In de buurt van Sofia.De rechteroever van de Donau vertoont in Bulgarije een licht golvend terras, dat door de van den Balkan komende Topolowitza in tweeën wordt gescheiden. In die natuurlijke depressie ligt de stad Widdin, oude hoofdstad van een turksch pasjalik, met een hier en daar in puin liggenden muur en een doolhof van nauwe straatjes. De stad heeft menig bombardement doorstaan, maar de citadel is nu niet anders dan een kazerne. Een bonte menigte kan men in de straten van deze stad waarnemen; Oosterlingen en Westerlingen van allerlei rang en stand, de eersten met fez of tulband op het hoofd en de Slaven met de tsjoebara of muts van zwart lamsvel. Mohammedaansche vrouwen dragen het gezicht ten halve bedekt door een fijn wit sluiertje en naast haar ziet men Bulgaarschen met de armen vol armbanden en de haarvlechten vol bloemen en munten. Armeensche en joodsche wisselaars zitten kalm achter hun glazen geldkastjes, die op aquaria gelijken en waarin ze bij wijze van visschen hun goud en zilver laten zien.Van Widdin gaat men veelal over Belogradsjik naar Sofia, Bulgarije’s hoofdstad, en de reis in een soort van victoria, met drie paarden bespannen, is vol afwisseling. Eerst gaat het langs de Donau door schaduwrijke wegen, dan laat men de rivier achter zich en rijdt door een reeks van boschrijke dalen met slechts enkele armoedige dorpen. Het stadje Belogradsjik ligt op de helling van eigenaardig gevormde rotsgevaarten van rooden zandsteen, en menig beroemd Alpenlandschap of beroemde plek in de Pyreneeën kan in schilderachtige schoonheid niet wedijveren met deze rotswereld van Belogradsjik.Over Dolnji-Lom, Prewala, Kowetitza draven de kleine, sterke paardjes vlug over den steenachtigen weg langs velden, waar het drukste landleven te zien is. Boeren zijn er aan den veldarbeid, of zijn aan het dorschen met daarvoor speciaal bestemde pony’s, maar dan wordt het landschap dor en eentonig en doet aan sommige deelen van Montenegro denken. Er volgen nog weer velden met koren en maïs en kleine boschjes tot aan het stadje Berkowitza, waar veel nijverheid is o. a. zijde-industrie.Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.Men moet op den weg naar Sofia Klisoera voorbij en over den Balkan trekken. Het is op den pas koud en het waait er veelal hevig, terwijl men, uit het gebied van de Ogost komend en dat van de Isker betredend, een slechten ruil doet. Het landschap is ten zuiden van het gebergte kaal en dor en men treft niet anders aan dan plateaux, waar weinig groeit op den steenachtigen bodem, en eerst als men deze Stara Planina voorbij is, doet zich de vlakte van Sofia voor. Daar verheffen zich te midden van koren- en maïsvelden boerenhoeven in het geboomte en aan het eind van een lange laan ligt de stad Sofia met haar koepels en moskeeën, de torens van haar kathedraal en de breede, goed onderhouden straten.In de laatste jaren is Sofia zeer vooruitgegaan, en afgezien van de terreinen even buiten de plaats, waar Armeniërs en Turken in schamele houten huizen wonen, is het nu een flinke, vroolijke stad met steenen huizen, waardige hoofdstad van een snel in ontwikkeling vorderend land.Van de oude monumenten heeft Sofia niet anders overgehouden dan een groote moskee met negen koepels, de Boejoek Djamié, nu in een museum veranderd. Op de groote markt kruisen elkander de lijnen van de electrische trams tegenover het paleis van den vorst van Bulgarije, een mooi, modern gebouw. Het Grand Hotel is uitstekend ingericht en ligt aan den schaduwrijken openbaren tuin, waar de beau monde van de stad zich amuseert en de geheele bevolking goede muziek te hooren krijgt.Boeren uit Doebnitza.Boeren uit Doebnitza.Noemenswaardige gebouwen zijn bij voorbeeld het Sobranjapaleis en veel mooie huizen in de Tergowskastraat en de Rokowskalaan. Een veelbewonderd monument is dat voor Alexander van Battenberg. Origineele en typische tooneeltjes krijgt men te zien op de markt, als de boeren of Sjops uit de vlakte van Sofia er hun verschijning