HOOFDSTUK XXIV.

HOOFDSTUK XXIV.DE OOGST.Een jaar ging voorbij, gedurende welken tijd Jo en haar professor werkten en wachtten, hoopten en elkander liefhadden, elkaar een enkele maal zagen, en zulke lange brieven schreven, dat, volgens Laurie, de stijging in den prijs van het papier daaruit verklaard kon worden. Het tweede jaar begon vrij somber, want hun vooruitzichten werden niet schitterender, en tante March stierf plotseling. Toen de eerste droefheid echter voorbij was—want zij hadden de oude tante toch liefgehad, niettegenstaande haar scherpe tong—ontdekten zij, dat zij reden tot blijdschap hadden; zij had n.l. Plumfield aan Jo vermaakt, en hierdoor werden verschillende heerlijke dingen mogelijk.“’t Is een mooie plaats, die een goede som zal opbrengen, want je bent toch zeker van plan alles te verkoopen?” vroeg Laurie, toen zij eenige dagen later de zaak bespraken.“Neen, zeker niet,” antwoordde Jo beslist, terwijl ze zachtjes den ouden poedel streelde, dien ze had aangenomen, uit piëteit voor zijn overleden meesteres.“Je bent toch niet van plan daar te gaan wonen?”“Zeker ben ik dat van plan.”“Maar, beste meid, ’t is een onmetelijk groot huis, en je zult een schat van geld moeten hebben, om het in orde te houden. Alleen voor den tuin en den boomgaard heb je twee of drie mannen noodig, en ik voor mij zie in Bhaer geen oeconoom.”“Als ik het hem voorsla, zal hij zich wel op dat vak willen toeleggen.”“En denk je te zullen kunnen leven van de opbrengst van de plaats? Op mijn woord, het klinkt paradijsachtig, maar je zult het ontzettend zwaar werk vinden.”“De oogst, dien wij zullen binnenhalen, zal heel voordeelig blijken te zijn,” lachte Jo.“En waaruit zal die heerlijke oogst bestaan, mevrouw?”“Uit jongens! Ik wil een school openen voor kleine jongens—een goede, prettige, huiselijke school—ik zal ze verzorgen, en Fritz moet ze leeren.”“Nou, dát is een echt plan à la Jo! Is dat niet net iets voor haar?” riep Laurie uit, en keerde zich tot de familie, die even verbaasd keek als hij.“Ik vind het een aardig plan,” zei mevrouw March terstond.“Ik ook,” voegde haar man er bij, die dit een kostelijke gelegenheid achtte, om de socratische opvoedkunde op hedendaagsche jongens in toepassing te brengen.“Het zal een ontzettend groote zorg voor Jo zijn,” vreesde Meta, en streelde het hoofdje van haar eenigen, zooveel tijd in beslag nemenden, kleinen jongen.“Jo kan het doen, en zal er gelukkig door wezen. ’t Is een prachtig plan, vertel er ons eens alles van,” verzocht de oude heer Laurence, die reeds lang verlangd had het paar te helpen, maar wel wist, dat zij toch alle hulp zouden weigeren.“Ik wist wel, dat u mij zoudt bijvallen, mijnheer. Amy vindt het ook goed, ik lees het in haar oogen, ofschoon zij heel voorzichtig wacht met haar oordeel uit te spreken, tot zij er eens goed over heeft nagedacht.”“Nu, lieve menschen, begrijpt maar eerst, dat dit geennieuwplan van mij is, maar een, dat ik al lang gekoesterd heb. Voordat ik Fritz ontmoet had, stelde ik mij al dikwijls voor, hoe ik, wanneer ik mijn fortuin gemaakt zou hebben, en niemand mij thuis meer noodig had, een groot huis zou huren, en een paar arme moederlooze jongetjes zou opnemen, om hen het leven plezierig te maken, voordat het te laat was. Ik zie er zooveel, die verongelukken, omdat zij niet op het goede oogenblik geholpen worden; ik zou zoo dolgraag iets voor dergelijke jongens doen; ik weet, wat ze noodig hebben, en ik voel hun moeilijkheden; en o! ik wou zoo graag een moeder voor hen zijn!”Mevrouw March stak Jo haar hand toe, die deze met tranen in de oogen drukte, terwijl ze met haar vroegere opgewondenheid, die haar vrienden in zoo’n langen tijd niet van haar gezien hadden, voortging:“Ik sprak Fritz eens over mijn plan, en hij zei dat zooiets ook zijn wensch was, en stemde er in toe het te probeeren, wanneer wij eens rijk zouden zijn. Maar, die goeierd heeft het al zijn leven lang gedaan,—arme jongens helpen, bedoel ik, (niet rijk worden, dát zal hij wel nooit) het geld blijft niet lang genoeg in zijn zak om veel over te kunnen leggen. Maar nu, dank zij mijne goede, oude tante, die meer van mij hield, dan ik ooit verdiende, nu ben ik rijk—ten minste, ikvoelmij rijk, en wij kunnen best op Plumfield leven, als onze school een beetje wil opnemen. ’t Is juist een geschikte plaats voor jongens—het huis is ruim, en de meubels zijn sterken eenvoudig. Binnenshuis is overvloed van plaats voor een paar dozijn, en buitenshuis loopen zij elkander ook niet in den weg. Zij zouden in den tuin en den boomgaard kunnen helpen, uitstekend, gezond werk—Fritz zou hen op zijn eigen manier kunnen opvoeden en leeren, en Vader wil hem stellig wel helpen. Ik zal ze eten geven, en oppassen en vertroetelen en beknorren, en daarin zal Moeder mijn steun zijn. Ik heb altijd verlangd naar een massa jongens om me heen, maar heb nooit mijn zin gehad; nu kan ik het huis vol maken, en me aan de kleine bengels wijden, zooveel ik maar wil. Denk eens wat een genot! Plumfield mijn eigendom, en een bende jongens om er met mij van te genieten!”Toen Jo opgewonden gesticuleerde en een zucht van geluk slaakte, barstte de heele familie in een luid gelach uit, en mijnheer Laurence lachte zóó, dat zij voor een aanval van beroerte begonnen te vreezen.“Maar ik zie er niets belachelijks in,” hernam Jo ernstig, zoodra zij zich verstaanbaar kon maken. “Niets is immers natuurlijker of geschikter voor mijn professor dan een school te openen, en voor mij, dan graag op mijn eigen plaats te willen wonen.”“Kijk, zij neemt al airs aan,” riep Laurie, die de zaak als een prachtige grap beschouwde. “Maar mag ik ook vragen, waarvan je van plan bent de inrichting te doen bestaan? Als al de leerlingen landloopertjes zijn, ben ik bang, dat je oogst niet heel voordeelig zal blijken, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, mevrouw Bhaer.”“Kom, ontneem mij nu niet mijne illusies, Teddy. Natuurlijk zullen er ook rijke jongens onder zijn; misschien begin ik wel met enkel betalende; als ik dan eenmaal goed op streek ben, kan ik voor mijn speciaal genoegen een paar arme tobbers aannemen. Kinderen van welgestelde menschen hebben dikwijls ook troost en zorg noodig, even goed als van arme. Ik heb meer dan eens gezien, hoe ongelukkige stumpertjes aan dienstboden overgelaten, en achterlijke kindertjes met geweld opgestoomd werden,—werkelijk wreed. Sommige jongens zijn lastig, door een verkeerde behandeling of door verwaarloozing, en anderen verliezen hun moeders al vroeg. Buitendien moeten toch ook de beste de vlegeljaren doormaken, en dat is de tijd, waarin zij het meest behoefte hebben aan geduld en vriendelijkheid. Iedereen lacht ze uit, of schudt ze door elkander, of tracht ze op den achtergrond te houden, en verwacht blijkbaar, dat mooie kindertjes eensklaps in flinke jongens zullen veranderen. Zij klagen niet veel—arme stumperds, maar zij voelen het daarom wel. Ik heb er iets van mee doorgemaakt, en weet er dus al wat van. Ik stel bijzonder veel belang in zulke jonge beertjes, en toon ze zoo graag, hoe ik hun warme, eerlijke, oprechte jongensharten op prijs stel, ondanks hun onhandige armen en beenen en hun slordige hoofden. Ik bezit heusch al wat ondervinding op dat gebied, want is er niet een jongen, dien ik heb opgevoed, en die nu de trots en de roem van zijn familie uitmaakt?”“Ik zal altijd getuigen, dat je er je best toe gedaan hebt,” zei Laurie, haar dankbaar aanziende.“En ik ben boven verwachting geslaagd; want je bent nu een flink man van zaken, je doet ontzettend veel goed met je geld, en kapitaliseert de zegeningen der armen. Maar je leeft niet alleen voor je zaken, je houdt ook veel van al wat goed en mooi is, geniet er zelf van, en laat anderen mee genieten, zooals je vroeger in den ouden tijd ook deed. Hoor, Teddy, ik ben trotsch op je, want ieder jaar word je beter, en iedereen voelt het, al wil je niet dat iemand het uitspreekt. Ja, als ik later mijn kudde om mij heen heb, zal ik op jou wijzen en zeggen: ‘Ziedaar jullie model, jongens!’”De arme Laurie wist niet, waar zich te bergen, want zoo oud als hij was, kwam nu toch iets van de vroegere verlegenheid over hem, toen na deze uitbundige lofspraak alle gezichten zich goedkeurend tot hem keerden.“Hoor eens Jo, dat is te veel,” begon hij op zijn oude jongensmanier. “Jullie hebben allemaal meer voor mij gedaan, dan ik ooit kan vergelden, behalve door mijn best te doen, om je niet teleur te stellen. Je hebt mij in den laatsten tijd wel wat laten loopen, Jo, maar ik heb gelukkig toch een goede hulp gehad; dus, als ik vooruit ben gegaan, mag je er deze twee voor danken,”—en hij legde de eene hand op die van zijn grootvader en de andere in die van Amy, want die drie zaten altijd dicht bij elkaar.