Maskers van de Mahakam.

Op den Uitkijk.Maskers van de Mahakam.De kaart van Borneo vóór zich leggende, vindt men op de westkust Pontianak en, ongeveer terzelfder breedte, op de oostkust Samarinda. Van het gebergte ongeveer in het midden des eilands stroomt naar Pontianak de Kapoeas, naar Samarinda de Mahakam; zij is de grootste rivier die aan de oostkust in zee valt. De maskers bij dit artikel afgebeeld zijn afkomstig van Long Iram, een plaats aan de Mahakam, die langs een rechte lijn ongeveer 100 kilometers van Samarinda verwijderd ligt, maar feitelijk misschien wel 200, door de sterke kronkelingen van de rivier.De maskers kwamen in het bezit van het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde door de goede zorg des heeren H. Gramberg, militair- en civiel gezaghebber van de Boven-Mahakam, en vormen een deel eener uitgebreide en belangrijke verzameling die deze ambtenaar voor het Museum bijeenbracht.De Boven-Mahakam, het gebied waar de heer Gramberg gezag uitoefent, is, volgens prof. Nieuwenhuis, bedekt met bosch, en van een bergtop gezien, zijn ’t alleen de steile wanden der kalkbergen die het oog treffen als lichte plekken op het donkergroene kleed. Waar de bevolking hare droge rijstvelden aanlegt ligt de grond bloot gedurende den tijd dat hij voor den rijstbouw dient; maar al gauw neemt struikgewas en later jong bosch dit terrein weer in. Gras is er, naar de bewoners zeggen, eerst de laatste 20 jaar aan de Boven-Mahakam verschenen; en het hooge gras dat alang-alang en ilalang heet kent men er niet.De bevolking aan de Mahakam boven de watervallen is niet talrijk; oorspronkelijk bestaat zij uit Bahau-stammen, die in de laatste twee eeuwen uit het hoog gelegen bergland Apo Kajan hierheen getrokken zijn. In het brongebied van de Mahatam, tot aan den val die Kiham Matandow heet, ligt nog ongerept oerwoud, en daarin zwerven kleine groepen van de Boekats, die telkens van woonplaats veranderen. Vóór den krijgstocht van de Dajaks uit Serawak in 1885 was het stroomgebied der Mahakam, van bovengenoemden valKihamMatandow tot aan de Soemwé bewoond door verscheidene nederzettingen van Pnihing-stammen; deze nederzettingen werden toen verwoest en de bewoners trokken langs de hoofd-rivier naar beneden. De stam der Sepoetans woont in het gebied van de Kaso, ten deele hoog de rivier op, voor een ander deel aan de Penaneh. Volgt men de rivier verder benedenwaarts, dan komt men in het gebied der Kajans, die zich de Mahakam toerekenen van de Soemwé tot aan de Dini. Ten oosten aan deze laatstgenoemde rivier begint het gebied van de Long-Glats en aan de Merasè wonen de Ma-Soelings.Wie, na deze vluchtige voorstelling, zich geroepen voelt tot nadere kennismaking, zal vinden wat hij verlangt in het werk van dr. A. W. NieuwenhuisIn Centraal Borneo, of in zijn boekQuer durch Borneo, beide boeiende reisverhalen, met een overvloed van platen. Aan de berichten van dezen schrijver zijn de volgende mededeelingen over het maskerspel ontleend waarbij maskers als de hier afgebeelde gebruikt worden.De zaaitijd van de rijst is bij de Kajans van de Boven-Mahakam verdeeld in drie perioden van negen dagen, en het maskerspel dat een deel is van het religieuse zaaifeest, valt op den eersten dag van de tweede en derde periode. De eeredienst van de Kajans, die uitsluitend landbouwers zijn, staat in nauw verband met den rijstbouw en de groote godsdienstige feesten van het jaar vallen op het begin der verschillende werkzaamheden. Deze worden onderscheiden in nebas (houtkappen), noetoeng (branden), noegal (zaaien), nawo (wieden), ngeleno (oogsten), newoeko (einde van den oogst) en nangei (het vieren van een nieuw jaar en begin van een nieuwen rijstbouw). De feesten bij noegal en nangei zijn de voornaamste.Wat heeft nu het optreden van gemaskerden te maken met het zaaien van rijst? In de overtuiging dat de geesten machtiger zijn dan de menschen, gelooven de Kajans, dat zij, als geesten vermomd en doende als geesten, ook meer vermogen dan menschen vermogen. Evenals de geesten de zielen der menschen kunnen terugbrengen, gelooven zij, dat zij ook de zwervende ziel van de rijst tot zich kunnen lokken. Daartoe dient een lange, houten haak die de hoofdman der gemaskerden in de hand houdt, en waarmede hij de beweging maakt van iets naar zich toe te halen.Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.Afgestaan door prof. dr. A. W. Nieuwenhuis.Geesten behooren er schrikwekkend uit te zien en daarom hullen zich de Kajans die sterk behaarde geesten voorstellen in uitgerafelde pisangbladeren, die zij met de hoofdnerf om het geheele lichaam winden, dat zoodoende een vormlooze groene massa wordt. Op de afbeelding is een groep gemaskerde Kajans van de Boven-Mahakam voorgesteld. Het masker is van licht hout gesneden, heeft evenals de wolf in Roodkapje groote oogen, groote ooren en groote tanden. Boven in de ooren zijn van hout nagemaakte pantertanden gestoken1en de banden aan den onderkant der ooren verbeelden de uitgerekte oorlellen,waarin oorsieraden hangen. De symmetrische lijnen op het masker zijn met vaste hand getrokken en doen de oogen scherp uitkomen; de kleuren zijn wit, zwart en steenrood. Het masker wordt gedekt door een strijdmuts van gevlochten rotan, versierd met de witte, met zwarte dwarsbanden belegde, staartvederen van een neushoornvogel.Deze geesten nu zijn ’t die de rijstziel moeten lokken en aan de Kajans een goeden oogst bezorgen. Zij mogen niet spreken want een geest spreekt niet en wie dit verbod vergeet loopt kans dood neer te vallen. Op een open plek tusschen de huizen vormen de zonderlinge wezens een kring en op de maat van den gongslag maken zij allerlei passen, bewegen de armen en schudden en draaien het hoofd. Dit duurt een half uur en dan plaatsen de geesten zich achter elkander, doende alsof zij de broewa parei, de rijstziel, uit verre oorden tot zich halen; want soms verdwaalt deze tot aan de Kapoeas en de Barito.Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Het andere masker, dat men hier afgebeeld vindt, is een varkensmasker, ook van de Boven-Mahakam. Dr. Nieuwenhuis maakt gewag van een maskerspel gedurende het zaaifeest aan de Mendalam, een rivier, die dicht bij het scheidingsgebergte in de westwaarts stroomende Kapoeas valt, welk spel een zwijnenjacht voorstelde. Ontleden doet hij deze ceremonie niet. De man met het varkensmasker stelde het zwijn voor en hij maakte de bewegingen en geluiden van dit dier goed na. Eenige jonge Kajans verbeeldden de honden die het varken aanblaften en te lijf wilden. De toeschouwers waren er heelemaal in, en de gewoonlijk zeer kalme Kajans raakten uit hun plooi; vooral als het dier een zijsprong maakte naar den kant waar de meisjes zaten was ’t een leven van geweld. Maar van angst of schrik was zelfs bij de eenjarige toekijkers geen sprake; men hoorde overal luid en hartelijk lachen. Of het varkensmasker van de Mahakam voor een dergelijk spel, als hier van de Mendalam beschreven is, gebezigd wordt, mag waarschijnlijk maar niet zeker heeten.Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Hoe dit varkensmasker met figuren beschilderd is blijkt voldoende uit de afbeelding; de kleuren zijn dezelfde als van het andere masker. Beide worden door koorden van gespleten rotan voor het aangezicht vastgemaakt, en beide hebben ter hoogte van den mond des dragers een dwarshoutje, dat blijkbaar met de tanden door hem omklemd wordt om het masker op zijn plaats te houden. Alleen van het varkensmasker is de onderkaak bewegelijk; loodrecht op het zooeven genoemde dwarshout is een stokje vastgemaakt dat naar het vooreind van de onderkaak loopt, een eenvoudig mekaniek, dat den drager van het masker in staat stelt met zijn tanden de onderkaak tegen de bovenkaak te doen klepperen.Rotterdam, 31/VIII ’09.Joh. F. Snelleman.1Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de z.g. Zee-Dajaks van Serawak.Menschen en natuur.Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.Admiraal Melville’s oordeel van beteekenis.De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat het slagen van Cook als dat van Peary betreft.Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen, met groote gevaren verbonden.Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin der 19deeeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend, en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen 1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als hoofdmachinist van de Jeannette deel.De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was, komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op 71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long’s teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte, dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging, om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September, en bij die gelegenheid werden ook commandantDeLong en Melville gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen, volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten, tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de zieken en de stervenden, zondenDeLong en Ambler twee zeelieden uit, om hooger op de Lena hulp te halen.De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór den 1stenNovember, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881 vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der ongelukkige schepelingen.Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten mijlen in de IJszee bevaren.Melville’s verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord van admiraal Melville gehoor vindt.Reval eerste oorlogshaven.De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat te brengen.Op den Uitkijk.Bergtochten in Saksisch Zwitserland.Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners, profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren van Dresden verwijderd is.Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het intieme schoon van het Elbelandschap.Bastei, van de Elbe gezien.Bastei, van de Elbe gezien.Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin, waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren leidt naar het rotsplateau.Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch, dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug, een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De Lilienstein is een rotsmassief, dat koenen steil uit het nauwe Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en andere schatten.De Elbe bij den Winterberg.De Elbe bij den Winterberg.De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen; een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage, die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz, dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den tocht door de kloof.Het reizen van een aziatische ziekte.Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen, die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in 1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft, nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot 1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak enbinnenenkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866 begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend, dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie, die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde (Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In 1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land gedurende 1892–1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele gevallen voor.Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland, vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met zeer enkele gevallen.Seismologisch internationaal Congres.In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale congres van de leden der Internationale Vereeniging voor aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging was tot stand gekomen.Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije, Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel vertegenwoordigd.Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies, die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te ’s-Gravenhage.Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen, dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking verkregen wordt.Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.Struisvogelteelt in Noord-Duitschland.Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging, om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel, werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven met struisvogels genomen.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche, Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren; dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie maanden volledig uitgetrokken.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.Zionistische plannen op hef Cyrenaïsch schiereiland.Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation, aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha, die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau’s van kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken zoo vruchtbaar maakten.Toegankelijkheid van de ruïnen van Angkor.Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten, nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje, maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.Op den Uitkijk.Rit over de Duitsche Wadden.Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt, waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.Visschen op het ijs.Visschen op het ijs.Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de inzittenden flink dooreen schudt.Op de krabbenvangst.Op de krabbenvangst.Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt; maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt, zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken, daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.Vischvangst in den winter.Vischvangst in den winter.De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote eiland heeft een overoudenvuurtoren, waar de reizigers vroeger gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personennaast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord- of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte, dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote kosten aangebracht.Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer uit is te wekken.Aanwinsten in zake de ethnografie van Flores en omgeving.De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd voorwerpen zijn, voor ’t meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien, hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores; mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van midden-Celebes.Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn gaat uit ’s visschers hand door een oog boven in den mast van zijn schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water; aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de lijn, de ander roeit en manoeuvreert.Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20 seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden, afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot 1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels, bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen montuur.Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek eens mannelijken Toradja’s van Celebes, een door de vrouwen van dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja’s zijn eenige voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1stenluitenant O. I. L. J. van Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.Een monoliet gered als natuurhistorisch monument.Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok, een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat, den Pierre de Marmettes.Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap en de aankoop door het genootschap.De Namib.Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis, waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42 ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.Shackletontentoonstelling.De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal, door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo’n groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat, om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling worden voor liefdadige doeleinden aangewend.Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol gespeeld hebben tijdens Shackleton’s jongsten Zuidpooltocht, nevens allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden, en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen, en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren, vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton’s expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton’s Zuidpooltocht bijdragen leverden.Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar zeavond aan avond vertoond werden en veel belangstelling wekten.Maatschappij van Weldadigheid.Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859–1876); daarna de heeren F. B. Löhnis (1876–1892), H. A. Hanken (1892–1894), Job van den Have (1894–1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei toegenomen.Nieuwe hut op den Dent Blanche.Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg, over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd, Whymper’s boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de ElberfelderHüttedoor een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs Staffelalp en den grooten Z’Mutt-gletscher, aan den voet van den geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm, Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn, die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow’s voet uit en vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V., oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke ontvangst, die mij ten deel was gevallen.Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C., een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen, om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs, dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken, de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme, dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de lage landen aan de zee.De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.’s Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn, waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865–Sept. 1909, en beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««