maken met hun groote mutsen van schaapsvel op het dikwijls tot een staart gevlochten haar; hun vest zonder mouwen, waaronder ze een sierlijk geborduurd hemd dragen en de wijde, bruine broek met banden onder de knie en een gordel om het midden, voorzien van een mes in zijn scheede.De boerinnen hebben aardige kousen aan van veelkleurige wol; donkere japonnen met een roodwollen boezelaar met zwarte strepen en onder het jakje een van voren en aan de polsen rijkgeborduurd hemd. In het weelderige haar dragen ze munten of bloemen, penningen of linten, terwijl ze druk doen aan armbanden, oorringen en ceintuurs met schildjes van parelmoer of metaal.In deonmiddellijkeomgeving van Sofia valt niet veel te wandelen, want de omringende vlakte is nog al kaal en eentonig, maar er gaan veel wegen van de hoofdstad uit en zij worden in den laatsten tijd met ijver verbeterd. Dat hangt samen met de automobielen, want sedert vorst Ferdinand zich zulk een voertuig heeft aangeschaft, neemt de belangstelling snel toe. Maar toch zal dat nieuwe wel niet dadelijk de lichte victoria’s overbodig maken, die als men er een aanroept, bij twee- en drietallen komen aanvliegen in den vluggen draf van hun kleine paardjes.Wat verder van Sofia ligt Doebnitza op den weg naar Macedonië. De toeristen maken daarheen gebruik van rijtuigen, met vier paarden bespannen, waar veel bagage en proviand op kan worden meegenomen. Eerst heeft men dan Sint-Jan van Rilo, dat men bereikt na eerst onder den Vitosj langs te zijn gereden over Wali Effendi, Kniajevo, Wladaïa en Boïana, waarbij de paarden wonderen van behendigheid vertoonen bij het beklimmen van de zandige hellingen en niet minder bij het dalen.Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.Men laat op den weg naar Doebnitza den spoorweg naar Radomir rechts liggen, rijdt eerst door koele, boschrijke dalen en daarna over kleine en groote heuvels, waar het zonnig is, en waar riviertjes stroomen, die van den Vitosj komen. Te Krapetz is de tijd gekomen, om eens uit te blazen, en daarna krijgt men een reeks steenachtige kloven en plantenarme terreinen, zoo dor, als de Causses in Midden-Frankrijk.In de verte verrijst hier het Rilogebergte met zijn besneeuwde toppen, en daarachter, het Rhodope-gebergte. Op de weinige bebouwde velden arbeiden vrouwen, en haar kleine kinderen liggen rustig onder een wilg te slapen. De bulgaarsche hans of herbergen bieden niet veel bijzonders aan. Meestal hangt er een bloedend schaap voor de deur en van binnen is het eenige vertrek alleen verlicht door de vensters zonder ruiten; aan den eenen wand staat een lange houten kist bij wijze van divan; een andere kist is toonbank, en in een hoek staat een wijnvat, een paar flesschen, drie of vier glazen en een weegschaal. Soms liggen op planken langs de muren stukken zeep en allerlei kruidenierswaren, ook wel eieren en boter.Intusschen moet ieder reiziger erop bedacht zijn, dat hij zelf voor zijn mondvoorraad zorgt, als hij eenige eischen stelt, en in zoo’n geval kan aan de houten kisten met een helder tafellaken bedekt, een zeer goed maal uitstekend smaken.Over de Koejawo Planina en de Werila Planina gaat het verder naar Doebnitza, een stadje van zes of zeven duizend inwoners, dat een vrij belangrijk middelpunt voor den graanhandel is, en waar de cultuur van tabak ook zeer algemeen is. Maar primitief is het er nog. In de eenige herberg moeten alle reizigers gebruik maken van dezelfde waschgelegenheid, die op de binnenplaats te vinden is. De boeren uit den omtrek vormen er vaak schilderachtige groepen.Een brug van een enkelen boog, die over een bruisend stroompje voert, is hun een punt van samenkomst en conversatie. Men is hier al dichtbij de turksche grens, dus in het gebied der politieke woelingen, waar de ontevredenen hun Komitadji’s hebben gevormd en waar men telkens met revolutionnairen in aanraking komt, dikwijls uitgewekenen uit het turksche gebied, menschen, die gisteren opstandelingen waren en die het morgen weer zullen zijn.
