Judoc.Ikbengezond!
(tot Alex.)De uil in arendsveêren, de ezel in een paardehuid!
Math.Meneer Judocus — in 's hemelsnaam, heb een oogenblik geduld! Laat vader vertellen wat er gebeurd is.
Judoc.Ikbenbedaard, ikbengeduldig. Maar hier zou Abou-Zaber zelfs zijn geduld verloren hebben! — Mijn besten, éénigen vriend zóó te belasteren?
Alex.(spottend, met de armen over elkaâr)Bravo, meneer de zachtmoedige!
Judoc.Hem achter den rug met vuile aantijgingen te besmeren!
Alex.Allerliefst, mijn wandelend toonbeeld van geduld!
Judoc.Bij zijn dierste vrienden en betrekkingen op clandestine wijs zijn goeden naam te komen bekladden — —
Alex.Voortreffelijk, o non plus ultra van bedaardheid!
Judoc.— — en dan zelf niets meer te zijn dan een onbekende gelukzoeker, die zich titels en bekwaamheden aanmatigt, waarop hij evenveel regt heeft als mijn schoenpoetser!
(terwijl Judoc. zich dermate opwindt, kijken Goedsm. c. s. hem verbaasd aan).
Alex.Juist, mijn schoone held — dáár woû ik je hebben! Je vraagtmijrekenschap van de namen die ik Adolf Smit gaf — ikzelf vraagurekenschap van de titels, waarmeê ge mij vereert.
Judoc.Die zal ik geven — maar trek eerst uw woorden in!
Alex.Nooit!
Judoc.Zuiver mijn vriend van alle blaam!
Alex.Integendeel!
Goedsm.(tusschen beide komend)Een oogenblik! — Mij, als huisvader, zal 't wel passen hier een woordje meê te spreken.
(tot Alex.)Heeft u Adolf Smit gekend?
Alex.Zoo goed als iemand. Wel een jaar lang heb ik te Brussel met 'em saâmgewoond.
Goedsm.Te Brussel? Maar op welken grond — enfin, waarvan beschuldigt ge hem?
Alex.Adolf Smit is een speler.
Judoc.(steeds heviger)Hij liegt, de gewetenlooze eerroover!
Alex.Adolf Smit is een losbol —
Judoc.Hij liegt, de Mephistopheles!
Alex.— Een doorbrenger.
Clara.Groote God — zou 't waar zijn!
Judoc.Hij liegt, de naneef van Astaroth, de kleinzoon van Beëlzebub!
Alex.Adolf Smit geeft voor, uw nicht hier(op Clara wijzend)te beminnen, om van haar vertrouwen misbruik te maken — —
Clara.Meneer Magnus — uw woorden gaan me als pijlen door 't hart. Maar als ge denkt, op deze wijs uw doel te bereiken, enmijte winnen doorhemte belasteren — —
Judoc.O, slangetong —
Goedsm.(tot Judoc.)Stil, doktor!
(tot Alex.)Weet wat ge zegt, meneer! We hebben hier getuigen en een regtbank.
Alex.— — maar op reis, in den vreemde, weten andere meisjes genoeg, dat hij zich een scheiding van zijn beminde niet hard aantrekt. Daarenboven weetik, dat hij te Brussel in 't geheim met een andere schoone verloofd is.
Judoc.O, addergebroedsel!
Clara.(tot Math.)Mijn god, Mathilde, wat moet ik er van denken!
(tot Alex.)Bij al wat u heilig is, meneer — bedrieg me niet, spot niet met me!
Judoc.Clara, juffrouw Clara — geloof 'em niet!
Goedsm.Stil, doktor!
Clara.(tot Alex.)Ik ben u vreemd, ik ken u niet. Maar zoo ge nog een greintje eergevoel bezit, zeg me dan — is 't waar, dat ge Adolf kent? Is 't waar, dat hij — dat hij slecht is — dat hij ontrouw is? — Want als ge liegt, als ge liegt — —
Alex.'t Is zóó waar als Alexanders liefde voor u — zóó waar, als dat Alexander u trouw zou wezen.
Judoc.O, waarom bezit mijn arm niet de kracht van Hercules, Rappo en Crosso!
