HOOFDSTUK XI.

HOOFDSTUK XI.EEN VRIEND.Hoewel Jo heel gelukkig was in haar gezellige omgeving, en druk met haar dagelijkschen arbeid, waardoor ze haar brood verdiende en kruidde, vond zij toch tijd voor haar letterkundige werkzaamheden. Het doel dat zij najoeg, lag voor de hand voor een arm en eerzuchtig meisje; maar de middelen, die zij in het werk stelde om het te bereiken, waren juist niet de beste. Zij zag, dat geld macht verschaft, en daarom besloot zij geld en macht te verwerven; niet alleen voor zichzelve, maar vooral voor hen, die zij meer dan zichzelve liefhad. De hoop, alles thuis aangenaam en gemakkelijk in te kunnen richten, Betsy alles te geven, wat zij verlangde, van aardbeien in den winter af, tot een serafineorgel in haar kamer toe; zelve op reis te gaan; en altijdmeerdan genoeg te hebben, zoodat zij zich het genot vangevenkon veroorloven, was jarenlang Jo’s geliefkoosd ideaal geweest.De ondervinding, opgedaan met de bekroonde novelle, scheen haar een weg te hebben geopend, die, na een lange reis en het beklimmen van steile bergen, haar naar dit verrukkelijk luchtkasteel zou voeren. Maar de kwellingen van de roman-critiek hadden haar moed voor een tijdlang gefnuikt, want de publieke opinie is eenreus, die wel moediger Jacks op hooger boonenstaken dan de hare, heeft afgeschrikt. Evenals die onsterfelijke held rustte zij wat uit na haar eerste poging, die in een nederploffing, en den minst begeerlijken van des reuzen schatten eindigde, als ik mij wel herinner. Maar de geest van opstaan en opnieuw beproeven, was even sterk in Jo als in Jack; zij klauterde dus dezen keer tegen den schaduwkant op, en behaalde meer buit, maar verloor bijna datgene, wat kostelijker is dan zakken vol goud.Zij begon sensatie-verhalen te schrijven—want in die duistere tijden las zelfs het volmaakte Amerika bombast. Zij sprak er met niemand over, maar stelde een “treffende geschiedenis” op, en bracht die stoutmoedig zelve naar den heer Dashwood, den uitgever van “De Wekelijksche Vulkaan”. Zij had wel nooit Sartor Resartus1gelezen, maar haar vrouwelijk instinct leerde haar, dat kleederen dikwijls grooter invloed uitoefenen dan karakterdeugden of de toovermacht van goede manieren. Zij trok dus haar beste pakje aan, en terwijl zij zich trachtte wijs te maken, dat zij noch opgewonden, noch zenuwachtig was, klom zij moedig twee donkere vuile trappen op, en kwam in een wanordelijke kamer vol tabaksrook, en in tegenwoordigheid van drie heeren, wier hielen zich in hooger luchtstreken bevonden dan hun hoeden, welke laatste kleedingstukken door geen van allen bij haar verschijning werden afgenomen. Eenigszins afgeschrikt door deze ontvangst aarzelde Jo op den drempel, en fluisterde erg verlegen:“Neem me niet kwalijk, ik zocht naar het kantoor van ‘De Wekelijksche Vulkaan’; ik wou mijnheer Dashwood graag spreken.”Omlaag kwam het hoogste paar hielen, overeind rees de rookerigste heer, en zorvuldig en liefkoozend zijn sigaar in de hand houdende, naderde hij met een knikje en een gezicht, waarop niets dan slaap te lezen stond. Gevoelende dat zij op de een of andere manier de zaak ten einde moest brengen, haalde Jo haar manuscript voor den dag, en met wangen, die met elken zin rooder en rooder werden, stamelde zij brokstukken van de kleine toespraak, die zij zoo zorgvuldig voor deze gelegenheid had bedacht.“Een van mijn vriendinnen verzocht mij—u dit verhaal—alleen als een proefneming—aan te bieden—zij wilde graag uw oordeel weten—en als u dit beviel, zou zij wel meer willen schrijven.”Terwijl zij bloosde en stamelde, had de heer Dashwood het manuscript ter hand genomen, en, het met een paar vuile vingers doorbladerend, een critischen blik over de net beschreven bladzijden laten dwalen.“Dit is geen eerste proefneming, denk ik?” vroeg de uitgever, bemerkende dat de pagina’s genommerd, slechts aan éen zijde beschreven en niet met een lint (dat zeker teeken van een eerstbeginnende) waren samengebonden.“Neen, mijnheer; zij heeft eenige ondervinding, en behaalde al een prijs met een verhaal in de ‘Blarneystone Banier.’”“Ah, zoo?” en de heer Dashwood wierp een haastigen blik langs Jo, die haar, met al wat zij aan had, van het lint op haar hoed, tot de knoopen van haar laarzen toe, scheen op te nemen. “U kunt het hier laten, als u wilt; wij hebben op ’t oogenblik meer van dit soort van dingen liggen dan wij kunnen gebruiken, maar ik zal het eens doorloopen, en u de volgende week antwoord geven.”Jo was volstrekt niet geneigd het achter te laten, want mijnheer Dashwood beviel haar in ’t geheel niet; maar onder deze omstandigheden kon zij niet anders doen dan buigen en wegwandelen, waarbij zij bizonder lang en statig scheen, zooals gewoonlijk wanneer zij geraakt of verbluft was. Op dit oogenblik was zij beide; want de veelbeteekenende blikken, die de heeren wisselden, hadden haar duidelijk getoond, dat haar kleine draaierij van “de vriendin” als een uitmuntende grap beschouwd werd; en een gelach, veroorzaakt door een onverstaanbare opmerking van den uitgever, terwijl hij de deur sloot, voltooide haar nederlaag. Half besloten hier nooit terug te keeren ging zij naar huis, en joeg haar boosheid op de vlucht, door uit alle macht boezelaars te naaien; en na een paar uur was zij genoeg gekalmeerd, om over het heele tooneel te lachen, en naar de volgende week te verlangen.Toen zij voor de tweede maal ging, was de heer Dashwood tot haar groote vreugde alleen. Hij scheen ook nu niet zóo verdiept in zijn sigaar, dat hij zijn manieren vergat—zoodat de tweede ontmoeting Jo veel minder zwaar viel dan de eerste.“Wij zullen het verhaal opnemen (uitgevers spreken nooit van ‘ik’) als u geen bezwaar hebt tegen eenige veranderingen. Het is te lang, maar wanneer u de plaatsen die ik gemerkt heb, schrapt, zal het juist de vereischte lengte krijgen,” zei hij op drogen toon.Jo herkende nauwelijks haar eigen manuscript, zoo verkreukeld en vol teekentjes waren de bladzijden en volzinnen; maar met een gevoel als van een teedere moeder, die men voorstelt de beentjes van haar zuigeling af te snijden, opdat hij in de nieuwe wieg moge passen, zag ze de aangestreepte passages na, en bemerkte met verbazing, dat al de zedekundige overwegingen, die zij er zoo zorgvuldig—als een tegenwicht voor het al te romantische—tusschen verspreid had, geschrapt waren.“Maar mijnheer, ik dacht dat ieder verhaal een soort van moreele strekking moest hebben, en daarom zorgde ik, dat ten minste een paar van mijn zondaren berouw kregen.”De ernst, die den uitgever paste, maakte plaats voor een glimlach, want Jo had haar “vriendin” vergeten, en sprak zooals alleen een schrijfster zou kunnen spreken.“Ja, maar de menschen verlangen geamuseerd, niet bepreekt te worden, weet u. Zedeleer wordt tegenwoordig niet verkocht,” hetgeen, tusschen twee haakjes, geen volkomen juiste opmerking was.“U meent dus, dat het met deze veranderingen bruikbaar zou zijn?”“Ja, de intrige is nieuw, en vrij aardig uitgewerkt—de stijl en dat is goed,” antwoordde mijnheer Dashwood minzaam.“Wat is—ik meen, wat geeft u—” begon Jo, niet wetende, hoe zij zich ’t best zou uitdrukken.“O, ja,—wel, wij geven van vijf en twintig tot dertig dollar voor dingen van dien aard, en betalen bij verschijning,” antwoordde de heer Dashwood, alsof dit punt hem ontgaan was; men zegt, dat zulke kleinigheden dikwijls de aandacht van uitgevers ontsnappen.“Heel goed, u kunt het plaatsen,” zei Jo, voldaan het verhaal teruggevende, want na al haar geschrijf voor een dollar de kolom, scheen zelfs vijf en twintig haar een mooi honorarium toe.“Mag ik mijn vriendin vertellen, dat u een volgend verhaal ook wel plaatsen wilt, als het beter is dan dit?” vroeg Jo, die haar kleine vergissing niet had bemerkt en stoutmoediger was geworden door haar succes.“Wel, wij zullen zien; kunnen het niet vast beloven. Zeg haar, dat zij het kort en piquant moet maken, en zich niet om de moraal bekommeren. Welken naam zou uw vriendin er onder willen plaatsen?” Dit laatste op achteloozen toon.“Geen naam, als ’t u blieft; zij verlangt haar eigen naam niet bekend te maken, en zij heeft geen pseudoniem,” antwoordde Jo, ondanks zich zelve blozende.“Zooals zij verkiest natuurlijk. Het verhaal zal de volgende week verschijnen; komt u het geld halen, of zal ik het zenden?” vroeg de uitgever, nieuwsgierig wie zijn nieuwe medewerkster was.“Ik zal er om komen; goeien morgen, mijnheer.”Toen zij vertrokken was, stak de heer Dashwood de beenen in de lucht, met de vriendelijke opmerking: “arm en trotsch als naar gewoonte, maar zij is bruikbaar.”Volgens de aanwijzingen van haar uitgever stortte Jo zich hals over kop in de troebele zee van sensatieromans, maar dank zij het reddend touw, dat haar door een vriend werd toegeworpen, kwam zij weer boven, en de duikeling deed haar geen kwaad.Evenals de meeste jonge schrijfsters zocht zij buitenslands naar karakters en tooneelen; bandieten, graven, zigeuners, nonnen en hertoginnen verschenen op haar tooneel, en speelden hun rollen met zooveel durf en bezieling, als de verslinders maar konden verlangen. Op zulke kleinigheden als taal, stijl, interpunctie, en waarschijnlijkheid, letten haar lezers al heel weinig, en mijnheer Dashwood vergunde haar genadig zijn kolommen tegen den laagsten prijs te vullen, het niet noodig keurende haar te vertellen, dat de ware reden van deze gastvrijheid het feit was, dat een zijner gewone werkpaarden, elders beter salaris gevonden en hem in den steek gelaten had.Weldra begon zij belang in het werk te stellen, want haar platbeursje werd dik en rond, en de kleine schat, die Betsy in staat zou stellen den volgenden zomer naar buiten te gaan, groeide langzaam maar zeker aan.Slechts één ding belette haar volkomen tevreden te zijn, en wel, dat zij het niet naar huis schreef. Zij vreesde, dat haar vader en moeder het niet zouden goedkeuren—en zij wilde maar liever eerst haar eigen gang gaan, en daarna vergeving vragen. Het was heel gemakkelijk haar geheim te bewaren, want haar verhalen verschenen naamloos; de uitgever had natuurlijk spoedig uitgevonden, wie zij was, maar beloofde te zwijgen; en o wonder, hij hield zijn woord.Zij meende, dat het haar geen kwaad zou doen, want zij nam zich ernstig voor, niets te schrijven, waarover zij zich zou moeten schamen, en zij stilde al de kloppingen van haar geweten door voorstellingen van het gelukkig oogenblik, waarop zij met haar verdiende schatten voor den dag komen en over haar welbewaard geheim lachen zou.Maar mijnheer Dashwood keurde alle verhalen af, die niet spannend en sensationeel waren; en daar die sensaties niet veroorzaakt konden worden, zonder de zielen van de lezers zooveel mogelijk te pijnigen, moesten geschiedenis en verdichting, land en zee, wetenschap en kunst, gerechtshoven en krankzinnigen-gestichten, voor dat doel geplunderd worden. Jo bemerkte spoedig, dat haar jeugdige ervaring haar slechts zelden een blik vergund had in de tragische wereld, die de maatschappij ondermijnt; en de zaak uit een materieel oogpunt beschouwende, zette zij zich met den haar eigen ijver aan het werk, om haar tekortkomingen in dezen aan te vullen. In haar vurig verlangen om onderwerpen voor haar verhalen te vinden, en ten minste de intriges oorspronkelijk te doen zijn, al liet dan ook de uitvoering wat te wenschen over, doorsnuffelde zij de dagbladen om ongelukken, wonderlijk-toevallige gebeurtenissen en misdaden op te zoeken; zij wekte de achterdocht op van houders van leesbibliotheken, doordaarboeken over vergiften te vragen; zij bestudeerde aandachtig de boevengezichten, die zij op straat tegenkwam, en alle karakters, goede of slechte, die haar omringden; zij dolf van onder het stof der tijden, zulke oude verhalen en feiten op, dat zij even goed als nieuw waren, en zocht, voor zoover haar beperkte gelegenheden het toelieten, aanraking met dwaasheid, zonde en ellende. Hoewel Jo zich verbeeldde het zoo een heel eind te brengen, begon ze onbewust eenige van de meest teedere eigenaardigheden van het vrouwelijk karakter te ontheiligen. Al schrijvende leefde ze in slecht gezelschap, en hoewel dit slechts in haar verbeelding bestond, oefende het toch invloed op haar uit, want zij voedde hart en geest met schadelijk voedsel, en liep gevaar iets van haar reine natuur te verspelen, door een voorbarige kennismaking met de donkere zijde des levens, die maar al te vroeg ons aller deel wordt.Zij begon dit wel eenigszins te gevoelen zonder het nog helder in te zien, want het veelvuldig beschrijven van de hartstochten en gevoelens van anderen, deed haar haar eigene bestudeeren en ontleden—een ziekelijke gewoonte, waaraan gezonde jonge menschen zich niet licht overgeven. Maar het kwaad straft altijd zich zelf, en Jo’s straf kwam juist op het rechte oogenblik.Ik weet niet, of het de studie van Shakespeare was, die haar een beter inzicht in het menschelijk karakter verschafte, of wel haar natuurlijk vrouwelijk instinct voor wat eerlijk, moedig en krachtig is, maar terwijl Jo haar denkbeeldige helden met alle mogelijke deugden en ondeugden toerustte, begon zij een levenden held te ontdekken, die haar, in weerwil van veel menschelijke onvolmaaktheden, sterk interesseerde.Mijnheer Bhaer had haar in een hunner gesprekken aangeraden, eenvoudige, ware en aantrekkelijke karakters te bestudeeren, als de beste oefening voor een schrijfster; Jo hield hem aan zijn woord door hemzelf tot het voorwerp van haar studie te maken—een handelwijze die hem ten hoogste verbaasd zou hebben, als hij het geweten had, want de waardige professor dacht zeer nederig over zijn eigen verdiensten.De vraag, waarom ieder van hem hield, trok eerst Jo’s aandacht. Noch rijk, noch aanzienlijk, noch jong, noch knap van uiterlijk—volstrekt niet wat men begaafd, indrukwekkend, of schitterend noemt, bezat hij het aantrekkelijke van een helder brandend vuur, en het scheen even natuurlijk, dat de menschen zich om hem verzamelden als om een warmte uitstralenden haard. Hij was arm, maar scheen toch altijd iets te kunnen weggeven; hij was een vreemdeling, maar ieders vriend; hij was niet jong meer, maar zoo vroolijk als een schooljongen; niet knap en wat vreemd van uiterlijk,—en toch scheen zijn gelaat velen schoon toe, en vergaf ieder hem gaarne zijn eigenaardigheden. Jo sloeg hem dikwijls gade, om uit te vinden wàt het toch was, dat allen zoo aantrok, en ten laatste kwam zij tot het besluit, dat zijn groote welwillendheid dit wonder teweegbracht. Indien hij eenig verdriet mocht hebben, dat hem drukte, dan hield hij dit zorvuldig verborgen, en keerde hij de wereld alleen zijn zonnigen kant toe. Er waren rimpels op zijn voorhoofd; maar de Tijd scheen hem vriendelijk te behandelen, gedachtig aan zijn vriendelijkheid jegens anderen. De welwillende lijnen rondom zijn mond waren de sporen van vele vriendschappelijke woorden en opwekkende glimlachjes, zijn oogen keken nooit koud of ongevoelig, en zijn groote hand gaf een stevigen, warmen druk, die welsprekender was dan woorden.Zelfs zijn kleederen schenen iets van de gastvrije natuur van hun eigenaar te hebben overgenomen. Zij zagen er uit, alsof zij op hun gemak waren en hem gaarne op zijn gemak deden zijn; zijn wijd vest deed denken aan het ruime hart, dat er onder klopte; zijn oude jas had iets gezelligs, en de diepe zakken toonden duidelijkaan, dat kleine handjes er dikwijls ledig ingingen en vol weer uitkwamen; zelfs zijn laarzen waren rond goedhartig, en zijn boorden nooit stijf en schrijnend, zooals die van anderen dikwijls.“Dat is het,” zei Jo tot zichzelf, toen zij ten laatste ontdekte, dat hartelijke welwillendheid jegens zijn medemenschen, zelfs een gezetten Duitschen leeraar, die zijn middagmaal gretig verorberde, zelf zijn kousen stopte, en den afschuwelijken naam van Bhaer droeg, in elks oogen schoon en waardig kon doen schijnen.Jo stelde goedheid wel op hoogen prijs, maar ze bezat ook een echt vrouwelijken eerbied voor kennis, en een kleine ontdekking die zij omtrent den professor deed, verhoogde sterk haar achting voor hem.Hij sprak nooit over zich zelf, en niemand wist, dat hij in zijn geboortestad algemeen geacht en geëerd was om zijn geleerdheid en rechtschapenheid, totdat een zijner landslieden hem eens kwam opzoeken en in een gesprek met juffrouw Norton dit feit aan den dag bracht. Jo vernam het van haar, en was er des te meer mee ingenomen, omdat mijnheer Bhaer er nimmer van gesproken had. Zij was er trotsch op, dat hij, hoewel in Amerika slechts een arm taalonderwijzer, in Berlijn een geacht professor was, en zijn nederig werkzaam leven ontleende aan deze ontdekking een lichtglans van schoonheid en poëzie.En nog een betere gave dan intellect openbaarde zich op de meest onverwachte wijze. Juffrouw Norton was lid van een letterkundigen kring, waar Jo zonder haar nooit toegang zou hebben gehad. Zij stelde belang in het werkzame jonge meisje, en overlaadde Jo, zoowel als den professor, met vele gunstbewijzen van dien aard. Op zekeren avond nam zij beiden mee naar een deftig diner, dat ter eere van verscheiden beroemde geleerden gegeven werd.Jo ging er heen in een stemming van nederig ontzag en aanbidding voor de sterren, die zij met jeugdig vuur van verre vereerd had. Maar haar eerbied voor het genie onderging dien avond een gevoeligen schok, en eerst na langen tijd kon zij bekomen van de ontdekking, dat die verheven schepselen bij slot van rekening toch slechts gewone stervelingen waren. Toen zij het waagde een beschroomd bewonderenden blik te werpen op den dichter, wiens regelen deden denken aan een wezen, gevoed met hemelsch vuur, dauw en ambrozijn, zag zij hem, o bittere ontgoocheling! de verschillende gerechten verslinden met een gretigheid en haast, die zijn intellectuëele wangen deden gloeien. Gegriefd wendde ze zich van hem af als van een gevallen godheid, om weldra tot andere ontdekkingen te komen, die haar romantische illusies in rook deden opgaan. De groote romanschrijver bewoog zich tusschen twee wijnflesschen, met de regelmatigheid van een slinger; de beroemde godgeleerde maakte openlijk het hof aan een der madame de Staëls van die dagen, die met oogen als messen een tweedeCorinne gadesloeg, welke haar op de lieftalligste manier bespotte, nadat zij haar de loef had afgestoken in het betooveren van den diepzinnigen philosoof, die nu wijsgeerig thee zat te drinken, en naar allen schijn begon te dommelen—daar de spraakzaamheid der dame hem het antwoorden onmogelijk maakte. De wetenschappelijke celebriteiten vergaten hun schelpdieren en ijsperioden, en spraken over kunst, terwijl zij zich van ganscher harte wijdden aan oesters en ijsdranken; de jonge musicus, die als een tweede Orpheus de gansche stad in verrukking bracht, praatte over paarden, en de eenige daar aanwezige vertegenwoordiger van den Britschen adel was bij ongeluk de meest alledaagsche persoonlijkheid van de geheele partij.Eer de avond half om was, gevoelde Jo zich zoo gedésillusioneerd, dat zij in een hoekje ging zitten om wat te bekomen. Prof. Bhaer, die ook eenigszins uit zijn element scheen te zijn, voegde zich spoedig bij haar, en weldra kwamen verscheiden wijsgeeren, ieder op zijn bizonder stokpaardje, aandraven, om in dit afgezonderd hoekje een intellectueel steekspel te houden. Het gesprek ging Jo’s begrip mijlen ver te boven; toch boeide het haar, hoewel Kant en Hegel vrijwel onbekende godheden, en het Subjective en Objective onverstaanbare termen voor haar waren, en het eenige, wat uit “haar innerlijk bewustzijn evolveerde”, een vreeselijke hoofdpijn was, toen alles was afgeloopen. Langzamerhand werd het haar duidelijk, dat het heelal aan stukken was geplukt, en, volgens de sprekers, naar oneindig beter grondregelen weer in elkander gezet; dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat godsdienst niets beteekende, en het verstand de eenige God moest zijn. Jo wist niets van philosophie of metaphysica, maar zij geraakte in een half aangename, half pijnlijke opwinding, en had een gevoel alsof zij in het oneindige rondzweefde, als een losgelaten luchtballonnetje.Zij keek eens naar den professor, om te zien, hoe het hem beviel en bemerkte, dat hij haar zoo grimmig aanstaarde, als zij hem nog nooit had zien kijken. Hij schudde het hoofd, en wenkte haar om met hem mee te gaan, maar zij was zoo verbaasd over de vrijheid van de speculatieve philosophie, dat zij bleef zitten, om zoo mogelijk te weten te komen, waaraan die wijze heeren van plan waren zich vast te houden, nadat zij al de oude geloofs-overtuigingen hadden weggecijferd.Nu was mijnheer Bhaer een bescheiden man, die niet spoedig met zijn eigen meeningen voor den dag kwam; niet omdat hij ze niet bezat, maar omdat zij hem te ernstig en te heilig waren, om er lichtvaardig over te spreken. Toen hij zag, hoe Jo en verscheiden andere jongelieden aangetrokken werden door dit schitterend intellectueel vuurwerk, fronste hij de wenkbrauwen, brandend van verlangen om te spreken, in zijn vrees dat de een of andere licht ontvlambare jeugdige ziel mocht betooverd worden door de vuurpijlen, om eerst, als het feest was afgeloopen, te ontdekken, dat zijniets overhielden dan een uitgebranden stok en een geschroeide hand.Hij verdroeg het, zoolang hij kon, maar toen zijn meening gevraagd werd, werd hij warm in eerlijke verontwaardiging en verdedigde den godsdienst met al de welsprekendheid der overtuiging—een welsprekendheid, die zijn gebroken Engelsch welluidend, en zijn alledaagsch gelaat schoon maakte. Hij had een harden strijd, want de wijze heeren redeneerden goed, maar hij liet zich niet afschrikken, wanneer hij geslagen was, en verdedigde zijn vaandel als een man.Terwijl hij sprak schoof alles weer op de rechte plaats voor Jo’s geestesoog; en het oude geloof, dat reeds zoolang had stand gehouden, scheen haar beter toe dan het nieuwe. God was geen blinde kracht, en onsterfelijkheid geen aardig sprookje, maar een gezegende werkelijkheid. Het was haar, alsof zij weer vasten grond onder de voeten kreeg; en toen mijnheer Bhaer eindelijk ophield, tot zwijgen gebracht, maar geen haarbreed overtuigd, had Jo wel in haar handen willen klappen en hem bedanken.Zij deed geen van beide; doch zij onthield het gehoorde, en gevoelde de diepste achting voor den professor, want zij wist, hoeveel moeite het hem had gekost daar te spreken, maar dat zijn geweten hem verboden had te zwijgen. Zij begon in te zien, dat een vast karakter beter is dan geld, aanzien, verstand of schoonheid; en te gevoelen, dat indien grootheid, volgens de verklaring van een wijs man, bestaat uit “oprechtheid, eerbied en welwillendheid”—haar vriend Friedrich Bhaer niet alleen goed, maar groot was.En deze overtuiging werd dagelijks sterker. Zij stelde prijs op zijn achting, wenschte vurig, dat hij een goede opinie van haar mocht hebben, en verlangde zijn vriendschap waard te worden; doch juist toen die wensch het toppunt bereikt had, liep Jo gevaar alles te verliezen. Het was het ongelukkig gevolg van een papieren steek. Op zekeren avond kwam de professor namelijk binnen om Jo les te geven, met een papieren soldatenmuts op het hoofd, die Tina hem had opgezet, en die hij vergeten had af te nemen.