Latere droogmakingen.

Het is echter niet zeker, zelfs niet waarschijnlijk, dat ieder jaar voor de geheele vereischte uitgaaf geleend zal moeten worden, want de uitkomsten van een dienstjaar zijn dikwijls gunstiger dan zij zich bij het opmaken der begrootingen lieten aanzien, zoodat posten, die men onder de buitengewone had gerangschikt, uit de gewone middelen bestreden werden. Afgescheiden hiervan kan de toestand der kas zoodanig zijn, dat het sluiten eener leening, zelfs tijdelijke kasversterking, uitstel gedoogt. De hierboven genoemde termijn van 60 jaren is derhalve eenmaximum;hij kan aanmerkelijk worden bekort. Dit alleen staat vast: wil het werk op financieel gezonde grondslagen worden ondernomen, dan zullen gewone middelen tot een bedrag van ƒ2000000 daarvoor beschikbaar moeten zijn, en wel gedurende een groot getal jaren, dat intusschen het cijfer van 60 niet overschrijden zal.

Het financiëele vraagstuk lost zich derhalve op in eene verhooging van het budget der gewone uitgaven gedurende een vrij langen tijd met ƒ2000000 's jaars. Niet terstond zal die verhooging ontstaan. Heeft de wet hetStaatsbladbereikt, dan kunnen de werken niet onverwijld worden ondernomen, daar nog veel voorbereidende arbeid, ook onteigeningswetten, noodig zullen zijn. Vóór het derde jaar na de totstandkoming der wet zal geen belangrijke post op hoofdstuk IX der Staatsbegrooting gebracht worden. Maar dàn moeten de ƒ2000000 beschikbaar zijn, desvereischt door versterking der inkomsten.

Desvereischt, en na de mededeelingen van den Minister van Financiën in zijne rede van 20 September ll. bij de aanbieding der Staatsbegrooting voor 1901 gedaan, kan bezwaarlijk worden voorgespiegeld, dat de hierbedoelde noodzakelijkheid achterwege zal blijven. Doch al mocht dit niet door een gunstigen samenloop van omstandigheden gebeuren, zoodat over enkele jaren de inkomsten opnieuw versterkt moesten worden, dan zouden de ondergeteekenden dezen prijs niet te hoog achten voor hetgeen daardoor verkregen werd. Zwaarder en pijnlijker offers zijn door volken gebracht om hun grondgebied uit te breiden. Voor die ƒ2000000 op te brengen gedurende een tijdperk vanten hoogste60 jaren, zou men de mogelijkheid verkrijgen om, zonder verdere lasten op te leggen aan de burgerij, van lieverlede eene geheele provincie toe te voegen aan ons land.

Dit laatste moet nog in bijzonderheden worden toegelicht. Door de droogmaking van het tweetal thans daarvoor te bestemmen gedeelten, zal, na aftrek van den voor wegen, dijken en watergangen in te nemen grond, 46500 H.A. vruchtbaar land worden aangewonnen.

Trekt men hiervan nog, zooals door de Staatscommissie is gedaan, af 1% van de oppervlakte, te reserveeren voor de uitbreiding van de nieuw te stichten gemeenten, en aan deze kosteloos af te staan, dan blijft er over aan vruchtbaarverkoopbaarland:

Deze grond kan, naar gelang van de vordering der droogmaking, in gedeelten worden uitgegeven.

Het is wenschelijk, dat die uitgifte eerst plaats heeft na verloop van drie jaren na de droogvalling van den grond, gedurende welke jaren de bebouwing dan voor rekening van den Staat kan geschieden.

In verband hiermede en met de grootte van de afdeelingen, waarin de polders naar hunne hoogteligging verdeeld worden, zouden dan, te beginnen met het 14dejaar, jaarlijks ongeveer 5800 H.A. kunnen worden uitgegeven, zoodat de laatste uitgifte in het 21stejaar plaats heeft.

Zonder dat hier behoeft te worden uitgemaakt op welke wijze de grond zal worden uitgegeven, mag toch wel worden aangenomen, dat in deverkoopwaardedaarvan de voor droogmaking uitgegeven gelden zullen worden teruggevonden.

Dat bij uitvoering van dit beperkte plan jaarlijks nog geen 6000 H.A., en in het geheel slechts 46000 H.A., aan de markt zullen worden gebracht, en dat nog wel van den meest gunstig gelegen grond, zal er zeker toe bijdragen om de vrees voor neerdrukking van de koop- of pachtprijzen weg te nemen.

De Staatscommissie noemde in haar rapport voor de vermoedelijke verkoopwaarde van den grond geen cijfer, al werd door haar eene berekening gegeven van denkostenden prijsvan den grond in verschillende onderstellingen, een prijs waaraan de verkoopwaarde van den grond dus gelijk zou moeten zijn, opdat de kosten der onderneming gedekt kunnen worden geacht. De kostende prijs zou, bij voorafgaande afsluiting, waarvan de kosten over de vier inpolderingen worden omgeslagen, volgens de Staatscommissie zijn: gemiddeld ƒ982 der H.A. indien geen rente in rekening wordt gebracht, en ƒ1350 per H.A. met bijrekening van eenvoudige rente.

Een beter uitgangspunt geeft de waarschijnlijkeopbrengstvan de nieuwe gronden.