(tot Clara). Geloof 'em niet, juffrouw Clara! Hij liegt — en ik zal 't u bewijzen.
Goedsm.Doktor, laat mij spreken!
Math.Meneer Judocus, houd u in!
Judoc.Ik houd me in — maar de vent liegt — hij liegt als een Cretenser, de domme Beotiër!
Alex.(plotseling zich tot Judoc. wendend)Cretenser, domme Beotiër! — Meneer, de maat van uw beleedigingen is vol. Ik vraag u rekenschap!
Judoc.Die zult ge hebben. Zeg hoe en wanneer!
Alex.Rekenschap vorder ik. Maar geen scheldwoorden zullen onze wapens zijn!
Judoc.Rekenschap zal ik u geven van mijn woorden; rekenschap u vragen van Adolfs geschonden eer.
Math.(tot Goedsm). Vader, kom toch tusschenbeide!
Alex.En we zullen zien, of ge de wapens van een man even goed hanteert, als die van een vischwijf.
Goedsm.(smeekend)Meneer Magnus — meneer v. d. Vlugt!
Judoc.Geen bemiddeling, heer Goedsmoeds. De goede naam van mijn vriend, 't geluk van uw nicht staan op 't spel.
(tot Alex.)Wat spreekt ge van mannewapens?
Alex.Dat zul-je morgen zien.
Judoc.Morgen?
Alex.Morgenochtend ten zeven uur.
Judoc.Ten zeven uur? — Ik begrijp u, meneer. Ik ben vreemd aan den wapenhandel — —
Math.Hemelsche vader — een duel!
Goedsm.Zeg eens, heeren — 't is toch gekheid, hoop ik?
Alex.Ernst, meneer, bloedige ernst.
Math.Lieve God! — Vader — meneer Judocus — 't zal niet gebeuren — hoor me toch!
(zij houdt Goedsm. vast, beide staren in angstige spanning Judoc. en Alex. aan).
Judoc.Wees bedaard, Mathilde.
(tot Alex.)Ik ben vreemd aan den wapenhandel. Maar, gelijk Cincinnatus de spade liet rusten voor 't zwaard — zóó zal de gemoedelijke schoolmeester zijn vreedzamen scepter verwisselen tegen — —
Alex.(spottend)Nu, waartegen?
Judoc.Tegen een wapen, dat geducht zal worden in de vuist van hem, wiens goed regt hem sterken zal in den strijd.
Alex.(spottend)En kan mijn ridderlijke held een pistool laden?
Judoc.Ik zal, ook zonder dat te kunnen, u toonen, hoe 't mogelijk was, dat David Goliath verwon.
Alex.(spottend)En zal mijn schuwe David den moed hebben, met andere projektielen in 't veld te treden, dan keisteentjes uit de beek? Is 't u bekend, o edele gladiator, datikeen poos lang in 't bestuur zat van de vereeniging »Mik wis, schiet niet mis;" en dat ik tweemaal bekroond ben als prijsschutter — ?
Judoc.Al waart ge de fabelachtige Soranus in eigen persoon — ik zal den moed hebben, voor mijn vriend testaan.
Alex.(lagchend)Zult ge, meneer Judocus?
Judoc.Dat zal ik.
Alex.Wezenlijk, op je woord, meneer v. d. Vlugt?
Judoc.Op mijn woord.
Alex.Dan, beste doktor, geef ik je den vriendschappelijken raad, morgen ten zeven uur ——
Judoc.Nu, ten zeven uur?
Alex.Je nog eens om te keeren in je bed.
Judoc.Wat?
(Goedsm. Math. en Clara zien Alex. verwonderd aan).
Hoe moet ik dat opnemen, heer statisticus?
Alex.Ma foi, prenez-le comme vous voudrez! — Maar zeg, noem me niet meer statisticus — wil je?
(Judoc. kijkt verbaasd).
Goedsm.Hemel — wat nu!
Alex.Niet meer: hond, of uil in arendsveêren, of ezel in een paardehuid.
Goedsm.Goddank — dat lijkt naar een verzoening!
Math.De hemel geve 't!