“Het is duidelijk, dat hij niet in den spiegel kijkt, eer hij naar beneden komt,” dacht Jo met een glimlach, terwijl hij “Guten Abend” zei, en bedaard ging zitten, zonder te weten hoe ’n belachelijk contrast er was tusschen zijn hoofddeksel en zijn onderwerp, want hij begon haar “De Dood van Wallenstein” voor te lezen.Ze zei eerst niets, want zij hoorde hem zoo graag in zijn hartelijken lach uitbarsten, wanneer er iets grappigs voorviel, daarom wachtte zij, tot hij het zou bemerken, en dacht er op het laatst zelf niet meer aan, want een Duitscher Schiller te hooren voordragen is iets, dat den hoorder geheel boeit. Op het lezen volgde een bizonder levendige les, want Jo was dien avond in een vroolijke bui, en de papieren muts deed haar oogen van pret glinsteren. De professor wist niet, wat hij van haar denken moest, en hield eindelijkop, terwijl hij met een onweerstaanbaar zachtzinnige verbazing vroeg: “Fräulein March, waarom lacht gij uwen leeraar in zijn gezicht uit? Hebt gij geen respect voor mij, dat gij zoo doet?”“Hoe kan ik respect voor u hebben, mijnheer, als u vergeet uw hoed af te nemen?” antwoordde Jo.De afgetrokken professor bracht ernstig de hand naar het hoofd, voelde den steek en nam dien af, keek Jo een oogenblik verbaasd aan, wierp toen zijn hoofd achterover, en lachte als een vroolijke bas-viool.“Ach, ik zie hem nu; dat is die ondeugd, Tina, die mij er zoo gek doet uitzien met mijn muts. Wel, het is niets, maar ziet gij, als deze les niet goed gaat, zultgijhem ook dragen.”Maar de les ging gedurende eenige minuten in het geheel niet, want zijn aandacht werd afgeleid door een plaatje op de muts; en terwijl hij het papier openvouwde, zei hij met diepen afkeer:“Ik wenschte, dat deze tijdschriften niet in het huis kwamen; zij zijn niet goed voor kinderen om te zien, en voor jonge lieden om te lezen. Het is niet goed, en ik heb geen geduld met hen, die kwaad veroorzaken.”Jo keek naar het papier en zag een bekoorlijk plaatje van een waanzinnige, een lijk, een moordenaar en een adder. Ze kon het niet bewonderen, doch het gevoel, dat haar het blad deed omslaan was geen afkeer, maar vrees, want voor een oogenblik meende zij, dat het een exemplaar van “De Vulkaan” was. Gelukkig bleek dit niet het geval, en haar schrik bedaarde, toen zij zich herinnerde, dat, al had haar eigen verhaal er ingestaan, het haar toch niet kon verraden, daar het niet onderteekend was. Maar zij had zichzelve al verraden door haar schuldig gezicht, want hoewel de professor verstrooid heette, zag hij meer dan de meeste menschen wel dachten.Hij wist, dat Jo schreef, en hij was haar meer dan eens tegengekomen bij de uitgevers-kantoren; maar daar zij er nooit van sprak, vroeg hij er ook nooit naar, hoewel hij erg verlangend was haar werk eens te zien. Nu viel het hem in, dat zij er zich mogelijk voor schaamde, en dat deed hem leed. Hij zei niet tot zichzelf: “Het gaat mij niet aan; ik heb geen recht er mij mee te bemoeien,” zooals vele menschen zouden gedaan hebben; hij bedacht alleen, dat zij jong en arm was, ver van de beschermende liefde harer moeder en de zorg haars vaders; en even snel en spontaan als hij zijn hand uitgestoken zou hebben om een kind van den rand eener sloot terug te trekken, trachtte hij haar te hulp te komen. Dit alles vloog door zijn ziel, maar hij verried het door geen enkelen trek van zijn gelaat; en toen de courant was omgekeerd, en Jo den draad in haar naald had gestoken, zei hij op heel natuurlijken toon, maar heel ernstig:“Ja, u heeft recht, dat u het wegschuift. Ik moet er niet aan denken, dat goede jonge meisjes zulke dingen lezen. Zij mogensommigen bevallen, maar ik zou mijn jongens liever buskruit geven om mede te spelen dan zulk ontuig.”“Misschien is niet alles slecht—alleen maar dwaas en onbeduidend; en wanneer er vraag naar is, zie ik er geen kwaad in daaraan te voldoen. Veel respectabele menschen maken een goed inkomen uit wat men sensatie-romans noemt,” antwoordde Jo, haar inhaalsel zoo stevig inkrassende, dat haar speld overal kleine sleetjes achterliet.“Er is ook vraag naar jenever, maar ik denk toch niet, dat u of ik dien zou willen verkoopen. Als die respectabele menschen wisten, hoeveel kwaad zij deden, zouden zij hun inkomen niet goed noemen. Zij hebben geen recht, om vergif in de suikerboonen te doen, en ze door kinderen te laten opeten. Neen, zij behoorden een oogenblikje er over te denken, en liever de straat te gaan vegen, eer zij dit deden!”Mijnheer Bhaer sprak met nadruk, en liep naar de kachel, terwijl hij de courant in zijn hand verfrommelde. Jo zat onbeweeglijk, maar zag er uit alsof het vuur uit haar gezicht sprong, en haar wangen gloeiden nog, lang nadat de papieren muts in rook was opgegaan.“Ik zou graag al de rest denzelfden weg opjagen,” zei de professor, terugkeerende met een gezicht, alsof hem een pak van het hart was genomen.Jo bedacht hoe ’n groote brandstapel gemaakt zou kunnen worden van al de exemplaren, die zij op haar kamer bewaarde, en haar zuur verdiend geld woog haar gedurende eenige oogenblikken zwaar op het hart. Toen troostte zij zich met de gedachte: “Mijn verhalen zijn niet zooals dat; zij zijn alleen maar onbeduidend, nooit slecht; ik hoef er dus niet langer over te tobben,” en haar boek opnemende vroeg zij heel ijverig:“Zullen wij voortgaan, mijnheer? Ik zal nu goed oppassen.”“Dat wil ik hopen,” was al wat hij antwoordde, maar hij bedoelde meer dan zij dacht, en de ernstig vriendelijke blik, waarmee hij haar aankeek, gaf haar een gevoel, alsof de woorden “Wekelijksche Vulkaan” met groote letters op haar voorhoofd gedrukt stonden.Zoodra zij in haar kamer kwam, haalde zij de couranten voor den dag en las zorgvuldig al haar verhalen over. Daar mijnheer Bhaer wat zwak van gezicht was, gebruikte hij soms een lorgnet. Jo had het eens geprobeerd en met een glimlach gezien, hoe sterk het den fijnen druk van haar boek vergrootte; nu scheen zij ook den geestelijken of den zedelijken bril van den professor opgezet te hebben, want de gebreken van haar ongelukkige verhalen staarden haar grijnzend aan, en vervulden haar met verslagenheid.“Zijzijn‘ontuig’ en zij zullen gauw nog iets ergers worden, als ik er mee voortga, want het een is al schokkender dan het ander. Ik ben blindelings voortgegaan, en heb, alleen om het geld, mijzelveen anderen kwaad gedaan;—ik weet, dat het zoo is—want ik kan dat prulwerk niet in koelen bloede lezen, zonder er mij gruwelijk over te schamen; en wat zou ik beginnen, als zij ze thuis eens lazen of mijnheer Bhaer ze in handen kreeg?”Bij die gedachte werd Jo vuurrood, en stopte het heele pak in den haard, op gevaar af van door den fellen gloed brand in den schoorsteen te veroorzaken.“Ja, dat is de beste plaats voor zulken ontvlambaren onzin! Ik geloof, dat ik nog beter deed met het huis in brand te steken, dan toe te laten dat anderen door mijn buskruit in de lucht vliegen,” dacht Jo, terwijl zij “De Demon van den Jura” als een klein zwart hoopje met vurige oogen zag wegschrompelen.Maar toen van al haar werk der drie laatste maanden niets was overgebleven dan een hoop asch en het geld in haar beurs, bleef Jo met een triest gezicht op den grond zitten, onzeker wat zij met haar honorarium moest beginnen.“Ik denk, dat iktot nog toeniet veel kwaad heb uitgericht, en dat ik het dus wel mag houden als een vergoeding voor mijn tijdverlies,” besloot zij na lang nadenken, terwijl zij er ongeduldig bijvoegde: “Ik zou haast wenschen maar geen geweten te hebben, het is zoo lastig! Als ik er niet om gaf, of ik goed handelde, en geen spijt had als ik iets verkeerds deed, zou ik heerlijk vooruit komen. Ik wou soms, dat Vader en Moeder niet altijd zoo verschrikkelijk precies op zulke dingen waren geweest.”Jo schreef geen sensatie-verhalen meer, overtuigd dat het geld, wat zij er mee verdiende, niet opwoog tegen het kwaad, dat zij stichtte; maar verviel nu, zooals meer het geval is met menschen van haar karakter, in een ander uiterste. Zij bestudeerde de werken van langdradige, degelijke ouderwetsche schrijfsters, en schreef toen een verhaal, dat eigenlijk eerder een verhandeling of een preek mocht heeten, zoo vreeselijk zedekundig was het. Van het begin af aan was ze er niet bizonder gerust op; want haar levendig temperament en rijke phantasie gevoelden zich in dien nieuwen trant even weinig thuis, als zij zelf zich op een gemaskerd bal thuis zou voelen, in het stijve en lastige kostuum uit een vorige eeuw. Dit juweel van leerzame braafheid bracht zij op verscheiden plaatsen ter markt, zonder een kooper te vinden; zoodat zij er toe neigde, met den heer Dashwood te verklaren, dat zedepreeken niet verkocht worden. Toen probeerde zij een kinderverhaal, dat zij had kunnen plaatsen, als zij niet zoo geldzuchtig was geweest, om er een goede som voor te willen maken. De eenige uitgever, die haar genoeg bood, om het haar der moeite waard te doen zijn, in deze richting verder te gaan, was een waardig heer, die zich geroepen voelde de heele wereld tot zijn bizonder geloof te bekeeren. Maar hoe graag Jo ook voor kinderen schreef, kon zij er niet in toestemmen, al haar ondeugende jongens door beren te laten opeten, of door woedende stieren te laten verscheuren; evenmin om al de braveHendrikken te beloonen met allerlei soort van zegeningen; van vergulde suikerboonen af tot een engelenwacht toe, als zij, met psalmen of gezangen op hun stamelende lipjes, dit leven verlieten. Deze proefnemingen liepen dus op niets uit, en Jo schoof haar inktkoker terzijde, en zei in een aanval van gezonde nederigheid:“Ik weet niets, ik zal dus dienen te wachten, tot ik een gelukkige ingeving krijg en onderwijl ‘de straat vegen’ als ik niets beter doen kan; dat is in ieder geval ‘eerlijk’ werk; en dit besluit was een duidelijk bewijs, dat haar tweede tuimeling van den boonenstaak haar goed had gedaan.”Terwijl deze innerlijke omwentelingen plaats grepen was haar uitwendig leven even bezig en kalm als te voren, en wanneer zij soms ernstig en neerslachtig keek, was er niemand, die het opmerkte, dan professor Bhaer. Hij deed het zoo stil, dat Jo volstrekt niet gewaar werd, dat hij haar gadesloeg om te zien, of zij met zijn vermaning haar voordeel gedaan had; maar zij stond de proef door, en hij was voldaan, want hoewel er geen woord tusschen hen over gewisseld werd, begreep hij zeer goed, dat zij het schrijven er aan gegeven had. Hij giste het niet alleen uit het feit, dat haar rechtermiddenvinger niet langer een en al inkt was, maar zij bracht haar avonden beneden door, vertoonde zich niet meer in de buurt der uitgeverskantoren, en studeerde met een volharding en een geduld, die hem bewezen, dat zij van plan was haar geest, zij het al niet met aangename, dan ten minste met nuttige dingen bezig te houden.Hij hielp haar op allerlei manieren, betoonde zich een waar vriend, en Jo was gelukkig; want terwijl zij haar pen liet rusten, leerde zij nog wat anders behalve Duitsch, en legde ze den grondslag tot den sensatie-roman van haar eigen leven.Het was een prettige en een lange winter, want zij bleef tot Juni bij mevrouw Kirke. Iedereen was bedroefd toen die tijd aanbrak; de kinderen waren ontroostbaar, en al het haar van mijnheer Bhaer stond recht overeind, daar hij het altoos naar alle kanten opstreek, wanneer hem iets hinderde.“Gij gaat nu naar huis? Ach, gij zijt gelukkig, dat gij een tehuis hebt om heen te gaan,” zei hij, toen zij het hem vertelde, en verder zat hij zwijgend in een hoekje aan zijn baard te plukken, terwijl zij dien laatsten avond haar kleine receptie hield.Zij zou vroeg in den morgen vertrekken; daarom nam zij des avonds van allen afscheid, en toen zijn beurt kwam, zei zij hartelijk:“Nu, mijnheer Bhaer, vergeet niet, wanneer gij ooit onzen kant uitkomt, ons te komen bezoeken. Ik zou het u nooit vergeven, als u het niet deed, want ik hoop, dat allen thuis mijn vriend zullen leeren kennen.”“Waarlijk? zal ik komen?” vroeg hij, terwijl hij haar met een verlangenden blik aanzag, dien zij echter niet opmerkte.“Ja, toe, komt u in de volgende maand; dan promoveert Laurie,en het zou wel aardig voor u zijn, eens een Amerikaansche promotie bij te wonen.”“Dat is uw beste vriend, van wien gij spreekt?” vroeg hij op veranderden toon.“Ja, mijn jongen, Teddy; ik ben heel trotsch op hem, en zou erg graag willen, dat u hem zag.”Bij deze woorden keek Jo op, zonder aan iets anders te denken dan aan haar eigen genoegen, wanneer zij hen aan elkander zou voorstellen.Een zeker iets in de oogen van prof. Bhaer deed haar plotseling bedenken, dat zij mogelijk in Laurie iets meer dan een besten vriend zou vinden, en juist omdat zij wenschte niets bizonders te laten blijken, begon zij te blozen, en hoe meer zij probeerde dit niet te doen, hoe rooder zij werd. Als zij Tina niet op schoot had gehad, zou zij niet geweten hebben wat te beginnen. Gelukkig kreeg het kind den inval om haar te kussen, waardoor zij haar gezicht een oogenblik verbergen kon, in de hoop, dat de professor het niet zou zien. Maar hij zag het, en de voorbijgaande uitdrukking van smart op zijn gelaat maakte weer voor de gewone kalmte plaats, terwijl hij hartelijk zeide:“Ik vrees, dat ik daarvoor geen tijd zal vinden, maar ik wensch den vriend veel succes, en u alle mogelijk geluk; God zegene u!” en hiermee drukte hij haar hartelijk de hand, nam Tina op den schouder, en ging heen.Toen de jongens naar bed waren, zat hij nog lang voor het vuur, met een pijnlijken trek om zijn mond, en een drukkend gevoel van heimwee in het hart. Eén oogenblik, toen hij zich Jo weer voorstelde zooals zij daar zat, met het kind op haar schoot, en die ongewoon zachte uitdrukking in de oogen, verborg hij zijn gezicht in de handen, en dwaalde toen door de kamer, alsof hij iets zocht, wat hij niet vinden kon.“Het is niet voor mij; ik moet er niet meer op hopen,” zei hij tot zichzelf met een zucht, die bijna een kreun mocht heeten; toen, alsof hij zich berispte over het verlangen, dat hij niet kon bedwingen, ging hij zacht de slaapkamer binnen, kuste de twee krulkopjes, haalde zijn zelden gebruikten meerschuimer voor den dag, en opende zijn Plato.Hij deed manmoedig zijn best; maar ik geloof niet, dat hij in een paar wilde jongens, een pijp, of zelfs in den goddelijken Plato, een voldoende vergoeding vond voor een vrouw, een kind en een eigen tehuis.Hoe vroeg het ook was, ging hij den volgenden morgen naar het station om Jo te zien vertrekken; en aan hem had zij het te danken, dat zij haar reis begon, met de herinnering aan een vriendelijk gelaat, dat haar een vaarwel toeknikte, met een bosje viooltjes om haar gezelschap te houden, en bovenal met de blijde gedachte in het hart: “Zie zoo, de winter is voorbij; ik heb geen boeken geschreven,geen fortuin gemaakt, maar ik heb een goed vriend gevonden, en ik zal mijn best doen hem levenslang te behouden.”1Beroemd boek van den Engelschen schrijver Thomas Carlyle.HOOFDSTUK XII.HARTELEED.Wat Laurie’s beweegreden ook mocht geweest zijn, het “pompen” van het laatste jaar bleek niet tevergeefs, want hij promoveerde met lof, en sprak zijn Latijnsche oratie uit “met de bevalligheid van een Philippo en de welsprekendheid van een Demosthenes,” zooals zijn vrienden zeiden. Zij waren allen tegenwoordig—zijn grootvader, zoo trotsch en gelukkig! mijnheer en mevrouw March, John en Meta, Jo en Betsy, en allen verheugden zich over hem, met die oprechte bewondering, waarover jongelui op het oogenblik zelf zoo luchtig denken, maar die hun bij latere triomfen in de wereld niet licht te beurt valt.“Ik moet voor dat vervelende souper hier blijven, maar ik kom morgenavond vroeg thuis. Loopen jullie mij als naar gewoonte tegemoet, meisjes?” vroeg Laurie, toen hij ’s avonds van dien blijden dag de zusters in het rijtuig hielp.Hij zei “meisjes” maar hij meende Jo,—want zij was de eenige die nog aan de oude gewoonte getrouw bleef; zij had het hart niet om haar knappen, gelauwerden jongen iets te weigeren, en antwoordde hartelijk:“Ik zal komen, Teddy, weer of geen weer, en voor je uit wandelen om ‘Ziet, hij komt, met eer gekroond’ te spelen op een Davids-harp.”Laurie dankte haar met een blik, die haar met een plotselingen schrik deed denken: “O, hemel! Ik vrees, dat hij iets zal zeggen, en wat moet ik dan beginnen?”Een avond-overdenking en een drukke morgen deden haar angst wat bedaren, en na zich onder het oog te hebben gebracht, dat zij niet zoo ijdel moest zijn te verwachten, dat menschen haar liefdesverklaringen zouden gaan doen, als zij hun alle reden gegeven had om te begrijpen, wat haar antwoord zou wezen, ging zij op den bepaalden tijd van huis, in de hoop, dat Teddy haar niet zou noodzaken zijn ongelukkige gevoelens te kwetsen. Een bezoek bij Meta en een verkwikkende omhelzing van Daisy en Demi-John, gaven haar nieuwe kracht voor het tête-à-tête, maar toen zij een rijzige gedaante in de verte zag aankomen, gevoelde zij toch een sterke begeerte om terug te keeren en weg te loopen.“Waar is de Davids-harp, Jo?” riep Laurie haar toe, zoodra hij dicht genoeg genaderd was om zich te doen verstaan.“Vergeten!” en Jo schepte nieuwen moed, want die begroeting kon moeilijk verliefd genoemd worden.Bij zulke bizondere gelegenheden als deze, nam ze vroeger altijd heel zusterlijk zijn arm, maar dezen keer deed zij het niet, en hij maakte er geen aanmerking over—wat een “veeg” teeken was—maar praatte gejaagd voort over allerlei gezochte onderwerpen, tot zij aan het smalle paadje kwamen, dat door het boschje naar huis leidde. Toen begon hij langzamer te loopen, verloor zijn welbespraaktheid, en trad er nu en dan een drukkende pauze in. Om de conversatie van een nieuwe bezwijming te redden, begon Jo haastig:“Nu mag je wel eens een flinke, lange vacantie nemen.”“Dat ben ik ook van plan.”Een zeker iets in zijn beslisten toon deed Jo haastig opzien, en bemerken dat zijn blik op haar rustte met een uitdrukking, die haar duidelijk aantoonde, dat het gevreesde oogenblik genaderd was. Zij hief de handen smeekend op en zei:“Neen, Teddy,alsjeblieftniet!”“Ik wil het zeggen, en jemoetmij aanhooren. Het geeft niets, Jo; wij moeten er over spreken, en hoe eerder wij het doen, hoe beter het voor ons beiden is,” antwoordde hij, plotseling aangedaan en opgewonden wordende.“Zeg dan maar wat je wilt; ik zal luisteren,” zei Jo met wanhopige onderwerping.Laurie was nog een jeugdig minnaar, maar hij meende het ernstig, en hij was vast besloten het nu “uit te maken,” al moest hij het ook met den dood bekoopen; daarom stortte hij zich met de hem eigene onstuimigheid in zijn onderwerp, en vervolgde met een bevende stem, die hij te vergeefs met alle macht in bedwang trachtte te houden:“Ik heb je altijd liefgehad, zoolang ik je gekend heb, Jo—ik kon er niets tegen doen, je bent zoo goed voor mij geweest; ik heb getracht het je te toonen, maar je wou het niet toelaten. Maar nu moet je naar mij luisteren, en mij antwoord geven, want ikkanniet langer zoo voortleven!”“Ik had je dit zoo graag willen besparen; ik dacht, dat je wel zou begrijpen—” begon Jo, die het antwoorden nog moeilijker vond, dan zij gevreesd had.