De Staatscommissie meende die opbrengst (pachtwaarde) op ƒ60per H.A. te mogen ramen, na aftrek van de dijks- en polderlasten, en wel op grond van de cijfers, welke door de commissie van schatters voor de herziening der belastbare opbrengst van de ongebouwde eigendommen zijn gegeven.

Dat die raming niet bijzonder hoog is, bewijzen de pachten van ƒ90 à ƒ120 per H.A., die heden ten dage worden besteed in de IJpolders, waarmede een groot deel der gronden in de nieuwe polders het best zullen zijn te vergelijken.

Een pachtwaarde nu van ƒ60 per H.A. vertegenwoordigt voor de 46000 H.A. van de Wieringer- en Hoornsche polders een jaarlijksche opbrengst van ƒ2760000.

De totale kosten van het beperkte droogmakingsplan, zonder de afsluiting en de bijkomende werken, zullen volgens de hierboven gegeven raming, bedragen ongeveer38 millioen gulden, welke kosten tot 48,5 millioen, overeenkomende met eenen jaarlijkschen rentelast van ƒ1700000 bij een rentevoet van 3½ pct. zullen stijgen, indien rente op rente in rekening worden gebracht en ondersteld wordt dat voor elk der beide polders alle gronden drie jaar na de droogmaking in gebruik zijn gegeven.

De jaarlijksche opbrengst zal dus den jaarlijkschen rentelast volgens deze rekening met ruim 1 millioen gulden kunnen overtreffen, waaruit genoegzaam blijkt, dat die droogmakingen na de afsluiting als winstgevende ondernemingen beschouwd kunnen worden.

De ondergeteekenden aarzelen dan ook niet, als hunne overtuiging uit te spreken, dat de uitvoering van het in dit wetsontwerp neergelegde plan zonder gevaar voor 's lands geldmiddelen kan worden ondernomen.

Wellicht zal hier de opmerking worden gemaakt, dat, terwijl de Staat alle uitgaven draagt, de voordeelen van de afsluiting voor het grootste deel zullen worden genoten door de om de Zuiderzee gelegen landstreken.

Dit is volkomen waar. Alleen de besparing op het onderhoud van de Rijks zee- en havenwerken en op de kosten der bemaling van het Noordzeekanaal komt rechtstreeks aan de Staatskas ten goede.

Overigens komen de voordeelen voor de scheepvaart en voor het landverkeer grootendeels, en komt de besparing op het onderhoud der zeeweringen en op de kosten der waterloozing geheelten voordeele van de inwoners der omliggende provinciën en waterschappen, terwijl de betere waterverversching van Friesland en Noordholland in de eerste plaats ten goede komt aan de bezitters en bewoners der in die gewesten gelegen landerijen.

Deze overweging mag echter, naar de overtuiging van de ondergeteekenden, niet gelden waar het betreft de economische waarde te bepalen van een werk van openbaar nut als dit.

Ook bij andere groote openbare werken is dit niet geschied.

Of vloeiden de voordeelen van de verbetering van den Rotterdamschen waterweg, van den aanleg van het Merwedekanaal en van zoo menig ander kostbaar op Rijkskosten uitgevoerd werk rechtstreeks in de Staatskas of kwamen deze gelijkelijk aan alle ingezetenen van Nederland ten goede?

Naar de meening van de ondergeteekenden rechtvaardigen de groote belangen, die voor niet minder dan vijf provinciën aan de afsluiting der Zuiderzee zijn verbonden, ten volle dat de kosten van dit werk geheel door den Staat worden gedragen, en dit des te meer waar een aanzienlijk deel van die kosten door de droogmaking rechtstreeks in de Staatskas zal terugvloeien. Van het vorderen eener bijdrage in de kosten van de betrokken belanghebbenden moet dan ook ditmaal worden afgezien, te meer daar het bedrag dier bijdrage niet in billijkheid zou kunnen worden vastgesteld voordat de rekening van de droogmaking geheel was afgesloten.

Na uitvoering van de afsluiting en de droogmaking der beide westelijke polders, waarop het wetsontwerp betrekking heeft, is het te verwachten dat de droogmaking van de beide andere polders of van andere deelen van het IJsselmeer zal worden ter hand genomen, hetzij door dit geslacht, hetzij door een volgend.

De thans voorgestelde afsluiting van de Zuiderzee zal aan die latere droogmaking evenzeer ten goede komen als zij het doet aan die van de beide westelijke polders.

De droogmaking zonder voorafgaande afsluiting werd door de Staatscommissie geraamd:

De droogmaking bij voorafgaande afsluiting werd geraamd:

Het verschil bedraagt ruim41 millioen gulden, welk bedrag door de voorafgaande afsluiting op de kosten van droogmaking der beide oostelijke polders wordt bespaard.

Hier is het de plaats om de vraag te stellen, die reeds door de Staatscommissie bij de beschouwing van het volledige plan van droogmaking is gesteld en beantwoord, en die bij dit beperkte plan nog meer op den voorgrond komt: Is het wel wenschelijk de Zuiderzee eerst af te sluiten alvorens tot droogmaking over te gaan?

Het is toch niet te ontkennen dat de afsluiting, die met de daaraan onvermijdelijk verbonden uitgaven voor visscherij-, afwaterings-, scheepvaart- en defensiebelangen, een bedrag van 57 millioen gulden vordert, voordat nog een hectare grond is drooggemaakt, de kosten van het geheele werk zeer hoog opvoert.