In de buurt van Sofia.De rechteroever van de Donau vertoont in Bulgarije een licht golvend terras, dat door de van den Balkan komende Topolowitza in tweeën wordt gescheiden. In die natuurlijke depressie ligt de stad Widdin, oude hoofdstad van een turksch pasjalik, met een hier en daar in puin liggenden muur en een doolhof van nauwe straatjes. De stad heeft menig bombardement doorstaan, maar de citadel is nu niet anders dan een kazerne. Een bonte menigte kan men in de straten van deze stad waarnemen; Oosterlingen en Westerlingen van allerlei rang en stand, de eersten met fez of tulband op het hoofd en de Slaven met de tsjoebara of muts van zwart lamsvel. Mohammedaansche vrouwen dragen het gezicht ten halve bedekt door een fijn wit sluiertje en naast haar ziet men Bulgaarschen met de armen vol armbanden en de haarvlechten vol bloemen en munten. Armeensche en joodsche wisselaars zitten kalm achter hun glazen geldkastjes, die op aquaria gelijken en waarin ze bij wijze van visschen hun goud en zilver laten zien.Van Widdin gaat men veelal over Belogradsjik naar Sofia, Bulgarije’s hoofdstad, en de reis in een soort van victoria, met drie paarden bespannen, is vol afwisseling. Eerst gaat het langs de Donau door schaduwrijke wegen, dan laat men de rivier achter zich en rijdt door een reeks van boschrijke dalen met slechts enkele armoedige dorpen. Het stadje Belogradsjik ligt op de helling van eigenaardig gevormde rotsgevaarten van rooden zandsteen, en menig beroemd Alpenlandschap of beroemde plek in de Pyreneeën kan in schilderachtige schoonheid niet wedijveren met deze rotswereld van Belogradsjik.Over Dolnji-Lom, Prewala, Kowetitza draven de kleine, sterke paardjes vlug over den steenachtigen weg langs velden, waar het drukste landleven te zien is. Boeren zijn er aan den veldarbeid, of zijn aan het dorschen met daarvoor speciaal bestemde pony’s, maar dan wordt het landschap dor en eentonig en doet aan sommige deelen van Montenegro denken. Er volgen nog weer velden met koren en maïs en kleine boschjes tot aan het stadje Berkowitza, waar veel nijverheid is o. a. zijde-industrie.Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.Men moet op den weg naar Sofia Klisoera voorbij en over den Balkan trekken. Het is op den pas koud en het waait er veelal hevig, terwijl men, uit het gebied van de Ogost komend en dat van de Isker betredend, een slechten ruil doet. Het landschap is ten zuiden van het gebergte kaal en dor en men treft niet anders aan dan plateaux, waar weinig groeit op den steenachtigen bodem, en eerst als men deze Stara Planina voorbij is, doet zich de vlakte van Sofia voor. Daar verheffen zich te midden van koren- en maïsvelden boerenhoeven in het geboomte en aan het eind van een lange laan ligt de stad Sofia met haar koepels en moskeeën, de torens van haar kathedraal en de breede, goed onderhouden straten.In de laatste jaren is Sofia zeer vooruitgegaan, en afgezien van de terreinen even buiten de plaats, waar Armeniërs en Turken in schamele houten huizen wonen, is het nu een flinke, vroolijke stad met steenen huizen, waardige hoofdstad van een snel in ontwikkeling vorderend land.Van de oude monumenten heeft Sofia niet anders overgehouden dan een groote moskee met negen koepels, de Boejoek Djamié, nu in een museum veranderd. Op de groote markt kruisen elkander de lijnen van de electrische trams tegenover het paleis van den vorst van Bulgarije, een mooi, modern gebouw. Het Grand Hotel is uitstekend ingericht en ligt aan den schaduwrijken openbaren tuin, waar de beau monde van de stad zich amuseert en de geheele bevolking goede muziek te hooren krijgt.Boeren uit Doebnitza.Boeren uit Doebnitza.Noemenswaardige gebouwen zijn bij voorbeeld het Sobranjapaleis en veel mooie huizen in de Tergowskastraat en de Rokowskalaan. Een veelbewonderd monument is dat voor Alexander van Battenberg. Origineele en typische tooneeltjes krijgt men te zien op de markt, als de boeren of Sjops uit de vlakte van Sofia er hun verschijning