Chapter 3

Noemen wij nu „alzijdig” (derhalve rechtvaardig) en dus „beslissend in laatste instantie”, „onaanvechtbaar” een meting vanallekulturele krachten (behalve de lichamelike ook de intellektuele, morele, artistieke vermogens) dan heetterechtde bloedige tweestrijd,„das physische Gefecht zwischen Einzelnen”,nicht entscheidend....maar evenmin mag dàn oorlogentscheidendheten, mag men dànKriege „vollgültige Entscheidungen, unanfechtbare Messungen”noemen: te veel kulturele waarden worden daarbij òf toevallig in 't geheel niet òf eenzijdig en verkeerdelik naar een ongepaste, met hun wezen niet strokende maatstaf gemeten.Doch nu tracht die nieuwe term „beslissend” ons te vangen in een misleidende dubbelzinnigheid. Want „alzijdig” en „beslissend in laatste instantie” kan men ook noemen, en noemtSteinmetzook—de strijdmet àlle, ook en inzonderheid de alleruiterste middelen, de strijd, die geen wapen ongebruikt laat, of de strijd, „om het uiterste”, op leven en dood.—Wie àlle middelen, dus ook geweld, bedrog en dergelijke, heeft uitgeput, moet zich wel bij de beslissing neerleggen—indien hij niet reeds is... neergelegd.Maar in deze zin is weer individueel geweld tussen enkelingen op z'n minsteven beslissendals oorlog tussen staten. Een uit de weg geruimd mededinger heeft het definitief afgelegd op elk gebied.De tweeërlei „alzijdigheid” of „beslissendheid”: enerzijdsmeting van àlle krachtenen anderzijdsstrijd met àlle middelen(ook de uiterste van geweld enz.) mag niet verhaspeld; in plaats van één te zijn vormen zij een tegenstelling,—hoe meer en hoe eer het geweld beslist, des te minder meting aller vermogens, zowel bij de statenstrijd als bij de individuele wedijver.Ook verwarre men niet „uiterste krachtsinspanning” met „meting van àlle krachten”, wanneer men verneemt, dat alleen oorlogen laatste beslissingen zijn, waarbij zowel staten als enkelingen „sich beruhigen können, sich beruhigen müssen, weil es nun einmal keine andere, grössere Anstrengung gibt. Es wurden ja alle Kräfte verwendet.”We zijn tans dunkt me voldoende gewapend tegen de aanprijzing van beslissend geweld, van strijd met alle middelen, die ik hier letterlik laat volgen:„Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein Streit, keine MessungallerKräfte, keineäussersteAnstrengung: die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu bezitzen?Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlichalleMittel verwenden”. (Der Krieg,p. 14/5) „Wer diese äussersten Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (Ph. d. Kr.p. 217).Wanneer uit deze redeneringnietvolgt—en het volgt er gelukkig ook voorSteinmetznietuit!—dat enkelingen met àlle geestelike en „fysieke” wapens moeten of mogen konkurreren en vechten, dus als alle andere, „tamme”, middelen faalden tot bloedig geweld, bedreiging, mishandeling, doodslag, of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, roof en derg. hun toevlucht moeten of mogen nemen, daar ze anders niet „overwonnen” zijn, nog niet de „zwakste” zijn gebleken—dan volgtuit deze redeneringdatzelfdeevenminten aanzien van de staten. Wie te veel bewijst, bewijst niets! AldusSteinmetz, die als volgt voortgaat:„Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat, moralisch und geistig, und die [zahmen,Ph. d. Kr.] Hilfsmittel der Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”. (Kriegp. 15.)Ge voelt wel: hier is reeds ondersteld, dat oorlog een geoorloofd middel van wedijver, verrijking of geschilbeslechting is—en over het al of niet toelaatbare van strijd met àlle of zelfs metbepaalde middelen, zo voor enkelingen als staten, kan niet op deze wijze, moet op heel andere gronden worden beslist.Waarom nu mogen enkelingen niet met alle middelen „konkurreren”, niet met alle wapens strijden? Waarom mag de enkeling zijn mededinger niet meer mishandelen, bedriegen, beroven, vermoorden? Soms omdat hij deze bevoegdheid aan de staat heeft overgedragen en deze 't nu voor hem doet?46)Neen, in plaats van zich daartoe te lenen, heeft juist de staat tot taak, tegen al dergelijk strijdbeleid te waken. Is het dan misschien, omdat die uiterste middelen, als de bloedige worsteling op leven en dood, niet afdoende, niet beslissend zouden zijn? Of zijn ze te eenzijdig, te grof, te fysiek? Maar ze kunnen, als oplichting, bedrog en dergelijke,zeer veelzijdig, fijn en „intellektueel” zijn. Dan soms, omdat er offers bij vallen? Neen, die vallen ook in de ekonomiese strijd met oorbare middelen dag in dag uit. Om het „leed” dus al evenmin.Zou het niet zijn, omdat enkelingen onderling rechtens een minimum en zedelik een maximum vanobjektiviteithebben te betrachten, die eens anders „gelijk recht” erkent,—dusrechteneerbiedigt, een „rechtsorde” schept en daarmee voor ieder een zekere sfeer van persoonlike en zakelikeonschendbaarheidverlangt en waarborgt, aan ieder een zekereintegriteitvan zijn lichamelike, geestelike en zedelike vrijheid, van eer en leven en gezondheid, van eigendom en huisvrede verzekert?—Daarom alleen mogen enkelingen niet met alle middelen konkurreren, is moord en mishandeling, dwang, afpersing en afdreiging, roof, inbraak, brandstichting en derg. ook t.a.v. vreemdeling of persoonlike vijand tot ongeoorloofdeschennis van rechtengeworden, waartegen de staat als rechtshandhaver waakt.Waarom nu mogen staten niet met alle middelen „konkurreren”?Vooreerst: omdat ook staten onderling rechtens een minimum en zedelik een maximum van objektiviteit hebben te betrachten, die eens anders „gelijk recht” erkent—dus verworvenrechteneerbiedigt, een internationale „rechtsorde” schept en daarmee voor iedere staat een zekere sfeer vanonschendbaarheidverlangt en waarborgt,integriteitvan grondgebied, onafhankelikheid, „soevereiniteit”—die evenzeer inmenging in binnenlandse aangelegenheden (rechtspraak, wetgeving, administratie) als gewelddadige aanranding van grenzen of domein of ook van vrijheid, leven of bezit der staatsburgers verbiedt als zedelik en volkenrechtelik ongeoorloofdeschennis van rechten.—Daarom alleen reeds mogen staten niet met alle middelen „konkurreren”, niet met het georganiseerd geweld, dat „oorlog” heet, winstbejag zoeken ten koste van anderen, niet dus voor hun burgers elders staatsinbraak of landsvredebreuk plegen („inval” „raid”, „bezetting”) of op roof („verovering”, „annexatie”) en afpersing („requisitie”, „schatting”) uitgaan, of zich aan afdreiging („ultimatum” dat inbreuk op soevereiniteit of op neutraliteit eist) schuldig maken.En vervolgens: is het niet eenabsurdum morale, een zedelike gruwel, wanneer diezelfde staat, die rechtshandhaver, die alle „konkurrentie” van enkelingen met nog zo geringe geweldpleging tegen leven, vrijheid, eigendom verbiedt en wreekt—zelf voor diezelfde enkelingen gaat „konkurreren” met al dat rechtschennendgeweld, ja zelfs hen organiseert en dwingt (desnoods tegen hun geweten in) tot zodanige „wedijver” met behulp van mensenslachting, vrijheidsberoving, brandstichting en vernieling, kortom tot schending en verachting van de hoogste rechtsgoederen?Men voelt wel algemeen, dat het gebruik van zulk soort „uiterste” middelen slechts één rechtvaardiging, één verontschuldiging kent—gelijkelik voor enkeling en staat—:noodofnoodweer, geweld als énig middel van levensredding, rechtshandhaving of rechtsherstel. En hier blijkt nu inderdaad een groot verschil tussen enkeling en staat: terwijl tegen rechtschennis door enkelingen de staat als rechtshandhaver waakt en derhalve gewelddadig verweer slechts in het uiterste geval en tegen „oogenblikkelijke” wederrechtelike aanranding der hoogste rechtsgoederen nodig en geoorloofd zal zijn, ontbreekt vooralsnog een boven alle statenwillekeur verheven bevoegde rechtspraak en rechtsmacht ter handhaving der internationale rechtsorde, zodat de objektiviteit van het volkenrecht, slechts heersend bij de gratie van subjektieve willekeur, geschonden niet alleen maar uitgeschakeld wordt door nagenoeg elk volkenrechtelik onrecht—en vervangen door de rechteloze „natuurtoestand”, waarin gewelddadige zelfverdediging (zgn. „eigenrichting”) niet het uiterste, maar het enig middel is tot rechtshandhaving en rechtsherstel, dus recht bukt en wijkt voor macht. Zo wordt hier alom gewelddadig verweer voorbereid ook tegen het verst verwijderd gevaar—en ontstaat het monstrum van een wederzijdsenoodweer met voorbedachten rade, die op zijn best (d.w.z. bij uitsluiting van elke aggressieve en offensieve, dus wederrechtelike bedoeling) slechts dient tot het scheppen van de te keren nood!Dat is de „gewapende vrede”, voorbereiding en voorwaarde van oorlog, een vrede, wiens paleis slechts deze gevelspreuk verdient:SI VIS BELLUM. PARA PACEM—wilt gij oorlog, wapen u ten vrede!Zonder die geweldplegingsorganisatie, zonder leger en vloot, zou de meeste, de eigenlike, gevaarlike, tot gewelddadig verweer nopende volkenrechtschennis eenvoudig onmogelik zijn—van oorlog als middel tegen dit soort schennis moeten wij zeggen: het middel schept de kwaal.Wie dus volkenrecht wil, moet oorlog, niet slechts als rechtaanrandend middel van rechtsverwerving, maar ook als rechtuitschakelend middel van rechtsbehoudverfoeien; zal volkenrecht gelden, meer zijn dan zoete waan en vrome wens—dan dient schennis voorkomenof berecht, geschil beslecht in plaats van uitgevochten. Voorkoming schijnt hier eer bereikbaar dan berechting: zelfstandige staten zullen zich gemakkeliker tot een rechtsgemeenschap aaneensluiten, waarbinnenmet de militaire grenzen niet slechts oorlogsmogelikheid, maar ook oorlogsbelang verdwenenis (vgk. de Verenigde Staten of Duitsland), dan bij behoud van militaire zelfstandigheid, oorlogsaanleiding en oorlogsbelang hun internationale willekeur onderwerpen aan hoger internationale rechtsoevereiniteit, al laat die hun „soevereiniteit in eigen kring”, hun „eigen-meesterschap” even ongeschonden als bondstaatvorming.Maar wie het volkenrecht voldoende veracht om aan de staat, de rechtshandhaver, zelfs wedstrijd, winstbejag „met alle middelen” ook met het rechtschennend geweld, dat oorlog heet, te vergunnen—met welk recht, op welke grond weigert hij hemoorlog met àlle middelen? Waarom dan de zuivere kollektieve machtmeting bedorven door hinderlike kleingeestige onderscheidinkjes tussen staat en volk, militair en burger, combattant en non-combattant47), al of niet of voorwaardelik kontrabande, al of niet effektieve blokkade, partikulier en gemeente-, dan wel staatseigendom, al of niet „open” steden en waarschuwing bij bombardement, bommen en handgranaten of dum-dums en ontplofbare kogels, „krijgs-list” of „krijgs-streek”, al of niet geven van kwartier en wat dies meer zij? Nog klinkt het in ons na:„Das hiesse ja den Kampf mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine Entscheidung”... „Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlichalleMittel verwenden”...En we herinneren ons: hoe onmenseliker, hoe schrikwekkender de oorlog, des te korter, des te menslievender. Wat moet, wat wil dus zogenaamd „oorlogsrecht”? En wat vermag het? Oorlog trapt op de fijne onderscheidingen tussen verboden en toegelaten onmenselikheid,verscheurt allereerst de papieren muilkorven van recht en traktaat, „declaratie” en „conventie”... dat is zijn recht, zijn „raison”: hij huichelt geen humaniteit of rechtsontzag, die aan zijn doel en wezen vreemd zijn.48)Wie hem wil moet hem nemen zoals hij is, niet zoals brave naiveteit of geveinsdheid hem op papier fatsoenneert. „Oorlogsrecht” strijdt met oorlog's recht. Altans bij beschaafde volken. Want die vechten alleen nog uit nood. En nood breekt wet, jaNot kennt kein Gebot.5. Oorlog als Genotmiddel.Ontzeggen dusrechtszinenzedelik besef—afgezien van alle „medelijden”—aan volk en staat oorlog als wedijver met „àlle”, met de „uiterste” middelen, is oorlog misdadig49), dan zal men vergeefs ons oorlog quauiterste kollektieve krachtsinspanning, diepste kollektiefgevaarenleed, aanprijzen als...hoogste kollektief genotmiddel, als weg tot ondermaanse „zaligheid”.Vergeefs dan houdt men ons voor (bl. 220) „die tiefgehende Bedeutung der Kontrastwirkung für die Steigerung der Lust”: „Um himmelhoch jauchzen zu können, muss man erst zu Tode betrübt gewesen sein”. Vergeefs dan raadt men ons oorlog aan als middel tegen „Lebensüberdruss”, plaatst men ons voor het hedonisties dilemma: vrede—„veiligheid en verveling”, of oorlog—„gevaar en zaligheid”. Vergeefs dan roemt men ons (bl. 210) als heerlike ruil voor „die im Kriege zerschossenen Glieder und die verschwundenen Milliarden” de vreugden van het oorlogspatriottisme als„beglückender Leidenschaft”, „diesem die Millionen beseelenden und beseligenden Gefühle”, ja, noemt het de ergste misdaad, ons leven te beroven van zulk een „üppig springender Glücksquelle”!