Op den Uitkijk.Zeer hooge gasten op Middachten.Zooals het kasteel Middachten zich nu voordoet, werd het in 1697 gebouwd door Godard van Reede, graaf van Athlone, den trouwen vriend en den kloeken veldheer van den stadhouder-koning Willem III. In diezelfde zeventiende eeuw was het aan de Van Reedes gekomen, van wie het door huwelijk aan het geslacht Bentinck kwam, dat er thans nog troont.Het kasteel Middachten.Het kasteel Middachten.Vóór de zeventiende eeuw had het huis al een heele geschiedenis. Het wordt in 1190 genoemd, toen Jacobus de Michdat een oorkonde van graaf Otto van Gelder mede bezegelde, en in 1315 volgt Everard van Middach het voorbeeld van zooveel landheeren-tijdgenooten en maakt zijn huis en voorburcht ten »Zutfenschen Rechte tot leen«. In 1340 werd Hendrik van Middach overste-wildforster op de Veluwe. Na het uitsterven van het oude geslacht kwam Middachten in 1623 aan de Raisfelts, die er door de Van Reedes werden opgevolgd.De tegenwoordige bewoner, die de eer zal genieten, een vriendschapsbezoek van den duitschen keizer te ontvangen, graaf Willem Carel Philip Otto van Aldenburg-Bentinck en Waldeck-Limpurg, is lid van den hoogen duitschen adel, erfelijk lid van het wurtembergsche Heerenhuis en commandeur van de Duitsche Orde. Een tijd lang was hij secretaris van de britsche legatie te Berlijn. Zijn vrouw is Maria Cornelia, barones van Heeckeren van Wassenaer, en van de vier kinderen is een dochter met een duitschen erfgraaf getrouwd, een zoon is luitenant in het regiment Pruisische gardes du corps te Potsdam; en een anderezoonheeft ook reeds zijn entrée in dat regiment gedaan.Als keizer en keizerin incognito van Kleef komen op Maandag aanstaande zal de extra-trein alleen aan het station Nijmegen even van machine verwisselen, om daarna met tien rijtuigen rechtstreeks naar de Steeg door te rijden, waar graaf en gravin Bentinck hun hooge gasten zullen ontvangen. In open rijtuigen wordt door het dorp gereden en door de beroemde beukenlaan langs de zijlaan naar het kasteel.In de hooge, ruime zalen en kamers, regelmatig om de vestibule en den koepel gebouwd, en langs de groote trap met het prachtige snijwerk aan de leuningen zal het hooge gezelschap, dat op Middachten blijft logeeren, zich bewegen en de heerlijke uitzichten genieten op het park en de weiden en lanen eromheen. Des keizers zin voor historie zal kunnen worden gestreeld, want talrijk zijn de oude portretten van historische beteekenis, die op Middachten worden bewaard. De eigenaar van Middachten, wiens moeder een gravin van Waldeck Pyrmont was, stamt af van den tweeden zoon van dien bekenden en terecht beroemden en geëerden eersten graaf van Portland, Hans Willem Bentinck, den gunsteling en, wat meer zegt, den trouwen, tot het laatst hem innig toegewijden vriend van Willem III.De titel, graaf van Aldenburg, kregen de Bentincks van Middachten bij den dood van Eugenius van Savoye, den laatsten graaf van Aldenburg, in 1736.Herdenking van wat Nederland en de Vereenigde Staten verbindt.Dat moet een aangename reis zijn geweest voor den professor van de universiteit Rutgers College in Ithaca in den Staat New-York, den heer William Elliot Griffis, die tocht naar Nederland met opdrachten van genootschappen en vereenigingen in Amerika, om in ons land door zichtbare blijken vast te leggen de herinnering aan de banden, die in de historie gelegd zijn tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het land, dat eerst Nederlandsche kolonie, toen Engelsche kolonie en eindelijk ook republiek was geworden.Het aanwakkeren van de piëteit voor het verleden is iets nobels en goeds, en waar door de gedenkplaten, die de amerikaansche geleerde in ons land kwam plaatsen en onthullen, iets voor ons land zoo eervols werd herdacht als het aandeel, dat Nederland had aan de schepping van de republiek Amerika, daar mogen wij allen wel hartelijk deelen in de herinneringsplechtigheden.Belangrijk waren vooral die in de Engelsch Hervormde kerk op het Bagijnhof te Amsterdam en die te Leeuwarden in de Statenzaal. Ook Utrecht en Nijkerk kregen gedenkplaten.Driehonderd jaren is het geleden, dat een groep personen, die om des geloofswille uit Engeland moesten wijken, gastvrij in ons land; en wel het eerst in Amsterdam, werden opgenomen. Als pelgrims kwamen ze naar het lage land en als pelgrims hebben ze er geen blijvende plaats gevonden, maar zijn, na ook in Leiden en in Delfshaven te hebben gewoond, overgestoken naar het toen nog zooveel verder dan nu verwijderde land aan de overzij van den Atlantischen Oceaan. Op de gedenkplaat, die in de Bagijnhofkerk is onthuld, staan vijf namen vermeld van die Pilgrim Fathers, die zich in Pennsylvanië vestigden. Het zijn Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster en Bradford, aristocratische namen in Amerika, waar de herinnering aan die pelgrims zeer levendig wordt gehouden.Het was een plechtige dienst, die op Zondag 11 Juli werd gehouden in de overvolle kerk. In de hooge bank tegenover den preekstoel had de burgemeester van Amsterdam, Mr. W. F. van Leeuwen, plaats genomen met den engelschen consul, Mr. Churchill, en den vice-consul, Mr. Nabarre. Aan den voet van het gestoelte zaten verschillende afgevaardigden van andere kerkgenootschappen, als de Ned. Herv. Kerk, de Evangelisch Luthersche, de Hersteld Evangelisch Luthersche en Doopsgezinde Gemeente, Ds. Overman, predikant van de Engelsche kerk teVlissingen, vertegenwoordigers van de Schotsche kerk te Rotterdam en veel autoriteiten uit Amerika.De predikant van de engelsche kerk, Rev. William Thomson, opende de bijeenkomst met gebed, waarna de gemeente uit den schotschen liederenbundel de toepasselijke verzen zong:“Throughthe night of doubt and sorrowOnward goes the pilgrim-band,Singing songs of expectation,Marching to the Promised land.”Clear before us through the darknessGleams and burns the gliding light;Brother clasps the hand of brother,Stepping fearless through the night.Daarna kreeg de Reverend Elliot Griffis het woord, de man, die al bekendheid heeft gekregen in ons land door zijn geschriften over de historische betrekkingen tusschen Nederland en Amerika, als “The Pilgrims in their three homes”, “Brave little Holland” en “The story of New-Netherland”. De spreker droeg een professorale toga, omzoomd met roode en witte strooken als doctor in de rechten en in de godgeleerdheid, op den rug belegd met een zwart zijden vierkant als een embleem van Rutgers College.In de rede werd hoog opgegeven van de geestelijke schatten, die wij in onze roemrijke geschiedenis en in onze oude kunst bezitten, werd natuurlijk de geschiedenis van de in 1609 uitgewekenen herdacht en tevens verteld, hoe verschillende stichtingen en particulieren, onder leiding van de Congregational Club als voornaamste geefster, de gedenkplaat hadden doen vervaardigen, die aan den wand van de kerk ter zijde van het preekgestoelte voor aller oogen zichtbaar werd; toen de hoogleeraar G. L. Raymund uit Washington, getrouwd met een afstammelinge van een der Pilgrim Fathers, haar onthulde.Koorgezang had te voren de mooie woorden begeleid van het lied, door den heer Griffis geschreven, waarin de woorden voorkomen:»Forth from their mother-land outcastOur fathers fled to find a home:Long dwelt they guests, in conscience freeWithin a State without a throne.Within these cities, rich and fair,They found full welcome and a home;In sweet comment then worshipped God,Nor wished again to farther roam.”Bedoelde professor Raymund is president van de Mayflower Society, zoo genoemd naar het schip, waarmee de pelgrims overstaken naar Amerika en wel naar Plymouth in Pennsylvanië, waar ze een overwegenden en blijvenden invloed hadden op de wording der Hervormde Kerk en op den gang van zaken in de kolonie.De onthulde plaat is van koper, bevestigd op eikenhout, en draagt het volgende inschrift:One in Christ.1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster,Bradford. By joint consent they resolved to go into the low Countries where they heard was freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.(Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago Congregational Club reared this memorial.A. D. 1909.Bij monde van den Rev. William E. Barton uit Chicago had den 18den de eigenlijke aanbieding plaats.Nog sprak bij de onthulling een eerbiedwaardige grijsaard, de heer George Bishop, een vertegenwoordiger van de oude kerk der knickerbockers, een afstammeling der eerste kolonisten, en ook de kanselier van de universiteit te New York, Dr. Henry Mitchell Mac Cracker, die over de in September aanstaande Hudson Fultonviering vol geestdrift uitweidde en alle Nederlanders, die over zouden komen al bij voorbaat hartelijk welkom heette. Men weet, dat onze oud-minister, de heer J. T. Cremer op 11 September erheen vertrekt als vertegenwoordiger van Nederland.De plechtigheid in de Statenzaal te Leeuwarden was voorbereid door een tentoonstelling, in het prentenkabinet van het friesch Museum ingericht ter herinnering aan het feit, dat de Staten van Friesland, het eerst van alle geüniëerde provinciën, bij besluit van 26 Februari 1782, aandrongen op de erkenning van John Adams als gezant van Amerika, iets wat gelijk stond met de erkenning der onafhankelijkheid van den Noord-Amerikaanschen Staat.Behalve portretten van bekende voorstanders van de Amerikaansche onafhankelijkheid, als Johan Derck van der Capellen, den Amerikaanschen burgemeester Hooft e. a., bestaat de expositie in hoofdzaak uit documenten die een levendigen kijk geven op hetgeen er in 1782 omging in Friesland’s hoofdstad en te Franeker, zetel der voormalige friesche hoogeschool.De Leeuwarder »Burger Sociëteit door Vrijheid en IJver« was zóó getroffen door het volwijze besluit der Staten van Friesland, dat zij besloot op hare kosten een zilveren medaille te laten slaan door B. C. van Calker te Amsterdam, naar nog voorhanden schetsen van J. Buys. Na veel wikken en wegen kwam men tot de volgende symboliek op de voorzijde der medaille, die volgens de gedrukte verklaring als volgt moet worden opgevat:De voorzijde vertoont een Fries, gekleed naar den ouden en caracteristicquen trant der Friezen tusschen Flie en Lauwers; ’t welk te kennen geeft »dat deeze Vrije Natie in haar oorspronkelijk caracter, en zugt voor de Vrijheid, onverandert en nog dezelfde is«. Deze Fries, met moeite ontdekt op een populair schilderij: »de Friesche maaltijd«, thans in het friesch Museum geeft de rechterhand aan eene Indiaansche maagd, representeerende de Vereenigde Staten van N. A. Deze »als noch niet in de stille en vreedige bezitting der vrijheid en onafhankelijkheid, vestigt hare oogen op een nederdalende Engel, die haar den hoed der vrijheid als een bizonder geschenk uit den hemel brengt«.Met de linkerhand wijst de Fries den vredespalm af, hem aangeboden door de Britsche maagd, bemerkt hebbende de adder in het gras liggende. De luipaart daarnaast, het gewone zinnebeeld van Engeland.Het afwijzen van den vrede sloeg op een tweede Statenbesluit, van April 1782, waarbij Friesland voorging in het weigeren om een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Talrijke brieven van voorname landgenooten en buitenlanders, een collectie, die een liefhebber van handteekeningen en zegels moet doen watertanden, brengen aan de ijverige societeit den dank voor een toegezonden medaille. Men vindt er bij van John Adams, zijn zaakgelastigde Dumas, den franschen ambassadeur Hertog de la Vauguyon, Hendrik Hooft, C. L. van Beyma, den graaf van Wassenaer, van der Cappellen tot den Pol en vele andere. Ook de medaille, die in totaal ƒ2074 aan kosten meebracht, is in meerdere exemplaren vertegenwoordigd.Franeker gaf 17 Juni 1782 op kosten der hoogleeraren, studenten en burgers ter eere der erkenning van Amerika een schitterend vuurwerk, later in twee gedichten bezongen. De eereboog had in ’t latijn tot opschrift:Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geachtDan eeuwen onder ’t juk eens Dwingelands doorgebracht.Op Donderdag 15 Juli had daarna de aanbieding der gedenkplaat door den heer Elliot Griffis plaats. Bij die bijeenkomst waren ook het gemeentebestuur vertegenwoordigd en het bestuur van Vreemdelingenverkeer, voorts de heeren Bloembergen en Sickenga, leden der Eerste Kamer, verschillende leden van rechterlijke colleges en ook dames. Na het woord van welkom door Th. M. Th. van Welderen baron Rengers hield diens vader, voorzitter van het Friesch Genootschap, een toespraak, waarin hij herinnert aan de aanleiding tot de plechtigheid, de erkenning door de Friesche Staten van de onafhankelijkheid der Amerikaansche republiek, wier bloei en grootheid thans bewondering afdwingt.Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda, de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijkegroeten aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het volgende opschrift:Memorial of gratitude.At Leeuwarden in the states of FrieslandFebruary 1782the first vote was takenwhichled to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.Erected by the De Witt Historical Societyof Tompkins countyat Ithaca N. Y.A. D.1909.Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland, de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden en Ithaca.Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en een dochter.Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de Vereenigde Staten door de Republiek.Hohenfinow en de Von Bethmann-Hollwegs.In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald vonBethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck’s Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.Het kasteel Hohenfinow.Het kasteel Hohenfinow.De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.De beide talen in den Elzas.De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470 lagere scholen van het tweetalige gebied.Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht, de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de lagere scholen.Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de regeering haar steun blijft verleenen.Op den Uitkijk.Pforta of Schulpforta.De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school, afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege, dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse, werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of subjectief te werk moet gaan.De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen, waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende leeraren extranei in den kost hebben.De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen, die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge, ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen vleugel met ruime aula.Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in 1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729 tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen 1741 en 1746 vielen.De nieuwe Tauernspoorweg.Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon op den 5denJuli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn, die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn, die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen, en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid, die er te zien waren.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg, dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die ’t volgende jaar klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren, dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden, toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor, de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar debadplaats Gastein, voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op de Alpenreizigers.Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam, en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.Het engelsche landschap.Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt, wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover, Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar in de stilte van eigen gemoed.Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen, alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen; onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote, samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek, en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei en de pracht van hun verschijning vergoed.Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor, en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde; vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden, maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend, met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker, en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen, hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid de villa’s en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet uit te rusten van zijn inspanning.Een Haagsche vliegtocht van Lefèbvre.Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid, hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die later op den 4denen den 5dennog schitterend werd overtroefd door een mooier en wijder en statiger vlucht.In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre’s toestel, het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,« zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto’s en rijtuigen te ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat 1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre, die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op, in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée ƒ 2,50 en ƒ 1 veel te hoog. Als het ƒ 0,50 en ƒ 0,25 was geweest, zou het er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben dit niet te lezen.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Maar toen begon het wachten van drie uur tot ’s avonds half acht. Een fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf, dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan, niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille, aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder in het half donker.Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk, eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door, de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten, die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid, worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring hebben doorkliefd.«Op den Uitkijk.In het Ertsgebergte.Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.Oude molen in het Ertsgebergte.Oude molen in het Ertsgebergte.Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend, zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten van het gebergte stijgen kan.Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918 meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid van de streek zoeken.Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van de 12deeeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind van de 15deeeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect van het Ertsgebergte wordt gesproken.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.De omlijsting dezer afbeelding is van kant uit het dorp Eibenstock.Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de 16deen 17deeeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen, maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang, dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers ensmeden bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een bitter klein beetje.Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.Houtbewerking.Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt ’t mij een bijzonder gelukkige vondst.Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen: die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en het heden ineen vloeien. Zeker—vaak treft men bij industrieelen den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van de dingen die de Sarasin’s gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die zij daarbij gebruiken.Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.Dit maakt het onderwerp—de schrijver wijst erop—zoo aantrekkelijk; we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.Joh. F. Snelleman.R’dam, 17–VIII–’09.Nieuwe Alpenweg in Frankrijk.In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den 2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste alpenweg over den Col d’Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France«zal een groot gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.Rustige Hotels.Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen, door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil mogelijk houden.Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst«van de »rusthotels«opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort, heeft gesteld:1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken, het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter zoo moeten ingericht zijn, dat er ook ’s morgens door eenige kieren licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel »geluid-dicht« afgesloten zijn.3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo min mogelijk gedruisch te laten geschieden.4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden, dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat verschillende hotels hem niet opnemen.5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen honden blaffen.6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten worden, is volkomen ongeoorloofd.Dansen.De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek een goede partij te doen.Nevelzeeën.In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee, die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken, waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.“Het is boven helder!” zoo klinkt van boven het blijde bericht, en wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg, bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in de grijze nevelmassa’s, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen naar de begeerde hoogten.Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente, en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag, en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote oog te onderscheiden.Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.Nevelzee van den Rigi gezien.Nevelzee van den Rigi gezien.Ouderdom van badplaatsen.Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost- en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek »Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland, en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden, waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd, en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld, dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.Een volkstelling in China.Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen, wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt van 300 tot 350 millioen.Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China van groote waarde zijn.Winst en roof.Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te onderscheiden.
Op den Uitkijk.Zeer hooge gasten op Middachten.Zooals het kasteel Middachten zich nu voordoet, werd het in 1697 gebouwd door Godard van Reede, graaf van Athlone, den trouwen vriend en den kloeken veldheer van den stadhouder-koning Willem III. In diezelfde zeventiende eeuw was het aan de Van Reedes gekomen, van wie het door huwelijk aan het geslacht Bentinck kwam, dat er thans nog troont.Het kasteel Middachten.Het kasteel Middachten.Vóór de zeventiende eeuw had het huis al een heele geschiedenis. Het wordt in 1190 genoemd, toen Jacobus de Michdat een oorkonde van graaf Otto van Gelder mede bezegelde, en in 1315 volgt Everard van Middach het voorbeeld van zooveel landheeren-tijdgenooten en maakt zijn huis en voorburcht ten »Zutfenschen Rechte tot leen«. In 1340 werd Hendrik van Middach overste-wildforster op de Veluwe. Na het uitsterven van het oude geslacht kwam Middachten in 1623 aan de Raisfelts, die er door de Van Reedes werden opgevolgd.De tegenwoordige bewoner, die de eer zal genieten, een vriendschapsbezoek van den duitschen keizer te ontvangen, graaf Willem Carel Philip Otto van Aldenburg-Bentinck en Waldeck-Limpurg, is lid van den hoogen duitschen adel, erfelijk lid van het wurtembergsche Heerenhuis en commandeur van de Duitsche Orde. Een tijd lang was hij secretaris van de britsche legatie te Berlijn. Zijn vrouw is Maria Cornelia, barones van Heeckeren van Wassenaer, en van de vier kinderen is een dochter met een duitschen erfgraaf getrouwd, een zoon is luitenant in het regiment Pruisische gardes du corps te Potsdam; en een anderezoonheeft ook reeds zijn entrée in dat regiment gedaan.Als keizer en keizerin incognito van Kleef komen op Maandag aanstaande zal de extra-trein alleen aan het station Nijmegen even van machine verwisselen, om daarna met tien rijtuigen rechtstreeks naar de Steeg door te rijden, waar graaf en gravin Bentinck hun hooge gasten zullen ontvangen. In open rijtuigen wordt door het dorp gereden en door de beroemde beukenlaan langs de zijlaan naar het kasteel.In de hooge, ruime zalen en kamers, regelmatig om de vestibule en den koepel gebouwd, en langs de groote trap met het prachtige snijwerk aan de leuningen zal het hooge gezelschap, dat op Middachten blijft logeeren, zich bewegen en de heerlijke uitzichten genieten op het park en de weiden en lanen eromheen. Des keizers zin voor historie zal kunnen worden gestreeld, want talrijk zijn de oude portretten van historische beteekenis, die op Middachten worden bewaard. De eigenaar van Middachten, wiens moeder een gravin van Waldeck Pyrmont was, stamt af van den tweeden zoon van dien bekenden en terecht beroemden en geëerden eersten graaf van Portland, Hans Willem Bentinck, den gunsteling en, wat meer zegt, den trouwen, tot het laatst hem innig toegewijden vriend van Willem III.De titel, graaf van Aldenburg, kregen de Bentincks van Middachten bij den dood van Eugenius van Savoye, den laatsten graaf van Aldenburg, in 1736.Herdenking van wat Nederland en de Vereenigde Staten verbindt.Dat moet een aangename reis zijn geweest voor den professor van de universiteit Rutgers College in Ithaca in den Staat New-York, den heer William Elliot Griffis, die tocht naar Nederland met opdrachten van genootschappen en vereenigingen in Amerika, om in ons land door zichtbare blijken vast te leggen de herinnering aan de banden, die in de historie gelegd zijn tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het land, dat eerst Nederlandsche kolonie, toen Engelsche kolonie en eindelijk ook republiek was geworden.Het aanwakkeren van de piëteit voor het verleden is iets nobels