“Ik vind toch maar, dat familiekringen de mooiste dingen in de wereld zijn!” riep Jo uit, die dien avond in een bizonder blijde stemming was, “wanneer ik mijn eigen huishouden heb, hoop ik, dat ik zoo gelukkig zal zijn als de drie gezinnen, die ik ken, en het meest liefheb. Als John en Fritz nu nog maar hier waren, zou het hier heusch een hemel op aarde zijn,” voegde zij er rustiger bij. En toen zij dien avond naar haar kamer ging, na een intiemen familieraad, waarin aller hoop en plannen besproken waren, was haar hart zoo vol van geluk, dat zij het slechts tot kalmte kon brengen, door bij het ledige bedje, dat op zijn oude plaats was blijven staan, neer te knielen en met teedere liefde aan Betsy te denken.Over ’t geheel genomen was het een heel buitengewoon jaar, waarin alle dingen op een buitengewoon vlugge en plezierige manier schenen te gebeuren. Bijna voordat zij het goed besefte, was Jo getrouwd en woonde zij op Plumfield, waar weldra een troepje van zes of zeven jongens als paddestoelen rondom haar verrees, en er verwonderlijk goed gedijde. Arme jongens zoowel als rijke; want mijnheer Laurence vond telkens een hartbrekend geval van de grootste verlatenheid, en smeekte de Bhaers zich over het kind te ontfermen,—hij zou dan gaarne een kleinigheid voor zijn onderhoud betalen. Op die wijze verschalkte de slimme oude heer onze hooghartige Jo, en bezorgde haar die soort van jongens, die haar het meest aantrokken.In het begin was het natuurlijk zwaar werk, en Jo maakte allerlei dwaze vergissingen; maar de verstandige professor stuurde haar veilig in kalmer vaarwater, en de meest uitgelaten deugniet werd ten laatste getemd. Hoe genoot Jo van haar “bende,” en hoe zou die goede tante March gekermd hebben, als zij had kunnen zien, hoe de heilige grenspalen van het stijve, welgeordende Plumfield overschreden werden door wilde Toms, Dicks en Harrys. Maar in dit alles was een soort van poëtische vergelding te zien, want de oude dame was de schrik van al de jongens uit den omtrek geweest; en nu smulden de kleine bannelingen naar hartelust van de verboden pruimen, schopten met hun ongewijde schoenen in het kiezel, zonder dat iemand hen beknorde, en speelden voetbal in de groote wei, waar de strijdlustige koe met de kromme horens gewoonlijk de brutale jeugd tot een kampstrijd placht uit te noodigen. De school werd als het ware een paradijs voor jongens, en Laurie wilde haar “Der Bhaergarten” doopen, als een compliment aan den eigenaar, en als zeer toepasselijk op de bewoners.Het werd nooit een modelschool, en de professor verdiende er geen schatten mee; maar het was juist, wat Jo gehoopt had—een gelukkig tehuis voor jongens, die onderwijs, zorg en liefde noodig hadden. Elke kamer in de groote villa had spoedig haar bestemming, elk plekje in den tuin weldra zijn eigenaar gevonden. Een complete menagerie verscheen in de schuur en het tuinhuis—want allerlei dieren werden toegelaten,—en driemaal per dag knikte Jo haar Fritz toe van het hoofd der lange tafel, aan beide zijden met gelukkige jonge gezichten versierd, die zich alle tot haar keerden met vriendelijk lachende oogen, vertrouwelijke woorden en dankbare harten, overvloeiende van liefde voor “Moeder Bhaer.” Zij had nu zeker jongens genoeg om zich heen, maar kreeg er volstrekt nog niet genoeg van, ofschoon zij lang geen engelen waren, en sommigen hunner aan Professor en Professorin beiden, veel zorg en moeite veroorzaakten. Doch haar geloof aan het zachte plekje, dat in elk hart bestaat, zelfs in dat van den weerbarstigste en ondeugendste, gaf haar geduld en handigheid, en, na verloop van tijd, succes,—want geen enkele jongen kon zich lang verharden, wanneer Vader Bhaer hem met zijn goedige oogen door en door keek, en Moeder Bhaer hem zeventig maal zeven maal vergaf. De kostelijkste belooning was voor Jo de vriendschap der jongens, hun berouwvolle tranen en beloften van beterschap na kleine overtredingen, hun grappige of aandoenlijke geheimen, hun luchtkasteelen, vurige hoop, en plannen voor de toekomst; zelfs hun ongelukken,—want zij had hen daarom slechts te hartelijker lief. Er waren achterlijke jongens, en verlegen jongens, zwakke en baldadige jongens, jongens die lispelden, en jongensdie stotterden, een paar kreupelen, en een vroolijke kleine mulat, die nergens een onderkomen kon vinden, maar in den “Bhaergarten” liefdevol werd opgenomen, ondanks de bewering van sommige menschen, dat zijntoelating den ondergang der school ten gevolge zou hebben.Jo was een echt gelukkige vrouw, hoewel zij hard moest werken, veel angst uitstond en onder een aanhoudend rumoer leefde. Zij genoot er met hart en ziel van, en geen lof voldeed haar meer dan de toejuiching van haar jongens,—want nu vertelde zij haar verhalen alleen nog aan haar geestdriftvolle bewonderaars en vereerders. Na verloop van tijd kwamen twee kleineeigenjongetjes haar geluk nog verhoogen; Rob, naamgenoot van Grootpapa, en Teddy, een gelukskindje, dat zijn vaders zonnig humeur, zoowel als zijn moeders geest scheen geërfd te hebben. Hoe zij in het leven bleven en opgroeiden, in dien maalstroom van jongens, was een mysterie voor hun grootmoeder en tantes; maar zij bloeiden als paardebloemen in de lente, en hun onbeholpen kindermeisjes waren dol op hen en verzorgden ze goed.Er waren heel veel vacantiedagen op Plumfield, en een van de allerplezierigste was die, ter eere van den jaarlijkschen appeloogst; want dan kwamen de families March, Laurence, Brooke en Bhaer, om met vereende krachten dien dag te vieren. Vijf jaar na Jo’s huwelijk vond er zoo’n oogstfeest plaats. ’t Was een van die zachte koele Octoberdagen, waarop de lucht zoo opwekkend frisch is, dat alle levensgeesten wakker worden en het bloed vlugger door de aderen stroomt. De oude boomgaard scheen wel in feestdos gehuld; goudsbloemen en asters omzoomden de met mos begroeide muren; sprinkhanen wipten door het dorre gras, en krekeltjes piepten als muzikantjes bij een elfenmaaltijd. De eekhoorns waren druk bezig met het binnenhalen van hun wintervoorraad, de vogels tjilpten hun afscheidslied in de hooge elzen, en alle boomen zaten zoo vol, dat zij stellig bij de eerste schudding een regen van roode en gele appels op de hoofden der jongens zouden doen neerdalen. Allen waren op het appèl, iedereen lachte en zong, of klom in een boom en tuimelde naar beneden; allen verklaarden, dat zij nog nooit zoo’n verrukkelijken dag gehad hadden; ten minste niet in zulk vroolijk gezelschap,—en iedereen gaf zich geheel over aan het genot van het oogenblik, alsof zooiets, als zorg en droefheid, in de wereld niet bestond.De oude heer March wandelde kalm rond met den ouden heer Laurence, nu en dan genietende van“De geur’ge, zachte appelwijn.”De professor trok als een dapper ridder door de lanen, met een stok tot lans, aan het hoofd zijner jongens, die allerlei kunsten vertoonden, en wonderen verrichtten in het buitelen en springen. Laurie wijdde zich aan de kleintjes, trok zijn dochtertje voort in een schepelsmand, klom met Daisy in een boom, om naar een vogelnestje te kijken, en zorgde, dat de avontuurlijke Rob zijn hals niet brak. Mevrouw March en Meta zaten tusschen de hoopen appels,als een paar Pomona’s en sorteerden de soorten, die nog steeds aangroeiden. Amy was bezig de verschillende groepjes te schetsen, en waakte met teedere zorg over een bleek ventje, dat haar, met zijn kruk naast zich, in bewonderende aanbidding aanstaarde.Jo was dien dag in haar element; ze vloog heen en weer, haar japon opgespeld, haar hoed overal, behalve op haar hoofd, en haar jongste kind onder den arm, gereed om de behulpzame hand te bieden, zoodra er het een of ander mocht gebeuren. Kleine Teddy’s leven scheen als door tooverkracht beveiligd te zijn, want hij kreeg nooit een ongeluk, en Jo maakte zich nooit ongerust, wanneer hij door een der jongens op een boomtak gezet werd, weggaloppeerde op den rug van een ander, of een zure renet te eten kreeg van zijn toegevenden papa, die in den waan verkeerde, dat kleine kinderen alles kunnen verteeren, van zuurkool af tot knoopen, spijkers en hun eigen schoentjes toe. Zij wist dat kleine Teddy wel op zijn tijd weer boven water zou komen, gezond en blozend, vuil en vroolijk, en zij ontving hem altijd met een hartelijk welkom, want Jo had haar kinderen innig lief.Om vier uur werd er een oogenblik pauze gehouden, de manden bleven half gevuld, de appeldragers namen rust, en vergeleken elkaars scheuren en schrammen. Daarna zetten Jo en Meta, geholpen door een paar van de grootste jongens, het theegoed klaar op het gras,—want de theepartij buiten was altijd de grootste pret op den dag. Het land vloeide bij zulke gelegenheden letterlijk over van melk en honing, en de jongens behoefden niet om de tafel te zitten, maar mochten af en aan loopen, en eten en drinken als zij er lust in hadden, daar vrijheid toch de meest geliefde spijs is voor een jongensziel. In den ruimsten zin van het woord maakten ze gebruik van het zeldzame voorrecht, want enkelen probeerden de grap om, op hun hoofd staande, melk te drinken, anderen zetten het haasje-over dubbele bekoorlijkheid bij, door in de pauze tulband te eten; koekjes werden mild over het gras gestrooid en appelbollen mee in de boomen genomen, alsof de jongens eekhoorns waren. De kleine meisjes hielden een afzonderlijk theepartijtje, en Ted grabbelde naar welgevallen onder de eetbare waren.Toen niemand meer iets in zijn maag kon bergen, stelde de professor den eersten algemeenen toast in, die altijd bij zulke gelegenheden gedronken werd: “Tante March; God zegene haar!” Een toast, van harte gemeend door den goeden man, die nooit vergat, hoeveel hij aan haar verschuldigd was, en rustig gedronken door de jongens, die geleerd hadden haar nagedachtenis te eerbiedigen.