Op den Uitkijk.Maskers van de Mahakam.De kaart van Borneo vóór zich leggende, vindt men op de westkust Pontianak en, ongeveer terzelfder breedte, op de oostkust Samarinda. Van het gebergte ongeveer in het midden des eilands stroomt naar Pontianak de Kapoeas, naar Samarinda de Mahakam; zij is de grootste rivier die aan de oostkust in zee valt. De maskers bij dit artikel afgebeeld zijn afkomstig van Long Iram, een plaats aan de Mahakam, die langs een rechte lijn ongeveer 100 kilometers van Samarinda verwijderd ligt, maar feitelijk misschien wel 200, door de sterke kronkelingen van de rivier.De maskers kwamen in het bezit van het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde door de goede zorg des heeren H. Gramberg, militair- en civiel gezaghebber van de Boven-Mahakam, en vormen een deel eener uitgebreide en belangrijke verzameling die deze ambtenaar voor het Museum bijeenbracht.De Boven-Mahakam, het gebied waar de heer Gramberg gezag uitoefent, is, volgens prof. Nieuwenhuis, bedekt met bosch, en van een bergtop gezien, zijn ’t alleen de steile wanden der kalkbergen die het oog treffen als lichte plekken op het donkergroene kleed. Waar de bevolking hare droge rijstvelden aanlegt ligt de grond bloot gedurende den tijd dat hij voor den rijstbouw dient; maar al gauw neemt struikgewas en later jong bosch dit terrein weer in. Gras is er, naar de bewoners zeggen, eerst de laatste 20 jaar aan de Boven-Mahakam verschenen; en het hooge gras dat alang-alang en ilalang heet kent men er niet.De bevolking aan de Mahakam boven de watervallen is niet talrijk; oorspronkelijk bestaat zij uit Bahau-stammen, die in de laatste twee eeuwen uit het hoog gelegen bergland Apo Kajan hierheen getrokken zijn. In het brongebied van de Mahatam, tot aan den val die Kiham Matandow heet, ligt nog ongerept oerwoud, en daarin zwerven kleine groepen van de Boekats, die telkens van woonplaats veranderen. Vóór den krijgstocht van de Dajaks uit Serawak in 1885 was het stroomgebied der Mahakam, van bovengenoemden valKihamMatandow tot aan de Soemwé bewoond door verscheidene nederzettingen van Pnihing-stammen; deze nederzettingen werden toen verwoest en de bewoners trokken langs de hoofd-rivier naar beneden. De stam der Sepoetans woont in het gebied van de Kaso, ten deele hoog de rivier op, voor een ander deel aan de Penaneh. Volgt men de rivier verder benedenwaarts, dan komt men in het gebied der Kajans, die zich de Mahakam toerekenen van de Soemwé tot aan de Dini. Ten oosten aan deze laatstgenoemde rivier begint het gebied van de Long-Glats en aan de Merasè wonen de Ma-Soelings.Wie, na deze vluchtige voorstelling, zich geroepen voelt tot nadere kennismaking, zal vinden wat hij verlangt in het werk van dr. A. W. NieuwenhuisIn Centraal Borneo, of in zijn boekQuer durch Borneo, beide boeiende reisverhalen, met een overvloed van platen. Aan de berichten van dezen schrijver zijn de volgende mededeelingen over het maskerspel ontleend waarbij maskers als de hier afgebeelde gebruikt worden.De zaaitijd van de rijst is bij de Kajans van de Boven-Mahakam verdeeld in drie perioden van negen dagen, en het maskerspel dat een deel is van het religieuse zaaifeest, valt op den eersten dag van de tweede en derde periode. De eeredienst van de Kajans, die uitsluitend landbouwers zijn, staat in nauw verband met den rijstbouw en de groote godsdienstige feesten van het jaar vallen op het begin der verschillende werkzaamheden. Deze worden onderscheiden in nebas (houtkappen), noetoeng (branden), noegal (zaaien), nawo (wieden), ngeleno (oogsten), newoeko (einde van den oogst) en nangei (het vieren van een nieuw jaar en begin van een nieuwen rijstbouw). De feesten bij noegal en nangei zijn de voornaamste.Wat heeft nu het optreden van gemaskerden te maken met het zaaien van rijst? In de overtuiging dat de geesten machtiger zijn dan de menschen, gelooven de Kajans, dat zij, als geesten vermomd en doende als geesten, ook meer vermogen dan menschen vermogen. Evenals de geesten de zielen der menschen kunnen terugbrengen, gelooven zij, dat zij ook de zwervende ziel van de rijst tot zich kunnen lokken. Daartoe dient een lange, houten haak die de hoofdman der gemaskerden in de hand houdt, en waarmede hij de beweging maakt van iets naar zich toe te halen.Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.Afgestaan door prof. dr. A. W. Nieuwenhuis.Geesten behooren er schrikwekkend uit te zien en daarom hullen zich de Kajans die sterk behaarde geesten voorstellen in uitgerafelde pisangbladeren, die zij met de hoofdnerf om het geheele lichaam winden, dat zoodoende een vormlooze groene massa wordt. Op de afbeelding is een groep gemaskerde Kajans van de Boven-Mahakam voorgesteld. Het masker is van licht hout gesneden, heeft evenals de wolf in Roodkapje groote oogen, groote ooren en groote tanden. Boven in de ooren zijn van hout nagemaakte pantertanden gestoken1en de banden aan den onderkant der ooren verbeelden de uitgerekte oorlellen,waarin oorsieraden hangen. De symmetrische lijnen op het masker zijn met vaste hand getrokken en doen de oogen scherp uitkomen; de kleuren zijn wit, zwart en steenrood. Het masker wordt gedekt door een strijdmuts van gevlochten rotan, versierd met de witte, met zwarte dwarsbanden belegde, staartvederen van een neushoornvogel.Deze geesten nu zijn ’t die de rijstziel moeten lokken en aan de Kajans een goeden oogst bezorgen. Zij mogen niet spreken want een geest spreekt niet en wie dit verbod vergeet loopt kans dood neer te vallen. Op een open plek tusschen de huizen vormen de zonderlinge wezens een kring en op de maat van den gongslag maken zij allerlei passen, bewegen de armen en schudden en draaien het hoofd. Dit duurt een half uur en dan plaatsen de geesten zich achter elkander, doende alsof zij de broewa parei, de rijstziel, uit verre oorden tot zich halen; want soms verdwaalt deze tot aan de Kapoeas en de Barito.Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Het andere masker, dat men hier afgebeeld vindt, is een varkensmasker, ook van de Boven-Mahakam. Dr. Nieuwenhuis maakt gewag van een maskerspel gedurende het zaaifeest aan de Mendalam, een rivier, die dicht bij het scheidingsgebergte in de westwaarts stroomende Kapoeas valt, welk spel een zwijnenjacht voorstelde. Ontleden doet hij deze ceremonie niet. De man met het varkensmasker stelde het zwijn voor en hij maakte de bewegingen en geluiden van dit dier goed na. Eenige jonge Kajans verbeeldden de honden die het varken aanblaften en te lijf wilden. De toeschouwers waren er heelemaal in, en de gewoonlijk zeer kalme Kajans raakten uit hun plooi; vooral als het dier een zijsprong maakte naar den kant waar de meisjes zaten was ’t een leven van geweld. Maar van angst of schrik was zelfs bij de eenjarige toekijkers geen sprake; men hoorde overal luid en hartelijk lachen. Of het varkensmasker van de Mahakam voor een dergelijk spel, als hier van de Mendalam beschreven is, gebezigd wordt, mag waarschijnlijk maar niet zeker heeten.Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Hoe dit varkensmasker met figuren beschilderd is blijkt voldoende uit de afbeelding; de kleuren zijn dezelfde als van het andere masker. Beide worden door koorden van gespleten rotan voor het aangezicht vastgemaakt, en beide hebben ter hoogte van den mond des dragers een dwarshoutje, dat blijkbaar met de tanden door hem omklemd wordt om het masker op zijn plaats te houden. Alleen van het varkensmasker is de onderkaak bewegelijk; loodrecht op het zooeven genoemde dwarshout is een stokje vastgemaakt dat naar het vooreind van de onderkaak loopt, een eenvoudig mekaniek, dat den drager van het masker in staat stelt met zijn tanden de onderkaak tegen de bovenkaak te doen klepperen.Rotterdam, 31/VIII ’09.Joh. F. Snelleman.1Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de z.g. Zee-Dajaks van Serawak.Menschen en natuur.Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.Admiraal Melville’s oordeel van beteekenis.De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat het slagen van Cook als dat van Peary betreft.Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen, met groote gevaren verbonden.Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin der 19deeeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend, en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen 1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als hoofdmachinist van de Jeannette deel.De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was, komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op 71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long’s teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte, dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging, om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September, en bij die gelegenheid werden ook commandantDeLong en Melville gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen, volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten, tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de zieken en de stervenden, zondenDeLong en Ambler twee zeelieden uit, om hooger op de Lena hulp te halen.De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór den 1stenNovember, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881 vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der ongelukkige schepelingen.Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten mijlen in de IJszee bevaren.Melville’s verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord van admiraal Melville gehoor vindt.Reval eerste oorlogshaven.De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat te brengen.