en goeds, en waar door de gedenkplaten, die de amerikaansche geleerde in ons land kwam plaatsen en onthullen, iets voor ons land zoo eervols werd herdacht als het aandeel, dat Nederland had aan de schepping van de republiek Amerika, daar mogen wij allen wel hartelijk deelen in de herinneringsplechtigheden.Belangrijk waren vooral die in de Engelsch Hervormde kerk op het Bagijnhof te Amsterdam en die te Leeuwarden in de Statenzaal. Ook Utrecht en Nijkerk kregen gedenkplaten.Driehonderd jaren is het geleden, dat een groep personen, die om des geloofswille uit Engeland moesten wijken, gastvrij in ons land; en wel het eerst in Amsterdam, werden opgenomen. Als pelgrims kwamen ze naar het lage land en als pelgrims hebben ze er geen blijvende plaats gevonden, maar zijn, na ook in Leiden en in Delfshaven te hebben gewoond, overgestoken naar het toen nog zooveel verder dan nu verwijderde land aan de overzij van den Atlantischen Oceaan. Op de gedenkplaat, die in de Bagijnhofkerk is onthuld, staan vijf namen vermeld van die Pilgrim Fathers, die zich in Pennsylvanië vestigden. Het zijn Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster en Bradford, aristocratische namen in Amerika, waar de herinnering aan die pelgrims zeer levendig wordt gehouden.Het was een plechtige dienst, die op Zondag 11 Juli werd gehouden in de overvolle kerk. In de hooge bank tegenover den preekstoel had de burgemeester van Amsterdam, Mr. W. F. van Leeuwen, plaats genomen met den engelschen consul, Mr. Churchill, en den vice-consul, Mr. Nabarre. Aan den voet van het gestoelte zaten verschillende afgevaardigden van andere kerkgenootschappen, als de Ned. Herv. Kerk, de Evangelisch Luthersche, de Hersteld Evangelisch Luthersche en Doopsgezinde Gemeente, Ds. Overman, predikant van de Engelsche kerk teVlissingen, vertegenwoordigers van de Schotsche kerk te Rotterdam en veel autoriteiten uit Amerika.De predikant van de engelsche kerk, Rev. William Thomson, opende de bijeenkomst met gebed, waarna de gemeente uit den schotschen liederenbundel de toepasselijke verzen zong:“Throughthe night of doubt and sorrowOnward goes the pilgrim-band,Singing songs of expectation,Marching to the Promised land.”Clear before us through the darknessGleams and burns the gliding light;Brother clasps the hand of brother,Stepping fearless through the night.Daarna kreeg de Reverend Elliot Griffis het woord, de man, die al bekendheid heeft gekregen in ons land door zijn geschriften over de historische betrekkingen tusschen Nederland en Amerika, als “The Pilgrims in their three homes”, “Brave little Holland” en “The story of New-Netherland”. De spreker droeg een professorale toga, omzoomd met roode en witte strooken als doctor in de rechten en in de godgeleerdheid, op den rug belegd met een zwart zijden vierkant als een embleem van Rutgers College.In de rede werd hoog opgegeven van de geestelijke schatten, die wij in onze roemrijke geschiedenis en in onze oude kunst bezitten, werd natuurlijk de geschiedenis van de in 1609 uitgewekenen herdacht en tevens verteld, hoe verschillende stichtingen en particulieren, onder leiding van de Congregational Club als voornaamste geefster, de gedenkplaat hadden doen vervaardigen, die aan den wand van de kerk ter zijde van het preekgestoelte voor aller oogen zichtbaar werd; toen de hoogleeraar G. L. Raymund uit Washington, getrouwd met een afstammelinge van een der Pilgrim Fathers, haar onthulde.Koorgezang had te voren de mooie woorden begeleid van het lied, door den heer Griffis geschreven, waarin de woorden voorkomen:»Forth from their mother-land outcastOur fathers fled to find a home:Long dwelt they guests, in conscience freeWithin a State without a throne.Within these cities, rich and fair,They found full welcome and a home;In sweet comment then worshipped God,Nor wished again to farther roam.”Bedoelde professor Raymund is president van de Mayflower Society, zoo genoemd naar het schip, waarmee de pelgrims overstaken naar Amerika en wel naar Plymouth in Pennsylvanië, waar ze een overwegenden en blijvenden invloed hadden op de wording der Hervormde Kerk en op den gang van zaken in de kolonie.De onthulde plaat is van koper, bevestigd op eikenhout, en draagt het volgende inschrift:One in Christ.1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster,Bradford. By joint consent they resolved to go into the low Countries where they heard was freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.(Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago Congregational Club reared this memorial.A. D. 1909.Bij monde van den Rev. William E. Barton uit Chicago had den 18den de eigenlijke aanbieding plaats.Nog sprak bij de onthulling een eerbiedwaardige grijsaard, de heer George Bishop, een vertegenwoordiger van de oude kerk der knickerbockers, een afstammeling der eerste kolonisten, en ook de kanselier van de universiteit te New York, Dr. Henry Mitchell Mac Cracker, die over de in September aanstaande Hudson Fultonviering vol geestdrift uitweidde en alle Nederlanders, die over zouden komen al bij voorbaat hartelijk welkom heette. Men weet, dat onze oud-minister, de heer J. T. Cremer op 11 September erheen vertrekt als vertegenwoordiger van Nederland.De plechtigheid in de Statenzaal te Leeuwarden was voorbereid door een tentoonstelling, in het prentenkabinet van het friesch Museum ingericht ter herinnering aan het feit, dat de Staten van Friesland, het eerst van alle geüniëerde provinciën, bij besluit van 26 Februari 1782, aandrongen op de erkenning van John Adams als gezant van Amerika, iets wat gelijk stond met de erkenning der onafhankelijkheid van den Noord-Amerikaanschen Staat.Behalve portretten van bekende voorstanders van de Amerikaansche onafhankelijkheid, als Johan Derck van der Capellen, den Amerikaanschen burgemeester Hooft e. a., bestaat de expositie in hoofdzaak uit documenten die een levendigen kijk geven op hetgeen er in 1782 omging in Friesland’s hoofdstad en te Franeker, zetel der voormalige friesche hoogeschool.De Leeuwarder »Burger Sociëteit door Vrijheid en IJver« was zóó getroffen door het volwijze besluit der Staten van Friesland, dat zij besloot op hare kosten een zilveren medaille te laten slaan door B. C. van Calker te Amsterdam, naar nog voorhanden schetsen van J. Buys. Na veel wikken en wegen kwam men tot de volgende symboliek op de voorzijde der medaille, die volgens de gedrukte verklaring als volgt moet worden opgevat:De voorzijde vertoont een Fries, gekleed naar den ouden en caracteristicquen trant der Friezen tusschen Flie en Lauwers; ’t welk te kennen geeft »dat deeze Vrije Natie in haar oorspronkelijk caracter, en zugt voor de Vrijheid, onverandert en nog dezelfde is«. Deze Fries, met moeite ontdekt op een populair schilderij: »de Friesche maaltijd«, thans in het friesch Museum geeft de rechterhand aan eene Indiaansche maagd, representeerende de Vereenigde Staten van N. A. Deze »als noch niet in de stille en vreedige bezitting der vrijheid en onafhankelijkheid, vestigt hare oogen op een nederdalende Engel, die haar den hoed der vrijheid als een bizonder geschenk uit den hemel brengt«.Met de linkerhand wijst de Fries den vredespalm af, hem aangeboden door de Britsche maagd, bemerkt hebbende de adder in het gras liggende. De luipaart daarnaast, het gewone zinnebeeld van Engeland.Het afwijzen van den vrede sloeg op een tweede Statenbesluit, van April 1782, waarbij Friesland voorging in het weigeren om een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Talrijke brieven van voorname landgenooten en buitenlanders, een collectie, die een liefhebber van handteekeningen en zegels moet doen watertanden, brengen aan de ijverige societeit den dank voor een toegezonden medaille. Men vindt er bij van John Adams, zijn zaakgelastigde Dumas, den franschen ambassadeur Hertog de la Vauguyon, Hendrik Hooft, C. L. van Beyma, den graaf van Wassenaer, van der Cappellen tot den Pol en vele andere. Ook de medaille, die in totaal ƒ2074 aan kosten meebracht, is in meerdere exemplaren vertegenwoordigd.Franeker gaf 17 Juni 1782 op kosten der hoogleeraren, studenten en burgers ter eere der erkenning van Amerika een schitterend vuurwerk, later in twee gedichten bezongen. De eereboog had in ’t latijn tot opschrift:Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geachtDan eeuwen onder ’t juk eens Dwingelands doorgebracht.Op Donderdag 15 Juli had daarna de aanbieding der gedenkplaat door den heer Elliot Griffis plaats. Bij die bijeenkomst waren ook het gemeentebestuur vertegenwoordigd en het bestuur van Vreemdelingenverkeer, voorts de heeren Bloembergen en Sickenga, leden der Eerste Kamer, verschillende leden van rechterlijke colleges en ook dames. Na het woord van welkom door Th. M. Th. van Welderen baron Rengers hield diens vader, voorzitter van het Friesch Genootschap, een toespraak, waarin hij herinnert aan de aanleiding tot de plechtigheid, de erkenning door de Friesche Staten van de onafhankelijkheid der Amerikaansche republiek, wier bloei en grootheid thans bewondering afdwingt.Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda, de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijkegroeten aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het volgende opschrift:Memorial of gratitude.At Leeuwarden in the states of FrieslandFebruary 1782the first vote was takenwhichled to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.Erected by the De Witt Historical Societyof Tompkins countyat Ithaca N. Y.A. D.1909.Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland, de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden en Ithaca.Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en een dochter.Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de Vereenigde Staten door de Republiek.Hohenfinow en de Von Bethmann-Hollwegs.In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald vonBethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck’s Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.Het kasteel Hohenfinow.Het kasteel Hohenfinow.De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.De beide talen in den Elzas.De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470 lagere scholen van het tweetalige gebied.Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht, de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de lagere scholen.Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de regeering haar steun blijft verleenen.
Op den Uitkijk.
Zeer hooge gasten op Middachten.Zooals het kasteel Middachten zich nu voordoet, werd het in 1697 gebouwd door Godard van Reede, graaf van Athlone, den trouwen vriend en den kloeken veldheer van den stadhouder-koning Willem III. In diezelfde zeventiende eeuw was het aan de Van Reedes gekomen, van wie het door huwelijk aan het geslacht Bentinck kwam, dat er thans nog troont.Het kasteel Middachten.Het kasteel Middachten.Vóór de zeventiende eeuw had het huis al een heele geschiedenis. Het wordt in 1190 genoemd, toen Jacobus de Michdat een oorkonde van graaf Otto van Gelder mede bezegelde, en in 1315 volgt Everard van Middach het voorbeeld van zooveel landheeren-tijdgenooten en maakt zijn huis en voorburcht ten »Zutfenschen Rechte tot leen«. In 1340 werd Hendrik van Middach overste-wildforster op de Veluwe. Na het uitsterven van het oude geslacht kwam Middachten in 1623 aan de Raisfelts, die er door de Van Reedes werden opgevolgd.De tegenwoordige bewoner, die de eer zal genieten, een vriendschapsbezoek van den duitschen keizer te ontvangen, graaf Willem Carel Philip Otto van Aldenburg-Bentinck en Waldeck-Limpurg, is lid van den hoogen duitschen adel, erfelijk lid van het wurtembergsche Heerenhuis en commandeur van de Duitsche Orde. Een tijd lang was hij secretaris van de britsche legatie te Berlijn. Zijn vrouw is Maria Cornelia, barones van Heeckeren van Wassenaer, en van de vier kinderen is een dochter met een duitschen erfgraaf getrouwd, een zoon is luitenant in het regiment Pruisische gardes du corps te Potsdam; en een anderezoonheeft ook reeds zijn entrée in dat regiment gedaan.Als keizer en keizerin incognito van Kleef komen op Maandag aanstaande zal de extra-trein alleen aan het station Nijmegen even van machine verwisselen, om daarna met tien rijtuigen rechtstreeks naar de Steeg door te rijden, waar graaf en gravin Bentinck hun hooge gasten zullen ontvangen. In open rijtuigen wordt door het dorp gereden en door de beroemde beukenlaan langs de zijlaan naar het kasteel.In de hooge, ruime zalen en kamers, regelmatig om de vestibule en den koepel gebouwd, en langs de groote trap met het prachtige snijwerk aan de leuningen zal het hooge gezelschap, dat op Middachten blijft logeeren, zich bewegen en de heerlijke uitzichten genieten op het park en de weiden en lanen eromheen. Des keizers zin voor historie zal kunnen worden gestreeld, want talrijk zijn de oude portretten van historische beteekenis, die op Middachten worden bewaard. De eigenaar van Middachten, wiens moeder een gravin van Waldeck Pyrmont was, stamt af van den tweeden zoon van dien bekenden en terecht beroemden en geëerden eersten graaf van Portland, Hans Willem Bentinck, den gunsteling en, wat meer zegt, den trouwen, tot het laatst hem innig toegewijden vriend van Willem III.De titel, graaf van Aldenburg, kregen de Bentincks van Middachten bij den dood van Eugenius van Savoye, den laatsten graaf van Aldenburg, in 1736.