“Dat weet ik wel; maar meisjes zijn zoo wonderlijk, dat je nooit recht kunt weten, wat zij willen. Zij zeggen ‘neen,’ als zij ‘ja’ meenen, en zijn in staat iemand alleen voor de grap buiten zichzelf te brengen,” antwoordde Laurie, zich achter een onloochenbaar feit verschuilende.“Ikniet. Ik heb niets gedaan om je zoo van mij te doen houden, en ik ben weggegaan om dit, zoo mogelijk, te voorkomen.”“Dat dacht ik wel; het was net iets voor jou, maar ’t heeft niets geholpen. Ik kreeg er je des te liever om, en deed al mijn best om’t je naar den zin te maken; ik gaf er het biljarten aan en alles waar jij maar iets tegen hadt, en wachtte, en klaagde nooit, omdat ik hoopte, dat je mij nog wel zou lief krijgen, hoewel ik niet half goed genoeg ben”—hier volgde een snik, die niet bedwongen had kunnen worden; daarom sloeg hij boterbloempjes stuk met zijn wandelstok, tot dat “drommelsche brok” in zijn keel wat gezakt zou wezen.“Ja, dat ben je wel, je bent veel te goed voor mij, en ik ben je zoo dankbaar, en zoo trotsch op je, en ik houd zooveel van je! ’k Begrijp eigenlijk niet, waarom ik je niet zoo lief kan hebben, als je verlangt. Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan mijn gevoel niet veranderen, en het zou een leugen zijn, als ik zei, dat ik het deed, terwijl het niet zoo is.”“Wezenlijk, Jo?”Hij stond stil en nam bij deze vraag haar beide handen in de zijne, met een blik, dien zij niet spoedig zou vergeten.“Wezenlijk, Teddylief.”Zij waren nu in het boschje—dicht bij het hek: en toen de laatste woorden met moeite over Jo’s lippen waren gekomen, liet Laurie haar handen los, en keerde zich om, alsof hij verder wilde gaan, maar voor de eerste maal in zijn leven was een teleurstelling hem te machtig; hij verborg zijn gezicht tegen den met mos begroeiden paal en stond zoo stil, dat het Jo angstig om ’t hart werd.“O Teddy, het spijt mij zoo, het spijt mij zoo vrééselijk; ik zou mij zelf wel willen doodsteken, als dat iets helpen kon. Ik wou, dat je het niet zoo hoog opnam, ik kan het niet helpen; je weet, dat liefde zich niet dwingen laat!” riep Jo, bedroefd en berouwvol, terwijl zij hem zachtjes de hand op den schouder legde en aan dien lang verleden morgen dacht, toen hij haar zoo vertroost had.“Soms lukt het, als je ’t probeert,” klonk een gesmoorde stem van den paal.“Ik geloof niet, dat het dan de rechte soort van liefde is, en ik zou het liever niet probeeren,” was het vastbesloten antwoord.Toen volgde een lange pauze, waarin de distelvink vroolijk zong en het lange gras in den wind ritselde. Daarna begon Jo zeer ernstig, terwijl zij ging zitten op een steen bij het hek.“Laurie, ik moet je iets zeggen.”Hij schrikte, alsof hij door een schot getroffen werd, wierp het hoofd achterover en riep op woesten toon:“Vertel medatniet, Jo; ik zou het niet kunnen verdragen!”“Wat niet?” vroeg zij verbaasd over zijn heftigheid.“Dat je dien ouden man liefhebt.”“Welken ouden man?” vroeg Jo, die dacht, dat hij zijn grootvader op het oog had.“Dien beroerden professor, waar je altijd over schreef. Als je zegt, dat je hem liefhebt, doe ik iets wanhopigs,” en hij zag eruit, alsof hij zijn woord zou houden, toen hij met van woede glinsterende oogen zijn vuist balde.Jo was op het punt te lachen, maar bedwong zich en zei met warmte, want zij werd door al die emoties ook opgewonden:“Vloek niet, Teddy! hij is niet oud, of wat ook; alleen maar goed en vriendelijk, en de beste vriend, dien ik heb—na jou. Word nu als’tjeblieft niet driftig; ik wil niets onaardigs zeggen, maar ik wéét, dat ik boos zal worden, als je iets ten nadeele van mijn professor zegt. Ik heb niets geen plan om op hem of op iemand anders verliefd te raken.”“Maar dat zul je na een poosje toch, en wat moet er dan van mij worden!”“Jij zult als een verstandige jongen, ook wel van iemand anders gaan houden, en al deze akeligheid vergeten.”“Ikkanniemand anders liefhebben, en ik zal jou nooit vergeten, Jo, nooit!” riep hij, op den grond stampend om zijn hartstochtelijke woorden kracht bij te zetten.“Watmoetik met hem beginnen?” zuchtte Jo, ziende dat gevoelszaken moeilijker te behandelen waren, dan zij gedacht had. “Je hebt nog niet gehoord, wat ik je wou vertellen. Toe, ga nu eens zitten en luister naar me, want ik wil werkelijk doen, wat het beste is en je gelukkig maken,” zei zij, in de hoop hem door een verstandig woordje tot kalmte te brengen,—wat duidelijk bewees, dat zij niet het minste begrip had van liefde.Laurie, die een straal van hoop in de laatste toespraak meende te ontdekken, wierp zich op het gras aan haar voeten, leunde met zijn hoofd op zijn arm en keek vol verwachting naar haar op. Die schikking was echter, wat Jo betreft, niet bevorderlijk voor een kalm gesprek of de helderheid van haar geest; want hoekonzij harde dingen zeggen tegen haar jongen, als hij haar zoo met oogen vol liefde lag aan te kijken, terwijl zijn wimpers nog vochtig waren van de bittere tranen, die de hardheid haars harten hem ontperst had? Zij keerde zacht zijn hoofd af en zei, terwijl zij het krulhaar streelde, dat om harentwil had mogen groeien—wat de aandoenlijkheid van alles nog verhoogde!—“Ik ben het met Moeder eens, dat jij en ik niet bij elkander passen, omdat ons opvliegend temperament en onze vaste wil ons waarschijnlijk diep ongelukkig zouden maken, als wij zoo dwaas waren van te—” Jo zweeg een oogenblik, eer zij het laatste woord uitsprak, maar Laurie noemde het met de grootste verrukking: “trouwen,—neen dat zouden wij niet! Als jij me lief hadt, Jo, zou ik een volmaakte heilige worden,—want jij kunt van me maken, wat je wilt!”“Neen, dat kan ik niet. Ik heb het geprobeerd, en het is mislukt, en ik wil ons geluk niet wagen aan zoo’n ernstige proefneming. Wij passen niet bij elkaar, en zullen dat wel nooit doen; laat ons levenslang vrienden blijven, maar geen dwaasheid begaan.”“Jawel, als wij er maar kans toezien,” prevelde Laurie, tegenspartelend.“Kom, wees nu niet onredelijk, en beschouw de zaak verstandig,” smeekte Jo, bijna ten einde raad.“Ik wil onredelijk zijn; ik verlang de zaak niet verstandig te beschouwen; het kan mij niet helpen en het maakt jou maar kouder. Ik geloof niet, dat je een hart hebt.”“Ik wou dat het waar was.”Jo’s stem beefde, en Laurie, die dit een goed teeken vond, keerde zich om en wendde al zijn overredingskracht aan, terwijl hij op zijn vleienden toon (nog nooit had die zoo gevaarlijk vleiend geklonken) zei:“Kom, lieveling, stel ons niet te leur: ze verwachten het allemaal. Grootvader heeft er zijn hart op gezet;—je familie vindt het goed, en ik kan niet zonder je leven. Zeg nu maar, dat je wilt, en laat ons gelukkig zijn! Toe, doe het maar!”Eerst vele maanden later begreep Jo, hoe zij genoeg geestkracht had gehad om trouw te blijven aan haar besluit, toen zij verklaarde, dat zij haar jongen niet beminde en het ook nooit zou kunnen. Het was een zware taak, maar zij volbracht die, wel wetende, dat uitstel zoowel noodeloos als wreed zou wezen.“Ik kan niet van harte ja zeggen, daarom zeg ik het ook stellig niet. Je zult na een poosje wel inzien, dat ik gelijk heb, en er mij dankbaar voor zijn,” begon zij plechtig.“Dat zal lang duren!” en Laurie vloog overeind, gloeiend van verontwaardiging bij de enkele gedachte.“Ja, dat zul je toch wel!” begon Jo weer; “je zult er je na een poosje mee verzoenen, en een lief knap meisje vinden, dat je zult aanbidden, en die een mooie châtelaine voor je mooi huis zal zijn. Dat zou ik toch niet wezen; ik ben alledaagsch en onhandig, en raar en oud, en je zou je maar over mij schamen, en wij zouden kibbelen. Zelfs nu kunnen wij het al niet laten, zooals je ziet, en ik zou niet van deftig gezelschap houden, en jij wel, en jij zou een hekel hebben aan mijn gekrabbel, en ik zou er niet buiten kunnen, en wij zouden dood ongelukkig zijn en wenschen dat wij het maar niet gedaan hadden, en het zou een verschrikkelijk leven worden!”“Nog meer?” vroeg Laurie, die het moeilijk vond geduldig te luisteren naar deze profetische uitbarsting.“Niet meer, behalve dat ik niet geloof, dat ik ooit zal trouwen; ik ben gelukkig zooals ik ben, en heb mijn vrijheid te lief, dan dat ik me zou haasten die op te geven voor eenig sterfelijk man!“Dat weet ik wel beter!” viel Laurie uit. “Nu denk je zoo, maar er zal een tijd komen, wanneer ie wél van iemand zult houden, en dan zul je hem geweldig liefhebben en voor hem leven en sterven. Ik weet zeker, dat het zoo zijn zal, ’t is net iets voor je, en dan zal ik mogen toekijken!” En de ongelukkige minnaar wierp zijn hoedop den grond met een gebaar, dat comisch zou geweest zijn, als zijn gezicht niet zoo droevig had gestaan.“Ja, ikzalvoor hem leven en sterven, als hij ooit komt en mij dwingt hem lief te hebben, tegen wil en dank, en jij moet zien er je doorheen te slaan!” riep Jo, die haar geduld verloor met den armen Teddy. “Ik heb gedaan wat ik kon, maar jijwiltniet naar rede luisteren, en het is zelfzuchtig van je, te blijven vragen om iets, dat ik niet geven kan. Ik zal altijd veel van je houden, heel veel, als een vriendin, maar ik kan nooit met je trouwen; en hoe eer je dat gelooft, hoe beter voor ons beiden—dus—”Die toespraak werkte als vuur bij buskruit. Laurie keek haar een oogenblik aan, alsof hij niet recht wist, wat met zichzelven te doen, keerde zich toen eensklaps om en zei op wanhopigen toon: “Dit zal je eenmaal spijten, Jo!”“O, waar ga je heen?” riep zij, want de uitdrukking in zijn oogen maakte haar angstig.“Naar den duivel!” was het troostvol antwoord.Jo’s hart stond een oogenblik stil, toen hij met een sprong den oever der rivier bereikte, maar er is veel dwaasheid, zonde of ellende noodig om een jongeman tot zelfmoord te brengen, en Laurie behoorde niet tot de zwakke soort, die zich gewonnen geeft na een enkele bittere teleurstelling. Hij dacht niet aan een tragische onderdompeling, maar een blind instinkt dreef hem om hoed en jas in zijn boot te werpen en uit alle macht weg te roeien, waarbij hij mooier tijd maakte dan bij menigen wedstrijd. Jo haalde diep adem, en liet haar armen langs haar lijf vallen, terwijl zij “haar jongen” nastaarde, die zijn verdriet trachtte te beheerschen.“Dat zal hem goed doen! Maarhij zal in zoo’n teeder berouwvolle stemming thuis komen, dat ik hem niet onder de oogen zal durven komen,” voegde zij er bij, terwijl zij langzaam naar huis ging, met een gevoel, alsof zij een onschuldig wezentje vermoord en onder de bladeren begraven had.“Nu moet ik het maar aan mijnheer Laurence gaan zeggen, dan kan hij wat vriendelijk tegen mijn armen jongen zijn. Ik wou dat hij van Bets hield; misschien zal hij dat mettertijd wel gaan doen, maar ik geloof, dat ik mij op dat punt in haar vergist heb. Hoe is het toch mogelijk, dat meisjes het prettig vinden aanbidders te hebben, en ze dan af te wijzen? Ik vind het iets verschrikkelijkst.”Overtuigd dat niemand er beter voor geschikt was dan zijzelve, ging zij regelrecht naar mijnheer Laurence, vertelde manmoedig de heele geschiedenis, en begon toen zoo wanhopig over haar eigen ongevoeligheid te schreien, dat de vriendelijke oude heer er niets tegen in wist te brengen, hoewel hij bitter teleurgesteld was. Hij kon maar niet begrijpen hoe een meisje laten kon Laurie lief te hebben, en hoopte, dat zij nog van gedachten veranderen zou, maar hij wist, zelfs nog beter dan Jo, dat liefde niet gedwongen kan worden; daarom schudde hij stilbedroefd het hoofd en beslootzijn kleinzoon buiten gevaar te brengen, want de afscheidswoorden van den jongen driftkop tegen Jo beangstigden hem meer, dan hij wilde bekennen.Toen Laurie doodmoe, maar heel bedaard thuis kwam, ontving zijn grootvader hem, alsof hij van niets wist, en hield gedurende een paar uren den schijn met goed gevolg op. Maar toen zij samen in de schemering zaten, dat uurtje, waarvan zij anders zoo genoten, viel het den ouden man zwaar als naar gewoonte door te praten, en den jongen man nóg zwaarder, te luisteren naar de loftuitingen over den goeden uitslag van het laatste studiejaar, dat hem nu een mislukt liefdewerk toescheen. Hij verdroeg het, zoolang hij kon, ging toen naar de piano en begon te spelen. De ramen stonden open, en Jo, die met Betsy in den tuin wandelde, begreep dezen keer de muziek beter dan haar zuster, want hij speelde de Sonate Pathétique, en speelde haar, zooals hij nog nooit gedaan had.“Dat is heel mooi, maar droevig genoeg om iemand aan het schreien te maken; speel eens iets vroolijkers, jongenlief,” verzocht mijnheer Laurence, wiens vriendelijk oud hart vol was van een medegevoel, dat hij zoo gaarne wilde toonen, maar niet wist hoe.Laurie begon iets opgewekters, speelde een poosje woest door, en zou het er goed afgebracht hebben, indien hij niet in een kleine pauze mevrouw March had hooren roepen: “Jo, kom even binnen, ik heb je noodig.”Juist wat Laurie zoo sterk voelde, in een anderen zin. Toen hij de woorden hoorde, raakte hij in de war, het spel eindigde met een gebroken akkoord, en de jonge musicus bleef roerloos in de duisternis zitten.“Dát is me te machtig!” mompelde de oude heer; hij stond op, zocht zijn weg naar de piano, legde zijn handen op Laurie’s schouders, en zei, zoo zacht als een vrouw: “Ik weet alles mijn jongen, ik weet alles.” Geen antwoord gedurende een oogenblik; toen vroeg Laurie scherp: “Wie heeft het u verteld?”“Jo zelf.”“Dan is alles uit!” en hij schudde de hand van zijn grootvader met een ongeduldige beweging af; want hoewel hij dankbaar was voor de sympathie, kon toch zijn mannelijke trots het medelijden van een man niet verdragen.“Niet geheel, ik wou je nog iets zeggen, en dan zal alles uit zijn,” antwoordde de oude heer met ongewone zachtheid. “Je hebt nu zeker geen lust om hier te blijven?”“Ik ben niet van plan voor een meisje weg te loopen. Jo kan mij niet verhinderen haar te zien, en ik zal blijven en dat doen, zoolang ik verkies,” antwoordde Laurie op hoogen toon.“Dat zul je niet, als je een gentlemen bent, waar ik je voor houd. Ik ben ook diep teleurgesteld, maar het meisje kan het niet helpen; en het eenige, wat jou te doen staat, is, voor een poos weg te gaan. Waar wil je heen?”“Dat is mij ’t zelfde, ik geef er niets om, wat er van mij wordt,” en Laurie stond op met een onverschilligen lach, die zijn grootvader akelig in de ooren klonk.“Draag het als een man, en doe in ’s hemels naam geen overijlde dingen! Ga buitenslands, en tracht het te vergeten.”“Dat kán ik niet!”“En je verlangde er zoo naar, en ik had je beloofd, dat je gaan zou, als je promotie achter den rug was.”“O ja! maar ik was niet van planalleente gaan!” Laurie liep met groote stappen de kamer op en neer, met een uitdrukking op zijn gezicht, die zijn grootvader gelukkig niet zag.“Ik verg niet van je, dat je alleen gaat; er is wel iemand die met alle plezier, waarheen dan ook, wil meegaan.”“Wie, Grootvader?” vroeg hij stilstaande.“Ik zelf.”Laurie keerde zich af, maar draaide even gauw weer om, en zei met een heesche stem, terwijl hij zijn hand uitstak: “Ik ben een ellendige egoïst, maar—u weet—Grootvader,—”“Ja, mijn jongen, ja, ik weet er alles van, want ik heb dat alles vroeger zelf doorgemaakt in mijne jonge jaren, en later met je vader. Kom, kerel, ga eens rustig hier zitten, en luister naar mijn plan. Het is alles in orde en kan dadelijk uitgevoerd worden,” zei de oude heer, zijn kleinzoon vasthoudende, alsof hij bang was, dat deze zich van hem zou losrukken, zooals zijn vader vóor hem gedaan had.“Nu, Grootvader, wat wilt u dan?” en Laurie liet zich neervallen, zonder eenig blijk van belangstelling in gelaat of stem.“Er zijn in Londen zaken te vereffenen; ik had gedacht, dat jij dat wel kon doen, maar het is nog beter, dat ik er zelf heen ga, en de boel hier zal heel goed marcheeren nu Brooke er voor kan zorgen. Mijn compagnons doen bijna alles, ik blijf er alleen nog maar in, tot jij in mijn plaats kunt komen, en ik kan er dus ieder oogenblik uittrekken.”“Maar u hebt het land aan reizen, Grootvader; ik kan dat op uw leeftijd niet van u vergen,” begon Laurie, die dankbaar was voor het offer, maar veel liever alleen ging, als hij dan toch moest gaan.De oude heer wist dat zeer goed, doch was vast besloten het te voorkomen, want de stemming waarin zijn kleinzoon verkeerde, bewees hem, dat het niet verstandig zou zijn den jongen aan zijn lot over te laten. Hij onderdrukte dus een opkomenden zucht bij de gedachte aan de huiselijke gemakken, die hij achter moest laten, en zei manmoedig:“Loop heen, ik ben nog geen oude sukkel! Ik vind het een alleraardigst plan; het zal mij goed doen, en mijn oude ribbekast zal er niets door lijden, want het reizen is tegenwoordig bijna even gemakkelijk, alsof je thuis in je stoel zit.”Een ongeduldige beweging van Laurie gaf te kennen, datzijnstoel niet gemakkelijk was, en dat hij het voorstel niets aanlokkelijk vond, waarom de oude man er haastig bijvoegde:“Ik ben niet van plan een spelbreker of een lastpost te zijn; ik ga, omdat ik meen, dat je je gelukkiger zult voelen, dan wanneer je mij alleen achter laat. Ik zal ook niet overal met je rond zwerven, maar laat je vrij om te gaan, waarheen je wilt, terwijl ik me op mijn eigen manier amuseer. Ik heb vrienden in Londen en Parijs, en zou ze graag eens rustig bezoeken; in dien tusschentijd kun jij naar Indië, Duitschland of Zwitserland trekken, waarheen je maar wilt, en naar hartelust genieten van schilderijen, muziek, mooie vergezichten en avonturen.”Nu had Laurie op dit oogenblik, heel begrijpelijk, een gevoel, alsof zijn hart gebroken en de heele wereld een troosteloos-eenzame woestijn was; maar enkele woorden, die de oude man behendig in zijn laatsten zin wist in te lasschen, deden het gebroken hart onverwachts opspringen, en plotseling een paar oasen in die woestijn opdoemen. Hij zuchtte en antwoordde toen op lusteloozen toon:“Zooals u wilt, Grootvader; het komt er niet op aan, waar ik heen ga, of wat ik doe.”“Voor mij wel, onthoud dat mijn jongen; ik geef je volkomen vrijheid, maar ik reken er op, dat je die vrijheid goed zult gebruiken. Beloof mij dat, Laurie.”“Alles wat u maar verlangt, Grootvader.”“Goed!” dacht de oude heer, “hij geeft er nu niet om, maar de tijd zal eenmaal komen, dat die belofte hem voor veel kwaad kan bewaren, tenzij ik mij deerlijk vergis.”Daar mijnheer Laurence een energieke natuur bezat, smeedde hij het ijzer, terwijl het heet was; en eer de geknakte geest zich in zooverre hersteld had, dat hij zich tegen iets kon verzetten, waren zij vertrokken.Gedurende de dagen, die nog verloopen moesten om de noodige toebereidselen te maken, gedroeg Laurie zich zooals jonge lieden in een dergelijk geval gewoonlijk doen. Hij was afwisselend somber, prikkelbaar en peinzend; verloor zijn eetlust, verwaarloosde zijn kleeding, en bracht een groot gedeelte van zijn tijd door met hartstochtelijk piano te spelen. Hij ontliep Jo, maar stelde zich schadeloos door haar van uit zijn venster te begluren, met zoo’n tragische uitdrukking op zijn gezicht, dat het haar ’s nachts in haar droomen vervolgde en overdag een drukkend gevoel van schuld gaf. Anders dan sommige lijders sprak hij nooit over zijn onbeantwoorden hartstocht, en kon hij niet dulden, dat iemand, zelfs niet mevrouw March, hem een woordje van troost zocht toe te voegen of medegevoel toonde. Dit was in sommige opzichten een verlichting voor zijn vrienden, maar de weken voor zijn vertrek waren buitengewoon pijnlijk, en allen verblijdden zich, dat de “beste jongen”wegging om zijn verdriet te vergeten, en weer gelukkig thuis te komen. Hij glimlachte natuurlijk bitter over hun waan, maar liet dien voor wat hij was, met de droevige ongeloovigheid van een, die wist, dat zijn trouw even onveranderlijk was als zijn liefde.Toen het uur van scheiden aanbrak, wendde hij groote opgewektheid voor om sommige lastige gemoedsbewegingen te verbergen, die geneigd schenen zich te doen gelden. Zijn opgeschroefde vroolijkheid leidde niemand om den tuin, maar zij deden, alsof zij zich lieten verschalken, en hij bracht het er vrij goed af, totdat mevrouw March hem een kus gaf, en hem heel moederlijk iets toefluisterde. Toen voelde hij, dat het uit was met alle zelfbeheersching, en na een haastig afscheid van de anderen, de bedroefde Hanna niet te vergeten, rende hij de trappen af, alsof het zijn leven gold. Jo volgde hem een oogenblik later, om hem nog eens toe te wuiven, als hij soms om mocht kijken. Hij kéék om, kwam terug, sloeg de armen om haar heen, hoewel zij een trede hooger stond dan hij, en zag haar aan met een gezicht, dat zijn korte vraag even welsprekend als aandoenlijk maakte.“O, Jo,kunje niet?”“Mijn beste Teddy, ik wou, dat ik kon!”Dat was alles, behalve een kleine pauze; toen richtte Laurie zich op en zei: “’t Is goed, denk er verder maar niet over,” en ging, zonder nog een enkel woord te spreken. Maar het wasnietgoed, en Jo dacht er wél verder over, want toen, na haar hard antwoord, de krullebol een oogenblik op haar arm rustte, kreeg zij een gevoel, alsof zij haar liefsten vriend doorboord had, en toen hij haar verliet, zonder nog eenmaal naar haar om te zien, wist zij, dat de oude Laurie nooit terug zou komen.