„Himmelhoch jauchzend—Zum Tode betrübt”...het is de stemmingswisseling der verliefdheid, dieGoethebij monde vanEgmont's Clärchen aldus bezingt—zonder deze climax van het „Freudvoll und leidvoll” al te tragies te bedoelen: het liedje vervolgt en besluit: „Glücklich allein ist die Seele die liebt”—Hier bijSteinmetzdaarentegen wordt het bloedige, tragiese ernst:„Wir verwehren uns gegen das letzte, deshalb wird das erste uns selbstverständlich versagt. Wir ziehen Sicherheit und Langeweile der Gefahr und der Seligkeit vor.Die Richtigkeit dieser Lebenspolitik scheint mir nicht so sehr über jeden Einwurf erhaben, dass man berechtigt wäre, sie auch auf die Völker anzuwenden”.Mij schijnt de juistheid van die andere, ietwat avontuurlike, ik zou haast zeggen hysteriese levenspolitiek, die speelt met dodelik leed en gevaar, een „politiek”, waar niemand leven of geluk van de zijnen of zichzelf aan waagt, niet zó zeer boven alle bedenking verheven, dat men zelfs zuiver hedonisties het recht zou hebben, er volken aan prijs te geven. Hoe troostrijk en verheffend het ook weze voor de verminkten en de achtergebleven weduwen en bruiden, ouders en kinderen der gesneuvelden, dat hun leed en verlies en het lijden en sterven van hun dierbaren tot hoogste genotmiddel dient voor vijand en volksgenoot, ik vrees, dat geen volk, wanneer het zelf de beschikking in handen neemt over oorlog en vrede, verlicht genoeg zal zijn om zijn zonen, goed en bloed te offeren voor de kans op hemelhoog gejuich. Mij dunkt, zelfs voor zuivere, door recht noch plicht geplaagde genotzucht wordt oorlog's korte kontrastzaligheid nog vergald door een hinderlik lijkenluchtje en een wee smaakje naar bloed en tranen.Maar al kon men tegenover het „oneindig” oorlogswee „oneindig” oorlogsgenot stellen, ongerechtvaardigd bleef het oorlogsonrecht. En een mensheid, zó levensarm en geesteloos, dat zij oorlog als levensprikkel zou behoeven of hanteren, deed beter te gronde te gaan, zich dood te vervelen.6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog.Verwerpelik was oorlog als rechtsverloochening, onrecht als aanranding van de grenzen en rechten, de vrijheid en zelfstandigheid van staten en volken. Maar moet niet wiestatenenvolkenwil, oorlog willen, als het enige, wat voldoendeisoleertenbindt? Zonder oorlog geen isolement, dus geen staat—zonder oorlog geen liefde, geen echte innige zelfopofferende gemeenschapsliefde, zonder oorlog„endosmose”, „Atomisirung der Menschen”. Zo luidt het schema—dat voor de werkelikheid weer geen stand houdt.Isolement en liefde—toetsen we beide.„Isolement” was nodig voor het ontstaan der soorten, de term behoort tot de inventaris van het Darwinisme. Een zeker isolement is ongetwijfeld ook voor instandhouding van groepen, van volken vereist, wier rijke verscheidenheid van fijngedifferentieerde kulturen niet zonder grote schade kon worden gemist. Maar voor dit „isolement” der volken, der nationaliteiten zijn niet eens staten, voor het „isolement” van staten geen oorlogen nodig.Steinmetznoemt oorlog een middel, zelfs het enige middel voor staten om „sich gegenseitig abzuschliessen”, om „die Staaten und die Völker einigermaassen zu isoliren”, en doet het dan voorkomen, als ware oorlog, of oorlogsmogelikheid, een soort middel tot wering van immigratie, van vreemdelingen, die zich bij „vollständige internationale Freizügigkeit” overal „einnisten” konden50). Het verband tussen oorlogsmogelikheid en dit soort „isolering” ontgaat mij. Tegen „transfusie” door verhuizing—voor onze kultuurstaten, naar het mij voorkomt, een niet al te dreigend gevaar—waken uitsluitend en afdoende beperkingsbepalingen op de immigratie, voor de rest is ieder tans reeds even vrij om naar een andere staat te verhuizen, als naar een andere provincie. Heel wat meer Ieren trekken naar Amerika dan naar Engeland. Verhuizing naar aangrenzend anderstaats doch gelijktalig gebied kan heel wat makkeliker zijn dan naar afgelegener andertalig eigenstaats gewest. Wat verplaatsing op grote schaal belemmert ook binnenslands of bevordert ook buitenstaats zijn niet militaire grenzen, maar heel andere, voornamelik ekonomiese faktoren en het volksverbindend en volkenscheidend middel bij uitnemendheid, de taal. „Im Princip muss jedes staatlich organisirte Volk das Recht behalten sich auf seinem Territoir abzuschliessen”. Natuurlik. Maar geen volk is zo dwaas, van dit recht gebruik te maken—en elk volk houdt dit recht ook zonder oorlog. Ja, zonder oorlog zou ieder ongewenst „indringer” te weren, „overstroming” niet meer te duchten zijn. Gaan we na, wat isoleert en bindt, dus voor afzonderlik groepsbestaan zorgt, dan moeten we onderscheiden, wat de oorlogsfilosofiemeest dooreenhaspelt: staat en volk. Datstatenvoor onderlinge afscheiding en afzonderlik bestaan geen militaire grenzen, dus oorlog noch oorlogsmogelikheid behoeven, wordt niet alleen reeds door de werkelikheid bewezen (Beieren, Wurtemberg, Pruisen zijn op z'n minst even welgescheiden organismen als de Middel- of Zuid-Amerikaanse Staten) maar ligt ook voor de hand: heel het staatsbestel is afbakening: afzonderlike rechtsbedéling, wetgeving en politiek leven, bestuur en administratie. Van „transfusie” geen sprake... dan alleen juist zover oorlog in 't spel komt.—Hoe staat het nu met devolken? Hier zijn de isoleringsfaktoren van ietwat ander gehalte; maar ook hier komt oorlog, die immers voorSteinmetzeen zeer zeldzame kortstondige uitzonderingstoestand behoort te worden, nauweliks in aanmerking, terwijl oorlogsmogelikheid, dus militaire grensafscheiding, in werkelikheid al weer niet nodig blijkt (waar woedt de nationaliteitenstrijd, het volken-antagonisme feller dan binnen de staat Oostenrijk-Hongarije? De Vlamingen onderscheiden zich van de Walen binnen België, de Ieren van Schotten en Engelsen, hoeveel feller is de tegenstelling tussen Oostpruisiese Polen en Pruisen, dan tussen Duitse en Russiese Polen, hoeveel volken handhaven zich niet in de Nederlandse of eerst in de Engelse kolonies!) en weliswaar strijdige belangetjes, meer van ondergroepen dan van volken schept (havens en riviermonden, kolonies en derg., „imperialisme”), maar in 't niet zinkt, vergeleken bij de diepe, wezenlike, volkenschiftende faktoren:ekonomiese honkvastheidgepaard aantaalverschil(eigentaalse literatuur, pers, onderwijs, kultuur), versterkt dan dikwels nog door ras- en geloofsverschil en statelike of gewestelike gezagsorganisatie (die taalgrenzen weer zoveel scherper helpt afbakenen: plots andere officiële bestuurs- en onderwijstaal enz). De taal is zó belangrijk en overheersend, dat de ethnografiese grenzen en de taalgrenzen overal nagenoeg samenvallen: men kijke b.v. weer naar Oostenrijk Hongarije, met z'n Tsjechen en Magyaren, België met z'n Vlamingen, Rusland met z'n Finnen en z'n Polen, om van z'n tientallen andere welonderscheiden nationaliteiten te zwijgen, Spanje met z'n Basken, Engeland met z'n Ieren enz. enz. Vooral Vlaanderen, met z'n eigen taal, kultuur, kunst, eigen geest en karakter, trots en boven z'n altijd wisselende militaire samenhorigheid (bij Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Nederlanden, België, om 't even) illustreert treffend mijn bedoeling. Eigen taal is eigen volk—trots ras en geloof en staat. Zorgden voor taalafscheiding en taalbehoudniet de genoemde volkenisolerende faktoren buiten oorlog, oorlog zou tegen taal- en volkenmenging niets vermogen, daar oorlog met z'n oppervlakkige telkens wisselende staatsgewijze groepering van vijand en bondgenoot om taal noch volk noch ras zich bekommert—met dezelfde blinde redeloosheid taalbroeders, volksgenoten, stamverwanten tegen elkaar injaagt, waar er maar militaire grenzen zijn (denk aan al de Duitse staatjesoorlogen, laatstelik nog Pruisen en Oostenrijk, aan Middel-Amerika nog altijd, aan Italië en de Verenigde Staten vóór hun éénwording, aan de Polen, die aan weerskanten mee moeten doen in deze krijg), als hij taalstrijd, nationaliteitsverschil, kultuurtegenstellingen zo nodig verdoezelt en verdringt (b.v. tans in Oostenrijk-Hongarije en België).En nu deliefde, die groepen bindt en samenhoudt, gemeenschapszin en samenhorigheid—is daarvoor oorlog nodig? Ja—zo de mens een onsociaal, een niet-maatschappelik wezen ware, dat alleen door kollektieve vijandschap en haat tot de kollektieve solidariteit van het bedreigd groepsegoïsme kon komen! Gelukkig is dit pessimisties schema weer eens in strijd met de werkelikheid, gelukkig zijn er positieve bindende faktoren, ten dele reeds in de vorige alinea aangeduid. Want wat naar buiten isoleert, bindt naar binnen. Laten we de kleinere en kleinste groepen hier buiten beschouwing—de gezinnen met hun weergaloze eenheid en opofferingsgezindheid, de dorpsaanhankelikheid en liefde tot de geboorteplaats, die onuitroeibaar wortelt in de diepten der jeugdindrukken51), de verenigingsbanden, de partijsolidariteit en de geloofsgenootschap—dan is het weer bovenal detaalgemeenschap die gepaard met territoriaal verband en verkeer een volkseenheid schept en onderhoudt boven alle ras- en geloofs- en staatsverdeeldheid, eenheid van letteren, geschiedenis, kunst, kultuur, eenheid van zeden en gewoonten, van volkszang en volksgeest, met echt en diep samenhorigheidsgevoel, innige, vurige volksliefde: zó het Pools, het Hongaars, het Provençaals, het Bretons, het Vlaams, het Fries, het Zigeuners, het Baskies, het Fins.Wanneer dit alles zich kon handhaven zonder oorlogsmogelikheid, of zelfs zonder staatsafscheiding, zou dan de Nederlandse, Franse, Duitse, Noorse taal, kunst, geest, kultuur zonder oorlogsgevaarvervloeien, bij behoud van dezelfde isolerende en bindende faktoren, bovendien nog gesteund door de wetgevende, politieke, rechtsbedélende, staathuishoudkundige, bestuurlike staatsafbakening? Hier als ginds is wedstrijd en tegenstelling, botsing of zelfs verongelijking nodig om de gevoelens fel te doen oplaaien—hier noch ginds zijn voor die strijd de schennende „wapenen der barbaren” vereist. Ja, zou men zonder oorlog niet eer voor te veel dan voor te weinig nationaliteitendom en taalparticularisme moeten vrezen? Zeker, indien daar niet de grote, horizonverruimende, steeds wassende transnationale verbindings- en scheidingsmachten waren: belangen en tegenstellingen, die over alle volks- en staatsgrenzen heen vliegen: ondernemerdom en arbeidersorganisatie (kapitalisme en socialisme), verkeer, krediet, al die internationale verenigingen engeestesstromingen, hygiene, wetenschap, om slechts een paar grepen te doen.—Maar de staat, die niet een taal- of volks-eenheid is, zal hij liefde kunnen wekken zonder oorlog, de Russiese staat, Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland? Het is mogelik, dat een „individu” als de Russiese staat zich niet zonder wapengeweld, zonder oorlog zou kunnen handhaven. Maar dat pleit dunkt mij minder vóór oorlog dan tegen de Russiese staat. Een staat, die alleen door oorlog en vijandschap, door „nood en gevaar” de toewijding en liefde van zijn burgers zou kunnen winnen, zou liefde noch toewijding, laat staan levensopoffering, waard zijn. Moet de Russiese intellektueel, die zijn volk liefheeft, de Russiese staat beminnen, omdat de Russiese bureaukratie, de regering, de tsjinownik een oorlog onderneemt tegen Japan of elders? Voor wie is de tijdelike eenheid, die niet dieper wortelt dan in een negatieve haat- en gevaarsolidariteit, de oorlogsoffers waard? Geen beter toets-steen dan de vrede. Schijn- en dwang-eenheid, tegen vrede niet bestand, verdwijne. Zonder vrijheid geen liefde, ook geen vaderlandsliefde, die naam waardig. Zelfs het oorlogspatriottisme, zover het meer is dan maakwerk en roes, dan massa-psychose, dan blinde kollektieve opwinding van overprikkelde vijandig verhitte gemoederen, zover het elementen van geestdrift, van gemeenschapszin, van liefde inhoudt, geldt niet het abstractum „staat”, maar de konkrete „Heimat”, „huis en hof”, recht, macht, eer van eigen doorleefde kultuur en daardoor op z'n hoogst handhaving of herstel van geschonden recht als zodanig. De oorlogsfilosofie, die slechts oog heeft voor staten als militaire eenheden, kent als vaderlandsliefde slechts liefde jegens de „staat”, met miskenning van heelhet onderscheid ten deze tussen staat en volk. Zo wordt dan de staat verpersoonlikt tot een „individu”, met eigen wil en karakter, die geen „krachtig”,geen „lebenswertes, intensives” leven kan leiden, zonder „gevaar en nood”, zonder „aggressiviteit”, zonder te willen „worstelen” met andere „individuen”, dat wil hier dus zeggen, zonder oorlogs- en roofzucht, het enige, wat hem de „hete liefde” der zijnen kan doen winnen, nodig om dezen uit hun suf, eng egoïsme op te stuwen tot ruim en vurig kollektief leven (196–200). Wie voor de staat zulk soort „leven”, zulk soort „liefde” vindiceert, moet zich wel beklagen, dat er „zu allen Zeiten nur wenige” waren, „von der echten Liebe zum Staate ergriffen” en in staat „wahrhaft staatlich zu denken”.Levens- en liefdesvoorwaarden zijn nu eenmaal voor een staat niet alleen anders dan voor een enkeling52), maar ook anders dan voor een volk. Wat volksliefde, hoofdelement van vaderlandsliefde, werkelik en mogelik maakt zonder oorlog, hebben we reeds gezien. Hoe de staat zich verknochtheid kan en moet verwerven zonder oorlog, door wijsheid en rechtvaardigheid in staatsbestel en staatsbestuur, door opheffing aller bevoorrechting,Steinmetzzelf wijdt daaraan welsprekende ontboezemingen.53)Onderscheiden we dus liefde voor volk en staat—ongetwijfeld kan niet slechts het een ten koste van het ander, maar kunnen ook beide door oorlog intenser worden. Intenser, maar