Zeer hooge gasten op Middachten.
Zooals het kasteel Middachten zich nu voordoet, werd het in 1697 gebouwd door Godard van Reede, graaf van Athlone, den trouwen vriend en den kloeken veldheer van den stadhouder-koning Willem III. In diezelfde zeventiende eeuw was het aan de Van Reedes gekomen, van wie het door huwelijk aan het geslacht Bentinck kwam, dat er thans nog troont.Het kasteel Middachten.Het kasteel Middachten.Vóór de zeventiende eeuw had het huis al een heele geschiedenis. Het wordt in 1190 genoemd, toen Jacobus de Michdat een oorkonde van graaf Otto van Gelder mede bezegelde, en in 1315 volgt Everard van Middach het voorbeeld van zooveel landheeren-tijdgenooten en maakt zijn huis en voorburcht ten »Zutfenschen Rechte tot leen«. In 1340 werd Hendrik van Middach overste-wildforster op de Veluwe. Na het uitsterven van het oude geslacht kwam Middachten in 1623 aan de Raisfelts, die er door de Van Reedes werden opgevolgd.De tegenwoordige bewoner, die de eer zal genieten, een vriendschapsbezoek van den duitschen keizer te ontvangen, graaf Willem Carel Philip Otto van Aldenburg-Bentinck en Waldeck-Limpurg, is lid van den hoogen duitschen adel, erfelijk lid van het wurtembergsche Heerenhuis en commandeur van de Duitsche Orde. Een tijd lang was hij secretaris van de britsche legatie te Berlijn. Zijn vrouw is Maria Cornelia, barones van Heeckeren van Wassenaer, en van de vier kinderen is een dochter met een duitschen erfgraaf getrouwd, een zoon is luitenant in het regiment Pruisische gardes du corps te Potsdam; en een anderezoonheeft ook reeds zijn entrée in dat regiment gedaan.Als keizer en keizerin incognito van Kleef komen op Maandag aanstaande zal de extra-trein alleen aan het station Nijmegen even van machine verwisselen, om daarna met tien rijtuigen rechtstreeks naar de Steeg door te rijden, waar graaf en gravin Bentinck hun hooge gasten zullen ontvangen. In open rijtuigen wordt door het dorp gereden en door de beroemde beukenlaan langs de zijlaan naar het kasteel.In de hooge, ruime zalen en kamers, regelmatig om de vestibule en den koepel gebouwd, en langs de groote trap met het prachtige snijwerk aan de leuningen zal het hooge gezelschap, dat op Middachten blijft logeeren, zich bewegen en de heerlijke uitzichten genieten op het park en de weiden en lanen eromheen. Des keizers zin voor historie zal kunnen worden gestreeld, want talrijk zijn de oude portretten van historische beteekenis, die op Middachten worden bewaard. De eigenaar van Middachten, wiens moeder een gravin van Waldeck Pyrmont was, stamt af van den tweeden zoon van dien bekenden en terecht beroemden en geëerden eersten graaf van Portland, Hans Willem Bentinck, den gunsteling en, wat meer zegt, den trouwen, tot het laatst hem innig toegewijden vriend van Willem III.De titel, graaf van Aldenburg, kregen de Bentincks van Middachten bij den dood van Eugenius van Savoye, den laatsten graaf van Aldenburg, in 1736.
Zooals het kasteel Middachten zich nu voordoet, werd het in 1697 gebouwd door Godard van Reede, graaf van Athlone, den trouwen vriend en den kloeken veldheer van den stadhouder-koning Willem III. In diezelfde zeventiende eeuw was het aan de Van Reedes gekomen, van wie het door huwelijk aan het geslacht Bentinck kwam, dat er thans nog troont.
Het kasteel Middachten.Het kasteel Middachten.
Het kasteel Middachten.
Vóór de zeventiende eeuw had het huis al een heele geschiedenis. Het wordt in 1190 genoemd, toen Jacobus de Michdat een oorkonde van graaf Otto van Gelder mede bezegelde, en in 1315 volgt Everard van Middach het voorbeeld van zooveel landheeren-tijdgenooten en maakt zijn huis en voorburcht ten »Zutfenschen Rechte tot leen«. In 1340 werd Hendrik van Middach overste-wildforster op de Veluwe. Na het uitsterven van het oude geslacht kwam Middachten in 1623 aan de Raisfelts, die er door de Van Reedes werden opgevolgd.
De tegenwoordige bewoner, die de eer zal genieten, een vriendschapsbezoek van den duitschen keizer te ontvangen, graaf Willem Carel Philip Otto van Aldenburg-Bentinck en Waldeck-Limpurg, is lid van den hoogen duitschen adel, erfelijk lid van het wurtembergsche Heerenhuis en commandeur van de Duitsche Orde. Een tijd lang was hij secretaris van de britsche legatie te Berlijn. Zijn vrouw is Maria Cornelia, barones van Heeckeren van Wassenaer, en van de vier kinderen is een dochter met een duitschen erfgraaf getrouwd, een zoon is luitenant in het regiment Pruisische gardes du corps te Potsdam; en een anderezoonheeft ook reeds zijn entrée in dat regiment gedaan.
Als keizer en keizerin incognito van Kleef komen op Maandag aanstaande zal de extra-trein alleen aan het station Nijmegen even van machine verwisselen, om daarna met tien rijtuigen rechtstreeks naar de Steeg door te rijden, waar graaf en gravin Bentinck hun hooge gasten zullen ontvangen. In open rijtuigen wordt door het dorp gereden en door de beroemde beukenlaan langs de zijlaan naar het kasteel.
In de hooge, ruime zalen en kamers, regelmatig om de vestibule en den koepel gebouwd, en langs de groote trap met het prachtige snijwerk aan de leuningen zal het hooge gezelschap, dat op Middachten blijft logeeren, zich bewegen en de heerlijke uitzichten genieten op het park en de weiden en lanen eromheen. Des keizers zin voor historie zal kunnen worden gestreeld, want talrijk zijn de oude portretten van historische beteekenis, die op Middachten worden bewaard. De eigenaar van Middachten, wiens moeder een gravin van Waldeck Pyrmont was, stamt af van den tweeden zoon van dien bekenden en terecht beroemden en geëerden eersten graaf van Portland, Hans Willem Bentinck, den gunsteling en, wat meer zegt, den trouwen, tot het laatst hem innig toegewijden vriend van Willem III.
De titel, graaf van Aldenburg, kregen de Bentincks van Middachten bij den dood van Eugenius van Savoye, den laatsten graaf van Aldenburg, in 1736.
Herdenking van wat Nederland en de Vereenigde Staten verbindt.Dat moet een aangename reis zijn geweest voor den professor van de universiteit Rutgers College in Ithaca in den Staat New-York, den heer William Elliot Griffis, die tocht naar Nederland met opdrachten van genootschappen en vereenigingen in Amerika, om in ons land door zichtbare blijken vast te leggen de herinnering aan de banden, die in de historie gelegd zijn tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het land, dat eerst Nederlandsche kolonie, toen Engelsche kolonie en eindelijk ook republiek was geworden.Het aanwakkeren van de piëteit voor het verleden is iets nobels en goeds, en waar door de gedenkplaten, die de amerikaansche geleerde in ons land kwam plaatsen en onthullen, iets voor ons land zoo eervols werd herdacht als het aandeel, dat Nederland had aan de schepping van de republiek Amerika, daar mogen wij allen wel hartelijk deelen in de herinneringsplechtigheden.Belangrijk waren vooral die in de Engelsch Hervormde kerk op het Bagijnhof te Amsterdam en die te Leeuwarden in de Statenzaal. Ook Utrecht en Nijkerk kregen gedenkplaten.Driehonderd jaren is het geleden, dat een groep personen, die om des geloofswille uit Engeland moesten wijken, gastvrij in ons land; en wel het eerst in Amsterdam, werden opgenomen. Als pelgrims kwamen ze naar het lage land en als pelgrims hebben ze er geen blijvende plaats gevonden, maar zijn, na ook in Leiden en in Delfshaven te hebben gewoond, overgestoken naar het toen nog zooveel verder dan nu verwijderde land aan de overzij van den Atlantischen Oceaan. Op de gedenkplaat, die in de Bagijnhofkerk is onthuld, staan vijf namen vermeld van die Pilgrim Fathers, die zich in Pennsylvanië vestigden. Het zijn Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster en Bradford, aristocratische namen in Amerika, waar de herinnering aan die pelgrims zeer levendig wordt gehouden.Het was een plechtige dienst, die op Zondag 11 Juli werd gehouden in de overvolle kerk. In de hooge bank tegenover den preekstoel had de burgemeester van Amsterdam, Mr. W. F. van Leeuwen, plaats genomen met den engelschen consul, Mr. Churchill, en den vice-consul, Mr. Nabarre. Aan den voet van het gestoelte zaten verschillende afgevaardigden van andere kerkgenootschappen, als de Ned. Herv. Kerk, de Evangelisch Luthersche, de Hersteld Evangelisch Luthersche en Doopsgezinde Gemeente, Ds. Overman, predikant van de Engelsche kerk teVlissingen, vertegenwoordigers van de Schotsche kerk te Rotterdam en veel autoriteiten uit Amerika.De predikant van de engelsche kerk, Rev. William Thomson, opende de bijeenkomst met gebed, waarna de gemeente uit den schotschen liederenbundel de toepasselijke verzen zong:“Throughthe night of doubt and sorrowOnward goes the pilgrim-band,Singing songs of expectation,Marching to the Promised land.”Clear before us through the darknessGleams and burns the gliding light;Brother clasps the hand of brother,Stepping fearless through the night.Daarna kreeg de Reverend Elliot Griffis het woord, de man, die al bekendheid heeft gekregen in ons land door zijn geschriften over de historische betrekkingen tusschen Nederland en Amerika, als “The Pilgrims in their three homes”, “Brave little Holland” en “The story of New-Netherland”. De spreker droeg een professorale toga, omzoomd met roode en witte strooken als doctor in de rechten en in de godgeleerdheid, op den rug belegd met een zwart zijden vierkant als een embleem van Rutgers College.In de rede werd hoog opgegeven van de geestelijke schatten, die wij in onze roemrijke geschiedenis en in onze oude kunst bezitten, werd natuurlijk de geschiedenis van de in 1609 uitgewekenen herdacht en tevens verteld, hoe verschillende stichtingen en particulieren, onder leiding van de Congregational Club als voornaamste geefster, de gedenkplaat hadden doen vervaardigen, die aan den wand van de kerk ter zijde van het preekgestoelte voor aller oogen zichtbaar werd; toen de hoogleeraar G. L. Raymund uit Washington, getrouwd met een afstammelinge van een der Pilgrim Fathers, haar onthulde.Koorgezang had te voren de mooie woorden begeleid van het lied, door den heer Griffis geschreven, waarin de woorden voorkomen:»Forth from their mother-land outcastOur fathers fled to find a home:Long dwelt they guests, in conscience freeWithin a State without a throne.Within these cities, rich and fair,They found full welcome and a home;In sweet comment then worshipped God,Nor wished again to farther roam.”Bedoelde professor Raymund is president van de Mayflower Society, zoo genoemd naar het schip, waarmee de pelgrims overstaken naar Amerika en wel naar Plymouth in Pennsylvanië, waar ze een overwegenden en blijvenden invloed hadden op de wording der Hervormde Kerk en op den gang van zaken in de kolonie.De onthulde plaat is van koper, bevestigd op eikenhout, en draagt het volgende inschrift:One in Christ.1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster,Bradford. By joint consent they resolved to go into the low Countries where they heard was freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.(Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago Congregational Club reared this memorial.A. D. 1909.Bij monde van den Rev. William E. Barton uit Chicago had den 18den de eigenlijke aanbieding plaats.Nog sprak bij de onthulling een eerbiedwaardige grijsaard, de heer George Bishop, een vertegenwoordiger van de oude kerk der knickerbockers, een afstammeling der eerste kolonisten, en ook de kanselier van de universiteit te New York, Dr. Henry Mitchell Mac Cracker, die over de in September aanstaande Hudson Fultonviering vol geestdrift uitweidde en alle Nederlanders, die over zouden komen al bij voorbaat hartelijk welkom heette. Men weet, dat onze oud-minister, de heer J. T. Cremer op 11 September erheen vertrekt als vertegenwoordiger van Nederland.De plechtigheid in de Statenzaal te Leeuwarden was voorbereid door een tentoonstelling, in het prentenkabinet van het friesch Museum ingericht ter herinnering aan het feit, dat de Staten van Friesland, het eerst van alle geüniëerde provinciën, bij besluit van 26 Februari 1782, aandrongen op de erkenning van John Adams als gezant van Amerika, iets wat gelijk stond met de erkenning der onafhankelijkheid van den Noord-Amerikaanschen Staat.Behalve portretten van bekende voorstanders van de Amerikaansche onafhankelijkheid, als Johan Derck van der Capellen, den Amerikaanschen burgemeester Hooft e. a., bestaat de expositie in hoofdzaak uit documenten die een levendigen kijk geven op hetgeen er in 1782 omging in Friesland’s hoofdstad en te Franeker, zetel der voormalige friesche hoogeschool.De Leeuwarder »Burger Sociëteit door Vrijheid en IJver« was zóó getroffen door het volwijze besluit der Staten van Friesland, dat zij besloot op hare kosten een zilveren medaille te laten slaan door B. C. van Calker te Amsterdam, naar nog voorhanden schetsen van J. Buys. Na veel wikken en wegen kwam men tot de volgende symboliek op de voorzijde der medaille, die volgens de gedrukte verklaring als volgt moet worden opgevat:De voorzijde vertoont een Fries, gekleed naar den ouden en caracteristicquen trant der Friezen tusschen Flie en Lauwers; ’t welk te kennen geeft »dat deeze Vrije Natie in haar oorspronkelijk caracter, en zugt voor de Vrijheid, onverandert en nog dezelfde is«. Deze Fries, met moeite ontdekt op een populair schilderij: »de Friesche maaltijd«, thans in het friesch Museum geeft de rechterhand aan eene Indiaansche maagd, representeerende de Vereenigde Staten van N. A. Deze »als noch niet in de stille en vreedige bezitting der vrijheid en onafhankelijkheid, vestigt hare oogen op een nederdalende Engel, die haar den hoed der vrijheid als een bizonder geschenk uit den hemel brengt«.Met de linkerhand wijst de Fries den vredespalm af, hem aangeboden door de Britsche maagd, bemerkt hebbende de adder in het gras liggende. De luipaart daarnaast, het gewone zinnebeeld van Engeland.Het afwijzen van den vrede sloeg op een tweede Statenbesluit, van April 1782, waarbij Friesland voorging in het weigeren om een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Talrijke brieven van voorname landgenooten en buitenlanders, een collectie, die een liefhebber van handteekeningen en zegels moet doen watertanden, brengen aan de ijverige societeit den dank voor een toegezonden medaille. Men vindt er bij van John Adams, zijn zaakgelastigde Dumas, den franschen ambassadeur Hertog de la Vauguyon, Hendrik Hooft, C. L. van Beyma, den graaf van Wassenaer, van der Cappellen tot den Pol en vele andere. Ook de medaille, die in totaal ƒ2074 aan kosten meebracht, is in meerdere exemplaren vertegenwoordigd.Franeker gaf 17 Juni 1782 op kosten der hoogleeraren, studenten en burgers ter eere der erkenning van Amerika een schitterend vuurwerk, later in twee gedichten bezongen. De eereboog had in ’t latijn tot opschrift:Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geachtDan eeuwen onder ’t juk eens Dwingelands doorgebracht.Op Donderdag 15 Juli had daarna de aanbieding der gedenkplaat door den heer Elliot Griffis plaats. Bij die bijeenkomst waren ook het gemeentebestuur vertegenwoordigd en het bestuur van Vreemdelingenverkeer, voorts de heeren Bloembergen en Sickenga, leden der Eerste Kamer, verschillende leden van rechterlijke colleges en ook dames. Na het woord van welkom door Th. M. Th. van Welderen baron Rengers hield diens vader, voorzitter van het Friesch Genootschap, een toespraak, waarin hij herinnert aan de aanleiding tot de plechtigheid, de erkenning door de Friesche Staten van de onafhankelijkheid der Amerikaansche republiek, wier bloei en grootheid thans bewondering afdwingt.Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda, de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijkegroeten aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het volgende opschrift:Memorial of gratitude.At Leeuwarden in the states of FrieslandFebruary 1782the first vote was takenwhichled to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.Erected by the De Witt Historical Societyof Tompkins countyat Ithaca N. Y.A. D.1909.Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland, de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden en Ithaca.Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en een dochter.Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de Vereenigde Staten door de Republiek.
Herdenking van wat Nederland en de Vereenigde Staten verbindt.
Dat moet een aangename reis zijn geweest voor den professor van de universiteit Rutgers College in Ithaca in den Staat New-York, den heer William Elliot Griffis, die tocht naar Nederland met opdrachten van genootschappen en vereenigingen in Amerika, om in ons land door zichtbare blijken vast te leggen de herinnering aan de banden, die in de historie gelegd zijn tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het land, dat eerst Nederlandsche kolonie, toen Engelsche kolonie en eindelijk ook republiek was geworden.Het aanwakkeren van de piëteit voor het verleden is iets nobels en goeds, en waar door de gedenkplaten, die de amerikaansche geleerde in ons land kwam plaatsen en onthullen, iets voor ons land zoo eervols werd herdacht als het aandeel, dat Nederland had aan de schepping van de republiek Amerika, daar mogen wij allen wel hartelijk deelen in de herinneringsplechtigheden.Belangrijk waren vooral die in de Engelsch Hervormde kerk op het Bagijnhof te Amsterdam en die te Leeuwarden in de Statenzaal. Ook Utrecht en Nijkerk kregen gedenkplaten.Driehonderd jaren is het geleden, dat een groep personen, die om des geloofswille uit Engeland moesten wijken, gastvrij in ons land; en wel het eerst in Amsterdam, werden opgenomen. Als pelgrims kwamen ze naar het lage land en als pelgrims hebben ze er geen blijvende plaats gevonden, maar zijn, na ook in Leiden en in Delfshaven te hebben gewoond, overgestoken naar het toen nog zooveel verder dan nu verwijderde land aan de overzij van den Atlantischen Oceaan. Op de gedenkplaat, die in de Bagijnhofkerk is onthuld, staan vijf namen vermeld van die Pilgrim Fathers, die zich in Pennsylvanië vestigden. Het zijn Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster en Bradford, aristocratische namen in Amerika, waar de herinnering aan die pelgrims zeer levendig wordt gehouden.Het was een plechtige dienst, die op Zondag 11 Juli werd gehouden in de overvolle kerk. In de hooge bank tegenover den preekstoel had de burgemeester van Amsterdam, Mr. W. F. van Leeuwen, plaats genomen met den engelschen consul, Mr. Churchill, en den vice-consul, Mr. Nabarre. Aan den voet van het gestoelte zaten verschillende afgevaardigden van andere kerkgenootschappen, als de Ned. Herv. Kerk, de Evangelisch Luthersche, de Hersteld Evangelisch Luthersche en Doopsgezinde Gemeente, Ds. Overman, predikant van de Engelsche kerk teVlissingen, vertegenwoordigers van de Schotsche kerk te Rotterdam en veel autoriteiten uit Amerika.De predikant van de engelsche kerk, Rev. William Thomson, opende de bijeenkomst met gebed, waarna de gemeente uit den schotschen liederenbundel de toepasselijke verzen zong:“Throughthe night of doubt and sorrowOnward goes the pilgrim-band,Singing songs of expectation,Marching to the Promised land.”Clear before us through the darknessGleams and burns the gliding light;Brother clasps the hand of brother,Stepping fearless through the night.Daarna kreeg de Reverend Elliot Griffis het woord, de man, die al bekendheid heeft gekregen in ons land door zijn geschriften over de historische betrekkingen tusschen Nederland en Amerika, als “The Pilgrims in their three homes”, “Brave little Holland” en “The story of New-Netherland”. De spreker droeg een professorale toga, omzoomd met roode en witte strooken als doctor in de rechten en in de godgeleerdheid, op den rug belegd met een zwart zijden vierkant als een embleem van Rutgers College.In de rede werd hoog opgegeven van de geestelijke schatten, die wij in onze roemrijke geschiedenis en in onze oude kunst bezitten, werd natuurlijk de geschiedenis van de in 1609 uitgewekenen herdacht en tevens verteld, hoe verschillende stichtingen en particulieren, onder leiding van de Congregational Club als voornaamste geefster, de gedenkplaat hadden doen vervaardigen, die aan den wand van de kerk ter zijde van het preekgestoelte voor aller oogen zichtbaar werd; toen de hoogleeraar G. L. Raymund uit Washington, getrouwd met een afstammelinge van een der Pilgrim Fathers, haar onthulde.Koorgezang had te voren de mooie woorden begeleid van het lied, door den heer Griffis geschreven, waarin de woorden voorkomen:»Forth from their mother-land outcastOur fathers fled to find a home:Long dwelt they guests, in conscience freeWithin a State without a throne.Within these cities, rich and fair,They found full welcome and a home;In sweet comment then worshipped God,Nor wished again to farther roam.”Bedoelde professor Raymund is president van de Mayflower Society, zoo genoemd naar het schip, waarmee de pelgrims overstaken naar Amerika en wel naar Plymouth in Pennsylvanië, waar ze een overwegenden en blijvenden invloed hadden op de wording der Hervormde Kerk en op den gang van zaken in de kolonie.De onthulde plaat is van koper, bevestigd op eikenhout, en draagt het volgende inschrift:One in Christ.1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster,Bradford. By joint consent they resolved to go into the low Countries where they heard was freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.(Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago Congregational Club reared this memorial.A. D. 1909.Bij monde van den Rev. William E. Barton uit Chicago had den 18den de eigenlijke aanbieding plaats.Nog sprak bij de onthulling een eerbiedwaardige grijsaard, de heer George Bishop, een vertegenwoordiger van de oude kerk der knickerbockers, een afstammeling der eerste kolonisten, en ook de kanselier van de universiteit te New York, Dr. Henry Mitchell Mac Cracker, die over de in September aanstaande Hudson Fultonviering vol geestdrift uitweidde en alle Nederlanders, die over zouden komen al bij voorbaat hartelijk welkom heette. Men weet, dat onze oud-minister, de heer J. T. Cremer op 11 September erheen vertrekt als vertegenwoordiger van Nederland.De plechtigheid in de Statenzaal te Leeuwarden was voorbereid door een tentoonstelling, in het prentenkabinet van het friesch Museum ingericht ter herinnering aan het feit, dat de Staten van Friesland, het eerst van alle geüniëerde provinciën, bij besluit van 26 Februari 1782, aandrongen op de erkenning van John Adams als gezant van Amerika, iets wat gelijk stond met de erkenning der onafhankelijkheid van den Noord-Amerikaanschen Staat.Behalve portretten van bekende voorstanders van de Amerikaansche onafhankelijkheid, als Johan Derck van der Capellen, den Amerikaanschen burgemeester Hooft e. a., bestaat de expositie in hoofdzaak uit documenten die een levendigen kijk geven op hetgeen er in 1782 omging in Friesland’s hoofdstad en te Franeker, zetel der voormalige friesche hoogeschool.De Leeuwarder »Burger Sociëteit door Vrijheid en IJver« was zóó getroffen door het volwijze besluit der Staten van Friesland, dat zij besloot op hare kosten een zilveren medaille te laten slaan door B. C. van Calker te Amsterdam, naar nog voorhanden schetsen van J. Buys. Na veel wikken en wegen kwam men tot de volgende symboliek op de voorzijde der medaille, die volgens de gedrukte verklaring als volgt moet worden opgevat:De voorzijde vertoont een Fries, gekleed naar den ouden en caracteristicquen trant der Friezen tusschen Flie en Lauwers; ’t welk te kennen geeft »dat deeze Vrije Natie in haar oorspronkelijk caracter, en zugt voor de Vrijheid, onverandert en nog dezelfde is«. Deze Fries, met moeite ontdekt op een populair schilderij: »de Friesche maaltijd«, thans in het friesch Museum geeft de rechterhand aan eene Indiaansche maagd, representeerende de Vereenigde Staten van N. A. Deze »als noch niet in de stille en vreedige bezitting der vrijheid en onafhankelijkheid, vestigt hare oogen op een nederdalende Engel, die haar den hoed der vrijheid als een bizonder geschenk uit den hemel brengt«.Met de linkerhand wijst de Fries den vredespalm af, hem aangeboden door de Britsche maagd, bemerkt hebbende de adder in het gras liggende. De luipaart daarnaast, het gewone zinnebeeld van Engeland.Het afwijzen van den vrede sloeg op een tweede Statenbesluit, van April 1782, waarbij Friesland voorging in het weigeren om een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Talrijke brieven van voorname landgenooten en buitenlanders, een collectie, die een liefhebber van handteekeningen en zegels moet doen watertanden, brengen aan de ijverige societeit den dank voor een toegezonden medaille. Men vindt er bij van John Adams, zijn zaakgelastigde Dumas, den franschen ambassadeur Hertog de la Vauguyon, Hendrik Hooft, C. L. van Beyma, den graaf van Wassenaer, van der Cappellen tot den Pol en vele andere. Ook de medaille, die in totaal ƒ2074 aan kosten meebracht, is in meerdere exemplaren vertegenwoordigd.Franeker gaf 17 Juni 1782 op kosten der hoogleeraren, studenten en burgers ter eere der erkenning van Amerika een schitterend vuurwerk, later in twee gedichten bezongen. De eereboog had in ’t latijn tot opschrift:Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geachtDan eeuwen onder ’t juk eens Dwingelands doorgebracht.Op Donderdag 15 Juli had daarna de aanbieding der gedenkplaat door den heer Elliot Griffis plaats. Bij die bijeenkomst waren ook het gemeentebestuur vertegenwoordigd en het bestuur van Vreemdelingenverkeer, voorts de heeren Bloembergen en Sickenga, leden der Eerste Kamer, verschillende leden van rechterlijke colleges en ook dames. Na het woord van welkom door Th. M. Th. van Welderen baron Rengers hield diens vader, voorzitter van het Friesch Genootschap, een toespraak, waarin hij herinnert aan de aanleiding tot de plechtigheid, de erkenning door de Friesche Staten van de onafhankelijkheid der Amerikaansche republiek, wier bloei en grootheid thans bewondering afdwingt.Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda, de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijkegroeten aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het volgende opschrift:Memorial of gratitude.At Leeuwarden in the states of FrieslandFebruary 1782the first vote was takenwhichled to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.Erected by the De Witt Historical Societyof Tompkins countyat Ithaca N. Y.A. D.1909.Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland, de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden en Ithaca.Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en een dochter.Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de Vereenigde Staten door de Republiek.
Dat moet een aangename reis zijn geweest voor den professor van de universiteit Rutgers College in Ithaca in den Staat New-York, den heer William Elliot Griffis, die tocht naar Nederland met opdrachten van genootschappen en vereenigingen in Amerika, om in ons land door zichtbare blijken vast te leggen de herinnering aan de banden, die in de historie gelegd zijn tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het land, dat eerst Nederlandsche kolonie, toen Engelsche kolonie en eindelijk ook republiek was geworden.
Het aanwakkeren van de piëteit voor het verleden is iets nobels en goeds, en waar door de gedenkplaten, die de amerikaansche geleerde in ons land kwam plaatsen en onthullen, iets voor ons land zoo eervols werd herdacht als het aandeel, dat Nederland had aan de schepping van de republiek Amerika, daar mogen wij allen wel hartelijk deelen in de herinneringsplechtigheden.
Belangrijk waren vooral die in de Engelsch Hervormde kerk op het Bagijnhof te Amsterdam en die te Leeuwarden in de Statenzaal. Ook Utrecht en Nijkerk kregen gedenkplaten.
Driehonderd jaren is het geleden, dat een groep personen, die om des geloofswille uit Engeland moesten wijken, gastvrij in ons land; en wel het eerst in Amsterdam, werden opgenomen. Als pelgrims kwamen ze naar het lage land en als pelgrims hebben ze er geen blijvende plaats gevonden, maar zijn, na ook in Leiden en in Delfshaven te hebben gewoond, overgestoken naar het toen nog zooveel verder dan nu verwijderde land aan de overzij van den Atlantischen Oceaan. Op de gedenkplaat, die in de Bagijnhofkerk is onthuld, staan vijf namen vermeld van die Pilgrim Fathers, die zich in Pennsylvanië vestigden. Het zijn Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster en Bradford, aristocratische namen in Amerika, waar de herinnering aan die pelgrims zeer levendig wordt gehouden.
Het was een plechtige dienst, die op Zondag 11 Juli werd gehouden in de overvolle kerk. In de hooge bank tegenover den preekstoel had de burgemeester van Amsterdam, Mr. W. F. van Leeuwen, plaats genomen met den engelschen consul, Mr. Churchill, en den vice-consul, Mr. Nabarre. Aan den voet van het gestoelte zaten verschillende afgevaardigden van andere kerkgenootschappen, als de Ned. Herv. Kerk, de Evangelisch Luthersche, de Hersteld Evangelisch Luthersche en Doopsgezinde Gemeente, Ds. Overman, predikant van de Engelsche kerk teVlissingen, vertegenwoordigers van de Schotsche kerk te Rotterdam en veel autoriteiten uit Amerika.
De predikant van de engelsche kerk, Rev. William Thomson, opende de bijeenkomst met gebed, waarna de gemeente uit den schotschen liederenbundel de toepasselijke verzen zong:
“Throughthe night of doubt and sorrowOnward goes the pilgrim-band,Singing songs of expectation,Marching to the Promised land.”Clear before us through the darknessGleams and burns the gliding light;Brother clasps the hand of brother,Stepping fearless through the night.
“Throughthe night of doubt and sorrowOnward goes the pilgrim-band,Singing songs of expectation,Marching to the Promised land.”
“Throughthe night of doubt and sorrow
Onward goes the pilgrim-band,
Singing songs of expectation,
Marching to the Promised land.”
Clear before us through the darknessGleams and burns the gliding light;Brother clasps the hand of brother,Stepping fearless through the night.
Clear before us through the darkness
Gleams and burns the gliding light;
Brother clasps the hand of brother,
Stepping fearless through the night.
Daarna kreeg de Reverend Elliot Griffis het woord, de man, die al bekendheid heeft gekregen in ons land door zijn geschriften over de historische betrekkingen tusschen Nederland en Amerika, als “The Pilgrims in their three homes”, “Brave little Holland” en “The story of New-Netherland”. De spreker droeg een professorale toga, omzoomd met roode en witte strooken als doctor in de rechten en in de godgeleerdheid, op den rug belegd met een zwart zijden vierkant als een embleem van Rutgers College.
In de rede werd hoog opgegeven van de geestelijke schatten, die wij in onze roemrijke geschiedenis en in onze oude kunst bezitten, werd natuurlijk de geschiedenis van de in 1609 uitgewekenen herdacht en tevens verteld, hoe verschillende stichtingen en particulieren, onder leiding van de Congregational Club als voornaamste geefster, de gedenkplaat hadden doen vervaardigen, die aan den wand van de kerk ter zijde van het preekgestoelte voor aller oogen zichtbaar werd; toen de hoogleeraar G. L. Raymund uit Washington, getrouwd met een afstammelinge van een der Pilgrim Fathers, haar onthulde.
Koorgezang had te voren de mooie woorden begeleid van het lied, door den heer Griffis geschreven, waarin de woorden voorkomen:
»Forth from their mother-land outcastOur fathers fled to find a home:Long dwelt they guests, in conscience freeWithin a State without a throne.Within these cities, rich and fair,They found full welcome and a home;In sweet comment then worshipped God,Nor wished again to farther roam.”
»Forth from their mother-land outcastOur fathers fled to find a home:Long dwelt they guests, in conscience freeWithin a State without a throne.
»Forth from their mother-land outcast
Our fathers fled to find a home:
Long dwelt they guests, in conscience free
Within a State without a throne.
Within these cities, rich and fair,They found full welcome and a home;In sweet comment then worshipped God,Nor wished again to farther roam.”
Within these cities, rich and fair,
They found full welcome and a home;
In sweet comment then worshipped God,
Nor wished again to farther roam.”