HOOFDSTUK XI.EEN VRIEND.Hoewel Jo heel gelukkig was in haar gezellige omgeving, en druk met haar dagelijkschen arbeid, waardoor ze haar brood verdiende en kruidde, vond zij toch tijd voor haar letterkundige werkzaamheden. Het doel dat zij najoeg, lag voor de hand voor een arm en eerzuchtig meisje; maar de middelen, die zij in het werk stelde om het te bereiken, waren juist niet de beste. Zij zag, dat geld macht verschaft, en daarom besloot zij geld en macht te verwerven; niet alleen voor zichzelve, maar vooral voor hen, die zij meer dan zichzelve liefhad. De hoop, alles thuis aangenaam en gemakkelijk in te kunnen richten, Betsy alles te geven, wat zij verlangde, van aardbeien in den winter af, tot een serafineorgel in haar kamer toe; zelve op reis te gaan; en altijdmeerdan genoeg te hebben, zoodat zij zich het genot vangevenkon veroorloven, was jarenlang Jo’s geliefkoosd ideaal geweest.De ondervinding, opgedaan met de bekroonde novelle, scheen haar een weg te hebben geopend, die, na een lange reis en het beklimmen van steile bergen, haar naar dit verrukkelijk luchtkasteel zou voeren. Maar de kwellingen van de roman-critiek hadden haar moed voor een tijdlang gefnuikt, want de publieke opinie is eenreus, die wel moediger Jacks op hooger boonenstaken dan de hare, heeft afgeschrikt. Evenals die onsterfelijke held rustte zij wat uit na haar eerste poging, die in een nederploffing, en den minst begeerlijken van des reuzen schatten eindigde, als ik mij wel herinner. Maar de geest van opstaan en opnieuw beproeven, was even sterk in Jo als in Jack; zij klauterde dus dezen keer tegen den schaduwkant op, en behaalde meer buit, maar verloor bijna datgene, wat kostelijker is dan zakken vol goud.Zij begon sensatie-verhalen te schrijven—want in die duistere tijden las zelfs het volmaakte Amerika bombast. Zij sprak er met niemand over, maar stelde een “treffende geschiedenis” op, en bracht die stoutmoedig zelve naar den heer Dashwood, den uitgever van “De Wekelijksche Vulkaan”. Zij had wel nooit Sartor Resartus1gelezen, maar haar vrouwelijk instinct leerde haar, dat kleederen dikwijls grooter invloed uitoefenen dan karakterdeugden of de toovermacht van goede manieren. Zij trok dus haar beste pakje aan, en terwijl zij zich trachtte wijs te maken, dat zij noch opgewonden, noch zenuwachtig was, klom zij moedig twee donkere vuile trappen op, en kwam in een wanordelijke kamer vol tabaksrook, en in tegenwoordigheid van drie heeren, wier hielen zich in hooger luchtstreken bevonden dan hun hoeden, welke laatste kleedingstukken door geen van allen bij haar verschijning werden afgenomen. Eenigszins afgeschrikt door deze ontvangst aarzelde Jo op den drempel, en fluisterde erg verlegen:“Neem me niet kwalijk, ik zocht naar het kantoor van ‘De Wekelijksche Vulkaan’; ik wou mijnheer Dashwood graag spreken.”Omlaag kwam het hoogste paar hielen, overeind rees de rookerigste heer, en zorvuldig en liefkoozend zijn sigaar in de hand houdende, naderde hij met een knikje en een gezicht, waarop niets dan slaap te lezen stond. Gevoelende dat zij op de een of andere manier de zaak ten einde moest brengen, haalde Jo haar manuscript voor den dag, en met wangen, die met elken zin rooder en rooder werden, stamelde zij brokstukken van de kleine toespraak, die zij zoo zorgvuldig voor deze gelegenheid had bedacht.“Een van mijn vriendinnen verzocht mij—u dit verhaal—alleen als een proefneming—aan te bieden—zij wilde graag uw oordeel weten—en als u dit beviel, zou zij wel meer willen schrijven.”Terwijl zij bloosde en stamelde, had de heer Dashwood het manuscript ter hand genomen, en, het met een paar vuile vingers doorbladerend, een critischen blik over de net beschreven bladzijden laten dwalen.“Dit is geen eerste proefneming, denk ik?” vroeg de uitgever, bemerkende dat de pagina’s genommerd, slechts aan éen zijde beschreven en niet met een lint (dat zeker teeken van een eerstbeginnende) waren samengebonden.“Neen, mijnheer; zij heeft eenige ondervinding, en behaalde al een prijs met een verhaal in de ‘Blarneystone Banier.’”“Ah, zoo?” en de heer Dashwood wierp een haastigen blik langs Jo, die haar, met al wat zij aan had, van het lint op haar hoed, tot de knoopen van haar laarzen toe, scheen op te nemen. “U kunt het hier laten, als u wilt; wij hebben op ’t oogenblik meer van dit soort van dingen liggen dan wij kunnen gebruiken, maar ik zal het eens doorloopen, en u de volgende week antwoord geven.”Jo was volstrekt niet geneigd het achter te laten, want mijnheer Dashwood beviel haar in ’t geheel niet; maar onder deze omstandigheden kon zij niet anders doen dan buigen en wegwandelen, waarbij zij bizonder lang en statig scheen, zooals gewoonlijk wanneer zij geraakt of verbluft was. Op dit oogenblik was zij beide; want de veelbeteekenende blikken, die de heeren wisselden, hadden haar duidelijk getoond, dat haar kleine draaierij van “de vriendin” als een uitmuntende grap beschouwd werd; en een gelach, veroorzaakt door een onverstaanbare opmerking van den uitgever, terwijl hij de deur sloot, voltooide haar nederlaag. Half besloten hier nooit terug te keeren ging zij naar huis, en joeg haar boosheid op de vlucht, door uit alle macht boezelaars te naaien; en na een paar uur was zij genoeg gekalmeerd, om over het heele tooneel te lachen, en naar de volgende week te verlangen.Toen zij voor de tweede maal ging, was de heer Dashwood tot haar groote vreugde alleen. Hij scheen ook nu niet zóo verdiept in zijn sigaar, dat hij zijn manieren vergat—zoodat de tweede ontmoeting Jo veel minder zwaar viel dan de eerste.“Wij zullen het verhaal opnemen (uitgevers spreken nooit van ‘ik’) als u geen bezwaar hebt tegen eenige veranderingen. Het is te lang, maar wanneer u de plaatsen die ik gemerkt heb, schrapt, zal het juist de vereischte lengte krijgen,” zei hij op drogen toon.Jo herkende nauwelijks haar eigen manuscript, zoo verkreukeld en vol teekentjes waren de bladzijden en volzinnen; maar met een gevoel als van een teedere moeder, die men voorstelt de beentjes van haar zuigeling af te snijden, opdat hij in de nieuwe wieg moge passen, zag ze de aangestreepte passages na, en bemerkte met verbazing, dat al de zedekundige overwegingen, die zij er zoo zorgvuldig—als een tegenwicht voor het al te romantische—tusschen verspreid had, geschrapt waren.“Maar mijnheer, ik dacht dat ieder verhaal een soort van moreele strekking moest hebben, en daarom zorgde ik, dat ten minste een paar van mijn zondaren berouw kregen.”De ernst, die den uitgever paste, maakte plaats voor een glimlach, want Jo had haar “vriendin” vergeten, en sprak zooals alleen een schrijfster zou kunnen spreken.“Ja, maar de menschen verlangen geamuseerd, niet bepreekt te worden, weet u. Zedeleer wordt tegenwoordig niet verkocht,” hetgeen, tusschen twee haakjes, geen volkomen juiste opmerking was.“U meent dus, dat het met deze veranderingen bruikbaar zou zijn?”“Ja, de intrige is nieuw, en vrij aardig uitgewerkt—de stijl en dat is goed,” antwoordde mijnheer Dashwood minzaam.“Wat is—ik meen, wat geeft u—” begon Jo, niet wetende, hoe zij zich ’t best zou uitdrukken.“O, ja,—wel, wij geven van vijf en twintig tot dertig dollar voor dingen van dien aard, en betalen bij verschijning,” antwoordde de heer Dashwood, alsof dit punt hem ontgaan was; men zegt, dat zulke kleinigheden dikwijls de aandacht van uitgevers ontsnappen.“Heel goed, u kunt het plaatsen,” zei Jo, voldaan het verhaal teruggevende, want na al haar geschrijf voor een dollar de kolom, scheen zelfs vijf en twintig haar een mooi honorarium toe.“Mag ik mijn vriendin vertellen, dat u een volgend verhaal ook wel plaatsen wilt, als het beter is dan dit?” vroeg Jo, die haar kleine vergissing niet had bemerkt en stoutmoediger was geworden door haar succes.“Wel, wij zullen zien; kunnen het niet vast beloven. Zeg haar, dat zij het kort en piquant moet maken, en zich niet om de moraal bekommeren. Welken naam zou uw vriendin er onder willen plaatsen?” Dit laatste op achteloozen toon.“Geen naam, als ’t u blieft; zij verlangt haar eigen naam niet bekend te maken, en zij heeft geen pseudoniem,” antwoordde Jo, ondanks zich zelve blozende.“Zooals zij verkiest natuurlijk. Het verhaal zal de volgende week verschijnen; komt u het geld halen, of zal ik het zenden?” vroeg de uitgever, nieuwsgierig wie zijn nieuwe medewerkster was.“Ik zal er om komen; goeien morgen, mijnheer.”Toen zij vertrokken was, stak de heer Dashwood de beenen in de lucht, met de vriendelijke opmerking: “arm en trotsch als naar gewoonte, maar zij is bruikbaar.”Volgens de aanwijzingen van haar uitgever stortte Jo zich hals over kop in de troebele zee van sensatieromans, maar dank zij het reddend touw, dat haar door een vriend werd toegeworpen, kwam zij weer boven, en de duikeling deed haar geen kwaad.Evenals de meeste jonge schrijfsters zocht zij buitenslands naar karakters en tooneelen; bandieten, graven, zigeuners, nonnen en hertoginnen verschenen op haar tooneel, en speelden hun rollen met zooveel durf en bezieling, als de verslinders maar konden verlangen. Op zulke kleinigheden als taal, stijl, interpunctie, en waarschijnlijkheid, letten haar lezers al heel weinig, en mijnheer Dashwood vergunde haar genadig zijn kolommen tegen den laagsten prijs te vullen, het niet noodig keurende haar te vertellen, dat de ware reden van deze gastvrijheid het feit was, dat een zijner gewone werkpaarden, elders beter salaris gevonden en hem in den steek gelaten had.Weldra begon zij belang in het werk te stellen, want haar platbeursje werd dik en rond, en de kleine schat, die Betsy in staat zou stellen den volgenden zomer naar buiten te gaan, groeide langzaam maar zeker aan.Slechts één ding belette haar volkomen tevreden te zijn, en wel, dat zij het niet naar huis schreef. Zij vreesde, dat haar vader en moeder het niet zouden goedkeuren—en zij wilde maar liever eerst haar eigen gang gaan, en daarna vergeving vragen. Het was heel gemakkelijk haar geheim te bewaren, want haar verhalen verschenen naamloos; de uitgever had natuurlijk spoedig uitgevonden, wie zij was, maar beloofde te zwijgen; en o wonder, hij hield zijn woord.Zij meende, dat het haar geen kwaad zou doen, want zij nam zich ernstig voor, niets te schrijven, waarover zij zich zou moeten schamen, en zij stilde al de kloppingen van haar geweten door voorstellingen van het gelukkig oogenblik, waarop zij met haar verdiende schatten voor den dag komen en over haar welbewaard geheim lachen zou.Maar mijnheer Dashwood keurde alle verhalen af, die niet spannend en sensationeel waren; en daar die sensaties niet veroorzaakt konden worden, zonder de zielen van de lezers zooveel mogelijk te pijnigen, moesten geschiedenis en verdichting, land en zee, wetenschap en kunst, gerechtshoven en krankzinnigen-gestichten, voor dat doel geplunderd worden. Jo bemerkte spoedig, dat haar jeugdige ervaring haar slechts zelden een blik vergund had in de tragische wereld, die de maatschappij ondermijnt; en de zaak uit een materieel oogpunt beschouwende, zette zij zich met den haar eigen ijver aan het werk, om haar tekortkomingen in dezen aan te vullen. In haar vurig verlangen om onderwerpen voor haar verhalen te vinden, en ten minste de intriges oorspronkelijk te doen zijn, al liet dan ook de uitvoering wat te wenschen over, doorsnuffelde zij de dagbladen om ongelukken, wonderlijk-toevallige gebeurtenissen en misdaden op te zoeken; zij wekte de achterdocht op van houders van leesbibliotheken, doordaarboeken over vergiften te vragen; zij bestudeerde aandachtig de boevengezichten, die zij op straat tegenkwam, en alle karakters, goede of slechte, die haar omringden; zij dolf van onder het stof der tijden, zulke oude verhalen en feiten op, dat zij even goed als nieuw waren, en zocht, voor zoover haar beperkte gelegenheden het toelieten, aanraking met dwaasheid, zonde en ellende. Hoewel Jo zich verbeeldde het zoo een heel eind te brengen, begon ze onbewust eenige van de meest teedere eigenaardigheden van het vrouwelijk karakter te ontheiligen. Al schrijvende leefde ze in slecht gezelschap, en hoewel dit slechts in haar verbeelding bestond, oefende het toch invloed op haar uit, want zij voedde hart en geest met schadelijk voedsel, en liep gevaar iets van haar reine natuur te verspelen, door een voorbarige kennismaking met de donkere zijde des levens, die maar al te vroeg ons aller deel wordt.Zij begon dit wel eenigszins te gevoelen zonder het nog helder in te zien, want het veelvuldig beschrijven van de hartstochten en gevoelens van anderen, deed haar haar eigene bestudeeren en ontleden—een ziekelijke gewoonte, waaraan gezonde jonge menschen zich niet licht overgeven. Maar het kwaad straft altijd zich zelf, en Jo’s straf kwam juist op het rechte oogenblik.Ik weet niet, of het de studie van Shakespeare was, die haar een beter inzicht in het menschelijk karakter verschafte, of wel haar natuurlijk vrouwelijk instinct voor wat eerlijk, moedig en krachtig is, maar terwijl Jo haar denkbeeldige helden met alle mogelijke deugden en ondeugden toerustte, begon zij een levenden held te ontdekken, die haar, in weerwil van veel menschelijke onvolmaaktheden, sterk interesseerde.Mijnheer Bhaer had haar in een hunner gesprekken aangeraden, eenvoudige, ware en aantrekkelijke karakters te bestudeeren, als de beste oefening voor een schrijfster; Jo hield hem aan zijn woord door hemzelf tot het voorwerp van haar studie te maken—een handelwijze die hem ten hoogste verbaasd zou hebben, als hij het geweten had, want de waardige professor dacht zeer nederig over zijn eigen verdiensten.De vraag, waarom ieder van hem hield, trok eerst Jo’s aandacht. Noch rijk, noch aanzienlijk, noch jong, noch knap van uiterlijk—volstrekt niet wat men begaafd, indrukwekkend, of schitterend noemt, bezat hij het aantrekkelijke van een helder brandend vuur, en het scheen even natuurlijk, dat de menschen zich om hem verzamelden als om een warmte uitstralenden haard. Hij was arm, maar scheen toch altijd iets te kunnen weggeven; hij was een vreemdeling, maar ieders vriend; hij was niet jong meer, maar zoo vroolijk als een schooljongen; niet knap en wat vreemd van uiterlijk,—en toch scheen zijn gelaat velen schoon toe, en vergaf ieder hem gaarne zijn eigenaardigheden. Jo sloeg hem dikwijls gade, om uit te vinden wàt het toch was, dat allen zoo aantrok, en ten laatste kwam zij tot het besluit, dat zijn groote welwillendheid dit wonder teweegbracht. Indien hij eenig verdriet mocht hebben, dat hem drukte, dan hield hij dit zorvuldig verborgen, en keerde hij de wereld alleen zijn zonnigen kant toe. Er waren rimpels op zijn voorhoofd; maar de Tijd scheen hem vriendelijk te behandelen, gedachtig aan zijn vriendelijkheid jegens anderen. De welwillende lijnen rondom zijn mond waren de sporen van vele vriendschappelijke woorden en opwekkende glimlachjes, zijn oogen keken nooit koud of ongevoelig, en zijn groote hand gaf een stevigen, warmen druk, die welsprekender was dan woorden.Zelfs zijn kleederen schenen iets van de gastvrije natuur van hun eigenaar te hebben overgenomen. Zij zagen er uit, alsof zij op hun gemak waren en hem gaarne op zijn gemak deden zijn; zijn wijd vest deed denken aan het ruime hart, dat er onder klopte; zijn oude jas had iets gezelligs, en de diepe zakken toonden duidelijkaan, dat kleine handjes er dikwijls ledig ingingen en vol weer uitkwamen; zelfs zijn laarzen waren rond goedhartig, en zijn boorden nooit stijf en schrijnend, zooals die van anderen dikwijls.“Dat is het,” zei Jo tot zichzelf, toen zij ten laatste ontdekte, dat hartelijke welwillendheid jegens zijn medemenschen, zelfs een gezetten Duitschen leeraar, die zijn middagmaal gretig verorberde, zelf zijn kousen stopte, en den afschuwelijken naam van Bhaer droeg, in elks oogen schoon en waardig kon doen schijnen.Jo stelde goedheid wel op hoogen prijs, maar ze bezat ook een echt vrouwelijken eerbied voor kennis, en een kleine ontdekking die zij omtrent den professor deed, verhoogde sterk haar achting voor hem.Hij sprak nooit over zich zelf, en niemand wist, dat hij in zijn geboortestad algemeen geacht en geëerd was om zijn geleerdheid en rechtschapenheid, totdat een zijner landslieden hem eens kwam opzoeken en in een gesprek met juffrouw Norton dit feit aan den dag bracht. Jo vernam het van haar, en was er des te meer mee ingenomen, omdat mijnheer Bhaer er nimmer van gesproken had. Zij was er trotsch op, dat hij, hoewel in Amerika slechts een arm taalonderwijzer, in Berlijn een geacht professor was, en zijn nederig werkzaam leven ontleende aan deze ontdekking een lichtglans van schoonheid en poëzie.En nog een betere gave dan intellect openbaarde zich op de meest onverwachte wijze. Juffrouw Norton was lid van een letterkundigen kring, waar Jo zonder haar nooit toegang zou hebben gehad. Zij stelde belang in het werkzame jonge meisje, en overlaadde Jo, zoowel als den professor, met vele gunstbewijzen van dien aard. Op zekeren avond nam zij beiden mee naar een deftig diner, dat ter eere van verscheiden beroemde geleerden gegeven werd.Jo ging er heen in een stemming van nederig ontzag en aanbidding voor de sterren, die zij met jeugdig vuur van verre vereerd had. Maar haar eerbied voor het genie onderging dien avond een gevoeligen schok, en eerst na langen tijd kon zij bekomen van de ontdekking, dat die verheven schepselen bij slot van rekening toch slechts gewone stervelingen waren. Toen zij het waagde een beschroomd bewonderenden blik te werpen op den dichter, wiens regelen deden denken aan een wezen, gevoed met hemelsch vuur, dauw en ambrozijn, zag zij hem, o bittere ontgoocheling! de verschillende gerechten verslinden met een gretigheid en haast, die zijn intellectuëele wangen deden gloeien. Gegriefd wendde ze zich van hem af als van een gevallen godheid, om weldra tot andere ontdekkingen te komen, die haar romantische illusies in rook deden opgaan. De groote romanschrijver bewoog zich tusschen twee wijnflesschen, met de regelmatigheid van een slinger; de beroemde godgeleerde maakte openlijk het hof aan een der madame de Staëls van die dagen, die met oogen als messen een tweedeCorinne gadesloeg, welke haar op de lieftalligste manier bespotte, nadat zij haar de loef had afgestoken in het betooveren van den diepzinnigen philosoof, die nu wijsgeerig thee zat te drinken, en naar allen schijn begon te dommelen—daar de spraakzaamheid der dame hem het antwoorden onmogelijk maakte. De wetenschappelijke celebriteiten vergaten hun schelpdieren en ijsperioden, en spraken over kunst, terwijl zij zich van ganscher harte wijdden aan oesters en ijsdranken; de jonge musicus, die als een tweede Orpheus de gansche stad in verrukking bracht, praatte over paarden, en de eenige daar aanwezige vertegenwoordiger van den Britschen adel was bij ongeluk de meest alledaagsche persoonlijkheid van de geheele partij.Eer de avond half om was, gevoelde Jo zich zoo gedésillusioneerd, dat zij in een hoekje ging zitten om wat te bekomen. Prof. Bhaer, die ook eenigszins uit zijn element scheen te zijn, voegde zich spoedig bij haar, en weldra kwamen verscheiden wijsgeeren, ieder op zijn bizonder stokpaardje, aandraven, om in dit afgezonderd hoekje een intellectueel steekspel te houden. Het gesprek ging Jo’s begrip mijlen ver te boven; toch boeide het haar, hoewel Kant en Hegel vrijwel onbekende godheden, en het Subjective en Objective onverstaanbare termen voor haar waren, en het eenige, wat uit “haar innerlijk bewustzijn evolveerde”, een vreeselijke hoofdpijn was, toen alles was afgeloopen. Langzamerhand werd het haar duidelijk, dat het heelal aan stukken was geplukt, en, volgens de sprekers, naar oneindig beter grondregelen weer in elkander gezet; dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat godsdienst niets beteekende, en het verstand de eenige God moest zijn. Jo wist niets van philosophie of metaphysica, maar zij geraakte in een half aangename, half pijnlijke opwinding, en had een gevoel alsof zij in het oneindige rondzweefde, als een losgelaten luchtballonnetje.Zij keek eens naar den professor, om te zien, hoe het hem beviel en bemerkte, dat hij haar zoo grimmig aanstaarde, als zij hem nog nooit had zien kijken. Hij schudde het hoofd, en wenkte haar om met hem mee te gaan, maar zij was zoo verbaasd over de vrijheid van de speculatieve philosophie, dat zij bleef zitten, om zoo mogelijk te weten te komen, waaraan die wijze heeren van plan waren zich vast te houden, nadat zij al de oude geloofs-overtuigingen hadden weggecijferd.Nu was mijnheer Bhaer een bescheiden man, die niet spoedig met zijn eigen meeningen voor den dag kwam; niet omdat hij ze niet bezat, maar omdat zij hem te ernstig en te heilig waren, om er lichtvaardig over te spreken. Toen hij zag, hoe Jo en verscheiden andere jongelieden aangetrokken werden door dit schitterend intellectueel vuurwerk, fronste hij de wenkbrauwen, brandend van verlangen om te spreken, in zijn vrees dat de een of andere licht ontvlambare jeugdige ziel mocht betooverd worden door de vuurpijlen, om eerst, als het feest was afgeloopen, te ontdekken, dat zijniets overhielden dan een uitgebranden stok en een geschroeide hand.Hij verdroeg het, zoolang hij kon, maar toen zijn meening gevraagd werd, werd hij warm in eerlijke verontwaardiging en verdedigde den godsdienst met al de welsprekendheid der overtuiging—een welsprekendheid, die zijn gebroken Engelsch welluidend, en zijn alledaagsch gelaat schoon maakte. Hij had een harden strijd, want de wijze heeren redeneerden goed, maar hij liet zich niet afschrikken, wanneer hij geslagen was, en verdedigde zijn vaandel als een man.Terwijl hij sprak schoof alles weer op de rechte plaats voor Jo’s geestesoog; en het oude geloof, dat reeds zoolang had stand gehouden, scheen haar beter toe dan het nieuwe. God was geen blinde kracht, en onsterfelijkheid geen aardig sprookje, maar een gezegende werkelijkheid. Het was haar, alsof zij weer vasten grond onder de voeten kreeg; en toen mijnheer Bhaer eindelijk ophield, tot zwijgen gebracht, maar geen haarbreed overtuigd, had Jo wel in haar handen willen klappen en hem bedanken.Zij deed geen van beide; doch zij onthield het gehoorde, en gevoelde de diepste achting voor den professor, want zij wist, hoeveel moeite het hem had gekost daar te spreken, maar dat zijn geweten hem verboden had te zwijgen. Zij begon in te zien, dat een vast karakter beter is dan geld, aanzien, verstand of schoonheid; en te gevoelen, dat indien grootheid, volgens de verklaring van een wijs man, bestaat uit “oprechtheid, eerbied en welwillendheid”—haar vriend Friedrich Bhaer niet alleen goed, maar groot was.En deze overtuiging werd dagelijks sterker. Zij stelde prijs op zijn achting, wenschte vurig, dat hij een goede opinie van haar mocht hebben, en verlangde zijn vriendschap waard te worden; doch juist toen die wensch het toppunt bereikt had, liep Jo gevaar alles te verliezen. Het was het ongelukkig gevolg van een papieren steek. Op zekeren avond kwam de professor namelijk binnen om Jo les te geven, met een papieren soldatenmuts op het hoofd, die Tina hem had opgezet, en die hij vergeten had af te nemen.“Het is duidelijk, dat hij niet in den spiegel kijkt, eer hij naar beneden komt,” dacht Jo met een glimlach, terwijl hij “Guten Abend” zei, en bedaard ging zitten, zonder te weten hoe ’n belachelijk contrast er was tusschen zijn hoofddeksel en zijn onderwerp, want hij begon haar “De Dood van Wallenstein” voor te lezen.Ze zei eerst niets, want zij hoorde hem zoo graag in zijn hartelijken lach uitbarsten, wanneer er iets grappigs voorviel, daarom wachtte zij, tot hij het zou bemerken, en dacht er op het laatst zelf niet meer aan, want een Duitscher Schiller te hooren voordragen is iets, dat den hoorder geheel boeit. Op het lezen volgde een bizonder levendige les, want Jo was dien avond in een vroolijke bui, en de papieren muts deed haar oogen van pret glinsteren. De professor wist niet, wat hij van haar denken moest, en hield eindelijkop, terwijl hij met een onweerstaanbaar zachtzinnige verbazing vroeg: “Fräulein March, waarom lacht gij uwen leeraar in zijn gezicht uit? Hebt gij geen respect voor mij, dat gij zoo doet?”“Hoe kan ik respect voor u hebben, mijnheer, als u vergeet uw hoed af te nemen?” antwoordde Jo.De afgetrokken professor bracht ernstig de hand naar het hoofd, voelde den steek en nam dien af, keek Jo een oogenblik verbaasd aan, wierp toen zijn hoofd achterover, en lachte als een vroolijke bas-viool.“Ach, ik zie hem nu; dat is die ondeugd, Tina, die mij er zoo gek doet uitzien met mijn muts. Wel, het is niets, maar ziet gij, als deze les niet goed gaat, zultgijhem ook dragen.”Maar de les ging gedurende eenige minuten in het geheel niet, want zijn aandacht werd afgeleid door een plaatje op de muts; en terwijl hij het papier openvouwde, zei hij met diepen afkeer:“Ik wenschte, dat deze tijdschriften niet in het huis kwamen; zij zijn niet goed voor kinderen om te zien, en voor jonge lieden om te lezen. Het is niet goed, en ik heb geen geduld met hen, die kwaad veroorzaken.”Jo keek naar het papier en zag een bekoorlijk plaatje van een waanzinnige, een lijk, een moordenaar en een adder. Ze kon het niet bewonderen, doch het gevoel, dat haar het blad deed omslaan was geen afkeer, maar vrees, want voor een oogenblik meende zij, dat het een exemplaar van “De Vulkaan” was. Gelukkig bleek dit niet het geval, en haar schrik bedaarde, toen zij zich herinnerde, dat, al had haar eigen verhaal er ingestaan, het haar toch niet kon verraden, daar het niet onderteekend was. Maar zij had zichzelve al verraden door haar schuldig gezicht, want hoewel de professor verstrooid heette, zag hij meer dan de meeste menschen wel dachten.Hij wist, dat Jo schreef, en hij was haar meer dan eens tegengekomen bij de uitgevers-kantoren; maar daar zij er nooit van sprak, vroeg hij er ook nooit naar, hoewel hij erg verlangend was haar werk eens te zien. Nu viel het hem in, dat zij er zich mogelijk voor schaamde, en dat deed hem leed. Hij zei niet tot zichzelf: “Het gaat mij niet aan; ik heb geen recht er mij mee te bemoeien,” zooals vele menschen zouden gedaan hebben; hij bedacht alleen, dat zij jong en arm was, ver van de beschermende liefde harer moeder en de zorg haars vaders; en even snel en spontaan als hij zijn hand uitgestoken zou hebben om een kind van den rand eener sloot terug te trekken, trachtte hij haar te hulp te komen. Dit alles vloog door zijn ziel, maar hij verried het door geen enkelen trek van zijn gelaat; en toen de courant was omgekeerd, en Jo den draad in haar naald had gestoken, zei hij op heel natuurlijken toon, maar heel ernstig:“Ja, u heeft recht, dat u het wegschuift. Ik moet er niet aan denken, dat goede jonge meisjes zulke dingen lezen. Zij mogensommigen bevallen, maar ik zou mijn jongens liever buskruit geven om mede te spelen dan zulk ontuig.”“Misschien is niet alles slecht—alleen maar dwaas en onbeduidend; en wanneer er vraag naar is, zie ik er geen kwaad in daaraan te voldoen. Veel respectabele menschen maken een goed inkomen uit wat men sensatie-romans noemt,” antwoordde Jo, haar inhaalsel zoo stevig inkrassende, dat haar speld overal kleine sleetjes achterliet.“Er is ook vraag naar jenever, maar ik denk toch niet, dat u of ik dien zou willen verkoopen. Als die respectabele menschen wisten, hoeveel kwaad zij deden, zouden zij hun inkomen niet goed noemen. Zij hebben geen recht, om vergif in de suikerboonen te doen, en ze door kinderen te laten opeten. Neen, zij behoorden een oogenblikje er over te denken, en liever de straat te gaan vegen, eer zij dit deden!”Mijnheer Bhaer sprak met nadruk, en liep naar de kachel, terwijl hij de courant in zijn hand verfrommelde. Jo zat onbeweeglijk, maar zag er uit alsof het vuur uit haar gezicht sprong, en haar wangen gloeiden nog, lang nadat de papieren muts in rook was opgegaan.“Ik zou graag al de rest denzelfden weg opjagen,” zei de professor, terugkeerende met een gezicht, alsof hem een pak van het hart was genomen.Jo bedacht hoe ’n groote brandstapel gemaakt zou kunnen worden van al de exemplaren, die zij op haar kamer bewaarde, en haar zuur verdiend geld woog haar gedurende eenige oogenblikken zwaar op het hart. Toen troostte zij zich met de gedachte: “Mijn verhalen zijn niet zooals dat; zij zijn alleen maar onbeduidend, nooit slecht; ik hoef er dus niet langer over te tobben,” en haar boek opnemende vroeg zij heel ijverig:“Zullen wij voortgaan, mijnheer? Ik zal nu goed oppassen.”“Dat wil ik hopen,” was al wat hij antwoordde, maar hij bedoelde meer dan zij dacht, en de ernstig vriendelijke blik, waarmee hij haar aankeek, gaf haar een gevoel, alsof de woorden “Wekelijksche Vulkaan” met groote letters op haar voorhoofd gedrukt stonden.Zoodra zij in haar kamer kwam, haalde zij de couranten voor den dag en las zorgvuldig al haar verhalen over. Daar mijnheer Bhaer wat zwak van gezicht was, gebruikte hij soms een lorgnet. Jo had het eens geprobeerd en met een glimlach gezien, hoe sterk het den fijnen druk van haar boek vergrootte; nu scheen zij ook den geestelijken of den zedelijken bril van den professor opgezet te hebben, want de gebreken van haar ongelukkige verhalen staarden haar grijnzend aan, en vervulden haar met verslagenheid.“Zijzijn‘ontuig’ en zij zullen gauw nog iets ergers worden, als ik er mee voortga, want het een is al schokkender dan het ander. Ik ben blindelings voortgegaan, en heb, alleen om het geld, mijzelveen anderen kwaad gedaan;—ik weet, dat het zoo is—want ik kan dat prulwerk niet in koelen bloede lezen, zonder er mij gruwelijk over te schamen; en wat zou ik beginnen, als zij ze thuis eens lazen of mijnheer Bhaer ze in handen kreeg?”Bij die gedachte werd Jo vuurrood, en stopte het heele pak in den haard, op gevaar af van door den fellen gloed brand in den schoorsteen te veroorzaken.“Ja, dat is de beste plaats voor zulken ontvlambaren onzin! Ik geloof, dat ik nog beter deed met het huis in brand te steken, dan toe te laten dat anderen door mijn buskruit in de lucht vliegen,” dacht Jo, terwijl zij “De Demon van den Jura” als een klein zwart hoopje met vurige oogen zag wegschrompelen.Maar toen van al haar werk der drie laatste maanden niets was overgebleven dan een hoop asch en het geld in haar beurs, bleef Jo met een triest gezicht op den grond zitten, onzeker wat zij met haar honorarium moest beginnen.“Ik denk, dat iktot nog toeniet veel kwaad heb uitgericht, en dat ik het dus wel mag houden als een vergoeding voor mijn tijdverlies,” besloot zij na lang nadenken, terwijl zij er ongeduldig bijvoegde: “Ik zou haast wenschen maar geen geweten te hebben, het is zoo lastig! Als ik er niet om gaf, of ik goed handelde, en geen spijt had als ik iets verkeerds deed, zou ik heerlijk vooruit komen. Ik wou soms, dat Vader en Moeder niet altijd zoo verschrikkelijk precies op zulke dingen waren geweest.”Jo schreef geen sensatie-verhalen meer, overtuigd dat het geld, wat zij er mee verdiende, niet opwoog tegen het kwaad, dat zij stichtte; maar verviel nu, zooals meer het geval is met menschen van haar karakter, in een ander uiterste. Zij bestudeerde de werken van langdradige, degelijke ouderwetsche schrijfsters, en schreef toen een verhaal, dat eigenlijk eerder een verhandeling of een preek mocht heeten, zoo vreeselijk zedekundig was het. Van het begin af aan was ze er niet bizonder gerust op; want haar levendig temperament en rijke phantasie gevoelden zich in dien nieuwen trant even weinig thuis, als zij zelf zich op een gemaskerd bal thuis zou voelen, in het stijve en lastige kostuum uit een vorige eeuw. Dit juweel van leerzame braafheid bracht zij op verscheiden plaatsen ter markt, zonder een kooper te vinden; zoodat zij er toe neigde, met den heer Dashwood te verklaren, dat zedepreeken niet verkocht worden. Toen probeerde zij een kinderverhaal, dat zij had kunnen plaatsen, als zij niet zoo geldzuchtig was geweest, om er een goede som voor te willen maken. De eenige uitgever, die haar genoeg bood, om het haar der moeite waard te doen zijn, in deze richting verder te gaan, was een waardig heer, die zich geroepen voelde de heele wereld tot zijn bizonder geloof te bekeeren. Maar hoe graag Jo ook voor kinderen schreef, kon zij er niet in toestemmen, al haar ondeugende jongens door beren te laten opeten, of door woedende stieren te laten verscheuren; evenmin om al de braveHendrikken te beloonen met allerlei soort van zegeningen; van vergulde suikerboonen af tot een engelenwacht toe, als zij, met psalmen of gezangen op hun stamelende lipjes, dit leven verlieten. Deze proefnemingen liepen dus op niets uit, en Jo schoof haar inktkoker terzijde, en zei in een aanval van gezonde nederigheid:“Ik weet niets, ik zal dus dienen te wachten, tot ik een gelukkige ingeving krijg en onderwijl ‘de straat vegen’ als ik niets beter doen kan; dat is in ieder geval ‘eerlijk’ werk; en dit besluit was een duidelijk bewijs, dat haar tweede tuimeling van den boonenstaak haar goed had gedaan.”Terwijl deze innerlijke omwentelingen plaats grepen was haar uitwendig leven even bezig en kalm als te voren, en wanneer zij soms ernstig en neerslachtig keek, was er niemand, die het opmerkte, dan professor Bhaer. Hij deed het zoo stil, dat Jo volstrekt niet gewaar werd, dat hij haar gadesloeg om te zien, of zij met zijn vermaning haar voordeel gedaan had; maar zij stond de proef door, en hij was voldaan, want hoewel er geen woord tusschen hen over gewisseld werd, begreep hij zeer goed, dat zij het schrijven er aan gegeven had. Hij giste het niet alleen uit het feit, dat haar rechtermiddenvinger niet langer een en al inkt was, maar zij bracht haar avonden beneden door, vertoonde zich niet meer in de buurt der uitgeverskantoren, en studeerde met een volharding en een geduld, die hem bewezen, dat zij van plan was haar geest, zij het al niet met aangename, dan ten minste met nuttige dingen bezig te houden.Hij hielp haar op allerlei manieren, betoonde zich een waar vriend, en Jo was gelukkig; want terwijl zij haar pen liet rusten, leerde zij nog wat anders behalve Duitsch, en legde ze den grondslag tot den sensatie-roman van haar eigen leven.Het was een prettige en een lange winter, want zij bleef tot Juni bij mevrouw Kirke. Iedereen was bedroefd toen die tijd aanbrak; de kinderen waren ontroostbaar, en al het haar van mijnheer Bhaer stond recht overeind, daar hij het altoos naar alle kanten opstreek, wanneer hem iets hinderde.“Gij gaat nu naar huis? Ach, gij zijt gelukkig, dat gij een tehuis hebt om heen te gaan,” zei hij, toen zij het hem vertelde, en verder zat hij zwijgend in een hoekje aan zijn baard te plukken, terwijl zij dien laatsten avond haar kleine receptie hield.Zij zou vroeg in den morgen vertrekken; daarom nam zij des avonds van allen afscheid, en toen zijn beurt kwam, zei zij hartelijk:“Nu, mijnheer Bhaer, vergeet niet, wanneer gij ooit onzen kant uitkomt, ons te komen bezoeken. Ik zou het u nooit vergeven, als u het niet deed, want ik hoop, dat allen thuis mijn vriend zullen leeren kennen.”“Waarlijk? zal ik komen?” vroeg hij, terwijl hij haar met een verlangenden blik aanzag, dien zij echter niet opmerkte.“Ja, toe, komt u in de volgende maand; dan promoveert Laurie,en het zou wel aardig voor u zijn, eens een Amerikaansche promotie bij te wonen.”“Dat is uw beste vriend, van wien gij spreekt?” vroeg hij op veranderden toon.“Ja, mijn jongen, Teddy; ik ben heel trotsch op hem, en zou erg graag willen, dat u hem zag.”Bij deze woorden keek Jo op, zonder aan iets anders te denken dan aan haar eigen genoegen, wanneer zij hen aan elkander zou voorstellen.Een zeker iets in de oogen van prof. Bhaer deed haar plotseling bedenken, dat zij mogelijk in Laurie iets meer dan een besten vriend zou vinden, en juist omdat zij wenschte niets bizonders te laten blijken, begon zij te blozen, en hoe meer zij probeerde dit niet te doen, hoe rooder zij werd. Als zij Tina niet op schoot had gehad, zou zij niet geweten hebben wat te beginnen. Gelukkig kreeg het kind den inval om haar te kussen, waardoor zij haar gezicht een oogenblik verbergen kon, in de hoop, dat de professor het niet zou zien. Maar hij zag het, en de voorbijgaande uitdrukking van smart op zijn gelaat maakte weer voor de gewone kalmte plaats, terwijl hij hartelijk zeide:“Ik vrees, dat ik daarvoor geen tijd zal vinden, maar ik wensch den vriend veel succes, en u alle mogelijk geluk; God zegene u!” en hiermee drukte hij haar hartelijk de hand, nam Tina op den schouder, en ging heen.Toen de jongens naar bed waren, zat hij nog lang voor het vuur, met een pijnlijken trek om zijn mond, en een drukkend gevoel van heimwee in het hart. Eén oogenblik, toen hij zich Jo weer voorstelde zooals zij daar zat, met het kind op haar schoot, en die ongewoon zachte uitdrukking in de oogen, verborg hij zijn gezicht in de handen, en dwaalde toen door de kamer, alsof hij iets zocht, wat hij niet vinden kon.“Het is niet voor mij; ik moet er niet meer op hopen,” zei hij tot zichzelf met een zucht, die bijna een kreun mocht heeten; toen, alsof hij zich berispte over het verlangen, dat hij niet kon bedwingen, ging hij zacht de slaapkamer binnen, kuste de twee krulkopjes, haalde zijn zelden gebruikten meerschuimer voor den dag, en opende zijn Plato.Hij deed manmoedig zijn best; maar ik geloof niet, dat hij in een paar wilde jongens, een pijp, of zelfs in den goddelijken Plato, een voldoende vergoeding vond voor een vrouw, een kind en een eigen tehuis.Hoe vroeg het ook was, ging hij den volgenden morgen naar het station om Jo te zien vertrekken; en aan hem had zij het te danken, dat zij haar reis begon, met de herinnering aan een vriendelijk gelaat, dat haar een vaarwel toeknikte, met een bosje viooltjes om haar gezelschap te houden, en bovenal met de blijde gedachte in het hart: “Zie zoo, de winter is voorbij; ik heb geen boeken geschreven,geen fortuin gemaakt, maar ik heb een goed vriend gevonden, en ik zal mijn best doen hem levenslang te behouden.”1Beroemd boek van den Engelschen schrijver Thomas Carlyle.