Waar nu niet, zooals de Staatscommissie voorstelde, aan de afsluiting terstond de droogmaking van ruim 194000 H.A., doch zooals dit voorstel luidt de droogmaking van slechts 46500 H.A. vruchtbaar land wordt verbonden, klemt dit bezwaar te sterker.

Is nu een dergelijke werkwijze, zoo zal worden gevraagd, wel met een goed financieel beleid overeen te brengen, en ligt het niet veel meer voor de hand om onmiddellijk met het maken van een der beide inpolderingen te beginnen, en dan, wanneer de daarmede te verkrijgen uitkomsten zulks wettigen, ook den tweeden, en desverkiezende later ook den derden en den vierden polder droog te maken?

Om die vraag goed te beantwoorden, moet het oog gevestigd worden op de voordeelen die de afsluiting biedt, zoowel op zichzelf voor de omringende landstreek als voor de drooggemaakte polders.

De eerstbedoelde voordeelen zijn in het vorenstaande uitvoerig behandeld.

Er blijft dus over na te gaan welke de voordeelen zijn van de afsluiting voor de inpolderingen.

Vooreerst kunnen in de afgesloten Zuiderzee de dijken van de nieuwe polders goedkooper worden gemaakt; zij behoeven dan slechts eene waterkeering te vormen tegen de hoogste waterstanden die op het afgesloten IJsselmeer te wachten zijn, en kunnen dus aanmerkelijk lager blijven en op eenvoudiger en goedkooper wijze worden samengesteld dan wanneer zij in de open Zuiderzee moesten worden aangelegd en de hoogste stormvloeden moesten keeren. Ook het onderhoud van deze dijken zal belangrijk minder kosten.

Ten andere zal de bemaling van de inpolderingen bij voorafgaande afsluiting in gunstiger conditie verkeeren. Indien toch de stoomgemalen op de open Zuiderzee uitslaan zal in den regel tot een hooger peil moeten worden opgemalen dan wanneer op het afgesloten IJsselmeer kan worden uitgeslagen.

De Staatscommissie berekende de kosten van droogmaking zonder voorafgaande afsluiting:

en de kosten van de droogmaking met afsluiting:

Het verschil, dus de besparing op de kosten van droogmaking, is ruim23 millioen gulden.

Dit bedrag klimt tot ruim64 millioenindien daarbij wordt gevoegd de besparing, ad ruim 41 millioen, die op de kosten van droogmaking der beide oostelijke inpolderingen door de voorafgaande afsluiting wordt verkregen.

Daarbij komt dan nog de door de afsluiting te verkrijgen besparing op de onderhoudskosten van de polderdijken en op de kosten van bemaling der inpolderingen, welke besparing merkbaar zal zijn aan het lagere bedrag der polderlasten.

Maar niet overwegingen van bloot financiëelen aard moeten, naar de Regeering meent, den doorslag geven bij de keus tusschen droogmaking met en zonder afsluiting.

Er zijn redenen van anderen aard die, ook afgezien van het geldelijk voordeel, beslist de voorkeur moeten doen geven aan het plan tot droogmaking met voorafgaande afsluiting.

Daar zijn vooreerst de bezwaren, die voor de militaire verdediging des lands verbonden zijn aan het maken van de inpolderingen wanneer de Zuiderzee niet wordt afgesloten, en die er zelfs waarschijnlijk toe zouden moeten leiden om van de landaanwinning, althans voor zooveel de beide oostelijke polders betreft, af te zien.

Vervolgens moet in het oog worden gehouden dat deveiligheidvan de nieuwe inpolderingen veel beter is gewaarborgdmetdanzonderafsluitdijk.

Met afsluitdijk toch zullen de nieuwe polders achter meerdijken komen te liggen die ten opzichte van de zee slaperdijken zijn. Zelfs in het bijna ondenkbare geval van een doorbraak in den afsluitdijk tijdens stormvloed, zou wel de waterstand van het IJsselmeer belangrijk rijzen, doch waarschijnlijk niet in die mate dat de meerdijken van de polders, die eene minste hoogte van 2.50 M. + N. A. P. bekomen, zouden overloopen. Zonder afsluitdijk daarentegen zullen de nieuwe polders onmiddellijk zijn gelegen achterzeedijken, die bij stormvloeden een groot waterverschil zullen moeten keeren.

De vraag mag dan ook wel worden gesteld of de bevolking van een dergelijken polder zich voldoendeveiligzou gevoelen, en of niet de meerdere risico, waaraan de gebruikers van den grond zouden zijn blootgesteld, in een lagere pacht- of verkoopwaarde van de gronden zou worden teruggevonden.

Op deze plaats moet er op worden gewezen, dat door aan de droogmaking van verschillende gedeelten van de Zuiderzee de afsluiting van den waterplas te doen voorafgaan, niet anders gehandeld wordt dan door het voorgeslacht steeds is gedaan.

Nimmer toch is een deel van den diepen zeebodem drooggelegd dat onmiddellijk aan de open zee grensde. Of zouden in de 17deeeuw de Beemster, de Purmer, de Schermer, de Wormer, die alle toch vroeger in open gemeenschap hebben gestaan met de Zuiderzee, zijn drooggemaakt, indien niet in vorige eeuwen de wateren van Hollands Noorderkwartier van de zee waren gescheiden door de dijken, die aan de plaatsen Monnikendam, Edam, Zaandam, Schardam, enz. hun naam hebben gegeven?