Bedoelde professor Raymund is president van de Mayflower Society, zoo genoemd naar het schip, waarmee de pelgrims overstaken naar Amerika en wel naar Plymouth in Pennsylvanië, waar ze een overwegenden en blijvenden invloed hadden op de wording der Hervormde Kerk en op den gang van zaken in de kolonie.
De onthulde plaat is van koper, bevestigd op eikenhout, en draagt het volgende inschrift:
One in Christ.1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster,Bradford. By joint consent they resolved to go into the low Countries where they heard was freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.(Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago Congregational Club reared this memorial.A. D. 1909.
One in Christ.
1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.
Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster,Bradford. By joint consent they resolved to go into the low Countries where they heard was freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.
(Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).
In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago Congregational Club reared this memorial.
A. D. 1909.
Bij monde van den Rev. William E. Barton uit Chicago had den 18den de eigenlijke aanbieding plaats.
Nog sprak bij de onthulling een eerbiedwaardige grijsaard, de heer George Bishop, een vertegenwoordiger van de oude kerk der knickerbockers, een afstammeling der eerste kolonisten, en ook de kanselier van de universiteit te New York, Dr. Henry Mitchell Mac Cracker, die over de in September aanstaande Hudson Fultonviering vol geestdrift uitweidde en alle Nederlanders, die over zouden komen al bij voorbaat hartelijk welkom heette. Men weet, dat onze oud-minister, de heer J. T. Cremer op 11 September erheen vertrekt als vertegenwoordiger van Nederland.
De plechtigheid in de Statenzaal te Leeuwarden was voorbereid door een tentoonstelling, in het prentenkabinet van het friesch Museum ingericht ter herinnering aan het feit, dat de Staten van Friesland, het eerst van alle geüniëerde provinciën, bij besluit van 26 Februari 1782, aandrongen op de erkenning van John Adams als gezant van Amerika, iets wat gelijk stond met de erkenning der onafhankelijkheid van den Noord-Amerikaanschen Staat.
Behalve portretten van bekende voorstanders van de Amerikaansche onafhankelijkheid, als Johan Derck van der Capellen, den Amerikaanschen burgemeester Hooft e. a., bestaat de expositie in hoofdzaak uit documenten die een levendigen kijk geven op hetgeen er in 1782 omging in Friesland’s hoofdstad en te Franeker, zetel der voormalige friesche hoogeschool.
De Leeuwarder »Burger Sociëteit door Vrijheid en IJver« was zóó getroffen door het volwijze besluit der Staten van Friesland, dat zij besloot op hare kosten een zilveren medaille te laten slaan door B. C. van Calker te Amsterdam, naar nog voorhanden schetsen van J. Buys. Na veel wikken en wegen kwam men tot de volgende symboliek op de voorzijde der medaille, die volgens de gedrukte verklaring als volgt moet worden opgevat:
De voorzijde vertoont een Fries, gekleed naar den ouden en caracteristicquen trant der Friezen tusschen Flie en Lauwers; ’t welk te kennen geeft »dat deeze Vrije Natie in haar oorspronkelijk caracter, en zugt voor de Vrijheid, onverandert en nog dezelfde is«. Deze Fries, met moeite ontdekt op een populair schilderij: »de Friesche maaltijd«, thans in het friesch Museum geeft de rechterhand aan eene Indiaansche maagd, representeerende de Vereenigde Staten van N. A. Deze »als noch niet in de stille en vreedige bezitting der vrijheid en onafhankelijkheid, vestigt hare oogen op een nederdalende Engel, die haar den hoed der vrijheid als een bizonder geschenk uit den hemel brengt«.
Met de linkerhand wijst de Fries den vredespalm af, hem aangeboden door de Britsche maagd, bemerkt hebbende de adder in het gras liggende. De luipaart daarnaast, het gewone zinnebeeld van Engeland.
Het afwijzen van den vrede sloeg op een tweede Statenbesluit, van April 1782, waarbij Friesland voorging in het weigeren om een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Talrijke brieven van voorname landgenooten en buitenlanders, een collectie, die een liefhebber van handteekeningen en zegels moet doen watertanden, brengen aan de ijverige societeit den dank voor een toegezonden medaille. Men vindt er bij van John Adams, zijn zaakgelastigde Dumas, den franschen ambassadeur Hertog de la Vauguyon, Hendrik Hooft, C. L. van Beyma, den graaf van Wassenaer, van der Cappellen tot den Pol en vele andere. Ook de medaille, die in totaal ƒ2074 aan kosten meebracht, is in meerdere exemplaren vertegenwoordigd.
Franeker gaf 17 Juni 1782 op kosten der hoogleeraren, studenten en burgers ter eere der erkenning van Amerika een schitterend vuurwerk, later in twee gedichten bezongen. De eereboog had in ’t latijn tot opschrift:
Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geachtDan eeuwen onder ’t juk eens Dwingelands doorgebracht.
Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geacht
Dan eeuwen onder ’t juk eens Dwingelands doorgebracht.
Op Donderdag 15 Juli had daarna de aanbieding der gedenkplaat door den heer Elliot Griffis plaats. Bij die bijeenkomst waren ook het gemeentebestuur vertegenwoordigd en het bestuur van Vreemdelingenverkeer, voorts de heeren Bloembergen en Sickenga, leden der Eerste Kamer, verschillende leden van rechterlijke colleges en ook dames. Na het woord van welkom door Th. M. Th. van Welderen baron Rengers hield diens vader, voorzitter van het Friesch Genootschap, een toespraak, waarin hij herinnert aan de aanleiding tot de plechtigheid, de erkenning door de Friesche Staten van de onafhankelijkheid der Amerikaansche republiek, wier bloei en grootheid thans bewondering afdwingt.
Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda, de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.
De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijkegroeten aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.
De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het volgende opschrift:
Memorial of gratitude.At Leeuwarden in the states of FrieslandFebruary 1782the first vote was takenwhichled to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.Erected by the De Witt Historical Societyof Tompkins countyat Ithaca N. Y.A. D.1909.
Memorial of gratitude.At Leeuwarden in the states of FrieslandFebruary 1782
the first vote was takenwhichled to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.
Erected by the De Witt Historical Societyof Tompkins countyat Ithaca N. Y.A. D.1909.
Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland, de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden en Ithaca.
Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en een dochter.
Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de Vereenigde Staten door de Republiek.
Hohenfinow en de Von Bethmann-Hollwegs.In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald vonBethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck’s Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.Het kasteel Hohenfinow.Het kasteel Hohenfinow.De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.
Hohenfinow en de Von Bethmann-Hollwegs.
In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald vonBethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck’s Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.Het kasteel Hohenfinow.Het kasteel Hohenfinow.De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.
In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald vonBethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck’s Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.
Het kasteel Hohenfinow.Het kasteel Hohenfinow.
Het kasteel Hohenfinow.
De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.
Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.
In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.
De beide talen in den Elzas.De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470 lagere scholen van het tweetalige gebied.Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht, de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de lagere scholen.Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de regeering haar steun blijft verleenen.
De beide talen in den Elzas.
De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470 lagere scholen van het tweetalige gebied.Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht, de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de lagere scholen.Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de regeering haar steun blijft verleenen.
De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.
Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470 lagere scholen van het tweetalige gebied.
Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht, de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de lagere scholen.
Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de regeering haar steun blijft verleenen.
Op den Uitkijk.Pforta of Schulpforta.De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school, afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege, dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse, werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of subjectief te werk moet gaan.De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen, waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende leeraren extranei in den kost hebben.De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen, die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge, ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen vleugel met ruime aula.Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in 1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729 tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen 1741 en 1746 vielen.De nieuwe Tauernspoorweg.Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon op den 5denJuli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn, die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn, die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen, en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid, die er te zien waren.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg, dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die ’t volgende jaar klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren, dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden, toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor, de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar debadplaats Gastein, voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op de Alpenreizigers.Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam, en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.Het engelsche landschap.Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt, wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover, Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar in de stilte van eigen gemoed.Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen, alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen; onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote, samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek, en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei en de pracht van hun verschijning vergoed.Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor, en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde; vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden, maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend, met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker, en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen, hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid de villa’s en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet uit te rusten van zijn inspanning.Een Haagsche vliegtocht van Lefèbvre.Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid, hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die later op den 4denen den 5dennog schitterend werd overtroefd door een mooier en wijder en statiger vlucht.In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre’s toestel, het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,« zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto’s en rijtuigen te ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat 1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre, die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op, in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée ƒ 2,50 en ƒ 1 veel te hoog. Als het ƒ 0,50 en ƒ 0,25 was geweest, zou het er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben dit niet te lezen.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Maar toen begon het wachten van drie uur tot ’s avonds half acht. Een fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf, dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan, niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille, aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder in het half donker.Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk, eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door, de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten, die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid, worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring hebben doorkliefd.«
Op den Uitkijk.
Pforta of Schulpforta.De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school, afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege, dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse, werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of subjectief te werk moet gaan.De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen, waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende leeraren extranei in den kost hebben.De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen, die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge, ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen vleugel met ruime aula.Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in 1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729 tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen 1741 en 1746 vielen.
Pforta of Schulpforta.
De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school, afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege, dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse, werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of subjectief te werk moet gaan.De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen, waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende leeraren extranei in den kost hebben.De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen, die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge, ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen vleugel met ruime aula.Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in 1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729 tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen 1741 en 1746 vielen.
De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school, afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.
Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege, dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse, werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of subjectief te werk moet gaan.
De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen, waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende leeraren extranei in den kost hebben.
De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen, die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge, ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen vleugel met ruime aula.
Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in 1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.
Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729 tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen 1741 en 1746 vielen.
De nieuwe Tauernspoorweg.Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon op den 5denJuli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn, die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn, die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen, en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid, die er te zien waren.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg, dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die ’t volgende jaar klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren, dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden, toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor, de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar debadplaats Gastein, voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op de Alpenreizigers.Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam, en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.
De nieuwe Tauernspoorweg.
Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon op den 5denJuli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn, die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn, die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen, en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid, die er te zien waren.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg, dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die ’t volgende jaar klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren, dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden, toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor, de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar debadplaats Gastein, voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op de Alpenreizigers.Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam, en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.
Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon op den 5denJuli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn, die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn, die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen, en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid, die er te zien waren.
Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.
Bad Gastein, uitgangspunt van den nieuwen Tauernspoorweg.
Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg, dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die ’t volgende jaar klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren, dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.
Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden, toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.
Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor, de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar debadplaats Gastein, voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op de Alpenreizigers.
Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.
Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.
Mallnitz aan den zuidelijken uitgang van den Tauerntunnel.
Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam, en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.
Het engelsche landschap.Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt, wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover, Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar in de stilte van eigen gemoed.Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen, alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen; onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote, samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek, en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei en de pracht van hun verschijning vergoed.Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor, en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde; vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden, maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend, met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker, en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen, hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid de villa’s en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet uit te rusten van zijn inspanning.
Het engelsche landschap.
Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt, wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover, Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar in de stilte van eigen gemoed.Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen, alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen; onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote, samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek, en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei en de pracht van hun verschijning vergoed.Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor, en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde; vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden, maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend, met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker, en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen, hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid de villa’s en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet uit te rusten van zijn inspanning.
Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt, wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover, Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar in de stilte van eigen gemoed.
Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen, alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen; onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote, samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek, en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei en de pracht van hun verschijning vergoed.
Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor, en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.
In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde; vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden, maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend, met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.
Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker, en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen, hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.
Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid de villa’s en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet uit te rusten van zijn inspanning.
Een Haagsche vliegtocht van Lefèbvre.Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid, hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die later op den 4denen den 5dennog schitterend werd overtroefd door een mooier en wijder en statiger vlucht.In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre’s toestel, het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,« zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto’s en rijtuigen te ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat 1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre, die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op, in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée ƒ 2,50 en ƒ 1 veel te hoog. Als het ƒ 0,50 en ƒ 0,25 was geweest, zou het er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben dit niet te lezen.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Maar toen begon het wachten van drie uur tot ’s avonds half acht. Een fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf, dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan, niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille, aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder in het half donker.Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk, eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door, de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten, die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid, worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring hebben doorkliefd.«
Een Haagsche vliegtocht van Lefèbvre.
Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid, hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die later op den 4denen den 5dennog schitterend werd overtroefd door een mooier en wijder en statiger vlucht.In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre’s toestel, het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,« zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto’s en rijtuigen te ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat 1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre, die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op, in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée ƒ 2,50 en ƒ 1 veel te hoog. Als het ƒ 0,50 en ƒ 0,25 was geweest, zou het er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben dit niet te lezen.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Het vliegtoestel van Lefèbvre.Maar toen begon het wachten van drie uur tot ’s avonds half acht. Een fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf, dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan, niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille, aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder in het half donker.Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk, eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door, de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten, die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid, worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring hebben doorkliefd.«
Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid, hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die later op den 4denen den 5dennog schitterend werd overtroefd door een mooier en wijder en statiger vlucht.
In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre’s toestel, het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.
De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,« zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto’s en rijtuigen te ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat 1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre, die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op, in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée ƒ 2,50 en ƒ 1 veel te hoog. Als het ƒ 0,50 en ƒ 0,25 was geweest, zou het er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben dit niet te lezen.
Het vliegtoestel van Lefèbvre.Het vliegtoestel van Lefèbvre.
Het vliegtoestel van Lefèbvre.
Maar toen begon het wachten van drie uur tot ’s avonds half acht. Een fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf, dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan, niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille, aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder in het half donker.
Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk, eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door, de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten, die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.
De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid, worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring hebben doorkliefd.«
Op den Uitkijk.In het Ertsgebergte.Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.Oude molen in het Ertsgebergte.Oude molen in het Ertsgebergte.Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend, zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten van het gebergte stijgen kan.Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918 meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid van de streek zoeken.Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van de 12deeeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind van de 15deeeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect van het Ertsgebergte wordt gesproken.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.De omlijsting dezer afbeelding is van kant uit het dorp Eibenstock.Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de 16deen 17deeeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen, maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang, dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers ensmeden bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een bitter klein beetje.Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.Houtbewerking.Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt ’t mij een bijzonder gelukkige vondst.Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen: die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en het heden ineen vloeien. Zeker—vaak treft men bij industrieelen den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van de dingen die de Sarasin’s gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die zij daarbij gebruiken.Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.Dit maakt het onderwerp—de schrijver wijst erop—zoo aantrekkelijk; we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.Joh. F. Snelleman.R’dam, 17–VIII–’09.Nieuwe Alpenweg in Frankrijk.In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den 2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste alpenweg over den Col d’Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France«zal een groot gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.Rustige Hotels.Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen, door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil mogelijk houden.Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst«van de »rusthotels«opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort, heeft gesteld:1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken, het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter zoo moeten ingericht zijn, dat er ook ’s morgens door eenige kieren licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel »geluid-dicht« afgesloten zijn.3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo min mogelijk gedruisch te laten geschieden.4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden, dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat verschillende hotels hem niet opnemen.5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen honden blaffen.6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten worden, is volkomen ongeoorloofd.Dansen.De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek een goede partij te doen.Nevelzeeën.In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee, die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken, waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.“Het is boven helder!” zoo klinkt van boven het blijde bericht, en wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg, bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in de grijze nevelmassa’s, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen naar de begeerde hoogten.Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente, en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag, en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote oog te onderscheiden.Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.Nevelzee van den Rigi gezien.Nevelzee van den Rigi gezien.Ouderdom van badplaatsen.Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost- en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek »Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland, en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden, waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd, en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld, dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.Een volkstelling in China.Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen, wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt van 300 tot 350 millioen.Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China van groote waarde zijn.Winst en roof.Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te onderscheiden.
Op den Uitkijk.
In het Ertsgebergte.Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.Oude molen in het Ertsgebergte.Oude molen in het Ertsgebergte.Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend, zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten van het gebergte stijgen kan.Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918 meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid van de streek zoeken.Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van de 12deeeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind van de 15deeeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect van het Ertsgebergte wordt gesproken.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.De omlijsting dezer afbeelding is van kant uit het dorp Eibenstock.Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de 16deen 17deeeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen, maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang, dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers ensmeden bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een bitter klein beetje.Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.
In het Ertsgebergte.
Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.Oude molen in het Ertsgebergte.Oude molen in het Ertsgebergte.Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend, zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten van het gebergte stijgen kan.Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918 meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid van de streek zoeken.Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van de 12deeeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind van de 15deeeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect van het Ertsgebergte wordt gesproken.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.De omlijsting dezer afbeelding is van kant uit het dorp Eibenstock.Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de 16deen 17deeeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen, maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang, dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers ensmeden bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een bitter klein beetje.Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.
Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.
Oude molen in het Ertsgebergte.Oude molen in het Ertsgebergte.
Oude molen in het Ertsgebergte.
Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend, zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten van het gebergte stijgen kan.
Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918 meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.
De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid van de streek zoeken.
Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van de 12deeeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind van de 15deeeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect van het Ertsgebergte wordt gesproken.
Kantwerkster uit het Ertsgebergte.Kantwerkster uit het Ertsgebergte.De omlijsting dezer afbeelding is van kant uit het dorp Eibenstock.
Kantwerkster uit het Ertsgebergte.
De omlijsting dezer afbeelding is van kant uit het dorp Eibenstock.
Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de 16deen 17deeeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen, maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang, dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers ensmeden bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een bitter klein beetje.
Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.
Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.
Houtbewerking.Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt ’t mij een bijzonder gelukkige vondst.Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen: die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en het heden ineen vloeien. Zeker—vaak treft men bij industrieelen den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van de dingen die de Sarasin’s gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die zij daarbij gebruiken.Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.Dit maakt het onderwerp—de schrijver wijst erop—zoo aantrekkelijk; we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.Joh. F. Snelleman.R’dam, 17–VIII–’09.
Houtbewerking.
Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt ’t mij een bijzonder gelukkige vondst.Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen: die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en het heden ineen vloeien. Zeker—vaak treft men bij industrieelen den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van de dingen die de Sarasin’s gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die zij daarbij gebruiken.Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.Dit maakt het onderwerp—de schrijver wijst erop—zoo aantrekkelijk; we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.Joh. F. Snelleman.R’dam, 17–VIII–’09.
Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt ’t mij een bijzonder gelukkige vondst.
Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen: die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en het heden ineen vloeien. Zeker—vaak treft men bij industrieelen den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van de dingen die de Sarasin’s gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die zij daarbij gebruiken.
Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.
Dit maakt het onderwerp—de schrijver wijst erop—zoo aantrekkelijk; we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.
Joh. F. Snelleman.
R’dam, 17–VIII–’09.
Nieuwe Alpenweg in Frankrijk.In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den 2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste alpenweg over den Col d’Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France«zal een groot gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.
Nieuwe Alpenweg in Frankrijk.
In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den 2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste alpenweg over den Col d’Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France«zal een groot gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.
In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den 2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste alpenweg over den Col d’Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France«zal een groot gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.
Rustige Hotels.Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen, door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil mogelijk houden.Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst«van de »rusthotels«opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort, heeft gesteld:1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken, het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter zoo moeten ingericht zijn, dat er ook ’s morgens door eenige kieren licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel »geluid-dicht« afgesloten zijn.3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo min mogelijk gedruisch te laten geschieden.4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden, dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat verschillende hotels hem niet opnemen.5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen honden blaffen.6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten worden, is volkomen ongeoorloofd.
Rustige Hotels.
Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen, door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil mogelijk houden.Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst«van de »rusthotels«opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort, heeft gesteld:1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken, het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter zoo moeten ingericht zijn, dat er ook ’s morgens door eenige kieren licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel »geluid-dicht« afgesloten zijn.3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo min mogelijk gedruisch te laten geschieden.4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden, dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat verschillende hotels hem niet opnemen.5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen honden blaffen.6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten worden, is volkomen ongeoorloofd.
Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen, door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil mogelijk houden.
Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst«van de »rusthotels«opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort, heeft gesteld:
1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken, het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter zoo moeten ingericht zijn, dat er ook ’s morgens door eenige kieren licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.
2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel »geluid-dicht« afgesloten zijn.
3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo min mogelijk gedruisch te laten geschieden.
4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden, dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat verschillende hotels hem niet opnemen.
5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen honden blaffen.
6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten worden, is volkomen ongeoorloofd.
Dansen.De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek een goede partij te doen.
Dansen.
De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek een goede partij te doen.
De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek een goede partij te doen.
Nevelzeeën.In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee, die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken, waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.“Het is boven helder!” zoo klinkt van boven het blijde bericht, en wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg, bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in de grijze nevelmassa’s, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen naar de begeerde hoogten.Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente, en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag, en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote oog te onderscheiden.Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.Nevelzee van den Rigi gezien.Nevelzee van den Rigi gezien.
Nevelzeeën.
In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee, die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken, waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.“Het is boven helder!” zoo klinkt van boven het blijde bericht, en wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg, bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in de grijze nevelmassa’s, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen naar de begeerde hoogten.Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente, en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag, en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote oog te onderscheiden.Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.Nevelzee van den Rigi gezien.Nevelzee van den Rigi gezien.
In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee, die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken, waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.
“Het is boven helder!” zoo klinkt van boven het blijde bericht, en wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg, bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in de grijze nevelmassa’s, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen naar de begeerde hoogten.
Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente, en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.
En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag, en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote oog te onderscheiden.
Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.
Nevelzee van den Rigi gezien.Nevelzee van den Rigi gezien.
Nevelzee van den Rigi gezien.
Ouderdom van badplaatsen.Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost- en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek »Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland, en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden, waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd, en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld, dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.
Ouderdom van badplaatsen.
Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost- en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek »Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland, en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden, waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd, en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld, dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.
Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost- en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek »Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.
In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland, en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden, waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.
Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd, en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld, dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.
Een volkstelling in China.Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen, wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt van 300 tot 350 millioen.Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China van groote waarde zijn.
Een volkstelling in China.
Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen, wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt van 300 tot 350 millioen.Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China van groote waarde zijn.
Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen, wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt van 300 tot 350 millioen.
Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.
Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China van groote waarde zijn.
Winst en roof.Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te onderscheiden.
Winst en roof.
Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te onderscheiden.
Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te onderscheiden.