Hoewel Jo heel gelukkig was in haar gezellige omgeving, en druk met haar dagelijkschen arbeid, waardoor ze haar brood verdiende en kruidde, vond zij toch tijd voor haar letterkundige werkzaamheden. Het doel dat zij najoeg, lag voor de hand voor een arm en eerzuchtig meisje; maar de middelen, die zij in het werk stelde om het te bereiken, waren juist niet de beste. Zij zag, dat geld macht verschaft, en daarom besloot zij geld en macht te verwerven; niet alleen voor zichzelve, maar vooral voor hen, die zij meer dan zichzelve liefhad. De hoop, alles thuis aangenaam en gemakkelijk in te kunnen richten, Betsy alles te geven, wat zij verlangde, van aardbeien in den winter af, tot een serafineorgel in haar kamer toe; zelve op reis te gaan; en altijdmeerdan genoeg te hebben, zoodat zij zich het genot vangevenkon veroorloven, was jarenlang Jo’s geliefkoosd ideaal geweest.

De ondervinding, opgedaan met de bekroonde novelle, scheen haar een weg te hebben geopend, die, na een lange reis en het beklimmen van steile bergen, haar naar dit verrukkelijk luchtkasteel zou voeren. Maar de kwellingen van de roman-critiek hadden haar moed voor een tijdlang gefnuikt, want de publieke opinie is eenreus, die wel moediger Jacks op hooger boonenstaken dan de hare, heeft afgeschrikt. Evenals die onsterfelijke held rustte zij wat uit na haar eerste poging, die in een nederploffing, en den minst begeerlijken van des reuzen schatten eindigde, als ik mij wel herinner. Maar de geest van opstaan en opnieuw beproeven, was even sterk in Jo als in Jack; zij klauterde dus dezen keer tegen den schaduwkant op, en behaalde meer buit, maar verloor bijna datgene, wat kostelijker is dan zakken vol goud.

Zij begon sensatie-verhalen te schrijven—want in die duistere tijden las zelfs het volmaakte Amerika bombast. Zij sprak er met niemand over, maar stelde een “treffende geschiedenis” op, en bracht die stoutmoedig zelve naar den heer Dashwood, den uitgever van “De Wekelijksche Vulkaan”. Zij had wel nooit Sartor Resartus1gelezen, maar haar vrouwelijk instinct leerde haar, dat kleederen dikwijls grooter invloed uitoefenen dan karakterdeugden of de toovermacht van goede manieren. Zij trok dus haar beste pakje aan, en terwijl zij zich trachtte wijs te maken, dat zij noch opgewonden, noch zenuwachtig was, klom zij moedig twee donkere vuile trappen op, en kwam in een wanordelijke kamer vol tabaksrook, en in tegenwoordigheid van drie heeren, wier hielen zich in hooger luchtstreken bevonden dan hun hoeden, welke laatste kleedingstukken door geen van allen bij haar verschijning werden afgenomen. Eenigszins afgeschrikt door deze ontvangst aarzelde Jo op den drempel, en fluisterde erg verlegen:

“Neem me niet kwalijk, ik zocht naar het kantoor van ‘De Wekelijksche Vulkaan’; ik wou mijnheer Dashwood graag spreken.”

Omlaag kwam het hoogste paar hielen, overeind rees de rookerigste heer, en zorvuldig en liefkoozend zijn sigaar in de hand houdende, naderde hij met een knikje en een gezicht, waarop niets dan slaap te lezen stond. Gevoelende dat zij op de een of andere manier de zaak ten einde moest brengen, haalde Jo haar manuscript voor den dag, en met wangen, die met elken zin rooder en rooder werden, stamelde zij brokstukken van de kleine toespraak, die zij zoo zorgvuldig voor deze gelegenheid had bedacht.

“Een van mijn vriendinnen verzocht mij—u dit verhaal—alleen als een proefneming—aan te bieden—zij wilde graag uw oordeel weten—en als u dit beviel, zou zij wel meer willen schrijven.”

Terwijl zij bloosde en stamelde, had de heer Dashwood het manuscript ter hand genomen, en, het met een paar vuile vingers doorbladerend, een critischen blik over de net beschreven bladzijden laten dwalen.

“Dit is geen eerste proefneming, denk ik?” vroeg de uitgever, bemerkende dat de pagina’s genommerd, slechts aan éen zijde beschreven en niet met een lint (dat zeker teeken van een eerstbeginnende) waren samengebonden.

“Neen, mijnheer; zij heeft eenige ondervinding, en behaalde al een prijs met een verhaal in de ‘Blarneystone Banier.’”

“Ah, zoo?” en de heer Dashwood wierp een haastigen blik langs Jo, die haar, met al wat zij aan had, van het lint op haar hoed, tot de knoopen van haar laarzen toe, scheen op te nemen. “U kunt het hier laten, als u wilt; wij hebben op ’t oogenblik meer van dit soort van dingen liggen dan wij kunnen gebruiken, maar ik zal het eens doorloopen, en u de volgende week antwoord geven.”

Jo was volstrekt niet geneigd het achter te laten, want mijnheer Dashwood beviel haar in ’t geheel niet; maar onder deze omstandigheden kon zij niet anders doen dan buigen en wegwandelen, waarbij zij bizonder lang en statig scheen, zooals gewoonlijk wanneer zij geraakt of verbluft was. Op dit oogenblik was zij beide; want de veelbeteekenende blikken, die de heeren wisselden, hadden haar duidelijk getoond, dat haar kleine draaierij van “de vriendin” als een uitmuntende grap beschouwd werd; en een gelach, veroorzaakt door een onverstaanbare opmerking van den uitgever, terwijl hij de deur sloot, voltooide haar nederlaag. Half besloten hier nooit terug te keeren ging zij naar huis, en joeg haar boosheid op de vlucht, door uit alle macht boezelaars te naaien; en na een paar uur was zij genoeg gekalmeerd, om over het heele tooneel te lachen, en naar de volgende week te verlangen.

Toen zij voor de tweede maal ging, was de heer Dashwood tot haar groote vreugde alleen. Hij scheen ook nu niet zóo verdiept in zijn sigaar, dat hij zijn manieren vergat—zoodat de tweede ontmoeting Jo veel minder zwaar viel dan de eerste.

“Wij zullen het verhaal opnemen (uitgevers spreken nooit van ‘ik’) als u geen bezwaar hebt tegen eenige veranderingen. Het is te lang, maar wanneer u de plaatsen die ik gemerkt heb, schrapt, zal het juist de vereischte lengte krijgen,” zei hij op drogen toon.

Jo herkende nauwelijks haar eigen manuscript, zoo verkreukeld en vol teekentjes waren de bladzijden en volzinnen; maar met een gevoel als van een teedere moeder, die men voorstelt de beentjes van haar zuigeling af te snijden, opdat hij in de nieuwe wieg moge passen, zag ze de aangestreepte passages na, en bemerkte met verbazing, dat al de zedekundige overwegingen, die zij er zoo zorgvuldig—als een tegenwicht voor het al te romantische—tusschen verspreid had, geschrapt waren.

“Maar mijnheer, ik dacht dat ieder verhaal een soort van moreele strekking moest hebben, en daarom zorgde ik, dat ten minste een paar van mijn zondaren berouw kregen.”

De ernst, die den uitgever paste, maakte plaats voor een glimlach, want Jo had haar “vriendin” vergeten, en sprak zooals alleen een schrijfster zou kunnen spreken.

“Ja, maar de menschen verlangen geamuseerd, niet bepreekt te worden, weet u. Zedeleer wordt tegenwoordig niet verkocht,” hetgeen, tusschen twee haakjes, geen volkomen juiste opmerking was.

“U meent dus, dat het met deze veranderingen bruikbaar zou zijn?”

“Ja, de intrige is nieuw, en vrij aardig uitgewerkt—de stijl en dat is goed,” antwoordde mijnheer Dashwood minzaam.

“Wat is—ik meen, wat geeft u—” begon Jo, niet wetende, hoe zij zich ’t best zou uitdrukken.

“O, ja,—wel, wij geven van vijf en twintig tot dertig dollar voor dingen van dien aard, en betalen bij verschijning,” antwoordde de heer Dashwood, alsof dit punt hem ontgaan was; men zegt, dat zulke kleinigheden dikwijls de aandacht van uitgevers ontsnappen.

“Heel goed, u kunt het plaatsen,” zei Jo, voldaan het verhaal teruggevende, want na al haar geschrijf voor een dollar de kolom, scheen zelfs vijf en twintig haar een mooi honorarium toe.

“Mag ik mijn vriendin vertellen, dat u een volgend verhaal ook wel plaatsen wilt, als het beter is dan dit?” vroeg Jo, die haar kleine vergissing niet had bemerkt en stoutmoediger was geworden door haar succes.

“Wel, wij zullen zien; kunnen het niet vast beloven. Zeg haar, dat zij het kort en piquant moet maken, en zich niet om de moraal bekommeren. Welken naam zou uw vriendin er onder willen plaatsen?” Dit laatste op achteloozen toon.

“Geen naam, als ’t u blieft; zij verlangt haar eigen naam niet bekend te maken, en zij heeft geen pseudoniem,” antwoordde Jo, ondanks zich zelve blozende.

“Zooals zij verkiest natuurlijk. Het verhaal zal de volgende week verschijnen; komt u het geld halen, of zal ik het zenden?” vroeg de uitgever, nieuwsgierig wie zijn nieuwe medewerkster was.

“Ik zal er om komen; goeien morgen, mijnheer.”

Toen zij vertrokken was, stak de heer Dashwood de beenen in de lucht, met de vriendelijke opmerking: “arm en trotsch als naar gewoonte, maar zij is bruikbaar.”

Volgens de aanwijzingen van haar uitgever stortte Jo zich hals over kop in de troebele zee van sensatieromans, maar dank zij het reddend touw, dat haar door een vriend werd toegeworpen, kwam zij weer boven, en de duikeling deed haar geen kwaad.

Evenals de meeste jonge schrijfsters zocht zij buitenslands naar karakters en tooneelen; bandieten, graven, zigeuners, nonnen en hertoginnen verschenen op haar tooneel, en speelden hun rollen met zooveel durf en bezieling, als de verslinders maar konden verlangen. Op zulke kleinigheden als taal, stijl, interpunctie, en waarschijnlijkheid, letten haar lezers al heel weinig, en mijnheer Dashwood vergunde haar genadig zijn kolommen tegen den laagsten prijs te vullen, het niet noodig keurende haar te vertellen, dat de ware reden van deze gastvrijheid het feit was, dat een zijner gewone werkpaarden, elders beter salaris gevonden en hem in den steek gelaten had.

Weldra begon zij belang in het werk te stellen, want haar platbeursje werd dik en rond, en de kleine schat, die Betsy in staat zou stellen den volgenden zomer naar buiten te gaan, groeide langzaam maar zeker aan.

Slechts één ding belette haar volkomen tevreden te zijn, en wel, dat zij het niet naar huis schreef. Zij vreesde, dat haar vader en moeder het niet zouden goedkeuren—en zij wilde maar liever eerst haar eigen gang gaan, en daarna vergeving vragen. Het was heel gemakkelijk haar geheim te bewaren, want haar verhalen verschenen naamloos; de uitgever had natuurlijk spoedig uitgevonden, wie zij was, maar beloofde te zwijgen; en o wonder, hij hield zijn woord.

Zij meende, dat het haar geen kwaad zou doen, want zij nam zich ernstig voor, niets te schrijven, waarover zij zich zou moeten schamen, en zij stilde al de kloppingen van haar geweten door voorstellingen van het gelukkig oogenblik, waarop zij met haar verdiende schatten voor den dag komen en over haar welbewaard geheim lachen zou.

Maar mijnheer Dashwood keurde alle verhalen af, die niet spannend en sensationeel waren; en daar die sensaties niet veroorzaakt konden worden, zonder de zielen van de lezers zooveel mogelijk te pijnigen, moesten geschiedenis en verdichting, land en zee, wetenschap en kunst, gerechtshoven en krankzinnigen-gestichten, voor dat doel geplunderd worden. Jo bemerkte spoedig, dat haar jeugdige ervaring haar slechts zelden een blik vergund had in de tragische wereld, die de maatschappij ondermijnt; en de zaak uit een materieel oogpunt beschouwende, zette zij zich met den haar eigen ijver aan het werk, om haar tekortkomingen in dezen aan te vullen. In haar vurig verlangen om onderwerpen voor haar verhalen te vinden, en ten minste de intriges oorspronkelijk te doen zijn, al liet dan ook de uitvoering wat te wenschen over, doorsnuffelde zij de dagbladen om ongelukken, wonderlijk-toevallige gebeurtenissen en misdaden op te zoeken; zij wekte de achterdocht op van houders van leesbibliotheken, doordaarboeken over vergiften te vragen; zij bestudeerde aandachtig de boevengezichten, die zij op straat tegenkwam, en alle karakters, goede of slechte, die haar omringden; zij dolf van onder het stof der tijden, zulke oude verhalen en feiten op, dat zij even goed als nieuw waren, en zocht, voor zoover haar beperkte gelegenheden het toelieten, aanraking met dwaasheid, zonde en ellende. Hoewel Jo zich verbeeldde het zoo een heel eind te brengen, begon ze onbewust eenige van de meest teedere eigenaardigheden van het vrouwelijk karakter te ontheiligen. Al schrijvende leefde ze in slecht gezelschap, en hoewel dit slechts in haar verbeelding bestond, oefende het toch invloed op haar uit, want zij voedde hart en geest met schadelijk voedsel, en liep gevaar iets van haar reine natuur te verspelen, door een voorbarige kennismaking met de donkere zijde des levens, die maar al te vroeg ons aller deel wordt.

Zij begon dit wel eenigszins te gevoelen zonder het nog helder in te zien, want het veelvuldig beschrijven van de hartstochten en gevoelens van anderen, deed haar haar eigene bestudeeren en ontleden—een ziekelijke gewoonte, waaraan gezonde jonge menschen zich niet licht overgeven. Maar het kwaad straft altijd zich zelf, en Jo’s straf kwam juist op het rechte oogenblik.

Ik weet niet, of het de studie van Shakespeare was, die haar een beter inzicht in het menschelijk karakter verschafte, of wel haar natuurlijk vrouwelijk instinct voor wat eerlijk, moedig en krachtig is, maar terwijl Jo haar denkbeeldige helden met alle mogelijke deugden en ondeugden toerustte, begon zij een levenden held te ontdekken, die haar, in weerwil van veel menschelijke onvolmaaktheden, sterk interesseerde.

Mijnheer Bhaer had haar in een hunner gesprekken aangeraden, eenvoudige, ware en aantrekkelijke karakters te bestudeeren, als de beste oefening voor een schrijfster; Jo hield hem aan zijn woord door hemzelf tot het voorwerp van haar studie te maken—een handelwijze die hem ten hoogste verbaasd zou hebben, als hij het geweten had, want de waardige professor dacht zeer nederig over zijn eigen verdiensten.

De vraag, waarom ieder van hem hield, trok eerst Jo’s aandacht. Noch rijk, noch aanzienlijk, noch jong, noch knap van uiterlijk—volstrekt niet wat men begaafd, indrukwekkend, of schitterend noemt, bezat hij het aantrekkelijke van een helder brandend vuur, en het scheen even natuurlijk, dat de menschen zich om hem verzamelden als om een warmte uitstralenden haard. Hij was arm, maar scheen toch altijd iets te kunnen weggeven; hij was een vreemdeling, maar ieders vriend; hij was niet jong meer, maar zoo vroolijk als een schooljongen; niet knap en wat vreemd van uiterlijk,—en toch scheen zijn gelaat velen schoon toe, en vergaf ieder hem gaarne zijn eigenaardigheden. Jo sloeg hem dikwijls gade, om uit te vinden wàt het toch was, dat allen zoo aantrok, en ten laatste kwam zij tot het besluit, dat zijn groote welwillendheid dit wonder teweegbracht. Indien hij eenig verdriet mocht hebben, dat hem drukte, dan hield hij dit zorvuldig verborgen, en keerde hij de wereld alleen zijn zonnigen kant toe. Er waren rimpels op zijn voorhoofd; maar de Tijd scheen hem vriendelijk te behandelen, gedachtig aan zijn vriendelijkheid jegens anderen. De welwillende lijnen rondom zijn mond waren de sporen van vele vriendschappelijke woorden en opwekkende glimlachjes, zijn oogen keken nooit koud of ongevoelig, en zijn groote hand gaf een stevigen, warmen druk, die welsprekender was dan woorden.

Zelfs zijn kleederen schenen iets van de gastvrije natuur van hun eigenaar te hebben overgenomen. Zij zagen er uit, alsof zij op hun gemak waren en hem gaarne op zijn gemak deden zijn; zijn wijd vest deed denken aan het ruime hart, dat er onder klopte; zijn oude jas had iets gezelligs, en de diepe zakken toonden duidelijkaan, dat kleine handjes er dikwijls ledig ingingen en vol weer uitkwamen; zelfs zijn laarzen waren rond goedhartig, en zijn boorden nooit stijf en schrijnend, zooals die van anderen dikwijls.

“Dat is het,” zei Jo tot zichzelf, toen zij ten laatste ontdekte, dat hartelijke welwillendheid jegens zijn medemenschen, zelfs een gezetten Duitschen leeraar, die zijn middagmaal gretig verorberde, zelf zijn kousen stopte, en den afschuwelijken naam van Bhaer droeg, in elks oogen schoon en waardig kon doen schijnen.

Jo stelde goedheid wel op hoogen prijs, maar ze bezat ook een echt vrouwelijken eerbied voor kennis, en een kleine ontdekking die zij omtrent den professor deed, verhoogde sterk haar achting voor hem.

Hij sprak nooit over zich zelf, en niemand wist, dat hij in zijn geboortestad algemeen geacht en geëerd was om zijn geleerdheid en rechtschapenheid, totdat een zijner landslieden hem eens kwam opzoeken en in een gesprek met juffrouw Norton dit feit aan den dag bracht. Jo vernam het van haar, en was er des te meer mee ingenomen, omdat mijnheer Bhaer er nimmer van gesproken had. Zij was er trotsch op, dat hij, hoewel in Amerika slechts een arm taalonderwijzer, in Berlijn een geacht professor was, en zijn nederig werkzaam leven ontleende aan deze ontdekking een lichtglans van schoonheid en poëzie.

En nog een betere gave dan intellect openbaarde zich op de meest onverwachte wijze. Juffrouw Norton was lid van een letterkundigen kring, waar Jo zonder haar nooit toegang zou hebben gehad. Zij stelde belang in het werkzame jonge meisje, en overlaadde Jo, zoowel als den professor, met vele gunstbewijzen van dien aard. Op zekeren avond nam zij beiden mee naar een deftig diner, dat ter eere van verscheiden beroemde geleerden gegeven werd.

Jo ging er heen in een stemming van nederig ontzag en aanbidding voor de sterren, die zij met jeugdig vuur van verre vereerd had. Maar haar eerbied voor het genie onderging dien avond een gevoeligen schok, en eerst na langen tijd kon zij bekomen van de ontdekking, dat die verheven schepselen bij slot van rekening toch slechts gewone stervelingen waren. Toen zij het waagde een beschroomd bewonderenden blik te werpen op den dichter, wiens regelen deden denken aan een wezen, gevoed met hemelsch vuur, dauw en ambrozijn, zag zij hem, o bittere ontgoocheling! de verschillende gerechten verslinden met een gretigheid en haast, die zijn intellectuëele wangen deden gloeien. Gegriefd wendde ze zich van hem af als van een gevallen godheid, om weldra tot andere ontdekkingen te komen, die haar romantische illusies in rook deden opgaan. De groote romanschrijver bewoog zich tusschen twee wijnflesschen, met de regelmatigheid van een slinger; de beroemde godgeleerde maakte openlijk het hof aan een der madame de Staëls van die dagen, die met oogen als messen een tweedeCorinne gadesloeg, welke haar op de lieftalligste manier bespotte, nadat zij haar de loef had afgestoken in het betooveren van den diepzinnigen philosoof, die nu wijsgeerig thee zat te drinken, en naar allen schijn begon te dommelen—daar de spraakzaamheid der dame hem het antwoorden onmogelijk maakte. De wetenschappelijke celebriteiten vergaten hun schelpdieren en ijsperioden, en spraken over kunst, terwijl zij zich van ganscher harte wijdden aan oesters en ijsdranken; de jonge musicus, die als een tweede Orpheus de gansche stad in verrukking bracht, praatte over paarden, en de eenige daar aanwezige vertegenwoordiger van den Britschen adel was bij ongeluk de meest alledaagsche persoonlijkheid van de geheele partij.