Zou de Haarlemmermeer zijn drooggemaakt indien niet in vroegere eeuwen zijne wateren te Spaarndam en Halfweg van die van het open IJ waren afgescheiden geworden, en zou men zonder de afsluiting te Schellingwoude de IJpolders hebben drooggelegd en deze hebben blootgesteld aan de door stormvloeden in de Zuiderzee opgezette wateren van het open IJ?

Men wijze hierbij niet op de bedijking van de Zijpe in 1597 en van den Wieringerwaard in 1608, en op die van den Waard- en Groetpolder in 1843 en van den Anna Paulownapolder in de jaren 1845-1847. Deze polders kunnen toch niet vergeleken worden met de diepgelegen droogmakerijen waarvan hier sprake is; het zijn gedeeltelijk bedijkte schorgronden, die wat hun aard betreft meer overeenkomen met de Friesche en Groninger Wadpolders en met de bedijkingen in Zeeland en Zuidholland.

De vraag moet ten slotte nog worden beantwoord, of er voor den Staatvoldoende redenbestaat omthanstot de uitvoering van het groote werk te besluiten.

Dat ook bij de uitvoering van het thans voorgestelde beperkte plan een belangrijk deel van de uitgaven door de opbrengst van de drooggemaakte gronden kan worden gedekt en hetgeen nog ontbreekt ruimschoots wordt opgewogen door de voordeelen van de afsluiting, dat bij uitvoering van het volledige ontwerp der Staatscommissie de opbrengst der droogmaking de gezamenlijke uitgaaf kan overtreffen, en het werk dus een directe bate aan de Staatskas kan opleveren, mag op zichzelf nog niet alleen de drijfveer zijn om het werk te beginnen. Immers het ligt niet op den weg van den Staat om een werk als dit uit eenbloot speculatief oogpunt te ondernemen. Hoofddoel moet zijn het vermeerderen van de algemeene welvaart, door het scheppen van een beteren waterstaatstoestand in een belangrijk deel des lands, door de vergrooting van den vaderlandschen bodem met eene aanzienlijke uitgestrektheid vruchtbaar land, en door het openen van een uitgebreid arbeidsveld voor Nederlandsche nijverheid en werkkracht.

Wat nu het eerste betreft, de verbetering die voor de omliggende provinciën zal worden verkregen ten aanzien van veiligheid tegen de zee, waterloozing, waterverversching en verkeer is in het bovenstaande genoegzaam duidelijk aangewezen.

En wat de droogmaking betreft, al wordt bij uitvoering van dit wetsvoorstel slechts een aanwinst verkregen van ruim 46000 hectaren, dat is nog geen vierde gedeelte van de oppervlakte die bij uitvoering van het voorstel der Staatscommissie zou worden drooggelegd, ook deze aanwinst van grondgebied, ter grootte van ongeveer twee en een half maal de oppervlakte van den Haarlemmermeerpolder, is waarlijk belangrijk genoeg om daarop de beschouwingen toe te passen, die in het verslag der Staatscommissie, zoomede in de studie van de heerenvan der Houven van OordtenVissering, worden aangetroffen ter aanbeveling van het grootere droogmakings-ontwerp der Zuiderzeevereeniging, en waarheen de ondergeteekenden verder ten aanzien van dit onderwerp meenen te kunnen verwijzen.

De Regeering stelt zich voor, dat bij de uitvoering van de in deze wet genoemde werken in hoofdzaak zullen gevolgd worden de daarvoor in het verslag der Staatscommissie aangegeven plannen, behoudens de wijzigingen die, ook in verband met de adviezen der in artikel 3 bedoelde commissie, gedurende de voorbereiding en uitvoering noodig zullen blijken. Voor eene uitvoerige beschrijving der ontworpen werken, waarvan in het onderstaande een overzicht wordt gegeven, zij daarom verwezen naar het Verslag der Staatscommissie.

Met de afsluiting der Zuiderzee over Wieringen moet worden begonnen.

Daartoe moet een dijk worden gelegd van de Noordhollandsche kust bij de van Ewijcksluis tot Wieringen en een dijk van Wieringen naar de Friesche kust bij Piaam.

De gezamelijke lengte dezer dijken is ongeveer 29,3 K.M.

De afsluitdijk zal eene gemiddelde kruinshoogte van 5,40 M. + N.A.P. verkrijgen, oploopende van 5,20 M. aan de westzijde tot 5,60 M. aan de oostzijde, en eene kruinsbreedte van 2 M.

De 17 M. breede binnenberm biedt gelegenheid aan tot aanleg van een kunstweg voor gewoon verkeer benevens een spoorweg met dubbel spoor, tusschen Noordholland en Friesland.

Voor de uitwaterings- en scheepvaartsluizen in de afsluiting is geen betere plaats aan te wijzen dan de oostpunt van Wieringen bij het dorp Den Oever, tegen welke plaats ook ten aanzien van de belangen der militaire verdediging geen bedenking bestaat.

De uitwateringssluizen, met eene gezamenlijke wijdte van 300 M., zullen worden aangelegd in vijf groepen, elk van zes sluizen. Elke sluis verkrijgt eene wijdte van 10 M. en eene slagdorpeldiepte van 4,40 M. - N.A.P.

Naast deze sluizen worden twee schutsluizen gebouwd, waarvan één wijd 10 M. en de tweede, in het bijzonder voor visschersschepen bestemd, wijd 6 M. De sluizen zijn door buiten- en binnen-toeleidingskanalen in verbinding te brengen met de open zee en met het IJsselmeer.