Op den Uitkijk.

De kaart van Borneo vóór zich leggende, vindt men op de westkust Pontianak en, ongeveer terzelfder breedte, op de oostkust Samarinda. Van het gebergte ongeveer in het midden des eilands stroomt naar Pontianak de Kapoeas, naar Samarinda de Mahakam; zij is de grootste rivier die aan de oostkust in zee valt. De maskers bij dit artikel afgebeeld zijn afkomstig van Long Iram, een plaats aan de Mahakam, die langs een rechte lijn ongeveer 100 kilometers van Samarinda verwijderd ligt, maar feitelijk misschien wel 200, door de sterke kronkelingen van de rivier.

De maskers kwamen in het bezit van het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde door de goede zorg des heeren H. Gramberg, militair- en civiel gezaghebber van de Boven-Mahakam, en vormen een deel eener uitgebreide en belangrijke verzameling die deze ambtenaar voor het Museum bijeenbracht.

De Boven-Mahakam, het gebied waar de heer Gramberg gezag uitoefent, is, volgens prof. Nieuwenhuis, bedekt met bosch, en van een bergtop gezien, zijn ’t alleen de steile wanden der kalkbergen die het oog treffen als lichte plekken op het donkergroene kleed. Waar de bevolking hare droge rijstvelden aanlegt ligt de grond bloot gedurende den tijd dat hij voor den rijstbouw dient; maar al gauw neemt struikgewas en later jong bosch dit terrein weer in. Gras is er, naar de bewoners zeggen, eerst de laatste 20 jaar aan de Boven-Mahakam verschenen; en het hooge gras dat alang-alang en ilalang heet kent men er niet.

