"Hoeveel flasschen bier het-e nog!" roept een stem.
Niet dadelijk komt het antwoord.
"Hoeveel flasschen bier het-e nog?" klinkt het voor de tweede maal, en nu op een toon van dreigenden toorn.
"Misschien nog 'n honderd, meniere!" antwoordt schuw en aarzelend de man van over 't water.
"Goed. Afleveren!" galmt het kort bevel.
Twee schuitjes, waarmee de burgerwachten kunnen overzetten, liggen daar bij den oever vastgemeerd. Een wordt er losgemaakt en drie mannen varen er mee naar de overzijde.
't Gaat gauw genoeg. De flesschen zitten in bakjes van twaalf en acht van die bakjes worden in het schuitje neergelaten. Bij 't licht der schijnwerpers wordt even een bonnetje afgeteekend, het schuitje vaart weer over en de benauwde voerman mag verder.
De burgerwachten voelen zich heerlijk opgemonterd. Jammer, dat er nog niet een stuk of dertig meer van die fleschjes waren!
Dan had ieder het zijne gehad. Zou die kerel hen niet bedot hebben? Zou men nog niet eens het zoeklicht laten spelen?
Voor de grap laten zij het nog eens spelen. Onmiddellijk houdt de man zijn paarden aan den overkant weer in en het angstig gezicht komt spookachtig-wit van onder de kap te voorschijn.
"Es 't zeker da g' ons álles gegeven hèt?" roept een autoritaire stem.
"Joa 't meniere, joa 't meniere! Op mijn woord van iere!" antwoordt de man.
"Prosit! Prosit!" lachen de burgerwachten van verre, enkele flesschen in de hoogte houdend.
Het licht gaat uit en het karretje verdwijnt met het geklikklak zijner leege lading in de duisternis.
Andere vijanden hebben de burgerwachten dien nacht niet gezien...
Voor mijn heldhaftige jonge vrienden Henri Rolin en Pierre Waelbroeck.
Het oogenblik is gekomen...
Uren lang hebben de kanonnen over 't veld gedonderd, door het verre geschut van den vijand beantwoord. En uren lang heeft de vrijwilliger met de reserves daar gestaan achter de bulderende vuurmonden. Voor 't eerst, in dien geweldigen strijd, heeft hij, van dichtbij, 't kanon zien en hooren léven. Hij heeft het zien laden en richten en op het degen-bevel van den officier zien afvuren!
Het kanon, dat wordt afgevuurd, is geen strakke, holle, bronzen pijp op wielen meer: het is een beest, een monster, dat plotseling, met overweldigend geweld, kortstondig en afschuwelijk leeft.
Een dreunende slag, die de aarde doet beven, een wreede vuurtong, een terugsprong, alsof het beest schrikte van zijn eigen woestheid, en in de lucht een snerpend noodgegil, als het gebriesch van een wegstormend paard! Het is, alsof het kanon schreeuwde: ik ben de Dood en mijn vraatzuchtige woede is afgrijselijk: ik hol, ik vlieg, ik grijns, ik scheur en ik vernietig en niets kan mij weerhouden!
Dat geeft den mannen moed. Het is niet denkelijk, dat iets aan zulk geweld kan weerstand bieden. Het kanon is de geweldige stem der victorie en zoolang het spreekt moet alles zwijgen.
Maar nu zwijgt het zelf. Het heeft zijn taak volbracht. Het heeft het geschut van den vijand verstomd en zijn loopgraven stukgeschoten. Wat nu nog moet gebeuren is het werk der manschappen.
Met de andere reserves is de vrijwilliger vooruitgerukt. Wie zijn ze, die anderen? Hij weet het niet, hij kent ze niet. Een maand geleden allen onbekenden, onverschilligen; nu allen broeders... Broeders in 't doodsgevaar en in de vaderlandsche liefde; strijders voor eenzelfde doel, voor iets, dat zich niet duidelijk tot een beeld van concretie vormt, maar dat schoon en hoog en nobel is: strijders voor een ideaal!
Wat hij zelf was vóór den oorlog, is de vrijwilliger bijna vergeten. Zijn jong studentenleven, zijn vroolijkheid, zijn frisch gemoed, zijn werk-en-toekomstplannen, 't ligt alles nu zoo ver en vreemd reeds achter hem! Er kwam ineens als 'n schok in zijn leven: fier en razend stond hij op tegen schandelijk onrecht en verdrukking en kende alleen nog zijn plicht, één enkelen plicht: vechten tot den dood tegen dat onrecht!
Daar kruipt hij nu over den grond naast al die anderen...
De avond daalt. Een bleeke, rose streep ligt laag en lang over den grijzen einder, als een teere, zachte blos van stillen weemoed. 't Is of de avond zei: ga rusten, ik rust ook; 't is nu geen uur van strijden meer. Maar ginds, op eenigen afstand, knettert aanhoudend een krakend geluid en vlak over zijn hoofd heen hoort de vrijwilliger een voortdurend gezoem, als van ontelbare, vliegende en zwermende bijen. Soms is het of er duizenden en duizenden zwermden en zoemden; soms is het of er slechts enkele meer waren en dan rukt de vrijwilliger naast zijn kameraden met een korten sprong voorwaarts, om dadelijk weer neer te ploffen, en de bijen, bij honderden en honderden, boven zijn hoofd te hooren zoemen.
Hij weet maar al te goed wat dat gezoem beteekent! Het is 't luguber doodsdeuntje der vliegende geweerkogels! Soms gaat een korten kreet op en een der makkers blijft roerloos op het akkerveld liggen. Dat maakt de anderen niet bang. Dat maakt ze woedend, razend, en zij klemmen de tanden op elkaar, terwijl ze, op hun beurt en onverpoosd, naar den onzichtbaren vijand vuren. De stemmen van hun officieren klinken kort en krachtig achter hen: "En avant! Vooruit! En avant! Vooruit!" En onder dien aandrang gaat het, in stuggen nijd steeds verder en verder, ondanks de verliezen, tot zij eindelijk, in de schemering, de schansen van den vijand vóór zich zien, en, niet meer te weerhouden, wild er op losstormen.
Wat geeft het nog of ze bij tientallen nu vallen? Wie kent nog gevaar en wie voelt er nog pijn! Het zijn geen menschen meer; 't is een orkaan van wilde beesten en brullend storten zij op en in de loopgraven neer!
Een ruk, een vloek, een stoot en mannen vallen achterover, het lijf door bajonetsteken doorboord. 't Gaat bliksemsnel. Wie even mist of wankelt, wordt zelf ter dood getroffen. De kelen zwoegen, de monden hijgen, de voeten struikelen over lijken en glijden uit op slijk en bloed. De vlugge oogenblikken hebben een beteekenis van eeuwen. Tijd geldt niet meer; 't moment is alles!
Hoog staat de vrijwilliger even op den berm der loopgraaf en ziet zijn vijand in de diepte.
Zijn vijand, want rechts en links zijn het de vijanden der kameraden. Zijn vijand, want de man mikt en schiet op hem en het schot vliegt hem, brandend, rakelings, naast de linkerwang. Dan stort de vrijwilliger op zijn vijand neer en met een rauw gekrijsch van woede boort hij zijn bajonet tot aan den loop van het geweer, dwars door zijn lijf!
De vrijwilliger is een mensch. Daarstraks, in 't felle van 't gevecht, was hij een dol, wild beest; maar nu, nu hij voor 't eerst een man onder zijn slag ziet vallen, nu is hij plotseling weer een mensch! Hij ziet een gruwelijken weemoed in die dof brekende oogen, een wereld van rouw en lijden en verdriet; en 't snikt hem eensklaps naar de keel, het barst ontembaar in hem uit van menschelijk medelijden; hij smeekt "Pardon!" Pardon! met saâmgevouwen handen en de tranen breken uit zijn oogen, en hij valt sidderend en biddend op zijn knieën...