Voor het IJsselmeer is een peil aan te nemen van 0,40 M. - N.A.P., dat bij droogte des zomers, in verband met de meerdere behoefte tot waterinlating van de aan het IJsselmeer gelegen provinciën, tijdelijk is te verhoogen tot ongeveer 0,20 M. - N.A.P.

Om boven aangegeven redenen wordt in dit wetsontwerp voorgesteld het droogmaken van twee der vier door de Staatscommissie aangegeven inpolderingen.

De kruinshoogte van de dijken dezer droogmakerijen zal zijn 2,50 M. boven N.A.P.

Wegens het belangrijk verschil in hoogte van den bodem, is het wenschelijk elke droogmakerij in verschillende afdeelingen te verdeelen en deze afzonderlijk te bemalen. Met het oog op de hoogteligging van den bodem is eene verdeeling van den Wieringerpolder in vier en van den Hoornschen polder in drie afdeelingen doelmatig te achten.

De vaarten der verschillende polderafdeelingen zijn door schutsluizen met elkander in verbinding te brengen.

Van veel belang is eene krachtige en diepgaande bemaling voor de droogmakerijen, ook met het oog op eene spoedige ontzilting van den drooggelegden grond. Tot voorkoming van teleurstelling is voor den bodem op eene inklinking van 1 M. te rekenen, en het toekomstige polderpeil voor elke polderafdeeling aan te nemen op 1 M. beneden de laagste gedeelten van het maaiveld, na de inklinking. Het polderpeil wordt dus op die wijze aangenomen ter diepte van 2 M. onder de laagste gedeelten van den bodem van elke polderafdeeling, zooals deze zich vertoont onmiddellijk na de droogmaking.

Voor de bemaling van de beide polders zijn in het geheel acht stoomgemalen ontworpen, met een gezamenlijk vermogen van 4330 paardekrachten, de reserve inbegrepen.

De drooggelegde grond dient zoodanig te worden verkaveld, dat op ruime schaal wordt voorzien in de eischen van afwatering en tevens zooveel mogelijk in alle richtingen gelegenheid aanwezig is tot aan- en afvoer te land en te water van landbouwbenoodigdheden en producten.

Aan deze eischen wordt in ruime mate voldaan door het plan van verkaveling dat door de Staatscommissie is opgemaakt, volgens welk plan kavels zullen worden gevormd van 1000 M. lengte bij 200 M. breedte, alzoo groot 20 H.A., door eene hein- of tusschensloot verdeeld in twee helften van 100 M. breedte en door drie dwarsslooten in vier gelijke deelen van 250 M. lengte. De kavels worden aan de beide lange zijden begrensd door twee slooten, aan één der korte zijden door een hoofdweg en aan de andere korte zijde door een hoofdtocht. Hoofdwegen en hoofdtochten doorsnijden op die wijze de polders haaks op de richting der kavelslooten voor ieder hunner op onderlinge afstanden van 2000 M.

In het verslag der Staatscommissie alsmede in de studie van de heerenvan der Houven van OordtenVisseringkomen uitvoerige beschouwingen voor omtrent de wijze van uitgifte der drooggemaakte gronden.

De ondergeteekenden stellen zich voor om, geleid door het nadere advies, dat hieromtrent van de in art. 3 bedoelde Staatscommissie wordt verwacht, de uitgifte in het algemeen in den geest van de bedoelde beschouwingen te doen plaats vinden.

Met betrekking tot de gevolgen van de droogmaking uit hygiënisch oogpunt is op grond van de door de Staatscommissie daaromtrent geleverde beschouwingen, het volgende op te merken:

Gedurende de droogmaking zal de droogvallende, moerasachtige bodem aanleiding kunnen geven tot de ontwikkeling van malaria-ziekten. Hetzelfde zal het geval zijn in de eerste jaren na de droogmaking, gedurende het verkavelen en zwart maken van den grond. Het met deze werkzaamheden belaste werkvolk staat aan malaria-invloed bloot.

De wijze, waarop het werk wordt uitgevoerd, zal echter van grooten invloed zijn op de hygiënische toestanden waaronder het werkvolk verkeert. Door de droogmaking te bewerkstelligen van achtereenvolgende, niet te groote oppervlakten en de drasperiode daarvan zooveel mogelijk te beperken, verder door het waterpeil zoo snel mogelijk te doen dalen en zooveel doenlijk op konstante hoogte te houden, heeft men het in handen de malaria-periode te verkorten. Bovendien is men heden ten dage tegenover malaria, zoowel preventief als curatief, beter geneeskundig gewapend dan vroeger.

De waarschijnlijkheid, dat malaria-ziekten zich op eenigszins aanzienlijken afstand van de broedplaatsen zouden uitbreiden, is uiterst gering. De mogelijkheid van door malaria te worden aangetast zal beperkt blijven tot de drooggemaakte polders zelf en de naaste omgeving langs de Zuiderzeeoevers. Is echter de schadelijke periode voorbij, dan mag de toestand der oeverlandenbeschouwd worden als hoogst waarschijnlijk hygiënisch gunstiger dan thans.

De vraag kan gesteld worden of de overgang van zout- tot zoetwater geen schadelijke gevolgen zal hebben voor de oeverbewoners.