Alex.Spaar me ook voortaan de hoogst dichterlijke doch in 't gewone spraakgebruik min zoetvloeijend klinkende benamingen van: slangetong, addergebroedsel, domme Beotiër, kleinzoon van Astaroth, naneef van Beëlzebub — en wat dies meer zij.
Judoc.Die uitdrukkingen zijn me in drift ontvallen. Maar zoolang — —
Alex.— Zoolang ik Adolf Smit niet den hoogsten lof toezwaai, kan ik nooit op uw gunst rekenen. — Welnu, beste doktor, prijs dan, in uw hart, uw vriend zooveel ge wilt.Ikmag 't niet doen, zelfs fluisterend: want hij zou me hooren.
Judoc.U hooren?
Goedsm.(Alex. in de oogen kijkend)Ik geloof dat ik hemzie! Ei, ei — ik geloof dat ik hemzie.
Alex.Juist geraden, heer Goedsmoeds — want hier staat hij.
(Hij neemt pruik en baard af, waarmeê hij zich onkenbaar had gemaakt, en spreekt op geheel veranderden, natuurlijken toon).
Clara.Adolf!(ze omhelzen elkaâr). Adolf! En ik heb je niet herkend!
Adolf.Ik ben 't, Clara — en blijtoe dat ge me niet herkend hebt, want dan had ik mijn doel gemist.
Goedsm.(boos)Maar Adolf, jongen — wat malle potsen! Waartoe al die poppenkasterij! Is 't tegenwoordig mode, zijn vrienden te beliegen en te bedriegen vóór men zich bekend maakt?
Adolf.(schudt hem de hand)Nu, sprak Alexander Magnus geen waarheid, toen 'ie Adolf Smit voor een bedrieger uitmaakte! — Maar vergeef me, vader Goedsmoeds, al den schrik dien ik u aanjoeg: 't was met een goed doel.
Goedsm.De duivel hale jou doel — de jongen praat als een Jesuït! — Neen maar, hoor 'reis — ik vind 't lang niet aardig, zóó mijn huis in opschudding te brengen: ik ben er drie jaar ouder meê geworden!
Adolf.(tot Judoc., hem de hand drukkend)En jij, beste vriend, dien ik heb getergd tot dolwordens toe — jij zultwel de eerste zijn me te vergeven, als ik je verzeker: dat al mijn komediespelen slechts dienen moest om u te regtvaardigen, en Clara te beteren.
Judoc.Ommijte regtvaardigen?
Clara.Enmijte beteren?
Adolf.Ja Clara, omute beteren. Want ik wist, hoe mijn vriend Judocus de lieve Mathilde beminde. En ik wist ook, hoe mijn fijn bruidje — alleen op zijn uiterlijk ziende — hem niet lijden mogt, en zelfs hem van lamheid en karakterloosheid plagt te beschuldigen — —
Goedsm.Ja, ja, daarin had Clara groot ongelijk — maar ik zie nog niet in — —
Math.Luister toch, vader!
Adolf.Nu heb ik den doktor in de gelegenheid willen stellen, u allen te toonen: dat zijn zachtmoedigheid geen lafheid is, en dat 'ie, onder zijn doodgoed uiterlijk, een ferm, edel, mannelijk hart draagt. En ik geloof, dat ik, in den persoon van Alexander Magnus, er vrij wel in geslaagd ben, zijn schat van geduld ten einde te brengen.
(tot Judoc.)Nietwaar, doktor?
Clara.Volkomen, volkomen!
Judoc.(stamelend)Dus was alles — alles — —
Adolf.Alles was maar spel, mijn waarde!
Goedsm.(boos)Ja, ja, mooi spel, mooi spel — maar ik zie niet in — ik begrijp volstrekt niet — —
Math.Foei vader — wil-je wel niet boos zijn! Wees liever blîj dat alles zoo heerlijk is afgeloopen.
Clara.Zeker, oom — je zult er later om lagchen.
Maarik— ik mogt wel in zak en asch mijn schande verbergen!(gaat naar Judoc. en reikt hem de hand). Meneer v.d. Vlugt, u is een edel mensch — meer kan ik niet zeggen: maar ik ben zeker, dat u mij vergeven zal, waar mijn domme oogen zich miskeken, en mijn vinnig tongetje zich versprak.