“Nu op Grootma’s zestigsten verjaardag! Lang leve zij, en driemaal drie hoera’s!”Dat ging meer van harte, zooals men denken kan; en toen de hoera’s eenmaal begonnen waren, bleek het moeilijk er een einde aan te maken. Ieders gezondheid werd daarop gedronken, van den ouden heer Laurence af, die als hun bizonderen beschermheer werdbeschouwd, tot aan het verbaasde marmotje toe, dat uit zijn eigen gebied was komen aanwippen, om zijn jongen meester te zoeken. Demi bood toen, als oudste kleinkind, de koningin van den dag verscheiden geschenken aan, zoo talrijk, dat zij op een kruiwagen naar het feestterrein moesten gebracht worden. Sommige van die presenten waren allergrappigst, maar wat voor andere oogen van nul en geener waarde zou schijnen, bleek kostbaar in die van Grootma,—want de cadeautjes der kinderen waren hun eigen werk. De steken, waarmee Daisy’s geduldige vingertjes den zakdoek gezoomd hadden, waren haar meer waard dan het mooiste borduursel; Demi’s naaikistje was een wonder van handenarbeid, hoewel het deksel niet sluiten wou; Rob’s voetenbankje wiegelde wel een beetje, omdat de pooten ongelijk waren, maar de jarige vond, dat zoo’n kleinigheid er niets op aan kwam, en geen bladzijde van het kostbare boek, dat Amy’s kind haar aanbood was zoo schoon in haar oogen, als de eerste, waarop in dronken hoofdletters te lezen stond: “Aan de lieve Grootma van haar kleine Bets.”Onder deze plechtigheid waren de jongens op een geheimzinnige wijze verdwenen; en toen mevrouw March haar kinderen had willen bedanken, maar ontroerd middenin was blijven steken, waarom Teddy haar oogen afdroogde met zijn morsboezelaar, hief de professor eensklaps een lied aan. En toen sloot, boven zijn hoofd, de eene stem voor en de andere na, zich bij hem aan, en van boom tot boom weergalmde de muziek van het onzichtbaar koor; want de jongens zongen uit volle borst het lied, dat door Jo gemaakt en door Laurie op muziek gezet was, en dat zij, met behulp van den professor, ingestudeerd hadden, om het met het grootst mogelijk effect te kunnen voordragen. Dat was iets geheel nieuws, en slaagde bizonder, want mevrouw March kon maar niet van haar verbazing bekomen, en wilde met ieder der vederlooze vogels handen schudden, van den langen Emil en Franz af, tot den kleinen mulat toe, die de welluidendste stem van allen had.Toen dat afgeloopen was, verspreidden de jongens zich om nog wat pret te maken, mevrouw March en haar dochters achterlatende om kalm te genieten onder den feestboom.“Ik vind dat ik mezelf nooit weer ‘ongelukkige Jo,’ mag noemen, nu mijn grootste wensch zoo heerlijk vervuld is,” zei mevrouw Bhaer, en trok Teddy’s vuistje uit de melkkan, waarin hij naar hartelust scheen te karnen.“En toch is je leven zoo heel anders, dan je je jaren geleden voorstelde. Herinner je je onze luchtkasteelen nog?” vroeg Amy, met een glimlach naar Laurie en John kijkende, die met de jongens cricket speelden.“Beste jongens! Het doet mijn hart goed te zien, hoe zij voor een dag hun drukke bezigheden eens aan den kant zetten en onbezorgd pret hebben,” antwoordde Jo, die nu op moederlijken toon van het gansche menschdom sprak. “Ja, ik herinner het mij;maar het leven, dat ik toen voor mezelf begeerde, schijnt mij nu zelfzuchtig, eenzaam en koud toe. Ik heb de hoop nog niet opgegeven om eenmaal een goed boek te schrijven, maar ik kan wachten, en ik ben zeker, dat het nog beter zal worden door ondervindingen en illustraties als deze;” en Jo wees van de woelige jongens naar haar vader, die geleund op den arm van den professor, in den zonneschijn heen en weer wandelde, geheel verdiept in een van die gesprekken, waarvan beiden zoo genoten, en daarna op haar moeder, als een koningin te midden van haar dochters gezeten, met de kinderen aan haar voeten of op haar schoot, alsof allen hulp en geluk vonden in het gelaat, dat voor die liefhebbende oogen nooit oud kon worden.“Mijn kasteel is nog het meest werkelijkheid geworden. Ik vroeg wel om prachtige dingen, maar ik wist in mijn hart toch wel, dat ik tevreden zou zijn met een aardig klein huisje, en John, en een paar lieve kinderen. Ik heb dat alles gekregen, God zij gedankt, en ik ben de gelukkigste vrouw ter wereld,” zuchtte Meta, terwijl ze haar hand op het hoofd van haar flinken zoon legde, met een gezicht, waarop volmaakt geluk en teedere liefde te lezen stonden.“Mijn kasteel is heel anders geworden dan ik gedacht had, maar ik zou het voor niets willen ruilen, hoewel ik, evenmin als Jo, al mijn kunstenaarshoop opgeef, of er mij alleen toe bepaal anderen te helpen hun droomen te verwezenlijken. Ik ben begonnen aan een beeldje van kleine Bets, en Laurie zegt, dat het ’t beste is, wat ik nog ooit gemaakt heb. Ik vind dat zelf ook, en ben van plan het in marmer te laten uithouwen, zoodat ik, wat er ook gebeuren moge, ten minste het afbeeldsel heb van mijn lieve schat.”Terwijl Amy sprak, viel er een groote traan op het goudlokkig hoofdje van het slapende kind in haar armen; want haar eenig dochtertje bleef een teer popje, en de angst, haar eens te kunnen verliezen, was de eenige schaduw over Amy’s zonneschijn. Deze zorg werkte veel goeds uit voor vader en moeder beiden; die liefde en droefheid maakten hun verbond nog inniger. Amy’s gemoed werd teederder, dieper en zachter, Laurie werd ernstiger, sterker en flinker; en beiden leerden, dat schoonheid, jeugd, voorspoed en liefde, zelfs den meest gezegende niet bewaren kunnen voor zorg, verlies en smart.“Ze zal wel sterker worden, daar ben ik zeker van; laat den moed niet zakken, maar hoop en wees gelukkig,” zei mevrouw March, en de teerhartige Daisy bukte, om haar eigen rooskleurig wangetje te drukken tegen het bleeke gezichtje van haar nichtje.“Dat mag ik ook niet, zoolang ik u heb om mij te bemoedigen, Moederlief, en Laurie om meer dan de helft van elken last te dragen,” antwoordde Amy met warmte. “Hij laat mij nooit merken, hoe bezorgd hij zich maakt, maar is zoo lief en geduldig voor mij, zoo engelachtig voor Bets, en altijd zoo’n steun en troost bij alles, dat ik hem niet half genoeg kan liefhebben. En dus kan ik, ondanksmijn groote zorg, met Meta zeggen: ‘Ik ben, God zij gedankt, een gelukkige vrouw.’”“Ik hoef het niet te zeggen, want iederen kan zien, dat ik veel gelukkiger ben, dan ik verdien,” voegde Jo er bij, en liet den blik gaan over haar besten man en over de stevige kinderen, die naast haar in het gras stoeiden. “Fritz wordt grijs en gezet, ik zoo mager als een schim, en ik ben al over de dertig; wij zullen nooit rijk worden, en Plumfield zal misschien wel eens in brand vliegen, want die onverbeterlijke Tommy Bangs wil nu eenmaal sigaretten maken van Spaansche kervel, en die onder de dekens rooken, hoewel hij zich al driemaal deerlijk gebrand heeft. Maar ondanks die onromantische dingen, heb ik mij over niets te beklagen, en ben ik nog nooit in mijn leven zoo jolig geweest. Vergeef me die uitdrukking, maar nu ik zoo onder jongens leef, kan ik niet helpen, dat ik soms hun woorden wel eens overneem.”“Ja, Jo, ik denk, dat jouw oogst heel groot zal zijn,” begon mevrouw March, en verdreef een groote zwarte tor, die Teddy bang maakte.“Niet half zoo groot als de uwe, Moeder. Hier is hij, om u heen, en wij kunnen u nooit genoeg danken voor al het geduld, waarmee u gezaaid en gemaaid hebt,” riep Jo, met haar oude onstuimige hartelijkheid.“Ik hoop, dat er jaarlijks meer tarwe en minder onkruid mag zijn,” zei Amy zacht.“Een groote schoof, maar ik weet, dat er plaats voor is in uw hart, Moederlief,” voegde Meta’s warme stem er bij. Tot in het diepst harer ziel geroerd kon mevrouw March niets anders doen dan de armen uitstrekken, alsof zij kinderen en kleinkinderen tegelijk aan haar hart wilde drukken, en met een gelaat en stem vol van moederliefde en nederige dankbaarheid, zei zij: “o, Kinderen, hoe lang jullie ook moogt leven, ik kan je nooit grooter geluk toewenschen, dan wat mij nu ten deel valt!”