Maar 't is reeds afgeloopen. De zuiver-menschlijke tragedie duurde slechts een oogenblik; de doode vijand is nog maar een roerloos hoopje vuil en bloed, en om hem heen weergalmt luid-bulderend hoezee-geschreeuw. Hij staart met waanzinnige oogen en ziet zijn makkers vreugde-dansen en hoog zwaaien met hun képi's en geweren. Zij hebben de loopgraaf genomen; zij hebben overwonnen en jubelen wild hun trotsche blijdschap uit.
Stil bukt de vrijwilliger het hoofd en jubelt niet mee. Zijn korte adem zwoegt en hijgt, zijn handen beven, zijn zwakke beenen weifelen en knikken onder hem. In doodsche stilte gaat hij een eind verder op den rand der loopgraaf zitten en staart over den langzaam-aan wegsomberenden horizont.
Het lange, lage, rose schijnsel aan den einder is slechts een vale lichtstreep meer. Het droeve slagveld donkert weg met de vage hoopjes der gevallen lijken en de rust, die over 't eenzaam landschap daalt is van een eindelooze triestigheid. Ergens rijdt, onder dof en langgerekt gedreun, een trein op een metalen brug en in de verte blaft een hond, met hol en klagelijk-droef geluid.
De vrijwilliger haakt zijn veldflesch los en drinkt met lange, gulzige slokken. Gelukkig, dat hij die nog heeft! Hij bezwijkt van den dorst! Als hij op dit oogenblik niets te drinken had, dan zou hij stikken, of weer in akelig huilen losbarsten.
Een stem, in het reeds vallend duister, roept zijn naam uit. Hij hoort het wel, doch antwoordt niet onmiddellijk. Hij kán nog niet antwoorden. Zijn schor-hikkende keel kan nog geen klanken doorlaten. Dan klinkt de stern opnieuw, dringend, met harderen klem; en eindelijk antwoordt hij...
Ja, hij is nog van de levenden, hij behoort tot de overwinnaars!...
Alweer, den ganschen dag, had, in de verte, het kanon gegromd...
Dat was echter geen nieuws meer; sinds lang waren zij daaraan gewend. Doch, met den avond scheen het gedonder dichterbij te komen en dat verwekte angstigheid.
Het was een zachte, schoonte, stille, gouden avond. De menschen van het dorpje kwamen buiten op hun drempel staan. Alle gezichten waren naar 't Oosten gekeerd en aller oogen staarden schrik-starend, en aller ooren luisterden, met ingespannen aandacht, om ieder geluid op te vangen.
Het roffelde aanhoudend, als een verwijderd onweer, maar af en toe met zwaar-bonzende slagen, die eventjes de ruiten deden rinkelen.
Dat daver-rinkelen der ruiten was een allerakeligst en angstwekkend geluid. 't Was telkens of 't gevaar eensklaps vooruitsprong, met reuzenschreden.
Er kwam een vage woeling in het dorpje. Iets als een windvlaag, die er dreigend overheen streek. Iets, dat uit het schemerig verschiet scheen aan te ruischen en te zwellen; iets, dat de harten deed kloppen en de beenen deed beven.
Menschen liepen dwars over de straat naar elkander toe, vereenigden zich tot kleine groepjes, schenen elkander nare dingen mee te deelen. En plotseling was daar een vrouw, die akelig huilde; een vrouw, niemand wist waar-vandaan gekomen, halfnaakt in gescheurde lompen, met een schreiend kind op den arm en die snikte:
—Ze zijn te Leuverghem; z'hèn mijne man vermeurd en ons huis in brand gesteken! Ze komen noar hier! Ze komen! Ze komen!
Eerst was er een kort oogenblik als van geconsterneerde stilte. Zij konden dat niet zoo dadelijk bevatten en keken de vrouw aan, roerloos, met wijd-angstige oogen. Maar eensklaps riep een jongetje: "'t Es woar! 't Brandt ginder!" en allen keerden, als onder een schok, zich om en zagen een rossigen, rookenden gloed, over de verre boomen aan den einder.
Looverghem stond in brand; dat wisten zij terstond aan de richting; en Looverghem was slechts anderhalf uur verwijderd van hun eigen dorp! Wat nu te Looverghem gebeurde, zou straks ook te Baevel gebeuren: hun gansche dorp, met alles wat zij bezaten, zou door den wreeden, woesten vijand vernield worden!
Met wilde kreten, met wanhoopskreten, stoven zij uit elkaar, elk naar zijn eigen huis toe. Aan iets te redden door verdediging was geen denken: alleen de vlucht, de panische vlucht, met wat zij dadelijk redden konden, was de eenige uitkomst.
Reeds kwamen de eerste vluchtelingen uit Looverghem, uitzinnig van schrik, in Baevel aan. Doch niet een hield er zich op. Zij schreeuwden slechts, in 't wild voorbij rennen, wat de huilende vrouw met het kind had uitgegild: "Ze komen! Zekomen! Ze branden en vermoorden!" en weg waren ze, met rijwielen, wagens en karren of te voet: één griezelige stroom van vluchtende, schreeuwende, strompelende, vallende, schreiende wezens, één vloed van overweldigende, menschelijke ellende, die in een dikke stofwolk 't gansche dorp als een orkaan doorzweepte en aangezwollen door reeds meehollende honderden en honderden uit Baevel zelf, als een apocalyptische horde aan den rooden horizont verdween.
Vosken (Vosken van den Berg, zooals hij in de wandeling werd genoemd) hoorde dat wild geraas van verre aanbruisen. Hij woonde daar met vrouw en kinderen op de hoogte, even buiten het dorp, in een klein huisje, dat alleen stond en vanwaar zich een ruim en prachtig vergezicht over den ganschen omtrek uitstrekte.
Dat wijd en prachtig vergezicht was zeker niet 't geen Vosken daar het meest aan zijn woning hechtte. Het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat hij er nooit anders dan met een verstrooiden of onverschilligen blik naar keek. Hij had er ook geen tijd voor. Vosken was marskramer en vellenploter en van den ochtend tot den avond reed hij meestal met zijn hondenkar over de wegen. Zelfs de oorlog had hem zijn vermoeiend bedrijf niet doen staken; en hij was maar zooeven van een urenlangen rit teruggekomen en zat met vrouw en kinderen aan 't avondmaal, toen hij 't gedruisch hoorde aanzwellen.
Hij lei zijn vork neer en ging buiten zien. Hij zag die wilde, vluchtende benden den heuvel oprukken; maar van het hooge punt, waar hij stond, ontwaardde hij meteen wat zij, die nog beneden waren, veel minder duidelijk, of zelfs in het geheel niet konden zien: de gansche, verre, aschgrauw-wordende Oosterkim in brand: een brand, die zich heel snel naar 't Westen uitzette, opvonkend als het ware uit honderd plaatsen tegelijk, als een omcirkelende vuurslang, die weldra alles zou verslinden.
Vosken schonk ternauwernood eenige aandacht aan de voorbij stormende, angstig verwilderde menigte; hij omvatte met één enkelen oogopslag het gruwelijk gevaar en holde weer naar binnen.
—Op! gilde hij, tot vrouw en kinderen. Op! Alles brandt af! Geen menuut te verliezen! Vluchten! Vluchten, zeg ik ulder! En hij begon te vloeken en te razen, omdat de door schrik verlamde vrouw en kinderen niet dadelijk begrepen en opvlogen.
Hij rende naar het hok, waar zijn twee sterke trekhonden vastgeketend lagen en spande ze hijgend vóór 't karretje aan. De vrouw had ijlings al 't geld uit het laadje gehaald, de dochter scharrelde wat kleeren bij elkaar, het zoontje nam een zwaar roggebrood en een homp spek onder den arm. De honden blaften wild en jankten bij het stalletje, als bezielde wezens, die al het somber-tragische van de gebeurtenis heel duidelijk begrepen.
In enkele minuten was men klaar. De wanhopige moeder had nog zooveel meer willen meenemen, doch het kleine karretje was reeds overladen. Zij konden er nog nauwelijks zelven in. Zij schreiden luid en snikten om alles wat zij daar nog moesten achterlaten; het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, het moést, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van het dorp reeds brandden...