niet zuiverder. En als ideaal beschouwen wij niet „die höchste Steigerung des menschlichen Lebens” (199) door de felste, de sterkste, de heftigste, maar door de zuiverste, de edelste en hoogste gevoelens.Tegenover het eng persoonlik egoïsme laatSteinmetzslechts de keus: òf de echte levende werkelikheid van „vaderlandsliefde”, dus staat en oorlog, òf de dode schijn van „mensheidsliefde”, meest niets meer dan een „onbeschaamde frase”. Doch we behoeven en begeren tegen het egoïsme noch een onwezenlik, bloedeloos humanisme noch een bloedig en bloeddorstig nationalisme. We hebben beters. Het is waar, de „mensheid” laat de meesten van ons nog tamelik koud; voor het wel en wee van wildvreemden (ook al zijn het kultuur-, volks- of zelfs stadgenoten) zijn we gematigd onverschillig, lezen we van verongelijking of mishandeling, dan zijn we nog het eerst vatbaar voor een niet onverdeeld onaangenaam gevoel van verontwaardiging en meewarigheid, al blijft dit meest slapper, dan bij de waargenomen marteling van een dier. Maar anderzijds is „vaderlandsliefde” een vlag, die lading dekt van zeer verschillend allooi. Hoe velerlei patriottismen zijn er niet, beminnelik en onschuldig of groots en diep of hatelik en gevaarlik—schoolpatriottisme, societeits-, ambtenaars, officiers-, politiek (soms feodaal, soms revolutionair), commercieel-industrieel, dynastiek-imperialisties, kunstzinnig kultureel, grens- en ballingschaps-patriottisme. Meest is het een mengsel van allerlei gevoelens, hoog en laag. Van biezondere belangzucht afgezien, bovenal een soort dankbaarheid, inzonderheid voor zoete jeugdherinnering, die het diepst ontroert. Wie zijn jeugd moet vloeken zegent niet licht zijn vaderland. Maar alle patriottisme zal, trots zijn principiële begrensdheid, zo men wil bekrompenheid, te zuiverder en edeler zijn, naarmate het minder negatief, dus minder onverdraagzaam, laatdunkend, ijdel en heerszuchtig is—bijgevolg in de dubbele zin van de woorden minder „offensief”, minder „terugstotend” optreedt—en meer positieve elementen van liefde, gemeenschapszin, geestdrift voor geestelike waarden bevat.Steinmetzzelf prijst vaderlandsliefde als „die hohe, selbstverständlich echte, tiefernste Begeisterung für ein grosses Ganze”. De „hoogheid” echter van die geestdrift hangt niet af van de kwantitatieve grootte van het geheel, waarvan men toevallig deeluitmaakt, maar van de kwalitatieve grootheid van haar grond, doel en ideaal. Zo is gemeenschap van hoge overtuigingen en idealen, zuiveregeestverwantschaphet beste, wat ooit vaderlandsliefde inhoudt. Maar zulke geestverwantschap gaat bovendien alle nationale beperktheid te boven, gaat hoog uit boven alle nationalisme zowel als boven alle kleurloos humanisme. Het is de menselikste, menswaardigste verwinning van het egoïsme—de innigste, diepste verknochtheid, die alle vriendschap en alle liefde, zelfs tussen man en vrouw, eerst adelt, die meer is, vrijer, bezonnener, redeliker, dan bloed- en stam- en ras- en taal-verwantschap, en over alle eeuwen en alle landen en alle scheidsmuren heenreikt, die met haar geestesstrijd de heiligste geestdrift en doodsverachting doet ontbranden en met haar geestesvrijheid neerziet op geweld en oorlog als op een ver verleden van dierlike redeloosheid. O,Steinmetzzelf kent en erkent ze wel,„den hohen Enthusiasmus im Menschen”, „die echte, starke Begeisterung für wirkliche Ideale”, wanneer hij het tegenoverKiddvanzelfsprekend noemt, dat niet alleen de religie hoge, „opferfreudige” geestdrift wekt, en uitroept: „Hat denn nicht jede Überzeugung, jede grosse Liebe ihre Märtyrer gefunden? Besitzen die Besten unserer heutigen Sozialdemokraten und Anarchisten keine tatkräftige Liebe für ihr Ideal? Beruht die russische Reformationsbewegung, soweit sie ihren Ursprung in bewussten absichtlichen Anstrengungen hat, nicht hauptsächlich auf dem herrlichen, rein idealen Streben des besten Teils der russischen Gebildeten?”Ziedaar dan wat groepen bindt en scheidt, de liefde, de geestdrift die geen bloed begeert, geen geweld behoeft, geen dwang zelfs duldt. Zuivere geestverwantschap, die machtige, statenkruisende internationale gemeenschappen vormt, is een nog betrekkelik jong, een modern verschijnsel, met een grote, grootse toekomst, symptoom van de vooruitgang der mensheid: Dwang, instinkt, erfelikheid, sleur, traditie, ééns overmachtig en onontbeerlik voor de kudden, wijken alom voor vrijheid, inzicht, rede, persoonlike verantwoordelikheid en keuze. Zo bij het huwelik, waar tans ook voor de vrouw reeds met haar ekonomiese en maatschappelike bevrijding het persoonlikheidsrecht begint te gloren.54)Zo bij geloofen wereldbeschouwing. Bij stand en beroep. Bij omgang en verkeer. Bij alle groepvorming, van gezin tot wereldbond. Erfvijandschap behoort in dubbele zin tot de historie. De machten van het verleden, geschiedenis, voorvaderen, mos worden verdrongen door de krachten van heden en toekomst: eigen begrip en wil, zelfverworven overtuiging en ideaal. De romanticus mag het betreuren enMaeterlinckons terecht vermanen, dat oud en blind instinkt soms wijzer is en meer ziet dan de jonge ziende rede, heel het verleden komt ons voor als een duistere drang naar onze nieuwe bewustwording en we beklagen ons niet, dat wij niet eer, wel dat we te vroeg zijn geboren voor de festijnen van de geest, die komende geslachten zullen vieren in de tuin der mensheid.Geestverwantschap is tot oordeel des onderscheids gekomen gemeenschap. Wij zijn ontgroeid aan de oude distinktieloze kollektieve haat en liefde, gelijk wij ontgroeid zijn aan de oude distinktieloze kollektieve schuld en aansprakelikheid55). Een Chinees bokser kan nog om wat een Engelsman of Rus of ander Europeaan hem of een der zijnen misdeed een willekeurig Westerling—Fransman of Duitser, dat doet er niet toe, als het maar een van de „vreemde duivels” is—haten en doden. Met de kreet „de Joden hebben Jezus gekruisigd” kan een door staat, kerk en wodki voldoende verstompt Moezjik nog altijd worden opgehitst tegen de nakomelingen van het volk van Jezus. Waar ook nog stamwraak en vendetta mogen heersen—onze rechtspraak en ons zedelik bewustzijn zijn niet meer in staat, iemand te straffen of te verachten omdat zijn broer of vader of voorvader zich misdragen of verachting verdiend heeft56). Wie onzer is nog grof genoeg om de Fransen, de Duitsers, de Joden, de Russen, de Rooms-Katholieken te kunnen haten of liefhebben? Wij hebben geleerd—en het behoort tot het kostelikste wat we geleerd hebben, tot onze nieuwe humaniteit—de mensen met de nodigeonderscheiding te bejegenen. Maar de oude met waarheid en recht strijdige kollektieve grofheid en onzuiverheid—het is de ware oorlogsfeer: zij alleen heeft oorlog oorspronkelik mogelik gemaakt en wat is het oorlogsnationalisme anders dan de vernederende, beschamende terugval in deze geestesgesteldheid? Oorlog mist alle distinctie—daarom vloekt hij met ons kultuurpeil, daarom is hij een leugen voor onze kultuurvolken, met zijn valse solidariteit zonder geestverwantschap, zonder zedelike eenheid en zijn valse haat zonder geestelik tegenstanderschap.—In een roerende brief „An die Freunde in Fremdland”, waarmee de dichterStefan Zweig, vertaler vanVerhaeren, afscheid neemtfür lange Tagevan zijn kunstvrienden en geestesbroeders in Frankrijk, België en Engeland, het fijnste, wat ik van Duitse oorlogstemming tot dusver las, schrijft hij, hoe hij zijn persoonlike liefde en haat, zijn vriendschap en zijn vrienden tans verloochenen moet: „Meine eigene Sache ist jetzt nicht mehr, ich kenne keine Freundschaft, ich darf keine kennen, als die des ganzen Volkes, meine Liebe und mein Hass gehören mir nicht mehr zu. Und ich bin nur dann ganz wahr, wenn ich euch einzelne verleugne: der geringste plattdeutsche Bauer, der kaum ein Wort meiner Sprache versteht und sicherlich kein Wort meines Herzens, steht mir näher in diesen Stunden als ihr, ihr Lieben, denen ich so oft mich hingab mit meiner innersten Empfindung, immer von Verständnis umfangen, immer von Vertrauen umfasst... Ich muss vergessen, was ich von euch empfing, um besser fühlen zu können was alle anderen deutschen Leute empfinden. Nicht euch muss ich verleugnen und die Liebe zu euch, sondern mich selbst, jeden einzelnen Gedanken knicken, der nicht aufschiesst in der grossen deutschen Saat”. We zullen straks zien, hoeZweigniet alleen z'n kunstzinnig, maar ook z'n zedelik zelf, z'n gerechtigheid bewust ten offer brengt. Doch wij moetenZweig's dilemma nog een weinig zuiveren en verdiepen. De vaderlandse boerenpummel kan nog zedelik meer waard zijn, dan de uitheemse kunstbroeder. Maar zou ook de verachtelikste Duitse schurk of vlegelZweignader staan in deze dagen dan de nobelste Franse karakterheld? Ik vrees van ja. Zo weinig kieskeurig, zo onpersoonlik en amoreel—of moet ik zeggen onzedelik?—is nu eenmaal de oorlogs-, de gevaarsolidariteit en de nationale oorlogshaat. EenZweigkan zich eigenlik niet zo ver vergeten.„Ich habe nicht vergessen, was ihr mir ward und zutiefst noch seid, aber ich bin in diesen Tagennicht der Gleiche, der mit euch sass, mein Wesen ist gleichsam umgewandt, und das, was in mir deutsch ist, überflutet mein ganzes Empfinden”... „Und diesen Hass gegen euch—obzwar ich ihn nicht empfinde—ich will ihn doch nicht mässigen, weil er Siege zeugt und heldische Kraft”.—Oorlog bindt en scheidt met feloplaaiende massa-driften, volkshartstochten, zonder matiging—en zonder diepte. Oorlog is voor de volken wat storm is op zee—een oppervlakteverschijnsel. Huizenhoog steigeren golven van geestdrift en kolken van haat woelen de wateren om tot op de bodem—zo schijnt het. Maar tien of twintig meter onder het zeeoppervlak dringt geen storm ooit door—oermachtig en onwrikbaar volgen de diepzeestromen hun eeuwige baan en voeren het wrakhout en de lijken mee die er resten van reeds lang vervlogen orkanen.Wat de geesten waarlik scheidt en bindt zijn geestestromingen, die wel voor een ogenblik vergeten, maar niet verdrongen kunnen worden door oppervlakkig stormend oorlogsgeweld. Geest smeedt beter dan bloed en ijzer. En wat wij met millioenen gemeen hebben zonder geestverwantschap kan nooit veel biezonders zijn, tenzij het tot die algemeen-menselike biezonderheid behoort, die boven alle grenzen van tijd en ruimte de eenheid van het mensdom vormt, de geesteswettelikheid van ons denken met zijn ene, eeuwige waarheid, van ons zedelik oordeel met zijn ene eeuwige heiligheid en van gevoel en aanschouwing met hun ene eeuwige schoonheid.Oorlog sprak bij monde van KeizerWilhelmin de Rijksdag: „Ik ken geen partijen meer—ik ken slechts Duitsers.” Plots treedt een man de zaal in en roept: „Ik ken geen Duitsers en geen vijanden—alleen naasten, die ik liefheb als mijzelf.”—Gesis, gefluit, tumult—„grober Unfug” wordt geroepen, verstoring van een histories moment! Men wil de zonderling te lijf, die er uitziet als een jood. „Lafaard!” „Vaterlandsloser Gesell!”, schreeuwt men hem toe. Daar klinkt weer zijn stem over alles heen: „Ik ben de grootste, de volmaakte patriot, want mijn vaderlandsliefde kent geen grenzen.” Men wil hem grijpen, maar hij is verdwenen. De leden hernemen hun plaats, de wijding en orde keren terug—en de Keizer vervolgt zijn rede: „Laat dus uw harten slaan voor God, Keizer en Vaderland, en uw vuisten op de vijand.” Het smakeloos, ergerlik incident der verschijning van die dwaas is vergeten—en geschrapt door de censuur.13)Beiträge zur speziellen Psychologie, 9: Die selektorische Wirkung der Ehe,Z. f. Psych.62.14)Wat ook op deze cijfers moge zijn af te dingen, de richting van betoog, en onderzoek schijnt mij onaanvechtbaar.15)ZieEinführung in die Ethik, 1914, §32.16)Zie deze punten bijD. van Embden,Darwinisme en Democratieen daarnaast de sociaal-demokratiese maatschappijkritiek en program-eisen.17)Steinmetzzelf geeft op een weinig enthousiast ogenblik—of bij wijze van palinodie?—toe, dat de „eeuwige vrede”, het vervallen van oorlog en kollektieve selektie, niet ontaarding en dood, maar slechts vertraging van vooruitgang zou brengen:„Es gäbe dann weiter nur Personalauslese. Ich behaupte gar nicht, dass diese bloss egoistische oder höchstens egotistische Eigenschaften züchtet, ich verkenne auch die Möglichkeit keineswegs, sogar ohne alle Selektion zu einer gewissen, wenn auch wahrscheinlich nicht erblichen Erhöhung unserer Kollektiveigenschaften, nur auf dem Wege der Erfahrung und Erziehung zu gelangen”... „Sonst sehnt man sich mit Recht nach grösserer Schnelligkeit des Fortschritts, warum sollte man jetzt auf ein Beschleunigungsmittel Verzicht leisten?”(blz. 215,Ph. d. Kr.)18)Vgk.Ph. d. Kr.255, oorlogen tussen kultuurvolkeren kunnen „keine ausmerzende Wirkung üben”.19)Steinmetzzelf laat nu eens herhaalde nederlagen „Verfall und Verderben” brengen (p. 255), elders weer de nederlaag voor beide behoeden—gelijk de zege zowel een zegen kan zijn als zelfs „dem Sieger zum Verderben werden” (257). Het kan gebeuren „dass die Sieger den Besiegten weichen müssen”!„Bei steigender Kultur und zunehmender Volksmasse verlaufen alle diese Prozesse der Auslese immer subtiler” (258). Wat blijft er dus over van het eenzijdig schema, van de globale frase?