De ervaring leert toch in het algemeen, dat lagere organismen niet blijven bestaan wanneer zij van zout- in zoetwater worden overgebracht. Het afsterven van zulke organismen op groote schaal zou leiden tot rotting en derhalve tot vorming van stinkende producten, vooral dan, als het water stil staat en hoogere temperatuur de rottingsprocessen begunstigt.

Gaat men echter na, hoe thans de toestand is van de Zuiderzee, dan staat vast dat daarin zoowel in zoet- als in brak- of zoutwater levende lagere organismen verblijven. Immers nabij den IJssel komen plaatsen voor, waar het water slechts weinig van zoetwater verschilt en terwijl in eene breede strook langs de Utrechtsche, Geldersche, Overijsselsche en Friesche kust tot nabij Stavoren het soortelijk gewicht minder is dan 1,008, verschilt het in het Noordelijk gedeelte niet veel van dat van zeewater. De lagere organismen in de Zuiderzee moeten zich dus reeds hebben gescheiden in die, welke enkel in zoet-, enkel in brak- of enkel in zoutwater kunnen gedijen, terwijl sommige hunner het zoover moeten gebracht hebben, dat zij minder gevoelig zijn voor wisselingen in het zoutgehalte van de hen omgevende middenstof.

Waarschijnlijk mag men het derhalve achten, dat de Zuiderzee voorwaarden levert om aan lagere organismen gelegenheid te geven, geleidelijk hun woongebied te verplaatsen naar mate het minder zoute water het terrein van brak-of zoutwater verovert.

a.de waterkeering.

Het ligt in de bedoeling, den Frieschen zeedijk bij den afsluitdijk te verhoogen tot het peil, waarop de kruin van den afsluitdijk zal komen te liggen, en die verhooging noordwaarts geleidelijk te niet te doen loopen bij Zurig. Voor deze verhoogingkan ten deele worden gebruik gemaakt van den uit de ontgraving voor het kanaal Harlingen–Piaam voortkomenden grond.

Evenzoo is eene verhooging van den Balgdijk in Noordholland, beginnende bij den afsluitdijk en noordwaarts te niet loopende, ontworpen.

b.de afwatering.

Zooals in het bovenstaande reeds werd opgemerkt, worden in verband met de afsluiting geen andere werken tot voorziening in de belangen der afwatering vereischt, dan de uitwateringssluizen op Wieringen, die in het plan van de afsluiting zijn opgenomen.

c.de scheepvaart.

Het kanaal Harlingen–Piaam dient zoo dicht mogelijk bij Harlingen uit te monden in het kanaal van Koetille naar Harlingen, en kan voor een groot gedeelte worden gevormd door verruiming van de bestaande dijkvaart. De bodem moet eene breedte van 20 M. bij eene diepte van 2.40 M. onder Friesch zomerpeil verkrijgen, terwijl voor de onteigening is te rekenen op eene latere verbreeding van het kanaal met 10 M.

Te Piaam is eene schutsluis te bouwen van 8 M. wijdte met 2.50 M. diepte op den slagdrempel en 50 à 60 M. schutlengte.

De verbetering van het Zwolsche diep zal bestaan in het uitbrengen van nieuwe, verder buitenwaarts reikende, leidammen en het baggeren van eene vaargeul van voldoende diepte tusschen die dammen.

De verbetering van de Zuiderzeehavens zal bestaan in het verdiepen van die havens, zoodanig dat daarin onder het peil van het IJsselmeer dezelfde diepte wordt aangetroffen als thans bij dagelijksch hoogwater aanwezig is. Deze verdieping is noodig voor alle havens, daar deze toch zoowel tijdens als ná de afsluiting toegankelijk moeten blijven. Voor die havens, welke niet spoedig na de afsluiting door de droogmaking van de rechtstreeksche gemeenschap met het IJsselmeer afgesloten worden, zal wellicht ook eenige verlenging van de havendammen noodig blijken.

Ter voorziening in de afwaterings- en scheepvaartbelangen van de landstreken, die door de droogmakerijen van het af te sluiten deel der Zuiderzee worden afgesneden, zijn de volgende werken ontworpen:

Voor den Wieringerpolder.

a.Een kanaal van Kolhorn naar Geestmerambachtsluis en van daar tot Medemblik, waar het wordt afgesloten door eene schut- en uitwateringssluis, waarbij een stoomgemaal;

b.een kanaal door den Anna Paulownapolder, van de duikersluis van den Wieringerwaard tot de van Ewijcksvaart, tot afwatering van den boezem van den Wieringerwaard op de van Ewijcksvaart;

c.een kanaal van de van Ewijcksluis langs en door Wieringen tot nabij het dorp den Oever, waar het met eene schut- en uitwateringssluis is af te sluiten. Tijdens den aanleg van dit kanaal kan in de afwatering en scheepvaart door de van Ewijcksluis voorzien worden, door het kanaal langs den Balgdijk tusschen de van Ewijcksvaart en het Noordhollandsch kanaal daarvoor in te richten. Op die wijze wordt eene scheepvaartverbinding binnendoor tusschen het Nieuwediep en het IJsselmeer verkregen, welke ook voor de militaire defensie van belang is.

Elk der onderaencbedoelde kanalen is door een schutsluis in verbinding te brengen met de watergangen in den nieuwen polder.

Voor den Hoornschen polder.

Langs de geheele inpoldering van Blokkershoek tot Monnikendam is een uitwaterings- en scheepvaartkanaal ontworpen, dat te Lutje-Schardam door eene uitwaterings- en schutsluis in twee panden is verdeeld.