In volle vaart renden zij het roode Westen in. Wat zag het vreeselijk bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten. 't Was als een tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht, holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op in. Want achter hen, den ganschen horizont omlaaiend, woedde de gruwbare brand der vernieling, en naarmate het roode hemelsvuur der weggezonken zon tot somberend aschgrauw vervaagde, zagen zij steeds nieuwe brandpunten opflitsen rechts en links vóór zich uit nu, zoodat zij steeds onstuimiger moesten vluchten en vluchten, om niet binnen den afgrijselijken brandcirkel te worden ingesloten.
Reeds waren er velen, die niet verder mee konden en uitgeput, met schreiende stemmen en om hulp-smeekend-gevouwen-handen aan den rand van den weg bleven liggen. In den naderenden vuurgloed der alom-brandende hoeven en huizen vertoonden zij afschuwelijk verwrongene wanhoopsgezichten met wijd-opengespalkte schrik-oogen, waarvan het wit als bloed-doorloopen blikkerde in den felrooden gloed, die den ganschen hemel scheen in brand te zetten. Doch geen mensch keek naar hen om, geen helpende hand werd naar hen uitgestoken. De vijand naderde, men hoorde in het helsch verschiet 't gedreun der hoeven-trappelende paarden en 't was steeds verder vluchten, vluchten, vluchten, tot men zich ergens in veiligheid geborgen had of op zijn beurt van afmatting ineenstortte.
Vosken met zijn hondenkar was in het heetste van 't gedrang. Gelukkig, dat hij zulke flinke, sterke dieren had! Zij holden er met het overladen karretje vandoor, heuvel op, heuvel af, de pooten gestrekt, de flanken zwoegend, de koppen tegen den grond. Vosken, zijlings op 't lamoen gezeten, porde ze onophoudend, met de stem en met een knuppel aan. Voortdurend klonk zijn ruwe stem: "Hue, Baron! Hue, Duc!" en als 't dan nog niet gauw genoeg ging naar zijn zin, of als de doodsangst hem op 't lijf zat bij het hooren van't geloei achter zijn rug of bij het gruwbaar tafereel van den alomlaaienden horizont, dan viel met een gevloek de knuppel op de beenderige ruggen neer, hard en kort, als hout op hout. De arme beesten zwoegden, hun droge, roze tong flapperde scheef uit hun wijd-open bek; zij jankten even scherp en keerden fluks den kop om, met menschelijke wanhoops-oogen, alsof zij schreiden: "Ach, meester, slaat ons niet; gij ziet toch wel, dat wij doen wat we kunnen om u en uw gezin te redden!" Zij waren afgebeuld reeds vóór ze wegreden; den ganschen namiddag hadden zij met Vosken omgezworven en nog hun avondeten niet gehad, toen ze weer aangespannen werden; doch geen van allen dacht daaraan: het was de vlucht, de wilde, uitzinnige vlucht op leven en dood!
Eindelijk, na uren en uren, geraakten zij eenigszins uit de benauwende verwarring. Vóór hen lag nu de vale nacht wijd-donkerend open, met hier en daar een eenzaam lichtje, dat vredig op de stille boerderijen pinkte. De verre brand in 't Oosten schemerde nog slechts heel laag aan den gezichtseinder en geen geloei van vluchtelingen en vijanden klonk tot hen meer door. Zij voelden zich voorloopig gered en reden iets langzamer. Zij kwamen weldra in een dorpje, waar Vosken bekend was en even beraadslaagden zij, of zij daar niet zouden overnachten. Doch de doodsangstige vrouw en dochter voelden zich nog niet veilig genoeg en wilden steeds verder en verder, tot zij geen spoor van het vernielend vuur meer aan den einder zouden zien. En weer reden zij: "Hue, Baron! Hue, Duc!" met vloeken en met harde stokslagen, met gezwoeg en gehijg en gejank, tot zij eindelijk in een tweede dorpje kwamen, waar alles zoo rustig en zoo vreedzaam was, alsof er nooit een oorlog had gewoed.
Daar hielden zij voor een klein herbergje stil... Er was nog licht daarbinnen. Vosken klopte op de deur, een man kwamen opendoen en zij vroegen, of zij daar den nacht mochten doorbrengen.
Na eenig heen en weer gepraat en nadat Vosken in gejaagde woorden had verteld, waar ze vandaan kwamen en van de gruwelen, die daar gebeurden, werden zij binnengelaten. De menschen wisten daar nog niets van al die angstwekkende dingen; zij hoorden Vosken aan met open mond en van schrik uitgezette oogen; en er kwam geen eind aan 't vragen en verhalen; de gansche wreedheid van den oorlog drong eensklaps in die rust en stilte door met al den omprangenden angst van een gruwelijke nachtmerrie, die plotseling een zacht-veiligen slaap komt storen. Zij vergaten den tijd, zij hadden reeds lang gegeten en gedronken; en vrouw en dochter, eindelijk van haar schrik bekomen en nu in stille wanhoop op haar stoelen neergezeten, spraken van naar bed te gaan, toen Vosken zich opeens herinnerde, dat hij, in zijn ontsteltenis, kar en honden vóór de deur had laten staan.
Hij nam een homp brood voor zijn beesten en opende de voordeur. De baas van 't herbergje ging met hem mee, om hem het stalletje te wijzen, waar de honden konden slapen.
—Hue, Baron! Hue, Duc! riep Vosken aan 't karretje duwend.
Maar 't karretje bood tegenstand; 't was of er iets haperde.
—Hue dan! herhaalde Vosken, harder duwend.
Het karretje draaide half om zijn as en bleef staan.
—Wa scheelt er dan! bromde Vosken bij 't lamoen komend.
Hij voelde Duc, die, hijgend nog, overeind stond tusschen de boomen; maar Baron voelde hij niet. Daar waar Baron moest staan gaapte een donkere, leege ruimte.
—Wacht, zei de baas, 'k zal 'n lanteernken hoalen.
Hij verdween in 't duister deurgat en na een poosje, was hij daar met een pover-lichtend lantaarntje terug. Hij hield het bij 't lamoen en kreeg als 't ware een klein schokje, dat even het lantaarntje in zijn hand deed beven.
Een bruine massa lag daar op den grond, zijlings uitgestrekt, de pooten van zich af, den kop, met open bek, die scheen te grijnzen, in het zand.
—Ien van ou honden es deud! riep de man tot Vosken.
Een heele poos stond Vosken strak en roerloos, alsof hij niet begreep. Toen kwam hij bij, bevoelde 't beest, schudde zijn hoofd, met tranen in de oogen.
—Alle ongelukken eens! jammerde hij eindelijk. Azeu ne scheunen hond! Hij was wel honderd frank weird!
—Hij es 't hert afgereên, zei de baas, het slachtoffer monsterend met kennersoogen.
Duc stond naast zijn dooden makker en jankte zachtjes, klagelijk, met rillingen over zijn huid.
De vrouw, de dochter en het zoontje kwamen buiten. En ook zij jammerden luid over 't verlies van den mooien hond, die zooveel geld waard was. Vosken vloekte.
—Allemaal de schuld van die bandieten! raasde hij, zijn vuisten naar 't Oosten ballend.
Maar een kreet van angst verkropte in zijn keel en zijn oogen, star van schrik, bleven op den vagen horizont gevestigd.
Daar glom en schemerde, gansch in de verte, gansch in de verre, verre, verte, iets als het flauwe schijnsel van een opkomenden dageraad. Een oogenblik verkeerde Vosken in de zonderlinge illusie, dat de ochtend werkelijk aan 't komen was. Maar meteen loeide iets aan als het dof geraas van een naderend onweer en plotseling begreep hij en gilde 't uit van gruwel en van woede.
De vijand! De brandende vernieling!