Noemen wij nu „alzijdig” (derhalve rechtvaardig) en dus „beslissend in laatste instantie”, „onaanvechtbaar” een meting vanallekulturele krachten (behalve de lichamelike ook de intellektuele, morele, artistieke vermogens) dan heetterechtde bloedige tweestrijd,„das physische Gefecht zwischen Einzelnen”,nicht entscheidend....maar evenmin mag dàn oorlogentscheidendheten, mag men dànKriege „vollgültige Entscheidungen, unanfechtbare Messungen”noemen: te veel kulturele waarden worden daarbij òf toevallig in 't geheel niet òf eenzijdig en verkeerdelik naar een ongepaste, met hun wezen niet strokende maatstaf gemeten.

Doch nu tracht die nieuwe term „beslissend” ons te vangen in een misleidende dubbelzinnigheid. Want „alzijdig” en „beslissend in laatste instantie” kan men ook noemen, en noemtSteinmetzook—de strijdmet àlle, ook en inzonderheid de alleruiterste middelen, de strijd, die geen wapen ongebruikt laat, of de strijd, „om het uiterste”, op leven en dood.—Wie àlle middelen, dus ook geweld, bedrog en dergelijke, heeft uitgeput, moet zich wel bij de beslissing neerleggen—indien hij niet reeds is... neergelegd.

Maar in deze zin is weer individueel geweld tussen enkelingen op z'n minsteven beslissendals oorlog tussen staten. Een uit de weg geruimd mededinger heeft het definitief afgelegd op elk gebied.