Het noordelijk pand komt in den regel gemeen te liggen met het IJsselmeer. Alleen bij buitengewoon hooge of lage waterstanden van het meer moet dit pand kunnen worden afgesloten,waartoe bij Blokkershoek eene uitwaterings- en schutsluis is te bouwen.

Het zuidelijk pand komt in open gemeenschap met den Schermerboezem. Het loost te Monnikendam door een schut- en uitwateringssluis op het IJsselmeer en te Lutje-Schardam op het noordelijk pand.

Het zuidelijk pand is bij Edam en Schardam en het noordelijk pand bij Hoorn door eene schutsluis in verbinding te brengen met de watergangen in den nieuwen polder. Voorts zijn op twee plaatsen schutsluizen ontworpen tot verbinding van den nieuwen polder met het IJsselmeer.

Daar door de verlaging van den waterstand op het zuidelijk deel der Zuiderzee na de afsluiting, de thans reeds ongunstige toestand van den toegang tot de haven van Monnikendam nog zal verergeren, is in het belang der scheepvaart de vaart van Monnikendam naar Ilpendam langs de ringvaart van de Purmer, te verbeteren, en op laatstgenoemd punt door eene schutsluis in verbinding te brengen met het Noordhollandsch Kanaal.

Het ligt in de bedoeling, de in de begrooting opgenomen post van 10 millioen gulden voor voorzieningen in de belangen der defensie te besteden voor de navolgende werken:

1º verdedigingswerken bij de sluizen te Piaam en op Wieringen, derwijze aangelegd, dat het gebruik dezer sluizen aan den vijand wordt ontzegd en aan ons wordt gewaarborgd;

2º. voorzieningen aan de stelling van den Helder of wel tot afsluiting der Vliegaten;

3º. voorzieningen ten behoeve van de inundatiën der stelling van Amsterdam, als:a.het maken van de noodige sluiswijdte te Monnikendam tot aanvoer van inundatiewater;b.verbetering en desgevorderd vermeerdering van waterwegen voor de wegvoering van dat water;c.het maken van een zestal damsluizen in de boezemwateren van Noordholland, ter voorkoming van aftapping van het inundatiewater in de te vormen diepe zuidwestelijke inpoldering;d.de middelen tot het inundeeren van de zuidwestpunt der zuidwestelijke inpoldering;

4º. de noodige forten van Edam tot nabij Monnikendam.

Op de Zuiderzee bestaat eene levendige visscherij, voornamelijk op haring, bot, ansjovis, spiering, aal en garnaal.

Er zijn gemeenten, vanwaar uitsluitend op de Zuiderzee gevischt wordt, andere waarvoor de Zuiderzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar ook gedeeltelijk op de Noordzee gevischt wordt en eindelijk zulke, waarvoor de Noordzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar gedurende een gedeelte van het jaar ook op de Zuiderzee gevischt wordt. Afziende van de laatste, blijven voor de beide eerste categorieën 18 gemeenten over, met eene vloot van meer dan 1500 vaartuigen, bemand met 3000 koppen, waarmede uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee gevischt wordt.

Die opbrengst van de Zuiderzeevisscherij is aan zeer groote wisselvalligheid onderhevig. Voor een ongunstig jaar als 1888 wordt de waarde die de gevangen visch aan de visschers opbrengt, op ruim 1 millioen gulden geschat; gewoonlijk echter is de opbrengst aanzienlijk meer. Eene overvloedige ansjovisvangst kan alleen reeds in een jaar meer dan 1 millioen gulden afwerpen. Dooreen genomen bedraagt de bruto-opbrengst van de Zuiderzeevisscherij waarschijnlijk ongeveer 2 millioen gulden per jaar.

Na de afsluiting zal het gedeelte der Zuiderzee benoorden die afsluiting voor de visscherij, uitgenomen die van schelpdieren, van geen beteekenis zijn, hetgeen mag worden afgeleid uit het feit, dat daar ook thans nagenoeg geen andere visscherij plaats grijpt, en de natuurlijke omstandigheden aldaar door de afsluiting geen beteekenende wijzigingen zullen ondergaan.

Hoewel het zoetwatermeer achter den afsluitdijk en zoetwatervisschen zal kunnen voeden, zoo zal daarin van eene visscherij op dergelijke groote schaal als thans in de Zuiderzee moeilijk sprake kunnen zijn. Afsluiting van de Zuiderzee maakt dus, reeds tijdens den aanleg van den afsluitdijk, aan de visscherij op die zee als groote industrie een einde.

Niet alleen wordt door de afsluiting aan hen, die thans uitsluitend van de Zuiderzeevisscherij leven, het middel van bestaan ontnomen, maar ook hun materieel, dat ongeschikt is voor de Noordzeevisscherij, wordt nagenoeg waardeloos gemaakt. Aan het nadeel dat de afsluiting voor de Zuiderzeevisscherij te weeg zal brengen, behoort dan ook zooveel mogelijk te worden te gemoet gekomen.

Dit zou in de eerste plaats kunnen geschieden door die visschers, welke thans hun bedrijf uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee uitoefenen, op Rijkskosten in het bezit te stellen van vaartuigen, geschikt en uitgerust voor de visscherij op de Noordzee. De Staatscommissie geeft nog andere vormen van schadeloosstelling aan de hand en raamt de kosten, die de voorziening in de visscherijbelangen voor het Rijk zal veroorzaken, op ƒ4500000. Het schijnt der Regeering niet noodig, thans reeds in bijzonderheden vast te stellen, hoe aan het verlies, dat de afsluiting aan de Zuiderzeevisschersbevolking zal berokkenen, zal worden te gemoet gekomen; zulks kan later worden geregeld, nadat daarover het advies van eene deskundige commissie zal zijn ingewonnen. Intusschen is in de begrooting van uitgaven op de door de Staatscommissie noodig geoordeelde tegemoetkoming gerekend.