Zijn vrouw en kinderen hadden 't ook gezien en dadelijk begrepen. Zij schreeuwden en huilden en snikten en sprongen weer in 't karretje: Vosken rukte den dooden hond, die hem 't leven had gered, uit zijn harnas en gooide hem als een hoop vuil op zij; en met Duc alleen nu, met den armen, afgebeulden Duc, die nog niet gerust en niet gegeten had, met Duc, die evenals zijn droeven makker, tot het alleruiterste zou afgejakkerd worden, vervolgden zij, in de verwilderde paniek, die reeds het dorp aantastte, hun vreeselijken martelaars-en vluchtelingentocht, naar het onzekere, naar 't onbekende, naar de redding... of den dood...
De drie officieren zaten met mij aan tafel.
Sinds een paar weken waren zij met hun manschappen bij mij ingekwartierd.
Het waren drie flinke, aardige kerels: twee kapiteins bij de karabiniers en een luitenant van de grenadiers.
Wij waren laat aan tafel gegaan. De dag was zwaar-vermoeiend geweest.
Het was vier dagen na den slag te M. waar de Belgen, als altijd, na heldhaftigen tegenstand, ten slotte voor een overtalrijken vijand hadden moeten wijken.
Mijn officieren waren ernstig, doch geenszins moedeloos gestemd. Zij hadden hun plicht gedaan; zij hadden gedaan wat ze konden en wat hen ernstig stemde, was het geleden verlies aan manschappen en kameraden.
Zij trokken de getallen samen op een klein boekje, zooals men in 't gewone leven zijn dagelijksche uitgaven zou opsommen. Er was een klein verschil in de samenstelling. Kapitein L. telde één man meer aan verliezen dan kapitein J. Zij voerden daarover 'n korte discussie.
Nr. 1271, beweerde kapitein J. was wel als vermist, doch niet als gesneuveld aangegeven: hij kon dus krijgsgevangen zijn.
—Pardon, antwoordde dadelijk kapitein L., hij is wel degelijk gesneuveld; men heeft dezen namiddag zijn lijk op het slagveld gevonden, in een boschje, dicht bij de rivier. De majoor heeft het mij daar pas gezegd.
Zij zwegen alle drie een oogenblik en keken elkander ernstig aan. Toen haalde kapitein J. even zijn schouders op en verbeterde de aanteekening op zijn boekje, zoodat het met het lijstje van zijn makker klopte.
—Weet jij ook wie dat was, die 1271? vroeg nog kapitein J. aan kapitein L.
Kapitein L. wist het niet. Maar de jonge luitenant K. van de grenadiers, haalde nu ook een boekje uit den binnenzak van zijn tuniek, bladerde er in en las:
—Numéro matricule 1271, baron de B., 1e grenadiers, 1e bataljon, 3e compagnie. Vrijwilliger.
De beide anderen knikten langzaam met het hoofd, zwijgend naar hun makker starend.
—Twee-en-twintig jaar, voegde deze er nog als toelichting bij, meteen zijn boekje dichtflappend en het weer in zijn binnenzak verstoppend.
De maaltijd die even onder het gesprek was opgeschorst, ging verder door.
Het was een wilde, stormachtige najaarsavond. Daarbuiten gierde de wind in de schommelende kruinen der boomen, die van regen afdropen. Binnen, in de ruime eetkamer was het gezellig. Frissche bloemen versierden de tafel, de lampen gloeiden zacht onder warmkleurige kappen en een groot houtvuur brandde flikkerend en knappend in den breeden haard.
Soms hoorden wij vaag geluid en gestommel in den donkeren nacht. Dat kwam uit de oranjerie, vlak bij het huis, waar de manschappen op stroo ter ruste lagen. Vijftig lagen er. Vijftig jonge kerels, allen vrijwilligers, spontaan en moedig opgekomen tot verdediging van het bedreigde vaderland. Alle maatschappelijke standen waren er vertegenwoordigd. Er lagen barons en graven, en zonen van ministers, naast boerenzoons en dokwerkers. Het "couvre-feu" had reeds geklonken, maar zij waren jong en opgewekt en levenslustig en sommigen neurieden nog liedjes, of maakten grapjes en hielden praatjes, bij 't zwakke schijnsel van het nachtpitje, dat daar in een hoek bleef branden. Zij hadden dapper gestreden te M.; zij hadden enkele dagen getreurd en gerouwd om hun gevallen kameraden, doch dat was nu reeds een beetje vergeten en zij verlangden allen maar om zoo spoedig mogelijk weer naar 't front te mogen gaan.
Daarachter lag, in najaarsduisternis, de groote tuin en verder 't eenzaam dorpje. Het was er stil, doodstil. De bange menschen gingen er vroeg naar bed. Maar af en toe raasde er toch een woest gesnor doorheen en 't oogenblik daarna zagen wij, door de heldere ramen der eetkamer, een groot, schel licht op ons afkomen.
Dat was dan een estafette op een motorrijwiel. 'n Tikje op de glazen deur, 'n kort "entrez" van een der officieren en de deur werd geopend, windgeloei en kille regenlucht binnenlatend, terwijl de boodschapper, aanslaande, drijfnat op den drempel verscheen.
Hij gaf zijn boodschap af en wachtte. Een van de officieren las, met gefronste wenkbrauwen. De anderen staarden den lezende aan. De even schelverlichte takken van de in den storm gezwiepte boomen, wuifden nattigglanzend in de duisternis heen en weer en uit de nog vaag-verlichte oranjerie klonk even iets duidelijker het gegons en gepraat en geneurie en gedempt gelach der op hun stroobed gelegerde manschappen tot ons door.
Dat duurde zoo enkele oogenblikken. Dan deelde de officier de boodschap aan zijn makkers mede, een antwoord werd met potlood op een stuk papier gekrabbeld en overhandigd aan de estafette, die nogmaals aansloeg en weldra weer met zijn snorrend, ploffend, hitsend motorwiel, in de natte, kille duisternis van den stormnacht tusschen de druipende boomen van het park verdween.
Wij waren aan het nagerecht gekomen. Het kon zoowat half tien zijn. De officieren, nu niet meer verwachtend, dat zij op dit late uur nog gestoord zouden worden, maakten het zich gezellig. De koffie dampte geurig in de kopjes, de sigaren waren aangestoken, de likeurglaasjes gevuld. Eenige versche blokken werden nog op het haardvuur gegooid, dat lustig opknetterde; en men strekte de vermoeide beenen naar de roode vlammen uit.
Wij spraken over den oorlog. Waarover zouden wij ook anders wel gesproken hebben? De twee kapiteins waren reserve-officieren; de jonge luitenant behoorde tot het actieve leger. En 't leek wel vreemd, dat de twee reserve-mannen, die reeds jaren lang uit den dienst getreden waren, verreweg het meest-militaire voorkomen vertoonden, terwijl de jonge luitenant van het actieve leger niets geen krijgshaftig uiterlijk had. Lang en slank was hij en ietwat voorovergebogen, met een heel zachte en droomerige, bijna meisjesachtige expressie in zijn groote, blauwe oogen en zijn frisch-roze gelaat.
Toen wij daar een tijd gezeten hadden, vroeg de jonge man mij, op een stillen, haast bedeesden toon, of hij soms een beetje op de piano mocht spelen.
Hij speelde... Het klonk zacht, in ordertoon, een beetje melancholisch. Hij scheen zijn eigen, innige gewaarwordingen te vertolken en nogmaals voelde ik in hem het schril kontrast tusschen die zachtheid en het harde en barre van zijn levenstaak in dezen wreeden oorlogstijd. Hij speelde voor zich zelf en de anderen luisterden niet naar hem. Zij warmden hun voeten bij het vuur, dat lustig vonkte en knetterde en gingen door met hun gesprek. Buiten hoorde men nog steeds het loeien van den wind en het aanslaan van den regen tegen de luiken, die het dienstmeisje gesloten had. Uit de oranjerie klonk nog vagelijk een deuntje op, een eigenaardig wijsje, dat een der jongens daar op zijn stroobed lag te fluiten.
Toen werd er binnen op de deur geklopt.