Judoc.(buigend)Mejuffrouw — ik verwachtte niet anders, ehem — en als vriendin mijner Mathilde, ehem — —
Math.(Clara omhelzend)Ja Clara, als vriendin uwer gelukkige Mathilde — —
Adolf.(tot Judoc.)— Kan ze niet anders, dan ook u lief wezen!
Goedsm.Komaan — we eindigen ten minste met een familietableau! — Weet-je wat — als jelui 't nu allemaal zóó aardig vindt, dan zalikde gekheid ook maar slikken. Ofschoon ik herhaal, niet te begrijpen, waartoe 't noodig was — —(de meisjes trachten hem den mond te stoppen)— — dat mijn heele huis op stelten werd gezet — — en dat hier een gansche rooverroman met duels en dolken en pistolen moest vertoond worden, enkel en alleen — —
Math.Stil, vadertje — vrolijk zijn!
Clara.Lagchen! — Kijk 'reis rond: wat gelukkige gezigten om je heen!
Adolf.(tot Goedsm.)En heeft 't uw hart geen goed gedaan, 't getergde lam tot leeuw te zien worden!(op Judoc. wijzend)Zie hem — hoe zijn oog glinstert van edel vuur; hoe de nederige Cincinnatus de spade wegsmijt, en 't zwaard vat; hoe de schuwe David tegen Goliath, de ongeoefende schutter tegen Soranus te velde trekt — alles, om de eer van zijn afwezigen vriend op te houden! Zeg, heer Goedsmoeds — was dat geen prachtig spel!
Math.(vat Judoc. bij de hand). Ik wist 't, Judocus — ik had niet anders verwacht.
Judoc.(met vuur)En vondt ook gij 't spel prachtig Mathilde? O, dan wil ik verschrikkelijk zijn voortaan! Ik wil een Bayard worden, een Hotspur, een Cid Campeador!
AdolfenClara.Bravissimo!
Goedsm.La ta ta — daar heb-je 't al! Je zult me met je dwaasheden den doktor nog tot een bloedvergieter maken: een Blaauwbaard, een Aballino!
Maar, 't doet er niet toe! Ik wil niet langer de spelbreker wezen. Hier, schenkt de glazen in — en zij onze dronk gewijd aan de trouw en liefde tusschen de beide huwelijksparen!
Adolf.Zoo zij 't: hart om hart — —
Clara.— — Ziel om ziel!
Judoc.Als Philemon — —
Math.— — en Baucis!
Goedsm.Maar neemt één raad van mij, jongelui — en jij vooral, Adolf! Als jelui weêr mijn vreedzaam huis 't onderst boven keert om komedie te spelen — zorgt dan, in den naam van Snoek en Watteer, dat je tot nut en vermaak, ten minste met eenige strekking, met een redelijk doel werkt! Want, wat jelui me van avond hebt vertoond — — hoor eens — 't blijft onder ons, maar — ik geef je mijn woord van eer — : »'t Sop was de kool niet waard!"
(De muziek speelt den marsch uit de derde acte van »Figaro's Hochzeit."
Goedsm., gevolgd door de beide paren, stapt 't tooneel rond.
De gordijn valt).