maken met hun groote mutsen van schaapsvel op het dikwijls tot een staart gevlochten haar; hun vest zonder mouwen, waaronder ze een sierlijk geborduurd hemd dragen en de wijde, bruine broek met banden onder de knie en een gordel om het midden, voorzien van een mes in zijn scheede.De boerinnen hebben aardige kousen aan van veelkleurige wol; donkere japonnen met een roodwollen boezelaar met zwarte strepen en onder het jakje een van voren en aan de polsen rijkgeborduurd hemd. In het weelderige haar dragen ze munten of bloemen, penningen of linten, terwijl ze druk doen aan armbanden, oorringen en ceintuurs met schildjes van parelmoer of metaal.In deonmiddellijkeomgeving van Sofia valt niet veel te wandelen, want de omringende vlakte is nog al kaal en eentonig, maar er gaan veel wegen van de hoofdstad uit en zij worden in den laatsten tijd met ijver verbeterd. Dat hangt samen met de automobielen, want sedert vorst Ferdinand zich zulk een voertuig heeft aangeschaft, neemt de belangstelling snel toe. Maar toch zal dat nieuwe wel niet dadelijk de lichte victoria’s overbodig maken, die als men er een aanroept, bij twee- en drietallen komen aanvliegen in den vluggen draf van hun kleine paardjes.Wat verder van Sofia ligt Doebnitza op den weg naar Macedonië. De toeristen maken daarheen gebruik van rijtuigen, met vier paarden bespannen, waar veel bagage en proviand op kan worden meegenomen. Eerst heeft men dan Sint-Jan van Rilo, dat men bereikt na eerst onder den Vitosj langs te zijn gereden over Wali Effendi, Kniajevo, Wladaïa en Boïana, waarbij de paarden wonderen van behendigheid vertoonen bij het beklimmen van de zandige hellingen en niet minder bij het dalen.Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.Men laat op den weg naar Doebnitza den spoorweg naar Radomir rechts liggen, rijdt eerst door koele, boschrijke dalen en daarna over kleine en groote heuvels, waar het zonnig is, en waar riviertjes stroomen, die van den Vitosj komen. Te Krapetz is de tijd gekomen, om eens uit te blazen, en daarna krijgt men een reeks steenachtige kloven en plantenarme terreinen, zoo dor, als de Causses in Midden-Frankrijk.In de verte verrijst hier het Rilogebergte met zijn besneeuwde toppen, en daarachter, het Rhodope-gebergte. Op de weinige bebouwde velden arbeiden vrouwen, en haar kleine kinderen liggen rustig onder een wilg te slapen. De bulgaarsche hans of herbergen bieden niet veel bijzonders aan. Meestal hangt er een bloedend schaap voor de deur en van binnen is het eenige vertrek alleen verlicht door de vensters zonder ruiten; aan den eenen wand staat een lange houten kist bij wijze van divan; een andere kist is toonbank, en in een hoek staat een wijnvat, een paar flesschen, drie of vier glazen en een weegschaal. Soms liggen op planken langs de muren stukken zeep en allerlei kruidenierswaren, ook wel eieren en boter.Intusschen moet ieder reiziger erop bedacht zijn, dat hij zelf voor zijn mondvoorraad zorgt, als hij eenige eischen stelt, en in zoo’n geval kan aan de houten kisten met een helder tafellaken bedekt, een zeer goed maal uitstekend smaken.Over de Koejawo Planina en de Werila Planina gaat het verder naar Doebnitza, een stadje van zes of zeven duizend inwoners, dat een vrij belangrijk middelpunt voor den graanhandel is, en waar de cultuur van tabak ook zeer algemeen is. Maar primitief is het er nog. In de eenige herberg moeten alle reizigers gebruik maken van dezelfde waschgelegenheid, die op de binnenplaats te vinden is. De boeren uit den omtrek vormen er vaak schilderachtige groepen.Een brug van een enkelen boog, die over een bruisend stroompje voert, is hun een punt van samenkomst en conversatie. Men is hier al dichtbij de turksche grens, dus in het gebied der politieke woelingen, waar de ontevredenen hun Komitadji’s hebben gevormd en waar men telkens met revolutionnairen in aanraking komt, dikwijls uitgewekenen uit het turksche gebied, menschen, die gisteren opstandelingen waren en die het morgen weer zullen zijn.