—Ja, antwoordde ik, ietwat verwonderd. Het dienstmeisje verscheen en reikte mij een visitekaartje op een presenteerblad.
Nu nog bezoek, zoo laat!
Ik keek en las: "Baronne de B."
De jonge luitenant had zijn piano-spel gestaakt; de beide kapiteins zagen mij ondervragend aan. Het meisje wachtte.
—Baronne de B... Is het niet een baron de B. de vermiste, die vandaag nog op het slagveld werd gevonden? vroeg ik aan kapitein L.
Hij haalde vlug zijn boekje uit en keek. Jawel, die was het. En de jonge luitenant, die insgelijks zijn boekje raadpleegde, bevestigde 't gezegde.
—Het zal zijn moeder zijn! zei halfluid kapitein L. Is die dame daar?
—Jawel, meneer, antwoordde 't meisje.
Er was een oogenblik volkomen, doodsche stilte. Wij waren allen opgestaan en keken als radeloos elkander aan. Buiten tokkelde de wind, als met houten knokkels, tegen de gesloten luiken en in de oranjerie weergalmde nog steeds, tergend en irriteerend in dit tragisch oogenblik, het fijn, gefloten deuntje.
—Wij moeten haar ontvangen; wij moeten haar... althans iets zeggen, sprak kapitein L. met aarzelende stem.
Kapitein J. knikte beamend. De jonge luitenant lei zachtjes de piano dicht. Door een teeken deed ik aan 't dienstmeisje verstaan, dat zij de bezoekster mocht binnen laten.
Ik heb alles wat er toen gebeurde, goed en duidelijk onthouden. Het heeft zich in mijn geest geprent met forsche kleuren, die niet meer uit te wisschen zijn.
—Lieutenant, dites dons à cet animal de siffleur qu'il se taise là-bas, sinon je lui f... des arrèts! riep eensklaps toornig kapitein L. tot luitenant K., terwijl hij dreigend zijn hand uitstak naar de oranjerie, waar het irriteerend fluitdeuntje bleef dreunen.
De jonge luitenant haastte zich buiten en meteen ging de binnendeur open en een zwarte verschijning kwam langzaam binnen.
Het was een dame van middelbaren leeftijd. Zij was in rouwkleeren. Het gezicht zag doodsbleek en de oogen hadden geschreid. Het moet een mooie vrouw geweest zijn. De gelaatstrekken, van smart doorgroefd en vroeg verouderd, getuigden daar duidelijk van.
Zij groette stil, met haast onhoorbare stem, en kwam naar ons toe. Ik schoof haar een stoel bij het vuur, maar zij schudde moedeloos het hoofd en bedankte. Zij poogde te spreken, maar kon blijkbaar niet; een overweldigende ontroering verstomde haar stem.
Wist zij het reeds? Wist zij 't nog niet? Dat was de angstige, schrijnende vraag, die ons geheel vervulde.
Zij sloeg haar rouwsluier om en uit een zwart-lederen tasch haalde zij een zwart-lederen boekje. Haar handen beefden, terwijl ze 't openbladerde. Strak keken wij haar aan. Regendroppels hingen als pareltranen in 't krip van haar sluier en haar grijs-beslijkte schoenen en de onderrand van haar kleed, waren drijvend-nat. Zoo was ze dus te voet, alleen wellicht, door storm en duisternis gekomen.
Zij keek naar ons op met haar droevige ooggin en zei, met een gebroken stem:
—Messieurs, je cherche mon file, mon fls unique, le baron Roger de B. volontaire au 1e grenadiers, 1e bataillon, 3e compagnie, numéro matricule 1271. Il droit s'étre battu à M. il y a quatre jours et je suis sans nouvelles de lui. Pouvez-vous m'en donner? Pouvez-vous me dire ou il est? Je suis affolée, je me meurs d'anxiété et de douleur!"
Geen enkel van ons sprak een woord. Kapitein L. keek naar kapitein J., die aarzelend naar mij opkeek. De buitendeur ging open en de jonge luitenant, die den fluiter in de oranjerie doen zwijgen had, kwam ook weer binnen. Dat gaf een korte afleiding. Maar toen de dame 't uniform der grenadiers herkende, kreeg zij een plotselinge tranencrisis en herhaalde met smeekende, wringende handen voor den jongen man haar wanhopige vraag.
Daar stonden wij nu met ons vieren, die het akelig geheim kenden en het niet durfden uitspreken. Ik heb zelden iets knellenders en tragischers gevoeld. 't Was als een levend tafereel uit Maeterlinck's aangrijpend "Intérieur". Men hoorde de vlammen in het haardvuur knetteren, men hoorde 't klokje tikken tegen den wand en men hoorde het loeiend gebeuk van den stormwind daarbuiten. Men hoorde ook als 't ware het angst-benauwend kloppen van de harten.
Toen eindelijk sprak de oudste der twee kapiteins tot luitenant K:
—Weet u wat, luitenant, het is nog niet te laat: Gaat u even mee met mevrouw naar 't hoofdkwartier bij den majoor: die heeft de voltallige lijsten en zal mevrouw misschien wel nauwkeurig kunnen inlichten.
Ik heb ze samen zien vertrekken. De jonge, zachte luitenant had een electrisch handlampje en lichtte haar voor. Als een voorkomende, zorgvolle zoon stapte hij aan haar linkerzijde onder de zwiepende en klagende boomgin. De regen had opgehouden, maar de wind loeide nog vervaarlijker in 't holle van den duisteren nacht.
Wij stonden op den drempel van 't huis en zagen ze gaan. Zij spraken geen woord. Ook wij spraken geen enkel woord. Haar donkere rouwgestalte werd heel gauw onzichtbaar. Van hem zagen we nog even het doffe glimmen van twee vergulde knoopen op den rug van zijn uniformjas. Met dansenden glans flitste 't schijnsel van het lampje op de grijze boomstammen. In de vagelijk verlichte oranjerie was alles nu heel stil geworden.
Zoo gingen zij, als een moeder met haar zoon... Zij gingen samen, de een wetend, de andere nog hopend, naar het wreede der onverbiddelijke werkelijkheid.
En 't was van een stille tragiek die aangreep, afschuwelijk, onvergetelijk...
Het was geen mooie troep, die nu in het dorp gecantonneerd lag...
Het waren meestal mannen van middelbaren leeftijd, landweer en landstorm.
Gedurende de eerste weken der invasie waren daar ontelbare horden voorbijgetrokken, allen flinke jonge kerels in de volle frischheid van het leven, veerkrachtig loopend met dreunenden stap, als één compacte massa in geweldig-forschen rythmus; maar 't werd al minder en minder, 't nam af van dag tot dag, tot men eindelijk die ouderen kreeg, die loomen en die dikken, sommigen met wit haar en grijzen baard, als afgedankte kolonels en generaals, die tot straf, van voor af aan, hun militaire loopbaan weer zouden moeten beginnen.
De eersten trokken vlug door of toefden in het dorp slechts enkele uren; maar de laatsten: de dikken, de loomen, de ouden, lagen er nu al weken en weken en men kreeg den indruk of er nooit een eind aan hun verblijf zou komen.
De menschen van het dorp waren er langzamerhand aan gewend geraakt. Men had ze in de beide scholen en verder bij enkele burgers en boeren ingekwartierd en zij gedroegen zich fatsoenlijk. Zij gingen gemoedelijk met de dorpelingen om en er was zelfs een soort van verbroedering ontstaan. Zij hadden zich zonder veel moeite iets van het locaal dialekt eigen gemaakt en ook de burgers en de boeren verstonden reeds hier en daar enkele woorden Duitsch. Het was geen zeldzaamheid hen onder elkaar in de herbergen met een glas bier in de hand te zien zitten en in de gezinnen der menschen vertelden zij graag van hun eigen gezin en hun land en lieten dikwijls foto's van hun vrouw en kinderen zien.