HOOFDSTUK XXIV.DE OOGST.Een jaar ging voorbij, gedurende welken tijd Jo en haar professor werkten en wachtten, hoopten en elkander liefhadden, elkaar een enkele maal zagen, en zulke lange brieven schreven, dat, volgens Laurie, de stijging in den prijs van het papier daaruit verklaard kon worden. Het tweede jaar begon vrij somber, want hun vooruitzichten werden niet schitterender, en tante March stierf plotseling. Toen de eerste droefheid echter voorbij was—want zij hadden de oude tante toch liefgehad, niettegenstaande haar scherpe tong—ontdekten zij, dat zij reden tot blijdschap hadden; zij had n.l. Plumfield aan Jo vermaakt, en hierdoor werden verschillende heerlijke dingen mogelijk.“’t Is een mooie plaats, die een goede som zal opbrengen, want je bent toch zeker van plan alles te verkoopen?” vroeg Laurie, toen zij eenige dagen later de zaak bespraken.“Neen, zeker niet,” antwoordde Jo beslist, terwijl ze zachtjes den ouden poedel streelde, dien ze had aangenomen, uit piëteit voor zijn overleden meesteres.“Je bent toch niet van plan daar te gaan wonen?”“Zeker ben ik dat van plan.”“Maar, beste meid, ’t is een onmetelijk groot huis, en je zult een schat van geld moeten hebben, om het in orde te houden. Alleen voor den tuin en den boomgaard heb je twee of drie mannen noodig, en ik voor mij zie in Bhaer geen oeconoom.”“Als ik het hem voorsla, zal hij zich wel op dat vak willen toeleggen.”“En denk je te zullen kunnen leven van de opbrengst van de plaats? Op mijn woord, het klinkt paradijsachtig, maar je zult het ontzettend zwaar werk vinden.”“De oogst, dien wij zullen binnenhalen, zal heel voordeelig blijken te zijn,” lachte Jo.“En waaruit zal die heerlijke oogst bestaan, mevrouw?”“Uit jongens! Ik wil een school openen voor kleine jongens—een goede, prettige, huiselijke school—ik zal ze verzorgen, en Fritz moet ze leeren.”“Nou, dát is een echt plan à la Jo! Is dat niet net iets voor haar?” riep Laurie uit, en keerde zich tot de familie, die even verbaasd keek als hij.“Ik vind het een aardig plan,” zei mevrouw March terstond.“Ik ook,” voegde haar man er bij, die dit een kostelijke gelegenheid achtte, om de socratische opvoedkunde op hedendaagsche jongens in toepassing te brengen.“Het zal een ontzettend groote zorg voor Jo zijn,” vreesde Meta, en streelde het hoofdje van haar eenigen, zooveel tijd in beslag nemenden, kleinen jongen.“Jo kan het doen, en zal er gelukkig door wezen. ’t Is een prachtig plan, vertel er ons eens alles van,” verzocht de oude heer Laurence, die reeds lang verlangd had het paar te helpen, maar wel wist, dat zij toch alle hulp zouden weigeren.“Ik wist wel, dat u mij zoudt bijvallen, mijnheer. Amy vindt het ook goed, ik lees het in haar oogen, ofschoon zij heel voorzichtig wacht met haar oordeel uit te spreken, tot zij er eens goed over heeft nagedacht.”“Nu, lieve menschen, begrijpt maar eerst, dat dit geennieuwplan van mij is, maar een, dat ik al lang gekoesterd heb. Voordat ik Fritz ontmoet had, stelde ik mij al dikwijls voor, hoe ik, wanneer ik mijn fortuin gemaakt zou hebben, en niemand mij thuis meer noodig had, een groot huis zou huren, en een paar arme moederlooze jongetjes zou opnemen, om hen het leven plezierig te maken, voordat het te laat was. Ik zie er zooveel, die verongelukken, omdat zij niet op het goede oogenblik geholpen worden; ik zou zoo dolgraag iets voor dergelijke jongens doen; ik weet, wat ze noodig hebben, en ik voel hun moeilijkheden; en o! ik wou zoo graag een moeder voor hen zijn!”Mevrouw March stak Jo haar hand toe, die deze met tranen in de oogen drukte, terwijl ze met haar vroegere opgewondenheid, die haar vrienden in zoo’n langen tijd niet van haar gezien hadden, voortging:“Ik sprak Fritz eens over mijn plan, en hij zei dat zooiets ook zijn wensch was, en stemde er in toe het te probeeren, wanneer wij eens rijk zouden zijn. Maar, die goeierd heeft het al zijn leven lang gedaan,—arme jongens helpen, bedoel ik, (niet rijk worden, dát zal hij wel nooit) het geld blijft niet lang genoeg in zijn zak om veel over te kunnen leggen. Maar nu, dank zij mijne goede, oude tante, die meer van mij hield, dan ik ooit verdiende, nu ben ik rijk—ten minste, ikvoelmij rijk, en wij kunnen best op Plumfield leven, als onze school een beetje wil opnemen. ’t Is juist een geschikte plaats voor jongens—het huis is ruim, en de meubels zijn sterken eenvoudig. Binnenshuis is overvloed van plaats voor een paar dozijn, en buitenshuis loopen zij elkander ook niet in den weg. Zij zouden in den tuin en den boomgaard kunnen helpen, uitstekend, gezond werk—Fritz zou hen op zijn eigen manier kunnen opvoeden en leeren, en Vader wil hem stellig wel helpen. Ik zal ze eten geven, en oppassen en vertroetelen en beknorren, en daarin zal Moeder mijn steun zijn. Ik heb altijd verlangd naar een massa jongens om me heen, maar heb nooit mijn zin gehad; nu kan ik het huis vol maken, en me aan de kleine bengels wijden, zooveel ik maar wil. Denk eens wat een genot! Plumfield mijn eigendom, en een bende jongens om er met mij van te genieten!”Toen Jo opgewonden gesticuleerde en een zucht van geluk slaakte, barstte de heele familie in een luid gelach uit, en mijnheer Laurence lachte zóó, dat zij voor een aanval van beroerte begonnen te vreezen.“Maar ik zie er niets belachelijks in,” hernam Jo ernstig, zoodra zij zich verstaanbaar kon maken. “Niets is immers natuurlijker of geschikter voor mijn professor dan een school te openen, en voor mij, dan graag op mijn eigen plaats te willen wonen.”“Kijk, zij neemt al airs aan,” riep Laurie, die de zaak als een prachtige grap beschouwde. “Maar mag ik ook vragen, waarvan je van plan bent de inrichting te doen bestaan? Als al de leerlingen landloopertjes zijn, ben ik bang, dat je oogst niet heel voordeelig zal blijken, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, mevrouw Bhaer.”“Kom, ontneem mij nu niet mijne illusies, Teddy. Natuurlijk zullen er ook rijke jongens onder zijn; misschien begin ik wel met enkel betalende; als ik dan eenmaal goed op streek ben, kan ik voor mijn speciaal genoegen een paar arme tobbers aannemen. Kinderen van welgestelde menschen hebben dikwijls ook troost en zorg noodig, even goed als van arme. Ik heb meer dan eens gezien, hoe ongelukkige stumpertjes aan dienstboden overgelaten, en achterlijke kindertjes met geweld opgestoomd werden,—werkelijk wreed. Sommige jongens zijn lastig, door een verkeerde behandeling of door verwaarloozing, en anderen verliezen hun moeders al vroeg. Buitendien moeten toch ook de beste de vlegeljaren doormaken, en dat is de tijd, waarin zij het meest behoefte hebben aan geduld en vriendelijkheid. Iedereen lacht ze uit, of schudt ze door elkander, of tracht ze op den achtergrond te houden, en verwacht blijkbaar, dat mooie kindertjes eensklaps in flinke jongens zullen veranderen. Zij klagen niet veel—arme stumperds, maar zij voelen het daarom wel. Ik heb er iets van mee doorgemaakt, en weet er dus al wat van. Ik stel bijzonder veel belang in zulke jonge beertjes, en toon ze zoo graag, hoe ik hun warme, eerlijke, oprechte jongensharten op prijs stel, ondanks hun onhandige armen en beenen en hun slordige hoofden. Ik bezit heusch al wat ondervinding op dat gebied, want is er niet een jongen, dien ik heb opgevoed, en die nu de trots en de roem van zijn familie uitmaakt?”“Ik zal altijd getuigen, dat je er je best toe gedaan hebt,” zei Laurie, haar dankbaar aanziende.“En ik ben boven verwachting geslaagd; want je bent nu een flink man van zaken, je doet ontzettend veel goed met je geld, en kapitaliseert de zegeningen der armen. Maar je leeft niet alleen voor je zaken, je houdt ook veel van al wat goed en mooi is, geniet er zelf van, en laat anderen mee genieten, zooals je vroeger in den ouden tijd ook deed. Hoor, Teddy, ik ben trotsch op je, want ieder jaar word je beter, en iedereen voelt het, al wil je niet dat iemand het uitspreekt. Ja, als ik later mijn kudde om mij heen heb, zal ik op jou wijzen en zeggen: ‘Ziedaar jullie model, jongens!’”De arme Laurie wist niet, waar zich te bergen, want zoo oud als hij was, kwam nu toch iets van de vroegere verlegenheid over hem, toen na deze uitbundige lofspraak alle gezichten zich goedkeurend tot hem keerden.“Hoor eens Jo, dat is te veel,” begon hij op zijn oude jongensmanier. “Jullie hebben allemaal meer voor mij gedaan, dan ik ooit kan vergelden, behalve door mijn best te doen, om je niet teleur te stellen. Je hebt mij in den laatsten tijd wel wat laten loopen, Jo, maar ik heb gelukkig toch een goede hulp gehad; dus, als ik vooruit ben gegaan, mag je er deze twee voor danken,”—en hij legde de eene hand op die van zijn grootvader en de andere in die van Amy, want die drie zaten altijd dicht bij elkaar.“Ik vind toch maar, dat familiekringen de mooiste dingen in de wereld zijn!” riep Jo uit, die dien avond in een bizonder blijde stemming was, “wanneer ik mijn eigen huishouden heb, hoop ik, dat ik zoo gelukkig zal zijn als de drie gezinnen, die ik ken, en het meest liefheb. Als John en Fritz nu nog maar hier waren, zou het hier heusch een hemel op aarde zijn,” voegde zij er rustiger bij. En toen zij dien avond naar haar kamer ging, na een intiemen familieraad, waarin aller hoop en plannen besproken waren, was haar hart zoo vol van geluk, dat zij het slechts tot kalmte kon brengen, door bij het ledige bedje, dat op zijn oude plaats was blijven staan, neer te knielen en met teedere liefde aan Betsy te denken.Over ’t geheel genomen was het een heel buitengewoon jaar, waarin alle dingen op een buitengewoon vlugge en plezierige manier schenen te gebeuren. Bijna voordat zij het goed besefte, was Jo getrouwd en woonde zij op Plumfield, waar weldra een troepje van zes of zeven jongens als paddestoelen rondom haar verrees, en er verwonderlijk goed gedijde. Arme jongens zoowel als rijke; want mijnheer Laurence vond telkens een hartbrekend geval van de grootste verlatenheid, en smeekte de Bhaers zich over het kind te ontfermen,—hij zou dan gaarne een kleinigheid voor zijn onderhoud betalen. Op die wijze verschalkte de slimme oude heer onze hooghartige Jo, en bezorgde haar die soort van jongens, die haar het meest aantrokken.In het begin was het natuurlijk zwaar werk, en Jo maakte allerlei dwaze vergissingen; maar de verstandige professor stuurde haar veilig in kalmer vaarwater, en de meest uitgelaten deugniet werd ten laatste getemd. Hoe genoot Jo van haar “bende,” en hoe zou die goede tante March gekermd hebben, als zij had kunnen zien, hoe de heilige grenspalen van het stijve, welgeordende Plumfield overschreden werden door wilde Toms, Dicks en Harrys. Maar in dit alles was een soort van poëtische vergelding te zien, want de oude dame was de schrik van al de jongens uit den omtrek geweest; en nu smulden de kleine bannelingen naar hartelust van de verboden pruimen, schopten met hun ongewijde schoenen in het kiezel, zonder dat iemand hen beknorde, en speelden voetbal in de groote wei, waar de strijdlustige koe met de kromme horens gewoonlijk de brutale jeugd tot een kampstrijd placht uit te noodigen. De school werd als het ware een paradijs voor jongens, en Laurie wilde haar “Der Bhaergarten” doopen, als een compliment aan den eigenaar, en als zeer toepasselijk op de bewoners.Het werd nooit een modelschool, en de professor verdiende er geen schatten mee; maar het was juist, wat Jo gehoopt had—een gelukkig tehuis voor jongens, die onderwijs, zorg en liefde noodig hadden. Elke kamer in de groote villa had spoedig haar bestemming, elk plekje in den tuin weldra zijn eigenaar gevonden. Een complete menagerie verscheen in de schuur en het tuinhuis—want allerlei dieren werden toegelaten,—en driemaal per dag knikte Jo haar Fritz toe van het hoofd der lange tafel, aan beide zijden met gelukkige jonge gezichten versierd, die zich alle tot haar keerden met vriendelijk lachende oogen, vertrouwelijke woorden en dankbare harten, overvloeiende van liefde voor “Moeder Bhaer.” Zij had nu zeker jongens genoeg om zich heen, maar kreeg er volstrekt nog niet genoeg van, ofschoon zij lang geen engelen waren, en sommigen hunner aan Professor en Professorin beiden, veel zorg en moeite veroorzaakten. Doch haar geloof aan het zachte plekje, dat in elk hart bestaat, zelfs in dat van den weerbarstigste en ondeugendste, gaf haar geduld en handigheid, en, na verloop van tijd, succes,—want geen enkele jongen kon zich lang verharden, wanneer Vader Bhaer hem met zijn goedige oogen door en door keek, en Moeder Bhaer hem zeventig maal zeven maal vergaf. De kostelijkste belooning was voor Jo de vriendschap der jongens, hun berouwvolle tranen en beloften van beterschap na kleine overtredingen, hun grappige of aandoenlijke geheimen, hun luchtkasteelen, vurige hoop, en plannen voor de toekomst; zelfs hun ongelukken,—want zij had hen daarom slechts te hartelijker lief. Er waren achterlijke jongens, en verlegen jongens, zwakke en baldadige jongens, jongens die lispelden, en jongensdie stotterden, een paar kreupelen, en een vroolijke kleine mulat, die nergens een onderkomen kon vinden, maar in den “Bhaergarten” liefdevol werd opgenomen, ondanks de bewering van sommige menschen, dat zijntoelating den ondergang der school ten gevolge zou