Nº. 1. —A. H. v. [onleesbaar].Levensbeelden. Schetsen en ve[onleesbaar, vermoedelijk: verhalen.]» 2. —Cremer en Keller.Vier novellen.» 3. —De Oude Heer Smits.Clementine.» 4. —Gerard Keller.Het Huisgezin van den Praeceptor.» 5. —Lodewijk Mulder.Jan Faessen. 2 deelen.» 6. —Louise.Bladen uit Nicht Suze's Schetsenboek.» 7. —De Oude Heer Smits.Vervolg op de Brieven.» 8. — Mevr.Bosboom-Toussaint.De Alkmaarsche Wees.» 9. —Boudewijn.Beelden en Schaduwen.» 10-12. —H. J. Schimmel.Mary Hollis. 3 deelen.» 13-15. — Mevr.Bosboom-Toussaint.Graaf Pepoli. 3 deel[onleesbaar, vermoedelijk: deelen of dln.]» 16. —Henriette Maria I.***.Coquetterie.» 17. —De Oude Heer Smits.Tweede vervolg op de Brie[onleesbaar, vermoedelijk: Brieven.]» 18-19. — Mevr.Bosboom-Toussaint.Het huis Lauernesse. 2 [onleesbaar, vermoedelijk: deelen.]» 20. —Celestine.Twee Novellen. — 64.C. van Schaick.De [onleesbaar]» 21. —Gerard Keller.Oude kennissen. Novellen.» 22-23. —Elise.Eene star in den nacht. 2 deelen.» 24. —Jonckers.Alkmaar ontzet.» 25-26. —B. ter Haar Bz.Antonie van Bockhorst. 2 deele[onleesbaar, vermoedelijk: deelen.]» 27-28. —N. Donker.Eind goed, al goed. 2 deelen.» 29. —De Jong van Rodenburgh.Tyrol en Italië.» 30-31. —H. J. Schimmel.Sproken en vertellingen. 2 deel[onleesbaar, vermoedelijk: deelen.]» 32-33. —T. van Westrheene.Hoe 't in de wereld gaat! 2[onleesbaar, vermoedelijk: deelen.]» 34-35. —J. P. de Keyser.De Wartburg. 2 deelen Met pl[onleesbaar, vermoedelijk: platen.]» 36. —J. Hoek.Drie Novellen. — N°. 69. Mina en Betsy.» 37-38. —Elise.Hermine. 2 dln. — 58.Celestine.Zuster Cat[onleesbaar]» 39. — Mevr.Bosboom-Toussaint.Verspreide verhalen.» 40-41. —Cd.enA. Busken Huet.Schetsen en Verhalen. 2[onleesbaar, vermoedelijk: deelen of dln.]» 42-43. —Johanna.De Pleegkinderen. 2 deelen.» 44. —J. J. Cremer.Stad en Dorp. Vertellingen.» 45-46. —J. Hoek.Louise van der Heide. 2 deelen.» 47. —J. F. Thieme.Rozen en Brandnetels.» 48. —P. F. Brunings.De Gouverneur.» 49-52. —H. J. Schimmel.Mylady Carlisle. 4 deelen.» 53. — Mevr.Bosboom-Toussaint.Eene Familie-legende.» 54. —R. Koopmans van Bockeren.Schoenen op Keur.» 55 —De Oude Heer Smits.Derde Vervolg op de Brieven.» 56. —D. Hartevelt.Herinneringen uit Algiers. Met plate[onleesbaar, vermoedelijk: platen.]» 57. —J. P. de Keyser.Levensvormen. Verzamelde schets[onleesbaar, vermoedelijk: schetsen.]» 59. — Mevr.Bosboom-Toussaint.De graaf van Devonshir[onleesbaar, vermoedelijk: Devonshire.]» 60. — » » De Engelschen te Rome.» 61-62 —Dr. J. ten Brink.Oost-Ind. Dames en Heeren. 2 [onleesbaar, vermoedelijk: deelen of dln.]» 63. —J. F. Brunings.De Gouvernante.» 65-66. —Gerard Keller.Een zomer in het Noorden. 2 dln.» 67. —De Oude Heer Smits.Brieven en uitboezemingen.» 68. —Mevr. Bosboom-Toussaint.Mejonkvr. de Mauléon.» 70. —Mr. A. H. Verster.De Familie van Ulvenhout.» 71. —S. van der Leij.Henry Wells.» 72. —Dr. J. ten Brink.Het vuur dat niet wordt uitgeb[onleesbaar, vermoedelijk: uitgebluscht.]» 73. —Célestine.Rob's moeder.