De tweeërlei „alzijdigheid” of „beslissendheid”: enerzijdsmeting van àlle krachtenen anderzijdsstrijd met àlle middelen(ook de uiterste van geweld enz.) mag niet verhaspeld; in plaats van één te zijn vormen zij een tegenstelling,—hoe meer en hoe eer het geweld beslist, des te minder meting aller vermogens, zowel bij de statenstrijd als bij de individuele wedijver.

Ook verwarre men niet „uiterste krachtsinspanning” met „meting van àlle krachten”, wanneer men verneemt, dat alleen oorlogen laatste beslissingen zijn, waarbij zowel staten als enkelingen „sich beruhigen können, sich beruhigen müssen, weil es nun einmal keine andere, grössere Anstrengung gibt. Es wurden ja alle Kräfte verwendet.”

We zijn tans dunkt me voldoende gewapend tegen de aanprijzing van beslissend geweld, van strijd met alle middelen, die ik hier letterlik laat volgen:

„Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein Streit, keine MessungallerKräfte, keineäussersteAnstrengung: die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu bezitzen?Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlichalleMittel verwenden”. (Der Krieg,p. 14/5) „Wer diese äussersten Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (Ph. d. Kr.p. 217).

„Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein Streit, keine MessungallerKräfte, keineäussersteAnstrengung: die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu bezitzen?

Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlichalleMittel verwenden”. (Der Krieg,p. 14/5) „Wer diese äussersten Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (Ph. d. Kr.p. 217).

Wanneer uit deze redeneringnietvolgt—en het volgt er gelukkig ook voorSteinmetznietuit!—dat enkelingen met àlle geestelike en „fysieke” wapens moeten of mogen konkurreren en vechten, dus als alle andere, „tamme”, middelen faalden tot bloedig geweld, bedreiging, mishandeling, doodslag, of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, roof en derg. hun toevlucht moeten of mogen nemen, daar ze anders niet „overwonnen” zijn, nog niet de „zwakste” zijn gebleken—dan volgtuit deze redeneringdatzelfdeevenminten aanzien van de staten. Wie te veel bewijst, bewijst niets! AldusSteinmetz, die als volgt voortgaat:

„Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat, moralisch und geistig, und die [zahmen,Ph. d. Kr.] Hilfsmittel der Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”. (Kriegp. 15.)

„Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat, moralisch und geistig, und die [zahmen,Ph. d. Kr.] Hilfsmittel der Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”. (Kriegp. 15.)

Ge voelt wel: hier is reeds ondersteld, dat oorlog een geoorloofd middel van wedijver, verrijking of geschilbeslechting is—en over het al of niet toelaatbare van strijd met àlle of zelfs metbepaalde middelen, zo voor enkelingen als staten, kan niet op deze wijze, moet op heel andere gronden worden beslist.

Waarom nu mogen enkelingen niet met alle middelen „konkurreren”, niet met alle wapens strijden? Waarom mag de enkeling zijn mededinger niet meer mishandelen, bedriegen, beroven, vermoorden? Soms omdat hij deze bevoegdheid aan de staat heeft overgedragen en deze 't nu voor hem doet?46)Neen, in plaats van zich daartoe te lenen, heeft juist de staat tot taak, tegen al dergelijk strijdbeleid te waken. Is het dan misschien, omdat die uiterste middelen, als de bloedige worsteling op leven en dood, niet afdoende, niet beslissend zouden zijn? Of zijn ze te eenzijdig, te grof, te fysiek? Maar ze kunnen, als oplichting, bedrog en dergelijke,zeer veelzijdig, fijn en „intellektueel” zijn. Dan soms, omdat er offers bij vallen? Neen, die vallen ook in de ekonomiese strijd met oorbare middelen dag in dag uit. Om het „leed” dus al evenmin.

Zou het niet zijn, omdat enkelingen onderling rechtens een minimum en zedelik een maximum vanobjektiviteithebben te betrachten, die eens anders „gelijk recht” erkent,—dusrechteneerbiedigt, een „rechtsorde” schept en daarmee voor ieder een zekere sfeer van persoonlike en zakelikeonschendbaarheidverlangt en waarborgt, aan ieder een zekereintegriteitvan zijn lichamelike, geestelike en zedelike vrijheid, van eer en leven en gezondheid, van eigendom en huisvrede verzekert?—

Daarom alleen mogen enkelingen niet met alle middelen konkurreren, is moord en mishandeling, dwang, afpersing en afdreiging, roof, inbraak, brandstichting en derg. ook t.a.v. vreemdeling of persoonlike vijand tot ongeoorloofdeschennis van rechtengeworden, waartegen de staat als rechtshandhaver waakt.

Waarom nu mogen staten niet met alle middelen „konkurreren”?

Vooreerst: omdat ook staten onderling rechtens een minimum en zedelik een maximum van objektiviteit hebben te betrachten, die eens anders „gelijk recht” erkent—dus verworvenrechteneerbiedigt, een internationale „rechtsorde” schept en daarmee voor iedere staat een zekere sfeer vanonschendbaarheidverlangt en waarborgt,integriteitvan grondgebied, onafhankelikheid, „soevereiniteit”—die evenzeer inmenging in binnenlandse aangelegenheden (rechtspraak, wetgeving, administratie) als gewelddadige aanranding van grenzen of domein of ook van vrijheid, leven of bezit der staatsburgers verbiedt als zedelik en volkenrechtelik ongeoorloofdeschennis van rechten.—Daarom alleen reeds mogen staten niet met alle middelen „konkurreren”, niet met het georganiseerd geweld, dat „oorlog” heet, winstbejag zoeken ten koste van anderen, niet dus voor hun burgers elders staatsinbraak of landsvredebreuk plegen („inval” „raid”, „bezetting”) of op roof („verovering”, „annexatie”) en afpersing („requisitie”, „schatting”) uitgaan, of zich aan afdreiging („ultimatum” dat inbreuk op soevereiniteit of op neutraliteit eist) schuldig maken.

En vervolgens: is het niet eenabsurdum morale, een zedelike gruwel, wanneer diezelfde staat, die rechtshandhaver, die alle „konkurrentie” van enkelingen met nog zo geringe geweldpleging tegen leven, vrijheid, eigendom verbiedt en wreekt—zelf voor diezelfde enkelingen gaat „konkurreren” met al dat rechtschennendgeweld, ja zelfs hen organiseert en dwingt (desnoods tegen hun geweten in) tot zodanige „wedijver” met behulp van mensenslachting, vrijheidsberoving, brandstichting en vernieling, kortom tot schending en verachting van de hoogste rechtsgoederen?

Men voelt wel algemeen, dat het gebruik van zulk soort „uiterste” middelen slechts één rechtvaardiging, één verontschuldiging kent—gelijkelik voor enkeling en staat—:noodofnoodweer, geweld als énig middel van levensredding, rechtshandhaving of rechtsherstel. En hier blijkt nu inderdaad een groot verschil tussen enkeling en staat: terwijl tegen rechtschennis door enkelingen de staat als rechtshandhaver waakt en derhalve gewelddadig verweer slechts in het uiterste geval en tegen „oogenblikkelijke” wederrechtelike aanranding der hoogste rechtsgoederen nodig en geoorloofd zal zijn, ontbreekt vooralsnog een boven alle statenwillekeur verheven bevoegde rechtspraak en rechtsmacht ter handhaving der internationale rechtsorde, zodat de objektiviteit van het volkenrecht, slechts heersend bij de gratie van subjektieve willekeur, geschonden niet alleen maar uitgeschakeld wordt door nagenoeg elk volkenrechtelik onrecht—en vervangen door de rechteloze „natuurtoestand”, waarin gewelddadige zelfverdediging (zgn. „eigenrichting”) niet het uiterste, maar het enig middel is tot rechtshandhaving en rechtsherstel, dus recht bukt en wijkt voor macht. Zo wordt hier alom gewelddadig verweer voorbereid ook tegen het verst verwijderd gevaar—en ontstaat het monstrum van een wederzijdsenoodweer met voorbedachten rade, die op zijn best (d.w.z. bij uitsluiting van elke aggressieve en offensieve, dus wederrechtelike bedoeling) slechts dient tot het scheppen van de te keren nood!

Dat is de „gewapende vrede”, voorbereiding en voorwaarde van oorlog, een vrede, wiens paleis slechts deze gevelspreuk verdient:SI VIS BELLUM. PARA PACEM—wilt gij oorlog, wapen u ten vrede!

Zonder die geweldplegingsorganisatie, zonder leger en vloot, zou de meeste, de eigenlike, gevaarlike, tot gewelddadig verweer nopende volkenrechtschennis eenvoudig onmogelik zijn—van oorlog als middel tegen dit soort schennis moeten wij zeggen: het middel schept de kwaal.

Wie dus volkenrecht wil, moet oorlog, niet slechts als rechtaanrandend middel van rechtsverwerving, maar ook als rechtuitschakelend middel van rechtsbehoudverfoeien; zal volkenrecht gelden, meer zijn dan zoete waan en vrome wens—dan dient schennis voorkomenof berecht, geschil beslecht in plaats van uitgevochten. Voorkoming schijnt hier eer bereikbaar dan berechting: zelfstandige staten zullen zich gemakkeliker tot een rechtsgemeenschap aaneensluiten, waarbinnenmet de militaire grenzen niet slechts oorlogsmogelikheid, maar ook oorlogsbelang verdwenenis (vgk. de Verenigde Staten of Duitsland), dan bij behoud van militaire zelfstandigheid, oorlogsaanleiding en oorlogsbelang hun internationale willekeur onderwerpen aan hoger internationale rechtsoevereiniteit, al laat die hun „soevereiniteit in eigen kring”, hun „eigen-meesterschap” even ongeschonden als bondstaatvorming.

Maar wie het volkenrecht voldoende veracht om aan de staat, de rechtshandhaver, zelfs wedstrijd, winstbejag „met alle middelen” ook met het rechtschennend geweld, dat oorlog heet, te vergunnen—met welk recht, op welke grond weigert hij hemoorlog met àlle middelen? Waarom dan de zuivere kollektieve machtmeting bedorven door hinderlike kleingeestige onderscheidinkjes tussen staat en volk, militair en burger, combattant en non-combattant47), al of niet of voorwaardelik kontrabande, al of niet effektieve blokkade, partikulier en gemeente-, dan wel staatseigendom, al of niet „open” steden en waarschuwing bij bombardement, bommen en handgranaten of dum-dums en ontplofbare kogels, „krijgs-list” of „krijgs-streek”, al of niet geven van kwartier en wat dies meer zij? Nog klinkt het in ons na:„Das hiesse ja den Kampf mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine Entscheidung”... „Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlichalleMittel verwenden”...En we herinneren ons: hoe onmenseliker, hoe schrikwekkender de oorlog, des te korter, des te menslievender. Wat moet, wat wil dus zogenaamd „oorlogsrecht”? En wat vermag het? Oorlog trapt op de fijne onderscheidingen tussen verboden en toegelaten onmenselikheid,verscheurt allereerst de papieren muilkorven van recht en traktaat, „declaratie” en „conventie”... dat is zijn recht, zijn „raison”: hij huichelt geen humaniteit of rechtsontzag, die aan zijn doel en wezen vreemd zijn.48)Wie hem wil moet hem nemen zoals hij is, niet zoals brave naiveteit of geveinsdheid hem op papier fatsoenneert. „Oorlogsrecht” strijdt met oorlog's recht. Altans bij beschaafde volken. Want die vechten alleen nog uit nood. En nood breekt wet, jaNot kennt kein Gebot.