Dat verwekte wederkeerige ontroering en ontboezeming. De Vlaamsche moeders dachten aan haar zonen in het leger en schreiden. De Duitsche soldaten dachten aan wat zij thuis vol zorg en kommer hadden achtergelaten en schreiden insgelijks. En samen zuchtten zij over dien schrikkelijken oorlog en al de ellende en verwoestingen, die hij had meegebracht. En de Duitschers zeiden dat zij en de Vlamen broeders waren, die elkander best zouden verstaan, maar dat de gehate Engelschen door allerhande kuiperijen de argelooze Vlamen in den strijd hadden meegesleept. En de arme Vlamen zwegen dan, hoewel zij wisten dat de waarheid anders was, omdat zij bang waren voor de wraak der Duitschers, indien zij durfden tegenspreken. En beiden leefden in stille hoop en afwachting: de Duitschers dat zij daar nog zouden mogen blijven zonder naar het front te worden opgeroepen; de Vlamen dat de vijanden, ofschoon zich fatsoenlijk gedragend, toch maar zoo spoedig mogelijk zouden vertrekken.
Opgeroepen worden en vertrekken, dat beteekende naar het front aan den Yser gezonden te worden. En bij dat enkel woord "de Yser" gruwden de Duitschers.
Slechts vagelijk wisten zij wat daar gebeurde. De verhalen klonken verward, maar schrikwekkend. Alleen dit wisten zij duidelijk: dat er steeds duizenden en duizenden van hun makkers werden heengezonden en dat de legers er toch geen voet verder kwamen. Zij vielen er, die duizenden en duizenden! De Yser was een afgrijselijke, nooit verzadigde Moloch!
In de stilte van de lange winteravonden spraken zij met de lui bij wie zij waren ingekwartierd over dat geducht gewest. Zij haalden hun stafkaarten uit en luisterden in angstige roerloosheid naar de verhalen van sommige menschen welke die streken kenden en bezocht hadden. Het was een land van schoone, groene weiden vol met grazend vee, een vette streek doortrokken van kleine kanaaltjes en rivieren en waarin de oude stadjes en de witte dorpjes lagen te glinsteren, als zooveel eilandjes van weelde in een smaragden zee. Het was een pastoraal, idyllisch land, 't was niets geen land van oorlog, het was een land om zacht te kuieren en te mijmeren en te droomen; niemand begreep er iets van, dat dáár zoo lang en wreed-verbitterd kon gevochten worden; niemand begreep dat dit zachte Paradijs eensklaps een sombere hel van dood en van vernieling was geworden.
Zij luisterden, die ouden, die loomen en die dikken; zij luisterden in doods-benauwde stilte en hun strakke oogen somberden, vol afschuw-visioenen. Zij voelden het kontrast en griezelden. Het was de dood die hen daar lokte, de kille, sombere, afschuwelijke dood, onder het verleidend masker van een idyllischen glimlach. Die schoone, malsche, groene streek vol vreedzaamheid, 't was een verraderlijk moeras waarin zij zich voelden meeslepen en wegzinken, zooals hun duizenden en duizenden makkers waren meegesleept en weggezonken, machteloos, brullend van wanhoop, onder onmenschelijke folteringen, tot het fataal onverbiddelijk einde.
De Yser! De Yser! Velen konden dien naam niet hooren zonder te verbleeken en te huiveren. Velen waren er, die er in hun slaap als onder den greep eener nachtmerrie, van wakker schrikten; en enkelen waren weggevlucht, gedeserteerd, op een avond toen 't gerucht de ronde deed, dat zij er den volgenden ochtend heen moesten.
Toen was het echter maar een loos alarm geweest. De doodsmare was rondgestrooid, niemand wist hoe, niemand wist door wie; althans dien ochtend gingen ze nog niet. Zij gingen ook den daarop volgenden ochtend niet, en ook nog niet den derden dag, doch 's avonds van den vierden dag kwam eensklaps het bevel:
—Morgen naar den Yser!
Zij wilden 't eerst nog niet gelooven. Angstig-gejaagd schoolden zij samen op de dorpsplaats rond de kerk. Er waren diepbedroefde en gedrukte gezichten, er waren strak-ernstige gezichten en er waren gezichten vol wrok en haat en stug-geconcentreerde woede.
De menschen van het dorp omringden hen, in opgezweepten hartstocht en nieuwsgierigheid. Ook zij twijfelden nog, wilden, durfden nog niet gelooven, dat zij van de bezetting bevrijd zouden worden. Maar daar kwam de burgemeester aan met de twee kapiteins, die bij hem waren ingekwartierd; en de burgemeester kon met moeite zijn tevredenheid verbergen; zijn vet gezicht glimlachte en zijn oogen blonken en hij bevestigde de verblijdende tijding hier en daar met stille stem.
Ontroerd gingen de menschen langzaam uit elkaar.
Het bataljon stond klaar. Het was een kil-grijze December-ochtend. De naakte twijgen van de oude linden op de dorpsplaats weenden stille, groote misttranen, die in kleine plasjes triestig neersijpelden op den kleverigen grond. Er hing een onuitsprekelijke droefheid in de gansche atmosfeer. 't Was alles grijs en kleurloos en al dat kleurloos-grijze zweefde als een nevelige lijkwade omheen de manschappen, en versmolt zich als 't ware in de neutrale tonaliteit hunner gezichten in uniformen. Zij lachten niet, zij spraken niet, zij maakten geen beweging. Zij stonden roerloos, gepakt en beladen, te wachten. Het gansche dorp omringde hen, in doodsche stilte. Heel in de verte gromde af en toe, als een sinistere begeleiding, de zware, doffe stem van het kanon.
Toen zag men dat er velen weenden. Zij weenden in stilte, met groote, starre oogera en lippen die bibberden. Maar de officieren, die dat merkten, liepen kwaadaardig-gejaagd heen en weer en plotseling klonk kort en bar 't bevel:
—Singen!
Een droef gezang steeg aarzelend op. Het weergalmde hier en daar als een sombere weeklacht en stierf in machteloosheid weer uit. Maar de officieren liepen vloekend langs de rangen heen en herhaalden 't bevel en nogmaals galmde 't somber-klagend op en nogmaals stierf het als in wanhoopsnikken uit, omdat de mannen weenden, weenden...
Toen raasden de trommen en floten de pijpers. De silhouet van een der kapiteins te paard teekende zich af in 't grijze van den mist met laag-ontplooiden mantel en met scherpen punthelm en er kwam beweging in den troep. De stappen dreunden.
—Singen! Singen! herhaalden onophoudend, met woede-blikken naar hun mannen, de feldwebels en officieren. En de mannen zongen wel even onder den angel der tucht, maar telkens weer braken de stemmen af en barstten zij in tranen uit.
Zoo trokken zij door het dorp, de gansche ontroerde bevolking als 't ware met zich meezuigend. Zij zongen al schreiende, met wanhoopsblikken in hun lichte oogen; zij zongen en schreiden door elkaar op den dreunenden maatstap hunner logge, zware zolen, telkens bevloekt en beraasd door de snauwende stem der officieren zoodra zij er mee uitscheidden, telkens herbeginnend en weer stokkend, als tragisch-loeiend vee, als een blatende en kermende kudde, die in machteloozen weerzin naar het slachthuis wordt gevoerd.
Aldus verlieten zij het dorp... Langzaam aan versmolt hun log-dreunende, grijze massa in den grijzen, killen nevel van 't beperkt verschiet. Alleen de beide kapiteins te paard, aan 't hoofd en bij de achterhoede, met hun lang-uitgespreide grijze mantels en ten hemel opgepunte helmen, staken er fiks, en als 't ware dreigend, boven uit. Aldus verdwenen zij... De sombere, gedrukte zangen gonsden met hun aftocht mee; en in de verre, verre verte bromde en bonsde aanhoudend in zwaren ondertoon de stem van het kanon.
De menschen van het dorp staarden hen na, roerloos, met strak-ernstige blikken. Zij hadden allen gedacht, dat ze zouden juichen, jubelen onder de verlossing na de wekenlange bezetting, doch geen enkel uitte een klank van vreugd: zij waren allen door het tragische aangegrepen.