De bevolking aan de Mahakam boven de watervallen is niet talrijk; oorspronkelijk bestaat zij uit Bahau-stammen, die in de laatste twee eeuwen uit het hoog gelegen bergland Apo Kajan hierheen getrokken zijn. In het brongebied van de Mahatam, tot aan den val die Kiham Matandow heet, ligt nog ongerept oerwoud, en daarin zwerven kleine groepen van de Boekats, die telkens van woonplaats veranderen. Vóór den krijgstocht van de Dajaks uit Serawak in 1885 was het stroomgebied der Mahakam, van bovengenoemden valKihamMatandow tot aan de Soemwé bewoond door verscheidene nederzettingen van Pnihing-stammen; deze nederzettingen werden toen verwoest en de bewoners trokken langs de hoofd-rivier naar beneden. De stam der Sepoetans woont in het gebied van de Kaso, ten deele hoog de rivier op, voor een ander deel aan de Penaneh. Volgt men de rivier verder benedenwaarts, dan komt men in het gebied der Kajans, die zich de Mahakam toerekenen van de Soemwé tot aan de Dini. Ten oosten aan deze laatstgenoemde rivier begint het gebied van de Long-Glats en aan de Merasè wonen de Ma-Soelings.

Wie, na deze vluchtige voorstelling, zich geroepen voelt tot nadere kennismaking, zal vinden wat hij verlangt in het werk van dr. A. W. NieuwenhuisIn Centraal Borneo, of in zijn boekQuer durch Borneo, beide boeiende reisverhalen, met een overvloed van platen. Aan de berichten van dezen schrijver zijn de volgende mededeelingen over het maskerspel ontleend waarbij maskers als de hier afgebeelde gebruikt worden.

De zaaitijd van de rijst is bij de Kajans van de Boven-Mahakam verdeeld in drie perioden van negen dagen, en het maskerspel dat een deel is van het religieuse zaaifeest, valt op den eersten dag van de tweede en derde periode. De eeredienst van de Kajans, die uitsluitend landbouwers zijn, staat in nauw verband met den rijstbouw en de groote godsdienstige feesten van het jaar vallen op het begin der verschillende werkzaamheden. Deze worden onderscheiden in nebas (houtkappen), noetoeng (branden), noegal (zaaien), nawo (wieden), ngeleno (oogsten), newoeko (einde van den oogst) en nangei (het vieren van een nieuw jaar en begin van een nieuwen rijstbouw). De feesten bij noegal en nangei zijn de voornaamste.

Wat heeft nu het optreden van gemaskerden te maken met het zaaien van rijst? In de overtuiging dat de geesten machtiger zijn dan de menschen, gelooven de Kajans, dat zij, als geesten vermomd en doende als geesten, ook meer vermogen dan menschen vermogen. Evenals de geesten de zielen der menschen kunnen terugbrengen, gelooven zij, dat zij ook de zwervende ziel van de rijst tot zich kunnen lokken. Daartoe dient een lange, houten haak die de hoofdman der gemaskerden in de hand houdt, en waarmede hij de beweging maakt van iets naar zich toe te halen.

Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.Afgestaan door prof. dr. A. W. Nieuwenhuis.

Als geesten gemaskerde Kajan’s, die ter gelegenheid van het zaaifeest de rijstziel terughalen.

Afgestaan door prof. dr. A. W. Nieuwenhuis.

Geesten behooren er schrikwekkend uit te zien en daarom hullen zich de Kajans die sterk behaarde geesten voorstellen in uitgerafelde pisangbladeren, die zij met de hoofdnerf om het geheele lichaam winden, dat zoodoende een vormlooze groene massa wordt. Op de afbeelding is een groep gemaskerde Kajans van de Boven-Mahakam voorgesteld. Het masker is van licht hout gesneden, heeft evenals de wolf in Roodkapje groote oogen, groote ooren en groote tanden. Boven in de ooren zijn van hout nagemaakte pantertanden gestoken1en de banden aan den onderkant der ooren verbeelden de uitgerekte oorlellen,waarin oorsieraden hangen. De symmetrische lijnen op het masker zijn met vaste hand getrokken en doen de oogen scherp uitkomen; de kleuren zijn wit, zwart en steenrood. Het masker wordt gedekt door een strijdmuts van gevlochten rotan, versierd met de witte, met zwarte dwarsbanden belegde, staartvederen van een neushoornvogel.

Deze geesten nu zijn ’t die de rijstziel moeten lokken en aan de Kajans een goeden oogst bezorgen. Zij mogen niet spreken want een geest spreekt niet en wie dit verbod vergeet loopt kans dood neer te vallen. Op een open plek tusschen de huizen vormen de zonderlinge wezens een kring en op de maat van den gongslag maken zij allerlei passen, bewegen de armen en schudden en draaien het hoofd. Dit duurt een half uur en dan plaatsen de geesten zich achter elkander, doende alsof zij de broewa parei, de rijstziel, uit verre oorden tot zich halen; want soms verdwaalt deze tot aan de Kapoeas en de Barito.

Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.

Masker (hoedo) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.

Het andere masker, dat men hier afgebeeld vindt, is een varkensmasker, ook van de Boven-Mahakam. Dr. Nieuwenhuis maakt gewag van een maskerspel gedurende het zaaifeest aan de Mendalam, een rivier, die dicht bij het scheidingsgebergte in de westwaarts stroomende Kapoeas valt, welk spel een zwijnenjacht voorstelde. Ontleden doet hij deze ceremonie niet. De man met het varkensmasker stelde het zwijn voor en hij maakte de bewegingen en geluiden van dit dier goed na. Eenige jonge Kajans verbeeldden de honden die het varken aanblaften en te lijf wilden. De toeschouwers waren er heelemaal in, en de gewoonlijk zeer kalme Kajans raakten uit hun plooi; vooral als het dier een zijsprong maakte naar den kant waar de meisjes zaten was ’t een leven van geweld. Maar van angst of schrik was zelfs bij de eenjarige toekijkers geen sprake; men hoorde overal luid en hartelijk lachen. Of het varkensmasker van de Mahakam voor een dergelijk spel, als hier van de Mendalam beschreven is, gebezigd wordt, mag waarschijnlijk maar niet zeker heeten.

Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.

Varkensmasker (hoedo ba kap) van de Boven-Mahakam, bijna 1/5 ware grootte; coll. H. Gramberg; foto C. E. Mögle.