Ontzeggen dusrechtszinenzedelik besef—afgezien van alle „medelijden”—aan volk en staat oorlog als wedijver met „àlle”, met de „uiterste” middelen, is oorlog misdadig49), dan zal men vergeefs ons oorlog quauiterste kollektieve krachtsinspanning, diepste kollektiefgevaarenleed, aanprijzen als...hoogste kollektief genotmiddel, als weg tot ondermaanse „zaligheid”.

Vergeefs dan houdt men ons voor (bl. 220) „die tiefgehende Bedeutung der Kontrastwirkung für die Steigerung der Lust”: „Um himmelhoch jauchzen zu können, muss man erst zu Tode betrübt gewesen sein”. Vergeefs dan raadt men ons oorlog aan als middel tegen „Lebensüberdruss”, plaatst men ons voor het hedonisties dilemma: vrede—„veiligheid en verveling”, of oorlog—„gevaar en zaligheid”. Vergeefs dan roemt men ons (bl. 210) als heerlike ruil voor „die im Kriege zerschossenen Glieder und die verschwundenen Milliarden” de vreugden van het oorlogspatriottisme als„beglückender Leidenschaft”, „diesem die Millionen beseelenden und beseligenden Gefühle”, ja, noemt het de ergste misdaad, ons leven te beroven van zulk een „üppig springender Glücksquelle”!

„Himmelhoch jauchzend—Zum Tode betrübt”...het is de stemmingswisseling der verliefdheid, dieGoethebij monde vanEgmont's Clärchen aldus bezingt—zonder deze climax van het „Freudvoll und leidvoll” al te tragies te bedoelen: het liedje vervolgt en besluit: „Glücklich allein ist die Seele die liebt”—Hier bijSteinmetzdaarentegen wordt het bloedige, tragiese ernst:

„Wir verwehren uns gegen das letzte, deshalb wird das erste uns selbstverständlich versagt. Wir ziehen Sicherheit und Langeweile der Gefahr und der Seligkeit vor.Die Richtigkeit dieser Lebenspolitik scheint mir nicht so sehr über jeden Einwurf erhaben, dass man berechtigt wäre, sie auch auf die Völker anzuwenden”.

„Wir verwehren uns gegen das letzte, deshalb wird das erste uns selbstverständlich versagt. Wir ziehen Sicherheit und Langeweile der Gefahr und der Seligkeit vor.

Die Richtigkeit dieser Lebenspolitik scheint mir nicht so sehr über jeden Einwurf erhaben, dass man berechtigt wäre, sie auch auf die Völker anzuwenden”.

Mij schijnt de juistheid van die andere, ietwat avontuurlike, ik zou haast zeggen hysteriese levenspolitiek, die speelt met dodelik leed en gevaar, een „politiek”, waar niemand leven of geluk van de zijnen of zichzelf aan waagt, niet zó zeer boven alle bedenking verheven, dat men zelfs zuiver hedonisties het recht zou hebben, er volken aan prijs te geven. Hoe troostrijk en verheffend het ook weze voor de verminkten en de achtergebleven weduwen en bruiden, ouders en kinderen der gesneuvelden, dat hun leed en verlies en het lijden en sterven van hun dierbaren tot hoogste genotmiddel dient voor vijand en volksgenoot, ik vrees, dat geen volk, wanneer het zelf de beschikking in handen neemt over oorlog en vrede, verlicht genoeg zal zijn om zijn zonen, goed en bloed te offeren voor de kans op hemelhoog gejuich. Mij dunkt, zelfs voor zuivere, door recht noch plicht geplaagde genotzucht wordt oorlog's korte kontrastzaligheid nog vergald door een hinderlik lijkenluchtje en een wee smaakje naar bloed en tranen.

Maar al kon men tegenover het „oneindig” oorlogswee „oneindig” oorlogsgenot stellen, ongerechtvaardigd bleef het oorlogsonrecht. En een mensheid, zó levensarm en geesteloos, dat zij oorlog als levensprikkel zou behoeven of hanteren, deed beter te gronde te gaan, zich dood te vervelen.

Verwerpelik was oorlog als rechtsverloochening, onrecht als aanranding van de grenzen en rechten, de vrijheid en zelfstandigheid van staten en volken. Maar moet niet wiestatenenvolkenwil, oorlog willen, als het enige, wat voldoendeisoleertenbindt? Zonder oorlog geen isolement, dus geen staat—zonder oorlog geen liefde, geen echte innige zelfopofferende gemeenschapsliefde, zonder oorlog„endosmose”, „Atomisirung der Menschen”. Zo luidt het schema—dat voor de werkelikheid weer geen stand houdt.

Isolement en liefde—toetsen we beide.

„Isolement” was nodig voor het ontstaan der soorten, de term behoort tot de inventaris van het Darwinisme. Een zeker isolement is ongetwijfeld ook voor instandhouding van groepen, van volken vereist, wier rijke verscheidenheid van fijngedifferentieerde kulturen niet zonder grote schade kon worden gemist. Maar voor dit „isolement” der volken, der nationaliteiten zijn niet eens staten, voor het „isolement” van staten geen oorlogen nodig.Steinmetznoemt oorlog een middel, zelfs het enige middel voor staten om „sich gegenseitig abzuschliessen”, om „die Staaten und die Völker einigermaassen zu isoliren”, en doet het dan voorkomen, als ware oorlog, of oorlogsmogelikheid, een soort middel tot wering van immigratie, van vreemdelingen, die zich bij „vollständige internationale Freizügigkeit” overal „einnisten” konden50). Het verband tussen oorlogsmogelikheid en dit soort „isolering” ontgaat mij. Tegen „transfusie” door verhuizing—voor onze kultuurstaten, naar het mij voorkomt, een niet al te dreigend gevaar—waken uitsluitend en afdoende beperkingsbepalingen op de immigratie, voor de rest is ieder tans reeds even vrij om naar een andere staat te verhuizen, als naar een andere provincie. Heel wat meer Ieren trekken naar Amerika dan naar Engeland. Verhuizing naar aangrenzend anderstaats doch gelijktalig gebied kan heel wat makkeliker zijn dan naar afgelegener andertalig eigenstaats gewest. Wat verplaatsing op grote schaal belemmert ook binnenslands of bevordert ook buitenstaats zijn niet militaire grenzen, maar heel andere, voornamelik ekonomiese faktoren en het volksverbindend en volkenscheidend middel bij uitnemendheid, de taal. „Im Princip muss jedes staatlich organisirte Volk das Recht behalten sich auf seinem Territoir abzuschliessen”. Natuurlik. Maar geen volk is zo dwaas, van dit recht gebruik te maken—en elk volk houdt dit recht ook zonder oorlog. Ja, zonder oorlog zou ieder ongewenst „indringer” te weren, „overstroming” niet meer te duchten zijn. Gaan we na, wat isoleert en bindt, dus voor afzonderlik groepsbestaan zorgt, dan moeten we onderscheiden, wat de oorlogsfilosofiemeest dooreenhaspelt: staat en volk. Datstatenvoor onderlinge afscheiding en afzonderlik bestaan geen militaire grenzen, dus oorlog noch oorlogsmogelikheid behoeven, wordt niet alleen reeds door de werkelikheid bewezen (Beieren, Wurtemberg, Pruisen zijn op z'n minst even welgescheiden organismen als de Middel- of Zuid-Amerikaanse Staten) maar ligt ook voor de hand: heel het staatsbestel is afbakening: afzonderlike rechtsbedéling, wetgeving en politiek leven, bestuur en administratie. Van „transfusie” geen sprake... dan alleen juist zover oorlog in 't spel komt.—Hoe staat het nu met devolken? Hier zijn de isoleringsfaktoren van ietwat ander gehalte; maar ook hier komt oorlog, die immers voorSteinmetzeen zeer zeldzame kortstondige uitzonderingstoestand behoort te worden, nauweliks in aanmerking, terwijl oorlogsmogelikheid, dus militaire grensafscheiding, in werkelikheid al weer niet nodig blijkt (waar woedt de nationaliteitenstrijd, het volken-antagonisme feller dan binnen de staat Oostenrijk-Hongarije? De Vlamingen onderscheiden zich van de Walen binnen België, de Ieren van Schotten en Engelsen, hoeveel feller is de tegenstelling tussen Oostpruisiese Polen en Pruisen, dan tussen Duitse en Russiese Polen, hoeveel volken handhaven zich niet in de Nederlandse of eerst in de Engelse kolonies!) en weliswaar strijdige belangetjes, meer van ondergroepen dan van volken schept (havens en riviermonden, kolonies en derg., „imperialisme”), maar in 't niet zinkt, vergeleken bij de diepe, wezenlike, volkenschiftende faktoren:ekonomiese honkvastheidgepaard aantaalverschil(eigentaalse literatuur, pers, onderwijs, kultuur), versterkt dan dikwels nog door ras- en geloofsverschil en statelike of gewestelike gezagsorganisatie (die taalgrenzen weer zoveel scherper helpt afbakenen: plots andere officiële bestuurs- en onderwijstaal enz). De taal is zó belangrijk en overheersend, dat de ethnografiese grenzen en de taalgrenzen overal nagenoeg samenvallen: men kijke b.v. weer naar Oostenrijk Hongarije, met z'n Tsjechen en Magyaren, België met z'n Vlamingen, Rusland met z'n Finnen en z'n Polen, om van z'n tientallen andere welonderscheiden nationaliteiten te zwijgen, Spanje met z'n Basken, Engeland met z'n Ieren enz. enz. Vooral Vlaanderen, met z'n eigen taal, kultuur, kunst, eigen geest en karakter, trots en boven z'n altijd wisselende militaire samenhorigheid (bij Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Nederlanden, België, om 't even) illustreert treffend mijn bedoeling. Eigen taal is eigen volk—trots ras en geloof en staat. Zorgden voor taalafscheiding en taalbehoudniet de genoemde volkenisolerende faktoren buiten oorlog, oorlog zou tegen taal- en volkenmenging niets vermogen, daar oorlog met z'n oppervlakkige telkens wisselende staatsgewijze groepering van vijand en bondgenoot om taal noch volk noch ras zich bekommert—met dezelfde blinde redeloosheid taalbroeders, volksgenoten, stamverwanten tegen elkaar injaagt, waar er maar militaire grenzen zijn (denk aan al de Duitse staatjesoorlogen, laatstelik nog Pruisen en Oostenrijk, aan Middel-Amerika nog altijd, aan Italië en de Verenigde Staten vóór hun éénwording, aan de Polen, die aan weerskanten mee moeten doen in deze krijg), als hij taalstrijd, nationaliteitsverschil, kultuurtegenstellingen zo nodig verdoezelt en verdringt (b.v. tans in Oostenrijk-Hongarije en België).