Het ligt in de bedoeling de uitvoering van de werken, met uitzondering natuurlijk van die ter voorziening in de defensiebelangen, te doen geschieden onder toezicht van de ambtenaren van den Waterstaat.

Dit corps zal daartoe tijdelijk eene uitbreiding moeten ondergaan, daar de gewone dienst zijne eischen blijft doen gelden.

Het is evenwel, met het oog op de velerlei belangen van uiteenloopenden aard, die bij de uitvoering van het geheele werk betrokken zijn, wenschelijk dat er een centraal lichaam besta, dat de achtereenvolgens op te maken ontwerpen aan die verschillende belangen kan toetsen, ten einde die, met het geldelijk belang van den Staat, zooveel mogelijk tot hun recht te doen komen.

De samenstelling van dat centrale lichaam, dat als eene commissiewordt bedoeld, waarin deskundigen op verschillend gebied zitting zullen hebben, zal nader bij Koninklijk besluit zijn te regelen. Ook zal op die wijze voor de commissie een algemeene instructie moeten worden vastgesteld, waarbij nader valt te overwegen of de taak der commissie zal worden beperkt tot het geven van advies aan de Hoofden der betrokken Departementen, dan wel of aan haar ook deel zal worden gegeven aan de onmiddellijke leiding van de voorbereiding en uitvoering der werken, bijv. door haar op te dragen de voorbereiding van overeenkomsten en regelingen, die aan de uitvoering der werken moeten voorafgaan of daaruit moeten voortvloeien, de voorbereiding van de uitgifte der drooggemaakte gronden, en meer andere bemoeiingen.

Eene dergelijke commissie werd ingesteld bij Koninklijk besluit van 22 Mei 1839 om het speciaal beheer en toezicht uit te oefenen over de bedijking en droogmaking van het Haarlemmermeer. Zij bleef tot de voltooiing van het werk in 1852 in functie, al werd hare samenstelling meermalen gewijzigd.

De leden dezer commissie genoten geen bezoldiging. Zij was verplicht alle voordrachten, door haar omtrent de werken te doen, aan het Departement van Binnenlandsche Zaken te doen toekomen, en kon geen werken doen uitvoeren zonder daartoe te zijn gemachtigd.

In het wetsontwerp voor de bedijking en droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee, dat in 1877 werd ingediend, was bepaald dat de uitvoering der werken zou worden opgedragen aan eene door den Koning te benoemen bezoldigde Staatscommissie, wier instructie bij Koninklijk besluit zou worden vastgesteld.

Het volgen van den laatsten weg komt der Regeering minder aanbevelenswaardig voor, daar hierdoor als het ware een college van Staatsambtenaren zou worden in het leven geroepen, onafhankelijk van de betrokken Ministers. Veel meer aanbeveling verdient het, de eenheid tusschen de verschillende werkzaamheden te bevorderen, door de instelling eener centrale commissie, wier taak in de eerste plaats zal zijn der Regeering van advies te dienen, aan welke commissie dan ook een deel der werkzaamheden, de uitvoering betreffende, zal kunnen worden opgedragen, onder de betrokken Ministers evenwel, die voor den gang van zaken verantwoordelijk blijven.

Het komt der Regeering niet wenschelijk voor, in de wet te bepalen of de leden der commissie als zoodanig al dan niet bezoldigd zullen worden; eene beslissing hieromtrent kan bij de instelling der commissie worden genomen.

In deze artikelen zijn bepalingen voorgesteld, geheel overeenstemmende met die, welke bij de wetten van 22 December 1861 (Staatsbladno. 149) en 3 December 1874 (Staatsbladno. 193) werden vastgesteld ten aanzien van het beheer der gelden, bestemd voor den aanleg der Staatsspoorwegen en voor de voltooiing van het vestingstelsel.

Zij brengen mede, dat de voor het werk benoodigde gelden jaarlijks zullen worden aangevraagd, en verzekeren dus, dat de Staten-Generaal ieder jaar gelegenheid zullen hebben om den voortgang van het werk te beoordeelen en alle daarmede verbandhoudende aangelegenheden in gemeen overleg met de Regeering te overwegen. Die bepalingen zullen tevens ten gevolge hebben, dat wat er in eenig jaar van de toegestane sommen ongebruikt mocht blijven, niet in het saldo der algemeene Staatsrekening zal opgaan, maar tot het doel blijft voorbehouden, daar volgens art. 5bhet saldo der rekening van iederen dienst steeds in de rekening der volgende zal overgaan.

De Minister van Waterstaat,Handel en Nijverheid,C. LELY.De Minister van Financiën,PIERSON.De Minister van Oorlog,A. KOOL.De Minister van Binnenlandsche Zaken,H. GOEMAN BORGESIUS.

De Minister van Waterstaat,Handel en Nijverheid,C. LELY.

De Minister van Financiën,PIERSON.

De Minister van Oorlog,A. KOOL.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,H. GOEMAN BORGESIUS.


Back to IndexNext