hebben.Jo was een echt gelukkige vrouw, hoewel zij hard moest werken, veel angst uitstond en onder een aanhoudend rumoer leefde. Zij genoot er met hart en ziel van, en geen lof voldeed haar meer dan de toejuiching van haar jongens,—want nu vertelde zij haar verhalen alleen nog aan haar geestdriftvolle bewonderaars en vereerders. Na verloop van tijd kwamen twee kleineeigenjongetjes haar geluk nog verhoogen; Rob, naamgenoot van Grootpapa, en Teddy, een gelukskindje, dat zijn vaders zonnig humeur, zoowel als zijn moeders geest scheen geërfd te hebben. Hoe zij in het leven bleven en opgroeiden, in dien maalstroom van jongens, was een mysterie voor hun grootmoeder en tantes; maar zij bloeiden als paardebloemen in de lente, en hun onbeholpen kindermeisjes waren dol op hen en verzorgden ze goed.Er waren heel veel vacantiedagen op Plumfield, en een van de allerplezierigste was die, ter eere van den jaarlijkschen appeloogst; want dan kwamen de families March, Laurence, Brooke en Bhaer, om met vereende krachten dien dag te vieren. Vijf jaar na Jo’s huwelijk vond er zoo’n oogstfeest plaats. ’t Was een van die zachte koele Octoberdagen, waarop de lucht zoo opwekkend frisch is, dat alle levensgeesten wakker worden en het bloed vlugger door de aderen stroomt. De oude boomgaard scheen wel in feestdos gehuld; goudsbloemen en asters omzoomden de met mos begroeide muren; sprinkhanen wipten door het dorre gras, en krekeltjes piepten als muzikantjes bij een elfenmaaltijd. De eekhoorns waren druk bezig met het binnenhalen van hun wintervoorraad, de vogels tjilpten hun afscheidslied in de hooge elzen, en alle boomen zaten zoo vol, dat zij stellig bij de eerste schudding een regen van roode en gele appels op de hoofden der jongens zouden doen neerdalen. Allen waren op het appèl, iedereen lachte en zong, of klom in een boom en tuimelde naar beneden; allen verklaarden, dat zij nog nooit zoo’n verrukkelijken dag gehad hadden; ten minste niet in zulk vroolijk gezelschap,—en iedereen gaf zich geheel over aan het genot van het oogenblik, alsof zooiets, als zorg en droefheid, in de wereld niet bestond.De oude heer March wandelde kalm rond met den ouden heer Laurence, nu en dan genietende van“De geur’ge, zachte appelwijn.”De professor trok als een dapper ridder door de lanen, met een stok tot lans, aan het hoofd zijner jongens, die allerlei kunsten vertoonden, en wonderen verrichtten in het buitelen en springen. Laurie wijdde zich aan de kleintjes, trok zijn dochtertje voort in een schepelsmand, klom met Daisy in een boom, om naar een vogelnestje te kijken, en zorgde, dat de avontuurlijke Rob zijn hals niet brak. Mevrouw March en Meta zaten tusschen de hoopen appels,als een paar Pomona’s en sorteerden de soorten, die nog steeds aangroeiden. Amy was bezig de verschillende groepjes te schetsen, en waakte met teedere zorg over een bleek ventje, dat haar, met zijn kruk naast zich, in bewonderende aanbidding aanstaarde.Jo was dien dag in haar element; ze vloog heen en weer, haar japon opgespeld, haar hoed overal, behalve op haar hoofd, en haar jongste kind onder den arm, gereed om de behulpzame hand te bieden, zoodra er het een of ander mocht gebeuren. Kleine Teddy’s leven scheen als door tooverkracht beveiligd te zijn, want hij kreeg nooit een ongeluk, en Jo maakte zich nooit ongerust, wanneer hij door een der jongens op een boomtak gezet werd, weggaloppeerde op den rug van een ander, of een zure renet te eten kreeg van zijn toegevenden papa, die in den waan verkeerde, dat kleine kinderen alles kunnen verteeren, van zuurkool af tot knoopen, spijkers en hun eigen schoentjes toe. Zij wist dat kleine Teddy wel op zijn tijd weer boven water zou komen, gezond en blozend, vuil en vroolijk, en zij ontving hem altijd met een hartelijk welkom, want Jo had haar kinderen innig lief.Om vier uur werd er een oogenblik pauze gehouden, de manden bleven half gevuld, de appeldragers namen rust, en vergeleken elkaars scheuren en schrammen. Daarna zetten Jo en Meta, geholpen door een paar van de grootste jongens, het theegoed klaar op het gras,—want de theepartij buiten was altijd de grootste pret op den dag. Het land vloeide bij zulke gelegenheden letterlijk over van melk en honing, en de jongens behoefden niet om de tafel te zitten, maar mochten af en aan loopen, en eten en drinken als zij er lust in hadden, daar vrijheid toch de meest geliefde spijs is voor een jongensziel. In den ruimsten zin van het woord maakten ze gebruik van het zeldzame voorrecht, want enkelen probeerden de grap om, op hun hoofd staande, melk te drinken, anderen zetten het haasje-over dubbele bekoorlijkheid bij, door in de pauze tulband te eten; koekjes werden mild over het gras gestrooid en appelbollen mee in de boomen genomen, alsof de jongens eekhoorns waren. De kleine meisjes hielden een afzonderlijk theepartijtje, en Ted grabbelde naar welgevallen onder de eetbare waren.Toen niemand meer iets in zijn maag kon bergen, stelde de professor den eersten algemeenen toast in, die altijd bij zulke gelegenheden gedronken werd: “Tante March; God zegene haar!” Een toast, van harte gemeend door den goeden man, die nooit vergat, hoeveel hij aan haar verschuldigd was, en rustig gedronken door de jongens, die geleerd hadden haar nagedachtenis te eerbiedigen.“Nu op Grootma’s zestigsten verjaardag! Lang leve zij, en driemaal drie hoera’s!”Dat ging meer van harte, zooals men denken kan; en toen de hoera’s eenmaal begonnen waren, bleek het moeilijk er een einde aan te maken. Ieders gezondheid werd daarop gedronken, van den ouden heer Laurence af, die als hun bizonderen beschermheer werdbeschouwd, tot aan het verbaasde marmotje toe, dat uit zijn eigen gebied was komen aanwippen, om zijn jongen meester te zoeken. Demi bood toen, als oudste kleinkind, de koningin van den dag verscheiden geschenken aan, zoo talrijk, dat zij op een kruiwagen naar het feestterrein moesten gebracht worden. Sommige van die presenten waren allergrappigst, maar wat voor andere oogen van nul en geener waarde zou schijnen, bleek kostbaar in die van Grootma,—want de cadeautjes der kinderen waren hun eigen werk. De steken, waarmee Daisy’s geduldige vingertjes den zakdoek gezoomd hadden, waren haar meer waard dan het mooiste borduursel; Demi’s naaikistje was een wonder van handenarbeid, hoewel het deksel niet sluiten wou; Rob’s voetenbankje wiegelde wel een beetje, omdat de pooten ongelijk waren, maar de jarige vond, dat zoo’n kleinigheid er niets op aan kwam, en geen bladzijde van het kostbare boek, dat Amy’s kind haar aanbood was zoo schoon in haar oogen, als de eerste, waarop in dronken hoofdletters te lezen stond: “Aan de lieve Grootma van haar kleine Bets.”Onder deze plechtigheid waren de jongens op een geheimzinnige wijze verdwenen; en toen mevrouw March haar kinderen had willen bedanken, maar ontroerd middenin was blijven steken, waarom Teddy haar oogen afdroogde met zijn morsboezelaar, hief de professor eensklaps een lied aan. En toen sloot, boven zijn hoofd, de eene stem voor en de andere na, zich bij hem aan, en van boom tot boom weergalmde de muziek van het onzichtbaar koor; want de jongens zongen uit volle borst het lied, dat door Jo gemaakt en door Laurie op muziek gezet was, en dat zij, met behulp van den professor, ingestudeerd hadden, om het met het grootst mogelijk effect te kunnen voordragen. Dat was iets geheel nieuws, en slaagde bizonder, want mevrouw March kon maar niet van haar verbazing bekomen, en wilde met ieder der vederlooze vogels handen schudden, van den langen Emil en Franz af, tot den kleinen mulat toe, die de welluidendste stem van allen had.Toen dat afgeloopen was, verspreidden de jongens zich om nog wat pret te maken, mevrouw March en haar dochters achterlatende om kalm te genieten onder den feestboom.“Ik vind dat ik mezelf nooit weer ‘ongelukkige Jo,’ mag noemen, nu mijn grootste wensch zoo heerlijk vervuld is,” zei mevrouw Bhaer, en trok Teddy’s vuistje uit de melkkan, waarin hij naar hartelust scheen te karnen.“En toch is je leven zoo heel anders, dan je je jaren geleden voorstelde. Herinner je je onze luchtkasteelen nog?” vroeg Amy, met een glimlach naar Laurie en John kijkende, die met de jongens cricket speelden.“Beste jongens! Het doet mijn hart goed te zien, hoe zij voor een dag hun drukke bezigheden eens aan den kant zetten en onbezorgd pret hebben,” antwoordde Jo, die nu op moederlijken toon van het gansche menschdom sprak. “Ja, ik herinner het mij;maar het leven, dat ik toen voor mezelf begeerde, schijnt mij nu zelfzuchtig, eenzaam en koud toe. Ik heb de hoop nog niet opgegeven om eenmaal een goed boek te schrijven, maar ik kan wachten, en ik ben zeker, dat het nog beter zal worden door ondervindingen en illustraties als deze;” en Jo wees van de woelige jongens naar haar vader, die geleund op den arm van den professor, in den zonneschijn heen en weer wandelde, geheel verdiept in een van die gesprekken, waarvan beiden zoo genoten, en daarna op haar moeder, als een koningin te midden van haar dochters gezeten, met de kinderen aan haar voeten of op haar schoot, alsof allen hulp en geluk vonden in het gelaat, dat voor die liefhebbende oogen nooit oud kon worden.“Mijn kasteel is nog het meest werkelijkheid geworden. Ik vroeg wel om prachtige dingen, maar ik wist in mijn hart toch wel, dat ik tevreden zou zijn met een aardig klein huisje, en John, en een paar lieve kinderen. Ik heb dat alles gekregen, God zij gedankt, en ik ben de gelukkigste vrouw ter wereld,” zuchtte Meta, terwijl ze haar hand op het hoofd van haar flinken zoon legde, met een gezicht, waarop volmaakt geluk en teedere liefde te lezen stonden.“Mijn kasteel is heel anders geworden dan ik gedacht had, maar ik zou het voor niets willen ruilen, hoewel ik, evenmin als Jo, al mijn kunstenaarshoop opgeef, of er mij alleen toe bepaal anderen te helpen hun droomen te verwezenlijken. Ik ben begonnen aan een beeldje van kleine Bets, en Laurie zegt, dat het ’t beste is, wat ik nog ooit gemaakt heb. Ik vind dat zelf ook, en ben van plan het in marmer te laten uithouwen, zoodat ik, wat er ook gebeuren moge, ten minste het afbeeldsel heb van mijn lieve schat.”Terwijl Amy sprak, viel er een groote traan op het goudlokkig hoofdje van het slapende kind in haar armen; want haar eenig dochtertje bleef een teer popje, en de angst, haar eens te kunnen verliezen, was de eenige schaduw over Amy’s zonneschijn. Deze zorg werkte veel goeds uit voor vader en moeder beiden; die liefde en droefheid maakten hun verbond nog inniger. Amy’s gemoed werd teederder, dieper en zachter, Laurie werd ernstiger, sterker en flinker; en beiden leerden, dat schoonheid, jeugd, voorspoed en liefde, zelfs den meest gezegende niet bewaren kunnen voor zorg, verlies en smart.“Ze zal wel sterker worden, daar ben ik zeker van; laat den moed niet zakken, maar hoop en wees gelukkig,” zei mevrouw March, en de teerhartige Daisy bukte, om haar eigen rooskleurig wangetje te drukken tegen het bleeke gezichtje van haar nichtje.“Dat mag ik ook niet, zoolang ik u heb om mij te bemoedigen, Moederlief, en Laurie om meer dan de helft van elken last te dragen,” antwoordde Amy met warmte. “Hij laat mij nooit merken, hoe bezorgd hij zich maakt, maar is zoo lief en geduldig voor mij, zoo engelachtig voor Bets, en altijd zoo’n steun en troost bij alles, dat ik hem niet half genoeg kan liefhebben. En dus kan ik, ondanksmijn groote zorg, met Meta zeggen: ‘Ik ben, God zij gedankt, een gelukkige vrouw.’”“Ik hoef het niet te zeggen, want iederen kan zien, dat ik veel gelukkiger ben, dan ik verdien,” voegde Jo er bij, en liet den blik gaan over haar besten man en over de stevige kinderen, die naast haar in het gras stoeiden. “Fritz wordt grijs en gezet, ik zoo mager als een schim, en ik ben al over de dertig; wij zullen nooit rijk worden, en Plumfield zal misschien wel eens in brand vliegen, want die onverbeterlijke Tommy Bangs wil nu eenmaal sigaretten maken van Spaansche kervel, en die onder de dekens rooken, hoewel hij zich al driemaal deerlijk gebrand heeft. Maar ondanks die onromantische dingen, heb ik mij over niets te beklagen, en ben ik nog nooit in mijn leven zoo jolig geweest. Vergeef me die uitdrukking, maar nu ik zoo onder jongens leef, kan ik niet helpen, dat ik soms hun woorden wel eens overneem.”“Ja, Jo, ik denk, dat jouw oogst heel groot zal zijn,” begon mevrouw March, en verdreef een groote zwarte tor, die Teddy bang maakte.“Niet half zoo groot als de uwe, Moeder. Hier is hij, om u heen, en wij kunnen u nooit genoeg danken voor al het geduld, waarmee u gezaaid en gemaaid hebt,” riep Jo, met haar oude onstuimige hartelijkheid.“Ik hoop, dat er jaarlijks meer tarwe en minder onkruid mag zijn,” zei Amy zacht.“Een groote schoof, maar ik weet, dat er plaats voor is in uw hart, Moederlief,” voegde Meta’s warme stem er bij. Tot in het diepst harer ziel geroerd kon mevrouw March niets anders doen dan de armen uitstrekken, alsof zij kinderen en kleinkinderen tegelijk aan haar hart wilde drukken, en met een gelaat en stem vol van moederliefde en nederige dankbaarheid, zei zij: “o, Kinderen, hoe lang jullie ook moogt leven, ik kan je nooit grooter geluk toewenschen, dan wat mij nu ten deel valt!”