De rechteroever van de Donau vertoont in Bulgarije een licht golvend terras, dat door de van den Balkan komende Topolowitza in tweeën wordt gescheiden. In die natuurlijke depressie ligt de stad Widdin, oude hoofdstad van een turksch pasjalik, met een hier en daar in puin liggenden muur en een doolhof van nauwe straatjes. De stad heeft menig bombardement doorstaan, maar de citadel is nu niet anders dan een kazerne. Een bonte menigte kan men in de straten van deze stad waarnemen; Oosterlingen en Westerlingen van allerlei rang en stand, de eersten met fez of tulband op het hoofd en de Slaven met de tsjoebara of muts van zwart lamsvel. Mohammedaansche vrouwen dragen het gezicht ten halve bedekt door een fijn wit sluiertje en naast haar ziet men Bulgaarschen met de armen vol armbanden en de haarvlechten vol bloemen en munten. Armeensche en joodsche wisselaars zitten kalm achter hun glazen geldkastjes, die op aquaria gelijken en waarin ze bij wijze van visschen hun goud en zilver laten zien.
Van Widdin gaat men veelal over Belogradsjik naar Sofia, Bulgarije’s hoofdstad, en de reis in een soort van victoria, met drie paarden bespannen, is vol afwisseling. Eerst gaat het langs de Donau door schaduwrijke wegen, dan laat men de rivier achter zich en rijdt door een reeks van boschrijke dalen met slechts enkele armoedige dorpen. Het stadje Belogradsjik ligt op de helling van eigenaardig gevormde rotsgevaarten van rooden zandsteen, en menig beroemd Alpenlandschap of beroemde plek in de Pyreneeën kan in schilderachtige schoonheid niet wedijveren met deze rotswereld van Belogradsjik.
Over Dolnji-Lom, Prewala, Kowetitza draven de kleine, sterke paardjes vlug over den steenachtigen weg langs velden, waar het drukste landleven te zien is. Boeren zijn er aan den veldarbeid, of zijn aan het dorschen met daarvoor speciaal bestemde pony’s, maar dan wordt het landschap dor en eentonig en doet aan sommige deelen van Montenegro denken. Er volgen nog weer velden met koren en maïs en kleine boschjes tot aan het stadje Berkowitza, waar veel nijverheid is o. a. zijde-industrie.
Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.
Bulgaarsche boeren op de markt te Sofia.
Men moet op den weg naar Sofia Klisoera voorbij en over den Balkan trekken. Het is op den pas koud en het waait er veelal hevig, terwijl men, uit het gebied van de Ogost komend en dat van de Isker betredend, een slechten ruil doet. Het landschap is ten zuiden van het gebergte kaal en dor en men treft niet anders aan dan plateaux, waar weinig groeit op den steenachtigen bodem, en eerst als men deze Stara Planina voorbij is, doet zich de vlakte van Sofia voor. Daar verheffen zich te midden van koren- en maïsvelden boerenhoeven in het geboomte en aan het eind van een lange laan ligt de stad Sofia met haar koepels en moskeeën, de torens van haar kathedraal en de breede, goed onderhouden straten.
In de laatste jaren is Sofia zeer vooruitgegaan, en afgezien van de terreinen even buiten de plaats, waar Armeniërs en Turken in schamele houten huizen wonen, is het nu een flinke, vroolijke stad met steenen huizen, waardige hoofdstad van een snel in ontwikkeling vorderend land.
Van de oude monumenten heeft Sofia niet anders overgehouden dan een groote moskee met negen koepels, de Boejoek Djamié, nu in een museum veranderd. Op de groote markt kruisen elkander de lijnen van de electrische trams tegenover het paleis van den vorst van Bulgarije, een mooi, modern gebouw. Het Grand Hotel is uitstekend ingericht en ligt aan den schaduwrijken openbaren tuin, waar de beau monde van de stad zich amuseert en de geheele bevolking goede muziek te hooren krijgt.
Boeren uit Doebnitza.Boeren uit Doebnitza.
Boeren uit Doebnitza.
Noemenswaardige gebouwen zijn bij voorbeeld het Sobranjapaleis en veel mooie huizen in de Tergowskastraat en de Rokowskalaan. Een veelbewonderd monument is dat voor Alexander van Battenberg. Origineele en typische tooneeltjes krijgt men te zien op de markt, als de boeren of Sjops uit de vlakte van Sofia er hun verschijning maken met hun groote mutsen van schaapsvel op het dikwijls tot een staart gevlochten haar; hun vest zonder mouwen, waaronder ze een sierlijk geborduurd hemd dragen en de wijde, bruine broek met banden onder de knie en een gordel om het midden, voorzien van een mes in zijn scheede.