Hoe dit varkensmasker met figuren beschilderd is blijkt voldoende uit de afbeelding; de kleuren zijn dezelfde als van het andere masker. Beide worden door koorden van gespleten rotan voor het aangezicht vastgemaakt, en beide hebben ter hoogte van den mond des dragers een dwarshoutje, dat blijkbaar met de tanden door hem omklemd wordt om het masker op zijn plaats te houden. Alleen van het varkensmasker is de onderkaak bewegelijk; loodrecht op het zooeven genoemde dwarshout is een stokje vastgemaakt dat naar het vooreind van de onderkaak loopt, een eenvoudig mekaniek, dat den drager van het masker in staat stelt met zijn tanden de onderkaak tegen de bovenkaak te doen klepperen.

Rotterdam, 31/VIII ’09.Joh. F. Snelleman.

1Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de z.g. Zee-Dajaks van Serawak.

1Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de z.g. Zee-Dajaks van Serawak.

Menschen en natuur.Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.

Menschen en natuur.

Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.

Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.

Admiraal Melville’s oordeel van beteekenis.De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat het slagen van Cook als dat van Peary betreft.Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen, met groote gevaren verbonden.Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin der 19deeeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend, en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen 1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als hoofdmachinist van de Jeannette deel.De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was, komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op 71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long’s teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte, dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging, om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September, en bij die gelegenheid werden ook commandantDeLong en Melville gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen, volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten, tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de zieken en de stervenden, zondenDeLong en Ambler twee zeelieden uit, om hooger op de Lena hulp te halen.De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór den 1stenNovember, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881 vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der ongelukkige schepelingen.Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten mijlen in de IJszee bevaren.Melville’s verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord van admiraal Melville gehoor vindt.

Admiraal Melville’s oordeel van beteekenis.

De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat het slagen van Cook als dat van Peary betreft.Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen, met groote gevaren verbonden.Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin der 19deeeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend, en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen 1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als hoofdmachinist van de Jeannette deel.De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was, komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op 71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long’s teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte, dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging, om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September, en bij die gelegenheid werden ook commandantDeLong en Melville gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen, volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten, tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de zieken en de stervenden, zondenDeLong en Ambler twee zeelieden uit, om hooger op de Lena hulp te halen.De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór den 1stenNovember, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881 vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der ongelukkige schepelingen.Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten mijlen in de IJszee bevaren.Melville’s verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord van admiraal Melville gehoor vindt.

De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat het slagen van Cook als dat van Peary betreft.

Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.

Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen, met groote gevaren verbonden.

Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin der 19deeeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.

Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend, en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen 1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als hoofdmachinist van de Jeannette deel.

De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was, komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op 71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long’s teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.

Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte, dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging, om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September, en bij die gelegenheid werden ook commandantDeLong en Melville gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.

De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen, volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten, tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de zieken en de stervenden, zondenDeLong en Ambler twee zeelieden uit, om hooger op de Lena hulp te halen.

De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór den 1stenNovember, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881 vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der ongelukkige schepelingen.

Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten mijlen in de IJszee bevaren.

Melville’s verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord van admiraal Melville gehoor vindt.

Reval eerste oorlogshaven.De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat te brengen.

Reval eerste oorlogshaven.

De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat te brengen.

De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat te brengen.

Op den Uitkijk.Bergtochten in Saksisch Zwitserland.Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners, profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren van Dresden verwijderd is.Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het intieme schoon van het Elbelandschap.Bastei, van de Elbe gezien.Bastei, van de Elbe gezien.Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin, waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren leidt naar het rotsplateau.Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch, dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug, een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De Lilienstein is een rotsmassief, dat koenen steil uit het nauwe Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en andere schatten.De Elbe bij den Winterberg.De Elbe bij den Winterberg.De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen; een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage, die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz, dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den tocht door de kloof.Het reizen van een aziatische ziekte.Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen, die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in 1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft, nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot 1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak enbinnenenkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866 begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend, dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie, die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde (Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In 1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land gedurende 1892–1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele gevallen voor.Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland, vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met zeer enkele gevallen.Seismologisch internationaal Congres.In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale congres van de leden der Internationale Vereeniging voor aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging was tot stand gekomen.Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije, Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel vertegenwoordigd.Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies, die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te ’s-Gravenhage.Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen, dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking verkregen wordt.Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.Struisvogelteelt in Noord-Duitschland.Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging, om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel, werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven met struisvogels genomen.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche, Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren; dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie maanden volledig uitgetrokken.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.Zionistische plannen op hef Cyrenaïsch schiereiland.Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation, aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha, die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau’s van kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken zoo vruchtbaar maakten.Toegankelijkheid van de ruïnen van Angkor.Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten, nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje, maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.

Op den Uitkijk.

Bergtochten in Saksisch Zwitserland.Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners, profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren van Dresden verwijderd is.Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het intieme schoon van het Elbelandschap.Bastei, van de Elbe gezien.Bastei, van de Elbe gezien.Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin, waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren leidt naar het rotsplateau.Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch, dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug, een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De Lilienstein is een rotsmassief, dat koenen steil uit het nauwe Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en andere schatten.De Elbe bij den Winterberg.De Elbe bij den Winterberg.De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen; een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage, die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz, dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den tocht door de kloof.

Bergtochten in Saksisch Zwitserland.

Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners, profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren van Dresden verwijderd is.Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het intieme schoon van het Elbelandschap.Bastei, van de Elbe gezien.Bastei, van de Elbe gezien.Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin, waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren leidt naar het rotsplateau.Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch, dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug, een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De Lilienstein is een rotsmassief, dat koenen steil uit het nauwe Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en andere schatten.De Elbe bij den Winterberg.De Elbe bij den Winterberg.De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen; een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage, die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz, dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den tocht door de kloof.

Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.

Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners, profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren van Dresden verwijderd is.

Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het intieme schoon van het Elbelandschap.

Bastei, van de Elbe gezien.Bastei, van de Elbe gezien.

Bastei, van de Elbe gezien.

Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin, waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren leidt naar het rotsplateau.

Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch, dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug, een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.

Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De Lilienstein is een rotsmassief, dat koenen steil uit het nauwe Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en andere schatten.

De Elbe bij den Winterberg.De Elbe bij den Winterberg.

De Elbe bij den Winterberg.

De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen; een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.

Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage, die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz, dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den tocht door de kloof.

Het reizen van een aziatische ziekte.Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen, die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in 1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft, nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot 1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak enbinnenenkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866 begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend, dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie, die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde (Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In 1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land gedurende 1892–1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele gevallen voor.Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland, vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met zeer enkele gevallen.

Het reizen van een aziatische ziekte.

Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen, die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in 1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft, nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot 1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak enbinnenenkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866 begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend, dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie, die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde (Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In 1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land gedurende 1892–1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele gevallen voor.Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland, vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met zeer enkele gevallen.

Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen, die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in 1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft, nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot 1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak enbinnenenkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866 begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend, dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.

Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie, die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde (Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In 1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land gedurende 1892–1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele gevallen voor.

Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland, vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met zeer enkele gevallen.

Seismologisch internationaal Congres.In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale congres van de leden der Internationale Vereeniging voor aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging was tot stand gekomen.Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije, Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel vertegenwoordigd.Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies, die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te ’s-Gravenhage.Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen, dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking verkregen wordt.Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.

Seismologisch internationaal Congres.

In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale congres van de leden der Internationale Vereeniging voor aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging was tot stand gekomen.Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije, Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel vertegenwoordigd.Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies, die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te ’s-Gravenhage.Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen, dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking verkregen wordt.Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.

In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale congres van de leden der Internationale Vereeniging voor aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging was tot stand gekomen.

Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.

De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije, Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel vertegenwoordigd.

Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies, die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.

Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te ’s-Gravenhage.

Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen, dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking verkregen wordt.

Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.

Struisvogelteelt in Noord-Duitschland.Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging, om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel, werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven met struisvogels genomen.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche, Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren; dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie maanden volledig uitgetrokken.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.

Struisvogelteelt in Noord-Duitschland.

Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging, om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel, werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven met struisvogels genomen.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche, Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren; dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie maanden volledig uitgetrokken.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.

Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging, om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel, werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven met struisvogels genomen.

Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.

Kunstmatige struisvogel-broedinrichting met een juist geboren kuiken.

Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche, Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren; dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie maanden volledig uitgetrokken.

De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.

De Struisvogel door een kopkapje weerloos gemaakt.

Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.

Zionistische plannen op hef Cyrenaïsch schiereiland.Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation, aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha, die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau’s van kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken zoo vruchtbaar maakten.

Zionistische plannen op hef Cyrenaïsch schiereiland.

Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation, aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha, die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau’s van kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken zoo vruchtbaar maakten.

Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation, aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha, die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.

De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau’s van kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.

Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken zoo vruchtbaar maakten.

Toegankelijkheid van de ruïnen van Angkor.Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten, nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje, maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.

Toegankelijkheid van de ruïnen van Angkor.

Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten, nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje, maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.

Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten, nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.

De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje, maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.

Op den Uitkijk.Rit over de Duitsche Wadden.Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt, waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.Visschen op het ijs.Visschen op het ijs.Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de inzittenden flink dooreen schudt.Op de krabbenvangst.Op de krabbenvangst.Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt; maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt, zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken, daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.Vischvangst in den winter.Vischvangst in den winter.De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote eiland heeft een overoudenvuurtoren, waar de reizigers vroeger gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personennaast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord- of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte, dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote kosten aangebracht.Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer uit is te wekken.Aanwinsten in zake de ethnografie van Flores en omgeving.De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd voorwerpen zijn, voor ’t meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien, hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores; mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van midden-Celebes.Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn gaat uit ’s visschers hand door een oog boven in den mast van zijn schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water; aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de lijn, de ander roeit en manoeuvreert.Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20 seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden, afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot 1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels, bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen montuur.Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek eens mannelijken Toradja’s van Celebes, een door de vrouwen van dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja’s zijn eenige voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1stenluitenant O. I. L. J. van Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.Een monoliet gered als natuurhistorisch monument.Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok, een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat, den Pierre de Marmettes.Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap en de aankoop door het genootschap.De Namib.Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis, waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42 ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.Shackletontentoonstelling.De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal, door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo’n groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat, om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling worden voor liefdadige doeleinden aangewend.Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol gespeeld hebben tijdens Shackleton’s jongsten Zuidpooltocht, nevens allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden, en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen, en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren, vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton’s expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton’s Zuidpooltocht bijdragen leverden.Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar zeavond aan avond vertoond werden en veel belangstelling wekten.Maatschappij van Weldadigheid.Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859–1876); daarna de heeren F. B. Löhnis (1876–1892), H. A. Hanken (1892–1894), Job van den Have (1894–1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei toegenomen.Nieuwe hut op den Dent Blanche.Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg, over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd, Whymper’s boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de ElberfelderHüttedoor een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs Staffelalp en den grooten Z’Mutt-gletscher, aan den voet van den geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm, Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn, die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow’s voet uit en vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V., oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke ontvangst, die mij ten deel was gevallen.Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C., een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen, om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs, dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken, de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme, dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de lage landen aan de zee.De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.’s Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn, waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865–Sept. 1909, en beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««

Op den Uitkijk.

Rit over de Duitsche Wadden.Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt, waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.Visschen op het ijs.Visschen op het ijs.Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de inzittenden flink dooreen schudt.Op de krabbenvangst.Op de krabbenvangst.Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt; maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt, zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken, daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.Vischvangst in den winter.Vischvangst in den winter.De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote eiland heeft een overoudenvuurtoren, waar de reizigers vroeger gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personennaast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord- of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte, dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote kosten aangebracht.Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer uit is te wekken.

Rit over de Duitsche Wadden.

Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt, waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.Visschen op het ijs.Visschen op het ijs.Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de inzittenden flink dooreen schudt.Op de krabbenvangst.Op de krabbenvangst.Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt; maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt, zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken, daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.Vischvangst in den winter.Vischvangst in den winter.De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote eiland heeft een overoudenvuurtoren, waar de reizigers vroeger gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personennaast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord- of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte, dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote kosten aangebracht.Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer uit is te wekken.

Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt, waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.

Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.

Visschen op het ijs.Visschen op het ijs.

Visschen op het ijs.

Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de inzittenden flink dooreen schudt.

Op de krabbenvangst.Op de krabbenvangst.

Op de krabbenvangst.

Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt; maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt, zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken, daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.

Vischvangst in den winter.Vischvangst in den winter.

Vischvangst in den winter.

De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.

Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote eiland heeft een overoudenvuurtoren, waar de reizigers vroeger gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personennaast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.

Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord- of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte, dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote kosten aangebracht.

Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer uit is te wekken.

Aanwinsten in zake de ethnografie van Flores en omgeving.De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd voorwerpen zijn, voor ’t meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien, hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores; mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van midden-Celebes.Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn gaat uit ’s visschers hand door een oog boven in den mast van zijn schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water; aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de lijn, de ander roeit en manoeuvreert.Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20 seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden, afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot 1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels, bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen montuur.Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek eens mannelijken Toradja’s van Celebes, een door de vrouwen van dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja’s zijn eenige voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1stenluitenant O. I. L. J. van Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.

Aanwinsten in zake de ethnografie van Flores en omgeving.

De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd voorwerpen zijn, voor ’t meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien, hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores; mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van midden-Celebes.Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn gaat uit ’s visschers hand door een oog boven in den mast van zijn schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water; aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de lijn, de ander roeit en manoeuvreert.Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20 seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden, afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot 1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels, bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen montuur.Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek eens mannelijken Toradja’s van Celebes, een door de vrouwen van dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja’s zijn eenige voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1stenluitenant O. I. L. J. van Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.

De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd voorwerpen zijn, voor ’t meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien, hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.

Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores; mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van midden-Celebes.

Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn gaat uit ’s visschers hand door een oog boven in den mast van zijn schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water; aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de lijn, de ander roeit en manoeuvreert.

Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20 seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.

Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden, afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.

Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot 1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels, bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen montuur.

Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek eens mannelijken Toradja’s van Celebes, een door de vrouwen van dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja’s zijn eenige voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1stenluitenant O. I. L. J. van Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.

Een monoliet gered als natuurhistorisch monument.Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok, een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat, den Pierre de Marmettes.Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap en de aankoop door het genootschap.

Een monoliet gered als natuurhistorisch monument.

Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok, een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat, den Pierre de Marmettes.Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap en de aankoop door het genootschap.

Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok, een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat, den Pierre de Marmettes.

Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.

Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap en de aankoop door het genootschap.

De Namib.Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis, waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42 ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.

De Namib.

Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis, waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42 ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.

Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis, waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.

De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42 ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.

De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.

Shackletontentoonstelling.De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal, door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo’n groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat, om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling worden voor liefdadige doeleinden aangewend.Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol gespeeld hebben tijdens Shackleton’s jongsten Zuidpooltocht, nevens allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden, en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen, en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren, vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton’s expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton’s Zuidpooltocht bijdragen leverden.Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar zeavond aan avond vertoond werden en veel belangstelling wekten.

Shackletontentoonstelling.

De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal, door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo’n groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat, om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling worden voor liefdadige doeleinden aangewend.Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol gespeeld hebben tijdens Shackleton’s jongsten Zuidpooltocht, nevens allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden, en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen, en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren, vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton’s expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton’s Zuidpooltocht bijdragen leverden.Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar zeavond aan avond vertoond werden en veel belangstelling wekten.

De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal, door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo’n groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat, om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling worden voor liefdadige doeleinden aangewend.

Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol gespeeld hebben tijdens Shackleton’s jongsten Zuidpooltocht, nevens allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden, en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen, en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.

Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren, vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton’s expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton’s Zuidpooltocht bijdragen leverden.

Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar zeavond aan avond vertoond werden en veel belangstelling wekten.

Maatschappij van Weldadigheid.Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859–1876); daarna de heeren F. B. Löhnis (1876–1892), H. A. Hanken (1892–1894), Job van den Have (1894–1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei toegenomen.

Maatschappij van Weldadigheid.

Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859–1876); daarna de heeren F. B. Löhnis (1876–1892), H. A. Hanken (1892–1894), Job van den Have (1894–1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei toegenomen.

Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.

Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859–1876); daarna de heeren F. B. Löhnis (1876–1892), H. A. Hanken (1892–1894), Job van den Have (1894–1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei toegenomen.

Nieuwe hut op den Dent Blanche.Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg, over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd, Whymper’s boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de ElberfelderHüttedoor een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs Staffelalp en den grooten Z’Mutt-gletscher, aan den voet van den geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm, Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn, die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow’s voet uit en vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V., oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke ontvangst, die mij ten deel was gevallen.Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C., een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen, om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs, dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken, de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme, dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de lage landen aan de zee.De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.’s Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn, waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865–Sept. 1909, en beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««

Nieuwe hut op den Dent Blanche.

Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg, over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd, Whymper’s boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de ElberfelderHüttedoor een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs Staffelalp en den grooten Z’Mutt-gletscher, aan den voet van den geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm, Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn, die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow’s voet uit en vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V., oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke ontvangst, die mij ten deel was gevallen.Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C., een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen, om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs, dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken, de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme, dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de lage landen aan de zee.De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.’s Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn, waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865–Sept. 1909, en beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««

Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg, over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd, Whymper’s boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.

Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de ElberfelderHüttedoor een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs Staffelalp en den grooten Z’Mutt-gletscher, aan den voet van den geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm, Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn, die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow’s voet uit en vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.

Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.

Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.

Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V., oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke ontvangst, die mij ten deel was gevallen.

Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C., een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen, om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs, dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.

Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken, de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme, dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de lage landen aan de zee.

De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.

’s Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn, waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865–Sept. 1909, en beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««


Back to IndexNext