Een jaar ging voorbij, gedurende welken tijd Jo en haar professor werkten en wachtten, hoopten en elkander liefhadden, elkaar een enkele maal zagen, en zulke lange brieven schreven, dat, volgens Laurie, de stijging in den prijs van het papier daaruit verklaard kon worden. Het tweede jaar begon vrij somber, want hun vooruitzichten werden niet schitterender, en tante March stierf plotseling. Toen de eerste droefheid echter voorbij was—want zij hadden de oude tante toch liefgehad, niettegenstaande haar scherpe tong—ontdekten zij, dat zij reden tot blijdschap hadden; zij had n.l. Plumfield aan Jo vermaakt, en hierdoor werden verschillende heerlijke dingen mogelijk.

“’t Is een mooie plaats, die een goede som zal opbrengen, want je bent toch zeker van plan alles te verkoopen?” vroeg Laurie, toen zij eenige dagen later de zaak bespraken.

“Neen, zeker niet,” antwoordde Jo beslist, terwijl ze zachtjes den ouden poedel streelde, dien ze had aangenomen, uit piëteit voor zijn overleden meesteres.

“Je bent toch niet van plan daar te gaan wonen?”

“Zeker ben ik dat van plan.”

“Maar, beste meid, ’t is een onmetelijk groot huis, en je zult een schat van geld moeten hebben, om het in orde te houden. Alleen voor den tuin en den boomgaard heb je twee of drie mannen noodig, en ik voor mij zie in Bhaer geen oeconoom.”

“Als ik het hem voorsla, zal hij zich wel op dat vak willen toeleggen.”

“En denk je te zullen kunnen leven van de opbrengst van de plaats? Op mijn woord, het klinkt paradijsachtig, maar je zult het ontzettend zwaar werk vinden.”

“De oogst, dien wij zullen binnenhalen, zal heel voordeelig blijken te zijn,” lachte Jo.

“En waaruit zal die heerlijke oogst bestaan, mevrouw?”

“Uit jongens! Ik wil een school openen voor kleine jongens—een goede, prettige, huiselijke school—ik zal ze verzorgen, en Fritz moet ze leeren.”

“Nou, dát is een echt plan à la Jo! Is dat niet net iets voor haar?” riep Laurie uit, en keerde zich tot de familie, die even verbaasd keek als hij.

“Ik vind het een aardig plan,” zei mevrouw March terstond.

“Ik ook,” voegde haar man er bij, die dit een kostelijke gelegenheid achtte, om de socratische opvoedkunde op hedendaagsche jongens in toepassing te brengen.

“Het zal een ontzettend groote zorg voor Jo zijn,” vreesde Meta, en streelde het hoofdje van haar eenigen, zooveel tijd in beslag nemenden, kleinen jongen.

“Jo kan het doen, en zal er gelukkig door wezen. ’t Is een prachtig plan, vertel er ons eens alles van,” verzocht de oude heer Laurence, die reeds lang verlangd had het paar te helpen, maar wel wist, dat zij toch alle hulp zouden weigeren.

“Ik wist wel, dat u mij zoudt bijvallen, mijnheer. Amy vindt het ook goed, ik lees het in haar oogen, ofschoon zij heel voorzichtig wacht met haar oordeel uit te spreken, tot zij er eens goed over heeft nagedacht.”

“Nu, lieve menschen, begrijpt maar eerst, dat dit geennieuwplan van mij is, maar een, dat ik al lang gekoesterd heb. Voordat ik Fritz ontmoet had, stelde ik mij al dikwijls voor, hoe ik, wanneer ik mijn fortuin gemaakt zou hebben, en niemand mij thuis meer noodig had, een groot huis zou huren, en een paar arme moederlooze jongetjes zou opnemen, om hen het leven plezierig te maken, voordat het te laat was. Ik zie er zooveel, die verongelukken, omdat zij niet op het goede oogenblik geholpen worden; ik zou zoo dolgraag iets voor dergelijke jongens doen; ik weet, wat ze noodig hebben, en ik voel hun moeilijkheden; en o! ik wou zoo graag een moeder voor hen zijn!”

Mevrouw March stak Jo haar hand toe, die deze met tranen in de oogen drukte, terwijl ze met haar vroegere opgewondenheid, die haar vrienden in zoo’n langen tijd niet van haar gezien hadden, voortging:

“Ik sprak Fritz eens over mijn plan, en hij zei dat zooiets ook zijn wensch was, en stemde er in toe het te probeeren, wanneer wij eens rijk zouden zijn. Maar, die goeierd heeft het al zijn leven lang gedaan,—arme jongens helpen, bedoel ik, (niet rijk worden, dát zal hij wel nooit) het geld blijft niet lang genoeg in zijn zak om veel over te kunnen leggen. Maar nu, dank zij mijne goede, oude tante, die meer van mij hield, dan ik ooit verdiende, nu ben ik rijk—ten minste, ikvoelmij rijk, en wij kunnen best op Plumfield leven, als onze school een beetje wil opnemen. ’t Is juist een geschikte plaats voor jongens—het huis is ruim, en de meubels zijn sterken eenvoudig. Binnenshuis is overvloed van plaats voor een paar dozijn, en buitenshuis loopen zij elkander ook niet in den weg. Zij zouden in den tuin en den boomgaard kunnen helpen, uitstekend, gezond werk—Fritz zou hen op zijn eigen manier kunnen opvoeden en leeren, en Vader wil hem stellig wel helpen. Ik zal ze eten geven, en oppassen en vertroetelen en beknorren, en daarin zal Moeder mijn steun zijn. Ik heb altijd verlangd naar een massa jongens om me heen, maar heb nooit mijn zin gehad; nu kan ik het huis vol maken, en me aan de kleine bengels wijden, zooveel ik maar wil. Denk eens wat een genot! Plumfield mijn eigendom, en een bende jongens om er met mij van te genieten!”

Toen Jo opgewonden gesticuleerde en een zucht van geluk slaakte, barstte de heele familie in een luid gelach uit, en mijnheer Laurence lachte zóó, dat zij voor een aanval van beroerte begonnen te vreezen.

“Maar ik zie er niets belachelijks in,” hernam Jo ernstig, zoodra zij zich verstaanbaar kon maken. “Niets is immers natuurlijker of geschikter voor mijn professor dan een school te openen, en voor mij, dan graag op mijn eigen plaats te willen wonen.”

“Kijk, zij neemt al airs aan,” riep Laurie, die de zaak als een prachtige grap beschouwde. “Maar mag ik ook vragen, waarvan je van plan bent de inrichting te doen bestaan? Als al de leerlingen landloopertjes zijn, ben ik bang, dat je oogst niet heel voordeelig zal blijken, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, mevrouw Bhaer.”

“Kom, ontneem mij nu niet mijne illusies, Teddy. Natuurlijk zullen er ook rijke jongens onder zijn; misschien begin ik wel met enkel betalende; als ik dan eenmaal goed op streek ben, kan ik voor mijn speciaal genoegen een paar arme tobbers aannemen. Kinderen van welgestelde menschen hebben dikwijls ook troost en zorg noodig, even goed als van arme. Ik heb meer dan eens gezien, hoe ongelukkige stumpertjes aan dienstboden overgelaten, en achterlijke kindertjes met geweld opgestoomd werden,—werkelijk wreed. Sommige jongens zijn lastig, door een verkeerde behandeling of door verwaarloozing, en anderen verliezen hun moeders al vroeg. Buitendien moeten toch ook de beste de vlegeljaren doormaken, en dat is de tijd, waarin zij het meest behoefte hebben aan geduld en vriendelijkheid. Iedereen lacht ze uit, of schudt ze door elkander, of tracht ze op den achtergrond te houden, en verwacht blijkbaar, dat mooie kindertjes eensklaps in flinke jongens zullen veranderen. Zij klagen niet veel—arme stumperds, maar zij voelen het daarom wel. Ik heb er iets van mee doorgemaakt, en weet er dus al wat van. Ik stel bijzonder veel belang in zulke jonge beertjes, en toon ze zoo graag, hoe ik hun warme, eerlijke, oprechte jongensharten op prijs stel, ondanks hun onhandige armen en beenen en hun slordige hoofden. Ik bezit heusch al wat ondervinding op dat gebied, want is er niet een jongen, dien ik heb opgevoed, en die nu de trots en de roem van zijn familie uitmaakt?”