De boerinnen hebben aardige kousen aan van veelkleurige wol; donkere japonnen met een roodwollen boezelaar met zwarte strepen en onder het jakje een van voren en aan de polsen rijkgeborduurd hemd. In het weelderige haar dragen ze munten of bloemen, penningen of linten, terwijl ze druk doen aan armbanden, oorringen en ceintuurs met schildjes van parelmoer of metaal.
In deonmiddellijkeomgeving van Sofia valt niet veel te wandelen, want de omringende vlakte is nog al kaal en eentonig, maar er gaan veel wegen van de hoofdstad uit en zij worden in den laatsten tijd met ijver verbeterd. Dat hangt samen met de automobielen, want sedert vorst Ferdinand zich zulk een voertuig heeft aangeschaft, neemt de belangstelling snel toe. Maar toch zal dat nieuwe wel niet dadelijk de lichte victoria’s overbodig maken, die als men er een aanroept, bij twee- en drietallen komen aanvliegen in den vluggen draf van hun kleine paardjes.
Wat verder van Sofia ligt Doebnitza op den weg naar Macedonië. De toeristen maken daarheen gebruik van rijtuigen, met vier paarden bespannen, waar veel bagage en proviand op kan worden meegenomen. Eerst heeft men dan Sint-Jan van Rilo, dat men bereikt na eerst onder den Vitosj langs te zijn gereden over Wali Effendi, Kniajevo, Wladaïa en Boïana, waarbij de paarden wonderen van behendigheid vertoonen bij het beklimmen van de zandige hellingen en niet minder bij het dalen.
Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.
Opstandeling van gisteren, die het morgen weer zal zijn.
Men laat op den weg naar Doebnitza den spoorweg naar Radomir rechts liggen, rijdt eerst door koele, boschrijke dalen en daarna over kleine en groote heuvels, waar het zonnig is, en waar riviertjes stroomen, die van den Vitosj komen. Te Krapetz is de tijd gekomen, om eens uit te blazen, en daarna krijgt men een reeks steenachtige kloven en plantenarme terreinen, zoo dor, als de Causses in Midden-Frankrijk.
In de verte verrijst hier het Rilogebergte met zijn besneeuwde toppen, en daarachter, het Rhodope-gebergte. Op de weinige bebouwde velden arbeiden vrouwen, en haar kleine kinderen liggen rustig onder een wilg te slapen. De bulgaarsche hans of herbergen bieden niet veel bijzonders aan. Meestal hangt er een bloedend schaap voor de deur en van binnen is het eenige vertrek alleen verlicht door de vensters zonder ruiten; aan den eenen wand staat een lange houten kist bij wijze van divan; een andere kist is toonbank, en in een hoek staat een wijnvat, een paar flesschen, drie of vier glazen en een weegschaal. Soms liggen op planken langs de muren stukken zeep en allerlei kruidenierswaren, ook wel eieren en boter.
Intusschen moet ieder reiziger erop bedacht zijn, dat hij zelf voor zijn mondvoorraad zorgt, als hij eenige eischen stelt, en in zoo’n geval kan aan de houten kisten met een helder tafellaken bedekt, een zeer goed maal uitstekend smaken.
Over de Koejawo Planina en de Werila Planina gaat het verder naar Doebnitza, een stadje van zes of zeven duizend inwoners, dat een vrij belangrijk middelpunt voor den graanhandel is, en waar de cultuur van tabak ook zeer algemeen is. Maar primitief is het er nog. In de eenige herberg moeten alle reizigers gebruik maken van dezelfde waschgelegenheid, die op de binnenplaats te vinden is. De boeren uit den omtrek vormen er vaak schilderachtige groepen.
Een brug van een enkelen boog, die over een bruisend stroompje voert, is hun een punt van samenkomst en conversatie. Men is hier al dichtbij de turksche grens, dus in het gebied der politieke woelingen, waar de ontevredenen hun Komitadji’s hebben gevormd en waar men telkens met revolutionnairen in aanraking komt, dikwijls uitgewekenen uit het turksche gebied, menschen, die gisteren opstandelingen waren en die het morgen weer zullen zijn.