Eer de avond half om was, gevoelde Jo zich zoo gedésillusioneerd, dat zij in een hoekje ging zitten om wat te bekomen. Prof. Bhaer, die ook eenigszins uit zijn element scheen te zijn, voegde zich spoedig bij haar, en weldra kwamen verscheiden wijsgeeren, ieder op zijn bizonder stokpaardje, aandraven, om in dit afgezonderd hoekje een intellectueel steekspel te houden. Het gesprek ging Jo’s begrip mijlen ver te boven; toch boeide het haar, hoewel Kant en Hegel vrijwel onbekende godheden, en het Subjective en Objective onverstaanbare termen voor haar waren, en het eenige, wat uit “haar innerlijk bewustzijn evolveerde”, een vreeselijke hoofdpijn was, toen alles was afgeloopen. Langzamerhand werd het haar duidelijk, dat het heelal aan stukken was geplukt, en, volgens de sprekers, naar oneindig beter grondregelen weer in elkander gezet; dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat godsdienst niets beteekende, en het verstand de eenige God moest zijn. Jo wist niets van philosophie of metaphysica, maar zij geraakte in een half aangename, half pijnlijke opwinding, en had een gevoel alsof zij in het oneindige rondzweefde, als een losgelaten luchtballonnetje.

Zij keek eens naar den professor, om te zien, hoe het hem beviel en bemerkte, dat hij haar zoo grimmig aanstaarde, als zij hem nog nooit had zien kijken. Hij schudde het hoofd, en wenkte haar om met hem mee te gaan, maar zij was zoo verbaasd over de vrijheid van de speculatieve philosophie, dat zij bleef zitten, om zoo mogelijk te weten te komen, waaraan die wijze heeren van plan waren zich vast te houden, nadat zij al de oude geloofs-overtuigingen hadden weggecijferd.

Nu was mijnheer Bhaer een bescheiden man, die niet spoedig met zijn eigen meeningen voor den dag kwam; niet omdat hij ze niet bezat, maar omdat zij hem te ernstig en te heilig waren, om er lichtvaardig over te spreken. Toen hij zag, hoe Jo en verscheiden andere jongelieden aangetrokken werden door dit schitterend intellectueel vuurwerk, fronste hij de wenkbrauwen, brandend van verlangen om te spreken, in zijn vrees dat de een of andere licht ontvlambare jeugdige ziel mocht betooverd worden door de vuurpijlen, om eerst, als het feest was afgeloopen, te ontdekken, dat zijniets overhielden dan een uitgebranden stok en een geschroeide hand.

Hij verdroeg het, zoolang hij kon, maar toen zijn meening gevraagd werd, werd hij warm in eerlijke verontwaardiging en verdedigde den godsdienst met al de welsprekendheid der overtuiging—een welsprekendheid, die zijn gebroken Engelsch welluidend, en zijn alledaagsch gelaat schoon maakte. Hij had een harden strijd, want de wijze heeren redeneerden goed, maar hij liet zich niet afschrikken, wanneer hij geslagen was, en verdedigde zijn vaandel als een man.

Terwijl hij sprak schoof alles weer op de rechte plaats voor Jo’s geestesoog; en het oude geloof, dat reeds zoolang had stand gehouden, scheen haar beter toe dan het nieuwe. God was geen blinde kracht, en onsterfelijkheid geen aardig sprookje, maar een gezegende werkelijkheid. Het was haar, alsof zij weer vasten grond onder de voeten kreeg; en toen mijnheer Bhaer eindelijk ophield, tot zwijgen gebracht, maar geen haarbreed overtuigd, had Jo wel in haar handen willen klappen en hem bedanken.

Zij deed geen van beide; doch zij onthield het gehoorde, en gevoelde de diepste achting voor den professor, want zij wist, hoeveel moeite het hem had gekost daar te spreken, maar dat zijn geweten hem verboden had te zwijgen. Zij begon in te zien, dat een vast karakter beter is dan geld, aanzien, verstand of schoonheid; en te gevoelen, dat indien grootheid, volgens de verklaring van een wijs man, bestaat uit “oprechtheid, eerbied en welwillendheid”—haar vriend Friedrich Bhaer niet alleen goed, maar groot was.

En deze overtuiging werd dagelijks sterker. Zij stelde prijs op zijn achting, wenschte vurig, dat hij een goede opinie van haar mocht hebben, en verlangde zijn vriendschap waard te worden; doch juist toen die wensch het toppunt bereikt had, liep Jo gevaar alles te verliezen. Het was het ongelukkig gevolg van een papieren steek. Op zekeren avond kwam de professor namelijk binnen om Jo les te geven, met een papieren soldatenmuts op het hoofd, die Tina hem had opgezet, en die hij vergeten had af te nemen.

“Het is duidelijk, dat hij niet in den spiegel kijkt, eer hij naar beneden komt,” dacht Jo met een glimlach, terwijl hij “Guten Abend” zei, en bedaard ging zitten, zonder te weten hoe ’n belachelijk contrast er was tusschen zijn hoofddeksel en zijn onderwerp, want hij begon haar “De Dood van Wallenstein” voor te lezen.

Ze zei eerst niets, want zij hoorde hem zoo graag in zijn hartelijken lach uitbarsten, wanneer er iets grappigs voorviel, daarom wachtte zij, tot hij het zou bemerken, en dacht er op het laatst zelf niet meer aan, want een Duitscher Schiller te hooren voordragen is iets, dat den hoorder geheel boeit. Op het lezen volgde een bizonder levendige les, want Jo was dien avond in een vroolijke bui, en de papieren muts deed haar oogen van pret glinsteren. De professor wist niet, wat hij van haar denken moest, en hield eindelijkop, terwijl hij met een onweerstaanbaar zachtzinnige verbazing vroeg: “Fräulein March, waarom lacht gij uwen leeraar in zijn gezicht uit? Hebt gij geen respect voor mij, dat gij zoo doet?”

“Hoe kan ik respect voor u hebben, mijnheer, als u vergeet uw hoed af te nemen?” antwoordde Jo.

De afgetrokken professor bracht ernstig de hand naar het hoofd, voelde den steek en nam dien af, keek Jo een oogenblik verbaasd aan, wierp toen zijn hoofd achterover, en lachte als een vroolijke bas-viool.

“Ach, ik zie hem nu; dat is die ondeugd, Tina, die mij er zoo gek doet uitzien met mijn muts. Wel, het is niets, maar ziet gij, als deze les niet goed gaat, zultgijhem ook dragen.”

Maar de les ging gedurende eenige minuten in het geheel niet, want zijn aandacht werd afgeleid door een plaatje op de muts; en terwijl hij het papier openvouwde, zei hij met diepen afkeer:

“Ik wenschte, dat deze tijdschriften niet in het huis kwamen; zij zijn niet goed voor kinderen om te zien, en voor jonge lieden om te lezen. Het is niet goed, en ik heb geen geduld met hen, die kwaad veroorzaken.”

Jo keek naar het papier en zag een bekoorlijk plaatje van een waanzinnige, een lijk, een moordenaar en een adder. Ze kon het niet bewonderen, doch het gevoel, dat haar het blad deed omslaan was geen afkeer, maar vrees, want voor een oogenblik meende zij, dat het een exemplaar van “De Vulkaan” was. Gelukkig bleek dit niet het geval, en haar schrik bedaarde, toen zij zich herinnerde, dat, al had haar eigen verhaal er ingestaan, het haar toch niet kon verraden, daar het niet onderteekend was. Maar zij had zichzelve al verraden door haar schuldig gezicht, want hoewel de professor verstrooid heette, zag hij meer dan de meeste menschen wel dachten.

Hij wist, dat Jo schreef, en hij was haar meer dan eens tegengekomen bij de uitgevers-kantoren; maar daar zij er nooit van sprak, vroeg hij er ook nooit naar, hoewel hij erg verlangend was haar werk eens te zien. Nu viel het hem in, dat zij er zich mogelijk voor schaamde, en dat deed hem leed. Hij zei niet tot zichzelf: “Het gaat mij niet aan; ik heb geen recht er mij mee te bemoeien,” zooals vele menschen zouden gedaan hebben; hij bedacht alleen, dat zij jong en arm was, ver van de beschermende liefde harer moeder en de zorg haars vaders; en even snel en spontaan als hij zijn hand uitgestoken zou hebben om een kind van den rand eener sloot terug te trekken, trachtte hij haar te hulp te komen. Dit alles vloog door zijn ziel, maar hij verried het door geen enkelen trek van zijn gelaat; en toen de courant was omgekeerd, en Jo den draad in haar naald had gestoken, zei hij op heel natuurlijken toon, maar heel ernstig:

“Ja, u heeft recht, dat u het wegschuift. Ik moet er niet aan denken, dat goede jonge meisjes zulke dingen lezen. Zij mogensommigen bevallen, maar ik zou mijn jongens liever buskruit geven om mede te spelen dan zulk ontuig.”

“Misschien is niet alles slecht—alleen maar dwaas en onbeduidend; en wanneer er vraag naar is, zie ik er geen kwaad in daaraan te voldoen. Veel respectabele menschen maken een goed inkomen uit wat men sensatie-romans noemt,” antwoordde Jo, haar inhaalsel zoo stevig inkrassende, dat haar speld overal kleine sleetjes achterliet.

“Er is ook vraag naar jenever, maar ik denk toch niet, dat u of ik dien zou willen verkoopen. Als die respectabele menschen wisten, hoeveel kwaad zij deden, zouden zij hun inkomen niet goed noemen. Zij hebben geen recht, om vergif in de suikerboonen te doen, en ze door kinderen te laten opeten. Neen, zij behoorden een oogenblikje er over te denken, en liever de straat te gaan vegen, eer zij dit deden!”

Mijnheer Bhaer sprak met nadruk, en liep naar de kachel, terwijl hij de courant in zijn hand verfrommelde. Jo zat onbeweeglijk, maar zag er uit alsof het vuur uit haar gezicht sprong, en haar wangen gloeiden nog, lang nadat de papieren muts in rook was opgegaan.

“Ik zou graag al de rest denzelfden weg opjagen,” zei de professor, terugkeerende met een gezicht, alsof hem een pak van het hart was genomen.

Jo bedacht hoe ’n groote brandstapel gemaakt zou kunnen worden van al de exemplaren, die zij op haar kamer bewaarde, en haar zuur verdiend geld woog haar gedurende eenige oogenblikken zwaar op het hart. Toen troostte zij zich met de gedachte: “Mijn verhalen zijn niet zooals dat; zij zijn alleen maar onbeduidend, nooit slecht; ik hoef er dus niet langer over te tobben,” en haar boek opnemende vroeg zij heel ijverig:

“Zullen wij voortgaan, mijnheer? Ik zal nu goed oppassen.”

“Dat wil ik hopen,” was al wat hij antwoordde, maar hij bedoelde meer dan zij dacht, en de ernstig vriendelijke blik, waarmee hij haar aankeek, gaf haar een gevoel, alsof de woorden “Wekelijksche Vulkaan” met groote letters op haar voorhoofd gedrukt stonden.

Zoodra zij in haar kamer kwam, haalde zij de couranten voor den dag en las zorgvuldig al haar verhalen over. Daar mijnheer Bhaer wat zwak van gezicht was, gebruikte hij soms een lorgnet. Jo had het eens geprobeerd en met een glimlach gezien, hoe sterk het den fijnen druk van haar boek vergrootte; nu scheen zij ook den geestelijken of den zedelijken bril van den professor opgezet te hebben, want de gebreken van haar ongelukkige verhalen staarden haar grijnzend aan, en vervulden haar met verslagenheid.

“Zijzijn‘ontuig’ en zij zullen gauw nog iets ergers worden, als ik er mee voortga, want het een is al schokkender dan het ander. Ik ben blindelings voortgegaan, en heb, alleen om het geld, mijzelveen anderen kwaad gedaan;—ik weet, dat het zoo is—want ik kan dat prulwerk niet in koelen bloede lezen, zonder er mij gruwelijk over te schamen; en wat zou ik beginnen, als zij ze thuis eens lazen of mijnheer Bhaer ze in handen kreeg?”

Bij die gedachte werd Jo vuurrood, en stopte het heele pak in den haard, op gevaar af van door den fellen gloed brand in den schoorsteen te veroorzaken.

“Ja, dat is de beste plaats voor zulken ontvlambaren onzin! Ik geloof, dat ik nog beter deed met het huis in brand te steken, dan toe te laten dat anderen door mijn buskruit in de lucht vliegen,” dacht Jo, terwijl zij “De Demon van den Jura” als een klein zwart hoopje met vurige oogen zag wegschrompelen.

Maar toen van al haar werk der drie laatste maanden niets was overgebleven dan een hoop asch en het geld in haar beurs, bleef Jo met een triest gezicht op den grond zitten, onzeker wat zij met haar honorarium moest beginnen.

“Ik denk, dat iktot nog toeniet veel kwaad heb uitgericht, en dat ik het dus wel mag houden als een vergoeding voor mijn tijdverlies,” besloot zij na lang nadenken, terwijl zij er ongeduldig bijvoegde: “Ik zou haast wenschen maar geen geweten te hebben, het is zoo lastig! Als ik er niet om gaf, of ik goed handelde, en geen spijt had als ik iets verkeerds deed, zou ik heerlijk vooruit komen. Ik wou soms, dat Vader en Moeder niet altijd zoo verschrikkelijk precies op zulke dingen waren geweest.”

Jo schreef geen sensatie-verhalen meer, overtuigd dat het geld, wat zij er mee verdiende, niet opwoog tegen het kwaad, dat zij stichtte; maar verviel nu, zooals meer het geval is met menschen van haar karakter, in een ander uiterste. Zij bestudeerde de werken van langdradige, degelijke ouderwetsche schrijfsters, en schreef toen een verhaal, dat eigenlijk eerder een verhandeling of een preek mocht heeten, zoo vreeselijk zedekundig was het. Van het begin af aan was ze er niet bizonder gerust op; want haar levendig temperament en rijke phantasie gevoelden zich in dien nieuwen trant even weinig thuis, als zij zelf zich op een gemaskerd bal thuis zou voelen, in het stijve en lastige kostuum uit een vorige eeuw. Dit juweel van leerzame braafheid bracht zij op verscheiden plaatsen ter markt, zonder een kooper te vinden; zoodat zij er toe neigde, met den heer Dashwood te verklaren, dat zedepreeken niet verkocht worden. Toen probeerde zij een kinderverhaal, dat zij had kunnen plaatsen, als zij niet zoo geldzuchtig was geweest, om er een goede som voor te willen maken. De eenige uitgever, die haar genoeg bood, om het haar der moeite waard te doen zijn, in deze richting verder te gaan, was een waardig heer, die zich geroepen voelde de heele wereld tot zijn bizonder geloof te bekeeren. Maar hoe graag Jo ook voor kinderen schreef, kon zij er niet in toestemmen, al haar ondeugende jongens door beren te laten opeten, of door woedende stieren te laten verscheuren; evenmin om al de braveHendrikken te beloonen met allerlei soort van zegeningen; van vergulde suikerboonen af tot een engelenwacht toe, als zij, met psalmen of gezangen op hun stamelende lipjes, dit leven verlieten. Deze proefnemingen liepen dus op niets uit, en Jo schoof haar inktkoker terzijde, en zei in een aanval van gezonde nederigheid:

“Ik weet niets, ik zal dus dienen te wachten, tot ik een gelukkige ingeving krijg en onderwijl ‘de straat vegen’ als ik niets beter doen kan; dat is in ieder geval ‘eerlijk’ werk; en dit besluit was een duidelijk bewijs, dat haar tweede tuimeling van den boonenstaak haar goed had gedaan.”

Terwijl deze innerlijke omwentelingen plaats grepen was haar uitwendig leven even bezig en kalm als te voren, en wanneer zij soms ernstig en neerslachtig keek, was er niemand, die het opmerkte, dan professor Bhaer. Hij deed het zoo stil, dat Jo volstrekt niet gewaar werd, dat hij haar gadesloeg om te zien, of zij met zijn vermaning haar voordeel gedaan had; maar zij stond de proef door, en hij was voldaan, want hoewel er geen woord tusschen hen over gewisseld werd, begreep hij zeer goed, dat zij het schrijven er aan gegeven had. Hij giste het niet alleen uit het feit, dat haar rechtermiddenvinger niet langer een en al inkt was, maar zij bracht haar avonden beneden door, vertoonde zich niet meer in de buurt der uitgeverskantoren, en studeerde met een volharding en een geduld, die hem bewezen, dat zij van plan was haar geest, zij het al niet met aangename, dan ten minste met nuttige dingen bezig te houden.

Hij hielp haar op allerlei manieren, betoonde zich een waar vriend, en Jo was gelukkig; want terwijl zij haar pen liet rusten, leerde zij nog wat anders behalve Duitsch, en legde ze den grondslag tot den sensatie-roman van haar eigen leven.

Het was een prettige en een lange winter, want zij bleef tot Juni bij mevrouw Kirke. Iedereen was bedroefd toen die tijd aanbrak; de kinderen waren ontroostbaar, en al het haar van mijnheer Bhaer stond recht overeind, daar hij het altoos naar alle kanten opstreek, wanneer hem iets hinderde.

“Gij gaat nu naar huis? Ach, gij zijt gelukkig, dat gij een tehuis hebt om heen te gaan,” zei hij, toen zij het hem vertelde, en verder zat hij zwijgend in een hoekje aan zijn baard te plukken, terwijl zij dien laatsten avond haar kleine receptie hield.

Zij zou vroeg in den morgen vertrekken; daarom nam zij des avonds van allen afscheid, en toen zijn beurt kwam, zei zij hartelijk:

“Nu, mijnheer Bhaer, vergeet niet, wanneer gij ooit onzen kant uitkomt, ons te komen bezoeken. Ik zou het u nooit vergeven, als u het niet deed, want ik hoop, dat allen thuis mijn vriend zullen leeren kennen.”

“Waarlijk? zal ik komen?” vroeg hij, terwijl hij haar met een verlangenden blik aanzag, dien zij echter niet opmerkte.

“Ja, toe, komt u in de volgende maand; dan promoveert Laurie,en het zou wel aardig voor u zijn, eens een Amerikaansche promotie bij te wonen.”

“Dat is uw beste vriend, van wien gij spreekt?” vroeg hij op veranderden toon.

“Ja, mijn jongen, Teddy; ik ben heel trotsch op hem, en zou erg graag willen, dat u hem zag.”

Bij deze woorden keek Jo op, zonder aan iets anders te denken dan aan haar eigen genoegen, wanneer zij hen aan elkander zou voorstellen.

Een zeker iets in de oogen van prof. Bhaer deed haar plotseling bedenken, dat zij mogelijk in Laurie iets meer dan een besten vriend zou vinden, en juist omdat zij wenschte niets bizonders te laten blijken, begon zij te blozen, en hoe meer zij probeerde dit niet te doen, hoe rooder zij werd. Als zij Tina niet op schoot had gehad, zou zij niet geweten hebben wat te beginnen. Gelukkig kreeg het kind den inval om haar te kussen, waardoor zij haar gezicht een oogenblik verbergen kon, in de hoop, dat de professor het niet zou zien. Maar hij zag het, en de voorbijgaande uitdrukking van smart op zijn gelaat maakte weer voor de gewone kalmte plaats, terwijl hij hartelijk zeide:

“Ik vrees, dat ik daarvoor geen tijd zal vinden, maar ik wensch den vriend veel succes, en u alle mogelijk geluk; God zegene u!” en hiermee drukte hij haar hartelijk de hand, nam Tina op den schouder, en ging heen.

Toen de jongens naar bed waren, zat hij nog lang voor het vuur, met een pijnlijken trek om zijn mond, en een drukkend gevoel van heimwee in het hart. Eén oogenblik, toen hij zich Jo weer voorstelde zooals zij daar zat, met het kind op haar schoot, en die ongewoon zachte uitdrukking in de oogen, verborg hij zijn gezicht in de handen, en dwaalde toen door de kamer, alsof hij iets zocht, wat hij niet vinden kon.

“Het is niet voor mij; ik moet er niet meer op hopen,” zei hij tot zichzelf met een zucht, die bijna een kreun mocht heeten; toen, alsof hij zich berispte over het verlangen, dat hij niet kon bedwingen, ging hij zacht de slaapkamer binnen, kuste de twee krulkopjes, haalde zijn zelden gebruikten meerschuimer voor den dag, en opende zijn Plato.

Hij deed manmoedig zijn best; maar ik geloof niet, dat hij in een paar wilde jongens, een pijp, of zelfs in den goddelijken Plato, een voldoende vergoeding vond voor een vrouw, een kind en een eigen tehuis.

Hoe vroeg het ook was, ging hij den volgenden morgen naar het station om Jo te zien vertrekken; en aan hem had zij het te danken, dat zij haar reis begon, met de herinnering aan een vriendelijk gelaat, dat haar een vaarwel toeknikte, met een bosje viooltjes om haar gezelschap te houden, en bovenal met de blijde gedachte in het hart: “Zie zoo, de winter is voorbij; ik heb geen boeken geschreven,geen fortuin gemaakt, maar ik heb een goed vriend gevonden, en ik zal mijn best doen hem levenslang te behouden.”

1Beroemd boek van den Engelschen schrijver Thomas Carlyle.

1Beroemd boek van den Engelschen schrijver Thomas Carlyle.