De straatbengels, die het aftrekkend bataljon tot buiten het dorp hadden begeleid, keerden terug. Zij joelden wat onder elkaar en bootsten de commando's, den marcheerpas, en ook de somber-droevige gezangen na. Er waren er die deden of ze zingend schreiden en anderen imiteerden de razende, snauwende stem der officieren.
—Singen! Singen!
En een kleine kerel van een tiental jaren, een blonde krullekop met helderblauwe vergeet-mijnietjes-oogen kwam naar een vrouw uit het volk toegeloopen en zei:
—Ze 'n hên moar moete zingen tot aan 't Kapelleken, moeder. Achter 't Kapelleken mochten ze weere beginnen schriemen.
Een ieder ging langzaam naar huis en de grijze mist dekte als 't ware het dorpje onder een stillen, killen, natten sluier van rouwende triestigheid toe.
In de verre verte bleven de kanonnen bonzen en grommen, aanhoudend, eentonig, gansch den langen, droeven winterdag.
Toen Laura tot den grond haar huisje had zien afbranden—het huisje waar zij zoo gelukkig had geleefd—toen zij het had zien in vlam en rook opgaan en droevig in elkaar storten, als al de andere huizen van de stad; toen zij wist, dat haar man en haar veertienjarig zoontje samen gefusilleerd waren,—haar man gefusilleerd, omdat hij zijn land en zijn volk had verdedigd op een wijze, die de vijanden "verraad" noemden; en haar zoontje gefusilleerd, omdat het zijn vader, waarvan het zielsveel hield, niet wilde verlaten en zich schreiend en gillend aan hem vastklampte toen men het met geweld van zijn vader wilde scheiden; toen dat alles was gebeurd en haar niets meer overbleef dan haar eigen leven en het leven van haar negenjarig dochtertje, dat bij haar was gebleven; toen keerde Laura zich bleek in haar rouwkleeren om en machinaal verliet zij de vernielde stad in de richting van het avondglanzend Westen.
Paulientje schreide nog, maar zij, Laura, kón niet meer schreien: zij was sinds dagen uitgeschreid.
't Was dof, en moe, en stil in haar. Was ze nu thuis geweest, of had ze nog een onderdak gevonden, dan zou ze waarschijnlijk op een stoel of bed ineengezakt en in een diepen slaap van uitputting verzonken zijn.
Maar zij had niets meer; zij had niets meer dan haar eigen droevig leven en het leven van Paulientje; en die beide levens moesten verder leven, omdat zij nog niet dood waren; en zoo ging zij dof en machinaal, met een valiesje aan de hand, tusschen de brandende huizen, tusschen de neerstortende puinen, midden in de vlucht van nog veel andere bewoners, midden in 't geloei, en geschreeuw, en geraas van iets, dat was als een demonische verwoesting.
Zij zag de verhitte gezichten en de grijze uniformen der afschuwelijke vijanden, de vernielers van haar huis, de beulen van haar man en kind. Zij zag ze hun baldadig werk uitvoeren, steeds verder plunderend, brandend en verwoestend, zij zag ze drinken en hoorde ze brullen en juichen en zingen, en 't liet haar alles stom en dof, alsof het haar niet aanging, alsof het iets was dat zoo moest en niet anders meer kon. Zij beschermde slechts instinktmatig haar gezicht en het hoofd van het huilend Paulientje tegen het brandende stof en de zengende hitte, en toen zij eindelijk buiten die afgrijselijke hel waren geraakt, voelde zij geen de minste opbeuring, noch verlichting: zij ademde alleen wat vrijer, omdat het niet meer stikkend en benauwd was om haar heen en omdat zij haar vermoeiden arm van Paulientje los kon laten.
Zij wist waarheen. Zij ging naar de verre, groote stad, bij haar schoonzuster een toevlucht zoeken. Zij mocht er komen en zou er welkom zijn, dat wist zij; zij werd er verwacht.
De avond daalde langzaam in een schoonen vrede over 't glanzend Westen. Ware 't niet geweest van de hopelooze vluchtelingen, die in tragischen optocht met haar medeliepen, die rust zou misschien als een stillende balsem in haar zijn neergedaald; want waar het lijdensvermogen in haar geest door overmaat van ramp verstompt en als 't ware vernield was, daar bleef het lijdend lichaam trillen, het afgematte, afgebeulde, doodmoede lichaam, dat rusten, soezen, slapen en vergeten wilde.
Zij wist waarheen en kende den weg. 't Was uren verre, maar zij zou er komen. En de aanduisterende nacht en eenzaamheid boezemden haar geen angst in; de stille nacht zou welkom wezen als een groote rouwsluier over haar zwaar verdriet, waarin de mooie sterren als vastgestolde tranen zouden tintelen.
Zij ging, met 't kleine meisje aan de hand, en voelde, dat zij ging voor altijd. Er is geen hoop meer op terugkomst, naar wat niet meer bestaat. En niets bestond er meer van wat eenmaal geweest was, niets bleef er over van het schoon en zoo gelukkig-zacht verleden.
Zij wilde 't nog een laatste maal herdenken en in zijn puinhoopen aanschouwen. Zij beklom met het kind den hoogen dijk, waarachter de rivier lag en van daar uit staarde zij het schouwspel aan.
Tegen het aschgrauw-wordend Oosten lag de stad nog steeds te branden. 't Was als een rooken-vlammenzee, die er in alles-overweldigende dwarse deining overheen streek. Soms gloeide een enkel punt even schel op en vonken spatten waaiervormig open als van een overweldigend vuurwerk, terwijl schoorsteenen en muren zich scherp tegen de roodlikkende vlammen uitkanteelden, maar 't oogenblik daarna vloeide de stuwende rook-en-brandzee er weer over uit en doofde meteen den schellen gloed, alsof in dien Titanenstrijd der elementen het vuur slechts door het vuur vernield kon worden.
Zij keek naar de breede rivier. Het water leek op gloeiend, vloeiend staal en midden op dien vaalrooden stroom, waarover paarse en oranje kabbelingen zweefden als rillingen van rauw-opengereten, lillend en bloedend vleesch, lag onbewegelijk een bruinzwart schip geankerd, in schijn reusachtig groot, als een arke Noach's op een zondvloed van verdelging.
Dáár, op die kade, dicht bij het tragische schip, had haar huisje gestaan. Dáár waren haar man en haar zoontje met geweld vandaan gehaald, om gefusilleerd te worden. Dááruit was ze met Paulientje gevlucht, zinneloos van schrik en gruwel, tot ze, na dagen en dagen zwerven en smeeken en zoeken naar wie ze niet meer vinden zou, in wanhoop vóór haar brandend huisje neerzakte.
Daar lag nu 't schoon en zacht verleden! Zij keek er nog even naar om, met een laatsten, langen, starren, doffen blik van eeuwig afscheid, en toen daalde zij met het kind, dat weer bang werd en schreide, langs den dijk af.
Nu zaten zij veilig in het huis van haar schoonzuster geborgen.
't Was een bovenhuis, in een drukke straat der groote stad en van uit de heldere ramen zag Laura de woeling en de drukte daar buiten. Uren en uren, met de handen in haar schoot, naast haar meisje dat zoet speelde, zat zij er doelloos op te staren. Het wiegde haar in doffe soezing weg, in droomen en bespiegelingen. Het wiegde haar weg naar 't verleden, naar al het zachte en gelukkige dat geweest was en nooit, nooit meer terug zou komen.
Zij hoefde hun portretten niet te bekijken, die altijd vóór haar op het tafeltje stonden: zij zag hen in verbeelding, haar man en haar zoontje, zooals ze die voor 't laatst gezien had, toen de wreede vijanden hen kwamen weghalen.