“Ik zal altijd getuigen, dat je er je best toe gedaan hebt,” zei Laurie, haar dankbaar aanziende.

“En ik ben boven verwachting geslaagd; want je bent nu een flink man van zaken, je doet ontzettend veel goed met je geld, en kapitaliseert de zegeningen der armen. Maar je leeft niet alleen voor je zaken, je houdt ook veel van al wat goed en mooi is, geniet er zelf van, en laat anderen mee genieten, zooals je vroeger in den ouden tijd ook deed. Hoor, Teddy, ik ben trotsch op je, want ieder jaar word je beter, en iedereen voelt het, al wil je niet dat iemand het uitspreekt. Ja, als ik later mijn kudde om mij heen heb, zal ik op jou wijzen en zeggen: ‘Ziedaar jullie model, jongens!’”

De arme Laurie wist niet, waar zich te bergen, want zoo oud als hij was, kwam nu toch iets van de vroegere verlegenheid over hem, toen na deze uitbundige lofspraak alle gezichten zich goedkeurend tot hem keerden.

“Hoor eens Jo, dat is te veel,” begon hij op zijn oude jongensmanier. “Jullie hebben allemaal meer voor mij gedaan, dan ik ooit kan vergelden, behalve door mijn best te doen, om je niet teleur te stellen. Je hebt mij in den laatsten tijd wel wat laten loopen, Jo, maar ik heb gelukkig toch een goede hulp gehad; dus, als ik vooruit ben gegaan, mag je er deze twee voor danken,”—en hij legde de eene hand op die van zijn grootvader en de andere in die van Amy, want die drie zaten altijd dicht bij elkaar.

“Ik vind toch maar, dat familiekringen de mooiste dingen in de wereld zijn!” riep Jo uit, die dien avond in een bizonder blijde stemming was, “wanneer ik mijn eigen huishouden heb, hoop ik, dat ik zoo gelukkig zal zijn als de drie gezinnen, die ik ken, en het meest liefheb. Als John en Fritz nu nog maar hier waren, zou het hier heusch een hemel op aarde zijn,” voegde zij er rustiger bij. En toen zij dien avond naar haar kamer ging, na een intiemen familieraad, waarin aller hoop en plannen besproken waren, was haar hart zoo vol van geluk, dat zij het slechts tot kalmte kon brengen, door bij het ledige bedje, dat op zijn oude plaats was blijven staan, neer te knielen en met teedere liefde aan Betsy te denken.

Over ’t geheel genomen was het een heel buitengewoon jaar, waarin alle dingen op een buitengewoon vlugge en plezierige manier schenen te gebeuren. Bijna voordat zij het goed besefte, was Jo getrouwd en woonde zij op Plumfield, waar weldra een troepje van zes of zeven jongens als paddestoelen rondom haar verrees, en er verwonderlijk goed gedijde. Arme jongens zoowel als rijke; want mijnheer Laurence vond telkens een hartbrekend geval van de grootste verlatenheid, en smeekte de Bhaers zich over het kind te ontfermen,—hij zou dan gaarne een kleinigheid voor zijn onderhoud betalen. Op die wijze verschalkte de slimme oude heer onze hooghartige Jo, en bezorgde haar die soort van jongens, die haar het meest aantrokken.

In het begin was het natuurlijk zwaar werk, en Jo maakte allerlei dwaze vergissingen; maar de verstandige professor stuurde haar veilig in kalmer vaarwater, en de meest uitgelaten deugniet werd ten laatste getemd. Hoe genoot Jo van haar “bende,” en hoe zou die goede tante March gekermd hebben, als zij had kunnen zien, hoe de heilige grenspalen van het stijve, welgeordende Plumfield overschreden werden door wilde Toms, Dicks en Harrys. Maar in dit alles was een soort van poëtische vergelding te zien, want de oude dame was de schrik van al de jongens uit den omtrek geweest; en nu smulden de kleine bannelingen naar hartelust van de verboden pruimen, schopten met hun ongewijde schoenen in het kiezel, zonder dat iemand hen beknorde, en speelden voetbal in de groote wei, waar de strijdlustige koe met de kromme horens gewoonlijk de brutale jeugd tot een kampstrijd placht uit te noodigen. De school werd als het ware een paradijs voor jongens, en Laurie wilde haar “Der Bhaergarten” doopen, als een compliment aan den eigenaar, en als zeer toepasselijk op de bewoners.

Het werd nooit een modelschool, en de professor verdiende er geen schatten mee; maar het was juist, wat Jo gehoopt had—een gelukkig tehuis voor jongens, die onderwijs, zorg en liefde noodig hadden. Elke kamer in de groote villa had spoedig haar bestemming, elk plekje in den tuin weldra zijn eigenaar gevonden. Een complete menagerie verscheen in de schuur en het tuinhuis—want allerlei dieren werden toegelaten,—en driemaal per dag knikte Jo haar Fritz toe van het hoofd der lange tafel, aan beide zijden met gelukkige jonge gezichten versierd, die zich alle tot haar keerden met vriendelijk lachende oogen, vertrouwelijke woorden en dankbare harten, overvloeiende van liefde voor “Moeder Bhaer.” Zij had nu zeker jongens genoeg om zich heen, maar kreeg er volstrekt nog niet genoeg van, ofschoon zij lang geen engelen waren, en sommigen hunner aan Professor en Professorin beiden, veel zorg en moeite veroorzaakten. Doch haar geloof aan het zachte plekje, dat in elk hart bestaat, zelfs in dat van den weerbarstigste en ondeugendste, gaf haar geduld en handigheid, en, na verloop van tijd, succes,—want geen enkele jongen kon zich lang verharden, wanneer Vader Bhaer hem met zijn goedige oogen door en door keek, en Moeder Bhaer hem zeventig maal zeven maal vergaf. De kostelijkste belooning was voor Jo de vriendschap der jongens, hun berouwvolle tranen en beloften van beterschap na kleine overtredingen, hun grappige of aandoenlijke geheimen, hun luchtkasteelen, vurige hoop, en plannen voor de toekomst; zelfs hun ongelukken,—want zij had hen daarom slechts te hartelijker lief. Er waren achterlijke jongens, en verlegen jongens, zwakke en baldadige jongens, jongens die lispelden, en jongensdie stotterden, een paar kreupelen, en een vroolijke kleine mulat, die nergens een onderkomen kon vinden, maar in den “Bhaergarten” liefdevol werd opgenomen, ondanks de bewering van sommige menschen, dat zijntoelating den ondergang der school ten gevolge zou hebben.

Jo was een echt gelukkige vrouw, hoewel zij hard moest werken, veel angst uitstond en onder een aanhoudend rumoer leefde. Zij genoot er met hart en ziel van, en geen lof voldeed haar meer dan de toejuiching van haar jongens,—want nu vertelde zij haar verhalen alleen nog aan haar geestdriftvolle bewonderaars en vereerders. Na verloop van tijd kwamen twee kleineeigenjongetjes haar geluk nog verhoogen; Rob, naamgenoot van Grootpapa, en Teddy, een gelukskindje, dat zijn vaders zonnig humeur, zoowel als zijn moeders geest scheen geërfd te hebben. Hoe zij in het leven bleven en opgroeiden, in dien maalstroom van jongens, was een mysterie voor hun grootmoeder en tantes; maar zij bloeiden als paardebloemen in de lente, en hun onbeholpen kindermeisjes waren dol op hen en verzorgden ze goed.

Er waren heel veel vacantiedagen op Plumfield, en een van de allerplezierigste was die, ter eere van den jaarlijkschen appeloogst; want dan kwamen de families March, Laurence, Brooke en Bhaer, om met vereende krachten dien dag te vieren. Vijf jaar na Jo’s huwelijk vond er zoo’n oogstfeest plaats. ’t Was een van die zachte koele Octoberdagen, waarop de lucht zoo opwekkend frisch is, dat alle levensgeesten wakker worden en het bloed vlugger door de aderen stroomt. De oude boomgaard scheen wel in feestdos gehuld; goudsbloemen en asters omzoomden de met mos begroeide muren; sprinkhanen wipten door het dorre gras, en krekeltjes piepten als muzikantjes bij een elfenmaaltijd. De eekhoorns waren druk bezig met het binnenhalen van hun wintervoorraad, de vogels tjilpten hun afscheidslied in de hooge elzen, en alle boomen zaten zoo vol, dat zij stellig bij de eerste schudding een regen van roode en gele appels op de hoofden der jongens zouden doen neerdalen. Allen waren op het appèl, iedereen lachte en zong, of klom in een boom en tuimelde naar beneden; allen verklaarden, dat zij nog nooit zoo’n verrukkelijken dag gehad hadden; ten minste niet in zulk vroolijk gezelschap,—en iedereen gaf zich geheel over aan het genot van het oogenblik, alsof zooiets, als zorg en droefheid, in de wereld niet bestond.

De oude heer March wandelde kalm rond met den ouden heer Laurence, nu en dan genietende van

“De geur’ge, zachte appelwijn.”

“De geur’ge, zachte appelwijn.”

“De geur’ge, zachte appelwijn.”

De professor trok als een dapper ridder door de lanen, met een stok tot lans, aan het hoofd zijner jongens, die allerlei kunsten vertoonden, en wonderen verrichtten in het buitelen en springen. Laurie wijdde zich aan de kleintjes, trok zijn dochtertje voort in een schepelsmand, klom met Daisy in een boom, om naar een vogelnestje te kijken, en zorgde, dat de avontuurlijke Rob zijn hals niet brak. Mevrouw March en Meta zaten tusschen de hoopen appels,als een paar Pomona’s en sorteerden de soorten, die nog steeds aangroeiden. Amy was bezig de verschillende groepjes te schetsen, en waakte met teedere zorg over een bleek ventje, dat haar, met zijn kruk naast zich, in bewonderende aanbidding aanstaarde.