En nu deliefde, die groepen bindt en samenhoudt, gemeenschapszin en samenhorigheid—is daarvoor oorlog nodig? Ja—zo de mens een onsociaal, een niet-maatschappelik wezen ware, dat alleen door kollektieve vijandschap en haat tot de kollektieve solidariteit van het bedreigd groepsegoïsme kon komen! Gelukkig is dit pessimisties schema weer eens in strijd met de werkelikheid, gelukkig zijn er positieve bindende faktoren, ten dele reeds in de vorige alinea aangeduid. Want wat naar buiten isoleert, bindt naar binnen. Laten we de kleinere en kleinste groepen hier buiten beschouwing—de gezinnen met hun weergaloze eenheid en opofferingsgezindheid, de dorpsaanhankelikheid en liefde tot de geboorteplaats, die onuitroeibaar wortelt in de diepten der jeugdindrukken51), de verenigingsbanden, de partijsolidariteit en de geloofsgenootschap—dan is het weer bovenal detaalgemeenschap die gepaard met territoriaal verband en verkeer een volkseenheid schept en onderhoudt boven alle ras- en geloofs- en staatsverdeeldheid, eenheid van letteren, geschiedenis, kunst, kultuur, eenheid van zeden en gewoonten, van volkszang en volksgeest, met echt en diep samenhorigheidsgevoel, innige, vurige volksliefde: zó het Pools, het Hongaars, het Provençaals, het Bretons, het Vlaams, het Fries, het Zigeuners, het Baskies, het Fins.

Wanneer dit alles zich kon handhaven zonder oorlogsmogelikheid, of zelfs zonder staatsafscheiding, zou dan de Nederlandse, Franse, Duitse, Noorse taal, kunst, geest, kultuur zonder oorlogsgevaarvervloeien, bij behoud van dezelfde isolerende en bindende faktoren, bovendien nog gesteund door de wetgevende, politieke, rechtsbedélende, staathuishoudkundige, bestuurlike staatsafbakening? Hier als ginds is wedstrijd en tegenstelling, botsing of zelfs verongelijking nodig om de gevoelens fel te doen oplaaien—hier noch ginds zijn voor die strijd de schennende „wapenen der barbaren” vereist. Ja, zou men zonder oorlog niet eer voor te veel dan voor te weinig nationaliteitendom en taalparticularisme moeten vrezen? Zeker, indien daar niet de grote, horizonverruimende, steeds wassende transnationale verbindings- en scheidingsmachten waren: belangen en tegenstellingen, die over alle volks- en staatsgrenzen heen vliegen: ondernemerdom en arbeidersorganisatie (kapitalisme en socialisme), verkeer, krediet, al die internationale verenigingen engeestesstromingen, hygiene, wetenschap, om slechts een paar grepen te doen.—Maar de staat, die niet een taal- of volks-eenheid is, zal hij liefde kunnen wekken zonder oorlog, de Russiese staat, Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland? Het is mogelik, dat een „individu” als de Russiese staat zich niet zonder wapengeweld, zonder oorlog zou kunnen handhaven. Maar dat pleit dunkt mij minder vóór oorlog dan tegen de Russiese staat. Een staat, die alleen door oorlog en vijandschap, door „nood en gevaar” de toewijding en liefde van zijn burgers zou kunnen winnen, zou liefde noch toewijding, laat staan levensopoffering, waard zijn. Moet de Russiese intellektueel, die zijn volk liefheeft, de Russiese staat beminnen, omdat de Russiese bureaukratie, de regering, de tsjinownik een oorlog onderneemt tegen Japan of elders? Voor wie is de tijdelike eenheid, die niet dieper wortelt dan in een negatieve haat- en gevaarsolidariteit, de oorlogsoffers waard? Geen beter toets-steen dan de vrede. Schijn- en dwang-eenheid, tegen vrede niet bestand, verdwijne. Zonder vrijheid geen liefde, ook geen vaderlandsliefde, die naam waardig. Zelfs het oorlogspatriottisme, zover het meer is dan maakwerk en roes, dan massa-psychose, dan blinde kollektieve opwinding van overprikkelde vijandig verhitte gemoederen, zover het elementen van geestdrift, van gemeenschapszin, van liefde inhoudt, geldt niet het abstractum „staat”, maar de konkrete „Heimat”, „huis en hof”, recht, macht, eer van eigen doorleefde kultuur en daardoor op z'n hoogst handhaving of herstel van geschonden recht als zodanig. De oorlogsfilosofie, die slechts oog heeft voor staten als militaire eenheden, kent als vaderlandsliefde slechts liefde jegens de „staat”, met miskenning van heelhet onderscheid ten deze tussen staat en volk. Zo wordt dan de staat verpersoonlikt tot een „individu”, met eigen wil en karakter, die geen „krachtig”,geen „lebenswertes, intensives” leven kan leiden, zonder „gevaar en nood”, zonder „aggressiviteit”, zonder te willen „worstelen” met andere „individuen”, dat wil hier dus zeggen, zonder oorlogs- en roofzucht, het enige, wat hem de „hete liefde” der zijnen kan doen winnen, nodig om dezen uit hun suf, eng egoïsme op te stuwen tot ruim en vurig kollektief leven (196–200). Wie voor de staat zulk soort „leven”, zulk soort „liefde” vindiceert, moet zich wel beklagen, dat er „zu allen Zeiten nur wenige” waren, „von der echten Liebe zum Staate ergriffen” en in staat „wahrhaft staatlich zu denken”.

Levens- en liefdesvoorwaarden zijn nu eenmaal voor een staat niet alleen anders dan voor een enkeling52), maar ook anders dan voor een volk. Wat volksliefde, hoofdelement van vaderlandsliefde, werkelik en mogelik maakt zonder oorlog, hebben we reeds gezien. Hoe de staat zich verknochtheid kan en moet verwerven zonder oorlog, door wijsheid en rechtvaardigheid in staatsbestel en staatsbestuur, door opheffing aller bevoorrechting,Steinmetzzelf wijdt daaraan welsprekende ontboezemingen.53)Onderscheiden we dus liefde voor volk en staat—ongetwijfeld kan niet slechts het een ten koste van het ander, maar kunnen ook beide door oorlog intenser worden. Intenser, maar niet zuiverder. En als ideaal beschouwen wij niet „die höchste Steigerung des menschlichen Lebens” (199) door de felste, de sterkste, de heftigste, maar door de zuiverste, de edelste en hoogste gevoelens.

Tegenover het eng persoonlik egoïsme laatSteinmetzslechts de keus: òf de echte levende werkelikheid van „vaderlandsliefde”, dus staat en oorlog, òf de dode schijn van „mensheidsliefde”, meest niets meer dan een „onbeschaamde frase”. Doch we behoeven en begeren tegen het egoïsme noch een onwezenlik, bloedeloos humanisme noch een bloedig en bloeddorstig nationalisme. We hebben beters. Het is waar, de „mensheid” laat de meesten van ons nog tamelik koud; voor het wel en wee van wildvreemden (ook al zijn het kultuur-, volks- of zelfs stadgenoten) zijn we gematigd onverschillig, lezen we van verongelijking of mishandeling, dan zijn we nog het eerst vatbaar voor een niet onverdeeld onaangenaam gevoel van verontwaardiging en meewarigheid, al blijft dit meest slapper, dan bij de waargenomen marteling van een dier. Maar anderzijds is „vaderlandsliefde” een vlag, die lading dekt van zeer verschillend allooi. Hoe velerlei patriottismen zijn er niet, beminnelik en onschuldig of groots en diep of hatelik en gevaarlik—schoolpatriottisme, societeits-, ambtenaars, officiers-, politiek (soms feodaal, soms revolutionair), commercieel-industrieel, dynastiek-imperialisties, kunstzinnig kultureel, grens- en ballingschaps-patriottisme. Meest is het een mengsel van allerlei gevoelens, hoog en laag. Van biezondere belangzucht afgezien, bovenal een soort dankbaarheid, inzonderheid voor zoete jeugdherinnering, die het diepst ontroert. Wie zijn jeugd moet vloeken zegent niet licht zijn vaderland. Maar alle patriottisme zal, trots zijn principiële begrensdheid, zo men wil bekrompenheid, te zuiverder en edeler zijn, naarmate het minder negatief, dus minder onverdraagzaam, laatdunkend, ijdel en heerszuchtig is—bijgevolg in de dubbele zin van de woorden minder „offensief”, minder „terugstotend” optreedt—en meer positieve elementen van liefde, gemeenschapszin, geestdrift voor geestelike waarden bevat.Steinmetzzelf prijst vaderlandsliefde als „die hohe, selbstverständlich echte, tiefernste Begeisterung für ein grosses Ganze”. De „hoogheid” echter van die geestdrift hangt niet af van de kwantitatieve grootte van het geheel, waarvan men toevallig deeluitmaakt, maar van de kwalitatieve grootheid van haar grond, doel en ideaal. Zo is gemeenschap van hoge overtuigingen en idealen, zuiveregeestverwantschaphet beste, wat ooit vaderlandsliefde inhoudt. Maar zulke geestverwantschap gaat bovendien alle nationale beperktheid te boven, gaat hoog uit boven alle nationalisme zowel als boven alle kleurloos humanisme. Het is de menselikste, menswaardigste verwinning van het egoïsme—de innigste, diepste verknochtheid, die alle vriendschap en alle liefde, zelfs tussen man en vrouw, eerst adelt, die meer is, vrijer, bezonnener, redeliker, dan bloed- en stam- en ras- en taal-verwantschap, en over alle eeuwen en alle landen en alle scheidsmuren heenreikt, die met haar geestesstrijd de heiligste geestdrift en doodsverachting doet ontbranden en met haar geestesvrijheid neerziet op geweld en oorlog als op een ver verleden van dierlike redeloosheid. O,Steinmetzzelf kent en erkent ze wel,„den hohen Enthusiasmus im Menschen”, „die echte, starke Begeisterung für wirkliche Ideale”, wanneer hij het tegenoverKiddvanzelfsprekend noemt, dat niet alleen de religie hoge, „opferfreudige” geestdrift wekt, en uitroept: „Hat denn nicht jede Überzeugung, jede grosse Liebe ihre Märtyrer gefunden? Besitzen die Besten unserer heutigen Sozialdemokraten und Anarchisten keine tatkräftige Liebe für ihr Ideal? Beruht die russische Reformationsbewegung, soweit sie ihren Ursprung in bewussten absichtlichen Anstrengungen hat, nicht hauptsächlich auf dem herrlichen, rein idealen Streben des besten Teils der russischen Gebildeten?”

Ziedaar dan wat groepen bindt en scheidt, de liefde, de geestdrift die geen bloed begeert, geen geweld behoeft, geen dwang zelfs duldt. Zuivere geestverwantschap, die machtige, statenkruisende internationale gemeenschappen vormt, is een nog betrekkelik jong, een modern verschijnsel, met een grote, grootse toekomst, symptoom van de vooruitgang der mensheid: Dwang, instinkt, erfelikheid, sleur, traditie, ééns overmachtig en onontbeerlik voor de kudden, wijken alom voor vrijheid, inzicht, rede, persoonlike verantwoordelikheid en keuze. Zo bij het huwelik, waar tans ook voor de vrouw reeds met haar ekonomiese en maatschappelike bevrijding het persoonlikheidsrecht begint te gloren.54)Zo bij geloofen wereldbeschouwing. Bij stand en beroep. Bij omgang en verkeer. Bij alle groepvorming, van gezin tot wereldbond. Erfvijandschap behoort in dubbele zin tot de historie. De machten van het verleden, geschiedenis, voorvaderen, mos worden verdrongen door de krachten van heden en toekomst: eigen begrip en wil, zelfverworven overtuiging en ideaal. De romanticus mag het betreuren enMaeterlinckons terecht vermanen, dat oud en blind instinkt soms wijzer is en meer ziet dan de jonge ziende rede, heel het verleden komt ons voor als een duistere drang naar onze nieuwe bewustwording en we beklagen ons niet, dat wij niet eer, wel dat we te vroeg zijn geboren voor de festijnen van de geest, die komende geslachten zullen vieren in de tuin der mensheid.