HOOFDSTUK XII.HARTELEED.Wat Laurie’s beweegreden ook mocht geweest zijn, het “pompen” van het laatste jaar bleek niet tevergeefs, want hij promoveerde met lof, en sprak zijn Latijnsche oratie uit “met de bevalligheid van een Philippo en de welsprekendheid van een Demosthenes,” zooals zijn vrienden zeiden. Zij waren allen tegenwoordig—zijn grootvader, zoo trotsch en gelukkig! mijnheer en mevrouw March, John en Meta, Jo en Betsy, en allen verheugden zich over hem, met die oprechte bewondering, waarover jongelui op het oogenblik zelf zoo luchtig denken, maar die hun bij latere triomfen in de wereld niet licht te beurt valt.“Ik moet voor dat vervelende souper hier blijven, maar ik kom morgenavond vroeg thuis. Loopen jullie mij als naar gewoonte tegemoet, meisjes?” vroeg Laurie, toen hij ’s avonds van dien blijden dag de zusters in het rijtuig hielp.Hij zei “meisjes” maar hij meende Jo,—want zij was de eenige die nog aan de oude gewoonte getrouw bleef; zij had het hart niet om haar knappen, gelauwerden jongen iets te weigeren, en antwoordde hartelijk:“Ik zal komen, Teddy, weer of geen weer, en voor je uit wandelen om ‘Ziet, hij komt, met eer gekroond’ te spelen op een Davids-harp.”Laurie dankte haar met een blik, die haar met een plotselingen schrik deed denken: “O, hemel! Ik vrees, dat hij iets zal zeggen, en wat moet ik dan beginnen?”Een avond-overdenking en een drukke morgen deden haar angst wat bedaren, en na zich onder het oog te hebben gebracht, dat zij niet zoo ijdel moest zijn te verwachten, dat menschen haar liefdesverklaringen zouden gaan doen, als zij hun alle reden gegeven had om te begrijpen, wat haar antwoord zou wezen, ging zij op den bepaalden tijd van huis, in de hoop, dat Teddy haar niet zou noodzaken zijn ongelukkige gevoelens te kwetsen. Een bezoek bij Meta en een verkwikkende omhelzing van Daisy en Demi-John, gaven haar nieuwe kracht voor het tête-à-tête, maar toen zij een rijzige gedaante in de verte zag aankomen, gevoelde zij toch een sterke begeerte om terug te keeren en weg te loopen.“Waar is de Davids-harp, Jo?” riep Laurie haar toe, zoodra hij dicht genoeg genaderd was om zich te doen verstaan.“Vergeten!” en Jo schepte nieuwen moed, want die begroeting kon moeilijk verliefd genoemd worden.Bij zulke bizondere gelegenheden als deze, nam ze vroeger altijd heel zusterlijk zijn arm, maar dezen keer deed zij het niet, en hij maakte er geen aanmerking over—wat een “veeg” teeken was—maar praatte gejaagd voort over allerlei gezochte onderwerpen, tot zij aan het smalle paadje kwamen, dat door het boschje naar huis leidde. Toen begon hij langzamer te loopen, verloor zijn welbespraaktheid, en trad er nu en dan een drukkende pauze in. Om de conversatie van een nieuwe bezwijming te redden, begon Jo haastig:“Nu mag je wel eens een flinke, lange vacantie nemen.”“Dat ben ik ook van plan.”Een zeker iets in zijn beslisten toon deed Jo haastig opzien, en bemerken dat zijn blik op haar rustte met een uitdrukking, die haar duidelijk aantoonde, dat het gevreesde oogenblik genaderd was. Zij hief de handen smeekend op en zei:“Neen, Teddy,alsjeblieftniet!”“Ik wil het zeggen, en jemoetmij aanhooren. Het geeft niets, Jo; wij moeten er over spreken, en hoe eerder wij het doen, hoe beter het voor ons beiden is,” antwoordde hij, plotseling aangedaan en opgewonden wordende.“Zeg dan maar wat je wilt; ik zal luisteren,” zei Jo met wanhopige onderwerping.Laurie was nog een jeugdig minnaar, maar hij meende het ernstig, en hij was vast besloten het nu “uit te maken,” al moest hij het ook met den dood bekoopen; daarom stortte hij zich met de hem eigene onstuimigheid in zijn onderwerp, en vervolgde met een bevende stem, die hij te vergeefs met alle macht in bedwang trachtte te houden:“Ik heb je altijd liefgehad, zoolang ik je gekend heb, Jo—ik kon er niets tegen doen, je bent zoo goed voor mij geweest; ik heb getracht het je te toonen, maar je wou het niet toelaten. Maar nu moet je naar mij luisteren, en mij antwoord geven, want ikkanniet langer zoo voortleven!”“Ik had je dit zoo graag willen besparen; ik dacht, dat je wel zou begrijpen—” begon Jo, die het antwoorden nog moeilijker vond, dan zij gevreesd had.“Dat weet ik wel; maar meisjes zijn zoo wonderlijk, dat je nooit recht kunt weten, wat zij willen. Zij zeggen ‘neen,’ als zij ‘ja’ meenen, en zijn in staat iemand alleen voor de grap buiten zichzelf te brengen,” antwoordde Laurie, zich achter een onloochenbaar feit verschuilende.“Ikniet. Ik heb niets gedaan om je zoo van mij te doen houden, en ik ben weggegaan om dit, zoo mogelijk, te voorkomen.”“Dat dacht ik wel; het was net iets voor jou, maar ’t heeft niets geholpen. Ik kreeg er je des te liever om, en deed al mijn best om’t je naar den zin te maken; ik gaf er het biljarten aan en alles waar jij maar iets tegen hadt, en wachtte, en klaagde nooit, omdat ik hoopte, dat je mij nog wel zou lief krijgen, hoewel ik niet half goed genoeg ben”—hier volgde een snik, die niet bedwongen had kunnen worden; daarom sloeg hij boterbloempjes stuk met zijn wandelstok, tot dat “drommelsche brok” in zijn keel wat gezakt zou wezen.“Ja, dat ben je wel, je bent veel te goed voor mij, en ik ben je zoo dankbaar, en zoo trotsch op je, en ik houd zooveel van je! ’k Begrijp eigenlijk niet, waarom ik je niet zoo lief kan hebben, als je verlangt. Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan mijn gevoel niet veranderen, en het zou een leugen zijn, als ik zei, dat ik het deed, terwijl het niet zoo is.”“Wezenlijk, Jo?”Hij stond stil en nam bij deze vraag haar beide handen in de zijne, met een blik, dien zij niet spoedig zou vergeten.“Wezenlijk, Teddylief.”Zij waren nu in het boschje—dicht bij het hek: en toen de laatste woorden met moeite over Jo’s lippen waren gekomen, liet Laurie haar handen los, en keerde zich om, alsof hij verder wilde gaan, maar voor de eerste maal in zijn leven was een teleurstelling hem te machtig; hij verborg zijn gezicht tegen den met mos begroeiden paal en stond zoo stil, dat het Jo angstig om ’t hart werd.“O Teddy, het spijt mij zoo, het spijt mij zoo vrééselijk; ik zou mij zelf wel willen doodsteken, als dat iets helpen kon. Ik wou, dat je het niet zoo hoog opnam, ik kan het niet helpen; je weet, dat liefde zich niet dwingen laat!” riep Jo, bedroefd en berouwvol, terwijl zij hem zachtjes de hand op den schouder legde en aan dien lang verleden morgen dacht, toen hij haar zoo vertroost had.“Soms lukt het, als je ’t probeert,” klonk een gesmoorde stem van den paal.“Ik geloof niet, dat het dan de rechte soort van liefde is, en ik zou het liever niet probeeren,” was het vastbesloten antwoord.Toen volgde een lange pauze, waarin de distelvink vroolijk zong en het lange gras in den wind ritselde. Daarna begon Jo zeer ernstig, terwijl zij ging zitten op een steen bij het hek.“Laurie, ik moet je iets zeggen.”Hij schrikte, alsof hij door een schot getroffen werd, wierp het hoofd achterover en riep op woesten toon:“Vertel medatniet, Jo; ik zou het niet kunnen verdragen!”“Wat niet?” vroeg zij verbaasd over zijn heftigheid.“Dat je dien ouden man liefhebt.”“Welken ouden man?” vroeg Jo, die dacht, dat hij zijn grootvader op het oog had.“Dien beroerden professor, waar je altijd over schreef. Als je zegt, dat je hem liefhebt, doe ik iets wanhopigs,” en hij zag eruit, alsof hij zijn woord zou houden, toen hij met van woede glinsterende oogen zijn vuist balde.Jo was op het punt te lachen, maar bedwong zich en zei met warmte, want zij werd door al die emoties ook opgewonden:“Vloek niet, Teddy! hij is niet oud, of wat ook; alleen maar goed en vriendelijk, en de beste vriend, dien ik heb—na jou. Word nu als’tjeblieft niet driftig; ik wil niets onaardigs zeggen, maar ik wéét, dat ik boos zal worden, als je iets ten nadeele van mijn professor zegt. Ik heb niets geen plan om op hem of op iemand anders verliefd te raken.”“Maar dat zul je na een poosje toch, en wat moet er dan van mij worden!”“Jij zult als een verstandige jongen, ook wel van iemand anders gaan houden, en al deze akeligheid vergeten.”“Ikkanniemand anders liefhebben, en ik zal jou nooit vergeten, Jo, nooit!” riep hij, op den grond stampend om zijn hartstochtelijke woorden kracht bij te zetten.“Watmoetik met hem beginnen?” zuchtte Jo, ziende dat gevoelszaken moeilijker te behandelen waren, dan zij gedacht had. “Je hebt nog niet gehoord, wat ik je wou vertellen. Toe, ga nu eens zitten en luister naar me, want ik wil werkelijk doen, wat het beste is en je gelukkig maken,” zei zij, in de hoop hem door een verstandig woordje tot kalmte te brengen,—wat duidelijk bewees, dat zij niet het minste begrip had van liefde.Laurie, die een straal van hoop in de laatste toespraak meende te ontdekken, wierp zich op het gras aan haar voeten, leunde met zijn hoofd op zijn arm en keek vol verwachting naar haar op. Die schikking was echter, wat Jo betreft, niet bevorderlijk voor een kalm gesprek of de helderheid van haar geest; want hoekonzij harde dingen zeggen tegen haar jongen, als hij haar zoo met oogen vol liefde lag aan te kijken, terwijl zijn wimpers nog vochtig waren van de bittere tranen, die de hardheid haars harten hem ontperst had? Zij keerde zacht zijn hoofd af en zei, terwijl zij het krulhaar streelde, dat om harentwil had mogen groeien—wat de aandoenlijkheid van alles nog verhoogde!—“Ik ben het met Moeder eens, dat jij en ik niet bij elkander passen, omdat ons opvliegend temperament en onze vaste wil ons waarschijnlijk diep ongelukkig zouden maken, als wij zoo dwaas waren van te—” Jo zweeg een oogenblik, eer zij het laatste woord uitsprak, maar Laurie noemde het met de grootste verrukking: “trouwen,—neen dat zouden wij niet! Als jij me lief hadt, Jo, zou ik een volmaakte heilige worden,—want jij kunt van me maken, wat je wilt!”“Neen, dat kan ik niet. Ik heb het geprobeerd, en het is mislukt, en ik wil ons geluk niet wagen aan zoo’n ernstige proefneming. Wij passen niet bij elkaar, en zullen dat wel nooit doen; laat ons levenslang vrienden blijven, maar geen dwaasheid begaan.”“Jawel, als wij er maar kans toezien,” prevelde Laurie, tegenspartelend.“Kom, wees nu niet onredelijk, en beschouw de zaak verstandig,” smeekte Jo, bijna ten einde raad.“Ik wil onredelijk zijn; ik verlang de zaak niet verstandig te beschouwen; het kan mij niet helpen en het maakt jou maar kouder. Ik geloof niet, dat je een hart hebt.”“Ik wou dat het waar was.”Jo’s stem beefde, en Laurie, die dit een goed teeken vond, keerde zich om en wendde al zijn overredingskracht aan, terwijl hij op zijn vleienden toon (nog nooit had die zoo gevaarlijk vleiend geklonken) zei:“Kom, lieveling, stel ons niet te leur: ze verwachten het allemaal. Grootvader heeft er zijn hart op gezet;—je familie vindt het goed, en ik kan niet zonder je leven. Zeg nu maar, dat je wilt, en laat ons gelukkig zijn! Toe, doe het maar!”Eerst vele maanden later begreep Jo, hoe zij genoeg geestkracht had gehad om trouw te blijven aan haar besluit, toen zij verklaarde, dat zij haar jongen niet beminde en het ook nooit zou kunnen. Het was een zware taak, maar zij volbracht die, wel wetende, dat uitstel zoowel noodeloos als wreed zou wezen.“Ik kan niet van harte ja zeggen, daarom zeg ik het ook stellig niet. Je zult na een poosje wel inzien, dat ik gelijk heb, en er mij dankbaar voor zijn,” begon zij plechtig.“Dat zal lang duren!” en Laurie vloog overeind, gloeiend van verontwaardiging bij de enkele gedachte.“Ja, dat zul je toch wel!” begon Jo weer; “je zult er je na een poosje mee verzoenen, en een lief knap meisje vinden, dat je zult aanbidden, en die een mooie châtelaine voor je mooi huis zal zijn. Dat zou ik toch niet wezen; ik ben alledaagsch en onhandig, en raar en oud, en je zou je maar over mij schamen, en wij zouden kibbelen. Zelfs nu kunnen wij het al niet laten, zooals je ziet, en ik zou niet van deftig gezelschap houden, en jij wel, en jij zou een hekel hebben aan mijn gekrabbel, en ik zou er niet buiten kunnen, en wij zouden dood ongelukkig zijn en wenschen dat wij het maar niet gedaan hadden, en het zou een verschrikkelijk leven worden!”“Nog meer?” vroeg Laurie, die het moeilijk vond geduldig te luisteren naar deze profetische uitbarsting.“Niet meer, behalve dat ik niet geloof, dat ik ooit zal trouwen; ik ben gelukkig zooals ik ben, en heb mijn vrijheid te lief, dan dat ik me zou haasten die op te geven voor eenig sterfelijk man!“Dat weet ik wel beter!” viel Laurie uit. “Nu denk je zoo, maar er zal een tijd komen, wanneer ie wél van iemand zult houden, en dan zul je hem geweldig liefhebben en voor hem leven en sterven. Ik weet zeker, dat het zoo zijn zal, ’t is net iets voor je, en dan zal ik mogen toekijken!” En de ongelukkige minnaar wierp zijn hoedop den grond met een gebaar, dat comisch zou geweest zijn, als zijn gezicht niet zoo droevig had gestaan.“Ja, ikzalvoor hem leven en sterven, als hij ooit komt en mij dwingt hem lief te hebben, tegen wil en dank, en jij moet zien er je doorheen te slaan!” riep Jo, die haar geduld verloor met den armen Teddy. “Ik heb gedaan wat ik kon, maar jijwiltniet naar rede luisteren, en het is zelfzuchtig van je, te blijven vragen om iets, dat ik niet geven kan. Ik zal altijd veel van je houden, heel veel, als een vriendin, maar ik kan nooit met je trouwen; en hoe eer je dat gelooft, hoe beter voor ons beiden—dus—”Die toespraak werkte als vuur bij buskruit. Laurie keek haar een oogenblik aan, alsof hij niet recht wist, wat met zichzelven te doen, keerde zich toen eensklaps om en zei op wanhopigen toon: “Dit zal je eenmaal spijten, Jo!”“O, waar ga je heen?” riep zij, want de uitdrukking in zijn oogen maakte haar angstig.“Naar den duivel!” was het troostvol antwoord.Jo’s hart stond een oogenblik stil, toen hij met een sprong den oever der rivier bereikte, maar er is veel dwaasheid, zonde of ellende noodig om een jongeman tot zelfmoord te brengen, en Laurie behoorde niet tot de zwakke soort, die zich gewonnen geeft na een enkele bittere teleurstelling. Hij dacht niet aan een tragische onderdompeling, maar een blind instinkt dreef hem om hoed en jas in zijn boot te werpen en uit alle macht weg te roeien, waarbij hij mooier tijd maakte dan bij menigen wedstrijd. Jo haalde diep adem, en liet haar armen langs haar lijf vallen, terwijl zij “haar jongen” nastaarde, die zijn verdriet trachtte te beheerschen.“Dat zal hem goed doen! Maarhij zal in zoo’n teeder berouwvolle stemming thuis komen, dat ik hem niet onder de oogen zal durven komen,” voegde zij er bij, terwijl zij langzaam naar huis ging, met een gevoel, alsof zij een onschuldig wezentje vermoord en onder de bladeren begraven had.“Nu moet ik het maar aan mijnheer Laurence gaan zeggen, dan kan hij wat vriendelijk tegen mijn armen jongen zijn. Ik wou dat hij van Bets hield; misschien zal hij dat mettertijd wel gaan doen, maar ik geloof, dat ik mij op dat punt in haar vergist heb. Hoe is het toch mogelijk, dat meisjes het prettig vinden aanbidders te hebben, en ze dan af te wijzen? Ik vind het iets verschrikkelijkst.”Overtuigd dat niemand er beter voor geschikt was dan zijzelve, ging zij regelrecht naar mijnheer Laurence, vertelde manmoedig de heele geschiedenis, en begon toen zoo wanhopig over haar eigen ongevoeligheid te schreien, dat de vriendelijke oude heer er niets tegen in wist te brengen, hoewel hij bitter teleurgesteld was. Hij kon maar niet begrijpen hoe een meisje laten kon Laurie lief te hebben, en hoopte, dat zij nog van gedachten veranderen zou, maar hij wist, zelfs nog beter dan Jo, dat liefde niet gedwongen kan worden; daarom schudde hij stilbedroefd het hoofd en beslootzijn kleinzoon buiten gevaar te brengen, want de afscheidswoorden van den jongen driftkop tegen Jo beangstigden hem meer, dan hij wilde bekennen.Toen Laurie doodmoe, maar heel bedaard thuis kwam, ontving zijn grootvader hem, alsof hij van niets wist, en hield gedurende een paar uren den schijn met goed gevolg op. Maar toen zij samen in de schemering zaten, dat uurtje, waarvan zij anders zoo genoten, viel het den ouden man zwaar als naar gewoonte door te praten, en den jongen man nóg zwaarder, te luisteren naar de loftuitingen over den goeden uitslag van het laatste studiejaar, dat hem nu een mislukt liefdewerk toescheen. Hij verdroeg het, zoolang hij kon, ging toen naar de piano en begon te spelen. De ramen stonden open, en Jo, die met Betsy in den tuin wandelde, begreep dezen keer de muziek beter dan haar zuster, want hij speelde de Sonate Pathétique, en speelde haar, zooals hij nog nooit gedaan had.“Dat is heel mooi, maar droevig genoeg om iemand aan het schreien te maken; speel eens iets vroolijkers, jongenlief,” verzocht mijnheer Laurence, wiens vriendelijk oud hart vol was van een medegevoel, dat hij zoo gaarne wilde toonen, maar niet wist hoe.Laurie begon iets opgewekters, speelde een poosje woest door, en zou het er goed afgebracht hebben, indien hij niet in een kleine pauze mevrouw March had hooren roepen: “Jo, kom even binnen, ik heb je noodig.”Juist wat Laurie zoo sterk voelde, in een anderen zin. Toen hij de woorden hoorde, raakte hij in de war, het spel eindigde met een gebroken akkoord, en de jonge musicus bleef roerloos in de duisternis zitten.“Dát is me te machtig!” mompelde de oude heer; hij stond op, zocht zijn weg naar de piano, legde zijn handen op Laurie’s schouders, en zei, zoo zacht als een vrouw: “Ik weet alles mijn jongen, ik weet alles.” Geen antwoord gedurende een oogenblik; toen vroeg Laurie scherp: “Wie heeft het u verteld?”“Jo zelf.”“Dan is alles uit!” en hij schudde de hand van zijn grootvader met een ongeduldige beweging af; want hoewel hij dankbaar was voor de sympathie, kon toch zijn mannelijke trots het medelijden van een man niet verdragen.“Niet geheel, ik wou je nog iets zeggen, en dan zal alles uit zijn,” antwoordde de oude heer met ongewone zachtheid. “Je hebt nu zeker geen lust om hier te blijven?”“Ik ben niet van plan voor een meisje weg te loopen. Jo kan mij niet verhinderen haar te zien, en ik zal blijven en dat doen, zoolang ik verkies,” antwoordde Laurie op hoogen toon.“Dat zul je niet, als je een gentlemen bent, waar ik je voor houd. Ik ben ook diep teleurgesteld, maar het meisje kan het niet helpen; en het eenige, wat jou te doen staat, is, voor een poos weg te gaan. Waar wil je heen?”“Dat is mij ’t zelfde, ik geef er niets om, wat er van mij wordt,” en Laurie stond op met een onverschilligen lach, die zijn grootvader akelig in de ooren klonk.“Draag het als een man, en doe in ’s hemels naam geen overijlde dingen! Ga buitenslands, en tracht het te vergeten.”“Dat kán ik niet!”“En je verlangde er zoo naar, en ik had je beloofd, dat je gaan zou, als je promotie achter den rug was.”“O ja! maar ik was niet van planalleente gaan!” Laurie liep met groote stappen de kamer op en neer, met een uitdrukking op zijn gezicht, die zijn grootvader gelukkig niet zag.“Ik verg niet van je, dat je alleen gaat; er is wel iemand die met alle plezier, waarheen dan ook, wil meegaan.”“Wie, Grootvader?” vroeg hij stilstaande.“Ik zelf.”Laurie keerde zich af, maar draaide even gauw weer om, en zei met een heesche stem, terwijl hij zijn hand uitstak: “Ik ben een ellendige egoïst, maar—u weet—Grootvader,—”“Ja, mijn jongen, ja, ik weet er alles van, want ik heb dat alles vroeger zelf doorgemaakt in mijne jonge jaren, en later met je vader. Kom, kerel, ga eens rustig hier zitten, en luister naar mijn plan. Het is alles in orde en kan dadelijk uitgevoerd worden,” zei de oude heer, zijn kleinzoon vasthoudende, alsof hij bang was, dat deze zich van hem zou losrukken, zooals zijn vader vóor hem gedaan had.“Nu, Grootvader, wat wilt u dan?” en Laurie liet zich neervallen, zonder eenig blijk van belangstelling in gelaat of stem.“Er zijn in Londen zaken te vereffenen; ik had gedacht, dat jij dat wel kon doen, maar het is nog beter, dat ik er zelf heen ga, en de boel hier zal heel goed marcheeren nu Brooke er voor kan zorgen. Mijn compagnons doen bijna alles, ik blijf er alleen nog maar in, tot jij in mijn plaats kunt komen, en ik kan er dus ieder oogenblik uittrekken.”“Maar u hebt het land aan reizen, Grootvader; ik kan dat op uw leeftijd niet van u vergen,” begon Laurie, die dankbaar was voor het offer, maar veel liever alleen ging, als hij dan toch moest gaan.De oude heer wist dat zeer goed, doch was vast besloten het te voorkomen, want de stemming waarin zijn kleinzoon verkeerde, bewees hem, dat het niet verstandig zou zijn den jongen aan zijn lot over te laten. Hij onderdrukte dus een opkomenden zucht bij de gedachte aan de huiselijke gemakken, die hij achter moest laten, en zei manmoedig:“Loop heen, ik ben nog geen oude sukkel! Ik vind het een alleraardigst plan; het zal mij goed doen, en mijn oude ribbekast zal er niets door lijden, want het reizen is tegenwoordig bijna even gemakkelijk, alsof je thuis in je stoel zit.”Een ongeduldige beweging van Laurie gaf te kennen, datzijnstoel niet gemakkelijk was, en dat hij het voorstel niets aanlokkelijk vond, waarom de oude man er haastig bijvoegde:“Ik ben niet van plan een spelbreker of een lastpost te zijn; ik ga, omdat ik meen, dat je je gelukkiger zult voelen, dan wanneer je mij alleen achter laat. Ik zal ook niet overal met je rond zwerven, maar laat je vrij om te gaan, waarheen je wilt, terwijl ik me op mijn eigen manier amuseer. Ik heb vrienden in Londen en Parijs, en zou ze graag eens rustig bezoeken; in dien tusschentijd kun jij naar Indië, Duitschland of Zwitserland trekken, waarheen je maar wilt, en naar hartelust genieten van schilderijen, muziek, mooie vergezichten en avonturen.”Nu had Laurie op dit oogenblik, heel begrijpelijk, een gevoel, alsof zijn hart gebroken en de heele wereld een troosteloos-eenzame woestijn was; maar enkele woorden, die de oude man behendig in zijn laatsten zin wist in te lasschen, deden het gebroken hart onverwachts opspringen, en plotseling een paar oasen in die woestijn opdoemen. Hij zuchtte en antwoordde toen op lusteloozen toon:“Zooals u wilt, Grootvader; het komt er niet op aan, waar ik heen ga, of wat ik doe.”“Voor mij wel, onthoud dat mijn jongen; ik geef je volkomen vrijheid, maar ik reken er op, dat je die vrijheid goed zult gebruiken. Beloof mij dat, Laurie.”“Alles wat u maar verlangt, Grootvader.”“Goed!” dacht de oude heer, “hij geeft er nu niet om, maar de tijd zal eenmaal komen, dat die belofte hem voor veel kwaad kan bewaren, tenzij ik mij deerlijk vergis.”Daar mijnheer Laurence een energieke natuur bezat, smeedde hij het ijzer, terwijl het heet was; en eer de geknakte geest zich in zooverre hersteld had, dat hij zich tegen iets kon verzetten, waren zij vertrokken.Gedurende de dagen, die nog verloopen moesten om de noodige toebereidselen te maken, gedroeg Laurie zich zooals jonge lieden in een dergelijk geval gewoonlijk doen. Hij was afwisselend somber, prikkelbaar en peinzend; verloor zijn eetlust, verwaarloosde zijn kleeding, en bracht een groot gedeelte van zijn tijd door met hartstochtelijk piano te spelen. Hij ontliep Jo, maar stelde zich schadeloos door haar van uit zijn venster te begluren, met zoo’n tragische uitdrukking op zijn gezicht, dat het haar ’s nachts in haar droomen vervolgde en overdag een drukkend gevoel van schuld gaf. Anders dan sommige lijders sprak hij nooit over zijn onbeantwoorden hartstocht, en kon hij niet dulden, dat iemand, zelfs niet mevrouw March, hem een woordje van troost zocht toe te voegen of medegevoel toonde. Dit was in sommige opzichten een verlichting voor zijn vrienden, maar de weken voor zijn vertrek waren buitengewoon pijnlijk, en allen verblijdden zich, dat de “beste jongen”wegging om zijn verdriet te vergeten, en weer gelukkig thuis te komen. Hij glimlachte natuurlijk bitter over hun waan, maar liet dien voor wat hij was, met de droevige ongeloovigheid van een, die wist, dat zijn trouw even onveranderlijk was als zijn liefde.Toen het uur van scheiden aanbrak, wendde hij groote opgewektheid voor om sommige lastige gemoedsbewegingen te verbergen, die geneigd schenen zich te doen gelden. Zijn opgeschroefde vroolijkheid leidde niemand om den tuin, maar zij deden, alsof zij zich lieten verschalken, en hij bracht het er vrij goed af, totdat mevrouw March hem een kus gaf, en hem heel moederlijk iets toefluisterde. Toen voelde hij, dat het uit was met alle zelfbeheersching, en na een haastig afscheid van de anderen, de bedroefde Hanna niet te vergeten, rende hij de trappen af, alsof het zijn leven gold. Jo volgde hem een oogenblik later, om hem nog eens toe te wuiven, als hij soms om mocht kijken. Hij kéék om, kwam terug, sloeg de armen om haar heen, hoewel zij een trede hooger stond dan hij, en zag haar aan met een gezicht, dat zijn korte vraag even welsprekend als aandoenlijk maakte.“O, Jo,kunje niet?”“Mijn beste Teddy, ik wou, dat ik kon!”Dat was alles, behalve een kleine pauze; toen richtte Laurie zich op en zei: “’t Is goed, denk er verder maar niet over,” en ging, zonder nog een enkel woord te spreken. Maar het wasnietgoed, en Jo dacht er wél verder over, want toen, na haar hard antwoord, de krullebol een oogenblik op haar arm rustte, kreeg zij een gevoel, alsof zij haar liefsten vriend doorboord had, en toen hij haar verliet, zonder nog eenmaal naar haar om te zien, wist zij, dat de oude Laurie nooit terug zou komen.

Wat Laurie’s beweegreden ook mocht geweest zijn, het “pompen” van het laatste jaar bleek niet tevergeefs, want hij promoveerde met lof, en sprak zijn Latijnsche oratie uit “met de bevalligheid van een Philippo en de welsprekendheid van een Demosthenes,” zooals zijn vrienden zeiden. Zij waren allen tegenwoordig—zijn grootvader, zoo trotsch en gelukkig! mijnheer en mevrouw March, John en Meta, Jo en Betsy, en allen verheugden zich over hem, met die oprechte bewondering, waarover jongelui op het oogenblik zelf zoo luchtig denken, maar die hun bij latere triomfen in de wereld niet licht te beurt valt.

“Ik moet voor dat vervelende souper hier blijven, maar ik kom morgenavond vroeg thuis. Loopen jullie mij als naar gewoonte tegemoet, meisjes?” vroeg Laurie, toen hij ’s avonds van dien blijden dag de zusters in het rijtuig hielp.

Hij zei “meisjes” maar hij meende Jo,—want zij was de eenige die nog aan de oude gewoonte getrouw bleef; zij had het hart niet om haar knappen, gelauwerden jongen iets te weigeren, en antwoordde hartelijk:

“Ik zal komen, Teddy, weer of geen weer, en voor je uit wandelen om ‘Ziet, hij komt, met eer gekroond’ te spelen op een Davids-harp.”

Laurie dankte haar met een blik, die haar met een plotselingen schrik deed denken: “O, hemel! Ik vrees, dat hij iets zal zeggen, en wat moet ik dan beginnen?”

Een avond-overdenking en een drukke morgen deden haar angst wat bedaren, en na zich onder het oog te hebben gebracht, dat zij niet zoo ijdel moest zijn te verwachten, dat menschen haar liefdesverklaringen zouden gaan doen, als zij hun alle reden gegeven had om te begrijpen, wat haar antwoord zou wezen, ging zij op den bepaalden tijd van huis, in de hoop, dat Teddy haar niet zou noodzaken zijn ongelukkige gevoelens te kwetsen. Een bezoek bij Meta en een verkwikkende omhelzing van Daisy en Demi-John, gaven haar nieuwe kracht voor het tête-à-tête, maar toen zij een rijzige gedaante in de verte zag aankomen, gevoelde zij toch een sterke begeerte om terug te keeren en weg te loopen.

“Waar is de Davids-harp, Jo?” riep Laurie haar toe, zoodra hij dicht genoeg genaderd was om zich te doen verstaan.