Jo was dien dag in haar element; ze vloog heen en weer, haar japon opgespeld, haar hoed overal, behalve op haar hoofd, en haar jongste kind onder den arm, gereed om de behulpzame hand te bieden, zoodra er het een of ander mocht gebeuren. Kleine Teddy’s leven scheen als door tooverkracht beveiligd te zijn, want hij kreeg nooit een ongeluk, en Jo maakte zich nooit ongerust, wanneer hij door een der jongens op een boomtak gezet werd, weggaloppeerde op den rug van een ander, of een zure renet te eten kreeg van zijn toegevenden papa, die in den waan verkeerde, dat kleine kinderen alles kunnen verteeren, van zuurkool af tot knoopen, spijkers en hun eigen schoentjes toe. Zij wist dat kleine Teddy wel op zijn tijd weer boven water zou komen, gezond en blozend, vuil en vroolijk, en zij ontving hem altijd met een hartelijk welkom, want Jo had haar kinderen innig lief.

Om vier uur werd er een oogenblik pauze gehouden, de manden bleven half gevuld, de appeldragers namen rust, en vergeleken elkaars scheuren en schrammen. Daarna zetten Jo en Meta, geholpen door een paar van de grootste jongens, het theegoed klaar op het gras,—want de theepartij buiten was altijd de grootste pret op den dag. Het land vloeide bij zulke gelegenheden letterlijk over van melk en honing, en de jongens behoefden niet om de tafel te zitten, maar mochten af en aan loopen, en eten en drinken als zij er lust in hadden, daar vrijheid toch de meest geliefde spijs is voor een jongensziel. In den ruimsten zin van het woord maakten ze gebruik van het zeldzame voorrecht, want enkelen probeerden de grap om, op hun hoofd staande, melk te drinken, anderen zetten het haasje-over dubbele bekoorlijkheid bij, door in de pauze tulband te eten; koekjes werden mild over het gras gestrooid en appelbollen mee in de boomen genomen, alsof de jongens eekhoorns waren. De kleine meisjes hielden een afzonderlijk theepartijtje, en Ted grabbelde naar welgevallen onder de eetbare waren.

Toen niemand meer iets in zijn maag kon bergen, stelde de professor den eersten algemeenen toast in, die altijd bij zulke gelegenheden gedronken werd: “Tante March; God zegene haar!” Een toast, van harte gemeend door den goeden man, die nooit vergat, hoeveel hij aan haar verschuldigd was, en rustig gedronken door de jongens, die geleerd hadden haar nagedachtenis te eerbiedigen.

“Nu op Grootma’s zestigsten verjaardag! Lang leve zij, en driemaal drie hoera’s!”

Dat ging meer van harte, zooals men denken kan; en toen de hoera’s eenmaal begonnen waren, bleek het moeilijk er een einde aan te maken. Ieders gezondheid werd daarop gedronken, van den ouden heer Laurence af, die als hun bizonderen beschermheer werdbeschouwd, tot aan het verbaasde marmotje toe, dat uit zijn eigen gebied was komen aanwippen, om zijn jongen meester te zoeken. Demi bood toen, als oudste kleinkind, de koningin van den dag verscheiden geschenken aan, zoo talrijk, dat zij op een kruiwagen naar het feestterrein moesten gebracht worden. Sommige van die presenten waren allergrappigst, maar wat voor andere oogen van nul en geener waarde zou schijnen, bleek kostbaar in die van Grootma,—want de cadeautjes der kinderen waren hun eigen werk. De steken, waarmee Daisy’s geduldige vingertjes den zakdoek gezoomd hadden, waren haar meer waard dan het mooiste borduursel; Demi’s naaikistje was een wonder van handenarbeid, hoewel het deksel niet sluiten wou; Rob’s voetenbankje wiegelde wel een beetje, omdat de pooten ongelijk waren, maar de jarige vond, dat zoo’n kleinigheid er niets op aan kwam, en geen bladzijde van het kostbare boek, dat Amy’s kind haar aanbood was zoo schoon in haar oogen, als de eerste, waarop in dronken hoofdletters te lezen stond: “Aan de lieve Grootma van haar kleine Bets.”

Onder deze plechtigheid waren de jongens op een geheimzinnige wijze verdwenen; en toen mevrouw March haar kinderen had willen bedanken, maar ontroerd middenin was blijven steken, waarom Teddy haar oogen afdroogde met zijn morsboezelaar, hief de professor eensklaps een lied aan. En toen sloot, boven zijn hoofd, de eene stem voor en de andere na, zich bij hem aan, en van boom tot boom weergalmde de muziek van het onzichtbaar koor; want de jongens zongen uit volle borst het lied, dat door Jo gemaakt en door Laurie op muziek gezet was, en dat zij, met behulp van den professor, ingestudeerd hadden, om het met het grootst mogelijk effect te kunnen voordragen. Dat was iets geheel nieuws, en slaagde bizonder, want mevrouw March kon maar niet van haar verbazing bekomen, en wilde met ieder der vederlooze vogels handen schudden, van den langen Emil en Franz af, tot den kleinen mulat toe, die de welluidendste stem van allen had.

Toen dat afgeloopen was, verspreidden de jongens zich om nog wat pret te maken, mevrouw March en haar dochters achterlatende om kalm te genieten onder den feestboom.

“Ik vind dat ik mezelf nooit weer ‘ongelukkige Jo,’ mag noemen, nu mijn grootste wensch zoo heerlijk vervuld is,” zei mevrouw Bhaer, en trok Teddy’s vuistje uit de melkkan, waarin hij naar hartelust scheen te karnen.

“En toch is je leven zoo heel anders, dan je je jaren geleden voorstelde. Herinner je je onze luchtkasteelen nog?” vroeg Amy, met een glimlach naar Laurie en John kijkende, die met de jongens cricket speelden.

“Beste jongens! Het doet mijn hart goed te zien, hoe zij voor een dag hun drukke bezigheden eens aan den kant zetten en onbezorgd pret hebben,” antwoordde Jo, die nu op moederlijken toon van het gansche menschdom sprak. “Ja, ik herinner het mij;maar het leven, dat ik toen voor mezelf begeerde, schijnt mij nu zelfzuchtig, eenzaam en koud toe. Ik heb de hoop nog niet opgegeven om eenmaal een goed boek te schrijven, maar ik kan wachten, en ik ben zeker, dat het nog beter zal worden door ondervindingen en illustraties als deze;” en Jo wees van de woelige jongens naar haar vader, die geleund op den arm van den professor, in den zonneschijn heen en weer wandelde, geheel verdiept in een van die gesprekken, waarvan beiden zoo genoten, en daarna op haar moeder, als een koningin te midden van haar dochters gezeten, met de kinderen aan haar voeten of op haar schoot, alsof allen hulp en geluk vonden in het gelaat, dat voor die liefhebbende oogen nooit oud kon worden.

“Mijn kasteel is nog het meest werkelijkheid geworden. Ik vroeg wel om prachtige dingen, maar ik wist in mijn hart toch wel, dat ik tevreden zou zijn met een aardig klein huisje, en John, en een paar lieve kinderen. Ik heb dat alles gekregen, God zij gedankt, en ik ben de gelukkigste vrouw ter wereld,” zuchtte Meta, terwijl ze haar hand op het hoofd van haar flinken zoon legde, met een gezicht, waarop volmaakt geluk en teedere liefde te lezen stonden.

“Mijn kasteel is heel anders geworden dan ik gedacht had, maar ik zou het voor niets willen ruilen, hoewel ik, evenmin als Jo, al mijn kunstenaarshoop opgeef, of er mij alleen toe bepaal anderen te helpen hun droomen te verwezenlijken. Ik ben begonnen aan een beeldje van kleine Bets, en Laurie zegt, dat het ’t beste is, wat ik nog ooit gemaakt heb. Ik vind dat zelf ook, en ben van plan het in marmer te laten uithouwen, zoodat ik, wat er ook gebeuren moge, ten minste het afbeeldsel heb van mijn lieve schat.”

Terwijl Amy sprak, viel er een groote traan op het goudlokkig hoofdje van het slapende kind in haar armen; want haar eenig dochtertje bleef een teer popje, en de angst, haar eens te kunnen verliezen, was de eenige schaduw over Amy’s zonneschijn. Deze zorg werkte veel goeds uit voor vader en moeder beiden; die liefde en droefheid maakten hun verbond nog inniger. Amy’s gemoed werd teederder, dieper en zachter, Laurie werd ernstiger, sterker en flinker; en beiden leerden, dat schoonheid, jeugd, voorspoed en liefde, zelfs den meest gezegende niet bewaren kunnen voor zorg, verlies en smart.

“Ze zal wel sterker worden, daar ben ik zeker van; laat den moed niet zakken, maar hoop en wees gelukkig,” zei mevrouw March, en de teerhartige Daisy bukte, om haar eigen rooskleurig wangetje te drukken tegen het bleeke gezichtje van haar nichtje.

“Dat mag ik ook niet, zoolang ik u heb om mij te bemoedigen, Moederlief, en Laurie om meer dan de helft van elken last te dragen,” antwoordde Amy met warmte. “Hij laat mij nooit merken, hoe bezorgd hij zich maakt, maar is zoo lief en geduldig voor mij, zoo engelachtig voor Bets, en altijd zoo’n steun en troost bij alles, dat ik hem niet half genoeg kan liefhebben. En dus kan ik, ondanksmijn groote zorg, met Meta zeggen: ‘Ik ben, God zij gedankt, een gelukkige vrouw.’”

“Ik hoef het niet te zeggen, want iederen kan zien, dat ik veel gelukkiger ben, dan ik verdien,” voegde Jo er bij, en liet den blik gaan over haar besten man en over de stevige kinderen, die naast haar in het gras stoeiden. “Fritz wordt grijs en gezet, ik zoo mager als een schim, en ik ben al over de dertig; wij zullen nooit rijk worden, en Plumfield zal misschien wel eens in brand vliegen, want die onverbeterlijke Tommy Bangs wil nu eenmaal sigaretten maken van Spaansche kervel, en die onder de dekens rooken, hoewel hij zich al driemaal deerlijk gebrand heeft. Maar ondanks die onromantische dingen, heb ik mij over niets te beklagen, en ben ik nog nooit in mijn leven zoo jolig geweest. Vergeef me die uitdrukking, maar nu ik zoo onder jongens leef, kan ik niet helpen, dat ik soms hun woorden wel eens overneem.”

“Ja, Jo, ik denk, dat jouw oogst heel groot zal zijn,” begon mevrouw March, en verdreef een groote zwarte tor, die Teddy bang maakte.

“Niet half zoo groot als de uwe, Moeder. Hier is hij, om u heen, en wij kunnen u nooit genoeg danken voor al het geduld, waarmee u gezaaid en gemaaid hebt,” riep Jo, met haar oude onstuimige hartelijkheid.

“Ik hoop, dat er jaarlijks meer tarwe en minder onkruid mag zijn,” zei Amy zacht.

“Een groote schoof, maar ik weet, dat er plaats voor is in uw hart, Moederlief,” voegde Meta’s warme stem er bij. Tot in het diepst harer ziel geroerd kon mevrouw March niets anders doen dan de armen uitstrekken, alsof zij kinderen en kleinkinderen tegelijk aan haar hart wilde drukken, en met een gelaat en stem vol van moederliefde en nederige dankbaarheid, zei zij: “o, Kinderen, hoe lang jullie ook moogt leven, ik kan je nooit grooter geluk toewenschen, dan wat mij nu ten deel valt!”


Back to IndexNext