Geestverwantschap is tot oordeel des onderscheids gekomen gemeenschap. Wij zijn ontgroeid aan de oude distinktieloze kollektieve haat en liefde, gelijk wij ontgroeid zijn aan de oude distinktieloze kollektieve schuld en aansprakelikheid55). Een Chinees bokser kan nog om wat een Engelsman of Rus of ander Europeaan hem of een der zijnen misdeed een willekeurig Westerling—Fransman of Duitser, dat doet er niet toe, als het maar een van de „vreemde duivels” is—haten en doden. Met de kreet „de Joden hebben Jezus gekruisigd” kan een door staat, kerk en wodki voldoende verstompt Moezjik nog altijd worden opgehitst tegen de nakomelingen van het volk van Jezus. Waar ook nog stamwraak en vendetta mogen heersen—onze rechtspraak en ons zedelik bewustzijn zijn niet meer in staat, iemand te straffen of te verachten omdat zijn broer of vader of voorvader zich misdragen of verachting verdiend heeft56). Wie onzer is nog grof genoeg om de Fransen, de Duitsers, de Joden, de Russen, de Rooms-Katholieken te kunnen haten of liefhebben? Wij hebben geleerd—en het behoort tot het kostelikste wat we geleerd hebben, tot onze nieuwe humaniteit—de mensen met de nodigeonderscheiding te bejegenen. Maar de oude met waarheid en recht strijdige kollektieve grofheid en onzuiverheid—het is de ware oorlogsfeer: zij alleen heeft oorlog oorspronkelik mogelik gemaakt en wat is het oorlogsnationalisme anders dan de vernederende, beschamende terugval in deze geestesgesteldheid? Oorlog mist alle distinctie—daarom vloekt hij met ons kultuurpeil, daarom is hij een leugen voor onze kultuurvolken, met zijn valse solidariteit zonder geestverwantschap, zonder zedelike eenheid en zijn valse haat zonder geestelik tegenstanderschap.—In een roerende brief „An die Freunde in Fremdland”, waarmee de dichterStefan Zweig, vertaler vanVerhaeren, afscheid neemtfür lange Tagevan zijn kunstvrienden en geestesbroeders in Frankrijk, België en Engeland, het fijnste, wat ik van Duitse oorlogstemming tot dusver las, schrijft hij, hoe hij zijn persoonlike liefde en haat, zijn vriendschap en zijn vrienden tans verloochenen moet: „Meine eigene Sache ist jetzt nicht mehr, ich kenne keine Freundschaft, ich darf keine kennen, als die des ganzen Volkes, meine Liebe und mein Hass gehören mir nicht mehr zu. Und ich bin nur dann ganz wahr, wenn ich euch einzelne verleugne: der geringste plattdeutsche Bauer, der kaum ein Wort meiner Sprache versteht und sicherlich kein Wort meines Herzens, steht mir näher in diesen Stunden als ihr, ihr Lieben, denen ich so oft mich hingab mit meiner innersten Empfindung, immer von Verständnis umfangen, immer von Vertrauen umfasst... Ich muss vergessen, was ich von euch empfing, um besser fühlen zu können was alle anderen deutschen Leute empfinden. Nicht euch muss ich verleugnen und die Liebe zu euch, sondern mich selbst, jeden einzelnen Gedanken knicken, der nicht aufschiesst in der grossen deutschen Saat”. We zullen straks zien, hoeZweigniet alleen z'n kunstzinnig, maar ook z'n zedelik zelf, z'n gerechtigheid bewust ten offer brengt. Doch wij moetenZweig's dilemma nog een weinig zuiveren en verdiepen. De vaderlandse boerenpummel kan nog zedelik meer waard zijn, dan de uitheemse kunstbroeder. Maar zou ook de verachtelikste Duitse schurk of vlegelZweignader staan in deze dagen dan de nobelste Franse karakterheld? Ik vrees van ja. Zo weinig kieskeurig, zo onpersoonlik en amoreel—of moet ik zeggen onzedelik?—is nu eenmaal de oorlogs-, de gevaarsolidariteit en de nationale oorlogshaat. EenZweigkan zich eigenlik niet zo ver vergeten.„Ich habe nicht vergessen, was ihr mir ward und zutiefst noch seid, aber ich bin in diesen Tagennicht der Gleiche, der mit euch sass, mein Wesen ist gleichsam umgewandt, und das, was in mir deutsch ist, überflutet mein ganzes Empfinden”... „Und diesen Hass gegen euch—obzwar ich ihn nicht empfinde—ich will ihn doch nicht mässigen, weil er Siege zeugt und heldische Kraft”.—Oorlog bindt en scheidt met feloplaaiende massa-driften, volkshartstochten, zonder matiging—en zonder diepte. Oorlog is voor de volken wat storm is op zee—een oppervlakteverschijnsel. Huizenhoog steigeren golven van geestdrift en kolken van haat woelen de wateren om tot op de bodem—zo schijnt het. Maar tien of twintig meter onder het zeeoppervlak dringt geen storm ooit door—oermachtig en onwrikbaar volgen de diepzeestromen hun eeuwige baan en voeren het wrakhout en de lijken mee die er resten van reeds lang vervlogen orkanen.

Wat de geesten waarlik scheidt en bindt zijn geestestromingen, die wel voor een ogenblik vergeten, maar niet verdrongen kunnen worden door oppervlakkig stormend oorlogsgeweld. Geest smeedt beter dan bloed en ijzer. En wat wij met millioenen gemeen hebben zonder geestverwantschap kan nooit veel biezonders zijn, tenzij het tot die algemeen-menselike biezonderheid behoort, die boven alle grenzen van tijd en ruimte de eenheid van het mensdom vormt, de geesteswettelikheid van ons denken met zijn ene, eeuwige waarheid, van ons zedelik oordeel met zijn ene eeuwige heiligheid en van gevoel en aanschouwing met hun ene eeuwige schoonheid.

Oorlog sprak bij monde van KeizerWilhelmin de Rijksdag: „Ik ken geen partijen meer—ik ken slechts Duitsers.” Plots treedt een man de zaal in en roept: „Ik ken geen Duitsers en geen vijanden—alleen naasten, die ik liefheb als mijzelf.”—Gesis, gefluit, tumult—„grober Unfug” wordt geroepen, verstoring van een histories moment! Men wil de zonderling te lijf, die er uitziet als een jood. „Lafaard!” „Vaterlandsloser Gesell!”, schreeuwt men hem toe. Daar klinkt weer zijn stem over alles heen: „Ik ben de grootste, de volmaakte patriot, want mijn vaderlandsliefde kent geen grenzen.” Men wil hem grijpen, maar hij is verdwenen. De leden hernemen hun plaats, de wijding en orde keren terug—en de Keizer vervolgt zijn rede: „Laat dus uw harten slaan voor God, Keizer en Vaderland, en uw vuisten op de vijand.” Het smakeloos, ergerlik incident der verschijning van die dwaas is vergeten—en geschrapt door de censuur.

13)Beiträge zur speziellen Psychologie, 9: Die selektorische Wirkung der Ehe,Z. f. Psych.62.

13)Beiträge zur speziellen Psychologie, 9: Die selektorische Wirkung der Ehe,Z. f. Psych.62.

14)Wat ook op deze cijfers moge zijn af te dingen, de richting van betoog, en onderzoek schijnt mij onaanvechtbaar.

14)Wat ook op deze cijfers moge zijn af te dingen, de richting van betoog, en onderzoek schijnt mij onaanvechtbaar.

15)ZieEinführung in die Ethik, 1914, §32.

15)ZieEinführung in die Ethik, 1914, §32.

16)Zie deze punten bijD. van Embden,Darwinisme en Democratieen daarnaast de sociaal-demokratiese maatschappijkritiek en program-eisen.

16)Zie deze punten bijD. van Embden,Darwinisme en Democratieen daarnaast de sociaal-demokratiese maatschappijkritiek en program-eisen.

17)Steinmetzzelf geeft op een weinig enthousiast ogenblik—of bij wijze van palinodie?—toe, dat de „eeuwige vrede”, het vervallen van oorlog en kollektieve selektie, niet ontaarding en dood, maar slechts vertraging van vooruitgang zou brengen:„Es gäbe dann weiter nur Personalauslese. Ich behaupte gar nicht, dass diese bloss egoistische oder höchstens egotistische Eigenschaften züchtet, ich verkenne auch die Möglichkeit keineswegs, sogar ohne alle Selektion zu einer gewissen, wenn auch wahrscheinlich nicht erblichen Erhöhung unserer Kollektiveigenschaften, nur auf dem Wege der Erfahrung und Erziehung zu gelangen”... „Sonst sehnt man sich mit Recht nach grösserer Schnelligkeit des Fortschritts, warum sollte man jetzt auf ein Beschleunigungsmittel Verzicht leisten?”(blz. 215,Ph. d. Kr.)

17)Steinmetzzelf geeft op een weinig enthousiast ogenblik—of bij wijze van palinodie?—toe, dat de „eeuwige vrede”, het vervallen van oorlog en kollektieve selektie, niet ontaarding en dood, maar slechts vertraging van vooruitgang zou brengen:„Es gäbe dann weiter nur Personalauslese. Ich behaupte gar nicht, dass diese bloss egoistische oder höchstens egotistische Eigenschaften züchtet, ich verkenne auch die Möglichkeit keineswegs, sogar ohne alle Selektion zu einer gewissen, wenn auch wahrscheinlich nicht erblichen Erhöhung unserer Kollektiveigenschaften, nur auf dem Wege der Erfahrung und Erziehung zu gelangen”... „Sonst sehnt man sich mit Recht nach grösserer Schnelligkeit des Fortschritts, warum sollte man jetzt auf ein Beschleunigungsmittel Verzicht leisten?”(blz. 215,Ph. d. Kr.)

18)Vgk.Ph. d. Kr.255, oorlogen tussen kultuurvolkeren kunnen „keine ausmerzende Wirkung üben”.

18)Vgk.Ph. d. Kr.255, oorlogen tussen kultuurvolkeren kunnen „keine ausmerzende Wirkung üben”.

19)Steinmetzzelf laat nu eens herhaalde nederlagen „Verfall und Verderben” brengen (p. 255), elders weer de nederlaag voor beide behoeden—gelijk de zege zowel een zegen kan zijn als zelfs „dem Sieger zum Verderben werden” (257). Het kan gebeuren „dass die Sieger den Besiegten weichen müssen”!„Bei steigender Kultur und zunehmender Volksmasse verlaufen alle diese Prozesse der Auslese immer subtiler” (258). Wat blijft er dus over van het eenzijdig schema, van de globale frase?

19)Steinmetzzelf laat nu eens herhaalde nederlagen „Verfall und Verderben” brengen (p. 255), elders weer de nederlaag voor beide behoeden—gelijk de zege zowel een zegen kan zijn als zelfs „dem Sieger zum Verderben werden” (257). Het kan gebeuren „dass die Sieger den Besiegten weichen müssen”!

„Bei steigender Kultur und zunehmender Volksmasse verlaufen alle diese Prozesse der Auslese immer subtiler” (258). Wat blijft er dus over van het eenzijdig schema, van de globale frase?


Back to IndexNext