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,
Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauw
Langer kan zien in hun spreidend geel-wit,
Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.
Helm, op de hellingen wuivend in wind,Dartelend huppelt hij rond als een kind,Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,Overal stoeiend met lentegeblaas.
Helm, op de hellingen wuivend in wind,
Dartelend huppelt hij rond als een kind,
Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,
Overal stoeiend met lentegeblaas.
Luisterend lig ik in ’t mollige zand,Hoor de geluiden van zee en van land,Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.
Luisterend lig ik in ’t mollige zand,
Hoor de geluiden van zee en van land,
Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,
Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.
Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. ’t Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.
De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.
Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.
Een oud binnenhuis bij Domburg.Een oud binnenhuis bij Domburg.
Een oud binnenhuis bij Domburg.
Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18eeeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy’s schoone beschrijving van deze visscherij.
Daar leeft in Zeeland aan het strandEen kleine, ronde visch,Die naar der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.
Daar leeft in Zeeland aan het strand
Een kleine, ronde visch,
Die naar der Zeeuwen kieschen smaak
Een lekker voedsel is.
Des zomers, als de zuidewindLangs kleene golven speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,Des nijvren landmans streelt,
Des zomers, als de zuidewind
Langs kleene golven speelt,
En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,
Des nijvren landmans streelt,
Dan gaat de jeugd met spade en ploegNaar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.
Dan gaat de jeugd met spade en ploeg
Naar ’t breede, vlakke strand,
En ploegt dan, vol van vroolijkheid,
Het dorre, natte zand.
Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch,En dikwijls is de vlugste handTe traag bij dezen visch.
Dan grijpt in de opgeploegde voor
Een rappe hand den visch,
En dikwijls is de vlugste hand
Te traag bij dezen visch.
Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:
Intusschen speelt en stoeit de jeugdEn fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.
Intusschen speelt en stoeit de jeugd
En fladdert door het nat,
Dat schuimend, met een groot gedruisch,
In mond en oogen spat.
De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee,Het meisje roept en wringt vergeefs,Hij draagt haar mede in zee.
De jongling grijpt een meisjen op
En draagt haar mede in zee,
Het meisje roept en wringt vergeefs,
Hij draagt haar mede in zee.
De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.
Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij hetstra-rijdengewoonte was, het volgende verhaal:
Een ridder uit het BrittenlandGing dwalen aan het Zeeuwsche strandEn hadde (zoo het scheen) gezien,Hoe dat aldaar de jongelienZich gaan vermaken in de zee,Niet verre buiten Zieriksee.Hij zag het als een zeldzaam ding,Dat vrij wat uit de regel ging;En daarom heeft hij ’t ons vertelt,Gelijk hier onder is gesteld.Ik kwam eens treden op het strandDaar ik veel jongelieden vand;Ik zag er zes of zeven paar,Den eenen hier, den andren daer,Maar bovenal zoo was er twee,Die gingen vaardig naar de zee;Een ieder had een jonge maagd,Die hij tot in het water draagt;En of de vrijster vreeze kreeg,Ja, schier van angst ter neder zeeg,Ook hem met bleeke lippen bad,Nog ging hij dieper in het nat,Totdat het water werd gezien,Tot aan, ja, boven hare knien.En nog is ’t niet genoeg gedaan:Het moest er vrij wat holder gaan;Ten leste neemt de losse kwantEn giet ook water metter hand,Juist als Diana voortijds plag,Als zij Acteon bij haar zag:Hij goot het water hier en daarTot in haar schoon gekreukeld haar,Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,Geleek een natten waterhond.Ten lesten, als de jonker zag,Dat hij niet hooger op en mag,Zoo keert hij weder naar het droog,Want hij zag tranen in haar oog;Maar straks, zoo loopt hij naar het strandEn trekt haar naar het mulle zand;Hij legt haar op een hoogen duinEn rolt dan van een steile kruin,Tot onder in het lage dal,En daar eens even weder mal:Hij zout haar in het gulle zandEn strooit het stof aan alle kant;Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,En dat zij nauw een mensch gelijkt.
Een ridder uit het Brittenland
Ging dwalen aan het Zeeuwsche strand
En hadde (zoo het scheen) gezien,
Hoe dat aldaar de jongelien
Zich gaan vermaken in de zee,
Niet verre buiten Zieriksee.
Hij zag het als een zeldzaam ding,
Dat vrij wat uit de regel ging;
En daarom heeft hij ’t ons vertelt,
Gelijk hier onder is gesteld.
Ik kwam eens treden op het strand
Daar ik veel jongelieden vand;
Ik zag er zes of zeven paar,
Den eenen hier, den andren daer,
Maar bovenal zoo was er twee,
Die gingen vaardig naar de zee;
Een ieder had een jonge maagd,
Die hij tot in het water draagt;
En of de vrijster vreeze kreeg,
Ja, schier van angst ter neder zeeg,
Ook hem met bleeke lippen bad,
Nog ging hij dieper in het nat,
Totdat het water werd gezien,
Tot aan, ja, boven hare knien.
En nog is ’t niet genoeg gedaan:
Het moest er vrij wat holder gaan;
Ten leste neemt de losse kwant
En giet ook water metter hand,
Juist als Diana voortijds plag,
Als zij Acteon bij haar zag:
Hij goot het water hier en daar
Tot in haar schoon gekreukeld haar,
Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,
Geleek een natten waterhond.
Ten lesten, als de jonker zag,
Dat hij niet hooger op en mag,
Zoo keert hij weder naar het droog,
Want hij zag tranen in haar oog;
Maar straks, zoo loopt hij naar het strand
En trekt haar naar het mulle zand;
Hij legt haar op een hoogen duin
En rolt dan van een steile kruin,
Tot onder in het lage dal,
En daar eens even weder mal:
Hij zout haar in het gulle zand
En strooit het stof aan alle kant;
Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,
En dat zij nauw een mensch gelijkt.
Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:
Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:Het is, vermits hij daaruit ziet,Hoe zich een jonge vrijster heeft,Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;Of zij dan ook een jonkman viert,Dan of ze lui en leelijk tiert,En of haar eertijds zoet gestelVerandert in een norsch gezwel.En als het eens is uitgemald,Dan ziet hij, hoe zij hem bevaltEn of hij verder dient te gaan,Dan of zijn vrijen heeft gedaan.
Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:
Het is, vermits hij daaruit ziet,
Hoe zich een jonge vrijster heeft,
Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;
Of zij dan ook een jonkman viert,
Dan of ze lui en leelijk tiert,
En of haar eertijds zoet gestel
Verandert in een norsch gezwel.
En als het eens is uitgemald,
Dan ziet hij, hoe zij hem bevalt
En of hij verder dient te gaan,
Dan of zijn vrijen heeft gedaan.
Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofdengraaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.
Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.
De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.
De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,
De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,
De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.
Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijningEn zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.
Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.
W. Kloos.
Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:
Uw vette klei zij meer en meerMet voedzaam goud beladen;Uw handel bloei’, gelijk weleer,Langs nieuw beproefde paden;De ronde Zeeuw veroudre nooit;De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;En al wat Zeeuwsch is tooneDen glans van ’t Goede en Schoone.
Uw vette klei zij meer en meer
Met voedzaam goud beladen;
Uw handel bloei’, gelijk weleer,
Langs nieuw beproefde paden;
De ronde Zeeuw veroudre nooit;
De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;
En al wat Zeeuwsch is toone
Den glans van ’t Goede en Schoone.