Dat zag ze en hoorde ze nog steeds, alsof 't voortdurend weer gebeurde. Doch wat er verder was gebeurd versmolt voor haar als in een verren, droeven nevel. Waar waren ze heen gebracht? Hoe en waar werden ze veroordeeld? Hoe en waar werd het afgrijselijk vonnis voltrokken? Dat was een obsedante kwelling van elk oogenblik, iets waarin haar doffe geest verwarde en verdwaalde, iets dat ze zich in zijn gruwbare werkelijkheid niet kon voorstellen en dat ze daarom ook bijna niet kon gelooven. En weer keerden haar kwel-gedachten steeds terug tot het verleden dat zij kende, tot de lange, vele jaren van geluk en vrede, die ze samen hadden doorgebracht en daaraan hield ze zich krampachtig vast, als aan het eenige, dat werkelijk nog voor haar bestond. Zij zag hem 's ochtends blijmoedig-opgewekt naar zijn werk vertrekken, zij wist waar hij was, zij kende zijn bezigheid, zij was steeds bij hem in gedachte; en 's avonds, elken avond, als hij thuis kwam, floot hij voor de deur een eigenaardig deuntje, om haar te waarschuwen, dat hij daar was.
O, dat deuntje, dat deuntje, die enkele tonen als van een verren jachthoorn, hoe kende zij die, hoe klonken zij nog steeds verleidend-folterend in haar ooren! Het was zijn ziel, zijn blik, zijn glimlach, de frissche vreugde van 't gelukkig elkaar wederzien na elke korte afwezigheid, en zij sloot zalig haar oogen en bewoog haar lippen om zijn zoen te ontvangen, en 's nachts in haar droomen hoorde zij 't dan weer en zag zij hem glimlachend vóór haar staan, met zijn zoontje, met haar en zijn dierbaar zoontje aan de hand. Dan werd zij wakker en schreide wanhopig...
Zoo lag zij eens, een nacht, na zwaar en kwellend droomen, half-slapend, half-wakker, in haar bed. 't Was zóó intens geweest, zij had zoo vast en zeker gemeend hem te zien, hem te hooren, dat haar hart er nog van bonsde en hamerde en dat haar hoofdkussen doorweekt was van tranen. Aan de klamme, kille natheid van 't kussen voelde zij hoezeer zij had geschreid; en meteen voelde zij hoe somber-ongelukkig zij toch wezen moest om zoo te schreien, zelfs in haar droom, zelfs in haar slaap.
Zij opende flauwtjes haar droevige oogen en zag een vage schemerklaarte achter de neergelaten gordijnen. Werd het reeds dag of was dat nog het vale licht van enkele straatlantarens? Zij wilde weten hoe laat het was. Zij streek een lucifer aan en keek op haar horloge. Twee uur! Och, God! Twee uur slechts! De lange foltering van den verderen slapeloozen nacht lag als een somberen afgrond van ellende voor haar open. Waarom toch had ze zoo afschuwelijk naar gedroomd! Was het door al die troepen, die duizenden en duizenden, met paarden en kanonnen, welke den ganschen dag en tot laat in den avond, de stad hadden doortrokken? Misschien wel. Zij luisterde even naar 't zachte ademhalen van Paulientje in haar ledikant, keerde zich met een zucht op de linkerzij om en sloot weer haar oogen.
Zoo lag zij een kort poosje, roerloos. Toen kwam het haar voor alsof zij buiten onder haar ramen, vaag gestommel hoorde. Zij luisterde er even naar, verstrooid, onverschillig, gedachteloos. Toen dacht zij weer aan hem, aan hem en aan haar kind, aan haar gewoon, rusteloos-knagend en kwellend wee. Een doezeling van slaap kwam triestig over haar...
Toen rukte ze zich plots in haar bed overeind, de van afschuw uitgezette oogen wijd-schrikstarend in de halve duisternis, de beide handen aan den mond, als om er een gruwelkreet te smoren.
Had ze gehoord? Had ze nog eens gedroomd? Was het een zinsverbijstering?
Zij sprong eensklaps op, uit haar bed, en, terwijl ze daar een paar seconden onbewegelijk stond, hoorde ze 't weer, maar nu geen droom, geen hersenschim, geen zinsverbijstering: zij hoorde duidelijk het gefloten deuntje, daarbuiten, in de stille straat, onder haar ramen, zijn deuntje, het oude, welbekende jachthorendeuntje, waarmee hij destijds elken avond zijn terugkeer aankondigde.
—Paulientje! Paulientje! Paulientje! gilde zij, als waanzinnig.
Het kind schrikte wakker en Laura's schoonzuster, die in de kamer daarnaast sliep, rukte de binnendeur open en kwam in verwildering binnengehold.
Daar klonk opnieuw het deuntje, heel helder, heel duidelijk, als een opwekkende zang van troost en liefde.
—'t Is Paul! riep de schoonzuster, naar het raam toesnellend.
—Dat kan niet! Dat kàn niet! Paul is dood! Paul is vermoord, gefusilleerd! kreet Laura schor, met hikken in de stem. 'k Ben bang! 'k Ben bang! snikte zij eensklaps, van angst ineenkrimpend.
De schoonzuster trok 't venster open, keek in de schaarsch verlichte straat.
—Hij is het! Hij is het! En Paultje is met hem! riep ze juichend en vloog beneên, de trappen af.
Laura stak helder 't gaslicht op. Zij sprak geen woord meer, maar drong bevend, met groote, zwarte oogen, in den versten hoek der kamer terug. Beschermend hield zij haar beide sidderende handen op de schrale schoudertjes van het schreiend Paulientje.
Daar kwamen vlugge schreden de trappen opgerend. De deur vloog open en hij stond vóór haar, als een verschijning uit een andere wereld, met zijn zoontje naast zich.
—Neen! neen! neen! gilde zij, als in een waanzinnig verdedigingsgebaar afwerend de handen uitstrekkend.
Zijn mond, die glimlachte, werd eensklaps ernstig, droef.
—Laura! Laura! zei hij verwijtend.
Toen zag ze, toen wist ze, toen geloofde ze...
Het licht des levens, dat al sinds maanden in haar dood was, straalde eensklaps verblindend naar haar toe en zij kon den glans van haar geluk niet uitstaan: zij zakte, als gebroken, in elkaar.
Toen ze weer bijkwam lag zij in haar bed en hij zat naast haar op de sponde, met hun beide kinderen om zich heen.
En hij vertelde, en zij luisterde, in zoete verrukking, glimlachend, en begreep.
Hij vertelde hoe hij met Paultje in de gevangenis was gesleept, hoe hij tot de doodstraf werd veroordeeld, hoe telkens hem gezegd werd, dat het oogenblik gekomen was, het tragisch oogenblik, dat echter telkens weer werd uitgesteld. Paultje bleef bij hem, wilde niet van hem weg, ondanks al zijn smeekingen. Paultje klampte zich wanhopig gillend en schreiend aan hem vast zoodra de wreede vijanden hen van elkander wilden scheiden, en zoo waren zij samen gebleven en samen naar Duitschland vervoerd en samen in een gevangenenkamp opgesloten.
Maandenlang hadden zij daar gezeten. Herhaaldelijk nog hadden de vijanden gepoogd hen van elkander te verwijderen, maar eindelijk, toen zij begrepen, dat niets helpen zou en dat Paultje vastbesloten was met zijn vader te sterven, hadden zij hen beiden in vrijheid gesteld: Paultje, die met en voor zijn vader sterven wilde, had zijn vader het leven gered!
Laura nam zijn hand en nam de hand van Paultje en nam de hand van Paulientje en hield hen alle drie krampachtig vastgekneld, als om hen nooit meer los te laten. Wat gaf het nu, dat hun huis en hun stad was verbrand, nu ze 't voor eeuwig verloren gewaande geluk van haar gansche leven had teruggevonden! Hun huis zou weder worden opgebouwd, hun stad zou uit haar puin verrijzen, en ook het gansche Vaderland, het wreed-geteisterd, dierbaar Vaderland zou herleven, herlèven!... Zij voelde 't eensklaps als een gloedgolf van hoop en trots en liefde in haar opstijgen: zij voelde 't als een zegen van lente en herleving, als het grootste en schoonste en hoogste, dat zij ooit in haar leven gevoeld had.