Transcriber's NotesThe errata listed in the back of the book are original errata from the print edition. This appears to be a first edition, so I am not sure why it contains errata in the first place.The cover of the original print copy is damaged; as a result, some of the text from the cover has been restored using guess work.Hand-written note on the title page not included: "Rotterdam, 23./24. December 1901."Variant spellings that are nevertheless correct and used consistenly: Shakspeare for Shakespeare, Appingadam for Appingedam.The book part "Op zee" has no title page, unlike the three other parts (De Slamat, Minnebrieven, and Blijspel).004.png: Restored "Villibald" (first letter partially obscured by a sticker) to "Willibald."014.png: Normalised a left-pointing guillemet to a right-pointing one: »God willing".031.png: Normalised "elkâar" to "elkaâr" (short for "elkander"). See also the note for scan 109.png.046.png: Normalised a lower double quote to a right-pointing guillemet: »wee mij!".054.png: May have an extraneous double quote mark; this is the same in the print version. I left it like this, because it wasn't entirely clear what the author was trying to say.057.png: Changed "mij" to "my" in "I know that my Redeemer liveth" after consulting the official Westminster Abbey website.081.png: Inserted a space in "ochtend-en", resulting in "ochtend- en middagdienst" (translation:morning- and afternoon-service).094.png: changed "parat" to "paraît" in "mais d'aussi loin qu'il paraît."105.png: This page contains what the author called a Malay lullaby. The f-sharp in the fifth bar of this song sounds dissonant to Western ears. Considering that the rest of the tune follows the Western I-IV-V (tonic, sub-dominant, dominant) chord progression, such as is used in rock music, folk songs, and indeed lullabies, it is likely that this is a Western song, contrary to the author's claim. In which case the F-sharp should probably be replaced by an E. In the Lilypond source code this can be achieved by replacing "fis''4" by "e''4". However, since I am not sure, I've left the dissonant in.105.png: The song is called the nanny's "nonna, nina": this is likely to be word play. The Italian for "lullaby" is "ninna nanna," and throughout the book the author refers to young women as "nonna," Italian for "grandmother," "nana." (Baboe is Dutch phonetic spelling for the Malay word for "native nanny"). Young men and boys are often referred to as "sinjo"s.109.png: Normalised "elkâar" to "elkaâr" (short for "elkander"). See also the note for scan 031.png.127.png, 135.png, 167.png: Normalised "ë" to "Ë" in "GABRIËL."138.png: Left out what appeared to be a grave accent on the "n" in "Toean"; the accent glyph looks completely different from the one in "Rèsiden," and I assume it's just a small printing error. Not to mention that everywhere else "Toean" is spelled without an accent.147.png: I assume the abbreviation "ll" stands for "letterlijk."159.png: Corrected footnote number from "2" to "1."182.png: Inserted a thought-break because that seemed to match earlier instances of the following line ("Weet ge 't nog, liefste mijn — ?").182.png: a previous owner scratched a word so badly with a pencil, that the paper was torn. I am guessing here that the word between "uw" and "oogjes" is "blauwe" (resulting in the Dutch for "your blue eyes").189.png: Printer's error fixed: "CCARA" to "CLARA."190.png: Presumed printer's error fixed: "ten min-" to "ten minste" (transl. "at least").199.png: Normalised the abbreviation "Clar." to "Clara".224.png: Normalised "Joducus" to "Judocus."225.png: Was numbered 121 instead of 221 in the print version.228.png: Normalised: added a "." to "Clara."232.png (back cover): stage tape to hold the cover together obscured part of the text; the proofreaders tried to guess in every instance what the text had said.Footnotes have been renumbered throughout the entire work and have been moved to the ends of chapters. Renumbering footnotes is standard Project Gutenberg practice, as is the moving of footnotes — although footnotes aren't necessarily always moved to the ends of chapters. Please refer to the original scans used to create this e-text if you need to know the exact footnote numbers or positions.Page number 1 (001.png) corresponds with the front cover of the printed book. Page numbers 2 - 4 (002.png - 004.png) correspond with pages 3, 4 and 5 of the printed book (page 2 was blank). Page number 5 (005.png) corresponds with page 7 of the printed book (page 6 was blank), and all following pages are numbered accordingly, even the blank pages, with the exception of the blank one- and two-but-last pages of the printed book.The author/typesetter liberally used long dashes either filled out to the end of the line, or starting on the next line where they stopped on the previous one. I have not followed this formatting practice for the eBook, but elected instead to retain the exact number of dashes from the printed book.