“Vergeten!” en Jo schepte nieuwen moed, want die begroeting kon moeilijk verliefd genoemd worden.

Bij zulke bizondere gelegenheden als deze, nam ze vroeger altijd heel zusterlijk zijn arm, maar dezen keer deed zij het niet, en hij maakte er geen aanmerking over—wat een “veeg” teeken was—maar praatte gejaagd voort over allerlei gezochte onderwerpen, tot zij aan het smalle paadje kwamen, dat door het boschje naar huis leidde. Toen begon hij langzamer te loopen, verloor zijn welbespraaktheid, en trad er nu en dan een drukkende pauze in. Om de conversatie van een nieuwe bezwijming te redden, begon Jo haastig:

“Nu mag je wel eens een flinke, lange vacantie nemen.”

“Dat ben ik ook van plan.”

Een zeker iets in zijn beslisten toon deed Jo haastig opzien, en bemerken dat zijn blik op haar rustte met een uitdrukking, die haar duidelijk aantoonde, dat het gevreesde oogenblik genaderd was. Zij hief de handen smeekend op en zei:

“Neen, Teddy,alsjeblieftniet!”

“Ik wil het zeggen, en jemoetmij aanhooren. Het geeft niets, Jo; wij moeten er over spreken, en hoe eerder wij het doen, hoe beter het voor ons beiden is,” antwoordde hij, plotseling aangedaan en opgewonden wordende.

“Zeg dan maar wat je wilt; ik zal luisteren,” zei Jo met wanhopige onderwerping.

Laurie was nog een jeugdig minnaar, maar hij meende het ernstig, en hij was vast besloten het nu “uit te maken,” al moest hij het ook met den dood bekoopen; daarom stortte hij zich met de hem eigene onstuimigheid in zijn onderwerp, en vervolgde met een bevende stem, die hij te vergeefs met alle macht in bedwang trachtte te houden:

“Ik heb je altijd liefgehad, zoolang ik je gekend heb, Jo—ik kon er niets tegen doen, je bent zoo goed voor mij geweest; ik heb getracht het je te toonen, maar je wou het niet toelaten. Maar nu moet je naar mij luisteren, en mij antwoord geven, want ikkanniet langer zoo voortleven!”

“Ik had je dit zoo graag willen besparen; ik dacht, dat je wel zou begrijpen—” begon Jo, die het antwoorden nog moeilijker vond, dan zij gevreesd had.

“Dat weet ik wel; maar meisjes zijn zoo wonderlijk, dat je nooit recht kunt weten, wat zij willen. Zij zeggen ‘neen,’ als zij ‘ja’ meenen, en zijn in staat iemand alleen voor de grap buiten zichzelf te brengen,” antwoordde Laurie, zich achter een onloochenbaar feit verschuilende.

“Ikniet. Ik heb niets gedaan om je zoo van mij te doen houden, en ik ben weggegaan om dit, zoo mogelijk, te voorkomen.”

“Dat dacht ik wel; het was net iets voor jou, maar ’t heeft niets geholpen. Ik kreeg er je des te liever om, en deed al mijn best om’t je naar den zin te maken; ik gaf er het biljarten aan en alles waar jij maar iets tegen hadt, en wachtte, en klaagde nooit, omdat ik hoopte, dat je mij nog wel zou lief krijgen, hoewel ik niet half goed genoeg ben”—hier volgde een snik, die niet bedwongen had kunnen worden; daarom sloeg hij boterbloempjes stuk met zijn wandelstok, tot dat “drommelsche brok” in zijn keel wat gezakt zou wezen.

“Ja, dat ben je wel, je bent veel te goed voor mij, en ik ben je zoo dankbaar, en zoo trotsch op je, en ik houd zooveel van je! ’k Begrijp eigenlijk niet, waarom ik je niet zoo lief kan hebben, als je verlangt. Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan mijn gevoel niet veranderen, en het zou een leugen zijn, als ik zei, dat ik het deed, terwijl het niet zoo is.”

“Wezenlijk, Jo?”

Hij stond stil en nam bij deze vraag haar beide handen in de zijne, met een blik, dien zij niet spoedig zou vergeten.

“Wezenlijk, Teddylief.”

Zij waren nu in het boschje—dicht bij het hek: en toen de laatste woorden met moeite over Jo’s lippen waren gekomen, liet Laurie haar handen los, en keerde zich om, alsof hij verder wilde gaan, maar voor de eerste maal in zijn leven was een teleurstelling hem te machtig; hij verborg zijn gezicht tegen den met mos begroeiden paal en stond zoo stil, dat het Jo angstig om ’t hart werd.

“O Teddy, het spijt mij zoo, het spijt mij zoo vrééselijk; ik zou mij zelf wel willen doodsteken, als dat iets helpen kon. Ik wou, dat je het niet zoo hoog opnam, ik kan het niet helpen; je weet, dat liefde zich niet dwingen laat!” riep Jo, bedroefd en berouwvol, terwijl zij hem zachtjes de hand op den schouder legde en aan dien lang verleden morgen dacht, toen hij haar zoo vertroost had.

“Soms lukt het, als je ’t probeert,” klonk een gesmoorde stem van den paal.

“Ik geloof niet, dat het dan de rechte soort van liefde is, en ik zou het liever niet probeeren,” was het vastbesloten antwoord.

Toen volgde een lange pauze, waarin de distelvink vroolijk zong en het lange gras in den wind ritselde. Daarna begon Jo zeer ernstig, terwijl zij ging zitten op een steen bij het hek.

“Laurie, ik moet je iets zeggen.”

Hij schrikte, alsof hij door een schot getroffen werd, wierp het hoofd achterover en riep op woesten toon:

“Vertel medatniet, Jo; ik zou het niet kunnen verdragen!”

“Wat niet?” vroeg zij verbaasd over zijn heftigheid.

“Dat je dien ouden man liefhebt.”

“Welken ouden man?” vroeg Jo, die dacht, dat hij zijn grootvader op het oog had.

“Dien beroerden professor, waar je altijd over schreef. Als je zegt, dat je hem liefhebt, doe ik iets wanhopigs,” en hij zag eruit, alsof hij zijn woord zou houden, toen hij met van woede glinsterende oogen zijn vuist balde.

Jo was op het punt te lachen, maar bedwong zich en zei met warmte, want zij werd door al die emoties ook opgewonden:

“Vloek niet, Teddy! hij is niet oud, of wat ook; alleen maar goed en vriendelijk, en de beste vriend, dien ik heb—na jou. Word nu als’tjeblieft niet driftig; ik wil niets onaardigs zeggen, maar ik wéét, dat ik boos zal worden, als je iets ten nadeele van mijn professor zegt. Ik heb niets geen plan om op hem of op iemand anders verliefd te raken.”

“Maar dat zul je na een poosje toch, en wat moet er dan van mij worden!”

“Jij zult als een verstandige jongen, ook wel van iemand anders gaan houden, en al deze akeligheid vergeten.”

“Ikkanniemand anders liefhebben, en ik zal jou nooit vergeten, Jo, nooit!” riep hij, op den grond stampend om zijn hartstochtelijke woorden kracht bij te zetten.

“Watmoetik met hem beginnen?” zuchtte Jo, ziende dat gevoelszaken moeilijker te behandelen waren, dan zij gedacht had. “Je hebt nog niet gehoord, wat ik je wou vertellen. Toe, ga nu eens zitten en luister naar me, want ik wil werkelijk doen, wat het beste is en je gelukkig maken,” zei zij, in de hoop hem door een verstandig woordje tot kalmte te brengen,—wat duidelijk bewees, dat zij niet het minste begrip had van liefde.

Laurie, die een straal van hoop in de laatste toespraak meende te ontdekken, wierp zich op het gras aan haar voeten, leunde met zijn hoofd op zijn arm en keek vol verwachting naar haar op. Die schikking was echter, wat Jo betreft, niet bevorderlijk voor een kalm gesprek of de helderheid van haar geest; want hoekonzij harde dingen zeggen tegen haar jongen, als hij haar zoo met oogen vol liefde lag aan te kijken, terwijl zijn wimpers nog vochtig waren van de bittere tranen, die de hardheid haars harten hem ontperst had? Zij keerde zacht zijn hoofd af en zei, terwijl zij het krulhaar streelde, dat om harentwil had mogen groeien—wat de aandoenlijkheid van alles nog verhoogde!—“Ik ben het met Moeder eens, dat jij en ik niet bij elkander passen, omdat ons opvliegend temperament en onze vaste wil ons waarschijnlijk diep ongelukkig zouden maken, als wij zoo dwaas waren van te—” Jo zweeg een oogenblik, eer zij het laatste woord uitsprak, maar Laurie noemde het met de grootste verrukking: “trouwen,—neen dat zouden wij niet! Als jij me lief hadt, Jo, zou ik een volmaakte heilige worden,—want jij kunt van me maken, wat je wilt!”

“Neen, dat kan ik niet. Ik heb het geprobeerd, en het is mislukt, en ik wil ons geluk niet wagen aan zoo’n ernstige proefneming. Wij passen niet bij elkaar, en zullen dat wel nooit doen; laat ons levenslang vrienden blijven, maar geen dwaasheid begaan.”

“Jawel, als wij er maar kans toezien,” prevelde Laurie, tegenspartelend.

“Kom, wees nu niet onredelijk, en beschouw de zaak verstandig,” smeekte Jo, bijna ten einde raad.

“Ik wil onredelijk zijn; ik verlang de zaak niet verstandig te beschouwen; het kan mij niet helpen en het maakt jou maar kouder. Ik geloof niet, dat je een hart hebt.”

“Ik wou dat het waar was.”

Jo’s stem beefde, en Laurie, die dit een goed teeken vond, keerde zich om en wendde al zijn overredingskracht aan, terwijl hij op zijn vleienden toon (nog nooit had die zoo gevaarlijk vleiend geklonken) zei:

“Kom, lieveling, stel ons niet te leur: ze verwachten het allemaal. Grootvader heeft er zijn hart op gezet;—je familie vindt het goed, en ik kan niet zonder je leven. Zeg nu maar, dat je wilt, en laat ons gelukkig zijn! Toe, doe het maar!”

Eerst vele maanden later begreep Jo, hoe zij genoeg geestkracht had gehad om trouw te blijven aan haar besluit, toen zij verklaarde, dat zij haar jongen niet beminde en het ook nooit zou kunnen. Het was een zware taak, maar zij volbracht die, wel wetende, dat uitstel zoowel noodeloos als wreed zou wezen.

“Ik kan niet van harte ja zeggen, daarom zeg ik het ook stellig niet. Je zult na een poosje wel inzien, dat ik gelijk heb, en er mij dankbaar voor zijn,” begon zij plechtig.

“Dat zal lang duren!” en Laurie vloog overeind, gloeiend van verontwaardiging bij de enkele gedachte.

“Ja, dat zul je toch wel!” begon Jo weer; “je zult er je na een poosje mee verzoenen, en een lief knap meisje vinden, dat je zult aanbidden, en die een mooie châtelaine voor je mooi huis zal zijn. Dat zou ik toch niet wezen; ik ben alledaagsch en onhandig, en raar en oud, en je zou je maar over mij schamen, en wij zouden kibbelen. Zelfs nu kunnen wij het al niet laten, zooals je ziet, en ik zou niet van deftig gezelschap houden, en jij wel, en jij zou een hekel hebben aan mijn gekrabbel, en ik zou er niet buiten kunnen, en wij zouden dood ongelukkig zijn en wenschen dat wij het maar niet gedaan hadden, en het zou een verschrikkelijk leven worden!”

“Nog meer?” vroeg Laurie, die het moeilijk vond geduldig te luisteren naar deze profetische uitbarsting.

“Niet meer, behalve dat ik niet geloof, dat ik ooit zal trouwen; ik ben gelukkig zooals ik ben, en heb mijn vrijheid te lief, dan dat ik me zou haasten die op te geven voor eenig sterfelijk man!

“Dat weet ik wel beter!” viel Laurie uit. “Nu denk je zoo, maar er zal een tijd komen, wanneer ie wél van iemand zult houden, en dan zul je hem geweldig liefhebben en voor hem leven en sterven. Ik weet zeker, dat het zoo zijn zal, ’t is net iets voor je, en dan zal ik mogen toekijken!” En de ongelukkige minnaar wierp zijn hoedop den grond met een gebaar, dat comisch zou geweest zijn, als zijn gezicht niet zoo droevig had gestaan.

“Ja, ikzalvoor hem leven en sterven, als hij ooit komt en mij dwingt hem lief te hebben, tegen wil en dank, en jij moet zien er je doorheen te slaan!” riep Jo, die haar geduld verloor met den armen Teddy. “Ik heb gedaan wat ik kon, maar jijwiltniet naar rede luisteren, en het is zelfzuchtig van je, te blijven vragen om iets, dat ik niet geven kan. Ik zal altijd veel van je houden, heel veel, als een vriendin, maar ik kan nooit met je trouwen; en hoe eer je dat gelooft, hoe beter voor ons beiden—dus—”

Die toespraak werkte als vuur bij buskruit. Laurie keek haar een oogenblik aan, alsof hij niet recht wist, wat met zichzelven te doen, keerde zich toen eensklaps om en zei op wanhopigen toon: “Dit zal je eenmaal spijten, Jo!”

“O, waar ga je heen?” riep zij, want de uitdrukking in zijn oogen maakte haar angstig.

“Naar den duivel!” was het troostvol antwoord.

Jo’s hart stond een oogenblik stil, toen hij met een sprong den oever der rivier bereikte, maar er is veel dwaasheid, zonde of ellende noodig om een jongeman tot zelfmoord te brengen, en Laurie behoorde niet tot de zwakke soort, die zich gewonnen geeft na een enkele bittere teleurstelling. Hij dacht niet aan een tragische onderdompeling, maar een blind instinkt dreef hem om hoed en jas in zijn boot te werpen en uit alle macht weg te roeien, waarbij hij mooier tijd maakte dan bij menigen wedstrijd. Jo haalde diep adem, en liet haar armen langs haar lijf vallen, terwijl zij “haar jongen” nastaarde, die zijn verdriet trachtte te beheerschen.

“Dat zal hem goed doen! Maarhij zal in zoo’n teeder berouwvolle stemming thuis komen, dat ik hem niet onder de oogen zal durven komen,” voegde zij er bij, terwijl zij langzaam naar huis ging, met een gevoel, alsof zij een onschuldig wezentje vermoord en onder de bladeren begraven had.

“Nu moet ik het maar aan mijnheer Laurence gaan zeggen, dan kan hij wat vriendelijk tegen mijn armen jongen zijn. Ik wou dat hij van Bets hield; misschien zal hij dat mettertijd wel gaan doen, maar ik geloof, dat ik mij op dat punt in haar vergist heb. Hoe is het toch mogelijk, dat meisjes het prettig vinden aanbidders te hebben, en ze dan af te wijzen? Ik vind het iets verschrikkelijkst.”

Overtuigd dat niemand er beter voor geschikt was dan zijzelve, ging zij regelrecht naar mijnheer Laurence, vertelde manmoedig de heele geschiedenis, en begon toen zoo wanhopig over haar eigen ongevoeligheid te schreien, dat de vriendelijke oude heer er niets tegen in wist te brengen, hoewel hij bitter teleurgesteld was. Hij kon maar niet begrijpen hoe een meisje laten kon Laurie lief te hebben, en hoopte, dat zij nog van gedachten veranderen zou, maar hij wist, zelfs nog beter dan Jo, dat liefde niet gedwongen kan worden; daarom schudde hij stilbedroefd het hoofd en beslootzijn kleinzoon buiten gevaar te brengen, want de afscheidswoorden van den jongen driftkop tegen Jo beangstigden hem meer, dan hij wilde bekennen.

Toen Laurie doodmoe, maar heel bedaard thuis kwam, ontving zijn grootvader hem, alsof hij van niets wist, en hield gedurende een paar uren den schijn met goed gevolg op. Maar toen zij samen in de schemering zaten, dat uurtje, waarvan zij anders zoo genoten, viel het den ouden man zwaar als naar gewoonte door te praten, en den jongen man nóg zwaarder, te luisteren naar de loftuitingen over den goeden uitslag van het laatste studiejaar, dat hem nu een mislukt liefdewerk toescheen. Hij verdroeg het, zoolang hij kon, ging toen naar de piano en begon te spelen. De ramen stonden open, en Jo, die met Betsy in den tuin wandelde, begreep dezen keer de muziek beter dan haar zuster, want hij speelde de Sonate Pathétique, en speelde haar, zooals hij nog nooit gedaan had.

“Dat is heel mooi, maar droevig genoeg om iemand aan het schreien te maken; speel eens iets vroolijkers, jongenlief,” verzocht mijnheer Laurence, wiens vriendelijk oud hart vol was van een medegevoel, dat hij zoo gaarne wilde toonen, maar niet wist hoe.

Laurie begon iets opgewekters, speelde een poosje woest door, en zou het er goed afgebracht hebben, indien hij niet in een kleine pauze mevrouw March had hooren roepen: “Jo, kom even binnen, ik heb je noodig.”

Juist wat Laurie zoo sterk voelde, in een anderen zin. Toen hij de woorden hoorde, raakte hij in de war, het spel eindigde met een gebroken akkoord, en de jonge musicus bleef roerloos in de duisternis zitten.

“Dát is me te machtig!” mompelde de oude heer; hij stond op, zocht zijn weg naar de piano, legde zijn handen op Laurie’s schouders, en zei, zoo zacht als een vrouw: “Ik weet alles mijn jongen, ik weet alles.” Geen antwoord gedurende een oogenblik; toen vroeg Laurie scherp: “Wie heeft het u verteld?”

“Jo zelf.”

“Dan is alles uit!” en hij schudde de hand van zijn grootvader met een ongeduldige beweging af; want hoewel hij dankbaar was voor de sympathie, kon toch zijn mannelijke trots het medelijden van een man niet verdragen.

“Niet geheel, ik wou je nog iets zeggen, en dan zal alles uit zijn,” antwoordde de oude heer met ongewone zachtheid. “Je hebt nu zeker geen lust om hier te blijven?”

“Ik ben niet van plan voor een meisje weg te loopen. Jo kan mij niet verhinderen haar te zien, en ik zal blijven en dat doen, zoolang ik verkies,” antwoordde Laurie op hoogen toon.

“Dat zul je niet, als je een gentlemen bent, waar ik je voor houd. Ik ben ook diep teleurgesteld, maar het meisje kan het niet helpen; en het eenige, wat jou te doen staat, is, voor een poos weg te gaan. Waar wil je heen?”

“Dat is mij ’t zelfde, ik geef er niets om, wat er van mij wordt,” en Laurie stond op met een onverschilligen lach, die zijn grootvader akelig in de ooren klonk.

“Draag het als een man, en doe in ’s hemels naam geen overijlde dingen! Ga buitenslands, en tracht het te vergeten.”

“Dat kán ik niet!”

“En je verlangde er zoo naar, en ik had je beloofd, dat je gaan zou, als je promotie achter den rug was.”

“O ja! maar ik was niet van planalleente gaan!” Laurie liep met groote stappen de kamer op en neer, met een uitdrukking op zijn gezicht, die zijn grootvader gelukkig niet zag.

“Ik verg niet van je, dat je alleen gaat; er is wel iemand die met alle plezier, waarheen dan ook, wil meegaan.”

“Wie, Grootvader?” vroeg hij stilstaande.

“Ik zelf.”

Laurie keerde zich af, maar draaide even gauw weer om, en zei met een heesche stem, terwijl hij zijn hand uitstak: “Ik ben een ellendige egoïst, maar—u weet—Grootvader,—”

“Ja, mijn jongen, ja, ik weet er alles van, want ik heb dat alles vroeger zelf doorgemaakt in mijne jonge jaren, en later met je vader. Kom, kerel, ga eens rustig hier zitten, en luister naar mijn plan. Het is alles in orde en kan dadelijk uitgevoerd worden,” zei de oude heer, zijn kleinzoon vasthoudende, alsof hij bang was, dat deze zich van hem zou losrukken, zooals zijn vader vóor hem gedaan had.

“Nu, Grootvader, wat wilt u dan?” en Laurie liet zich neervallen, zonder eenig blijk van belangstelling in gelaat of stem.

“Er zijn in Londen zaken te vereffenen; ik had gedacht, dat jij dat wel kon doen, maar het is nog beter, dat ik er zelf heen ga, en de boel hier zal heel goed marcheeren nu Brooke er voor kan zorgen. Mijn compagnons doen bijna alles, ik blijf er alleen nog maar in, tot jij in mijn plaats kunt komen, en ik kan er dus ieder oogenblik uittrekken.”

“Maar u hebt het land aan reizen, Grootvader; ik kan dat op uw leeftijd niet van u vergen,” begon Laurie, die dankbaar was voor het offer, maar veel liever alleen ging, als hij dan toch moest gaan.

De oude heer wist dat zeer goed, doch was vast besloten het te voorkomen, want de stemming waarin zijn kleinzoon verkeerde, bewees hem, dat het niet verstandig zou zijn den jongen aan zijn lot over te laten. Hij onderdrukte dus een opkomenden zucht bij de gedachte aan de huiselijke gemakken, die hij achter moest laten, en zei manmoedig:

“Loop heen, ik ben nog geen oude sukkel! Ik vind het een alleraardigst plan; het zal mij goed doen, en mijn oude ribbekast zal er niets door lijden, want het reizen is tegenwoordig bijna even gemakkelijk, alsof je thuis in je stoel zit.”

Een ongeduldige beweging van Laurie gaf te kennen, datzijnstoel niet gemakkelijk was, en dat hij het voorstel niets aanlokkelijk vond, waarom de oude man er haastig bijvoegde:

“Ik ben niet van plan een spelbreker of een lastpost te zijn; ik ga, omdat ik meen, dat je je gelukkiger zult voelen, dan wanneer je mij alleen achter laat. Ik zal ook niet overal met je rond zwerven, maar laat je vrij om te gaan, waarheen je wilt, terwijl ik me op mijn eigen manier amuseer. Ik heb vrienden in Londen en Parijs, en zou ze graag eens rustig bezoeken; in dien tusschentijd kun jij naar Indië, Duitschland of Zwitserland trekken, waarheen je maar wilt, en naar hartelust genieten van schilderijen, muziek, mooie vergezichten en avonturen.”

Nu had Laurie op dit oogenblik, heel begrijpelijk, een gevoel, alsof zijn hart gebroken en de heele wereld een troosteloos-eenzame woestijn was; maar enkele woorden, die de oude man behendig in zijn laatsten zin wist in te lasschen, deden het gebroken hart onverwachts opspringen, en plotseling een paar oasen in die woestijn opdoemen. Hij zuchtte en antwoordde toen op lusteloozen toon:

“Zooals u wilt, Grootvader; het komt er niet op aan, waar ik heen ga, of wat ik doe.”

“Voor mij wel, onthoud dat mijn jongen; ik geef je volkomen vrijheid, maar ik reken er op, dat je die vrijheid goed zult gebruiken. Beloof mij dat, Laurie.”

“Alles wat u maar verlangt, Grootvader.”

“Goed!” dacht de oude heer, “hij geeft er nu niet om, maar de tijd zal eenmaal komen, dat die belofte hem voor veel kwaad kan bewaren, tenzij ik mij deerlijk vergis.”

Daar mijnheer Laurence een energieke natuur bezat, smeedde hij het ijzer, terwijl het heet was; en eer de geknakte geest zich in zooverre hersteld had, dat hij zich tegen iets kon verzetten, waren zij vertrokken.

Gedurende de dagen, die nog verloopen moesten om de noodige toebereidselen te maken, gedroeg Laurie zich zooals jonge lieden in een dergelijk geval gewoonlijk doen. Hij was afwisselend somber, prikkelbaar en peinzend; verloor zijn eetlust, verwaarloosde zijn kleeding, en bracht een groot gedeelte van zijn tijd door met hartstochtelijk piano te spelen. Hij ontliep Jo, maar stelde zich schadeloos door haar van uit zijn venster te begluren, met zoo’n tragische uitdrukking op zijn gezicht, dat het haar ’s nachts in haar droomen vervolgde en overdag een drukkend gevoel van schuld gaf. Anders dan sommige lijders sprak hij nooit over zijn onbeantwoorden hartstocht, en kon hij niet dulden, dat iemand, zelfs niet mevrouw March, hem een woordje van troost zocht toe te voegen of medegevoel toonde. Dit was in sommige opzichten een verlichting voor zijn vrienden, maar de weken voor zijn vertrek waren buitengewoon pijnlijk, en allen verblijdden zich, dat de “beste jongen”wegging om zijn verdriet te vergeten, en weer gelukkig thuis te komen. Hij glimlachte natuurlijk bitter over hun waan, maar liet dien voor wat hij was, met de droevige ongeloovigheid van een, die wist, dat zijn trouw even onveranderlijk was als zijn liefde.

Toen het uur van scheiden aanbrak, wendde hij groote opgewektheid voor om sommige lastige gemoedsbewegingen te verbergen, die geneigd schenen zich te doen gelden. Zijn opgeschroefde vroolijkheid leidde niemand om den tuin, maar zij deden, alsof zij zich lieten verschalken, en hij bracht het er vrij goed af, totdat mevrouw March hem een kus gaf, en hem heel moederlijk iets toefluisterde. Toen voelde hij, dat het uit was met alle zelfbeheersching, en na een haastig afscheid van de anderen, de bedroefde Hanna niet te vergeten, rende hij de trappen af, alsof het zijn leven gold. Jo volgde hem een oogenblik later, om hem nog eens toe te wuiven, als hij soms om mocht kijken. Hij kéék om, kwam terug, sloeg de armen om haar heen, hoewel zij een trede hooger stond dan hij, en zag haar aan met een gezicht, dat zijn korte vraag even welsprekend als aandoenlijk maakte.

“O, Jo,kunje niet?”

“Mijn beste Teddy, ik wou, dat ik kon!”

Dat was alles, behalve een kleine pauze; toen richtte Laurie zich op en zei: “’t Is goed, denk er verder maar niet over,” en ging, zonder nog een enkel woord te spreken. Maar het wasnietgoed, en Jo dacht er wél verder over, want toen, na haar hard antwoord, de krullebol een oogenblik op haar arm rustte, kreeg zij een gevoel, alsof zij haar liefsten vriend doorboord had, en toen hij haar verliet, zonder nog eenmaal naar haar om te zien, wist zij, dat de oude Laurie nooit terug zou komen.


Back to IndexNext